KENNEN EN KUNNEN, DE TECHNOLOGISCHE MENS

dec.’95/jan.’96

 

evolutie,evolutie van het leven,geest,geschapen wereld,god,godsdiensten,het brein,het technologische denken,instincten,intellectuele systemen,kennis,kenvermogen,kuddedieren,leefbare wereld,leven op aarde,materiele evolutie,menselijk leven,oermens,ontstaan van het verschijnsel mens,politici,saamhorigheid,scheppende god,schepper,schepping,techniek,technologie,technologisch denken,teilhard de chardin,

veiligheid,voorstelling,vrijdenkers,waar komen wij vandaan,wetenschappelijk onderzoek,wordingsproces,zelfbewustzijn.

 

 

Terug naar: de Homepage van Rob van Es voor méér informatie

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uw…!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

Naar bladwijzer(s): proces/geen-proces ; Kuddedieren ; Vrije keuze ; materie en niet-materie ; Onverdraagzaam ; Is WINST de MAAT.? ;  Houvast ; Brein-1 ; Het begrip “de mens” ; De technologie ; Moraal ; Het denken in statische termen ; technologisch bewustzijn ; Menselijk leven is technologisch leven..! ; Menselijk leven is heel gewoon pragmatisch ;

 

 

KENNEN EN KUNNEN, DE TECHNOLOGISCHE MENS

 

 


Onlangs, dames en heren, onlangs viel de stroom uit in Bleiswijk. Dat gaf een hele consternatie. U hebt het op de televisie kunnen zien. De koelkasten werkten niet meer de nieuwsvoorziening liep in het honderd en de mensen zaten, overigens heel romantisch en vol van nostalgie, bijeen bij kaarslicht. Er waren er zelfs die vonden dat deze technische storing de saamhorigheid in de hand werkte, ondanks de vele, vooral ook commerciële nadelen. Zoals te verwachten was laaide al gauw de discussie op over de vraag of wij niet op de verkeerde weg waren door onszelf zo afhankelijk te maken van de technologie en de techniek. Het bleek ook nu weer: het in brand vliegen van één enkele transformator ontregelde het leven van een hele gemeenschap en dat werd nog eens extra bedreigend door het vooruitzicht van een onontkoombare ramp op langere termijn. Voor een paar dagen was er nog wel wat op te verzinnen - het had zelfs veel weg van een vakantie uit de vijftiger jaren - maar voor de tijd daarna was er hoegenaamd geen enkel hoopgevend vooruitzicht. De toestand in Bleiswijk greep direct in in het leven van de betrokkenen. Aan den lijve voelde men de confrontatie met de technologie, in dit geval de falende technologie. Maar er is zoveel waar wij al lang niet meer bij stil staan. De communicatie, al of niet via satellieten, het vervoer, de huisvesting en dan ook nog de medische wetenschap, ja zelfs iets zo natuurlijks als de landbouw en tuinbouw worden door verfijnde technieken gestuurd en geregeld. De computer neemt niet alleen een steeds belangrijker deel van onze intellectuele activiteiten over, maar brengt die ook nog eens op een aanzienlijk hoger plan. Zo kan ik inderdaad nog een hele tijd doorgaan, of eigenlijk kan ik dat niet, want zo' n opsomming begint me nu al te vervelen en nu ben ik nog maar net begonnen!

Waarom het gaat is natuurlijk dat de moderne mens bijna volledig ingesloten is door een netwerk van allerhande technische voorzieningen, daarvan steeds meer afhankelijk is, maar daarmee tegelijkertijd zijn mogelijkheden op een veel en veel hoger plan gebracht heeft. Dat hele complex van in wezen onnatuurlijke voorzieningen stemde de mensen aanvankelijk enthousiast, maar tegenwoordig beginnen angstige voorgevoelens gaandeweg de overhand te krijgen. Er werd zelfs in een televisie-uitzending van de IKON (8 oktober 1992, interview met Jacques Ellul ) over “het verraad van de techniek” gesproken, wat natuurlijk volstrekt fout is: als er al van “verraad” gesproken kan worden moet het dat van de technologie zijn. De techniek heeft nog nooit verraad gepleegd maar juist al haar beloften waargemaakt. Ik heb deze lezing op de tekstverwerker kunnen maken en ik verzeker u dat, als hij niet kapot is, alles exact werkt zoals dat in de handleiding beloofd is. Mijn horloge neemt geen loopje met de tijd maar houdt zich, binnen een redelijke tolerantie, keurig aan de ooit door de mensen gemaakte afspraken inzake de duur van seconden, minuten en uren. Er is niets op aan te merken. Kortom, alle dingen die wij om ons heen hebben doen gewoonlijk wat ervan verwacht kan worden. Dat is de techniek en die is eerlijk gezegd best voor elkaar.

Wat anders is de vraag hoe het met de technologie zit. Dat er intussen wel degelijk gegronde reden is om daarover bezorgd te zijn zal wel niemand bestrijden. Er worden heel wat onverantwoorde en zelfs levensgevaarlijke technologieën uitgedacht die je er verbaasd over doen staan hoe gemakkelijk men bij toepassing daarvan met de levens van zijn medemensen omspringt. En dan behoef je echt niet alleen aan de nucleaire proeven van de Fransen te denken.

 

Dezer dagen waren er weer berichten over de vervuiling die de vliegtuigen bij Schiphol teweeg brengen. En alleen al het feit dat zo'n minister dan zegt het niet nodig te vinden de zaak te onderzoeken bewijst al hoe armoedig, onvolwassen en misdadig het technologische denken van dergelijke mensen is.

De technologie kan dus uitermate bedreigend zijn. Dat is niet de techniek, want de werktuigen doen wat zij beloofd hebben te doen en de processen verlopen zoals te voorspellen was. Bedreigend is het eraan ten grondslag liggende technologische denken. Als wij niet oppassen kan dat misschien wel tot uitroeiing van alle leven op de planeet leiden. Maar, betekent dit nu ook dat diegenen gelijk hebben die ons ervan willen overtuigen dat wij zonder technologie en technische voorzieningen kunnen? Klopt het dat wij “terug naar de natuur” zouden moeten? Wat zou men daarmee bedoelen? Moeten wij echt in ons nakie in grotten gaan leven? En gesteld dat wij dat voor elkaar kregen, zouden wij dan geen techniek meer hebben en het technologische denken achterwege laten? Kunnen en mogen wij dan zelfs ons hol niet zodanig verbeteren dat wij er, zeg maar, ook nog warm en veilig zitten? Ik ben tot de conclusie gekomen dat dit onmogelijk is, maar het is vooral irreëel omdat het volstrekt indruist tegen de natuur van de mens.

Elke handeling, hoe onbeduidend ook, is een technische manifestatie van technologisch denken, of het nu gaat om het primitieve aanpunten van een stok of het hoogwaardige, operaten, van een elektriciteitscentrale.


Om duidelijk te maken hoe ik dat bedoel geef ik u heel summier mijn gedachtegang over het ontstaan van het verschijnsel mens en dat is dan tegelijkertijd een positiebepaling van dat verschijnsel in het geheel van de werkelijkheid. Daaruit is dan af te leiden welke de meest essentiële verhoudingen zijn die de mens kenmerken en die geheel automatisch het leven en het gedoe van elke mens bepalen. Daartoe zal ik als eerste iets zeggen over het begrip de mens. Als je over de mens spreekt willen collega filosofen graag opmerken dat “de mens” niet bestaat en dat er alleen maar “mensen” zijn. Dat nu is een denktruc!

Je behoeft je dan namelijk niet te verdiepen in het wezen, de natuur, het karakter of de aard van de mensen. Ieder mens is zo gedacht anders en je kunt hoogstens onderzoeken welke eigenaardigheden bij welke mensen het meest voorkomen. Die collega's denken dan ook dat ik een soort van prototype van de mens, of een grootste gemene deler bedoel. Maar daarover heb ik het natuurlijk niet: ik heb het over een begrip en dat begrip heet het verschijnsel mens, oftewel de mens. En aan dat verschijnsel is een aantal eigenaardigheden op te merken en vervolgens is het de kunst er achter te komen wat dat voor eigenaardigheden zijn, dus wat er voor geldt, zodat je daaruit af kunt leiden waarom dat verschijnsel doet wat het doet en ook waarom het heel vaak doet wat het eigenlijk niet zou moeten doen.

Welnu, de mens is het eindpunt van het totale kosmische wordingsproces en dus ook het eindpunt van die tweede fase van die wording, namelijk het ontstaan en de evolutie van het leven op aarde. Het verschijnsel mens is dus als laatste verschijnsel ook het eindpunt van de evolutie en dus van het voortbrengen door het leven van geheel nieuwe, niet uit elkaar voortvloeiende, steeds verfijnder, levensvormen. Met het verschijnen van de mens houdt dat proces op en blijven alleen nog maar over “het aanpassingsproces”,  dat een voortdurend pogen is van alle levensvormen zich aan de omstandigheden aan te passen teneinde te overleven, en “het ontwikkelingsproces” van speciaal de mens, wat hem gaandeweg op een hoger niveau brengt en, daarmee samenhangend, de planeet om tovert tot een geheel nieuwe, voor de mens leefbare, wereld. Voor de planten en dierenwereld geldt dus alleen nog maar “het aanpassingsproces” waarbij nieuwe vormen ontstaan uit oude, maar voor het verschijnsel mens komt daar nog eens “het ontwikkelingsproces” bij. De mens past zich niet alleen aan de omstandigheden aan, maar hij ontwikkelt zich ook nog. De mens van nu, waar ook ter wereld, is hoger ontwikkeld dan die van een miljoen jaar geleden. En ik zeg er meteen maar bij dat dit niet zonder meer behoeft te betekenen dat de mens van nu beter of intelligenter is. Maar het is dunkt mij een onmiskenbaar feit dat onze wereld er heel anders uitziet dan die van bijvoorbeeld de oude Grieken. Dat is niet toevallig zo. Er is ontwikkeling en dat is zowel positief als negatief te waarderen. Het hangt er maar vanaf hoe je er tegenaan kijkt.

 

Het eindpunt van een proces kan noodzakelijk niet anders dan dubbel gedacht worden. Aan de ene kant heb je dat proces, volledig uitgewerkt zodat alle houdbare en onhoudbare mogelijkheden voor de dag gekomen zijn en eventueel weer verdwenen, en aan de andere kant is er de afwezigheid van dat proces waarin alle manifestaties van het proces als het ware in één klap in hun eigen ontkenning veranderd zijn. Dit is een heel belangrijk punt, niet alleen om mijn gedachtegang in dit betoog aannemelijk te maken, maar ook en vooral in het algemeen om te dienen als uitermate verhelderend uitgangspunt voor het denken over dat laatste verschijnsel, de mens.

 


Nu zijn er denkers die met de omslag proces / geen-proces niets te maken willen hebben omdat zij al op voorhand menen te weten dat de mens helemaal het laatste verschijnsel niet is. Zij denken dat de evolutie, let wel: de evolutie, nog steeds voortgaat en dat er dus op een bepaald moment een geheel nieuw verschijnsel zal ontstaan dat op ons, hedendaagse mensen, terugkijkt als op een niet zo erg intelligente apenvorm. Tja, het is waar: waarom zou je hem intelligent noemen, als je het almaar voortdurende wangedrag dat hij vertoont in aanmerking neemt! Teilhard de Chardin bijvoorbeeld kon geen consistentie in zijn denken over de mens en de evolutie krijgen als hij zichzelf niet wijsmaakte dat er in de toekomst zo'n nieuw en werkelijk intelligent verschijnsel zou geboren worden! En dat niet zomaar: zelfs god zou er, wakker geworden en in een vlaag van buitengewone welwillendheid, de hand in hebben! Dwaze fantasieën vind ik dat, wat die voortgaande evolutie betreft en natuurlijk vooral wat betreft die intellectuele noodsprong: god!

 

Intussen staat het toch een ieder vrij om te denken wat hij of zij denkt en dus kun je wat mij betreft rustig van mening zijn dat er na ons een nieuw en beter verschijnsel komt, zeg maar een Übermensch. Maar je bent beslist niet vrij om te ontkennen dat dan voor die Übermensch op zijn beurt de dubbelslag proces / geen-proces gelden moet. Dat is namelijk een denknoodzakelijkheid en daar kun je niet met goed fatsoen omheen. En je kunt er als je eerlijk bent ook niet met goed fatsoen omheen toe te geven dat wij zelf in ieder geval ook duidelijk dubbelwezens zijn, iets waar wij voortdurend op allerlei wijzen blijk van geven. Sommigen zelfs met infame bijbedoelingen, zoals politici en geestelijken die ons met volle mond en buik voorhouden dat “je niet bij brood alleen kunt leven” en anderen die ons bijna een ongeneeslijk schuldcomplex bezorgen door er almaar op te hameren dat het beter is een boek te lezen dan een glas bier te drinken of bloemrijk te beminnen. Het zijn onmiskenbaar verwijzingen naar een tweetal mogelijkheden voor de mens, zeg maar “stoffelijk” en “geestelijk”. Daarom staat het voor mij in ieder geval vast dat wij inderdaad het laatste verschijnsel zijn. En voor diegenen die hierin nog steeds niet met mij mee willen gaan is er nog geen man over boord: zij verplaatsen mijn verhaal eenvoudig naar hun toekomstige Übermensch en dan klopt alles weer!

Het wordingsproces komt op de een of andere manier neer op een zich rangschikken en een zich onderling verbinden van materie. Daarover is een consistente en heel interessante gedachtegang te ontwikkelen, maar dat kan ik nu in deze lezing niet doen.

Deze gedachtegang vindt u op deze homepage onder Beweging en Verschijnsel (deel 1, 2, en 3) aan.

Het voert trouwens te ver af van het thema van vandaag. Ik wil er echter wel op wijzen dat het iets is wat helaas veel te weinig gebeurt in de moderne filosofie. Dat is jammer, want het is filosofisch van het grootste belang dat men zich een helder en genuanceerd beeld vormt van de werkelijkheid en haar wording, juist omdat dit een hechte basis legt voor het nadenken over tal van thema's. Maar men is tegenwoordig meer bezig met het zoeken van problemen die bij vernuftig uitgedachte oplossingen passen en vervolgens het aan de hand daarvan navorsen en rubriceren van het denken van anderen, dan dat men zich nauwgezet op de essentie van de filosofie richt: het op eigen kracht en met eigen primair menselijke vermogens nagaan hoe het zit met de werkelijkheid. Men waagt zich niet graag meer op het gladde ijs van “het alleen-maar-denkbare” en blijft maar liever aan de veilige kant door zich, naar men meent op wetenschappelijke wijze, te bepalen tot de controleerbare beweringen van anderen.

 


Het al of niet juist zijn van die beweringen is voor de meeste moderne filosofen interessanter dan het risicovolle zoeken van de waarheid. Doe je dit laatste echter wel, dan ontdek je al gauw dat het wordingsproces materieel van aard is en dat het laatste materiele verschijnsel tegelijkertijd een niet-materiële geaardheid bezit. Uiteraard op grond van dat dubbele karakter van het eindpunt, wat ik al genoemd heb.

Het laatste verschijnsel kan beschouwd worden als materie en niet-materie tegelijkertijd. Je kunt ook zeggen dat het laatste verschijnsel tegelijkertijd “stoffelijk” en “geestelijk” is. Ik gebruik die laatste termen overigens liever niet, omdat er, vooral ook door het godsdienstige denken, een ongewenste gevoelslading aan gegeven is: het stoffelijke, nou ja, dat is eigenlijk niet zo best. Het is banaal, beperkt en vooral is het het lagere. En het geestelijke is dan natuurlijk het verhevene, het ruimtelijke en het hogere. Dus zeg ik liever dat de mens als laatste verschijnsel materie en niet-materie tegelijkertijd is. Tegelijkertijd, daaraan moet je even wennen, want dit is in strijd met de gebruikelijke opvatting die zegt dat twee tegengestelde grootheden niet tegelijkertijd waar kunnen zijn. Dat is evenwel een onjuiste opvatting. De verklaring voor het huldigen daarvan ligt hierin dat wij als modern geschoolde mensen gewend zijn in statische termen te denken en niet in dynamische.

 

Anders gezegd: wij denken in vaste en vaststaande toestanden in plaats van in beweeglijke, veranderlijke gebeurtenissen. Een vaste toestand kan alleen maar “het een” zijn of “het ander” en daarbij sluit het een inderdaad het ander uit. Het is of dit of dat. Maar bij een veranderlijke gebeurtenis gaat “het een” voortdurend in “het ander” over en dat leidt noodzakelijk tot de conclusie dat beide tegelijkertijd gelden. Maar dat is niet zomaar zonder meer het geval: er is iets dat een wezenlijk verschil uitmaakt wat betreft de situatie waarin “het een” verkeert en, de situatie waarin “het ander” verkeert. Als ik denk aan “het een” is “het ander” het bepalende criterium en als ik aan “het ander” denk is “het een” het bepalende principe.

 

Als ik dus beide tegelijkertijd denk kan ik dat niet zonder van het een of het ander uit te gaan. En vervolgens kan ik er niet omheen dat steeds het tegenovergestelde als bepalend criterium de maat is.

 

Ik vrees dat u dit allemaal nogal raadselachtig vindt, maar ik zal het duidelijk proberen te maken. Ik pas de zaak toe op de grootheid materie en de grootheid niet-materie zoals die voor de mens als laatste verschijnsel tegelijkertijd gelden. Als ik nu denk aan de grootheid materie, dan wordt die bij de mens bepaald door de grootheid niet-materie en dat wil in gewone taal zeggen dat de materie zich gedraagt alsof ze géén materie was. Denk ik vervolgens aan de grootheid niet-materie, dan wil dat zeggen dat die zich gedraagt alsof ze materie was. De mens is materieel op een niet-materiële wijze en de mens is niet-materieel op een materiele wijze. Om de constatering van deze dubbelslag draait de rest van mijn betoog.

 


Om te beginnen drie voorbeelden van, zeg maar, biologische consequenties van het feit dat de mens materieel is op een niet-materiële wijze. Het eerste voorbeeld heeft betrekking op de oermens, zoals die destijds door de planeet voortgebracht is. Dat bleek een volkomen onmogelijk geval te zijn! Van alle specifieke voorzieningen om te overleven bezat die mens er niet een. Hij had geen klauwen, geen slagtanden, geen kracht om hard te lopen en te springen, geen arendsogen, geen warmte regulerende vacht. Niets van dit alles! En daarin is intussen niets veranderd. Biologisch gezien is de mens een volstrekte mislukking op het stuk van overleven. Elke plant en elk dier overtreft hem verre in de toerusting om in samenhang met haar biotoop op een efficiënte wijze te leven en te overleven.

Er is een heel programma van instincten en andere automatismen ingebouwd en zo'n programma heeft zich via het aanpassingsproces almaar meer verfijnd. Maar bij de mens is zoiets nergens te vinden. Toch is er iets wat hij wel kan, iets waarin hij zelfs wel geniaal te noemen is. De slimmerik kan kennis verwerven over zichzelf en de wereld en zo een oplossing bedenken voor de problemen. Met behulp van die kennis kan hij gaandeweg alles wat de andere levende wezens ook kunnen. Zelfs kan hij vliegen en lange tijd onder water blijven! Alleen kan hij dat niet vanuit zijn biologische natuur, maar vanuit een niet-materiële eigenaardigheid die hij bezit.

 

Het tweede voorbeeld: vanuit zijn biologische achtergrond is de mens genoodzaakt op gezette tijden te eten. Dat doet hij dan ook, maar al doende maakt hij er wat anders van: het eten wordt een maaltijd, het wordt een gezelligheidsritueel dat volgens bepaalde regels uitgevoerd moet worden. Hoewel wij, naar ik hoop, geen van allen honger hebben nodigen wij elkaar toch zo af en toe uit op een etentje. Doorgaans dossen wij ons dan op een feestelijke manier uit opdat het aan ons gezelschap duidelijk worde dat wij een niet-materiële waarde aan het etentje hechten. Als derde voorbeeld wil ik wijzen op de voortplanting. Omdat de mens uit de materiele evolutie voortkomt geldt er vanzelfsprekend ook voor hem dat overleven onder andere voortplanten inhoudt. Maar doordat ook dit bepaald wordt door de niet-materiële factor maakt de mens er geheel iets anders van: voor de mensen wordt het beminnen, liefhebben, samenleven en zelfs het huwelijk, terwijl het voortplanten als zodanig een zaak van vrije keuze wordt. Even terzijde: gezien in dit licht is het buitengewoon amusant dat juist een instituut als de Roomse Kerk, dat de pretentie heeft het geestelijk leven van de mensen te dienen en te bevorderen, en dat dus op het niet-materiële gericht wil zijn, het liefdeleven van de mensen beperkt tot het puur materiele, namelijk de voortplanting. Het zoveelste voorbeeld van dubbelhartig denken van de Roomse clerus!

 

Maar goed, met deze paar voorbeelden wil ik laten zien dat mensen van alle dingen, van de wereld die zij om zich heen aantreffen, iets anders maken, niet omdat zij dat leuk vinden en ook niet omdat zij er economisch of politiek voordeel in zien, maar omdat zij simpelweg niet anders kunnen. Voor de mens wordt alles automatisch iets niet-materieels, zo u wilt iets geestelijks of iets intellectueels. Voor de mens wordt de werkelijkheid een zaak van het brein, of, mooier gezegd: van het zelfbewustzijn. Welbeschouwd is dit niets anders dan het feit dat bij de mens alles verandert in enigerlei vorm van kennis. Er zijn voor hem dus eigenlijk twee werkelijkheden, de eerste is die om hem heen en de tweede is die in zijn brein, oftewel zijn zelfbewustzijn. Deze laatste is dus, fraai gezegd, “de werkelijkheid als kennis”.

 


Of het nu gaat om het maken van werktuigen om te overleven, of het organiseren van een etentje, of het bloemrijk beminnen, of het op steeds meer wetenschappelijke wijze onderzoeken van de dingen, steeds draait het wezenlijk maar om één menselijke eigenschap: het omzetten van alle materiele zaken in niet-materiële, dus in kennis. U zult begrijpen dat er werkelijk niets is wat ik niet onder dat omzettingsproces laat vallen. En ook moet ik er nadrukkelijk op wijzen dat het hier niet gaat om de vraag of bepaalde kennis juist is of niet. Ook onjuiste kennis is kennis. Dat wordt nogal eens over het hoofd gezien bij het nadenken over de mens en het voor hem karakteristieke kenvermogen. Maar, het behoort ook tot het menselijk karakter zich niet tevreden te stellen met onjuiste kennis en op onderzoek uit te gaan. Het onderzoeken of bepaalde kennis juist is, ja zelfs alle vormen van wetenschappelijk onderzoek zouden volstrekt onmogelijk zijn als voor de mens de uitwendige werkelijkheid der dingen niet ook en tegelijkertijd haar inwendige, niet-materiële afspiegeling in het menselijk zelfbewustzijn had. In eerste instantie is wetenschappelijk onderzoek dan ook niet een onderzoeken van de materiele dingen als zodanig, maar een onderzoeken van die niet-materiële inwendige afspiegeling, die ik overigens gewoonlijk benoem met het begrip voorstelling. Wij zouden tot geen enkele analyse in staat zijn als er niet eerst vragen zouden zijn opgekomen wat betreft onze voorstelling van de werkelijkheid. Vragen dus die op die niet-materiële afspiegeling betrekking hebben. En het feitelijke onderzoek zelf is niets anders dan het volgen van de in ons zelfbewustzijn opgekomen ideeën.

 

Wat in dit verband ook opgemerkt moet worden is het volgende: steeds hoor je beweren dat het denken het typisch menselijke zou zijn dat ons onderscheidt van de dieren. Dat is dus niet juist: niet het denken is typerend, maar typerend is het fenomeen van de kennis als inhoud van het zelfbewustzijn, van de voorstelling of het brein, zo u wilt. Als u nog even in uw herinnering terugroept dat ik tot de conclusie was gekomen dat de mens het absolute eindpunt van het wordingsproces en dus ook van de evolutie moet zijn, dan zult u het met mij eens zijn dat de overige levende wezens, door het ontbreken van de niet-materiële factor, geen zelfbewustzijn en dus ook geen voorstelling en dus ook geen kennis kunnen bezitten.

Maar denken kunnen zij wel, zij onderscheiden immers wel degelijk het een van het ander. Dat zet zich echter noch tot zelfbewustzijn, noch tot een voorstelling, noch tot kennis om. Dat proces is alleen maar aan de mens voorbehouden.

 

Ik blijf nog even bij dat eindpunt: er was daar een dubbelsituatie en dat was de mens. Enerzijds geldt daarvoor dat de materie er is alsof zij niet-materie was. En daarbij bleek dit laatste de bepalende factor. Het niet-materiële bepaalt voor de mens het materiele. Maar er is nog meer te bedenken aan die dubbelsituatie. Ik heb er immers al op gewezen dat je ook uit kunt gaan van de werkelijkheid als niet-materie. Als je dat doet blijkt het tegenovergestelde, de materie, de bepalende factor te zijn, zodat je kunt stellen dat de mens niet-materieel is op een materiele wijze. Dat nu is ook iets dat buitengewoon verstrekkende gevolgen heeft! Als eerste: was het fenomeen kennis een betrekkelijk statische aangelegenheid, het nu te bespreken fenomeen is door en door dynamisch. Het blijkt nu namelijk over het kunnen van de mens te gaan, over al datgene waartoe hij in staat is gebleken en al datgene wat voor hem nog in het verschiet ligt. Door het gelden van het begrip kunnen is de mens in staat zichzelf op een steeds hoger plan te brengen, echter niet alleen zichzelf in persoonlijke zin, maar ook en vooral de planeet waarop hij leven moet.

 

Maar eerst nog iets over het statische karakter van de kennis. Het is een bekend feit dat het doorgaans de grootste moeite kost nieuw kennismateriaal bij de mensen aanvaard te krijgen. Het oude is hen vertrouwd en biedt hen houvast.


Het geeft hen het geruststellende gevoel te leven in een wereld die zij kennen en het is te begrijpen, dat men er niet naar uit zit te kijken daarvan afstand te doen ter wille van iets onbekends dat zijn waarde nog moet bewijzen. En dan zijn daar natuurlijk ook nog de geleerde types, en die willen het graag doen voorkomen of het hun gerechtvaardigde kritische instelling is die remmend werkt op het aanvaarden van nieuwe kennis, die althans aanleiding geeft tot behoedzaamheid. Maar ik denk dat het ook bij hen heel vaak banale belangen en conservatisme zijn die de nieuwe inzichten tegenhouden. Juist dan blijkt hoe mensen zich aan de vaststaande feiten vastklampen! Let op het taalgebruik: feiten staan vast. Moeten dat ook. En nieuwe feiten mogen, als het goed is na veel onderzoek en wikken en wegen, straks vast gaan staan, totdat ook zij op hun beurt door volgende vaststaande feiten verdrongen worden. Daarop doel ik als ik het over het statische karakter van kennis heb. Het is trouwens juist daardoor dat kennis kan accumuleren. De verworven kennis neemt een steeds grotere omvang aan doordat het volgende zich bij het voorgaande voegt. Maar, je kunt ook hieraan denken dat, zoals daarstraks gezegd, de basis van de kennis de materie is. Die heeft, ondanks alle inwendige beweeglijkheid zoals die in het atoom zit, ook een uitgesproken statisch karakter.

 

Als je de mens bekijkt als een niet-materiële zaak die zich op een materiele wijze manifesteert, dan is het materiele de maat, maar het karakter van de zaak is niet-materieel en daarvoor geldt een en al dynamiek en beweeglijkheid. Je hebt te doen met een veranderlijke, in beweging zijnde, zaak die zich evenwel voortdurend vastlegt alsof het materie was. De dynamiek van de niet-materiële grootheid is er de oorzaak van dat het verschijnsel mens zich gestaag ontwikkelt. Je kunt ook zeggen dat de mens gaandeweg op een hoger plan komt te staan. Daarbij zet hij zijn niet-materiële werkelijkheid om in een materiele wereld. Omdat het hierbij niet uitgaat van de bestaande wereld, maar van een idee, een plan, een inval, inspiratie of zelfs een theorie levert het een geheel nieuwe wereld op, een door de mens geschapen wereld. Dat bouwsel, die constructie, is een getrouwe uitwerking van “de fantasieën” die in zijn brein ontstaan zijn. Hopelijk begrijpt u dat het nu niet alleen letterlijk over bouwsels gaat. Ook intellectuele systemen zijn bouwsels van de menselijke geest, dus maatschappijvormen, juridische stelsels, de moraal, ja zelfs de godsdiensten. Al die bouwsels zijn met recht creaties van de mens te noemen.

 

Eigenlijk behoeft het je niet te verbazen dat de mensen vooral in het verleden steeds met scheppingsverhalen zijn gekomen. Voor een belangrijk deel zal dat wel zijn oorzaak gevonden hebben in de eeuwig intrigerende vraag: waar komen wij vandaan"? Maar welbeschouwd maakt dat het nog opmerkelijker dat de mensen dan met het verhaal van een scheppende god komen, een god dus die tot van alles in staat is en voor wie kennelijk het begrip kunnen ten volle geldt. Daaruit is volgens mij maar een conclusie te trekken: de mens is zelf door en door een schepper! En wat hij aan zijn goden toedicht is hij zelf ten voeten uit. Ook hier dus de overbekende projectie naar boven. Verbazen kun je je overigens wel over het feit dat er nu nog steeds kinderlijke zielen zijn die de schepper halsstarrig buiten zichzelf blijven plaatsen en daarbij ook nog eens vasthouden aan een volslagen idioot verhaal dat ooit door een verwarde tobbert bedacht is. Het heelal zou, zoals u weet, in zes dagen gemaakt zijn, waarna de schepper nog een zevende dag nodig had om van de bovenmenselijke inspanningen bij te trekken!

 


Een klassenvoorbeeld van een inconsistente gedachtegang! Als men zich de schepping nu nog voorstelde overeenkomstig de natuurkundige realiteit, dan zou je er misschien vrede mee kunnen hebben dat men een goddelijke kracht achter de dingen zoekt, zoals overigens ook de eerste vrijdenkers deden. Maar nee, men dwingt modern geschoolde mensen een kletsverhaal over zeven scheppingsdagen te aanvaarden en heeft dan ook nog de brutaliteit vrijdenkers, die deze onzin bestrijden, voor intolerant uit te maken! Maar wat dat betreft hebben de godsdiensten op het ogenblik de tijd mee: het postmoderne denken schrijft voor dat een ieder recht heeft op zijn eigen voorstellingen en dat vrijdenkers dus uitermate dogmatisch en intolerant zijn als zij er kritiek op hebben. Men wil per se niet inzien dat de vrijdenkers dat recht niet bestrijden, maar de inhoud en de betekenis en de praktische toepassingen van veel van die authentieke eigen voorstellingen van de mensen uit de diverse culturen.

 

Hoe dan ook, van belang is goed in de gaten te houden dat het creatieve vermogen van de mens er niet is dankzij de verworven kennis. Eigenlijk heeft het creatieve vermogen niets met het al of niet aanwezig zijn van veel of weinig kennis te maken.

Althans niet in directe zin.

Het creatieve vermogen is de verwerkelijking van het omzetten van de niet-materiële ideeënwereld in een materiele. Omdat de verhouding niet-materieel / materieel er altijd is als er een mens is, manifesteert hij zich geheel onafhankelijk van wat dan ook. Waar de mens is, is creatie en vandaag zeg ik: waar de mens is, is technologie. Die geaardheid, die aanleg, is er dus altijd en in feite was die er al voordat de eerste mensen destijds nog maar een steen opgetild en verlegd hadden. Als voor het eerst in de geschiedenis een mens een steen gaat optillen met het maakt niet uit welke bedoeling, desnoods om hem iemand anders voor de kop te gooien, laat het verschijnsel mens zich al naar zijn technologische geaardheid gelden.

Anderzijds is het natuurlijk wel zo dat de mensen hun inmiddels verworven kennis onmiddellijk gaan toepassen. De inhoud van hun niet-materiële werkelijkheid vormt het materiaal voor hun te scheppen materiele werkelijkheid. De mens gebruikt zijn kennis van de wereld bij het scheppen van die geheel nieuwe wereld. Hij schept die nieuwe wereld niet uit hoogmoed, zoals de christelijke leer ons wil doen geloven. En hij doet het ook niet uit machtswellust of iets dergelijks. Hij doet het, naar ik hoop enigszins duidelijk gemaakt te hebben, omdat het zijn wezen, zijn natuur is dat te doen.

Menselijk leven is technologisch leven..! Gewoonlijk beweren filosofen en andere denkers dat menselijk leven “geestelijk leven” is, althans: dat in ieder geval op den duur zou moeten worden. Ik ben het daar absoluut niet mee eens, zoals u misschien al uit het voorgaande begrepen hebt.

Trouwens, wat ons in de loop der eeuwen als “geestelijk leven” aangeprezen is blijkt bij nadere beschouwing weinig anders te zijn dan een pakket moralistische voorschriften en bevelen die in grote arrogantie afgeleid zijn uit zogenaamd verheven voorstellingen omtrent een wereld en een mensheid waaruit bij voorbaat alle onaangenaamheden weggedacht zijn. Bovendien een wereld en mensheid die niet zichzelf mogen zijn maar die zich gedwee moeten voegen naar de niet zelden tirannieke wensen van de beoefenaren van dat fraaie “geestelijke leven”.

 


Ik bedoel: met een fles bier naar een televisieprogramma kijken komt niet overeen met des denkers voorstelling van “een geestelijk leven”, maar op een ongemakkelijke stoel een nauwelijks leesbaar boek doorvorsen en daarbij hoogstens een stukje Bach, Beethoven of liever nog Stockhausen beluisteren, dat zou het ware geestelijke leven zijn, althans... dat begint er enigszins op te lijken! Als je dan ook nog met een zekere regelmaat vaststelt dat “de gewone mensen apathisch zijn, consumenten waar absoluut niets bij zit” en “ongeïnteresseerde kuddedieren”, dan kan je reputatie als beoefenaar van geestelijk leven niet meer stuk.

Let op, ik wil niet beweren dat de mensen niet met een grote schat aan prachtige denkbeelden gekomen zijn, zelfs schitterende negatieve en kwaadaardige ideeën, zoals atoombommen. Maar wat ik met enige nadruk wel wil beweren is dat dit zogenaamde geestelijk leven een fictie is. Je kunt dat in de praktijk heel goed zien aan het getob van ijveraars voor geestelijk leven. Kluizenaars bijvoorbeeld ontzeggen zich bijna al het aardse omdat zij zo nodig “tot geest” willen versterven. Tot op de dag van vandaag zitten boeddhisten, taoïsten, christenen en talloze moderne gelovigen doormiddel van het eindeloos herhalen van mantra's, het steeds maar weer opnieuw lezen van heilige boeken en het dag in dag uit volgen van de meest vreemdsoortige therapieën te proberen een geestelijk leven te leiden, maar het enige wat er werkelijk uitkomt is geëxalteerde onzin die vaak ook nog niet weinig onverdraagzaam en tiranniek, en in ieder geval in alle opzichten onpraktisch en nutteloos is. Je kunt er nog geen potje thee mee zetten!

 

Tegelijkertijd is dat echter een prachtig excuus om zich in geval van nood sierlijk in de bekende ivoren toren terug te trekken. Een berucht voorbeeld zijn de volgelingen van Bhagwan: die trokken zich destijds in Poona niets aan van de armoede van de plaatselijke bevolking. Dat was toch maar het aardse! Van belang was alleen maar de verheven poespas van Bhagwan. Maar dergelijke fijne lui stellen onbeschaamd aan de gewone mensen een heleboel strenge eisen, variërend van “de Bijbelse smalle weg” tot en met het zich onderwerpen aan een politiek ideologisch stelsel. En als dan onvermijdelijk na enige tijd blijkt dat de mensen er niet aan kunnen en willen gehoorzamen, dan wendt men zich af en gaat vervolgens teleurgesteld en beledigd zitten mokken.

Het had zo mooi kunnen zijn, maar niemand heeft het begrepen en niemand heeft het gewild. De duisternis heeft het licht niet willen zien en nu zal de mensheid zichzelf onherroepelijk ten gronde richten! Als je deze zaak eens goed bekijkt, dan kun je er niet omheen te constateren dat de mensen blijkbaar niet deugen voor dat zogenaamde geestelijk leven, niet omdat zij er te zondig, te egoïstisch te dom of te dierlijk voor zijn, maar daarentegen juist omdat de bedenksels over geestelijk leven nergens op slaan.

 

Menselijk leven is heel gewoon pragmatisch, concreet en van alledag. En het kan alleen maar behoorlijk geleefd worden als en voor zover de technologie in al zijn zakelijke en intellectuele verschijningsvormen de inspiratie voor dat alledaagse leven vormt. Omdat het begrip technologie onlosmakelijk met de mens verbonden is zijn de technologische criteria in feite menselijke criteria. En als we spreken over menselijke criteria, dan gaat het logischerwijs ook over de gehele werkelijkheid. Dat houdt dus in dat die criteria een veel verstrekkender betekenis hebben dan alleen maar de puur technische en mechanische. Ik bedoel hiermee te zeggen dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat het voldoen aan puur technische normen ook het voldoen aan technologische criteria betekent. Iets kan technisch perfect werken en toch tegelijkertijd technologisch een onding zijn. Als voorbeeld kun je denken aan de verbrandingsmotor in onze automobielen.


Tegenwoordig is er technisch nauwelijks iets op aan te merken: ze doen het in de praktijk nagenoeg altijd. Het zijn zo langzamerhand betrouwbare werktuigen geworden, die bovendien de onmisbare beweeglijkheid van de mens behoorlijk recht doen. Maar, als je de zaak technologisch bekijkt, dan blijkt het een ramp te zijn. Ondanks alle lapmiddelen vervuilen die motoren nog steeds op een levensgevaarlijke wijze, niet alleen bij gebruik, maar ook nadat ze gebruikt zijn en voortaan als afval worden beschouwd. Een ander voorbeeld dat ik in dit verband graag geef is dat van de gewasbestrijdingsmiddelen. Technisch zijn die middelen bijzonder effectief. Bijna volmaakt voorspelbaar werken zij precies zoals de bedoeling was. Zij vernietigen de gewassen die men schadelijk vindt zonder de goede gewassen aan te tasten. Niemand kan dus staande houden dat de zaak technisch niet zou deugen. Maar, technologisch, en dus in het grote geheel van het leven op aarde zijn die middelen volstrekt uit den boze, omdat zij tal van onmisbare levensvormen uitroeien en het verband van het leven verbreken.

 

Het technologisch bewustzijn van de moderne mens stelt nog nauwelijks iets voor. Vergeleken bij de inmiddels ontwikkelde technische vermogens zou je zelfs wel van verwaarlozing kunnen spreken. De hele zaak is nog geheel en al onderworpen aan het particuliere belang. Dat vereist dat er niet verder gedacht wordt dan winst maken. Een product is dan goed als je er maximaal aan verdienen kunt en een economie is goed als er een flinke groei in zit, het geeft niet ten koste waarvan. Als die perspectieven er niet lijken te zijn wordt er niet geproduceerd. Gaat men echter wel over tot productie, dan houdt het onvolwassen technologische denken op zodra het product op de markt ligt. Wat er daarna mee gebeurt, wat het bij de gebruikers en het milieu teweegbrengt en of het al dan niet de grondstoffen en hulpbronnen uitput, het zal de producenten een zorg wezen. En als die producenten er tegenwoordig blijk van geven toch enigszins bezorgd te zijn, dan is dat steevast in verband te brengen met de vrees dat de winsten, door toedoen van het sterkere milieubewustzijn van de consumenten, zullen dalen.

Bovendien is dat technologische denken ook op zichzelf onvolwaardig door de noodzaak tot winst maken. Dat immers leidt ertoe dat men vaak niet de objectief beste technieken en procédés toepast en zijn toevlucht neemt tot goedkope, minder deugdelijke, materialen en grondstoffen. Het is voor de mensheid nog een geluk dat men niet onder het feit uit kan dat de producten, of die nu bestaan uit dingen of maatschappelijke regelingen of wat dan ook, zoveel als mogelijk moeten beantwoorden aan de vraag of zij bruikbaar zijn. Aan een wasmachine zonder motor heb je niets en aan een wasmachine met een te zwakke motor ook niet.

En maatschappelijke maatregelen moeten, hoewel je het vaak nauwelijks kunt geloven, ook enigszins een draagvlak in de samenleving hebben, al was het alleen maar om de werkelijke bedoelingen te verdoezelen!


Bij een volwassen technologisch bewustzijn is niet de winst de maat maar uitsluitend de vraag of het product het welzijn van de mensen bevordert, met daarbij het onverbiddelijke criterium dat het natuurlijke verband tussen de dingen niet verbroken wordt, noch tijdens het gebruik, noch daarna. Winst maken daarentegen is altijd een verbrekende bezigheid omdat het product niet ter wille van het geheel van de mensheid vervaardigd of geleverd wordt, maar ter wille van de producent die zich als particulier breed wil maken en zich daartoe losmaakt uit het verband van de samenleving.

 

De technologie is de manifestatie van het kunnen van de mens en dat wil zeggen dat het een uitwerking is van het zich concretiseren van het niet-materiële in het materiele. Dit proces is niet alleen niet van de mens af te denken, het is zelfs essentieel. Het maakt het leven op aarde steeds meer mogelijk voor dat hulpeloze geval dat de mens oorspronkelijk is. De technologie en de techniek zorgen voor beschutting, voor voedsel, voor communicatie, voor veiligheid en zelfs in belangrijke mate voor gezondheid. Zo kun je stellen dat de zogenaamde broederschap tussen de mensen een terechte, maar lege wensdroom blijft als we niet een fijnmazig netwerk van communicatie tot stand gebracht hebben. En dat is een puur technologische zaak. Maar ook is het een feit dat diezelfde broederschap onmogelijk is als de technologie er niet voor gezorgd heeft dat de mensen verlost zijn geworden van hun afhankelijkheid van de willekeur van de natuur en niet te vergeten de willekeur van de medemens, en zij er 's morgens redelijkerwijs zeker van kunnen zijn dat zij de avond halen. Dat zij dus niet voortijdig sneuvelen ten gevolge van redeloze omstandigheden of handelingen die te vermijden waren geweest. Als er voor een deel van de mensheid bijvoorbeeld geen voedsel is, geen medicamenten zijn, verbindingen ontbreken en geen zelfbewust rechtsbesef is, dan wordt het met die broederschap niet veel.

 

Het is zoals gezegd niet alleen de willekeur van de natuur die technologisch opgeheven kan worden. Ook de willekeur van het gedrag van de mensen onderling is een factor van betekenis. Het kunnen van de mens en de concretisering daarvan doormiddel van de technologie leidt ook tot een onafhankelijk gedrag. In een wereld waarin in het nodige voorzien is zonder dat daaraan voorwaarden gesteld worden is geen voedingsbodem voor schurkenstreken. Die zijn bijna allemaal ingegeven door de economische structuur van een alsnog onvolwassen wereld!

Nogmaals: niet allerlei fraaie ideeën heffen de misdragingen van de mensen op. Dat blijkt ook uit het steeds weer oplaaien van geweld, de bloedbaden die juist op grond van allerlei verheven ideeën aangericht worden. Het zichzelf op een hoger plan brengen van het verschijnsel mens is, in tegenstelling tot wat veelal gemeend wordt, in de ruimste zin van het woord een technologische kwestie. Niet de ideeën op zichzelf, hoe mooi en verheven ook, verlossen de mensheid van haar bittere afhankelijkheid, maar de concretisering en uitwerking daarvan tot een leefbare wereld.

En dat is een zaak van kennen en kunnen en dus een zaak van technologie...

 

Ik heb gezegd.

 

Bovenstaande tekst is geschreven:

 

Door Jan Vis, filosoof.

 

 

Pagina's zijn door mij uit het tijdschrift van De Vrije Gedachte no. 261 dec.’95/jan.’96 overgenomen.   

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen, is het citeren uit  mijn werk zonder meer toegestaan. Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis)

 

Negende Anton Constandselezing

zaterdag 16 September 1995

 

Terug naar: de Homepage van Rob van Es voor méér informatie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter