SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

 

Voordrachten 1970 - 1971

van de hand van Jan Vis, creatief filosoof

Naar het begin ( de moderne mens )

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen, is het citeren uit mijn werk zonder meer toegestaan. Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis, creatief filosoof)

 

Terug naar: de Startpagina

 

Naar bladwijzers: 6 ; 22 ; 31 ; 28 ; 30 ; 7 en 8(Rechters) ; Godsdienstige mensen zijn qua UITSLUITING het meest radicaal ; We veroordelen ons IMPERIALISME ; Idealisme - zie pag.1 n pag.6-Revolutie/Idealisme - We zijn ds allemaal zlf de SHELL ; Onze CULTUUR geeft ons praktische LEVENSZEKERHEID ; Leidinggevende figuur nr.9 ; Bekwaamheid: A1 , Bekwaamheid: B2, nrs.7, 8, 9, 10 en 11 , ; C3: nrs 24, 25, 30 en 39 ; UITSLUITEN ; Overtuiging-1 en overtuiging-2 ; Rechtsgeleerden-zie nrs. 7 en 8 ; Opstanding - zie nrs. 18 t/m 20 ; Het leven nu ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; ConflictA ; ConflictB ; ConflictC ; ConflictD ; PRIVACY en VRIJHEID ; Afhankelijkheid ; RECHTSSTAAT ; OVERSPEL - HUWELIJKSWET ; Rechtspraak-A-nr.8 ; Rechtspraak-B(Juryrechtspraak)-nr.30 ; Rechtspraak-C-nr.33 ; Revolutie A ; Revolutie B ; Revolutie C ; Revolutie D ; Moraal-A ; Moraal-B ; Moraal-C ; Moraal-D ; Moraal-E ; Eigen rechter ; YOGA ; Treiteren ;

 

 

Naar andere artikelen: Conditionering ; Robot denken ; Op de vlucht voor je eigen denken ; Oorzaak SEXUEEL misbruik - zie bladw. ; Het Buitenechtelijke - bandeloosheid - Overspel - Liefde - zie bladwijzers ; Het HUWELIJK is een belediging voor de LIEFDE - zie bladw. ; Houden van...Liefde...Trouw ; Het gelijk en de dialoog ; Eenzaamheid en onvrijheid ; Het toenemend belang van het Athesme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het athesme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ; Ongewenst athesme- zie afl. 32 ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ; De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjaria ; Burqa, volg bladwijzer ; Nihilisme ; De ontwikkeling van het denken ; De Vrede ; Conditionering en De ontwikkeling van de West Europese Cultuur(zie links: te erg/te veel en dubbelhartigheid ) ; Behoort Isral tot de Westerse Cultuur- zie aflevering 60-onderdrukking van de Palestijnen, ; Kunnen Moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? aflevering no. 37, ; Terrorisme / Taliban ; Hoe zit het nou met Jahweh, God en Allah ; Waar komt DE MODERNE MENS-deWesterse Mens- vandaan..?-1968 -zie briefnrs. 4/5 - (DE MODERNE MENS verovert de wereld , een culturele verovering) ; GEWONE MENSEN,-De Middelmaat-WERELDBEELD-pag.55/56-zie bladw. ; Kentering in het denken gekomen over Maatschappij/Samenleving-afl.34 ; De maatschappij is inhoud van de samenleving-zie bladw. ; Leidinggeven, Maatschappij/Samenleving-afl.42 ; Wie hebben er een VIJAND nodig..? POLITICI..? alle politici..? Neem eens nota van afl.51 ; Politici..!-Het hoge ambt..?- De samenleving dienen..?- afl.1 ;

 

 

 

 

Dinsdag, 18 augustus 1970

 

No. 1. _1970 (geplaatst op 27 november 2008)

 

Een voorlopige definitie
Als wij, om onze gedachten enigszins te kunnen bepalen, vragen naar de definities van de begrippen SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN, dan moeten wij wl beseffen dat de meest zuivere definitie - zo die al te geven is van een verhouding in de werkelijkheid pas dn te formuleren is als wij het betreffende onderwerp in zijn volle breedte doordacht hebben. Het geven van een definitie BIJ VOORBAAT is altijd een gevaarlijke zaak omdat wij onze toekomstige gedachten onwillekeurig kunnen BEPERKEN juist door die definitie en ook omdat wij bij het stellen van een definitie uitgaan van ons ONMIDDELLIJKE, en dus voor-de-hand- liggende, denken. En dit denken is ALTIJD gebonden aan de geldende CULTUUR Zon denken is niet bepaald het aangewezen medium om iets omtrent de werkelijkheid aan de weet te komen.
Toch zullen wij vrijblijvend een definitie geven:

De MAATSCHAPPIJ is het samenstel van FUNCTIES zoals die in de mensheid naar voren komen. Hierbij mogen we niet alleen denken aan HET WERK van de mensen; het kan eigenlijk van lles zijn: het PRAKTISCH toegepaste RECHT, de MORAAL en de GODSDIENST en het kunnen zelfs - tijdelijk - verhoudingen zijn die op zichzlf niets met een functie te maken hebben. Dergelijke verhoudingen zullen WIJ natuurlijk niet onder het maatschappelijke schuiven, maar dat neemt niet weg dat ze IN EEN BEPAALDE CULTUUR er wl onder vielen. Het klasse-voorbeeld is natuurlijk de SEXUALITEIT.


De SAMENLEVING is een andere grootheid dan de maatschappij; wat er in elk geval niet voor geldt is het FUNCTIONELE. Wl geldt er voor dat het begrip SAMENGAAN op de voorgrond staat en dit is een verhouding die NIET BEREKENBAAR is.
Een belangrijk begrip in de samenleving is het begrip GEZELLIGHEID en in dit begrip is het samengaan ook terug te vinden. Denken wij bijvoorbeeld aan het woord gezelschap houden.

HET GEZIN; De derde verhouding in de mensheid is HET GEZIN. Deze verhouding komt voor de dag als de MOEDER MET DE KINDEREN.

Nu we ongeveer weten waarover het gaat als wij spreken over de samenleving, de maatschappij en het gezin, valt ons wellicht meteen al op, dat er in het gangbare denken nogal wat verwarringen voorkomen. Want nooit horen wij onderscheid maken tussen het begrip SAMENLEVING en het begrip MAATSCHAPPIJ, terwijl dat onderscheid er wel degelijk is. Het gebeurt bij herhaling dat bepaalde onderscheidingen vervaagd zijn terwijl het feit dat er VERSCHILLENDE WOORDEN gebruikt worden er op wijst dat er oorspronkelijk wl een onderscheid gedacht werd. Het is dan ook van groot gewicht aandacht te besteden aan de TAAL en vaak wijst juist de taal de weg om tot oplossing van bepaalde problemen te komen. Zo ook hier: de WOORDEN tonen aan dat er TWEE verhoudingen zijn die van elkaar verschillen, maar dat verschil is voor ns verwaterd. Omdat de moderne mens lles als een FUNCTIE is gaan zien is de samenleving voor hem ook tot een functie geworden en gaan samenvallen met de maatschappij. Dat hier van een VERARMING van het leven en van de gezelligheid gesproken moet worden is duidelijk maar ook is duidelijk dat het leven van de mensen steeds meer GENORMALISEERD wordt. Dit is voor de op dt moment levende mensen een groot GEVAAR want de mensen komen PSYCHISCH in een DWANGPOSITIE en dat is op zijn beurt weer oorzaak van velerlei lichamelijke kwalen. CULTUREEL gezien kunnen wij niet van een GEVAAR spreken; dan is het NORMALISEREN slechts de factor waarop de moderne mens straks ophoudt MODERN te zijn. Dit is een NOODZAKELIJKE gang van de werkelijkheid en als zodanig is er geen kwalificatie aan te geven. Maar het is in de geschiedenis n in de toekomst voor de mens PERSOONLIJK d grote opgave boven die noodzakelijke GANG VAN ZAKEN uit te komen, om zodoende aan de VERSTIKKING te ontkomen.
Dat voor de moderne mens dit gevaar geen hersenschim is moge blijken uit het feit dat nu al geen van ons in staat meer is het LEVEN als iets nders te zien dan een GESPREK MET DE ANDER, een KLETSPRAATJE dus. Wij vinden het normaal en noodzakelijk dat je met elkaar praat om met elkaar om te knnen gaan. En hoewel in de meeste gevallen met elkaar praten beter is dan met elkaar vechten, moeten wij toch inzien dat HET GEPRAAT niets aan het leven verbetert of verheldert en dat het ook de OMGANG niet bevordert. Het LEVEN en dus ook hot SAMENLEVEN gaat BUITEN de REDENERING om en BOVEN de VERKLARING uit. Ik wijs hierop om te laten voelen hoe sterk ook in ons het moderne reeds voortgewoekerd is; het FUNCTIONELE, het BESPREEKBARE, staat reeds CENTRAAL en dit betekent voor ons allemaal een BEKLEMMING van het leven.
Zo is ook het ONDERSCHEID tussen maatschappij en samenleving komen te vervallen, maar wij moeten die zaak weer voor het voetlicht halen om enigszins te begrijpen hoe het met de mensheid zit.

De drie verhoudingen
Het feit dat de drie genoemde verhoudingen aanwezig MOETEN zijn in de mensheid, is betrekkelijk eenvoudig te berekenen. Want wij hebben vroeger al gezien dat de mensheid een ORGANISME is. Voor het organisme geldt dat het SAMENGAAN op de voorgrond ligt; het LEVEN ligt op de voorgrond. Dit betekent in de mensheid de SAMENLEVING. Verder geldt voor het organisme dat het ergens uit BESTAAT en dat er een verhouding is tussen die dingen waaruit het organisme bestaat. Dit hebben wij de COMBINATIE genoemd, en deze is in de mensheid terug te vinden als de MAATSCHAPPIJ. Tenslotte geldt voor het organisme het begrip TWEE en van daaruit is er dit feit dat het organisme ZICHZELF VOORTBRENGT. Hierover hebben wij aan het begin van de cyclus De vrouw en de man gesproken.
Het ZICHZELF VOORTBRENGEN komt praktisch als HET GEZIN voor de dag. Met het begrip zichzelf voortbrengen bedoelen wij het feit, dat er maar n organisme is - in talloze geledingen - en dat die geledingen zichzelf VOORTPLANTEN. Het ne organisme zlf plant zich niet voort, het leeft zolang de planeet er is, maar er zijn geledingen, en die geledingen zijn te onderscheiden naar twee normen: de SOORT n de GENERATIE. Het zichzelf voortbrengen nu heeft betrekking op dit tweede: de GENERATIE. En deze zaak komt als het GEZIN voor de dag.

Dit laatste, namelijk dat HET GEZIN het ZICHZELF VOORTBRENGEN vertegenwoordigt, is ook weer zon verhouding die in het hedendaagse denken niet meer voorkomt. Wij zien in het gezin het gezin van de man, de plaats waar hij THUIS is en wat tevens zijn PRIV-TERREIN is. En de gedachte van het VOORTBRENGEN hebben wij al heel lang afgezworen, terwijl het ons zelfs al in de praktijk gelukt schijnt te zijn het VOORTBRENGEN helemaal uit te sluiten. In ons denken ligt dan ook het begrip NIET-VOORTBRENGEN, en daarop kunnen wij dan bij gelegenheid een UITZONDERING maken: dan gebruiken wij een tijdje geen MIDDELEN en dan komt er vanzelf een BABY. Wij hebben dan een kind genomen, en wellicht nemen we er over een jaartje ng een, maar mr willen we er niet. Het moet niet TE GEK worden..!

De maatschappij
Het begrip maatschappij valt uiteen in een tweetal factoren die wij gemakkelijk kunnen vinden door te denken aan de COMBINATIE. De combinatie namelijk BESTAAT uit IETSEN, bepaaldheden, n er is een VERHOUDING tussen die bepaaldheden. Een verhouding die BEREKENBAAR is.
Als het gaat over de IETSEN waaruit de maatschappij opgebouwd is, betreden wij het terrein dat voor ONDERZOEK, voor ANALYSE vatbaar is. Hier vinden wij dus de WETENSCHAP en ook de TECHNIEK, naar ook vinden wij hier de INDIVIDU.
Gaat het over de VERHOUDING tssen de ietsen, dan komen wij op het terrein van het SOCIALE. Het sociale heeft niets met broederschap te maken, al behoorde dit begrip tot de leuzen der SOCIALISTEN; het is alleen maar de VERHOUDING tussen de BEPAALDHEDEN en het ligt dus op het GRENSGEBIED der bepaaldheden, reden waarom het zozeer voor (misplaatst) IDEALISME vatbaar is. Maar het is toch een ZAKELIJKE verhouding.
De INDIVIDU wikkelt zich uit, de IETSEN stellen zich scherper en scherper, en vanaf een zeker moment blijkt dat er ook nog de verhouding tssen die IETSEN is, en vanaf dt moment liggen die twee met elkaar overhoop. De INDIVIDU ligt alsmaar met het sociale overhoop, en het sociale stuit alsmaar op de individu. Aanvankelijk treedt dit verschijnsel nog niet in het daglicht, maar aan het einde van de West-Europese cultuur is het er wl.
Wij hebben dan ook gezien de strijd tussen het zogeheten KAPITALISME en het zogeheten SOCIALISME; deze strijd neemt later ndere VORMEN aan, en wordt dus ook nders BETITELD, maar het blijft een STRIJD. Ook gedurende de periode dat de mens werkelijk MODERN genoemd kan worden.
Het is eigenlijk een merkwaardige situatie: de moderne mens wil alles FUNCTIONEEL hebben. Hij is dus MAATSCHAPPELIJK, maar de INHOUD daarvan, de INDIVIDU en het SOCIALE, ligt met zichzelf overhoop. Wij zullen ons hiermee de volgende keer uitvoerig bezig houden.

Bladwijzers: Idealisme - zie pag.1 n pag.6-Revolutie/Idealisme - We zijn ds allemaal zlf de SHELL ; Moraal-A ; Moraal-B ; Moraal-C ; Moraal-D ; Moraal-E ;

 

 

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 2. _1970 (geplaatst op 28 november 2008)

Dinsdag, 25 augustus 1970


Een eigenschap van het denken
Het is opmerkelijk dat wij de neiging vertonen allerlei gesteldheden en verhoudingen in de werkelijkheid, en dus ook allerlei verschijnselen in de mensheid, te beschouwen als waren het ZELFSTANDIGHEDEN die geheel BUITEN ONS OM ontstaan zijn. Vaak gaan die zelfstandigheden ook nog BOVEN ONS UIT, zodat wij er in alle gemoedsrust aan gehoorzamen en ons voegen naar de eisen, door die zelfstandigheden gesteld. Zo spreken wij tegenwoordig over de MAATSCHAPPIJ; niemand weet precies wt het is, niemand weet door wie de maatschappij gevormd wordt, en tch BENOEMEN wij die grootheid. Maar niet alleen dat wij hem BENOEMEN, wij schrijven hem ook een geheel EIGEN LEVEN toe. En voor dat leven gelden zekere normen, die door allerlei geleerden onderzocht worden zodat men tot een FORMULE kan komen om het gedrag van de maatschappij te kunnen voorspellen en beheersen.
Evenwel is dat alles een FICTIE die te verklaren is door het ANALYSERENDE karakter van ons denken, waardoor alle dingen tot APARTHEDEN worden. En met die apartheid gaan wij dan aan het werk en wij bemerken niet dat alles een SLAG IN DE LUCHT is. Alles wat wij ondernemen op maatschappelijk gebied is in feite een VERLOREN zaak, ook als wij voor de mensen allerlei goeds bedoelen:
Straks zullen de mensen dan ook alle maatschappelijke GEDOE achterwege laten en zich BIJ ZICHZELF houden. Want DE MAATSCHAPPIJ bestt niet, maar DE MENS naar de VERHOUDING maatschappij bestaat wl.

Het uitgangspunt
Wij horen vooral tegenwoordig veel over de maatschappij praten, maar nooit bemerken wij dat men erover praat VANUIT het feit, dat de mensheid een ORGANISME is. De mensen spreken erover alsof het een OPTELSOM van ietsen zou zijn en dat veroorzaakt die ONWERKELIJKE KIJK van de mensen op de maatschappij.
Want gezien vanuit het ORGANISCHE verschijnt de maatschappij als INHOUD van iets, maar, gezien als OPTELSOM is de maatschappij de laatste mogelijkheid voor de mensen. En deze mogelijkheid komt nooit tot een zaak die AF is omdat de grootte van de OPTELSOM nooit te bepalen is.
Wij weten dat de maatschappij de FUNCTIONELE-, en dus BEREKENBARE kant van de mensheid is. Daarom kn de mens het dan ook TIJDELIJK als een rekensom zien zonder dat hij ooit tot een oplossing van die berekening komt. Want, al hebben wij te doen met het BEREKENBARE, dan wil dit nog niet zeggen dat die berekening ooit volledig uit te voeren is. Hij loopt namelijk in ONEINDIG VEEL uit.
Als voorbeeld dit: tussen twee willekeurige hemellichamen is een bepaalde AFSTAND. Als ik mij door het heelal begeef overbrug ik telkens een bepaalde afstand, maar nimmer kom ik aan het EINDE van het heelal - altijd weer kan ik ng een zekere afstand overbruggen door naar een volgend hemellichaam te gaan, zodat ik tenslotte een weg heb afgelegd die niet te becijferen blijkt omdat ik altijd verder kan blijven gaan. Het BEREKENBARE blijkt dus tenslotte NIET TE BEREKENEN te zijn.
De MAATSCHAPPIJ is berekenbaar; het zijn allemaal IETSEN met daartussen de bepaalde verhoudingen. Maar deze berekenbare zaak is tenslotte NIET TE BEREKENEN. Bekeken vanuit datgene dat voor het ORGANISME geldt is het duidelijk dat het BEREKENEN in de grond van de zaak ZINLOOS is. Maar dat neemt niet weg, dat wij, sprekende over de MAATSCHAPPIJ, tch met een BEREKENBARE zaak te doen hebben. Hier moeten wij goed opletten: de maatschappij is een BEREKENBARE zaak, die ALS BEREKENING tenslotte ZINLOOS is. Dit blijft gelden zolang als de mensheid op een planeet leeft. Hierom echter moeten wij goed opletten omdat wij wl als eerste moeten blijven zeggen dat het een BEREKENBARE zaak is. Dit feit mogen wij NOOIT verwaarlozen met een quasi-diepzinnig beroep op de uiteindelijke ZINLOOSHEID ervan. En vooral vandaag de dag zien wij nogal eens mensen de zinloosheid als argument gebruiken voor hun ONREDELIJKE daden. Dan is het BEREKENBARE, en dus het REDELIJKE, te water gelaten en nu kunnen we aanrommelen!
Al is dan de AFSPRAAK uiteindelijk ZINLOOS in en voor de mensheid als organisme, dan kunnen we toch niet zomaar LINKS gaan rijden in het verkeer, of ons andermans spullen toe eigenen! Want het REDELIJKE BLIJFT GELDEN, en het is, omgekeerd, zelfs z te stellen dat iemand die het redelijke vertrapt gn kijk KAN hebben op het ZINLOZE, want de zaak kan niet znder zijn INHOUD en de inhoud kn niet zonder de ZAAK. Het is en blijft om te beginnen een berekening en die berekening op zichzelf is ZINLOOS, maar hij GELDT wl..

Wij hebben dus, voorzover we als mensen MAATSCHAPPIJ zijn, de REDELIJKHEID in acht te nemen. Hier doorheen loopt het MOETEN, er is in zekere mate een DWANG aanwezig en die dwang is er zowel vanuit de mensen zlf als vanuit de buitenwereld. Dat die DWANG er is komt voort uit het feit dat het LEVEN OF ZICHZELF zich verzet tegen het VASTE, dat de BEREKENING aan zich heeft. Een kind bijvoorbeeld vertoont duidelijk de onwil om zich naar de regels te schikken, maar toch MOET het! Overigens moeten wij er wl op letten dat het zich houden aan het REDELIJKE nog helemaal niet behoeft te betekenen dat wij ons aan WET en GEZAG en aan de een of andere OVERHEID moeten onderwerpen. De INNERLIJKE dwang moet eigenlijk SAMENVALLEN met de UITERLIJKE, en dat is voorlopig voor de onvolwassen mensheid een hele opgave.

Als de mensen de maatschappij zien als een OPTELSOM van IETSEN, komen zij tot een geheel ndere kijk op de dingen en hun functies. Want dan moeten de dingen en hun functies MEETELLEN en hoe redelijker dat meetellen plaats vindt, hoe BETER de maatschappij is. En tenslotte telt alles ZOVEEL MOGELIJK mee en de zaak is ZOVEEL MOGELIJK in evenwicht, en daaraan geeft iedereen zoveel mogelijk zijn aandacht maar de ZINLOOSHEID van de zaak treedt niet aan het licht. En daarmee is het ook uitgesloten dat er wrkelijke CORRECTIES op de maatschappij komen. Want het blijft n en n is twee en dat is dan de HEILIGE WET van de maatschappij, maar die wet is nooit volkomen berekenbaar. De zaak is uiteindelijk ZINLOOS en dat laat zich gelden. Alle veranderingen namelijk gaan altijd TEGEN de AFSPRAKEN in, tegen de geldende REDELIJKHEID. En zo wordt de zaak gecorrigeerd naar een nieuwe redelijkheid. Maar tenslotte gaat het de mensen zlf om redelijkheid en dan kn er niets meer tegen de geldende redelijkheid ingaan zodat da CORRECTIES er niet meer drkomen. Dit laatste zet zich in met de MODERNE MENS. Wij zien reeds in nze maatschappij dat iedereen er afkerig van is BUITEN DE DEMOCRATIE OM te handelen. Alles verzandt tenslotte wr in GEPRAAT. Het enige dat er gebeurt is dit, dat zoveel mogelijk en de n na de nder de FOUTEN er uitgehaald worden, maar de SFEER van de maatschappij verandert niet. En zo krijgt de maatschappij dat UITZICHTLOZE. Het is het EINDELOZE van telkens weer een nieuwe VERBETERING zonder dat het ooit GOED wordt.

De botsing tussen het individu en het sociale
Wij hebben vastgesteld dat de mens voorzover hij MAATSCHAPPIJ is uiteen te denken is in twee factoren: de IETSEN, die als INDIVIDU voor de dag komen en de ONDERLINGE VERHOUDING, die het SOCIALE te noemen is. Beide factoren komen in de geschiedenis voor de dag als o.a. het KAPITALISME en het SOCIALISME. En deze factoren BOTSEN met elkaar.
Dat dit BOTSEN kn plaatsvinden komt voort uit het feit dat n de INDIVIDU n het SOCIALE zaken zijn die MEEKOMEN aan de mens. Wezenlijk aan de mens is het MAATSCHAPPELIJKE en de inhoud van dit maatschappelijke komt aan de mens mee.
De geschiedenis toont dit ook aan: het maatschappelijke, het FUNCTIONEREN, treedt ONMIDDELLIJK op (zij het PRIMITIEF) maar de INDIVIDU en het SOCIALE komen later (in onze tijd) aan de orde. Botsingen in het menselijk bestaan zitten ALTIJD in MEEKOMENDE zaken, nooit in WEZENLIJKE.
Het sociale is een MEEKOMENDE zaak; de gedachte van het moderne denken, dat de mensen VAN NATURE sociaal-voelend zijn, is onhoudbaar. De ONDERLINGE VERHOUDING tussen de ietsen is van nature voor de mens van geen belang. Hij is dat pas wl als de mens MAATSCHAPPELIJK een zekere ontwikkeling bereikt heeft, en mt die ontwikkeling een zekere WELSTAND. Zonder die welstand is de ANDER voor niemand van belang. Dat blijkt als door omstandigheden die welstand met de daarbij behorende LEVENSZEKERHEID komen te vervallen, zoals in tijden van oorlog. Dan valt zlfs de twintigste-eeuwse mens nog terug tot een volkomen a-sociaal gedrag en daaraan kan hij eigenlijk niets doen, f het moest zijn vanuit IETS ANDERS, maar dat ndere is NIET HET SOCIALE.
Het sociale, dat de moderne westerse mens vertoont is er dus eigenlijk tegen wil en dank, en dat kunnen wij ook wel in de praktijk vaststellen, want alles is vervat in dwingende REGELS, die zoveel mogelijk ONTDOKEN worden, terwijl tevens iedereen die regels waardeert.
De botsing tussen het individuele en het sociale is een botsing tussen bepaaldheden. Deze botsing BLIJFT bestaan, hetgeen niet wil zeggen dat de strijd die wij nog meemaken voort blijft duren. Tenslotte is er geen strijd meer over die zaken, maar omdat het BEPAALDHEDEN zijn - zij behoren tot het BEREKENBARE - kunnen zij niet buiten EIGEN GRENS komen om met elkaar te versmelten.

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 3. _1970 (geplaatst op 28 november 2008)

Naar bladwijzers: ConflictA ; ConflictB ; ConflictC ; ConflictD ; Moraal-A ; Moraal-B ; Moraal-C ; Moraal-D ; Moraal-E ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2

 

Dinsdag, 1 september 1970


De correctie en het tekort
De maatschappij, bezien vanuit de ENKELING en de TOTALITEIT, laat geen CORRECTIES in zichzelf toe. De SFEER van die maatschappij verandert niet, omdat elke nieuwe REDELIJKHEID al bij voorbaat opgenomen is en als een nieuwe FUNCTIE tot zijn recht komt. En dit is een eindeloze weg die tenslotte geen enkele uitkomst biedt. Omdat de zaak zlf nimmer in het geding is.
Er zit namelijk een hemelsbreed verschil tussen een CONSTRUCTIE en een ORGANISME: bij de CONSTRUCTIE zijn alle ONDERDELEN in de goede verhoudingen aanwezig en vormen zo een functionerend totaal zonder meer, terwijl een organisme BESTAAT uit functionerende onderdelen maar zlf boven dit functionerende totaal uitgaat. Een SYMPHONIE bijvoorbeeld BESTAAT uit een aantal klankverhoudingen, maar een aantal klankverhoudingen behoeft nog gn symphonie te zijn - al wil de moderne componist ons dit wl doen geloven.
Het MODERNE DENKEN loopt uit in het - onberekenbare - TOTAAL. Dit betekent dat tijdens de ONTWIKKELING van dit moderne denken steeds duidelijker de nadruk komt te liggen op het TEKORT. Het tekort kn pas blijken als het totaal in zicht is, zoals wij van een legpuzzle pas dn weten welk stukje eraan ontbreekt als wij bijna klaar zijn ermee. Dit TEKORT wordt in de moderne maatschappij steeds duidelijker en er gaan zich dus ook steeds meer mensen met dit tekort bezig houden. Het wordt zelfs voor een groot aantal mensen een OPGAVE; zij gaan de tekorten ZOEKEN om zich daarop te richten. Vandaag zien wij dan ook allerlei mensen die zich dan voor dit, dan voor dat opwerpen en altijd gaat het over zaken die op de een of andere manier verwaarloosd zijn.
Het gaat welbeschouwd om INDIRECTE WAARHEDEN, d.w.z. om datgene dat aan de waarheid ONTBREEKT. Men zoekt de waarheid van een moderne wereld door zich bezig te houden met het ontbrekende, zoals de politie-man een ordelijke maatschappij in stand tracht te houden door het negatieve uit te bannen. Niet altijd zien wij deze gang van zaken: toen indertijd de SOCIALISTEN zich in gingen zetten voor een betere maatschappij streden zij VOOR die betere wereld, en dat betekende DAARNAAST dat er ook iets was WAARTEGEN zij ten strijde trokken. Het draaide hier om een DIRECTE WAARHEID, die bovendien direct HENZELF betrof. In de moderne wereld is dat niet meer aan de orde: daarin gaat het TEGEN bepaalde misstanden, die dan automatisch gunstig uitwerken als zij opgeheven zijn. En die bepaalde misstanden gelden in de meeste gevallen niet voor die betreffende ijveraars zlf, maar voor de ANDEREN. En dit aspect, namelijk dat het niet meer om MIJZELF, maar om de ANDER gaat, is ook iets dat onze aandacht verdient. Maar wij mogen hieraan niet iets VERHEVENS bedenken, want het heeft ALLEEN MAAR met de behoefte om FUNCTIONEEL te zijn te maken en niet met iets menslievends. Dit verklaart dan ook het INTELLECTUELE en GEWILDE karakter van vrijwel alle moderne acties; het verklaart ook waarop juist STUDENTEN zich inzetten terwijl de meeste gewone mensen de zaak maar eens rustig bekijken en er moeilijk warm voor kunnen lopen. De BEZIELING van IEDEREEN, zoals die er vroeger was, is geheel verdwenen - en daarmee is ook de KRACHT van de meeste acties verdwenen. Men staat er INTELLECTUEEL achter en doet zonder HARTSTOCHT mee. En men is blij als het tot een GESPREK komt, want op de BARRICADEN voelen wij ons niet meer zo thuis, maar rond de conferentie-tafel kunnen wij uit de - intellectuele - voeten.
Dit is de EINDELOZE weg van de moderne mensheid, die alsmaar haar maatschappij VERBETERT en hem nooit GOED krijgt. En niemand van die moderne mensen komt op het idee dat het eigenlijk wel gek is dat die in aanleg VOLMAAKTE mensheid alsmaar voort moet blijven sjokken langs die stoffige weg van het OVERLEG, zonder ooit tot een gaaf eindpunt te komen. Nog niemand voelt de ONHOUDBAARHEID van deze gang van zaken, om vanuit dit gevoel tot het werkelijke eindpunt te komen. Men kan zich nog niet indenken dat het eindeloze getob niet past in het beeld van de volwassen mens, bij wie alles VANZELF gaat en dus ook vanzelf GOED gaat.

Het is natuurlijk altijd zo geweest in de geschiedenis dat voor de mensen, maatschappelijk gezien, een BEPAALDE redelijkheid gold, Wij kunnen deze redelijkheid de MORAAL noemen, als we dan maar niet teveel aan het burgermansfatsoen denken. Elke wijziging in de MORAAL van een tijdperk komt van BUITEN de geldende MORAAL. Van BUITEN de geldende REDELIJKHEID. Om te beginnen staat deze nieuwe redelijkheid VIJANDIG tegenover de oude, maar tenslotte wordt het oude overwonnen en is er een nieuwe zaak aan de orde.

Zon nieuwe zaak is een nieuwe SFEER; de maatschappij zlf is veranderd, vaak zonder dat het er voor de mensen beter op werd. De nieuwe redelijkheid bracht de nieuwe sfeer mee. Die redelijkheden waren natuurlijk alsmaar BEPAALDE redelijkheden waarbuiten geen ndere redelijkheid kon bestaan. Het ging dan ook niet om HET REDELIJKE als zodanig, maar om het BEPAALDE ervan. Duidelijk is het dat hierin geen plaats kn zijn voor iets anders; het andere kon de zaak alleen maar gaan OVERHEERSEN.
In de MODERNE maatschappij echter gaat het om HET REDELIJKE; iets kan volkomen ANDERS zijn en zelfs geheel ONBEKEND zijn zonder dat dit enig gewicht in de schaal legt. Als de moderne mens ergens van de redelijkheid onderkent - ook al zal hij voor zichzlf andere maatstaven aanleggen - dan is de zaak in orde, d.w.z. de zaak is al opgenomen. Een vernieuwing van de sfeer is dus van hieruit niet te verwachten. De zaak IS EN BLIJFT EEN REKENSOM; het karakter daarvan verandert niet

De botsing tussen de individu en het sociale
In de ouderwetse maatschappij kwam de BOTSING tussen het individu en het sociale niet voor. De REDELIJKHEID houdt in, dat IK zeg en weet, dat DE ANDER er k is. Dit WETEN geldt dus ook in de ouderwetse maatschappij, want ook daar gold een zekere redelijkheid. Maar het GING in die oude maatschappij NIET om het feit dat de nder er ook is, en dus ging het ook niet om de ONDERLINGE VERHOUDING. Deze is er natuurlijk wel, maar het ging daar niemand om.
Het is dus te begrijpen dat er aan de onderlinge verhouding zowel wl als gn aandacht besteed werd. Dat hing f van de toevallige omstandigheden, het hing af van de groep, van de MACHTSGROEF, waartoe men toevallig behoorde. De ANDER telde dus wl of niet mee, en dit was z reel - en wij moderne mensen vergeten dat wel eens - dat iedereen dit NORMAAL vond: ook degene die onder- lag in de maatschappij. Wij kunnen ons niet indenken dat de mensen dat alles genomen hebben, maar voor die mensen was het, zonder enige slaafsheid, volkomen vanzelfsprekend dat zij van de machtigen alles te verduren hadden. Zij behoorden er niet bij en dat wist zowel de n als de nder.
Als de situatie zo ligt kan er geen BOTSING zijn tussen het individuele en het sociale, want dit laatste had geen dwingende betekenis. Er MOEST niets ten opzichte van de ander, dus ik moest maar zien hoe ik me tegenover die ander opstelde. De BOTSING komt pas op als de ONTWIKKELING van het individu aan zijn EIND komt, zodat zo ongeveer IEDEREEN individu, en dus MEETELLENDE EENHEID, geworden is. Of IK dat nu wil of niet, de ANDER moet meegeteld worden; ik heb mij daaraan dan ook te houden. Het RECHT, dat nu werkelijk het karakter van OBJECTIVITEIT krijgt, beschermt nu zowel de n als de nder - IN PRINCIPE uiteraard.
Het komt dus hierop neer dat de INDIVIDU, juist doordat hij zich ontwikkeld heeft, niet meer EENZIJDIG uit de voeten kan, hoewel hij dat eigenlijk wl zou willen, want daarvoor is hij nu eenmaal als INDIVIDU voor de dag gekomen! Hier komt de botsing, het conflict, naar voren, en dat is later tot een algemeen conflict uitgegroeid: de strijd tussen het kapitalisme en het socialisme. Deze strijd is intussen gestreden en hij is natuurlijk uitgelopen in een overwinning van het socialisme, maar het conflict als zodanig is voorlopig de wereld nog niet uit. De zogenaamde communistische machthebbers en denkers denken nog steeds in de termen van de oude strijd; zij hanteren de werken van MARX en LENIN precies zoals de calvinistische DOMINEE dat doet met zijn bijbel. Maar zij zijn hun tijd ten achter: die strijd is klaar en thans liggen de problemen inzake het conflict op een geheel nder terrein, en weer is het de WESTERSE wereld die hierin vooraan gaat. Wij zullen hierover de volgende keer nadenken, maar nu alvast kan worden opgemerkt, dat er SOCIAAL niet veel aan de hand is in de COMMUNISTISCHE landen. En er kn ook niet veel aan de hand zijn omdat men bij de EERSTE UITINGEN van het conflict is blijven staan!
Er is geen enkele reden om medelijden met de mensheid te hebben vanwege het feit dat er een CONFLICT onder de mensen is. Het is niet mogelijk de weg van een z gecompliceerd geval als DE MENS nders te denken. En stellen wij ons eens een mensheid voor, waarin lle mensen zich uitsloven voor de ANDER, en bij voorbaat roepen: wat kan ik voor je doen.! - zon mensheid is te WALGLIJK om over te praten omdat elk BESEF en RESPECT van en voor de EIGENWAARDE van een mens ONTBREEKT.
Het thema IK EN DE ANDER is een MAATSCHAPPELIJK THEMA want het is een thema dat over REDELIJKHEID gaat. Een mens denkt VANUIT ZIJN GEVOEL niet aan de ander; je LEEFT met elkaar en je vindt het gezellig of niet en de onderlinge verhouding komt VANZELF goed te liggen. Als MAATSCHAPPIJ dnkt de mens er wl over.

Naar bladwijzers: ConflictA ; ConflictB ; ConflictC ; ConflictD ; Moraal-A ; Moraal-B ; Moraal-C ; Moraal-D ; Moraal-E ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 4. _1970 (geplaatst op 28 november 2008)

Dinsdag, 8 september 1970

Overtuiging-1 en overtuiging-2 ; Revolutie A ; Revolutie B ; Revolutie C ; Revolutie D ;

 

Het kapitalisme
Op een gegeven moment in de geschiedenis is de strijd ontbrand tussen het KAPITALISME en het SOCIALISME. De KAPITALIST is in deze terminologie de man die zoveel mogelijk alle kapitaal voor zichzelf opgepot heeft, en mt dit kapitaal ook de productiemiddelen, enzovoort. Hij is een figuur die aan iedereen onmiddellijk duidelijk is zolang er in redevoeringen van gewaagd wordt, maar die na enig nadenken toch grondig vervaagt. . . Want cultuurhistorisch gaat het niet om het BEZIT, het EENZIJDIGE bezit, omdat het begrip BEZIT aan lk mens meekomt, en dus zker aan die mens, die zich heeft weten te redden in de wereld. Het gaat om het al of niet MEETELLEN in de wereld, en toen was de situatie z dat er maar ENKELEN waren die meetelden. Dat dit tevens KAPITALISTEN waren is VANZELFSPREKEND, zoals het thans vanzelfsprekend is dat lle (westerse) mensen kapitalist zijn, d.w.z. EENZIJDIGE BEZITTERS.
Als wij het KERNPUNT van genoemde strijd niet zien liggen bij het al of niet MEETELLEN van lle mensen, maar het houden op de geldkwestie, dan kunnen wij onmogelijk inzicht krijgen in de maatschappelijke ontwikkeling. Gaat het alleen maar over de geldkwestie, dan komen wij nooit verder dan een zekere VERDELING van de pot - in het gunstigste geval. Meestal echter zal het niet neerkomen op een VERDELING, maar op een eindeloze ROOFPARTIJ waarbij aan het daglicht treedt dat het werkelijk NIEMAND om een EERLIJKE VERDELING te doen geweest is. Dat is qua BEZIT namelijk niet mogelijk, zoals wij de volgende keer bespreken zullen. De strijd echter UITTE zich als een geldkwestie, maar WAS alleen maar de vraag of IEDEREEN nu MEETELDE of niet.
Zo was dus de KAPITALIST een INDIVIDU - in de PRAKTIJK, en toentertijd waren de anderen weliswaar CULTUREEL reeds tot INDIVIDUALISME gekomen, maar in de praktijk nog niet. De veelgeprezen FRANSE REVOLUTIE heeft de PRAKTIJK van de individu nog niet doorgevoerd.

De Franse revolutie
Het is een feit dat men sprak van vrijheid, gelijkheid en broederschap en ook is het een feit dat aan de onderdrukking en willekeur van de HOGEREN een einde gemaakt werd. Maar al zeer spoedig bleek dat alles draaide om het meetellen van de BURGERMAN. Niemand, behalve de BURGER, was in tel en er was dus geen sprake van het MEETELLEN VAN IEDEREEN. Daarom is de Franse revolutie eigenlijk ALLEEN MAAR EEN BLOEDBAD geweest, dat zlang geduurd heeft als nodig was om de BOURGEOISIE te vestigen en de rest uit te roeien. Zo stond deze revolutie wel in het teken van HET BEGIN van een nieuw tijdperk, maar het had van de twee aspecten van het begrip BEGIN het EERSTE aspect: VERNIETIGING VAN HET OUDE. En daarmee was het dus eigenlijk nog volledig in dat oude bevangen. Er waren er nu VEEL die meetelden: de MEETELLENDE BURGERMAN, de BOURGEOIS, en, zoals gebruikelijk bij de meetellende en MACHTHEBBENDE burgerman, hij ging al spoedig op VEROVERING uit onder de banier van ZIJN KEIZER! Het is wel degelijk rechtvaardig om hierbij een vergelijking te trekken met het ons wlbekende HITLER-DUITSLAND. Alleen CULTUREEL betekende het nationaal-socialisme iets anders, maar wat betreft het GEDRAG is er veel overeenkomst.

Het socialisme
Natuurlijk heeft zich het TWEEDE ASPECT van het BEGIN ontwikkeld; voor een niet onbelangrijk gedeelte uiteraard bij FRANSE denkers (Fourier, Cabet en Saint-Simon en de meer praktische L. Blanc, F. Lessalle en Proudhon) omdat daar zich HET BEGIN nu eenmaal gemanifesteerd had. Tenslotte liep het hierin uit dat IEDEREEN mee MOEST tellen, en dat betekent ook het ER ZIJN van de ONDERLINGE VERHOUDING - zonder dat er overigens aan die verhouding zlf nog iets gedaan werd. Hij GOLD eenvoudig en het HOE was nog niet aan de orde. Eigenlijk was er dus SOCIAAL nog niets aan de hand, behalve dan dat nu de BASIS hiervoor aanwezig was. Deze strijd was betrekkelijk vlug gestreden en dus ging het ook al spoedig niet meer om de ONDERLINGE VERHOUDING ZELF, maar om de KWALITEIT er van: HOE was die verhouding. En dt is eigenlijk de wrkelijke GESCHIEDENIS van het SOCIALISME. Evenwel mag het ons niet ontgaan dat de vraag naar het HOE al spoedig niet meer alleen door de socialisten gesteld werd, maar door ALLE stromingen in de maatschappij. Logisch, omdat HET SOCIALE betrekking heeft op ALLE MENSEN, die allemaal MEETELLEN.

Maar wij mogen niet zeggen, dat iedereen nu SOCIALIST geworden is eerder is het waar dat iedereen op zijn wijze kapitalist is geworden. Want voor iedereen is HET BEZIT gaan gelden, omdat dit noodzakelijk meekomt een het ER ZIJN van een mens. Vaak probeert men HET BEZIT van de mens f te denken, maar dit gaat niet; een dergelijk denken loopt dan ook altijd in een ONMOGELIJKHEID uit, met voorzover het in de praktijk toegepast wordt, een grote mate van ONVRIJHEID en DWINGELANDIJ.
Het MEETELLEN van een mens in de maatschappij betekent voor die mens tevens en onmiddellijk dat er ETEN voor hem is, en hierbij kunnen wij ook allerlei andere dingen rekenen die de mensen NODIG hebben om te kunnen leven. Het PRAKTISCHE BEZIT van de mens betreft die dingen die hij NODIG heeft en in die zin moeten wij het dan ook opvatten als wij over de mens als BEZITTER spreken. Dit facet van de maatschappij is in het westen in hoge mate gerealiseerd. Als iemand dit dan nog KAPITALISTISCH wil noemen moet hij wl beseffen in welke BETEKENIS hij dit woord gebruikt, want KAPITALISME geldt als er ENKELEN meetellen, maar nu telt - ongeacht de UITVOERING van deze gedachte - IEDEREEN mee.
Op grond van dit feit kunnen wij van de westerse wereld zeggen dat zij SOCIAAL is, en natuurlijk is dit voor de westerling een feit ONDANKS ZICHZELF. Maar dit laatste geldt voor ELKE mens, waar ook ter wereld. Dit is de BOTSING tussen de INDIVIDU en het SOCIALE en dit draait altijd om de vraag naar het HOE van de onderlinge verhouding. Deze vraag is in het westen nog volop aan de orde.

De socialistische landen
Al vaker heb ik er op gewezen dat er bij velen van ons een soort onverklaarbare sympathie leeft voor socialistische landen als bijv. RUSLAND. Maar deze sympathie mag ons niet beletten de FEITEN onder ogen te zien; in dit geval de SOCIALE FEITEN. Dan blijkt dat er vele sociale VOORZIENINGEN tot stand zijn gebracht: gratis ziekenhuizen, gratis studie, gratis openbaar vervoer, enzovoort. Maar dat zegt niet zoveel: in het ROMEINSE RIJK werd vaak gratis voedsel aan de mensen verstrekt maar toch telden die mensen NIET mee.
In RUSLAND worden mensen gestraft op grond van een overtuiging of alleen maar een gedachte; er zijn POLITIEKE GEVANGENEN bij tienduizenden en er zitten tientallen SCHRIJVERS gevangen om datgene dat zij geschreven hebben. Dan geldt deze logica: als het in een land mogelijk is dat er desnoods maar n man gevangen zit, OFFICIEEL, om wat hij DENKT en SCHRIJFT, dan KAN ER SOCIAAL NIETS AAN DE HAND ZIJN in dat land, want de VOORWAARDE voor het SOCIALE is nog altijd dit feit dat IEDEREEN MEETELT. Als iedereen meetelt kunnen er alleen maar MISDADIGERS in de strikte zin van het woord gevangen zitten en verder NIEMAND.
In de SOCIALISTISCHE landen is dit niet het geval; al zijn het er desnoods VEEL, die meetellen, het is niet zonder meer IEDEREEN. Daarom moeten wij welbeschouwd vaststellen dat HET KAPITALISME juist dr nog in volle omvang aanwezig is. Dit verklaart dan ook het treurige feit dat er in die landen nog steeds niet boven MARX en LENIN uitgedacht wordt en dat zij alsmaar ANDEREN met veel drukte beschuldigen van datgene dat zij zlf zijn een bekend psychisch trekje bij achtergebleven en vastgelopen mensen!
Men kan er op wijzen dat schrijvers een gedachte kunnen verspreiden, die voor de maatschappij of de samenleving gevaarlijk is zodat de noodzaak zich voordoet die schrijvers het zwijgen op te leggen. Maar dit is altijd de ANGST van de MACHTIGEN die bevreesd zijn voor hun posities. In een vrije maatschappij kn niemand voor een gedachte bevreesd zijn, want als die gedachte vruchtbaar is zet hij zich vanzelf wel door en als hij op onzin berust vindt hij bij de mensen gaan weerklank. Een volwassen maatschappij bijvoorbeeld is voor geen enkele gedachte bang; alle onzin maakt ZICHZELF belachelijk! Het onderdrukken van het denken en het schrijven wijst op een OUDERWETSE en dus ACHTERGEBLEVEN gesteldheid: die van de zich ONTWIKKELENDE individu welke alleen maar ZICHZELF op het oog heeft.
Wij hebben er al eerder op gewezen dat de socialistische landen voor de MODERNE MENS mogelijkheden inhouden die verder gaan dan de West-Europese mogelijkheid. En vooral RUSLAND is in dit opzicht belangrijk, want daar ligt het begin van de VOLWASSEN mens. Deze mogelijkheden doen ons sympathiek aan, maar wij moeten toch niet vergeten dat de ZAAK die aan de orde is altijd in de praktijk een beter leven garandeert dan MOGELIJKHEDEN die nog volkomen onuitgewikkeld zijn. De aanleg van het RUSSISCHE VOLK is nog steeds een AANLEG. Dit is aan de mnsen wel te merken, maar de MAATSCHAPPIJ die zij ZICHZELF hebben hebben gebouwd op grond van een BEREKENING weerspiegelt de ware stand van zaken: DE PRAKTIJK!

Overtuiging-1 en overtuiging-2 ; Revolutie A ; Revolutie B ; Revolutie C ; Revolutie D ;

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 5. _1970 (geplaatst op 28 november 2008)

Naar Bladwijzers: Bekwaamheid: A1, Bekwaamheid: B2, nrs.7, 8, 9, 10 en 11, C3: nrs 24, 25, 30 en 39

Dinsdag, 15 september 1970

 

De individu als voorwaarde voor het sociale
De ONDERLINGE VERHOUDING tussen de ne mens en de ndere mens kan alleen maar dn tot zijn recht komen als de factoren WAARTUSSEN die verhouding aanwezig is, er VOLLEDIG zijn. Zolang dit niet het geval is, is de verhouding tussen die factoren een onvolledige, en dat betekent altijd dat hij naar de ne of naar de ndere kant GEFORCEERD is. Als de mens zichzelf als MAATSCHAPPIJ herkend heeft heeft hij zichzelf als HET BEREKENBARE herkend, en dan is voor hem de REDELIJKHEID gaan gelden. Als deze redelijkheid geldt kn ALLES er zijn en als dat zo is, kan de INDIVIDU er zijn.
Het GELDEN van de redelijkheid wil helemaal niet zeggen dat iemand, of alle mensen, redelijk zijn. Gesteld dat voor een mens volledige redelijkheid ooit mogelijk is, dan is en blijft dat toch nog altijd een BIJZONDERHEID, d.w.z. het is een kenmerk van DIE BEPAALDE MENS. We zouden het een PERSOONLIJKE KWALITEIT kunnen noemen.
Maar wij spreken nu van een MENSHEID die redelijk geworden is, en daarmee bedoelen wij dit, dat men er van UITGAAT dat het redelijk moet zijn. In hoeverre dat in de praktijk gelukt is een tweede vraag die er niet eens zoveel toe doet omdat het ONREDELIJKE in zon geval tch van TIJDELIJKE aard is geworden.
Het MAATSCHAPPIJ zijn, en dus het REDELIJK zijn houdt in dat de INDIVIDU er is, in l zijn facetten en bijzonderheden, en als dat zo is, kan de onderlinge verhouding niet meer wggedacht worden.

Het uitsluiten
Als er in een land maar n mens, die geen FEITELIJKE MISDADIGER is, wordt uitgesloten betekent dit dat er toch nog een BIJZONDERHEID mogelijk is, die niet geduld wordt. Dan is de INDIVIDU nog niet VOLLEDIG uitgewikkeld.
Denken wij nu aan het OOSTEN en ook aan RUSLAND dan stuiten wij op een moeilijkheid: in deze culturen is het uitgangspunt niet de individu, maar de onderlinge verhouding; in CHINA omdat daar HET TOTAAL ligt en in RUSLAND omdat HET GEHEEL daar aan de orde is. En nu zijn deze landen ontwaakt en zij noemen zich SOCIALISTISCH en COMMUNISTISCH, geheel in overeenstemming met hun aanleg. Vanuit deze gesteldheid is er een AFKEER voor de individu, maar znder die individu kan het anderzijds nimmer SOCIAAL toegaan. Het is er dan ook sociaal niet al te best - niet qua VOORZIENINGEN, maar wat betreft het UITSLUITEN van mensen.
De oplettende toeschouwer echter kan opmerken dat het individuele steeds meer toeneemt in de socialistische landen; dit stuit op verzet bij DE PARTIJ, die de oude doctrines van MARX en LENIN aanhangt. Maar ondanks dat verzet ontwikkelt zich tch de individu. Het TOTAAL differentieert zich uit naarmate dat totaal MODERNER wordt. En langs deze weg komt de individu voor de dag, met als logische consequentie dat de socialistische landen straks wl SOCIAAL zullen zijn. En dan zijn zij dat zonder dat de door ons genoemde BOTSING in volle hevigheid de zaak zal afremmen. Die botsing is er voor de mensen PERSOONLIJK wl, maar hij zet MAATSCHAPPELIJK niet zoveel zoden aan de dijk omdat het SOCIALE als AANLEG bij die mensen sterk vertegenwoordigd is.
Om zich naar de individu te knnen differentiren moet, cultureel gesproken, de MENSHEID de individu OPGELEVERD HEBBEN, en dat is in HET WESTEN gebeurd.

Het OOSTEN en RUSLAND (wij laten AFRIKA en ZUID-AMERIKA nog even buiten beschouwing) moeten dus nog een hele weg doorlopen, willen zij SOCIAAL genoemd kunnen worden. En pas als die weg achter de rug is komt de werkelijke AANLEG van die mensen als een REALITEIT voor de dag. Dan blijken zij, vergeleken met west-europa VERDERE MOMENTEN te zijn en deze verdere momenten laten ook een VERDERE PRAKTIJK zien. Thans echter hebben wij nog slechts met een AANLEG te doen en dit verklaart het voor de goedwillende westerling vaak onbegrijpelijke feit dat er naar onze begrippen niet te leven valt in die landen. Die begrippen van ns zijn niet allemaal even wezenloos en wij behoeven onszelf niet altijd bij de vuile was te gooien - wat tegenwoordig maar al te vaak de tendens is! Er IS eigenlijk ook niet te leven in die landen, BEHALVE voor die mensen zlf, die nog midden in de ontwikkeling zitten. Toch leiden zij, objectief beschouwd een ELLENDIG LEVEN, dat vooral voor de meer bewusten vol van levensgevaar is omdat HET DENKEN van de mens altijd INDIVIDUEEL is en dus in een onvolwassen socialistische maatschappij VERBODEN.

Het begrip bezit
Zolang als de mensheid op deze planeet bestaat heeft HET BEZIT in de ontwikkeling een rol gespeeld. En deze rol is zo nauw aan de mens verbonden dat het er op lijkt alsof de hele lijdensweg van de mensheid alleen maar om het bezit gedraaid heeft. Toch is dit eigenlijk niet zo. Maar de verhouding tussen HET BEZIT en een andere factor, namelijk het NODIG HEBBEN, is nogal moeilijk duidelijk te maken omdat beide begrippen op de mens van toepassing zijn.
Het NODIG HEBBEN geldt WEZENLIJK voor de mens en het geldt trouwens voor lk ORGANISME, voor alles dat LEEFT. Maar HET BEZIT geldt niet voor elk organisme en het is aan de mens ook niet WEZENLIJK, hoewel het om te beginnen toch alsmaar met hem meeloopt. Zolang hij namelijk nog ONVOLWASSEN is streeft hij naar een zo groot mogelijk BEZIT; het liefste zou hij ALLES bezitten.
De zogenaamde KAPITALIST is wel zo ongeveer iemand die ALLES bezit - zij het dan in een beperkte kring. Dit bezit van ALLES gaat op den duur verzet oproepen bij de andere mensen, en nu denkt men de pot te gaan verdelen. Als iedereen nu EVENVEEL heeft is de zaak voor elkaar dit laatste is volgens vele mensen de inhoud van het socialisme en het communisme en men heeft er hoge verwachtingen van. HET BEZIT is becijferbaar; men kan zeggen ZOVEEL bezit iemand en dat bedrag is te verdelen in kleine porties. Toch is het er met het socialisme niet van gekomen de pot te verdelen, en waar men het wl geprobeerd heeft, bijvoorbeeld in RUSLAND, is de boel fout gelopen.
Dit alles wordt verklaard door het feit, dat voor de mens eigenlijk niet het begrip BEZIT geldt, maar het begrip NODIG HEBBEN, en dit is een NIET BECIJFERBARE grootheid. Voor ieder mens, naar gelang aanleg, geaardheid en ontwikkeling heeft het begrip NODIG HEBBEN een andere inhoud. Omdat dit zo is kn er nooit een pot verdeeld worden - en het is dan ook niet de loop der geschiedenis.
Als wij spreken over NODIG HEBBEN moeten wij de HEBBERIGHEID van de mens er f denken; die hebberigheid slaat op het BEZIT en dus op ALLES. Maar wat een mens NODIG heeft is van hem onvervreemdbaar, het is het MILIEU waarin het organisme gedijt. Het heeft dus ook niets met zijn OMSTANDIGHEDEN te maken want het geldt voor HEMZELF.

Het BEZIT echter doorloopt de weg van de ONTWIKKELING: hij bezit het meeste die in een BEPAALDE cultuur het beste meekan, en dit betekent in de meeste gevallen dat zon bezitter de OMSTANDIGHEDEN weet aan te wenden in zijn voordeel. En aangezien het eind bij ALLES ligt kan het steeds meer en is er eigenlijk geen REM op; het BEZIT gaat vanaf een zeker moment het NODIG HEBBEN verre te boven en dit uit zich als LUXE, er is met dit OVERBEZIT in de grond van de zaak niets aan te vangen behalve FLAUWEKUL.
Bij de ONVOLWASSEN mens hangt het bezit samen met zijn AANZIEN en dit woord alleen al drukt uit hoe primitief de zaak is. Het AANZIEN van de mens doorloopt verschillende stadia: als eerste wordt een mens beoordeeld naar zijn GEBOORTE. Dit is het meest simpele en daardoor het meest gangbare in de wereld. Tot voor kort werd iemand uitsluitend naar zijn hoge geboorte beoordeeld; de VORSTEN- HUIZEN zijn hiervan een duidelijk voorbeeld. Ten tweede wordt er gelet op de PLAATS waar iemand is komen te staan; dit komt vooral tot uiting bij de BOURGEOISIE en het kenmerkt de westerse beschaving tot aan het doorbreken van de MODERNE MENS. Tot op de dag van vandaag kunnen wij waarnemen hoe hele volkeren de mensen aanzien naar hun POSITIE. De derde mogelijkheid is de beoordeling naar de FUNCTIE van de mens. Dit is natuurlijk MODERN en deze moderne beoordeling ontwikkelt zich weer naar een beoordeling qua BEKWAAMHEID.
Als het eenmaal zover is gekomen is de stap naar de laatste en werkelijke grond van beoordeling niet meer zo groot: de mens ziet zichzelf aan naar wat hij als MENS is. Hierbij zijn de OMSTANDIGHEDEN als maatstaf uitgesloten, maar anderzijds moet het duidelijk zijn dat HET BEPAALDE niet verdwenen is. Want het AANZIEN is altijd het aanzien van DIE mens. Maar het gaat nu om HEM zoals HIJ is, en verder niets.
Begrijpelijk moet zijn dat in een dergelijke situatie HET BEZIT, dat hand in hand gaat met AANZIEN ook op maat is komen te liggen en nu het NODIG HEBBEN precies dekt. Nu is het bezit dus niet wg, maar het valt samen met wat de mens nodig heeft. Het is nu ook ONVERVREEMDBAAR; de mens behoeft geen moeite meer te doen om zijn bezit bij zich te houden - wat tot nu toe wl het geval is geweest.
Tevens is nu lke mens de bezitter van ALLES geworden omdat het nu aan HEMZELF gebonden is en hij zlf als mens is de BEZITTER VAN DE GANSE KOSMOS. Maar dit geldt voor MIJ zowel als voor JOU; het is GEMEENSCHAPPELIJK BEZIT.

Naar Bladwijzers: Bekwaamheid: A1, Bekwaamheid: B2, nrs.7, 8, 9, 10 en 11, C3: nrs 24, 25, 30 en 39

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 6. _1970 (geplaatst op 29 november 2008)

Naar Bladwijzers: Idealisme - zie pag.1 n pag.6-Revolutie/Idealisme - We zijn ds allemaal zlf de SHELL ; Revolutie A ; Revolutie B ; Revolutie C ; Revolutie D ;

 

Dinsdag, 22 september 1970


De mogelijkheid om te leven
Het gaat in het westen zo langzamerhand tot de bon ton behoren om onze eigen sociale toestand te veroordelen. Wij veroordelen ons IMPERIALISME en daarmee samenhangend veroordelen wij de grote concerns die overal op de wereld winst maken en de volkeren uitbuiten. Anderzijds vinden wij dat diezelfde volkeren maar eens wakker moesten worden om het juk, ONS JUK, van zich af te schudden, en voorzover daarin nog niet zo erg veel schot zit - denk aan ZUID-AMERIKA - noemen wij de mensen daar DOM en ACHTERLIJK, en wij spreken van FATALISME.
Vooral de moderne westerse INTELLECTUEEL mag graag in deze termen denken, en er zijn er zelfs die er toe overgaan de mensen in die onderdrukte landen op te porren. Zij gaan daar de revolutie voorbereiden. Daarbij blijkt vaak dat die mensen, die dr werk hebben gevonden (natuurlijk bij de SHELL e.a.) niet zo vlug warm lopen voor de revolutie: zij hebben een huisje en zij hebben te eten en hun kinderen zijn gezond en doorvoed. En de revolutie brengt natuurlijk wr wantoestanden: LEVENSONZEKERHEID.
Voor ns is de vraag naar het brood, het onderdak, de gezondheid en de rechtszekerheid, eigenlijk al lang beantwoord. Wij realiseren ons nauwelijks meer dt al die dingen - in principe - voor ons een REALITEIT zijn. En daarom praten wij er zo gemakkelijk over maar het is volkomen reel dat een mens blij is als hij eindelijk eens een zekere VEILIGHEID gevonden heeft en verlost is van de OBSESSIE hoe de avond te halen. Want voor lk ORGANISME geldt dat hij in het goede MILIEU moet leven, en voor de mens geldt dat ook. Als dit milieu niet in orde is, is er GEEN LEVEN MOGELIJK - voor NIEMAND! Kan iemand hieraan nu iets doen doordat hij WERK heeft gevonden (wij spreken nu niet van duistere praktijken) dan spreekt het vanzelf dat hij dit niet zomaar laat schieten. Het leven NU is vl belangrijker dat een ver verwijderd DOEL, en zeker in een alsnog HARDE maatschappij, zoals die nog vrijwel overal aanwezig is.
De westerling praat vanuit een ijzersterk IDEALISME; het westen is altijd al het land van de GROTE IDEALEN geweest. Altijd lag er een DOEL in het verschiet. En vanuit dit idealisme vergeet men altijd het LEVEN NU. Wij knnen tegenwoordig het LEVEN NU vergeten, want dat is toch wel verzorgd, maar drie-kwart van de mensheid KAN HET NIET VERGETEN, omdat het hem DE GEHELE DAG BELAAGT. En deze mensen volgen precies het WEZEN van het organisme mens als zij HUN WERK en dus hun MILIEU verdedigen. Hierop te vitten is dus WEZENLOOS!
Wij zijn IMPERIALISTEN; overal is het juist de SHELL e.a. die zich uitbreidt en altijd gaat het om WINST. Het spreekt vanzelf dat dit allemaal niet deugt en dat de mensheid z niet door kan gaan. De MODERNE INTELLECTUEEL heeft hierin dan ook volkomen gelijk, maar hij moet zich niet - alweer vanuit zijn IDEALISME - verbeelden dat hij er iets aan doet, want het is NIEMAND gegeven iets aan de zaak te kunnen veranderen. Want NIEMAND van ons is in staat BUITEN onze gesteldheid te gaan staan; hij kan dat IN ZIJN DENKEN wel doen, maar in de PRAKTIJK niet, OMDAT WIJ ALLEMAAL DEZE GESTELDHEID MEE ZIJN. Wij zijn dus allemaal zlf de SHELL, en dat niet omdat wij zo VERDORVEN zijn, maar omdat het ONZE CULTUUR is. En deze cultuur geeft ons PRAKTISCHE LEVENSZEKERHEID, terwijl die zaak voor STEEDS MEER mensen ook gaat gelden. Maar die zaak is en blijft voorlopig IMPERIALISTISCH. Daarom doen wij er beter aan HET FEIT dt die fabrieken er zijn toe te juichen en er over het feit dat er WINST gemaakt wordt maar het zwijgen toe te doen - omdat wij ALLEMAAL dat winst-maken m zijn!
De enige weg die wrkelijk open ligt is deze dat het productie-proces zich maar rustig uit moet breiden over de gehele wereld. Dan verdwijnt het IMPERIALISME vanzlf en dan behoeven we niemand verwijten te maken dat hij graag zijn brood wil verdienen.

Trouwens, de enige weg waarlangs de mensen tot de INDIVIDU kunnen komen - en dat MOET, zoals we reeds gezien hebben - is de weg van de PRODUCTIE, want productie betekent BROOD, en brood betekent LEVENSZEKERHEID en dt betekent dat iemand zich tot ZELF AANWEZIG ZIJN kn ontwikkelen. Ontwikkeling tot individu in het concentratiekamp is niet mogelijk - daar komt men niet verder dan het DIER, hetgeen wij westerlingen ook al sinds lang zlf bewezen hebben!
Als wij het bovenstaande overdenken, moeten wij de zaak vooral EENVOUDIG houden. Het gaat hier niet om SCHARRELAARS, maar om GEWONE mensen die niets anders willen dan IN VREDE LEVEN en hun kinderen grootbrengen.

Van de individu naar het sociale
Als de individu aanwezig is gaat de aandacht van de mensen vanzelf naar het SOCIALE, naar de ONDERLINGE VERHOUDING. En dan blijkt er een EINDELOZE REEKS van mogelijkheden van verhoudingen te zijn. Elk van die mogelijkheden is vast te stellen; we kunnen zeggen: IS MEETBAAR. De INDIVIDU zlf is verder van geen belang meer, afgezien van het feit dat hij ER MOET ZIJN.
Dit is niet per ongeluk zo: Het ER ZIJN van een zaak is een FEIT waaraan verder niets te onderkennen valt. Dat de ENKELVOUDIGHEID er is is voor ons een FEIT, en met dat feit zlf kunnen wij NIETS aanvangen. We komen er niets mee aan de weet en we kunnen niets OPMETEN. Elke FACTOR OP ZICHZELF is een ONMEETBAARHEID die als zodanig verstoken is van lke kwalificatie.
In de mensheid betekent dit het volgende: als de FACTOREN er eenmaal ZIJN, is er verder over die factoren NIETS te zeggen; zij onttrekken zich als het ware aan ons oog. Er viel over die factoren nog wl wat te zeggen toen het er nog slechts ENKELEN waren. In vroeger dagen viel de ENKELING op, maar hij viel niet op vanwege ZICHZELF, maar vanwege het feit dat hij een UITZONDERING was. Hij viel dus op doordat hij, vergeleken met de anderen, iets uitzonderlijks was. De WAARDERING, de KWALIFICATIE, en dus de MEETBAARHEID, van een FACTOR, of bij de mensen: van een INDIVIDU, is namelijk alleen mogelijk als er ANDERE factoren zijn waarmee vergeleken kan worden. De KWALIFICATIE is dan wr de ONDERLINGE VERHOUDING.

Vroeger waren er slechts ENKELEN; wat daarvan te zeggen viel was er alleen maar qua UITZONDERLIJKHEID van te zeggen. Alles draaide om de uitzonderlijkheid van de individu. Thans is IEDEREEN er en de onderlinge verhouding heeft zijn karakter van uitzonderlijkheid verloren, zodat nu blijkt dat er helemaal niets over de factoren te zeggen valt. Het is alleen maar mogelijk de onderlinge verhouding zlf vast te stellen. Dat er over de INDIVIDU, nu het UITZONDERLIJKE van hem wggevallen is, niets te vertellen valt blijkt tegenwoordig steeds duidelijker: voorzover bepaalde mensen tch nog iets bijzonders willen zijn (de erfenis van de oude westerse cultuur! ) moeten zij dit zoeken in UITERLIJKHEDEN want aan de mens zlf valt niets op. Men behoeft maar even om zich heen te zien om duidelijk te kunnen constateren dat er een algemene behoefte tot OPVALLEN is terwijl dat opvallen vrijwel onmiddellijk teniet wordt gedaan door het feit dat IEDEREEN dat opvallende n gaat doen. Dat is de MODE!

Dus: als de INDIVIDU er is, valt er niets meer aan hem op omdat er geen MEETBAARHEID blijkt te bestaan. Wl bestaat die meetbaarheid waar het over de onderlinge verhouding gaat en deze meetbaarheid verliest zich in het EINDELOOS VELE.
Men meent wel eens dat de individu opvalt doordat hij VERSCHILT van de anderen, maar welbeschouwd is deze gedachte niet te handhaven. Want er zijn geen twee mensen aan elkaar gelijk en dus zijn de verschillen niet te bepalen. Voor het bepalen van het VERSCHIL moeten wij een vast MEETPUNT hebben, een vast gegeven van waaruit gemeten kan worden. Dit vaste meetpunt ontstaat als er TWEE factoren aan elkaar gelijk zijn. Maar omdat dit bij de mensen niet het geval is, kan er ook niet gemeten worden en er kan dus geen VERSCHIL worden bepaald. Het is dan ook zo in de werkelijkheid dat de mens niet bij de INDIVIDU blijft staan; het was een hl gedoe hem te voorschijn te brengen, maar als hij er eenmaal is, is hij ook z weer vertrokken, d.w.z. vertrokken als van de nder verschillend geval. Als FEIT met hij blijven bestaan want anders kan er tenslotte geen mensheid zijn.

Het moderne intellect
Wij hebben dus bij de moderne mens deze situatie: het niet-opvallende van de individu is voor de dag gekomen, en bovendien is voor de dag gekomen dat het enige dat er wrkelijk is de ONDERLINGE VERHOUDING is. Deze onderlinge verhouding is een ABSTRACTIE, in die zin dat het NIET IETS is, maar hij is daarom niet minder wrkelijk. En deze situatie sluit nauw aan bij de gesteldheid die voor HET DENKEN vereist is: het VOLLEDIG aanwezig zijn van de FACTOREN zodat de onderlinge verhouding MEETBAAR is.
Het is daarom dan ook niet voor niets dat de moderne (jonge) INTELLECTUEEL zich het meest bezint op het SOCIALE, en ook is het niet zonder reden dat hij daarbij ZIJN EIGEN MILIEU OP de korrel neemt, want daar is het sociale er werkelijk. En natuurlijk gaat het dan over de GEBREKKIGE aspecten van dat sociale want het INTELLECT kan alleen maar HET GEBREKKIGE denken, zoals wij de volgende keer bespreken zullen. Het probleem van de overige volkeren is eigenlijk geen SOCIAAL probleem; het is het zich gaan stellen van de INDIVIDU.

Naar Bladwijzers: Idealisme - zie pag.1 n pag.6-Revolutie/Idealisme - We zijn ds allemaal zlf de SHELL ; Revolutie A ; Revolutie B ; Revolutie C ; Revolutie D ;

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 7. _1970 (geplaatst op 29 november 2008)

Naar Bladwijzers: Bekwaamheid: A1, Bekwaamheid: B2, nrs.7, 8, 9, 10 en 11, C3: nrs 24, 25, 30 en 39

Dinsdag, 29 september 1970

Het militarisme
Wij wezen er de vorige keer op dat er een zeker gevaar schuilt in het alsmaar veroordelen van onze eigen maatschappij. Want hoewel het een onloochenbaar feit is dat er heel wat aan de zaak mankeert en het evenzeer noodzakelijk is dat de mensen hun kritiek niet onder stoelen of banken steken zit er toch aan onze MODERNE kritiek een luchtje: de EENZIJDIGHEID. Ligt het de mensen aanvankelijk om alsmaar kritiek op ANDEREN te hbben, de beginnende SOCIALE mens van het westen schept er behagen in ZICHZELF te hekelen. En deze ZELFKRITIEK is niet helemaal EERLIJK; hij heeft de ondertoon van het EXCUUS. Men excuseert zich voor dingen die men tch blijft doen en die men helemaal niet van plan is te gaan laten en het gehele gedoe heeft dan ook alle kenmerken van een RAGE.
De EENZIJDIGHEID schuilt hierin dat wij ALLEEN MAAR nszelf willen hekelen, terwijl wrkelijke KRITIEK volkomen los behoort te staan van ONSZELF n van de ANDEREN. KRITISCH is hij die tracht de ZAAK OP ZICHZELF te bezien.
Het gevaar nu van die eenzijdige zelfkritiek is dit dat tenslotte iedereen ervan overtuigd is dat het hier een BENDE is, en dat geeft niet voorzover het over NORMALE mensen gaat, als het maar niet de KOLONEL is die zich ermee gaat bemoeien. Ik laat nu helemaal buiten beschouwing de vraag in hoeverre voor ns op dit moment reel gevaar van de KOLONEL te duchten is. Maar hij is in ieder geval in principe gevaarlijk.
De MILITAIRISTISCHE gesteldheid is een NIET-MODERNE gesteldheid; het gaat er dan ook niet DEMOCRATISCH toe bij de militairen. Er is een lijn van BOVEN naar BENEDEN - en dat is de lijn van HET GEZAG - maar een lijn van beneden naar boven is er niet. In een DEMOCRATIE is die laatste lijn er wl; zlfs in nze democratie. Al vaker hebben wij gezegd dat de democratie voor de mensen wel de enige mogelijkheid is, maar dat de weg naar boven via de KEUZE onhoudbaar is. De KWALITEIT van de weg naar boven is dus slecht, maar het wezen van de zaak is in orde: DE BASIS VAN DE DEMOCRATIE IS HET VOLK.
In de moderne democratie bestaat een INSTELLING, die NIET-DEMOCRATISCH is en wij mogen dit niet verwarren met wat wij eerder gezegd hebben over het BUITEN de democratie staan. In het laatste geval staan de mensen BUITEN de democratie voorzover die het KEUZESTELSEL hanteert, naar niet buiten de democratie als zodanig. Het LEGER echter staat BINNEN onze moderne democratie is is toch op zichzelf ANTI-DEMOCRATISCH. En van hieruit is het een POTENTIEEL gevaar.
Enkele feiten wijzen hierop: ons leger behoort tot het NATO-verband en dit verband is er in de eerste plaats om het BINNEN de aangesloten democratien ORDELIJK te houden. GRIEKENLAND behoort tot datzelfde verband en daar is het leger zelfs in dit opzicht actief. Zo ook PORTUGAL, SPANJE, enzovoort. De acties van de Nederlandse marine in Amsterdam tonen precies de gesteldheid van het MILITAIRISME: zij zullen wel even BINNEN de democratie orde op zaken stellen op ANTI-DEMOCRATISCHE wijze!
Er is tegenwoordig in de moderne wereld een tendens om de touwtjes strakker te gaan aanhalen en alleen al het feit dat die tendens kn bestaan wijst er op dat het ANTI-DEMOCRATISCHE nog stevig ingebed ligt in het besef van de mensen. Als er dan ook maar even iets schort aan de gang van zaken binnen de democratie is er alle kans op ingrijpen van de militaristische mensen. Het zogeheten GEZAG gaat hand in hand met het anti-democratische omdat het ook de lijn VAN BOVEN NAAR BENEDEN vertegenwoordigt. Over het verband tussen het KIESSTELSEL en het ONMIDDELLIJK ANTI-DEMOCRATISCH zijn van het GEZAG zullen wij het nog hebben.

Wij hebben gezien dat in een moderne wereld iedereen, hoe hij ook is, meetelt, en daarbij gaat het er juist om dat het verschillend-zijn van de mensen de factor is waarom het draait. Juist HET VERSCHIL geldt omdat dit verschil in de moderne maatschappij een FUNCTIE betekent. In het militaire bewustzijn wordt het VERSCHIL echter wggewerkt, men telt voorzover men zich op de voorgeschreven wijze gedraagt. Voorzover men dus OVEREENKOMSTIG DE ANDEREN is. We kunnen zeggen: men telt ALS NUMMER. Dit meetellen als NUMMER levert natuurlijk ook een TOTAAL op, maar dit totaal is het meest PRIMITIEVE dat denkbaar is, omdat elke PERSOONLIJKHEID, d.w.z. elke persoonlijke kwaliteit, er aan ontzegd is. Het vermogen om ZICHZELF elke PERSOONLIJKHEID te kunnen ontzeggen noemen wij met een fraai woord: DISCIPLINE en dit is dan ook het BINDENDE in het leger!

Voorzover er in een dergelijke situatie tch van PERSOONLIJKHEID gerept wordt is het het persoonlijke VERMOGEN zich meer of minder eigen persoonlijkheid te ontzeggen. Dat hiervoor een speciale MENTALITEIT vereist is, is duidelijk.

De rol die HET LEGER in de geschiedenis gespeeld heeft toont een langzame verandering van de POSITIE die het leger in de maatschappij inneemt. Aanvankelijk viel het leger samen met een PERSOON, bijv. ALEXANDER DE GROTE. Daarbij ging het niet om een STAAT maar om een IDEAAL van die persoon. Hierin is in sterke mate de CULTUUR betrokken: de veroveringen van ALEXANDER zijn een CULTURELE DAAD - hoe vreemd dit ook klinken moge!
Later viel het leger ook nog wel samen met een persoon, maar die persoon stond een STAAT voor ogen. Men denke aan keizer KAREL V. De STAAT was dan datgene dat door HET LEGER onder de duim gehouden kon worden. Dat veranderde natuurlijk met de dag en het had niets met de mensen zlf te maken.
Daarna komt het besef van een STAAT op en mt dit besef zien wij natuurlijk ook VRIJHEIDSOORLOGEN zoals in de NEDERLANDEN. Het LEGER is dan al een dienaar van en in de staat geworden maar nog steeds is het practisch en symbolisch de BINDENDE en BESCHERMENDE FACTOR. Hooggeplaatste personen in de maatschappij bekleedden vroeger dan ook hoge rangen in het leger. In DUITSLAND en OOSTENRIJK is dit nog lang het geval geweest en het geldt tegenwoordig nog voor leden van vorstenhuizen. Het is een traditie die uit de tijd stamt dat de staatsidee en het leger in n persoon verenigd waren. Toen gold het TOTAAL dat uit ONPERSOONLIJKE EENHEDEN bestond, en het spreekt vanzelf dat het allemaal een GEZAGS- KWESTIE was.
Deze situatie is in de MODERNE LANDEN eigenlijk voorbij, maar toch mogen wij het aantal mensen dat nog volop in deze formule denkt niet onderschatten. Het gaat om het TOTAAL, maar dat moet UNIFORM zijn, de afwijkingen van dat uniforme worden in wezen niet geduld. Zouden wij al wel wrkelijk zover zijn dat wij juist de VARIATIES als het enige BESTAANDE zagen, dan zouden wij al geen LEGER meer hebben en de stroom van kwalijke reacties op afwijkende mensen zou al lang opgehouden zijn. Maar bovendien zou de GEZAGSFACTOR uit de top van de democratie verdwenen zijn.

De neiging tot het UNIFORME TOTAAL betekent natuurlijk een volledige UITSLUITING van alles wat buiten het uniforme valt. En deze neiging komt in hoofdzaak voor bij mensen die HET GEZAG dienen; de mensen dus die een AUTORITEIT boven zich stellen. Bij gevolg zijn het meestal GODSDIENSTIGE mensen. Het is bekend dat juist deze godsdienstige mensen qua UITSLUITING het meest radicaal zijn; zij roepen bijvoorbeeld nog steeds om wederinvoering van de DOODSTRAF en dit is toch wel het voorbeeld van uitsluiting bij uitstek. Want hierbij wordt niet alleen een mens MAATSCHAPPELIJK uitgesloten (wat op zichzlf redelijk kan zijn), maar ook qua SAMENLEVING, dus qua LEVEN. En het is ook de BEDOELING van het leven uit te sluiten. Deze bedoeling is volledig PRIMITIEF; zelfs de hedendaagse RECHTERS en rechtsgeleerden zijn het er over eens dat het uitsluiten uit de SAMENLEVING op geen enkele grond te rechtvaardigen is. Dit blijkt o.a. uit het feit dat zij oplossingen zoeken om de mensen niet meer in de CEL te moeten stoppen, omdat dit ook een uitsluiten uit de SAMENLEVING is. Die oplossing is er nog niet en dus gaat de cel noodgedwongen door, maar in het moderne STRAFRECHT wil men een misdadiger alleen maar MAATSCHAPPELIJK uitsluiten. De BEDOELING is dus zeker REDELIJK, maar bij iemand die de DOODSTRAF eist is de bedoeling MISDADIG! Iemand echter die het UNIFORME TOTAAL aanhangt kn niet anders dan de doodstraf eisen omdat HET ANDERE niet bestaan mg. Als MILITAIRISME geldt deze gesteldheid ook volop - de doodstraf is dan ook een normaal verschijnsel in het leger. Hierbij doet het er niets toe HOE VAAK een dergelijk vonnis geveld wordt.

Wij staan nog zo aan het BEGIN van de MODERNE TIJD dat eigenlijk alles nog volledig doortrokken is van het oude. Het doet zich al wel modern vr, maar het is het wezenlijk nog niet. Dit verklaart dan ook waarom zovele mensen niet mee kunnen en vaak tot AGRESSIE overgaan ten opzichte van verschijnselen die juist TEGEN het oude gericht zijn. Vrijwel alle hedendaagse ONLUSTEN zijn hieruit te verklaren; de agressie zou er niet zijn als het OUDE werkelijk verdwenen was. Maar dit gaat niet z vlug en het gaat zeker niet zonder GEWELD omdat het UNIFORME TOTAAL zich niet VAN BINNEN UIT tot iets nders ontwikkelt. Het ontwikkelt zich namelijk tot helemaal niets en het kent noodzakelijk maar n parool: HET GEWELD. Discipline en ZICHZELF n DE ANDER geweld aandoen zijn n.

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 8. _1970 (geplaatst op 30 november 2008)

Dinsdag, 6 oktober 1970

Naar Bladwijzers: Overtuiging-1 en overtuiging-2 ; Rechtspraak-A-nr.8 ; Rechtspraak-B(Juryrechtspraak)-nr.30 ; Rechtspraak-C-nr.33 ;

De verschillen als functie
Zoals de MODERNE MENS thans is staat hij daar met een veelheid aan gegevens in handen, over de mensen en hun verschillen, en hij kan die gegevens in rubrieken indelen. Dit geeft hem een BEELD van de mens, maar dat is natuurlijk een EENHEIDSBEELD. Hij ziet een mens die een GEMIDDELDE is, en dat gemiddelde is getrokken uit die veelheid aan gegevens. En nu kan het bij de aanvankelijke MODERNE mens niet uitblijven dat hij dat wetenschappelijk verkregen GEMIDDELDE als de EENHEID voor een UNIFORM TOTAAL gaat zien. Want, zoals wij de vorige keer reeds gezegd hebben, het besef van een UNIFORM totaal is nog volop levend.
Zo ontstaat de CONFECTIEMENS, die echter gn MODERN mens is, maar de OUDE mens met de MOGELIJKHEDEN van de moderne. En natuurlijk gaat deze mens proberen zijn RUBRIEKEN als de maat te nemen, en ook gaat hij ze IN KAART brengen om eventueel maatregelen te kunnen nemen als er naar zijn idee teveel van het UNIFORME afgeweken wordt. De op handen zijnde nieuwe VOLKSTELLING waarbij de mensen GENUMMERD worden en al hun opvattingen en inzichten op tafel moeten leggen wijst duidelijk in die richting. Dit is natuurlijk LEVENSGEVAARLIJK!
De chte MODERNE mens REGELT wel lles en hij haalt alle verschillende facetten van de mensen in het daglicht, maar zij zijn voor hem alleen maar van belang voorzover het over FUNCTIES gaat. Hij laat DE ANDER echter met rust en hij is er niet op uit de geregistreerde VERSCHILLEN te beschouwen als AFWIJKINGEN omdat hij beseft niet te kunnen bepalen WAARVAN die afwijkingen dan afwijken. Voor de OUDE mens het duidelijk: hij wijkt af van het UNIFORME.

Bovendien heeft de werkelijke moderne mens, als het over DE ANDER gaat, geen belangstelling voor het NIET-FUNCTIONELE- en daaronder vallen overtuigingen, inzichten en meningen. Van hieruit geeft het niets om de verschillende mensen in kaart te brengen want het gaat om de verschillende MOGELIJKHEDEN en niet om al dan niet staatsgevaarlijke AFWIJKINGEN.
Om dit alles goed in te zien moeten wij ons realiseren dat het begrip VERSCHIL kan betekenen ONDERSCHEID tussen het n en het nder, maar ook dat het n van het nder AFWIJKT. In dit laatste geval wordt het n als de MAAT gesteld, en dat behoort tot een nog steeds gebruikelijk NIET-MODERN denken. Het begrip ONDERSCHEID verwijst ALTIJD naar een FUNCTIE, het is de MEETBARE BEWEEGLIJKHEID van de werkelijkheid. Over het uiteindelijk NIET-MEETBAAR zijn hebben wij reeds het een en ander gezegd. Het begrip AFWIJKEN verwijst altijd naar iets stars, iets dat VASTGESTELD is, een NORM.

Nog iets over misdaad en straf
Wij maakten de vorige keer een opmerking over de DOODSTRAF. Het doden van een mens betekent dat dat wij hem UITSLUITEN uit de SAMENLEVING. Maar de eigenlijke bedoeling van de MODERNE rechtspraak is niet iemand uit de SAMENLEVING uit te sluiten, maar uit de MAATSCHAPPIJ. En dit geldt ook voor de GEVANGENISSTRAF, die ook een uitsluiten uit de SAMENLEVING tvens is. Het zijn juist de moderne rechtsgeleerden die een oplossing voor dit probleem zoeken: hoe iemand te beletten zich als MISDADIGER te laten gelden in de MAATSCHAPPIJ, terwijl het LEVEN tch voor hem kan blijven gelden.
We moeten hier zoeken naar de verhouding tussen MISDADIGHEID en MAATSCHAPPIJ, en dat het om deze verhouding gaat wordt eens te meer duidelijk als wij ons realiseren, dat ook een MOORDENAAR, die zlf een ander mens van het LEVEN beroofd heeft toch slechts MAATSCHAPPELIJK aangepakt kan worden zonder dat wij het recht hebben zijn LEVEN aan te tasten. Dit is iets anders dan het eigen rechter spelen dat verboden is. Als iemand PARTICULIER als RECHTER gaat optreden is hij zlf misdadig, maar als iemand BOTST met een ander en daaruit vloeit DOODSLAG voort is dit GEEN eigen rechter spelen. En in deze BOTSING zit het element WRAAK vercalculeerd en dat is volkomen op zijn plaats omdat een BOTSING altijd, gewild of niet gewild, WEDERKERIG is. De meeste denkers proberen de WRAAK er uit te denken, maar dat gaat niet - wat een mens wl heeft te laten is het nemen van wraak ACHTERAF als het FEIT van de BOTSING al lang voorbij is. En ook de RECHTBANK kan niet vanuit WRAAK een misdaad beoordelen; de rechtbank heeft aan de gehele BOTSING part noch deel en bovendien bekijkt de rechtbank de zaak altijd ACHTERAF. Voor de rechtbank geldt glashard de PROCEDURE en dat is een zaak van REDELIJKHEID. Het is dus een MAATSCHAPPELIJKE kwestie geworden zodra de rechtbank de zaak in handen neemt.

Misdadigheid is een zaak van VERSTOORDE REDELIJKHEID en het is dus ook een
zaak van VERSTOORDE MAATSCHAPPELIJKHEID. De redelijkheid is een INTELLECTUELE factor in de mens en bij een misdadiger moeten wij ook spreken van een verstoord en dus ZIEK INTELLECT.
Zoals een LICHAMELIJKE ziekte voor een mens tijdelijk HET LEVEN verstoort, zo verstoort een ziekte van het INTELLECT mogelijk voor de betreffende mens ook het LEVEN maar in elk geval het MAATSCHAPPELIJKE. Daarom is het TERECHT dat de misdadigheid als MAATSCHAPPELIJK beseft wordt.
Het is dan ook zo, dat iemand met een misdadige aanleg NIET VERVOLGD wordt zolang en voorzover zijn ziekte NIET VOOR DE DAG KOMT. Er MOETEN feiten zijn die zonneklaar aantonen dt de ziekte tot uitbarsting gekomen is. En dit kan alleen maar REDELIJK beoordeeld worden en er moet ook op REDELIJKE WIJZE iets aan gedaan worden, znder dat HET LEVEN onmogelijk gemaakt wordt.

De BOTSING tussen twee mensen, van een eenvoudig meningsverschil tot en met de laatste mogelijkheid de DOODSLAG, is een LEVENSKWESTIE. Het is daarom ook een zaak van HARTSTOCHT en zolang het dt blijft kan er geen beoordeling van gegeven worden. Een buitenstaander kan nooit BEOORDELEN hoe het zit met het botsen van twee mensen en zelfs kan hij het bij ZICHZELF niet beoordelen. Hij kan in alle OBJECTIVITEIT zeggen dat de laatste ONHERROEPELIJKE consequentie naar achterwege moet blijven maar daarmee is het nog steeds geen zaak van REDELIJKHEID geworden.
De MISDADIGHEID is een MAATSCHAPPELIJKE kwestie en daarom een zaak van REDELIJKHEID die via de LOGICA beoordeeld kan en moet worden. Dit in op het ogenblik het grote probleem voor de rechters zij zien momenteel geen andere MOGELIJKHEDEN dan de GEVANGENIS en ds een UITSLUITING uit de SAMENLEVING. Tenslotte moeten de mensen de oplossing van het probleem natuurlijk MEDISCH gaan zoeken, want het gaat toch om een ZIEKTE - een ziekte van de HERSENEN. De medische wetenschap is tegenwoordig al een eind op streek in de techniek, om bepaalde storingen van de hersenen het optreden te beletten, En dat is het enige dat nodig is - voor de rest kan de zieke zijn leven zo goed en zo kwaad als het gaat verder leven

De FILOSOFIE kent het begrip STRAF en niemand heeft er uitvoeriger en diepzinniger over verteld dan DOSTOJEWSKI. Maar over deze ABSTRACTIE hebben wij het niet als wij spreken over het STRAFFENDE KARAKTER van onze rechtspraak. Wij bedoelen eenvoudig het UITSLUITEN UIT HET LEVEN, en dan moeten wij vaststellen dat dit n van de ERGSTE MISDADIGHEDEN van onze moderne wereld is.
En deze misdadigheid wordt nog eens te gruwelijker door zijn ONHERROEPELIJKHEID. De PROCEDURE volgt de IJZIGE WEG VAN DE LOGICA en dat is voor de procedure als zodanig TERECHT, maar voor de STRAF niet. En zo komt de rechtbank langs de weg van de redelijkheid tch tot de meest gruwelijke MISDAAD, en in vele landen zelfs nog tot de meest gruwelijke MOORD, de DOODSTRAF.
Dostojewski heeft gelijk als hij VORST MYSJKIN laat zeggen dat de doodstraf een GERECHTELIJKE MOORD is juist doordat het REDELIJK gebeurt.
In ons moderne rechtsbesef wordt het DUEL niet meer geduld, en dat is eigenlijk omdat het DUEL aan de rechtspraak ontsnapt. Het is namelijk ook een kwestie van HARTSTOCHT - al wordt het gewoonlijk een EREKWESTIE genoemd. Maar bij het DUEL komt wel heel duidelijk tot uiting dat de BOTSING wederzijds is en men heeft dan ook GELIJKE KANSEN. Van ACHTERAF tot een OORDEEL komen is geen sprake en ook de EENZIJDIGHEID van de MOORD, waarbij het de bedoeling is de ander zo weinig mogelijk KANS te geven, is niet aan de orde.
Het MAATSCHAPPELIJKE kan en mag dus niet in de plaats treden van het HARTSTOCHTELIJKE, dat een LEVENSKWESTIE is. En dit geldt altijd, maar over dit onderwerp zullen wij nog komen te spreken.

Naar Bladwijzers: Overtuiging-1 en overtuiging-2 ; Rechtspraak-A-nr.8 ; Rechtspraak-B(Juryrechtspraak)-nr.30 ; Rechtspraak-C-nr.33 ;

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 9. _1970 (geplaatst op 30 november 2008)

Dinsdag, 13 oktober 1970

Iets over het kiesstelsel
Wij hebben gesproken over onze DEMOCRATIE, en wij hebben vastgesteld dat het kenmerkende van een DEMOCRATIE is dat er een lijn VAN BENEDEN NAAR BOVEN loopt. Dit in tegenstelling tot de MILITAIRE gesteldheid waarbij er alleen maar een lijn is die van BOVEN NAAR BENEDEN loopt. Diezelfde lijn hebben wij aangetroffen in de geschiedenis, overal waar er in de mensen het besef opgekomen is dat HET TOTAAL voor de mensheid geldt. En dit TOTAAL is dan om te beginnen een UNIFORM TOTAAL, met als enige logische consequentie dat er een MACHTSSTELSEL ontstaat dat de mensen in dit uniforme DWINGT.
De moderne DEMOCRATIE kent het MEETELLEN van lle facetten van het menselijk bestaan en is daarom dan ook geen UNIFORM totaal; het is een totaal in de zin van ALLES. Als ALLES meetelt kn de lijn niet nders dan van beneden naar boven zijn want ALLES is natuurlijk HET VOLK als groot geheel van verscheidenheden. Wat UIT het volk springt springt uit het ALLES en ONTKENT daarmee het MODERNE. De lijn VAN BENEDEN NAAR BOVEN kent in zichzlf GEEN GEZAGSVERHOUDING; geen DWINGENDE KRACHT dus die het uniforme bestreeft.
Toch merken wij in nze democratie op, dat alles wat zich van beneden naar boven heeft weten te werken laat zich wl als GEZAG gelden en tracht op te gaan treden alsof het om een uniform totaal ging. Hier komt dus de oude verhouding wr om de hoek kijken terwijl er vanuit het moderne zlf geen mogelijkheid tot GEZAG is.

Om een en ander duidelijk te kunnen inzien moeten wij als eerste eens nagaan welke betekenis het woord GEZAG kan hebben. Wij kunnen ons gemakkelijk een man indenken die op een bepaald terrein z BEKWAAM en z BETROUWBAAR is dt men vanzelfsprekend naar hem luistert en in bepaalde gevallen doet wat hij zegt. Wij spreken dan van een man van gezag en dit gezag is gegrond in de PERSOONLIJKHEID van die man; zijn BEKWAAMHEID is n van de facetten van die persoonlijkheid. Wij kunnen zeggen: het gezag gaat van die man zlf uit.
Het gezag heeft nog een tweede betekenis, en dat is eigenlijk de meest gangbare: vanuit de POSITIE die iemand inneemt OEFENT HIJ GEZAG UIT over de andere mensen hij is een GEZAGHEBBER of een GEZAGDRAGER. Dit staat helemaal los van de man zlf; het staat zelfs los van zijn eventuele BEKWAAMHEDEN en vooral (zoals wij zien zullen) van zijn ONBEKWAAMHEDEN. Het GEZAG komt mee aan de POSITIE.
Wij willen in dit verband ook wel spreken van iemands FUNCTIE, maar dat is in zoverre misleidend dat het helemaal om geen FUNCTIE, in de moderne zin, van het woord, gt. Het gaat om een POSITIE en verder om NIETS.
Het begrip POSITIE en het UNIFORME TOTAAL gaan samen, want in de uniforme massa kan men alleen maar opvallen door de PLAATS waar men staat, of, zo U wilt, de RANGORDE. Een vergelijking met het LEGER is in dit opzicht verhelderend. En dit besef, dat het allemaal om een POSITIE gaat is er de oorzaak van dat in onze tegenwoordige DEMOCRATIE tch HET GEZAG geldt zonder dat dit uit de PERSOONLIJKHEID voortkomt.

In een VOLWASSEN democratie draait alles om de PERSOONLIJKHEID van de mensen en daarbij is in de maatschappij de BEKWAAMHEID van belang. Deze bekwaamheid komt geheel VANZELF voor de dag en is voor alle betrokkenen dan ook volkomen VANZELFSPREKEND. Het PERSOONLIJKE GEZAG van een bekwaam man wordt dus door niemand aangetast want het is een FEIT dat door niemand bestreden kan worden. In elk gezelschap van mensen, of het nu een schoolklas is of een groep werkers, blijkt vanzelf wie de beste is en daarbij valt het op dat iedereen zijn best kan doen zoveel hij wil, tch is de beste niet te overtreffen. Het PERSOONLIJKE GEZAG is dus in een volwassen maatschappij het zenuwstelsel van waaruit lke impuls komt. En in deze situatie is er geen DWINGENDE LIJN naar BENEDEN want het zijn de mensen zlf die automatisch OPZIEN - in functionele zin - naar de leidinggevende figuur. De mensen zlf zijn dus de lijn NAAR BOVEN; de maatschappelijke PYRAMIDE stuwt ZICHZELF p naar de top.
In de tegenwoordige democratie gaat het allemaal heel anders: de mensen die naar boven willen laten zich VERKIEZEN en door allerlei GEPRAAT en GEDOE en door velerlei BELOFTEN proberen zij zoveel mogelijk STEMMEN te verkrijgen. Hoe meer stemmen hoe hoger - in het kort gezegd - de POSITIE waarin men geraakt. Of de stemmers de zaak kunnen BEOORDELEN doet niet terzake ls er maar gestemd wordt.

De Amerikaanse presidentsverkiezingen zijn een klasse voorbeeld inzake flat inzake het in niets gegrond zijn van de verkiezing. Het spreekt vanzelf dat de POSITIE waarin de verkozene terechtgekomen is evenzeer in NIETS gegrond is. Dit betekent niet dat iemand eventueel niet een BEKWAAM man zou kunnen zijn - soms gebeurt het wel dat de juiste man op de juiste plaats terecht komt - maar dit betekent dat die POSITIE als zodanig niet in een bekwaamheid geworteld is. Derhalve kan werkelijke bekwaamheid als regel niet uit de voeten. Dit staat in felle tegenstelling tot het BEDRIJFSLEVEN; wij kunnen desnoods eindeloos veel laakbaars inzake het bedrijfsleven aanvoeren, maar NOOIT dat de ziel ervan geen BEKWAAMHEID zou zijn. Voor elk functie moet men wat KUNNEN, en dat staat VOOROP; in de politiek is het hoogstens MEEGENOMEN als men wat kn. De politiek zlf is ook een SPEL om POSITIES, men neemt STANDPUNTEN in en SCHARRELT daarmee naar hartelust.
De POSITIE wordt tegenwoordig langs de KEUZE bereikt. Vroeger deed men dat gewoonlijk met GEWELD, maar daarvoor zijn we te MODERN geworden. De KEUZE SLUIT ALLES UIT wat wezenlijk met de PERSOONLIJKHEID te maken heeft. Want het sluit alle KWALITEITEN uit omdat het alle BEWEEGLIJKHEID ontkend heeft. Bij de keuze STELLEN WIJ VAST, en wij BESLUITEN hoe het zijn moet of wie het zijn moet en daarop HOUDEN WIJ HET. Maar een KWALITEIT is BEWEEGLIJKHEID, zodat al BEWEGENDE, dus voor de mens AL DOENDE, vanzelf BLIJKT dat er bij iemand een bepaald KUNNEN aanwezig is. Een kwaliteit MOET BLIJKEN, al doende. Houden wij het dan op een KEUZE, dan sluiten wij alles WAT BLIJKEN MOET uit; er kan nog zoveel blijken, maar de KEUZE is toch drop gevallen
De KEUZE heeft dus geen enkele REDELIJKE GROND, men komt dus zonder enige redelijke grond op een bepaalde positie en zlf is men in die positie ook iemand zonder redelijke grond. Men kn noodzakelijk niets anders zijn dan een NUL. En zo kennen wij een verzameling NULLEN, die IN de democratie het roer in handen hebben en daarbij komen met een GEZAG dat met de PERSOONLIJKHEID niets te maken heeft en dat lles te maken heeft met de wil tot het UNIFORME TOTAAL en zo is er tch de DWINGELANDIJ, die nu, zoals met lle dwingelandij, zich niet alleen tot de MAATSCHAPPIJ beperkt, maar ook wil inwerken op de SAMENLEVING. Hetgeen zonder meer MISDADIG is. Hierover de volgende keer!
Van de VERZAMELING NULLEN gaat uiteraard NIETS uit - een feit dat DAGELIJKS blijkt. Maar bovendien knnen die NULLEN niets anders dan BELANGEN DEKKEN want de belangen zijn de ENIGE FACTOREN die op de nullen inwerken. Zlf kunnen zij immers met NIETS komen want zij ZIJN in een POSITIE nu eenmaal NIETS. Als zij wel iets waren was er voor hen maar n norm: REDELIJKHEID, en redelijkheid is, hoewel het in zijn toepassing alleen maar MAATSCHAPPELIJK is, een zaak van de mens PERSOONLIJK. Voor een mens PERSOONLIJK geldt dat hij redelijk kan zijn, en ls hij dat is vallen voor hem de BELANGEN weg.

Nu mogen wij niet denken dat het bovengezegde alleen maar een zaak van de hoge heren is. Die hoge heren zijn op hun plaatsen gekomen dank zij de gesteldheid van HET VOLK, welke gesteldheid ook DOOR EN DOOR die van de KEUZE is, en dus door en door die van de NUL. Het begint dus onderaan de pyramide met nullen en de gehele lijn naar boven is en blijft er een van nullen. Reden waarom er VANUIT HET VOLK in de praktijk geen enkele invloed naar boven is uit te oefenen. THEORETISCH is die invloed er wl, maar praktisch niet, en wij kunnen gemakkelijk dagelijks voorbeelden hiervan uit de krant halen. Wat trouwens het meest duidelijke bewijs voor het hier gezegde is, is het feit dat DESKUNDIGEN, die zich niet in een POSITIE gewerkt hebben, bij alle mogelijke kwesties GENEGEERD worden. Zij komen geen stap verder langs de weg der NULLEN. Want het gaat nu eenmaal niet om deskundigheid.
De mensen gaan nog steeds trouw naar de stembussen en vaak rekenen zij het tot de grote VERWORVENHEDEN dat zij mogen stemmen. Maar het is een en al ONBENULLIGHEID; het is een fzien van REDELIJKHEID en BEKWAAMHEID en het is derhalve het fzien van een GOEDE MAATSCHAPPIJ.
Nu is het natuurlijk anderzijds wel zo, dat het in de mens ingeboren is toch naar een GOEDE maatschappij toe te gaan. En dit BESEF breekt bij de mensen door als er een RAMP gebeurt. Er moeten eerst SLACHTOFFERS vallen willen de mensen inzien dat zij hun leven vergooid hebben aan onbenulligheden. Wij zouden dit de TRAGIEK van de mensheid kunnen noemen dat de hoop op de verlossing uit de onbenulligheid onmiddellijk de hoop op een ramp is. Pas als alles NOG ERGER geworden is en zelfs niet neer om uit te houden is gooien de mensen de leegheid overboord en dn eerst roepen zij (tijdelijk) om een man die BEKWAAM is om het onheil te keren

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 10. _1970 (geplaatst op 30 november 2008)

Naar bladwijzers: Moraal-A ; Moraal-B ; Moraal-C ; Moraal-D ; Moraal-E ;

 

Dinsdag, 20 oktober 1970

De dwingelandij
Eigenlijk is
het met de mensheid zo, dat alles VANZELF behoort te gaan, een feit, dat natuurlijk MAATSCHAPPELIJK nogal opvallend is omdat wij op het gebied van het maatschappelijke nog nooit zelfs maar het vermogen hebben gehad de zaak vanzelf te laten gaan. En gewoonlijk kunnen wij ons niet eens indenken hoe het zijn zou - zoveel te minder kans is er dat wij er iets zinnigs aan bedenken.
Het VANZELF GAAN evenwel betekent dat er niets is dat ERUIT SPRINGT terwijl we tch te doen hebben niet een veelheid van verschillende functies waarvan er een aantal BELANGRIJK te noemen zijn. In onze hedendaagse maatschappij echter springt alles wat OMHOOG GAAT eruit, en wel alleen maar op grond van het feit dat dit omhooggaan gebeurt op grond van een KEUZE. Elke KEUZE betekent het UITSLUITEN VAN HET ANDERE zodat dit niet meer mee kan bewegen om al bewegende eventueel tot een beter resultaat te komen. En het gaat niet alleen om een BETER resultaat, maar lk ANDER resultaat is uitgesloten. Want in ons ontwikkelde denken is het allang in onbruik geraakt de FOUTEN in te calculeren; ons beheerst een diep ingewortelde angst om fouten te maken en die angst is veelal de oorzaak van TWIJFEL. En die twijfel maakt ons qua LEVEN slap en futloos zonder de moed om iets te DOEN. Terwijl wij, als wij wl iets doen, onze norm zoeken en menen te vinden in ANDEREN, die ons eventueel veel kunnen leren.
Dus is ook het angstige vermijden van fouten een vorm van UITSLUITEN want datgene dat WIJ als FOUTEN menen aan te merken behoort wezenlijk tot het leven en vormt daarmee evengoed een niet te scheiden geheel als de zogenaamde goede dingen dat doen. Maatschappelijk gezien betekent dit dat er wl de WENS behoort te zijn de zaken GOED te regelen maar dat dit niet, zoals vrijwel altijd het geval is, behoort om te slaan is een ALLEEN MAAR VERMIJDEN VAN FOUTEN. De gedachte dat iets GOED zou zijn als het ZONDER FOUTEN is, is een onhoudbare gedachte! Deze gedachte is voor de maatschappij en voor het gehele leven FUNEST want het is een VERLAMMENDE GEDACHTE. En daarom is zlfs het streven bij sommige politici om hun werkt RECHTVAARDIG te doen k verwerpelijk omdat het ook dn een UITSLUITEN is. Op grond van dit uitsluiten springt lke GEKOZEN figuur er uit en is dus noodzakelijk ONDEMOCRATISCH voorzover en zolang hij zich naar aspect laat gelden. En dit kn nooit iets anders opleveren dan een MACHTS- en GEZAGSSTELSEL: als de mensen het niet zlf voor het zeggen hebben kan alleen IETS ANDERS de dienst uitmaken en dit betekent DWINGELANDIJ.
Wat MAATSCHAPPELIJK voor de mensen behoort te gelden is de BEKWAAMHEID en dit is een zaak van LOGICA en dus ook van REDELIJKHEID. Als het gaat over de SAMENLEVING, dan geldt daar geen bekwaamheid: men kan niet BEKWAAM leven, men kan hoogstens MEER OF MINDER HELDER leven. In het leven geldt ook de LOGICA niet, d.w.z. er IS wel logica in, maar VAN DAARUIT LEEFT MEN NIET. Voorzover echter het leven van de mensen ook MAATSCHAPPIJ betekent, gaat het wl om REDELIJKHEID - en dus om een norm die QUA LEVEN onhoudbaar is. Die norm kn dan ook alleen maar in de MAATSCHAPPIJ gehanteerd worden. Dit betekent dat lke MAATREGEL die om de een of andere reden genomen wordt door de mensen ALLEEN MAAR EEN STRIKT MAATSCHAPPELIJKE MAATREGEL KAN EN MAG ZIJN.
In onze maatschappij echter wordt elke maatregel genomen vanuit een MACHTSPOSITIE en dus vanuit een BELANG en daarmee wordt elke maatregel tot een DWANG die op HET LEVEN van de mensen inwerkt. Een zaak dus die buiten het eigen terrein treedt en zo een AFGEDWONGEN ONMOGELIJKHEID wordt voor de mensen. Deze onmogelijkheid beweegt zich op het terrein van de PERSOONLIJKHEID, d.w.z. ALLES WAT DE MENS VERTOONT moet zich onderwerpen aan die onmogelijkheid. De gehele CONCRETE INHOUD van de mens staat onder dwang en deze dwang beoogt natuurlijk het UNIFORME TOTAAL omdat de MACHT en het BELANG nimmer iets anders knnen beogen. Het uniforme slaat natuurlijk op de mensen CONCREET terwijl het MAATSCHAPPELIJKE als zodanig slechts met hun KUNNEN te maken heeft.
In onze tegenwoordige maatschappij worden maatregelen genomen die onmiddellijk inwerken op HET LEVEN van de mensen. Hij wordt gerekend tot de BEHOORLIJKE mensen die zich deze inwerking laat welgevallen en zich ernaar gedraagt. Een behoorlijk mens tracht zich THUIS dan ook te gedragen volgens de normen die MAATSCHAPPELIJK gelden en in dit streven wordt hij op alle mogelijke manieren door de FABRIKANTEN van OVERBODIGE ARTIKELEN gesteund. En ook de FATSOENSRIDDERS helpen een handje mee om de REDELIJKE NORMEN in de HUISKAMER te brengen.

Maar het maatschappelijke hoort niet in de huiskamer thuis en het mag in de huiskamer in geen geval druk uitoefenen. Als voorbeeld kunnen wij denken aan de HUWELIJKSWET die nog steeds volgens de oude normen gehanteerd wordt. Het al of niet met elkaar om willen gaan en het al of niet vormen van een gezin of wat daarvoor doorgaat is geheel en al een PERSOONLIJKE ZAAK van de twee betrokken mensen; een zaak die buiten de redelijkheid omgaat en dus ook buiten het maatschappelijke ligt. Dit huwelijk is niet ZONDER een maatschappelijk aspect want de kinderen bijvoorbeeld zullen onder een bepaalde naam moeten worden ingeschreven, er zal voor het onderwijs moeten worden gezorgd, enzovoort. Dus het maatschappelijke komt in die verhouding wel vr, maar die verhouding zlf heeft er niets mee te maken. Tot op heden is het echter zo in de wereld, dat men voor het SLUITEN van het huwelijk TOESTEMMING nodig heeft van de maatschappelijke instanties terwijl het ONTBINDEN van het huwelijk eigenlijk VERBODEN is. Een ieder krijgt vanzelfsprekend toestemming tot een huwelijk als de papieren in orde zijn en zelfs de ouders van de partners zijn niet bij machte de zaak blijvend tegen te houden. Maar de ECHTSCHEIDING is een zaak waaraan de RECHTER te pas komt en in het beste geval MAG men scheiden, maar in principe mag men het niet. Om te MOGEN scheiden is allerlei juridisch GESCHARREL nodig dat in geen enkel opzicht met de werkelijkheid overeenkomt: men moet de GROTE LEUGEN voor de rechtbank volhouden. Daarmee geeft men toe niet volgens de regels gehandeld te hebben, d.w.z. men geeft iets MAATSCHAPPELIJKS toe (overspel) zonder dat er in het huwelijk noch in de scheiding n maatschappelijk motief aanwezig kan zijn.

De MAATSCHAPPELIJKE instelling van het HUWELIJK is een DWANGMAATREGEL die door allerlei cultuuropvattingen indertijd genomen is om de maatschappij in een keurslijf te dwingen. En deze gedwongen uniformiteit is maatschappelijk ZINLOOS en qua samenleving is het DWINGELANDIJ. Er komen tegenwoordig steeds meer mensen die zich aan die dwingelandij onttrekken, maar het feit dat er OFFICIEEL nog steeds geen verandering gekomen is bewijst dat we volop te doen hebben met een denken dat op uniformiteit uit is. In het geval van het HUWELIJK is het bovendien duidelijk welke rol de MORAAL en de GODSDIENST in de onvolwassen mensheid spelen want via het maatschappelijke en de machtsmiddelen daarvan wordt een bepaalde levensopvatting doorgedrukt bij de mensen zonder dat er bij de mensen van enige vrije keus sprake kan zijn

Het zou te ver voeren om alle voorbeelden van het bovengezegde te noemen en uit te werken; voor ons is het voldoende als wij om ons heen kijken en inzien dat lle maatschappelijke maatregelen in de praktijk voor verreweg het grootste deel de SAMENLEVING aan banden leggen en de MAATSCHAPPIJ vrijwel onberoerd laten, vooral voorzover het in die maatschappij over de PRODUCTIE en de AFZET van de producten gaat. Want maatregelen die de PRODUCTIE betreffen werken onmiddellijk in op de CONSUMENT op hm wordt in deze wereld lles verhaald zoals blijkt uit de immer voortgaande KOSTENSTIJGINGEN. De CONSUMENT echter is de mens als GRENSGEBIED tussen LEVEN en BESTAAN, tussen SAMENLEVING en MAATSCHAPPIJ. Via de consument wordt het leven aan banden gelegd en mogelijk in de toekomst ook BENVLOED. Door bijvoorbeeld bepaalde MIDDELEN in het voedsel te verwerken. De tegenwoordige pogingen om ons drinkwater van FLUOR te voorzien spreken in dit opzicht een duidelijke taal: het gaat er niet om of deze maatregel eventueel heilzaam voor de mensen is, maar het gaat erom dat er via de mens als consument aan het leven van de mensen geprutst wordt, en dat dan nog buiten zijn wil om. Wat dit laatste betreft is het trouwens nog de vraag of het JURIDISCH te dekken is dat men een mens BUITEN ZIJN WIL OM middelen toedient die lichamelijk op hem inwerken. De ONAANTASTBAARHEID van de mens is immers wettelijk gegarandeerd!
Globaal gezien komen wij tot de conclusie dat tegenwoordig de maatschappij het LEVEN overwoekert en in menig opzicht VERSTIKT de maatschappij de samenleving. Wij zitten thans LETTERLIJK midden in het verstikkende: de VERONTREINIGING van MOEDER AARDE, welke volledig aan de maatschappij te danken is die wrkelijk blind is voor de behoeften van het leven. Als thans blijkt dat straks alle leven onmogelijk is geworden, dan ng spreken de grootheden van de industrie slechts over VERMINDEREN van de verstikking. Want wt er ook gebeurt, de FABRIEK MOET DRAAIEN. Dat is het allesoverheersende uitgangspunt, en weer: niet alleen van de grote heren, maar van lle mensen. En dit gaat pas in principe voorbij als wij zzeer de maatschappij als een samenstel van FUNCTIES zijn gaan zien dat wij het leven DAARIN als een functie herkennen

Naar bladwijzers: Moraal-A ; Moraal-B ; Moraal-C ; Moraal-D ; Moraal-E ;

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 11. _1970 (geplaatst op 1 december 2008)

 

Dinsdag, 27 oktober 1970


De vastgelegde enkelvoudigheid
Het begrip PLAATS of POSITIE geldt voor de enkelvoudigheid voorzover die als aan de andere enkelvoudigheden VASTGELEGD te beschouwen is. Wij hebben hier dus te maken met de enkelvoudigheid als STARHEID en dit STARRE handhaaft zich net zo lang als de andere enkelvoudigheden zich ook op dezelfde PLAATS blijven bevinden. POSITIE houdt dus STARHEID en onbeweeglijkheid in.
Voorzover de hele zaak echter BEWEEGLIJK is, en dt is in de grond van de zaak het wezen van de werkelijkheid, kn de POSITIE niet in stand worden gehouden; er geldt slechts een BEWEEGLIJK AANWEZIG ZIJN en het VASTGELEGDE is daarvan de INHOUD en die inhoud is ook steeds WISSELEND zonder ooit zichzelf gelijk te blijven. Deze WISSELENDE INHOUD is het TASTBARE van het verschijnsel, en een ieder weet dat ook dit TASTBARE aan voortdurende VERANDERING onderhevig is. Een van de aspecten hiervan is de VERGANKELIJKHEID - en dat is een aspect waarover het oude europa ruimschoots gedacht en getreurd heeft!
Plaatsen wij het bovengezegde in de mensheid, dan is het duidelijk dat een mens die in POSITIES denkt er bij gebaat is als DE ANDEREN hun BEWEEGLIJKHEID niet laten gelden en zich ook als VASTGELEGD stellen, zodat er een netwerk van VASTE VERHOUDINGEN is. De stabiliteit van MIJN positie is tevens de stabiliteit van die van de anderen, en dit nu is het NETWERK VAN BELANGEN dat tot op de dag van vandaag onze maatschappij kenmerkt. IK ben er eigenlijk niet, want IK ben slechts een KNOOPPUNT VAN BELANGEN, n.l. vaste verhoudingen. Een belangrijk mens is een man die RIJK AAN BELANGEN is, rijk dus aan vaste verhoudingen naar alle kanten. Zon man noemen wij (let op de taal..!) GEWICHTIG en dan denken wij aan de enkelvoudigheden waarvoor ook het begrip GEWICHT gaat gelden voorzover het VASTGELEGDE aan de orde is.
Dit vastgelegde is het karakter van ONZE maatschappij, en dat karakter is er natuurlijk omdat WIJ nog steeds in het vastgelegde denken en voelen. Om dit karakter is MAATSCHAPPELIJK niet hn te gaan; het is ook niet te doorbreken want het is de ZIEL van onze maatschappij; dit nu is het STELSEL dat door niemand PERSOONLIJK in stand gehouden wordt en dat tevens door iedereen gevormd wordt. Elke positie die ingenomen wordt, al is het volkomen te goeder trouw of vanuit de wil om de zaken te verbeteren of te doorbreken, betekent zonder mankeren HET STELSEL, het netwerk van belangen, waarin men f mee kan gaan f onder kan gaan. Een ndere mogelijkheid is er niet, of men moet de positie laten voor wat hij is en NEE zeggen dit is de ACHTERDEUR waardoor door alle eeuwen heen de wijze mensen gevlucht zijn en dat blijft voorlopig zo!
Een andere consequentie van het bovenstaande is het feit dat in wezen een ieder, van welke plannen en idealen ook bezield, niet anders dan BEHOUDEND kn zijn in een positie. Ook al heeft een politicus of een partij ng zo de naam vooruitstrevend te zijn, dan nog is het het behoudende dat hoogtij viert Want de verhoudingen meten VAST zijn; het beweeglijke mag niet doorgaan! Dit blijkt als bij gelegenheid zelfs de meest progressieve toch vindt dat het allemaal DEMOCRATISCH dient te geschieden: geen gekraak van panden, geen ontkenning van de stembus, enzovoort. Tch ORDE EN GEZAG.

De productie en de belangen
Het INNEMEN VAN POSITIES is aan de orde overal waar de maatschappij ZICHZELF vertegenwoordigt. Globaal gesproken bevinden wij ons dus op het terrein van de POLITIEK, maar ook op het terrein van alles wat daarmee samenhangt, zoals de OVERHEID en het gehele AMBTENARENDOM. De mensen die het land besturen of MENEN te besturen, van de geringste AMBTENAAR tot en met de MINISTER. Bij deze mensen zijn het ALLEEN MAAR DE BELANGEN die hun maatschappelijke doen en laten bepalen.
Maar de maatschappij kent nog andere aspecten, en n daarvan is de INDUSTRIE. Dus het apparaat waarlangs de PRODUCTIE plaats vindt. En bij dit apparaat liggen de kaarten iets nders. Denken wij bijvoorbeeld alleen maar aan het feit dat productie zonder ONTWIKKELING, dus zonder VOORUITGANG, niet mogelijk is en bedenken wij ook, dat de ZIEL van de productie de BEKWAAMHEID is. Daargelaten of de ondernemers in lle gevallen deze normen voor ogen staan is het toch een algemeen bekend feit dat productie znder bekwame mensen geen moment stand houdt. Dit nu geeft aan de industrie - OP ZICHZELF GENOMEN - een geheel ander karakter dan aan de AMBTENARIJ, die hierom - terecht - vaak bespot wordt.

Het is dus niet hetzelfde begrip: de OVERHEID is iets geheel anders dan de INDUSTRIE. Industrie komt ook voor in landen die helemaal nog niet democratisch zijn, zoals het onze; een noodzakelijke binding tussen onze democratische beginselen en de industrie is er niet.
Wij hebben er reeds op gewezen dat de mens als CONSUMENT de OVERGANG is tussen diezelfde mens als BESTAAN of MAATSCHAPPIJ en de mens als LEVEN en SAMENLEVING. Als de mens CONSUMENT kn zijn, dan lukt het in principe met zijn leven ook wel, want hij heeft dan LEVENSZEKERHEID. Maar hiervoor is nodig dat er geproduceerd wordt. De productie is de voorwaarde voor het terechtkomen van de GEHELE WERELD. De productie is dan ook WERKELIJK MODERN - OP ZICHZELF GENOMEN.
Dit moderne uit zich ook hierin dat het in de industrie DEMOCRATISCH toe gaat, maar deze gedachte is moeilijker te vatten dan men zo denken zou. Want vooral tegenwoordig wijst iedereen er op dat het hoog tijd wordt dat men in de fabrieken de DEMOCRATISERING doorvoert - men voelt dus een GEBREK aan democratie. Als wij de zaak echter nauwkeurig bekijken dan zien wij in dat het de mensen te doen is om EEN VINGER IN DE PAP; zij willen INSPRAAK. En wel op grond van NIETS, alleen maar op grond van de meeste stemmen gelden. Het gaat dus weer om een HOL KIESSTELSEL, terwijl het tot nu toe zo geweest is dat alleen maar BEKWAAMHEID de maat was in de fabriek - daargelaten het gescharrel dat overal voorkomt. De democratisering van de industrie kan dus lleen maar een TERUGVAL betekenen en dat feit heeft men bijvoorbeeld in RUSLAND al een poos geleden ontdekt. Een keuze-democratie in de industrie is een ramp, want juist dr geldt de keuze allerminst.
Voorzover de industrie NAAR BUITEN TOE opreedt komen natuurlijk wel de POSITIES en de BELANGEN voor de dag; daar gaat de zaak weer geheel en al op in het STELSEL en vanuit dit OPGAAN is er druk op de PRODUCTIE, d.w.z. er mag niet volledig VERANTWOORD gewerkt worden, want dan raakt men de MARKT kwijt. Het BELANG vereist, dat er een TUSSENWEG wordt bewandeld zodat het product niet helemaal GOED is. Toch wordt er, ondanks deze laatste remming, GOED gewerkt in de industrie, want om een MINDER GOED PRODUCT te maken moet men tch goed werken: het product moet immers beantwoorden aan de gestelde eisen, hoe die ook zijn Dus: belangen of geen belangen, de zaak moet FUNCTIONEREN, en dt is nu juist het MODERNE. Een ieder die een andere NORM aan wil leggen inzake de verhouding tussen de mens PERSOONLIJK en de INDUSTRIE, is op een POSITIE uit.
Wij laten nu het probleem van het LOON buiten beschouwing omdat wij daar binnenkort nader op terug willen komen; in ieder geval kunnen we thans al wel zeggen dat het geroep om LOONSVERHOGING voortkomt uit de wil tot POSITIE-VERBETERING en nog lang niet uit een MODERN BESEF. . . .

Het leven en de functie
Zoals wij al eerder hebben opgemerkt is er een levensgroot verschil tussen het begrip FUNCTIE en het begrip POSITIE. Het laatste is een STARRE aangelegenheid terwijl het eerste juist door en door BEWEEGLIJK is. Deze beweeglijke verhoudingen, deze FUNCTIES, worden door de beginnende MODERNE MENS de n na de nder ontdekt en uiteraard tot gelding gebracht. Zodra echter een FUNCTIE voor de dag gekomen is, is het iets MAATSCHAPPELIJKS geworden, want het gaat over datgene waaruit de zaak BESTAAT n de ONDERLINGE (beweeglijke) verhouding.
Derhalve is tenslotte de MODERNE MENS een door en door MAATSCHAPPELIJK mens, die ook HET LEVEN als zodanig is gaan zien. Dat HET LEVEN bven het maatschappelijke uitgaat ziet hij dan niet meer, maar wel KAN ALLES omdat hij zo langzamerhand alles heeft leren kennen als functie. Aan deze maatschappij ONTGLIPT natuurlijk niets meer en nu is de zaak werkelijk SOCIAAL te noemen. De maatschappij heeft het gehele leven van de mensen in zich opgenomen en de mensen vinden het volkomen normaal als alle problemen door maatschappelijke deskundigen aangepakt worden; k levens- en gezinsproblemen.
Toch is de situatie bij de MODERNE MENS anders dan die wij beschreven toen wij over de maatschappelijke DWINGELANDIJ spraken. In dit laatste geval ging het over een mens ONDER DRUK vanuit GEZAG en MACHT. Maar bij de moderne mens is niet van onderdrukking meer te spreken, hij is zlf in de maatschappij, ZIJN maatschappij, OPGEGAAN - VANZELFSPREKEND. En dat terwijl hij geheel ZICHZELF is gebleven, voorzover hij allerlei VERTOONT.
Nu is het moment gekomen dat de mens er aan toe is om VOLWASSEN te worden; hij heeft alles uit zijn VASTHEID gehaald en als beweeglijk gesteld en daarmee heeft hij de gehele INHOUD van de werkelijkheid op tafel gelegd. Slechts de ontdekking dt het alles INHOUD is van IETS ANDERS rest hem nog

Naar Bladwijzers: Bekwaamheid: A1, Bekwaamheid: B2, nrs.7, 8, 9, 10 en 11, C3: nrs 24, 25, 30 en 39

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 12. _1970 (geplaatst op 1 december 2008)

Dinsdag, 3 november 1970


Naar aanleiding van enkele vragen
Uit het vorige stencil blijkt dat er voor de mensen geen mogelijkheid is de gang van zaken in de mensheid en haar ontwikkeling te doorbreken; wij wezen er inzake HET STELSEL op en wij hebben er de nadruk op gelegd toen wij ons met de GESCHIEDENIS bezig hielden. Maar terecht wordt opgemerkt dat het met de mensen dan eigenlijk gesteld is als met de TRAM, die k niet van zijn baan kn afwijken en ook wordt er gedacht aan de leer van CALVIJN, waarin het begrip PREDESTINATIE voorkomt. Zo is er dus geen lichtpuntje in het menselijk bestaan.
En ook kunnen wij ons afvragen of de mensheid op ndere planeten er nt zo hoopvol voorstaat, en ook niet in staat is bepaalde ontwikkelingen een HALT toe te roepen. Als daar tenminste ook van die ellendige dingen gebeuren zoals wij die hier al zoveel eeuwen om ons heen zien.
De vraag is dus eigenlijk: kan de mensheid eigen (ogenschijnlijk NEGATIEVE) ontwikkeling ter hand nemen en in goede banen leiden?
In deze vraag zit een TEGENSPRAAK, want het eventueel ter hand nemen van de eigen ontwikkeling IS OOK DIE ONTWIKKELING. Eigen initiatief LIJKT dus alleen maar eigen initiatief te zijn, zoals het ook LIJKT alsof ALEXANDER DE GROTE de oude wereld opengebroken heeft - het is echter IN HEM NAAR VOREN GEKOMEN! Hij nam niets ter hand maar hij was een LOGISCHE FASE in de ontwikkeling. Wij moeten dan ook wl bedenken dat de ONTWIKKELING, de VERHELDERING, geheel BUITEN ons ZELFBEWUSTZIJN mgaat; het zelfbewustzijn, en dus ook het BEWUST HANDELEN, is een GEVOLG van iets nders, namelijk de VERHELDERING. En nu is het juist dt proces dat onverstoorbaar zijn eigen gang gaat. Als de mens zlf zijn eigen ontwikkeling uit kon denken, dan kon hij de zaak ook nders laten verlopen. Ook zou het dan zo zijn dat op andere planeten weer een andere weg bewandeld zou worden, wellicht zelfs met een veel beter resultaat! Maar zo is het nu eenmaal niet; en wij moeten zien uit te vinden wat desondanks tch de MOGELIJKHEDEN van de mensen zijn - en die mogelijkheden moeten IN de verheldering te plaatsen zijn, anders zijn het geen werkelijke mogelijkheden.
Wat betreft de andere planeten nog dit: ls de mens, zoals wij die berekend hebben, werkelijk de LAATSTE MOGELIJKHEID van de werkelijkheid is, dan KAN hij lders IN DIEZELFDE WERKELIJKHEID geen andere grootheid zijn Natuurlijk vertonen de verschillende mensheden wl de (kleine) verschillen, die nu eenmaal aan het begrip VARIATIE meekomen, maar mr is niet denkbaar. En die kleine verschillen zijn natuurlijk oorzaak van talloze FEITELIJKE verschillen in de gang van zaken - stellig hier en daar zelfs zo dat een bepaald NOODZAKELIJK probleem sneller opgelost wordt en niet zo dicht de grens van het rampzalige benadert als hier vaak het geval is. Maar het is daar wl zo - net als hier - dat toch telkens de ONMOGELIJKHEID van iets moet BLIJKEN. Dat is namelijk een wezenlijk aspect van de ontwikkeling der mensen.

Wij hebben gezegd: het STELSEL is niet te doorbreken. Maar dit komt niet doordat de zaak zo STERK in de schoenen staat. Want de VASTGELEGDHEDEN zijn in de grond van de zaak de ONHOUDBAARHEID zlf. Alles wat VASTGELEGD is is ONTHOUDBAAR omdat de werkelijkheid n BEWEEGLIJKHEID is. Van de geest zeggen wij niet dat hij VERGANKELIJK is want de beweeglijkheid ervan sluit het begrip vergangkelijk ten enen male uit, maar juist van het VASTGELEGDE, het VERSCHIJNSEL, zeggen wij het wl omdat de vastheid zich altijd opheffen met. Zo is het stelsel ook de wandelende onmogelijkheid, en dat dringt zich dan ook aan de toeschouwer op als hij de werkelijke hoge vertegenwoordigers ervan ziet! De scherpe tegenstelling tussen de GEWICHTIGHEID en het volkomen ONHOUDBARE en dus ook ONBETEKENENDE ervan prikkelt onze lachspieren: het is KOMISCH. Het sluit aan bij het wezen van de HUMOR, die ook op de TEGENSTELLING berust.
Het STELSEL evenwel is niet te doorbreken, niet omdat het zo STERK zou zijn op zichzelf, maar OMDAT WIJ HET ZELF ZIJN. En omdat wij het zelf zijn is er ook niet aan te ontkomen - voor NIEMAND. Zelfs het onbewoonde eiland biedt hier geen uitkomst, maar er zijn wl een drietal mogelijkheden voor de mens PERSOONLIJK om ten opzichte van ZICHZELF te staan inzake het stelsel. Men kan op volle kracht MEEDOEN, men kan er ONVERSCHILLIG voor zijn, n men kan NEE zeggen. Maar deze laatste mogelijkheid is niet als een ONTKOMEN bedoeld, want dat gt niet. Het is als het ware een KIJK OP ZICHZELF en een dergelijke KIJK is voor ons allemaal PERSOONLIJK het LICHTPUNTJE in de duisternis van de zich ontwikkelende mens!

Die drie mogelijkheden zijn PERSOONLIJKE mogelijkheden, d.w.z. zij gelden niet in OBJECTIEVE ZIN, maar in SUBJECTIEVE zin. Het betreft JOUW en MIJN leven, en daarbij is het eigenlijk nog zo, dat het alleen maar MIJN leven betreft. Al vaker hebben wij er op gewezen dat HET LEVEN niet bestaat, wat bestaat is slechts MIJN EIGEN LEVEN en daarbij weet ik en ervaar ik dat er ook de levens van al die ANDERE MENSEN zijn, maar daaraan heb ik geen deel - ik heb er alleen maar CONTACT mee. En juist omdat het gaat over MIJN LEVEN, waar een nder niet binnen kan stappen en waar ik niet uit kan stappen, juist daarom is het mogelijk dat ik voor MEZELF een standpunt inneem ten opzichte van het STELSEL. Zeg ik nu NEEN op het stelsel, dan ben ik er VOOR MEZELF vrij van, hoewel ik er middenin sta en er niet aan kan ontkomen. Er aan ontkomen betekent niet meer knnen bestaan, en dat betekent weer dat er ook geen mogelijkheid meer is om er VRIJ van te zijn.
De meeste mensen DOEN MEE met het stelsel; zij leven op grond van het stelsel en zij breiden het met hun activiteiten uit. Zij zoeken vooruit te komen in de wereld en zij hebben niets in zich dat tot een AFWIJZEN kan komen. En er zijn er wat minder, die ONVERSCHILLIG zijn. Zij hebben er nauwelijks deel aan, maar eigenlijk zouden zij er niet onverschillig voor geweest zijn als hun AANLEG om mee te komen maar wat groter was geweest. Toch beseffen we vaak aan deze mensen een zekere RUIMTE en GEMOEDELIJKHEID - gesteldheden die de mens onmiddellijk vertoont als HIJ NEE zegt op het VASTGELEGDE.
Meestal denken wij dat het NEE zeggen een AFZWEREN van de wereld, van de dingen of van het natuurlijke en lichamelijk betekent, maar dat is een oude ROOMSE gedachte die in de roomse PRAKTIJK al voldoende zijn ONZINNIGHEID bewezen heeft. Immers, HET VERSCHIJNSEL, is niet te ontkennen, want HET IS ER, maar de GESTELDHEID van het verschijnsel, die is VOOR DE MENS f te wijzen als hij het vermogen heeft ZICHZELF te zijn. Toch ligt het in de logica dat het gewoonlijk maar enkele mensen zijn in wie het NEE voor de dag komt; doorgaans betekent het NEE bij de mensen een JA op wat anders, dat k VASTGELEGD is.

Nu we gezien hebben dat er voor de mens PERSOONLIJK de mogelijk is om op het stelsel NEE te zeggen kunnen we ons ook gaan afvragen of die mogelijkheid soms toch van invloed is op de gang van zaken. En dan blijkt dit ACHTERAF wel degelijk het geval te zijn. Want de mensen die werkelijk NEE gezegd hebben zijn door hun VOORBEELD verhelderend geweest voor een aantal andere mensen. Maar het was ze er niet om te doen een VOORBEELD te zijn en het ze er ook niet om te doen het NEE door te zetten - zij hebben daartoe geen POLITIEKE PARTIJ opgericht of een vereniging van MEDESTANDERS. Het NEE zeggen hangt er nauw mee samen dat het iemand NERGENS OM TE DOEN IS, en in zon situatie is een MEDESTANDER al helemaal niet denkbaar. Geen sprake dus van het vormen van een MACHT die tegenover het STELSEL komt te staan, evenzo geen sprake van ACTIES of DEMONSTRATIES of PROTESTVERGADERINGEN zoals die tegenwoordig gebruikelijk zijn. Maar natuurlijk ook geen sprake van onderdanige gehoorzaamheid. Dit zijn allemaal zaken die bij de mens als STELSEL behoren. Diegene die NEE zegt doet wat hij te doen heeft in de wereld, maar HIJ DOET NIET MEE; vanuit zichzelf kn hij zich niet vastleggen en dus concentreren er zich geen BELANGEN om hem heen: een mens die qua BELANGEN nmogelijk is, is de ONTKENNING van het STELSEL.
In hoeverre een dergelijke mens van invloed is op de gang van zaken is niet na te gaan omdat er zich nooit iets CONCREETS formeert naar aanleiding van het NEE zeggen. De zaak draait om het handhaven van de BEWEEGLIJKHEID, en als we onder beweeglijkheid ook het LICHT verstaan kunnen we rustig zeggen dat het een zoeken naar het licht is - zonder met ZOEKEN iets gefrustreerds te bedoelen.
De grote meerderheid van de mensen zoekt het licht niet, zij zoeken VASTIGHEID en daardoor zoeken zij HET DONKERE. Aan hen kent de werkelijkheid geen UITZICHT, er is aan hen gn LICHTPUNTJE te beleven want zij BELEMMEREN het uitzicht. Qua ONTWIKKELING zijn die mensen de CONCRETE UITINGEN, maar qua WERKELIJKHEID zijn zij eigenlijk van geen BETEKENIS.
Tussen al deze duisternissen gaat het licht door, maar de weg die het volgt is niet uit te stippelen - niemand weet waar het blijft. Niemand weet hoe het ONGEWILDE LICHTE VOORBEELD van n mens doorwerkt in andere mensen en zo weet ook niemand hoe tenslotte de VASTIGHEDEN nog benvloed worden door dat LICHT.
Het is iemand die werkelijk NEE zegt niet mogelijk iets anders te zeggen, want hij herkent niets. Als alles vanzelfsprekend BEWEEGLIJKHEID is voor iemand, dan zijn er geen VASTE VORMEN waar hij TEGENAAN kijkt. Hij kan ze dan ook niet herkennen. De mens van VASTIGHEID probeert zoveel mogelijk te HERKENNEN en naar aanleiding daarvan zegt hij dat je je kansen moet grijpen

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 13. _1970 (geplaatst op 1 december 2008)

Dinsdag, 10 november 1970

Nog enige opmerkingen
Wij hebben de vorige keer gezegd dat het de mens PERSOONLIJK mogelijk is om NEE te zeggen. Als wij het bedoelde begrip benoemd hebben met nee zeggen, dan is dit toch niet zonder gevaar omdat men er mogelijk uit begrijpt dat er iets nders is waarop JA gezegd wordt. En dat andere kan dan wel de ONTKENNING van het door ons genoemde STELSEL zijn terwijl het in feite tch tot de VASTGELEGDHEDEN behoort. Men kan JA zeggen op een zeker IDEAAL, een ANARCHISTISCH ideaal desnoods, maar dan toch heeft men geen NEE gezegd zoals wij het bedoelen. Want dat ideaal is, al bestaat het dan niet in de praktijk, k een vastgelegde zaak, zlfs als het de bedoeling is de mensen zichzelf te laten regeren.
De NEE-ZEGGER doet wat hij te doen heeft in de wereld, wel wetende dat ook zijn gedoe inzake het stelsel geen wezenlijk nder gedoe is omdat er geen ontkomen aan is. Maar er is anderzijds toch allerlei in zijn gedoe dat anders naar voren komt dan bij de meeste mensen het geval is, en dat komt door het feit dat hij NIET-MEEDOET. Hij weet eigenlijk niet waarover het gaat in de wereld en hij kan aan het gescharrel geen touw vastknopen. Hij wil natuurlijk wl zijn brood verdienen in de wereld, maar hij weet niet hoe hij ZICHZELF MOET VERKOPEN om meer te krijgen dan hem eigenlijk toekomt. Hij ziet geen kans OVERWINST te maken omdat het niet in hem opkomt dat te doen; hij weet niet hoe hij zijn rechten moet verdedigen omdat hij eigenlijk niet inziet waar die precies zitten. En zo zijn er meer voorbeelden te noemen van dingen die de NEE-ZEGGER achterwege laat, of die hij juist wl doet en stelt. Maar concreet is er eigenlijk niets van te zeggen omdat het over een GESTELDHEID, en dus bij de mens, over een SFEER gaat.

In het EVANGELIE komen wij de NEE-ZEGGER tegen en dat zou ook niet anders kunnen bij een zaak die in de OVERGANG van de twee HOOFDMOMENTEN van de cultuur geworteld was. Het eerste hoofdmoment was voorbij en het tweede hoofdmoment moest nog komen; in de OVERGANG golden zij beide niet om tevens toch ook weer wl te gelden, namelijk als VOORBIJ en als KOMEND. In die overgang zegt de mens, d.w.z. de CULTUURMENS, wrkelijk NEE, maar dat is maar een ogenblik, want onmiddellijk zet zich het KOMENDE als een realiteit in en daarmee is de overgebleven evangelische GEDACHTE tot een STELSEL geworden: de CHRISTELIJKE KERK met later als onbetwist machtscentrum ROME. Dit stelsel is gebaseerd op de evangelische gedachte zonder er verder ook maar iets mee te maken te hebben.
Het evangelische NEE-ZEGGEN verwerd tot een nee-zeggen op het VERSCHIJNSEL zlf en dat resulteerde natuurlijk in het streven het verschijnsel uit te schakelen; het resulteerde ook in de gedachte van het HIERNAMAALS, dat voor de mens zou gaan gelden als hij eindelijk van dat verschijnsel VERLOST was. En wie tijdens zijn leven niet had gepoogd van het verschijnsel f te komen moest daarvoor branden in de hel! En het Geef de koning wat des konings is werd tot DIEN HET GEZAG en . . . wat Uw hand vindt om te doen werd tot GRIJP UW KANSEN.
De NEE-ZEGGER, zoals die in het evangelie GETEKEND is, vertegenwoordigt wel het begrip wat wij thans bedoelen, maar toch ook weer niet helemaal omdat hij de werkelijkheid als SAMENSTEL, en dus ook de werkelijkheid als MAATSCHAPPIJ en WETENSCHAP nog als TOEKOMST vr zich heeft. Die zaak moet als WESTERSE CULTUUR nog beginnen en hij is slechts als VISIE in het evangelie aanwezig. Dit maakt het NEE-ZEGGEN tot iets CULTUREELS - maar voor ns is dat niet het geval; voor ns is het iets praktisch dat in elk willekeurig mens voor de dag kan komen. Daarvoor behoeft hij niet, zoals de evangelische mens, tot een GEHEIM GENOOTSCHAP te behoren waarin alleen bepaalde mensen opgenomen werden. Want voor ns IS het vastgelegde er en dus is ook, zomaar vanzlf, het NEE-ZEGGEN er.

In een NORMALE maatschappij is de NEE-ZEGGER eigenlijk een onopvallende figuur; hij doet niet mee en daardoor zoekt hij geen POSITIE en geen WAARDERING en geen ONDERSCHEIDING. Maar anderzijds ligt hij er ook niet tegenin, zodat hij daardoor ook niet opvalt - de mensen die tgen de maatschappij ingaan behoren op hn wijze net zo goed tot de maatschappij als diegenen die meedoen. Maar vaak hebben zij toch dit voor dat ze de maatschappij BETER willen hebben, hetgeen op zichzelf veel menselijker is dan het zoeken naar posities zoals diegene die meedoet pleegt te doen.

Maar als de maatschappij weer eens in WAANZIN uitgelopen is, zoals bijvoorbeeld in geval van OORLOG, dn is de NEE-ZEGGER een man van de daad, die van alle mensen het beste raad weet met de onmogelijkheden die dan optreden. Hij blijkt dan de werkelijke ILLEGAAL te zijn die aan de waanzin van BEIDE kampen weet te ontkomen. In zon situatie blijkt duidelijk dat hij niet van zins is MEE TE DOEN met wie dan ook en soms speelt hij de dwazen tegen elkaar uit.
WEINREB vertelt in zijn drie boeken: Collaboratie en verzet uitvoerig hoe hij dat ILLEGALE in de afgelopen wereldoorlog heeft laten gelden en uit dat verhaal blijkt duidelijk dat hij er helemaal niet toe in staat was iets maatschappelijke au srieux te nemen zodat hij er ook geen moeite mee had beide partijen om de tuin te leiden. Ook blijkt uit zijn verhaal dat er geen enkele mogelijkheid is om een MEDESTANDER te hebben; vanuit de PSYCHE van de nee-zegger kan dat niet, maar in de praktijk blijkt dit ook onmogelijk te zijn. Daarom wijzen wij er nogmaals met klem op dat het nee-zeggen een zaak is van de mens PERSOONLIJK.

Wij hebben gesproken over het feit dat er in het vastgelegde, en dus ook in de maatschappij geen UITZICHT zit. Dit blijkt al als wij ons verdiepen in de gang van zaken in onze huidige maatschappij : er is bijvoorbeeld een nimmer aflatend geschreeuw om hoger loon terwijl het anderzijds aan een ieder bekend is dat de kosten van het levensonderhoud daardoor nog meer stijgen. Ook weet men dat elke loonstijging een ng grotere stijging van de hoge inkomens betekent, zodat de verdeling van de welvaart nog onredelijker wordt. Maar toch gaat het alsmaar door, zonder uitzicht. In Zuid-Amerika gaan de mensen gebukt onder een weergaloze uitbuiterij en daarvan weet de gehele wereld - toch gaat het gewoon door alsof er geen rechten van de mens waren uitgedacht.
In sommige gevallen is er uiteraad wel van verbetering te spreken, maar dat neemt de UITZICHTLOOSHEID niet weg. Ongeacht welke verbetering ook blijft deze factor aan de maatschappij meekomen zolang die onvolwassen is en als die maatschappij eenmaal vlwassen geworden is dan is er van uitzicht of geen-uitzicht niet meer te spreken.
Wij doen ons levenlang ons werk en eigenlijk gebeurt er helemaal niets; wij gaan wat dat betreft nt zo als wij gekomen zijn en wij kunnen niet zeggen dat het uitzichtsloos was, evenmin als wij kunnen zeggen dat er enig uitzicht was. De mensen spreken wl van VOORUITZICHTEN, maar dan gaat het om de te behalen POSITIES; dat is niet meer dan een vast DOEL dat men zich voor ogen stelt. Maar een UITZICHT is wat anders. Dat kan alleen bestaan als men niet het VASTGELEGDE van de verhoudingen zoekt.

Wij spraken over het EVANGELIE in verband met het nee-zeggen en wij wezen er op dat het evangelie de OVERGANG is tussen de twee culturele HOOFDMOMENTEN. Nu is er eigenlijk in de mensheid drie maal een dergelijke situatie aan te wijzen:
de eerste maal als de mens nog niet tot ZELFBEWUSTZIJN gekomen is op de planeet en zodoende met nog geen enkele vastigheid kwam. Het EEN was er nog niet voor de mens en het ANDER was er nog niet. En van hieruit kon hij geen nee ZEGGEN, maar was hij zlf NEE. Er was dan ook nog geen maatschappij.
Het tweede moment hebben wij beschreven als het EVANGELISCHE MOMENT waarin het EEN achter de rug was en het ANDER nog komen moest. Het NEE van de mens uit dt moment betrof de wereld en was van culturele en geheime aard, terwijl het derde moment dat van de VOLWASSEN mens is die n het EEN n het ANDER achter de rug heeft en zo vanzelf ook de VASTE verhouding kwijt is. Deze mens is niet zlf NEE, maar hij IS zowel het EEN als het ANDER, terwijl hij GELDT als NOCH HET EEN NOCH HET ANDER.
Toen de mens nog zlf NEE was, was dat een GEDACHTENLOOS NEE, zoals een baby gedachtenloos niet meedoet met de dingen om hem heen. Deze situatie is natuurlijk GAAF, maar meer dan dat is het niet.
In het evangelische moment is het nee-zeggen niet meer gedachtenloos, maar het is een BEELD, een beeld van de wereld dat GEZIEN werd. Wij kunnen het INTUTIE noemen omdat dat een DENKEN ZONDER DOORDACHTHEID is. Dit levert een gedachte op die volkomen juist kan zijn, maar die door geen enkel DOORDENKEN gesteund wordt.
Eerst met de VOLWASSEN mens vertoont de zaak een DOORDACHT NEE en dit kan in alle opzichten uit de voeten. Pas nu komt er dan ook een LEVENSPRAKTIJK voor de dag, die KAN! Maar dit betekent niet dat iedereen zlf de zaak doordacht heeft het betekent dat IN DE MENSHEID de zaak doordacht IS en dan geldt het voor lke mens, ook al kunnen de meesten er geen zinnig woord over zeggen.

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 14_1970 (geplaatst op 4 december 2008)

Naar bladwijzers: Moraal-A ; Moraal-B ; Moraal-C ; Moraal-D ; Moraal-E ;

 

Dinsdag, 17 november 1970

Het functionele
Wij moeten goed opletten dat wij geen verkeerde gedachte krijgen over datgene dat wij het FUNCTIONEREN geroemd hebben. Wij zouden bijvoorbeeld kunnen denken dat een zaak die DRAAIT ook vanzelf FUNCTIONEEL is, neer die gedachte is fout; het mgekeerde is wl weer, namelijk dat datgene dat functioneel is k DRAAIT.
Als voorbeeld: wij hebben hier in het westen een tijd gehad dat iedereen betrekkelijk TEVREDEN wee. De maatschappij DRAAIDE en de mensen deden daarin wat zij te doen hadden; er was handel en industrie en de organisatie van de maatschappij klopte. De tevredenheid van de mensen doet vermoeden dat de zaak functioneerde neer niets is minder waar. We hebben hier te doen met een maatschappij die bst werkte, maar die NIET functioneerde.
In de GRIEKSE geschiedenis was er de eeuw van Pericles en in die tijd werkte de maatschappij; PERICLES vaardigde tal van goede wetten uit en in zekere zin organiseerde hij het Griekse leven,- o.a. in zijn HUWELIJKSWETTEN. Toch is er ook hier niet van FUNCTIONEREN te spreken en wel om deze reden dat het functioneren vronderstelt, dat ALLE ASPECTEN tot hun recht komen, en dat was noch in de Eeuw van Pericles, noch in nze eeuw van tevredenheid het geval. In de tijd van Pericles waren er bijvoorbeeld wel SLAVEN, en de HUISVROUW was eigenlijk NIETS: zij gold niet als de GELIEFDE van de man en ook deelde zij net hem de GEZELLIGHEID niet. Zij diende slechts tot voedingsbodem voor zijn gezin: bij haar verwekte hij zijn (officile) kinderen. Hier zien wij dus al twee aspecten die niet tot hun recht komen en zelfs geheel VERKEERD gesteld zijn. En de eeuw van tevredenheid in onze gewesten was al niet veel beter: de vrouw had het zo mogelijk nog benauwder en vrder was KINDERARBEID gewoon en wij KOLONISEERDEN de wereld met een niets ontziende begerigheid.
Een ander voorbeeld: de PSYCHOLOOG heeft een schat aan gegevens, en de verhoudingen daartussen, tot zijn beschikking en al dia gegevens betreffen factoren van de mens en het menselijke. Is nu de psycholoog in staat om al die gegevens FUNCTIONEREND smen te denken tot een mens, dn is hij een goede psycholoog; meer als het hij hem slechts tot een desnoods prima WERKEND STELSEL komt, dan is hij gn goede psycholoog. Hij is dan slechts te gebruiken voor allerlei TESTS en allerlei ANALYSES. Voor de meeste hedendaagse psychologen geldt helaas het laatste en dat verklaart hun vele vergissingen. De zaak, n het denken van de psychologen in kwestie, functioneert niet. Bij die goede psycholoog functioneert het wl maar het is best mogelijk dat zijn hele denken in de praktijk NIET WERKT - omdat de man nergens HOUVAST heeft!

Om er nu achter te komen hoe het eigenlijk zit met het FUNCTIONEREN gaan wij eerst eens terug naar de ENKELVOUDIGHEDEN. En wij weten dan van hun BEWEEGLIJKHEID dat hierin om te beginnen twee factoren zitten: enerzijds is er het feit dat de beweeglijkheid VRIJ, ABSOLUUT en ONGEREMD is, en anderzijds is er het feit dat de enkelvoudigheden - als het over HET VERSCHIJNSEL gaat - aan elkaar VASTGELEGD zijn. Deze twee factoren komen OP ZICHZELF niet voor de dag; zij vertonen zich alleen in hun werking OVER EN WEER op elkaar. Het resultaat, de RESULTANTE, van deze werking is datgene dat ER IS. Het is de werkelijkheid zlf.
De werkelijkheid zlf is dus een MIN OF MEER beweeglijk-zijn. En dit is het FUNCTIONEREN, welk begrip voor de gehele werkelijkheid geldt. Alles is ontstaan en geworden precies zoals het worden mest en er is in de gehele werkelijkheid geen verschijnsel te denken dat MISLUKT is. En ook het in elkaar grijpen van de ogenschijnlijk APARTE verschijnselen vertoont nergens een mislukking. In de ongerepte natuur is dit in elkaar grijpen van lle verschijnselen, levend of niet levend, gemakkelijk vast te stellen en het is de laatste tijd al wel heel duidelijk gebleken dat het geringste ingrijpen van de mens tot vaak onherstelbare beschadigingen leidt. Dit alles omdat de werkelijkheid VAN ZICHZELF uit volkomen FUNCTIONEERT. En dat functioneren is nu juist dat MIN OF MEER BEWEEGLIJK ZIJN, die RESULTANTE VAN WERKINGEN. In die resultante zit dus vercalculeerd de STILSTAND ( = het een elkaar vastgelegd zijn van de enkelvoudigheden) en er zit in de ABSOLUTE BEWEEGLIJKHEID (= de vrije, ongehinderde beweeglijkheid van de enkelvoudigheid VOOR ZICH), en de verhouding TUSSEN deze twee factoren is NIET TE BEPALEN omdat n van de twee factoren niet te bepalen is vanwege zijn ABSOLUTE beweeglijkheid. De bestaande werkelijkheid is dus NIET TE METEN MEETBAARHEID.

En dat betekent enerzijds dat wij alles kunnen ISOLEREN om het op zichzelf te bekijken en het zo te leren kennen terwijl het anderzijds betekent dat er niets is in de werkelijkheid dat LOS VAN HET ANDERE gezien kan worden.
Ook betekent het dat wij niets kunnen MAKEN, en dat geldt niet alleen voor het ORGANISCHE, het geldt ook voor het ANORGANISCHE. In deze moderne tijd lijkt het er op dat wij vooral wat betreft het anorganische al tot heel wat in staat zijn, maar wij mogen ons hierin toch niet vergissen, want al deze MAAKSELS blijken zich niet in de bestaande werkelijkheid te laten inpassen met als gevolg dat na een poosje blijkt dat wij bezig zijn onszlf uit te roeien. Hierop komen wij nog terug

De MENSHEID op de planeet bestaat o.a. uit zichzelf als MAATSCHAPPIJ en in deze maatschappij ligt het begrip FUNCTIONEREN. Precies zoals bij de enkelvoudigheden is dit functioneren een NIET TE METEN MEETBAARHEID omdat het gaat over de RESULTANTE van TWEE WERKINGEN enerzijds de mens als VRIJ BEWEGEND, en anderzijds de mens als AAN DE ANDER VASTGELEGD. En nu moeten wij goed tot ons laten doordringen dat wij het nu niet over het feit hebben dat de MENSHEID een ORGANISME is, want dat is een ndere grootheid. Het gaat thans over de MAATSCHAPPIJ en de INHOUD drvan. En hier ligt het FUNCTIONEREN; bij het organisme spreken wij terecht niet van functioneren; wij spreken daar van LEVEN.
Voor de maatschappij geldt dus de niet te meten meetbaarheid; voor de maatschappij geldt dus ook, dat het er allemaal ZONDER UITWENDIGE NORM toe moet gaan. Want de UITWENDIGE NORM is iets dat VASTGESTELD is; het is iets dat ZO MOET en dat niet nders MAG. Het KAN zelfs in onze ogen niet anders, en dit laatste is in de moderne tijd steeds meer het karakter van de MORAAL: het denken in de NORM. Deze NORM verandert naarmate de INHOUD ervan groter wordt en tegenwoordig zoeken wij ook de FUNCTIES in de werkelijkheid om van daaruit de NORM te bepalen. Dit BEPALEN hangt nauw samen met het feit dat wij OP ZOEK zijn naar de nieuwe gegevens over de werkelijkheid, maar dit betekent dat wij nog steeds de zaak VASTLEGGEN. Ook de FUNCTIES, die vanuit zichzelf beweeglijk zijn, leggen wij vast, en zo komen wij tot een zaak, een maatschappij, die DRAAIT, die WERKT, maar die vooralsnog niet FUNCTIONEERT. Zolang wij ZOEKEN naar da functies kunnen wij geen FUNCTIONERENDE maatschappij om ons heen hebben. Omdat ZOEKEN tevens en onmiddellijk BEPALEN betekent.
Tenslotte gaat het maatschappelijke onder de mensen ZOMAAR VANZELF zoals de gehele werkelijkheid ZOMAAR VANZELF ontstaan is als een in alle opzichte functionerend geheel. Ook DE MENS is een zaak die er ZOMAAR VANZELF is, maar doordat voor hem, tengevolge van een hl andere verhouding het ZELFBEWUSTZIJN geldt, is het voor hem een hele LIJDENSWEG om zover te komen dat het VANZELF gaat
Het VANZELF GAAN is hetzelfde als de NIET TE METEN MEETBAARHEID: want er is vast te stellen dat het gaat, maar hoe dat nu precies in elkaar zit en waardoor het kmt dat het gaat is niet na te gaan.
Een beweging is te zien als een BEPAALDE beweging en evenzo is een zeker functioneren te zien als een BEPAALDE zaak. Dan is de beweging er wl, maar hij moet BEPAALD, d.w.z. VASTGELEGD, zijn. In deze situatie verkeren wij op het ogenblik. Het gaat ons reeds om beweeglijkheid, maar dat bewegen willen wij BEHEERSEN en in de hand houden en naar onze hand ztten. En voorlopig gaat het ons om dat BEPALEN van de beweging, hetgeen betekent dat HET STELSEL, waarover wij gesproken hebben, nog volop, zij het in ndere VORM, aanwezig is. Het kan natuurlijk niet uitblijven dat de reeds aanwezige BEWEEGLIJKHEID de door ons nagejaagde VASTIGHEID vernietigt, en dat is nu precies het proces dat wij in onze hedendaagse MAATSCHAPPIJ zien opkomen. Daaraan sneuvelen grote bedrijven en daaraan danken wij de onzalige LOONPOLITIEK en nog veel meer maatschappelijke verschijnselen die niet zo rg hoopgevend zijn.
Wij spreken laatst over de RAMP, die de mensen gewoonlijk drukt op de feiten zoals ze werkelijk liggen. De verklaring voor het feit, dat er een ramp nodig is, is deze, dat de ramp inhoudt dat de NORMEN, de VASTGESTELDE WETMATIGHEDEN, hun eigen ONMOGELIJKHEID naar voren hebben gebracht. En in zon situatie vergeten de mensen zlf ook hun streven naar posities en bepaalde functies, zodat er gehandeld kan worden volgens WETMATIGHEDEN, die in de zaak zlf besloten liggen, en die in de mensen VANZELFSPREKEND tot gelding komen. Het VANZELFSPREKEND tot gelding komen van de wrkelijke wetmatigheden betekent het tot gelding komen van lle wetmatigheden, en als de zaak z ligt, dn gaat het VANZELF. Tot nu toe kwam dit alleen nog maar hij RAMPEN voor, maar het behoort de MORAAL te zijn!

Naar bladwijzers: Moraal-A ; Moraal-B ; Moraal-C ; Moraal-D ; Moraal-E ;

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 15_1970 (geplaatst op 4 december 2008)

Dinsdag, 24 november 1970


Over de dingen die wij maken
De vorige keer hebben wij de opmerking gemaakt dat de mens niet in staat is de werkelijkheid en de onderdelen daarvan te MAKEN. Zowel ANORGANISCH als ORGANISCH is dit onmogelijk. Deze uitspraak nu vraagt wel enige toelichting omdat de moderne wetenschap en techniek ons tegenwoordig telkens verbazen met nieuwe vindingen die ons er wel degelijk toe in staat stellen allerlei te MAKEN. En het is zelfs zo, dat de mens zo langzamerhand voor niets staat op dit gebied. Dit is niet iets dat wij, leken, zomaar van de tafel kunnen en mogen vegen - al was het alleen al vanwege het feit dat wij niet graag tot diegenen gerekend worden die in het verleden belangrijke geleerden en uitvinders in de gevangenis stopten (of rger) omdat zij dingen ontdekt hadden die volgens ns onmogelijk waren!
De moderne techniek en wetenschap zijn tot lles in staat, en nu is het voor ons de vraag hoe deze twee gedachten met elkaar rijmen, namelijk de gedachte dat de mens NIETS kan MAKEN, en de wetenschappelijk-praktische gedachte dat hij lles kan maken.
Hiertoe bekijken wij weer de ENKELVOUDIGHEDEN in hun BEWEEGLIJKHEID en herinneren ons dat daarvoor gold: NIET TE METEN MEETBAARHEID. Deze gedachte roept een vraag in ons op: hoe ligt de verhouding tussen dat wat MEETBAAR is en, van diezelfde zaak, de ONMEETBAARHEID. Hoe komt die verhouding IN DE PRAKTIJK voor de dag en welke mogelijkheden en/of beperkingen biedt hij.
Het is ons tegenwoordig mogelijk metingen te verrichten op atomen en nog kleinere deeltjes: wij meten de snelheid en de grootte en de richting waarin zij bewegen en die metingen zijn nauwkeurig - dat bewijst de praktijk. Hier hebben wij dus, in het kort gezegd, te doen met de MEETBAARHEID. Maar wij mogen hierbij n ding niet vergeten: elke METING kn niet anders dan verricht worden vanuit een
vast MEETPUNT, en dit betekent dat elk gegeven dat wij vinden gezien moet worden IN HET LICHT VAN DAT MEETPUNT. Het is een VERHOUDING tussen het gemeten object n het meetpunt. En die verhouding is een BEPAALDE verhouding die losgemaakt is van de verhoudingen waarin het object zich oorspronkelijk bevond. Wij hebben het object onder de microscoop gelegd en dat is voor het object een ongewone situatie, of wij hebben het deeltje in een bepaalde ruimte laten rondvliegen en in die ONGEWONE situatie de metingen verricht, enzovoort. Het is dus voor ons een BEPAALDE aangelegenheid geworden en daartoe hebben wij het gelicht uit de FUNCTIONELE verhoudingen waarin het oorspronkelijk verkeerde. Dit geldt voor lles wat wij bekijken: ook de mens, die met zijn oog de werkelijkheid beziet ziet dit altijd door ZIJN EIGEN OGEN en omdat geen twee paar ogen gelijk zijn zien ook geen twee mensen de werkelijkheid precies hetzelfde.
Wat wij te zien krijgen is een zaak die niet meer functioneert, en dat geldt voor lke onderzoeking. Maar intussen hebben wij toch over die zaak een aantal gegevens verzameld en die gegevens zijn OP ZICHZELF juist, maar zij staan in een vaste verhouding tot het MEETPUNT. Willen wij het object echter in zijn werkelijke verhoudingen zien, den zouden wij dat zonder meetpunt moeten doen, en dat is ten enen male uitgesloten. En hier ligt de ONMEETBAARHEID van de zaak, hier komt hij praktisch voor de dag!
Deze ONMEETBAARHEID uitschakelen kunnen wij niet, en dit feit laat zich ook gelden als wij dingen MAKEN. Alles wat wij maken staat in een vaste verhouding tot ns: de MACHINE waarmee wij iets maken is onverbrekelijk verbonden met het product dat hij aflevert en dat product is samengesteld precies volgens de normen die wij technisch en wetenschappelijk aangelegd hebben. Er zit bijvoorbeeld zveel zwavel in en zveel van een bepaald zout; de zaak is aan precies zveel straling van die bepaalde straal blootgesteld, enzovoort. Dt is die VASTE verhouding die in lle tappes van het maakproces een rol speelt. Hieromheen te gaan is natuurlijk uitgesloten, zodat lk PRODUCT een zaak is en blijft die de ONMEETBAARHEID, op grond waarvan de gehele werkelijkheid een FUNCTIONERENDE werkelijkheid is, ten enen male MIST. En zo moeten wij het verstaan als wij zeggen dat wij mensen NIETS kunnen maken. Wij kunnen natuurlijk ALLES maken, maar altijd blijft het een geval dat door en door BEPAALD en MEETBAAR is, en dat is nu juist iets wat de werkelijkheid zlf NIET kenmerkt.
Hieruit volgt dat de door ons gemaakte dingen in de vanzelfsprekendheid van de werkelijkheid een VREEMDHEID zijn, en sterker nog: de door ons gemaakte dingen VERSTOREN onveranderlijk het functioneel-zijn van de kosmos. Wij kunnen dit aldus vertalen: de gemaakte dingen kunnen niet mee met de beweeglijkheid van de werkelijkheid. Zij kunnen wl mee met ONZE beweeglijkheid, want zij gehoorzamen toch ook aan de bevelen die door ons INTELLECT gegeven worden! Een COMPUTER heeft als WERKELIJKHEID helemaal niets te betekenen en hij kan daarin dan ook geen plaats vinden - slechts in relatie met de MENS is hij tot allerlei dingen in staat en die dingen doet hij precies zoals ze hem bevolen zijn.
Op een zeker moment zullen wij vast wel in staat zijn in het laboratorium een mens te maken. Of, zeggen wij voorlopig: van een gegeven vrucht OP TE KWEKEN. Wij dienen de benodigde hoeveelheden en soorten voeding toe, wij regelen de temperatuur en de vochtigheid en de straling, enzovoort. En wij weten intussen ook hoe men bepaalde gedeelten van de hersenen kan benvloeden, zodat wij ook nog in staat zijn die mens z op te kweken dan hij BRUIKBAAR is. Desnoods nemen wij aan dat wij van hem een geleerde maken of een gehoorzame soldaat of een keiharde ruimtevaarder En inderdaad, daar loopt de door ons gemaakte mens en hij is precies zoals wij hem hebben wilden, maar hij is wl GEK.
Hij heeft geen verband met de werkelijkheid, hij staat er helemaal buiten en het enige verband dat hij kent is het verband met zijn MAKER. Met hem staat hij in een vaste verhouding en de beweeglijkheid van de maker kan hij volgen en hij kan dus ook INTELLECTUEEL zijn wat de maker van hem verwacht, maar hij is toch geen MENS omdat hij in de werkelijkheid een VREEMDHEID is en blijft. Hij is een volmaakte ROBOT en een levende COMPUTER, maar mr zal hij nooit worden.
Het is begrijpelijk dat er mensen en vooral MACHTEN in de wereld zijn die een dergelijke menselijke ROBOT met gejuich zullen begroeten; nu reeds droomt men ervan straks mensen te zullen hebben die nu eindelijk eens doen wat er gezegd wordt. Men droomt van een toekomstig leger van WERKBIJEN en VECHTBIJEN en ook van een ONDERDANIGE mensheid, en deze droom is heel gevaarlijk omdat de mentaliteit chter deze droom MISDADIG is. En de misdadiger zet altijd zijn plannen door zonder voor iets te wijken
De werkelijkheid is nergens EENZIJDIG MEETBAAR, maar alles wat wij MAKEN is dat wel. De meetbaarheid is het PRINCIPE, het KARAKTER van het gemaakte. Wij moeten daarvan uitgaan want anders is het uitgesloten iets te kunnen maken, maar al komen de door ons gemaakte dingen n wij zelf nooit af van de wederkerige vaste verhouding, dan tch doet het NIET MEETBAAR zijn van de werkelijkheid zich gelden. Geen enkele maat en geen enkele BEPALING is werkelijk precies vast te leggen: de STANDAARDMETER, die wij hebben, is zelfs onder nauwkeurig in de hand gehouden gelijke omstandigheden nooit precies n meter, en bovendien is het apparaat waarmee wij de metingen verrichten ook niet nauwkeurig. Uiteindelijk ONTGLIPT qua meetbaarheid de werkelijkheid ons, en dat is te begrijpen, want al gaan wij bij het MAKEN van een uiterste MEETBAARHEID uit, dan ng kunnen wij de FACTOR van de onmeetbaarheid niet uitschakelen. Dat zou wl kunnen als die factor OP ZICHZELF voorkwam in de werkelijkheid, maar dat doet hij niet; hij gaat altijd hand in hand met de meetbaarheid. Wat echter blijft is het feit dat het GEMAAKTE nimmer los komt van zijn maker - daarop blijft dus bij de dingen de nadruk liggen.
De wereld raakt steeds meer vol van dingen en substanties die de zaak verstoren en daarbij zijn vooral SUBSTANTIES die BLIJVEN verstoren omdat de werkelijkheid VANUIT ZICHZELF geen kans ziet de zaak AF TE BREKEN. Zo hebben wij met allerlei CHEMICALIN ons milieu verpest en dat was mogelijk doordat die chemicalin de AFBREKENDE FACTOREN in de werkelijkheid vernietigden. In de rivieren zijn de reinigende bacterin door de chemicalin gedood en dus is er geen reiniging meer; in de grond en in de lucht is het nt zo Nu vragen wij ons dus af hoe wij het moeten doen om de BLIJVENDE VERSTORING door het MAAKWERK op te heffen. Daarop komen wij nog terug In ieder geval is er hier geen TUSSENWEG mogelijk - de oplossing moet RADICAAL zijn.

Wij hebben nu gesproken over zaken die voor een goed deel nog in de verre toekomst liggen, zoals het MAKEN van een mens. En zo schotelt de moderne wetenschap ons tal van nieuwe mogelijkheden voor, maar ook tal van nieuwe DENKWIJZEN, en die behoren allemaal de toekomst toe Wij zijn nog niet eens gewend op die nieuwe manier en met die nieuwe gegevens te DENKEN, en daarom is een waarschuwing aan het adres van de FILOSOFIE ook wel op zijn plaats: ook in de filosofie moeten we ervoor waken de moderne gegevens op een ouderwetse manier te doordenken en zo tal van mogelijkheden en de verklaringen daarvan f te wijzen omdat ze in ns ouderwetse denken geen plaats vinden wij moeten alles OP NIEUW denken!

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 16_1970 (geplaatst op 4 december 2008)

Dinsdag, 1 december 1970

Nog iets over het denken en de filosofie
Wij hebben er de vorige keer over gesproken dat de moderne filosofie juist in deze overgangstijd, die wij nu beleven, er op moet toezien dat zij de nieuwe moderne wereld nimmer met de ogen van vroeger beziet. Want dan ontgaan haar een groot aantal nieuwe dingen zoals ontdekkingen op natuurkundig gebied en op biologisch gebied en ook ontdekkingen omtrent de kosmos, enzovoort. Terwijl het juist de gegevens uit de wetenschappen moeten zijn die de filosoof tot een NIEUW denken brengen.
De filosofie heeft de neiging te blijven HANGEN; soms wordt er eeuwenlang aan een bepaalde DENKWIJZE vastgehouden terwijl natuurvorsers al lang op gesteldheden van de werkelijkheid zijn gestuit die langs heel andere wegen benaderd moeten worden. Een voorbeeld hiervan is het denken van ARISTOTELES, dat gedurende zeer lange tijd het Europese denken in zijn ban heeft gehad. Eigenlijk is pas met het inzetten van de wrkelijke WETENSCHAP het denken van ARISTOTELES op de achtergrond geraakt. In de filosofie heeft het net zo lang geduurd
Als de WETENSCHAP eenmaal op gang is gekomen vallen voor haar de VOOROORDELEN vanzelf weg. Dat zit in het karakter van de ANALYSE die geen rust heeft voor ook het laatste uit elkaar gehaald is. De vaste gesteldheden verdwijnen vanzelf in en voor de ANALYSE - het is dus niet aan de WIJSHEID van de geleerden te danken dat de vooroordelen wgvallen. Het zit in het karakter van de wetenschap zlf, voorzover zij zich op EIGEN TERREIN bevindt.
De filosofie echter is niet analytisch; eigenlijk kunnen wij zeggen dat de filosofie uitgaat van een WERELDBEELD, en dt wereldbeeld wordt zo gedetailleerd mogelijk weergegeven, mt al zijn samenhangen. Het is te begrijpen dat in zon situatie alle kans is op VOOROORDELEN omdat geen enkel beeld VOLKOMEN HELDER kan zijn. Voorzover de zaak niet volkomen helder is hebben wij te doen met voordelen, zlfs al blijkt het vooroordeel bij nader inzien geheel te kloppen met de werkelijkheid. Een vooroordeel behoeft niet altijd NEGATIEF te zijn, heel vaak is het POSITIEF, maar dan toch blijft het in het denken meegaan. Juist in de filosofie is dit verschijnsel aan de orde van de dag en de enige mogelijkheid om hieraan te ontkomen is deze: dat de filosoof er op uit is om BLIJVEND een open oog te houden voor de gegevens die de WETENSCHAP hem verstrekken. Een filosofie is niet denkbaar zonder GEGEVENS en een moderne filosofie is niet denkbaar zonder de nauwkeurigste WETENSCHAPPELIJKE gegevens. Hiermee is niet bedoeld te zeggen dat de filosofie op wetenschappelijke WIJZE moet gaan werken - hierover hebben wij al meerdere malen gesproken. Het gedetailleerd weergeven van het BEELD is iets heel anders dan de wetenschappelijke navorsing. Omdat niet alles vanzlf UITEENVALT in de filosofie blijven de vooroordelen hangen. En als dan de volgende filosofen niet bij machte zijn om GEHEEL OPNIEUW te denken, dan gaat de filosofie ACHTERLOPEN, zoals met de MODERNE filosofie al het geval is

Nu hebben wij de vorige keer de indruk gewekt de oude filosofen van de tafel te vegen, maar dat is dan een FOUTE indruk geweest: van alle vroegere denkers is er niet n van de tafel te vegen want de MANNEN VAN FORMAAT blijken ALTIJD opnieuw gedacht te hebben en dus voor hn tijd een UITERSTE aan DENKKRACHT opgeleverd te hebben. Maar zij hadden achter zich aan altijd een lange nasleep van denkers die hierop DOORGINGEN en zo de vooroordelen in stand hielden.
Hoewel FILOSOFIE en GELOOF bepaald niet hetzelfde zijn, hebben beide toch dit gemeen dat zij van HET BEELD uitgaan. En dan zien wij wat betreft het GELOOF toch wel heel duidelijk hoe de vooroordelen zich in stand houden gedurende eeuwen en eeuwen, en zelfs z, dat in onze moderne tijd HET GELOOF nog steeds niet wg is en zelfs tot een zekere STATUS gaat worden! Bij veel mensen en ook bij veel filosofen is de zaak zeker niet zonder GELOOF - of zij nu god in stand houden of niet - en hier is het al helemaal duidelijk wat wij bedoelen.
Sommige betrekkelijk eenvoudige ontdekkingen van de wetenschap, zoals bijvoorbeeld het gedrag van de MICRO-ORGANISMEN, en bijvoorbeeld de OPLOSBAARHEID van het ANORGANISCHE in WATER ( ! ) kunnen de filosofie dwingen tot een heel ander denken en brengen de filosofie zodoende tot een heel ander inzicht van de werkelijkheid.
Daarmee is het oude filosofische denken niet VEROORDEELD, maar wij zijn een schrede VERDER gekomen, en die schrede VOORONDERSTELT wl het OUDE, maar zij is zlf toch iets ANDERS. Op ZICHZELF gezien is de oude wrkelijke filosofie PUNTGAAF, zoals een schilderij van REMBRANDT puntgaaf is, maar voor ns KAN het z niet meer omdat de VERHELDERING, met zijn logische gevolg, de ONTWIKKELING, intussen VERDER gegaan is.
In de WETENSCHAP is het niet lles zonder VOOROORDELEN; vooral in de toepassingen ervan is veel BEHOUDZUCHT denk aan de MILIEUVERONTREINIGING. Alleen wetenschap die OM ZICHZELF bedreven wordt is vrij van vooroordelen. Dat dit uitsluitend in het karakter van die wetenschap zlf ligt moge hieruit blijken dat vele geleerden rustig op andere terreinen (bijv. levensbeschouwelijk) een en al VOOROORDEEL zijn. Waren die geleerden zlf WIJS, dan zouden zij daaraan ook niet mank gaan

De afbrekende lijn
De mens komt met allerlei MAAKWERK, en het zijn altijd dingen die OP ZICHZELF in de werkelijkheid niet voorkomen. Nu is dat voor een groot aantal dingen geen bezwaar, namelijk voorzover wij er ons toe bepaald hebben de materie slechts te VERWERKEN. Als wij iets van HOUT hebben gemaakt, dan is het product nog steeds van hout, en dat is een materie die in de werkelijkheid voorkomt.
Maar ook maken wij dingen die qua STRUCTUUR in de werkelijkheid geen plaats vinden: denken wij bijvoorbeeld aan PLASTIC of denken wij aan de grote hoeveelheid radioactief materiaal die wij in de dampkring vrij gelaten hebben. Met die stoffen weet de werkelijkheid geen raad, d.w.z. niet op KORTE TERMIJN. Het is natuurlijk een feit dat OP DEN LANGEN DUUR alles wel weer opgenomen wordt in het grote geheel van de kosmos, maar daaraan hebben wij NU niets, want nu lopen wij de kans er aan te sneuvelen. Dus moet de zaak NU te verwerken zijn als het over iets gaat dat het MILIEU verstoort.
Wij hebben er reeds op gewezen dat de werkelijkheid zlf een AFBREKENDE FACTOR in zich heeft. Het is namelijk een bekend feit dat ALLES VERGAAT - vaak spreken wij van de VERGANKELIJKHEID, maar dan willen wij er graag een MYSTIEK tintje aan geven, en dat is nu niet de bedoeling. In de werkelijkheid is altijd een VERBROKKELINGSPROCES gaande, en dat proces is niet het OMGEKEERDE van het wordingsproces. In dit laatste proces komt uit het EEN het ANDER voort, en dat ANDERE is ten opzichte van het EEN iets nieuws. Maar in het VERBROKKELINGSPROCES valt de stof uiteen in steeds kleinere MASSAS van nog steeds DIEZELFDE stof en dat gaat zover door totdat de SAMENSTELLENDE STOFFEN te voorschijn zijn gekomen. Dit is dus een geheel andere gang van zaken.
In de OPBOUWENDE LIJN zijn het de enkelvoudigheden zlf die tot nieuwe samenstellingen komen, maar de AFBREKENDE LIJN gaat niet van de enkelvoudigheden uit; het is daar de SAMENSTELLING ZELF die zich opheft. Wij komen hierop natuurlijk nog terug want wij moeten toch aan de weet komen WAAROM dit zo is.
Omdat het in de AFBREKENDE LIJN van de STOF ZELF uitgaat, is het voor de mens mogelijk zijn AFVALSTOFFEN in die afbrekende lijn te doen opnemen. En wel zodanig, dat het ook SNEL gebeurt, want dt is NOODZAKELIJK. Een eenvoudig voorbeeld maakt het misschien duidelijk: hout VERGAAT vanuit zichzelf en wordt zo tenslotte tot iets dat vanzelf in de natuur terugkomt. Maar wij kunnen een stuk hout ook VERBRANDEN, en dan is het VERBROKKELINGSPROCES in belangrijke mate VERSNELD, z zelfs dat er voor ons ook nog een hoeveelheid ENERGIE is vrijgekomen. De AS van het hout wordt onmiddellijk door de NATUUR opgenomen: bekend is dat de AS vruchtbaar werkt op de bodem.
De GESTEENTEN vergaan ook, zij brokkelen letterlijk af en tenslotte zijn zij zelfs tot vruchtbare grond geworden waaruit het organisme weer voedsel haalt. Het VERBROKKELINGSPROCES hangt dus ook samen met de VOEDING voor het organisme, maar daarover gaat het nu niet Wel moeten wij beseffen dat de verbrokkeling volledig samenhangt met het FUNCTIONEREN van de werkelijkheid - zij komt er immers zlf mee voor de dag..! Willen wij mensen dus tenslotte niet met n levensgevaarlijke hoop AFVAL zitten, dan moeten wij dat afval rijp maken voor de verbrokkeling, en dat is louter een TECHNISCHE kwestie, zoals het ook een technische kwestie was de stoffen te MAKEN.
Bezien wij nu het tegenwoordige gedoe over de milieuverontreiniging, dan moet het ons opvallen dat vrijwel niemand RADICAAL durft te denken. Men zoekt alsmaar het COMPROMIS. Men wil alsmaar weten HOEVEEL een mens nog nt kan hebben om niet onmiddellijk te sterven. Dat men op den duur al het leven letterlijk VERZIEKT is van later zorg. RADICAAL denken houdt echter in dat wij mensen het roer helemaal omgooien en er voor zorgen dat ons afval AFBREEKBAAR is. Dan moeten wij er maar nog een fabriek bijbouwen, maar zaak is het dat er werkelijk NIETS in de werkelijkheid terechtkomt dat er niet in behoort te zijn. Pas dn is werkelijk leven voor de mensen mogelijk - niet door een tussenoplossing!

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 17_1970 (geplaatst op 5 december 2008)

Dinsdag, 8 december 1970


Een opmerking
Wij hebben gezien dat een van de grondverhoudingen van het FUNCTIONELE deze was dat de zaak VANUIT ZICHZELF beweegt in het grote geheel en bij dit bewegen dus niet beheerst werd door een relatie tot iets anders. Dit sluit voor het MAAKWERK de mogelijkheid uit om te FUNCTIONEREN, want het maakwerk is niet vanuit ZICHZELF beweeglijk en het komt nooit los van zijn MAKER.
De mensheid kan niet buiten het maakwerk m; wil er tenslotte een leefbare en geordende wereld zijn, dan MOET er maakwerk zijn, en zelfs in die mate dat het maakwerk verreweg de belangrijkste rol in de menselijke werkelijkheid speelt. Er zijn denkers geweest die de klok terug hebben willen zetten en die de mens hebben willen ontdoen van het ONNATUURLIJKE, maar die gedachte is ONHOUDBAAR omdat het in de mens besloten ligt de werkelijkheid om te vormen. Als wij ons de mens die wij zlf zijn indenken zonder het maakwerk om zich heen dan zien wij onmiddellijk in dat er voor deze mens geen levenskansen zijn. En ook zien wij in dat die mens er terstond toe over ging zich levenskansen te SCHEPPEN: hier begint het INGRIJPEN, en dus het MAAKWERK.
Ondanks het onontbeerlijke van het maakwerk is het toch zo dat dit maakwerk nimmer FUNCTIONEEL kan worden. Maar hier zitten wij ook met een begripsverwarring, zoals in onze moderne tijd met zijn GECONFECTIONEERDE BEGRIPPEN maar al te vaak voorkomt: het functioneel zijn van iets betekent voor ons dat dat iets ergens toe DIENT, dat het ergens voor te GEBRUIKEN is en in dat gebruik VOLDOET. Maar werkelijke FUNCTIONALITEIT dient nergens toe en is niet TE GEBRUIKEN; de zaak is er gewoon VANUIT ZICHZELF. Het ERGENS TOE DIENEN en het TE GEBRUIKEN ZIJN houdt immers weer de RELATIE tot wat nders in! Als wij dus bij een machine van functionaliteit spreken dan bedoelen wij dat die machine ergens toe dient en hiermede dekken wij niet het wrkelijke begrip FUNCTIONEEL.
Die machine wordt, nt als alle MAAKWERK, nimmer functioneel want de relatie tot de maker, of de gebruiker, is niet wg te denken. Als straks de mensheid volwassen zal zijn geldt voor de mensen zlf wel dat zij functioneren, maar voor het MAAKWERK geldt dat dan nog steeds niet; het maakwerk is te GEBRUIKEN en voldoet in dat gebruik, maar UIT ZICHZELF komt het tot niets.
Juist omdat dit zo is is de mens VERPLICHT met grote VERANTWOORDELIJKHEID om te springen met wat hij gemaakt heeft, en van die verantwoordelijkheid is hij zich bewust zodra hij VOLWASSEN geworden is.

Het afbrokkelingsproces
Het afbrokkelingsproces gaat uit van de SAMENSTELLING, dus van het VERSCHIJNSEL, want dt is het dat UITEEN GAAT VALLEN. Zolang en voorzover er in de werkelijkheid nog geen VERSCHIJNSEL is, bestaat er ook geen afbrokkeling. Dat deze afbrokkeling een zaak van de SAMENSTELLING is moge blijken uit het feit dat tijdens die afbrokkeling het verschijnsel als zodanig gehandhaafd blijft. Een uiteenvallende STEEN blijft in zijn brokstukken uit STEEN bestaan. Het blijft dus HETZELFDE verschijnsel, maar in BROKKEN. Was het een zaak die van de ENKELVOUDGHEDEN zlf uitging, dan zou de samenstelling in IETS ANDERS veranderen, zoals in sommige gevallen bij STRALINGSVERSCHIJNSELEN het geval is. Een sterk uitstralend lichaam, bijvoorbeeld RADIUM, verandert al stralende in een andere stof: LOOD. Hierbij gaat het wl van de enkelvoudigheden zlf uit, maar deze straling is niet het AFBROKKELINGSPROCES
Het verschijnsel zlf brokkelt af, en nu is het de vraag waarin dt zit. Daartoe moeten wij ons herinneren dat voor elk verschijnsel geldt dat bij de WORDING de enkelvoudigheden AAN ELKAAR beweeglijkheid VERLIEZEN, en dat in steeds grotere mate. Deze beweeglijkheid blijft als POTENTILE ENERGIE in het verschijnsel liggen, maar tevens blijft het een feit, dat er in dat aan elkaar twee zelfstandigheden betrokken zijn: de ENE enkelvoudigheid en de ANDERE enkelvoudigheid. Die zelfstandigheden kunnen zichzelf nooit VOLLEDIG aan elkaar verliezen qua beweeglijkheid, omdat zij nimmer van hun ZELFSTANDIGHEID f kunnen komen.
in de POTENTILE ENERGIE van lk verschijnsel ligt dus een kracht besloten die tot SCHEURING, verbrokkeling van dt verschijnsel aanleiding geeft. Maar het is
duidelijk dat het een werking vanuit dat verschijnsel is, omdat het een werking is van en in de POTENTILE ENERGIE. Het spreekt vanzelf, dat daar waar het tot een SCHEURING komt in het verschijnsel, energie vrij komt: alweer de potentile energie die zich naar zijn factoren gesplitst heeft.

In de verbrokkeling laat zich dus het feit gelden dat er de ENE enkelvoudigheid is en de ANDERE. En die ENE en die ANDERE zijn er ALS dt verschijnsel en vanuit dit gegeven komen zij er toe zich weer als afzonderlijk te laten gelden.
Nu is het een bekend feit, dat geen enkel verschijnsel HOMOGEEN is. Een stuk IJZER bijvoorbeeld is wel overal in zichzelf dezelfde GRONDVERHOUDING qua samenstelling, maar die grondverhouding komt nergens op precies dezelfde wijze voor. Het verschijnsel is in zichzelf een niet te bepalen hoeveelheid VARIATIES van hetzelfde, en geen twee variaties zijn precies gelijk. Van hieruit is het gemakkelijk te begrijpen dat het verschijnsel IN BROKKEN uiteenvalt, en dat het niet in n keer helemaal verdwenen is. Het zich opheffen van het AAN ELKAAR VERLOREN ZIJN van een tweetal beweeglijkheden treedt PLAATSELIJK op, net zolang totdat toch de hele zaak opgeheven is.
Het spreekt vanzelf dat hij dit zich opheffen de OMSTANDIGHEDEN ook een grote rol spelen. Dat is trouwens bij alles wat voor het verschijnsel geldt het geval. Omstandigheden kunnen tot een snelle verbrokkeling leiden, en vaak ook vertragend werken. Het VERGAAN van de materie is van buiten af te benvloeden, en dat weten wij natuurlijk al lang uit de praktijk. Het is te versnellen - bijvoorbeeld als wij ons afvalhout VERBRANDEN - en het is te vertragen - als wij ons voedsel proberen houdbaar te maken door bijvoorbeeld de temperatuur te verlagen. Er zijn op dit terrein talloze mogelijkheden.
Het ligt in het vermogen van de mens om de MATERIE (lees: het verschijnsel) te bewerken, om te vormen en uiteen te halen. Hij kan dus ook het verbrokkelingsproces benvloeden, en hierop doelen wij als wij in verband met de milieuverontreiniging gesteld hebben dat het tot de PLICHT van de mens behoort om die materie die TE LANGZAAM vergaat volgens het natuurlijke proces, z te bewerken dat het vergaan SNEL gebeurt. En deze snelheid is NOODZAKELIJK omdat wij anders TIJDENS ONS LEVEN met het afval zitten.
In verband hiermede wijzen wij ook nog op het volgende: bij het afbrokkelen van de materie komt er ENERGIE vrij. Nu mag dit veel of weinig zijn, maar als de afbrokkeling van ons MAAKWERK, waarin vaak veel energie besloten ligt, te langzaam gaat blijft er tijdens ns leven te veel energie ongebruikt achter, en dit verklaart het feit dat wij steeds meer het gevoel hebben dat onze energiebronnen opdrogen. In feite gaat de energie NOOIT verloren, maar zij kan wl op zodanige wijze besloten en opgesloten liggen in ons afval, dat het er voorlopig vanzlf niet meer uitkomt. Dan is het voor de technische mens zaak in te grijpen om het procss drastisch te versnellen.
Hierbij moeten wij ons ook eens realiseren hoe het in de NATUUR toegaat. Alle LEVENDE wezens moeten ENERGIE toegevoerd krijgen, om redenen die wij nog noemen zullen. Het leven heeft geen tijd om te wachten op het VANZELF vrijkomen van die benodigde energie, en daarom - gewoonlijk langs allerlei TUSSENSTATIONS - breken de levende wezens zlf de materie af. Dat is het spijsverteringsproces, en dat is een VERBRANDINGSPROCES. Het ORGANISCHE leven op de planeet versnelt het afbrokkelen van de werkelijkheid. Bekijken wij het gedoe van de mensen op deze aarde, dan zien wij dezelfde situatie, maar dan ng meer versneld door de intellectuele mogelijkheden van de mens. Door zijn (technische) denken kn hij daarom voor iedereen energie vrij maken, en dat betekent natuurlijk voor iedereen op de duur LEVEN!

Als wij het totaalbeeld bekijken, dan zien wij dat de VOORWAARDE voor het leven van de organismen geen andere is dan het feit dat er een AFBROKKELINGSPROCES is in de werkelijkheid. En zelfs moeten wij stellen dat het om het ANORGANISCHE proces gaat. Want voor onszelf, als mensen, zijn er een aantal ORGANISCHE tussenstations die voor onze energievoorziening zorgen: wij eten planten en dieren. Maar aan het EERSTE LEVEN OP AARDE, indertijd, stond deze voedingsbron niet ter beschikking. Het eerste leven voedde zich werkelijk van de in de zee opgeloste verbrokkelde GESTEENTEN. Er was voor dat eerste leven nog geen enkel nder leven dat voor voeding kon dienen.
En ook onze voeding is op niets anders terug te brengen dan op de mineralen die door de verbrokkeling beschikbaar zijn gekomen. Zo zien wij hier, nogal onverwacht, een merkwaardige figuur ontstaan, die overigens in de OUDHEID in tal van culturen reeds herkend is: de levende werkelijkheid eet de dode werkelijkheid op! Omgekeerd betekent dit dat de UITWENDIGE werkelijkheid die de ANORGANISCHE is zichzelf omzet tot INWENDIGE werkelijkheid, het ORGANISCHE, en dit ligt weer in de lijn van het WORDINGSPROCES, zoals wij dat bij vroegere gelegenheden uitvoerig beschreven hebben.

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 18_1970 (geplaatst op 5 december 2008)

Dinsdag, 15 december 1970


Iets over de energie
Als er sprake is van het VERSCHIJNSEL hebben wij altijd te doen met een SAMENSTELLING, en als het over een samenstelling gaat dan is er altijd deze factor dat de enkelvoudigheden AAN ELKAAR beweeglijkheid VERLOREN hebben. Die beweeglijkheid is niet in feite verloren en dus wg, naar hij is latent geworden omdat hij voor twee enkelvoudigheden TEGELIJK is gaan gelden. In deze AAN ELKAAR VERLOREN BEWEEGLIJKHEID zitten TWEE factoren, namelijk de beweeglijkheid van de ENE enkelvoudigheid en die van de ANDERE enkelvoudigheid.
Omdat die TWEE factoren aanwezig zijn in EEN zaak is de VERBROKKELING, waarover wij de vorige keer spraken, mogelijk geworden, want die factoren zijn in wezen ZELFSTANDIGHEDEN en dat blijven ze.
Men heeft veel over de LIEFDE gesproken en daarbij denkt men aan het VERSMELTEN van twee zelfstandigheden, die in deze versmelting EEN nieuwe zaak vormen. Als wij dan deze nieuwe zaak bekijken dan komen wij tot de conclusie dat de LIEFDE niet vergankelijk is, want de zelfstandigheden, die de oorzaak van een SCHEURING of VERBROKKELING zijn, zijn nu niet meer als zodanig aanwezig. Deze gedachte van de ONVEREREKELIJKHEID van de LIEFDE is een zeer oude gedachte die geworteld is in de gedachte van het VOLLEDIGE INEEN-ZIJN. Maar in feite geraken de enkelvoudigheden IN DIE ZIN nimmer volledig ineen, en dus is genoemde gedachte inzake de LIEFDE niet zonder meer juist. Anderzijds echter wijzen wij er op dat de mensheid, zo oud als ze is, nog nooit iets anders aan de liefde heeft beseft dan die VERSMELTING en dus ook die ONVERBREKELIJKHEID. . . en ook het feit dat het om TWEE BEPAALDE MENSEN gaat, EN NIET MEER! Maar hierop komen wij bij een andere gelegenheid nog wel terug.
Het feit dat er in de AAN ELKAAR VERLOREN BEWEEGLIJKHEID een tweetal factoren zitten doet zich in de werkelijkheid gelden als oorzaak van de VERBROKKELING. En bij het verbrokkelen komt ENERGIE vrij. Over deze ENERGIE is nog wel wat te zeggen.
De enkelvoudigheden OP ZICHZELF hebben GEEN ENERGIE. Wij spreken - in ns verband - slechte van ENERGIE als de beweeglijkheid, die de enkelvoudigheden AAN ELKAAR verloren hebben VRIJ komt. En nu gaat het om dat aan elkaar, want hieruit blijkt dat energie een VERSCHIJNSEL vronderstelt. Het draait dus altijd om TWEE enkelvoudigheden. De vrijkomende beweeglijkheid is gebonden aan en bepaald door de verhouding die voor het betreffende VERSCHIJNSEL geldt.
Wij weten dit wel uit de praktijk, want bijvoorbeeld de ne brandstof geeft in d kachel meer warmte af dan de andere brandstof. Was de energie iets dat alleen maar met de enkelvoudigheid OP ZICHZELF te maken had, dan zou dit verschil niet te verklaren zijn. Er komt slechts zveel vrij als er AAN ELKAAR verloren is er ook komt het vrij OP DE WIJZE van het betreffende verschijnsel: soms in de vorm van WARMTE, soms in de vorm van wat wij STRALING noemen en dat dan nog weer afhankelijk van de bewerking die WIJ toepassen. Wij kunnen VERBRANDEN, maar wij kunnen ook BOMBARDEREN met deeltjes, enzovoort. En dat geeft verschillende resultaten.
Als wij het over STRALING hebben, dan gaat het over een iets andere situatie want het zich VOORTBEWEGEN van de deeltjes wordt veroorzaakt door de beweeglijkheid, die de enkelvoudigheden OP ZICHZELF nog behouden hebben. Maar dit is slechts de oorzaak van het zich VOORTBEWEGEN; de aanwezigheid van ENERGIE in de straling is weer te danken aan de AAN ELKAAR VERLOREN beweeglijkheid in de deeltjes die de STRALING vormen. De STRALING op zichzelf is geen VERBROKKELING omdat het stralingsproces niet uitgaat van de AAN ELKAAR VERLOREN beweeglijkheid die IN het verschijnsel zit, maar van de EIGEN BEWEEGLIJKHEID die de deeltjes nog hebben. Daarom treedt straling aan de BUITENKANT van het verschijnsel op, en verbrokkeling gaat van BINNENUIT. Straling doet het oorspronkelijke verschijnsel ook VERANDEREN in een nder verschijnsel; bij de verbrokkeling blijft het oorspronkelijke verschijnsel gehandhaafd; het valt slechts in BROKKEN uiteen.

Het organisme en de energie
De wetenschap heeft altijd een scherpe scheidingslijn getrokken tussen de zogenaamde DODE NATUUR en de LEVENDE NATUUR. Maar sinds kort is men van die scheidingslijn niet meer z zeker omdat men in gaat zien dat er in de grond van de zaak geen verschil is tussen het anorganische en het organische verschijnsel. En inderdaad, het verschil tussen die twee verschijnselen is slechts een ACCENT VERSCHIL. Wij hebben het z gesteld dat de aan elkaar verloren beweeglijkheid (in de vorm van het SAMENGAAN) vanaf een zeker moment in de wording zo sterk is geworden dat hij zich als FEITELIJKE BEWEEGLIJKHEID is gaan laten gelden. De LATENTE ENERGIE in het verschijnsel is nu niet meer LATENT, en het verschijnsel zlf is ENERGIEK geworden.
Wij mogen niet zeggen dat nu de energie is VRIJ gekomen want dan zou dit het UITEENVALLEN van het VERSCHIJNSEL vooronderstellen, maar wel mogen wij zeggen dat de energie voor de dag gekomen is. De energie heeft zijn eigen KARAKTER weer terug, namelijk BEWEEGLIJKHEID VAN TWEE ZELFSTANDIGHEDEN. Dit laatste is dan ook tevens, zij het wat erg beknopt, de definitie van HET LEVEN.

De energie is in het organische verschijnsel dus niet VRIJ gekomen, maar wl wordt die energie VERBRUIKT. En dat verbruik moet aangevuld worden. Alle organismen moeten VOEDSEL tot zich nemen om te kunnen blijven leven. Op dit punt gekomen kunnen wij ons afvragen waarom het z is dat de organismen voortdurend voedsel moeten hebben, maar dan wijzen wij er op, dat het verschijnsel maar een keer zijn energie kan prijsgeven. Het verschijnsel verbrokkelt net zo lang tot het geheel verbrokkeld is, en dan is er geen energie meer. Het is dus maar een BEPERKTE hoeveelheid energie die een verschijnsel in zich heeft. Maar het organisme VERBRUIKT voortdurend energie en die moet voortdurend aangevuld worden.
Het verbruiken van energie door het organisme kan dus alleen maar voortgaan als het organisme blijft ETEN, d.w.z. als het organisme bezig BLIJFT doormiddel van een SNEL verbrandingsproces allerlei samenstellingen uiteen te doen vallen zodat er energie vrij komt. Dat de energie door het organisme VERBRUIKT wordt vindt zijn verklaring in het feit dat de energie, zoals wij reeds gezegd hebben, het VERSCHIJNSEL vronderstelt en dan ook nog het verschijnsel dat UITEENVALT. Energie op zichzelf is dus niet iets BLIJVENDS; het is volkomen bepaald door het verschijnsel. Het is beperkt tot een bepaalde hoeveelheid.
Zo is de voor de dag gekomen energie in het ORGANISCHE verschijnsel ook een door en door BEPAALDE en BEPERKTE aangelegenheid, maar doordat die zaak ACTIEF geworden is, is die beperkte hoeveelheid heel vlug uitgeput. Wij willen thans op dit laatste niet dieper ingaan, omdat wij dan het karakter van de energie nader moeten bestuderen, en daarbij gaan ook factoren als de TIJDSDUUR een rol spelen. Daarom houden wij het er voorlopig op dat de energie heel snel VERBRUIKT wordt en dat er daarom aanvulling nodig is. En die aanvulling komt voor het organisme van BUITENAF.
Het organische verschijnsel is een ENERGIEK verschijnsel en het zet de gehele ANORGANISCHE werkelijkheid om tot energie. Wij kunnen dus zeggen dat tenslotte de gehele werkelijkheid tot LEVEN komt. Deze gedachte komt ook in de OUDHEID voor.

De oudheid
Het DENKEN van de oudheid was een ander denken dan het onze. Ons denken is gebaseerd op de ONDERSCHEIDINGEN, zodat het aanleggen van de VERSCHILLEN als de maat voor het denken gezien wordt. In de oudheid was het denken het ZIEN van een BEELD. De GEDACHTEN van de oudheid zijn de VERWOORDINGEN van het geziene. En zo VERWOORDT de oudheid ook het feit dat de werkelijkheid EEN DOORLOPENDE LIJN is; van het eerste begin via het anorganische, de evenwichtssituatie en de natuur naar tenslotte de mens. En ook heeft de oudheid ingezien dat het DODE, de AARDE, de voorwaarde en de bron van het leven is en zodoende zlf tot leven wordt. Deze gedachte komt niet naar voren als een ragfijn uitgedachte filosofie, maar als een VISIOEN.
Het is de mens mogelijk zichzelf te oefenen in HELDERHEID, en daarmee wordt men niet MEER helder dan men is, maar men komt tenslotte in een TOESTAND van OVERSPANNING waarin men allerlei SAMENHANGEN ziet. Tot die toestand van overspanning hebben zich in de oudheid en vooral in het OOSTEN veel mensen opgewerkt, maar ook tegenwoordig zien wij een neiging daartoe bij een aantal jonge mensen die DRUGS gebruiken. Zon toestand verschaft bepaalde inzichten, maar in de grond van de zaak kunnen wij pas dn van werkelijk INZICHT spreken als men de zaak BIJ HET VOLLE VERSTAND ziet. En naar dit inzicht heeft Het WESTEN altijd gestreefd.
Maar, in ieder geval hebben die overspannen mensen uit de oudheid de DOORGAANDE LIJN van het DODE NAAR HET LEVENDE gezien. Hiermede in verband staan de altijd weer terugkerende verhalen over de OPSTANDING uit de dood, en de LOUTERING door de dood en het VUUR, dat het VERTERENDE ELEMENT is

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 19._1970 (geplaatst op 6 december 2008)

Dinsdag, 22 december 1970

Iets over de overspanning
Wij spraken er de vorige keer over dat de mensen in de oudheid in OVERSPANNEN toestand tot allerlei heldere inzichten kwamen omtrent de werkelijkheid, en wij hebben er ook op gewezen dat die inzichten gewoonlijk wrkelijk HELDER waren. Als voorbeeld het feit dat men in de oudheid inzag dat de werkelijkheid n DOORLOPENDE LIJN is en dat er, zo bezien, geen reden is om een ONDERSCHEID te maken tussen de DODE werkelijkheid en de LEVENDE werkelijkheid. Men zag zelfs het n als VOORWAARDE voor het nder, en dat is juist gezien.
Het feit echter dat we die mensen OVERSPANNEN genoemd hebben heeft aanleiding gegeven tot een misverstand. En hierin speelt ONS begrip overspanning een rol, want voor ns is het overspannen-zijn louter een MEDISCH begrip. Het is in dit verband niet nodig om uitvoerig na te gaan wat de medische inhoud van de overspanning is - het is trouwens de vraag of de medische wereld van vandaag er wel een INHOUD aan beseft. Want wij hebben het meer over een complex van VERSCHIJNSELEN en de eventuele OORZAKEN van die verschijnselen, maar dat wil nog lang niet zeggen dat we het dan over een INHOUD hebben.
In ons medische denken behoort OVERSPANNING tot de ZIEKTEVERSCHIJNSELEN en het heeft iets met de ZENUWEN te maken. En zonder nu te willen zeggen dat datgene dat wij thns bedoelen GEEN ziekteverschijnsel zou zijn, wijzen wij er toch met klem op dat wij het over iets nders hebben. Het gaat ons hierom dat het de mens mogelijk is zichzelf te oefenen om in een bepaalde TOESTAND te komen en die toestand kan er een zijn van grote HELDERHEID. In het OOSTEN was en is men er zeer bekwaam in; er waren zelfs handboeken en bepaalde leerscholen die de mensen alleen maar leerden hoe ze in die toestand komen moesten. Daarvoor was heel wat geduld en doorzettingsvermogen vereist, en ook moest men er natuurlijk een bepaalde AANLEG voor hebben. Het MEDITEREN bijvoorbeeld is een van de wegen waarlangs men in die toestand kon komen, maar ook de YOGA, zoals die oorspronkelijk bedoeld was, is een van de middelen. Ook in west-europa zien wij dit verschijnsel: de ouderwetse monniken waren de gehele dag in GEBED verzonken, of zij mediteerden over bepaalde bijbelteksten, of juist deden zij zeer zwaar werk, en dat alleen maar terwille van die toestand. Wij kunnen denken aan de west-europese MYSTICI die vaak tot een zeer hoge graad van inzicht kwamen.
In al deze gevallen gaat het dus om een TOESTAND van het BEWUSTZIJN en deze toestand wordt met HULPMIDDELEN opgeroepen. Men bracht zichzelf dus met UITWENDIGE middelen tot een bepaalde INNERLIJKE toestand. En nu zijn het juist die uitwendige middelen die de mens tot OVERSPANNING brachten: de SPANNING, die voor het bewustzijn geldt, werd OPGEVOERD tot een zo groot mogelijke hoogte.
Dit is voor een mens natuurlijk niet de NORMALE toestand, en daarom kunnen wij er rustig aan vasthouden dat we met iets ZIEKELIJKS te maken hebben, maar dat neemt toch niet weg dat het over HELDERHEID ging. Het enige dat een mens nodig heeft om INZICHT te krijgen is nu juist HELDERHEID en het streven hiernaar is wat wij als de inhoud van die OVERSPANNING willen aanmerken.
Nu mogen wij niet denken dat een mens in zo n overspannen toestand van helderheid NOG MEER HELDER is geworden dan hij in aanleg ws. Niemand kan zijn helderheid verhogen want dat is een vast gegeven dat bij elke mens onveranderlijk is. Dus van MEER HELDER is geen sprake, naar wl is de helderheid, die als GEGEVEN in iemand ligt, als het ware GESOLEERD; het is min of meer - voor het BEWUSTZIJN van die persoon - op ZICHZELF komen te staan. En van hieruit treden INZICHTEN op, welke inzichten wij VISIOENEN kunnen noemen. Het is een soort van HELDERZIENDHEID...
Tegenwoordig worden er door een groot aantal jonge mensen DRUGS gebruikt waarvan er sommige ook de helderheid stimuleren. Dan hebben wij met hetzelfde verschijnsel te doen, maar weer: het is een ABNORMALE TOESTAND, die KUNSTMATIG opgeroepen wordt. De verkregen inzichten kunnen precies juist zijn, naar zij zijn niet van werkelijke betekenis, want dat kunnen zij pas zijn als zij bij het NUCHTERE VERSTAND verkregen worden. De inzichten van een man als HEGEL bijvoorbeeld zijn gewoon aan de schrijftafel te voorschijn gekomen; hij behoefde geen enkele kunstgreep toe te passen om er toe te komen. Bovendien waren zijn inzichten geen min of meer VERWARDE FLARDEN van een beeld, maar aan puntgaaf GEHEEL, dat tot in details helemaal sluitend beschreven kon worden. Hier hebben wij te doen met een ZINVOL helder inzicht dat PRAKTISCH op maat ligt.

Nu we toch over de FILOSOFIE spreken: ook de filosofie is met een VISIOEN begonnen. De oudste ons bekende voorlopers van de filosofie waren ook ZIENERS, die weliswaar al beseften dat het MEDIUM van de filosofie HET DENKEN was, maar die met dit laatste nog nauwelijks uit de voeten konden. De waarde van deze mensen, denk aan THALES en HERAKLITOS bijvoorbeeld, lag dan ook in hun INZICHT en de wijze waarop zij dit inzicht naar voren brachten is vaak DUISTER. Later, met PLATO en ARISTOTELES zien wij een duidelijk begin van HET DENKEN als MEDIUM voor de filosofie, maar ook nu nog heeft het QUA DENKEN weinig om het lijf. En zo gaat het een tijdlang door, totdat met HEGEL het denken uit de voeten kan, zodat er nu wrkelijk FILOSOFIE bedreven wordt. Vanaf dit moment is het gedaan met de MYSTIEK en met de OEFENING tot helderheid.

De kunst en de overspanning
Ook in de kunst komen wij de overspanning tegen: er zijn tal van kunstenaars geweest die in een MOMENT van helderheid tot een groot KUNSTWERK kwamen. Later zagen zij geen kans meer om in die toestand te komen en het KUNSTWERK bleef verder uit. Zij spraken er dan van dat de INSPIRATIE ontbrak.
De KUNST volgt een andere weg dan de filosofie, maar ook hiervoor geldt dat de kunstenaar tenslotte BIJ ZIJN VOLLE VERSTAND zijn werk maakt, en dan wordt het ene werkstuk wel mooier dan het andere, maar alles getuigt van hetzelfde NIVEAU van HELDERHEID. Wij kunnen ons dat moeilijk indenken omdat het gehele gebied van de SCHOONHEID voor ons nog als een DROOM is maar tenslotte wordt die droom tch werkelijkheid!
In de west-europese cultuur zet zich het denken onweerstaanbaar door; voor de filosofie is dat (voorlopig) de redding, maar voor de KUNST is het, ook voorlopig, de ONDERGANG. De kunst wordt STUKGEDACHT en men ziet geen kans hieruit te geraken. Maar wij moeten goed opletten: het feit dt de kunst stukgedacht wordt is niet anders dan NOODZAKELIJK. De SITUATIES van waaruit tot nu toe de kunstenaar een het werk ging (een landschap, een stilleven, baron Zus en Zo, Greetje in het bad of aan het spinnewiel, enzovoort) moeten tenslotte ook verdwijnen omdat er voor de kunst maar EEN uitgangspunt bestaat: de SCHOONHEID zlf. En zo leidt het stukdenken van de uitgangs-situaties op den duur tot de schoonheid. Zo gezien is de ondergang van de kunst wel degelijk heilzaam, maar voorlopig weten de KUNSTENAARS ZELF met het KUNSTWERK geen raad en dit leidt tot de zogenaamde MODERNE KUNST. Voor de nauwlettende toeschouwer zijn er al aanwijzingen dat de invloed van het DENKEN op het KUNSTWERK gaat tanen maar wij zijn nog niet zover dat wij de SCHOONHEID teruggevonden hebben.
Vroeger beeldde de kunstenaar IETS uit, en dank zij INSPIRATIE en AANLEG werd de zaak dan SCHOONHEID. Dat IETS is thans verloren gegaan, en terecht, maar op de OMKERING wachten wij nog. Namelijk deze omkering: er moet niet IETS uitgebeeld worden, maar SCHOONHEID en deze schoonheid komt AAN IETS voor de dag. Dit AAN IETS culmineert in het VROUWELIJK NAAKT - maar daarop komen wij bij een andere gelegenheid uitvoerig terug!
Als het ALLEEN MAAR om schoonheid gaat is de inspiratie in de zin van OVERSPANNING ook uitgesloten. Want overspanning treedt alleen maar op als IETS bven zichzlf uit moet zien te komen; hierbij is het uitgangspunt IETS en het eventuele GEVOLG is schoonheid of inzicht. Als het uitgangspunt SCHOONHEID is, dan behoeft er niets boven zichzelf uit te komen, de zaak ligt RUSTIG en de overspanning is verdwenen. Zo bedoelen wij het als wij zeggen dat de kunstenaar van de toekomst bij zijn volle verstand zijn werken zal maken. Uiteraard maakt ook dn de kunstenaar zijn werk niet MET zijn verstand; hij brengt ndere vermogens in het veld, evenals trouwens de filosoof

Men heeft wel eens gezegd dat tenslotte in de mensheid de kunst zal verdwijnen omdat de schoonheid, die de mens eerst BUITEN ZICHZELF gesteld heeft in de vorm van het BEELD, op het eind BINNENIN DE MENS aanwezig is, zodat de kunst uitgelopen is in LEVENSKUNST. Deze gedachte echter is ONJUIST: de kunst blijft het UITBEELDEN van de schoonheid en het is en blijft een VAK dat men moet verstaan. Het eindpunt van de kunst is HET BEELD.
Het LEVEN echter loopt niet in een BEELD uit, maar in een HARMONISCH GEHEEL waaruit niets naar voren springt. En dat gaat helemaal VANZELF. Het enige waarop de mens te letten heeft is dit, dat hij er in zichzelf voor waakt dat er niets is dat eruit kn springen, en dit WAKEN kunnen wij het begrip DEUGD noemen. De DEUGD is dus een IN BEDWANG HOUDEN VAN ZICHZELF, het is gn complex van regels en voorschriften die nagestreefd moeten worden.

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 20_1970 (geplaatst op 6 december 2008)

Dinsdag, 5 januari 1971

Kunst, leven en levenskunst.
Ons vorige stencil eindigde met een opmerking over de KUNST en de LEVENSKUNST, en het is naar aanleiding hiervan dat de vraag is opgekomen of de zogeheten LEVENSKUNST niet de allerhoogste mogelijkheid van het leven is. Een mogelijkheid die BESTREEFD moet worden en die tenslotte de mens het DAGELIJKSE LEVEN met zijn BANALITEITEN doet vergeten.
Dan zou zich voor de mens een werkelijkheid voordoen die is als in een SPROOKJE, dat niet is VOORTGEKOMEN uit het dagelijkse leven en de EINDIGHEDEN van het
BESTAAN En om in die werkelijkheid te geraken moeten wij op de een of andere
manier de BESTAANDE WERKELIJKHEID forceren, want zonder WEERSTAND, en dus zonder
MOEITE, geeft de MATERIE zichzelf niet prijs.
Bovenstaande gedachtengang is beknopt weergegeven; er is natuurlijk veel uitvoeriger over te denken en te schrijven, maar wij bepalen ons tot de grote lijn ervan. En wij wijzen er dan als eerste op dat er wel enige vragen te stellen zijn: wat moeten wij onder de BANALITEITEN verstaan? Is dat de dagelijkse gang naar het werk, of het gesjouw van de moeders met de kinderen; is het de veel te hoge belastingaanslag, of is het het altijd weerkerende gesprek over het voetballen of de auto? En zijn er in het leven van iemand die zich met al die dingen niet bezig houdt, en die filosofische of kunstzinnige gesprekken voert, dan geen banaliteiten?
Als een mens het DAGELIJKSE LEVEN vergeten is, wat betekent dat? Hebben wij dan met een onpraktisch of een onverschillig mens te doen, en bovendien als wij het DAGELIJKSE leven vergeten, slaan wij dan niet HET LEVEN zlf over, want dat zijn toch die dagelijks voortglijdende minuten en iets anders dan die minuten hebben wij niet ter beschikking.
Ook in het SPROOKJE komt geen dagelijks leven voor; er is eigenlijk geen begin en geen einde aan de zaak en in feite gebeurt er ook niets. Dat zou ook niet kunnen, want de EINDIGHEID is in het sprookje overwonnen en ook is de betrekkelijkheid van de GEBEURTENISSEN verdwenen. De prins in het sprookje gaat niet naar de groentenboer om een kilo aardappelen en als hij per ongeluk toch bij die groentenboer verzeild was geraakt zou hij niet mopperen over de prijs!
Deze vragen en opmerkingen zijn te stellen en dan zijn ze niet eens bedoeld als NUCHTERE uitlatingen van een zogenaamde REALIST die elke schoonheid en elke idee smalend van de hand wijst als zijnde FLAUWEKUL. Wij zeggen reeds bij voorbaat dat de begrippen die in de genoemde gedachtengang voorkomen, wel degelijk bestaan, en ook dat de gedachtengang OP ZICHZELF juist is maar toch hebben wij er niets aan, en zlfs is het zo dat het VERKEERD is ons de werkelijkheid en het leven z te denken. En wel om de volgende redenen:

Het is duidelijk dat de zaak eigenlijk hierop neer komt dat de mens in zijn leven een WEG heeft af te leggen, en die weg is meer of minder MODDERIG. Maar ls het een mens gelukt er doorheen te komen dan komt hij dr waar hij eigenlijk behoort te zijn. Het LEVEN is die weg en aan het einde ligt de LEVENSKUNST: daar kn het leven want daar is het TEGENGESTELDE aan het leven, de EINDIGHEID, opgeheven.
Als wij die weg fmodderen zien wij steeds dat lichtende DOEL voor ons en onder het sjouwen denken wij na over dat doel en het komt ons voor als een SPROOKJE waarin lles KAN, terwijl er NU, langs de weg, NIETS KAN. Wij denken ons het wrkelijke LEVEN geheel en al VANUIT DE WEG WAARLANGS WIJ GAAN. Wij denken van BENEDEN NAAR BOVEN en stellen ons daarboven een wereld voor die met alle beslommeringen en kleinheden heeft fgedaan. Als wij dit alles goed uitdenken en geen grote fouten maken dan geldt al hetgeen de grote denkers en wijze mensen gezegd hebben , maar de zaak is desondanks tch FOUT gedacht, en wel om deze reden dat wij VAN BENEDEN NAAR BOVEN gedacht hebben.
Dit denken van beneden naar boven is in zekere zin niet te vermijden en daarop komen wij nog terug - maar voor ons, mensen van deze tijd, is zo langzamerhand het moment gekomen dat eens achterwege te laten. Want wij kunnen ons al wel indenken dat die gehele prachtige wereld, zoals die ons tot nu toe als TOEKOMSTBEELD voor ogen gestaan heeft, in werkelijkheid en in feite ONZE werkelijkheid is. De mens ZIET het leven niet langer als TOEKOMSTBEELD, maar hij begint ZICHZELF als het werkelijke leven te zien.

De mens die zichzelf ziet als het WERKELIJKE LEVEN, en die dus ook zichzelf beseft als het laatste van de werkelijkheid, namelijk HELDERHEID, heeft gn TOEKOMSTBEELD meer voor zich en voor hem is er gn WEG die afgelopen moet worden om een lichtend DOEL te bereiken, maar hij heeft wl een ZICHT op de werkelijkheid, en dan ziet hij het GEHEEL waarin zich eindeloos veel verschillende beweeglijkheden bevinden.
En hij ziet dat het dagelijkse leven, zoals dat voor lk mens als een aaneenschakeling van MOMENTEN aanwezig is, de INHOUD is van dat geheel en dat het als zodanig helemaal geen verzameling BANALITEITEN is. Hij ziet juist in dat deze aaneenschakeling het werkelijke leven is, als een REALITEIT. In hem is niet de drang naar het lichtende voorbeeld en hij versmaadt op grond daarvan de dagelijkse gebeurtenissen niet. Juist de aaneenschakeling van de momenten is het materiaal waarmee hij leven MOET, want iets anders is er niet. En aan die aaneenschakeling spiegelt zich het feit af dat hij als mens HELDERHEID is.

De vorige keer hebben wij er op gewezen dat de werkelijk MODERNE KUNST van de SCHOONHEID zlf uitgaat en deze schoonheid vervolgens AAN IETS naar voren laat komen. Hetzelfde geldt voor het leven, want de helderheid van de mens, en dus zijn LEVEN, komt naar voren aan IETS, namelijk aan de MOMENTEN waaruit dat leven opgebouwd is. Dit is het OMGEKEERDE van de ouderwetse denkwijze: men heeft altijd gedacht dat het dagelijkse leven ONTKEND moest worden, omdat de eindigheid en de beperktheid ontkend moesten worden om de weg vrij te maken voor datgene dat HET ANDERE was. Men kon GOD, of de GEEST, of de ZUIVERE REDE, of de HELDERHEID, of de LEVENSKUNST, alleen maar vinden door f te zien van het VERSCHIJNSEL, en dus van het LICHAMELIJKE, enzovoort. En als dat dan gelukt was zou er een nieuwe, en nu wrkelijk MENSELIJKE, wereld opengaan.
Alle grote cultuurgedachten kwamen met voorbeelden van diensten die het gelukt was te VERSTERVEN, en zo tot helderheid gekomen waren. Ook het EVANGELIE spreekt in deze zin, en zegt o.a. WERKT UZELF ZALIGHEID. Ook aan Boeddha gelukte het tenslotte. Maar WIJ kunnen ons terecht niet meer indenken dat er een wereld mogelijk is met allemaal Boeddhas. Als de mensheid eenmaal VOLWASSEN geworden is dan kan het geen andere dan een WERKENDE en DAGELIJKS LEVENDE wereld zijn, zonder VERSTERVING en andere geforceerde geestelijkheden. De grote cultuurvoorbeelden zijn noodzakelijk VAN BENEDEN NAAR BOVEN gedacht, en dn is het beeld van Boeddha terecht Maar het is allemaal OVERSPANNING en ook het SPROOKJE, in deze zin van het woord, is een fantasie van een overspannen geest.
Tenslotte gaat de mens, ALLE MENSEN, van HELDERHEID uit en dan weten zij met het dagelijkse leven raad zonder hoop op en verlangen naar HET HOGERE. En er zal niemand zijn voor wie dit alles niet geldt. En deze zaak, die aanvankelijk de mens als alleen maar een SCHONE MOGELIJKHEID voorkwam, is zo vanzelfsprekend een REALITEIT dat niemand op het idee komt er enige moeite voor te doen en ook zal niemand in bloemrijke bewoordingen de schoonheid ervan aanprijzen.
Wij hebben moeite ons dit in te denken omdat wij nog steeds OP DIE MODDERIGE WEG voortsjokken - zij het dan dat wij het einde ervan dicht genaderd zijn. Wij zien nog steeds p naar HET LICHT, en al is het een feit dat wij zo langzamerhand enige ZINNIGE dingen over dat LICHT kunnen zeggen, het is evenzeer een feit dat wij eigenlijk nog GELOVIG zijn.

Nu mogen wij niet denken dat met het bovengezegde de grote denkbeelden van de denkers en wijzen van de tafel geveegd zijn, want al denken wij dan niet meer VANUIT DE WEG, er IS wel een weg die wij gaan! Zoals met alles dat zich beweegt het geval is, verplaatsen wij ons k van A naar B en tijdens het gaan langs die weg komen wij in meerdere of mindere mate tot INZICHT. En voor de MENSHEID als groot geheel geldt precies hetzelfde.
Zoals gezegd kn men aanvankelijk niet anders dan VANUIT DE WEG denken en realiseerde men zich niet dat het LICHTENDE VOORBEELD er alleen maar kn zijn als de mens dat ZELF was. Ook de filosofie heeft dat tot voor kort niet doorzien wel ONTDEKTE de filosofie dat feit, maar het duurt altijd nog een tijd voordat de CONSEQUENTIES eruit getrokken worden. Voorlopig dacht men toch dat de mens zichzelf moest OMVORMEN om helderheid te zijn, maar thans is het voor ons duidelijk geworden dat de mens het zich alleen maar behoeft te realiseren IN ZIJN BESEF om geheel VANZELF behoorlijk te gaan leven zonder enige ontkenning van welk levensaspect dan ook. En ook zonder dat er iets geforceerd behoeft te worden.

Wij zullen de volgende keer hierop doorgaan.

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 21_1970 (geplaatst op 6 december 2008)

Naar bladwijzers: ConflictA ; ConflictB ; ConflictC ; ConflictD ;

Dinsdag, 12 januari 1971

De weg naar het doel
De vorige keer hebben wij de gedachte fgewezen dat de mens via een WEG tot zijn laatste mogelijkheid kon komen; een weg die eigenlijk inhield dat er iets GEFORCEERD moest worden door de mens zonder welk forceren er geen kans was op de LEVENSKUNST.
Wij stelden dat het LAATSTE, de HELDERHEID, zonder meer voor elke mens gold en dat er niets speciaals nodig was om dit feit waar te maken. Dit door ons gestelde nu is niet zonder meer duidelijk, enerzijds omdat wij eigenlijk nog niet gewend zijn om vanuit Het EINDE te denken, en anderzijds omdat wij in de mening verkeren dat er, denkende vanuit het einde, helemaal geen weg meer zou zijn.
Wij bevinden ons op het ogenblik in een ontwikkelingsfase die dicht tegen de allerlaatste ontwikkelingsmomenten aanligt. Uit allerlei spanningen en conflicten in onze moderne wereld blijkt dat dit zo is, maar dit wil nog niet zeggen dat we elk ogenblik een overgang naar een volwassen wereld kunnen verwachten. Een dergelijk proces, ook al loopt het bijna op zijn eind, neemt eeuwen in beslag, want het voltrekt zich via de opeenvolgende GENERATIES. Toch is het al wl zo, dat voor ons, ls wij tenminste de aanleg en de moed hebben om de zaken geheel OPNIEUW te denken, de mogelijkheid is vrijgekomen vanuit Het HELDERE de werkelijkheid te bezien.
Dan moeten wij als eerste vaststellen, dat er voor de mens persoonlijk zowel als voor de mensheid wel degelijk een WEG is die afgelegd wordt. De werkelijkheid immers bestaat uit BEWEGENDE IETSEN, en als wij daarmee te maken hebben, hebben wij vanzelfsprekend te maken met het begrip ZICH VERPLAATSEN. Alle ietsen waaruit de werkelijkheid bestaat, of dit nu de door de ietsen gevormde SAMENSTELLINGEN zijn of die ietsen zlf, bewegen zich VAN A NAAR B; zij gaan van een BEGIN naar een EINDE. In dit zich verplaatsen zit ook ons begrip TIJD besloten, en dat weten wij wel want wij denken het samen: het zich verplaatsen van A naar B kost een zekere tijd. Het leven van ons LEVEN kost ook een zekere tijd, en dat noemen wij gewoonlijk een mensenleven. De WEG van geboorte tot dood noemen wij zo, en k de tijd die daarbij verstrijkt.
Als wij vanuit HET HELDERE die zaak bekijken, dan spreekt het vanzelf dat wij zien dat de mens een weg aflegt. Maar het maakt een heel verschil hoe wij daar tegenover staan. Want als wij zlf nog op die weg lopen zijn wij bevangen door HET DOEL van de reis, m. a.w. als wij de zaak alsnog bekijken vanuit onze ontwikkeling tot volwassenheid dan zijn wij bevangen in HET HELDERE. En dat kan allerlei vormen aannemen, zoals GOD, of zoals het heldere INZICHT, maar wezenlijk maakt het niet veel verschil hoe wij het noemen. De kern van de zaak is dat wij VANUIT DE WEG NAAR HET DOEL over dat doel nadenken.
Als wij ons meteen als HELDERHEID opstellen, zien wij , dat de weg die wij afleggen, niets anders is dan de ononderbroken reeks van MOMENTEN die ons leven telt. En wij zien ook in dat lk van die momenten van eenzelfde WAARDE voor ons is. Het is allemaal INHOUD van het heldere, dat wij zlf zijn. Uiteindelijk is die aaneenschakeling van momenten, ons DAGELIJKSE LEVEN, dus zlf HELDER. En dit inzicht geeft een heel andere houding ten opzichte van ons eigen leven, hoewel wij een weg afleggen gaat het ons niet meer om het EINDDOEL van de reis, maar om die momenten zlf, en elk van die momenten is in zichzelf goed en volkomen omdat het geheel HELDER is. Hiermede wil niet gezegd zijn dat een mens geen FOUTEN kan maken, en bij gelegenheid niet voor PROBLEMEN kan komen te staan. Maar IN PRINCIPE is elk probleem opgelost en verder is nu lke FOUT ook werkelijk een FOUT die voortaan voorkomen kan worden. Denken wij echter, zoals vroeger VANUIT DE WEG, dan denken wij vanuit de ONVOLKOMENHEID, en dn is een fout niet gewoon maar een fout, maar de wezenlijke GRONDSLAG van ons leven. Dit laatste is niet alleen een MISKENNING van de mens, maar het is ook een onoverkomelijke HINDERNIS om tot een behoorlijk leven te komen!


De DENKERS van vroeger hebben allemaal VANUIT DE WEG gedacht, en dat kon natuurlijk niet nders vanwege hun ontwikkelingsfase. Bijgevolg hebben zij de REDDING van de wereld altijd van een ANDERE GESTELDHEID verwacht: er moest iets in de mens VERANDEREN als er nog eens een leefbare wereld zou moeten komen. Elk mens zou iets in zichzelf te bewerken hebben maar zo langzamerhand is ons al wel duidelijk geworden dat wij iets dergelijks van geen enkel mens kunnen verwachten.

Er is ons echter nog meer duidelijk geworden allerlei veranderingen die in de loop der eeuwen in de samenleving zijn doorgezet, zijn geheel VANZELF tot stand gekomen zonder dat de mensen PERSOONLIJK iets geforceerd hadden, en zo zal de mensheid straks ook VOLWASSEN worden zonder al die moeilijke opgaven van de denkers en wijzen. Want de mens is bij zijn verschijnen op de planeet al VOLWAARDIG, en het feit dat hij een WEG aflegt is eigenlijk niet zo belangrijk.
Inderdaad geeft de afgelegde weg van de mensheid qua helderheid weinig hoop; er is welbeschouwd in die weg zlf geen enkel lichtpuntje te vinden en ook de toekomst is weinig rooskleurig. Het spreekt vanzelf dat de denkers het van een ANDERE GESTELDHEID verwacht hebben, want het doel dat zij voor ogen zagen beantwoordde in het geheel niet aan de REALITEIT. En dat zal nooit het geval zijn, hoe oud de wereld ook wordt. Dit is geen gebrek aan de REALITEIT, maar aan het door de mensen gestelde DOEL!
De filosoof HEGEL was geen GELOVIG man in de kerkelijke zin, maar toch dacht hij een HOOGTEPUNT in de werkelijkheid zlf, en in de verschijnselen IN die werkelijkheid. Hij dacht lles naar een IDEALITEIT toe. Dit kan OP ZICHZELF geen fout denken genoemd worden want vanuit zijn gegevens klopte zijn denken precies, en ook voor diegene die vanuit de helderheid zlf denkt zit er geen fout in, maar LEVENSVATBAARHEID zit er ook niet in. Want de zaak blijft een IDEALITEIT en dus, voor hem die zich er toe geroepen voelt, een OPGAVE. De filosoof KANT wilde de mensen zelfs op de een of andere manier DWINGEN zich die opgave te stellen, en de meeste denkers van nze tijd verwachten voor de toekomst veel van een goed ONDERWIJS. Maar dit alles is een denken NAAR BOVEN dat geen praktische resultaten kn opleveren.
De weg van de mensheid n van de mens persoonlijk is de inhoud van het HELDERE en dit is de enige reden waarom de lucht, tijdens het gaan langs de weg, langzaamaan opklaart.


Omdat wij dicht genaderd zijn tot de laatste ONTWIKKELINGSMOMENTEN van de mensheid kunnen WIJ zo langzamerhand de poging wagen de zaak in zijn werkelijke verhoudingen te zien. En dan komen wij tot de conclusie dat de volwassen mensen van straks ZOMAAR VANZELF vanuit het heldere denken en leven. En dit brengt met zich mee dat zij vanzelf PRAKTISCH zijn.
Wij vinden van onszelf dat wij in een tijd leven waarin alles praktisch uitgedokterd moet zijn. Wij noemen onszelf EFFICINT, maar wij hebben niet in de gaten dat wij meer dan ooit ONPRAKTISCH zijn. Wij zijn in staat vele en goede DINGEN te maken en daarvan een groot deel van de mensheid te voorzien. Maar wij DOEN dat niet: wij leveren die dingen zoveel mogelijk steeds aan DEZELFDE mensen voor steeds HOGERE PRIJZEN en zo is een groot deel van onze productie-capaciteit ingezet voor iets dat eigenlijk WAANZINNIG is. En z onpraktisch zijn wij dat wij zelfs in onze wetenschappen die handelwijze verdedigen en vervolmaken. De ECONOMIE gaat hierin voorop, maar zij zijn het niet alleen: vele knappe technici houden zich bezig met het ontwerpen van bijvoorbeeld een nder MODEL voor een goed ding, dat al bestaat. Dit nieuwe MODEL maakt de MARKT weer levend en geeft een SCHIJN VAN ZINNIGHEID aan ons gedoe. We VERDIENEN er weer goed aan en we geven weer zveel honderden mensen werk, en dus BROOD.
Maar een werkelijk praktisch mens maakt dingen die de mensen NODIG hebben, en hij zorgt er ook voor dat die dingen terechtkomen bij die mensen die ze nodig hebben. Dt is werkelijk EFFICINT werken en samenleven maar toegegeven moet worden dat je daarmee geen IMPERIUM opbouwt, en van de winst kan men zelfs geen bromfiets kopen!
Zo is op elk terrein na te gaan hoe een volwassen mens de zaken bekijkt en dan zien wij, dat er, vergeleken bij het begin, wel degelijk iets veranderd is; wij kunnen zelfs met recht van EEN ANDERE GESTELDHEID spreken. Het evangelie had dus wl gelijk als het stelde dat er een andere gesteldheid nodig was, en vele denkers en wijzen van voor en na het evangelie ook. Maar zij konden nog niet inzien dat het allemaal VANZELF zou gaan. Dat de mens vanzelf zou ontdekken dat hij zlf HET HELDERE was, en zodoende zichzelf als DE WEG inhield.
De evangelische mensen hebben er wel een VERMOEDEN van gehad, bij wijze van VISIOEN. Maar met de realiteit van de zaak konden zij niet uit de voeten. Hun inzichten werden dan ook al gauw CHRISTELIJKE BEGINSELEN, en deze aanvankelijk wlgemeende beginselen groeiden uit tot de kerkelijke LEERSTELLINGEN, die een rijke bron van DWINGELANDIJ zijn geworden. Geen enkel denken in een ontwikkelingsfase van de mensheid is in staat de REALITEIT voor de geest te halen het blijven altijd - op zijn best - IDEALITEITEN.

Naar bladwijzers: ConflictA ; ConflictB ; ConflictC ; ConflictD ;

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 22_1970 (geplaatst op 7 december 2008)

Dinsdag, 19 januari 1971

Waarvan de mens zich bewust is
Reeds bij een vorige gelegenheid hebben wij er op gewezen dat het BEWUSTZIJN niet alleen maar een zaak is van de mens, doch van de gehele LEVENDE werkelijkheid. Een DIER dus heeft ook bewustzijn; hij doet dan ook ervaringen van allerlei aard op en hij kan bepaalde dingen LEREN. Ook is het bewustzijn van een dier uit te blussen, enzovoort. Wat een dier echter niet heeft is ZELFBEWUSTZIJN, en dat betekent dat hij er zich niet van bewust wordt dat hij allerlei ervaart. Hij WEET dus niet van zijn eigen bewustzijn.
Het BEWUSTZIJN is de INHOUD van het organisme; het is namelijk het TOTAAL van l het VOORGAANDE dat verweven is in datgene dat het betreffende dier, of de betreffende mens, is. Bij de mens is die INHOUD wrkelijk COMPLEET omdat hij het LAATSTE verschijnsel op de planeet is, en het is juist vanwege dit COMPLEET-zijn dat bij de mens het ZELFBEWUSTZIJN optreedt. Wij hebben hierover uitvoerig gesproken, en kunnen ons dus nu tot de hoofdzaken beperken.
De mens komt tot WETEN omtrent die INHOUD; hij komt dus tot weten omtrent een TOTAAL aan CONCREETHEDEN, en die concreetheden zijn ALLE denkbare verhoudingen die de werkelijkheid opgeleverd heeft. Uiteraard zijn het concreetheden, want het zijn eigenlijk de VERSCHIJNSELEN, die aan het LAATSTE verschijnsel vooraf zijn gegaan. Maar als VERSCHIJNSEL liggen die verhoudingen niet in het bewustzijn van de mens besloten; het zijn eigenlijk inderdaad VERHOUDINGEN, die echter z gesteld zijn dat de mens er in de praktijk onmiddellijk mee vertrouwd is. Wat de mens dus in de praktijk leert kennen sluit aan hij die verhoudingen.
De een na de ander komen de verhoudingen, die INHOUD zijn van het bewustzijn, voor de dag en als ze voor de dag gekomen zijn liggen ze in het ZELFBEWUSTZIJN. De mens weet er dan van en hij leeft er naar. En altijd zijn het de laatst ontdekte verhoudingen die hem de maat zijn en die al hetgeen hij reeds ontdekt heeft overspoelen zoals ze ook de GEVOELENS overspoelen die hij vanuit zijn BEWUSTZIJN omtrent zichzelf heeft. Dit is de gang van zaken tijdens het voortgaan langs de WEG waarover wij gesproken hebben. Op elk moment van die weg is de mens zich CONCREET van dat moment bewust en dat is hem de maat.

Vanuit zijn ZELFBEWUSTZIJN kan een mens aan dat maatgevende concrete moment niet ontkomen, want het is juist zijn zelfbewustzijn dat geheel en al dt moment is. Wel kan hij vanuit zijn BEWUSTZIJN AANVOELEN dat het concrete zelfbewustzijn aan zijn menselijkheid in de weg staat en zo komt hij er toe dit voor hem concrete NU wg te willen werken door het te ontkennen, terwijl hij tevens vanuit DITZELFDE n een volmaakte werkelijkheid uitdenkt die alles te boven en te buiten gaat. Wij kunnen dus welbeschouwd zeggen dat HET HOGERE, waarover de mensen spreken evenzeer een CONCRETE en dus ook BEGRENSDE aangelegenheid is als de werkelijkheid waar hij middenin staat, al is deze laatste werkelijkheid dan ook voor hem ONTKEND. Wij behoeven maar weinig van de GODSDIENSTEN te weten om in te zien dat het voor de mensen zeker om iets CONCREETS gaat, al wordt er over allerlei abstracties gesproken.
Het zelfbewustzijn kan niet ontkend worden, d.w.z. het kan er niet NIET zijn, maar er komt in sommige mensen wl een mogelijkheid voor de dag die er anders uitziet. Het kan in een enkeling namelijk voorkomen dat hij niets MAATGEVENDS ziet in het zelfbewustzijn, zodat het hem gaat om het GEHEEL dat hij is, en dat GEHEEL voelt hij aan vanuit zijn BEWUSTZIJN. Dit is inderdaad een kwestie van GEVOEL, want het DENKEN en het VERSTAND behoren bij het zlfbewustzijn en zij geven dus geen inzicht in het GEHEEL. Vanuit dit GEVOEL kn een mens leven en dan niet znder zelfbewustzijn, maar ONGEACHT zijn zelfbewustzijn.
In de west-europese literatuur komt een dergelijke figuur voor, en waarschijnlijk is het de enige omdat west-europa op het ZELFBEWUSTZIJN is ingesteld. Die figuur is getekend door CHARLES DE COSTER en heet TIJL UILENSPIEGEL. Wij hebben hier te doen met een ZONNEKIND dat geheel vanuit HET HELDERE leeft en waarnaast alle zelfbewuste gewichtigheden verbleken. Hij is niet de grappenmaker die wij denken dat hij is - wij kunnen niet verder denken dan een grappenmaker - maar hij is werkelijk een MENS. En het meest opvallende aan hem is, dat hij, een BEHOORLIJK mens, met zijn behoorlijkheid niet VOOR GEK LOOPT in de wereld, maar dat die wereld zlf voor gek staat overal waar hij verschijnt. Die wereld kan zelfs ten opzichte van hem helemaal niet uit de voeten en het gelukt haar ook niet hem klein te krijgen. Dit bewijst dat wij te doen hebben met iemand die niet in een wereld van IDEEN leeft, maar gewoon in de werkelijkheid NU. Er is dus geen sprake van een VERGUIZING van het NU terwille van iets dat in de toekomst ligt.

In dit verband is het van belang ons te realiseren dat het in de west-europese cultuur altijd z is dat iemand een IDEE vertegenwoordigt, en mt die idee in de praktijk VOOR GEK loopt. Want volgens het westerse denken staat de idee voor gek in de wereld. Wij denken bijvoorbeeld aan DON QUICHOTTE van CERVANTES, maar ook kunnen wij denken aan de CLOWNSFIGUUR, die een algemeen bekend westers begrip is. Het behoorlijke kn niet in de wereld en staat voor gek - en dit klopt ook wel want het westerse behoorlijke is een VAN ONDER NAAR BOVEN GEDACHTE IDEE, die in de praktijk niet houdbaar is. Wij plegen dat niet-houdbaar-zijn te schuiven op rekening van een VERDORVEN WERELD, maar het zit in die idee zlf
Liep DON QUICHOTTE voor gek in de wereld, bij TIJL UILENSPIEGEL is het zo, dat de wereld AAN HEM voor gek stond - en niet alleen dt: de wereld moest geducht voor hem oppassen want zijn WRAAK ging door lles heen, Uitvoeriger kunt U van dit alles kennis nemen in mijn boek over TIJL UILENSPIEGEL.
Omdat wij dicht tegen de laatste ontwikkelingsmomenten aan leven zijn er in onze wereld tal van verschijnselen die er op wijzen dat de mensen genoeg beginnen te krijgen van zichzelf als ZELFBEWUSTZIJN. Natuurlijk hebben de pogingen om dit te realiseren nog sterk het karakter van het ONTKENNEN ervan, maar de SFEER wordt toch steeds algemener, en uiteraard bij de jonge mensen die tussen JEUGD en VOLWASSENHEID in staan. De MANIER waarop die bedoelde POGING gewaagd wordt is meestal niet te verdedigen: men neemt zijn toevlucht tot DRUGS of men stort zich in een aantal UITERLIJKHEDEN van een ndere cultuur: die van INDIA. Maar desondanks is de grondtoon toch deze dat men van het ZELFBEWUSTE f wil; ook de moderne POP-MUZIEK van de jongelui is er een voorbeeld van, maar gelukkig is dit een POSITIEF voorbeeld. Verder wordt er alsmaar gesproken over de maatschappij van morgen, maar dit alles staat nog in het teken van het ouderwetse denken, dat niet verder komt inzake de toekomst dan het OPVOEDEN.

Waar is de samenleving
Het is nu tijd dat wij ons eens nader gaan bezinnen op het begrip SAMENLEVING, en daarbij stellen wij meteen al vast, dat ons huidige denken, al doet het zich nog zo MODERN voor, tot niets nders in staat is dan de zaak FOUT te denken. Al weer omdat het van beneden naar boven gedacht wordt. Deze FOUT blijkt uit het feit, dat men steeds van de een of andere OPVOEDING redding verwacht.
Tot nu toe levert de GESCHIEDENIS geen voorbeeld van een SAMENLEVING, en als wij toch zoeken naar een glimp ervan, dan komen wij terecht in de SLOPPEN EN DE STEGEN waar de mensen wonen die nauwelijks deel hebben aan hun maatschappij. Niet dat ARMOEDE en SAMENLEVING samen behren te gaan. maar tot nu toe, door de rol die het ZELFBEWUSTZIJN speelt, ws dat wel zo! Elke trede die men op de ladder van de maatschappij beklimt betekent een evenredige ontkenning van het begrip SAMENLEVING.
Als WIJ ons de samenleving dnken, dan geen wij van de MAATSCHAPPIJ uit en komen zo tot een soort van LIEFELIJKE maatschappij. Er is nog nooit iets anders dan een MAATSCHAPPIJ geweest d.w.z. de ELEMENTEN waaruit de mensheid BESTAAT n de ONDERLINGE VERHOUDING. Maar een zaak is niet wrkelijk te denken vanuit zijn INHOUD en zo is door ons geen SAMENLEVING te denken, gewoonlijk.
De IDEALITEITEN, die de mensen altijd voor ogen gestaan hebben zijn dan ook altijd MAATSCHAPPELIJK geweest, reden waarom zij de neiging hebben in de maatschappij in te grijpen. Zij behoren bij elkaar zoals god als de ontkenning van het lichamelijke bij het lichaam behoort.
Voorzover de mensen zich houden bij hun ZELFBEWUSTZIJN, en dus in het teken staan van de WEG die zij af te leggen hebben, gaat hun LEVEN verloren aan het MAATSCHAPPELIJKE. Dit maatschappelijke GAAT ALTIJD DOOR: ongeacht morele kwesties, godsdienstige inzichten of een nieuw cultuurbesef. En dit komt doordat het maatschappelijke, hoewel bij de mens behorend, tch een aparte grootheid is. Het zelfbewustzijn is immers ook een aparte grootheid, die eigenlijk zelfs het menselijke IN DE WEG STAAT En de IDEALEN van de mensen leveren geen samenleving op; zij staan er meestal ook aan in de weg. De godsdienstige denkbeelden hebben de wereld altijd meer VERSCHEURD dan dat zij de mensen SAMEN gebracht hebben.
Vanuit de bovenstaande gegevens is het niet mogelijk enig idee te krijgen van datgene dat de SAMENLEVING is. Wij zullen zien hoe het dn moet.

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 23_1970 (geplaatst op 7 december 2008)

Dinsdag, 26 januari 1971

Het bevangen zijn in het zelfbewuste
Wij hebben er de vorige week op gewezen dat voor een man als TIJL UILENSPIEGEL het ZELFBEWUSTZIJN niet DE MAAT was. Het is echter noodzakelijk dat wij hier nog wat dieper op ingaan, omdat het eigenlijk zo is, dat het zelfbewustzijn voor lke mens DE MAAT is. Ook voor TIJL UILENSPIEGEL is dit een feit, want lles wat men WEET, omtrent zichzelf, en dus ook omtrent de werkelijkheid in haar totaliteit is een zaak van het zelfbewustzijn. Zonder het zelfbewustzijn is er geen WETEN en KENNEN en dan is er dus ook niet deze situatie dat de mens zich REALISEERT wie hij is. Al zou de mens zonder zijn zelfbewustzijn nog steeds een MENS zijn - hoewel hij z niet kan bestaan - is hij toch net eender als een DIER, dat het werkelijk zonder zelfbewustzijn stellen moet.
Maar tot de mens dringt het feit dat hij er is, en HOE hij er is, duidelijk door, en het is gemakkelijk te verstaan dat dit DOORDRINGEN tot hem van het feit dt hij er is voor hem het ALLERLAATSTE is, en dus voor hem ook het MAATGEVENDE. Boven eigen zelfbewustzijn kan de mens niet uit en hij kan er ook niet OMHEEN; het is de BEPALING van zijn eigen ZIJN.
Als wij echter opgemerkt hebben dat het zelfbewustzijn niet maatgevend behoort te zijn, dan bedoelen wij dit, dat het zelfbewustzijn niet HET GEDRAG van de mensen behoort te BEPALEN. Want het GEDRAG is vanuit het BEWUSTZIJN, zoals wij bij vorige gelegenheden reeds uitvoerig uiteengezet hebben. En voor dit bewustzijn geldt dat het HET GEHEEL is zonder n factor die er uitspringt. In wezen is het gedrag vanuit het bewustzijn dus GOED. En het enige dat het ZELFBEWUSTZIJN in deze zaak doet is dat het CONSTATEERT - na verloop van tijd - dt het GOED is. Dit laatste is dan in alle opzichten MAATGEVEND, maar het is ACHTERAF en deze ACHTERAF geconstateerde NORM moet ook achteraf blijven. Tot nu toe achter hebben de mensen laten zien dat zij datgene dat achteraf gebleken is ALS MAAT gaan stellen voor het KOMENDE, waardoor zij HET LEVEN, want het vrijgekomen zijn van het BEWUSTZIJN, alleen maar BELEMMEREN en in n richting FORCEREN. Spreken wij van het MAATGEVENDE ZELFBEWUSTZIJN, dan hebben wij derhalve met deze situatie te doen dat HET LEVEN BEVANGEN IS IN EEN VASTE NORM, die bovendien een norm is van een moment DAT VOORBIJ IS. De juistheid OP ZICHZELF van die norm valt dan wel niet aan te tasten, maar met het NU, met DIT MOMENT, heeft hij niets te maken.
Voorzover dus de mens zich bewust is van eigen ZIJN, geldt alleen maar Het ZELFBEWUSTZIJN en er is dan geen ndere MAAT, maar inzake het leven, dat altijd het moment NU is, is deze maat onvolwaardig en dus een BELEMMERING.

Dat wat de mens ZELFBEWUST is geworden is eigenlijk een gedeelte van de INHOUD van het BEWUSTZIJN. Dit gedeelte is tot WETEN geworden in de mens; het is zijn KENNIS. Het bewustzijn BESTAAT dan ook UIT die kennis, en als voor een mens deze verhouding gehandhaafd blijft, of straks bij de VOLWASSEN mens weer aanwezig is, dan is hij in staat tot LEVEN. Het zelfbewuste is dan INHOUD van het leven en niet, zoals bij de alsnog ONVOLWASSEN mens, de RICHTLIJN van zijn leven.
Is dit echter nog wl het geval, dan zien wij dat de mensen van een bepaald ontwikkelingsmoment BEVANGEN zijn in dat moment en hun gehele leven daarnaar richten. Tot aan de MODERNE CULTUUR betekent dat een gericht-zijn OP DE DINGEN want die zijn het die als eerste voor de mensen zelfbewust worden. Uiteraard zijn hierin vele ontwikkelingstrappen te onderscheiden, en zelfs is het aan het begin zo (denk aan de OUDHEID) dat wij nauwelijks een gericht-zijn op d dingen kunnen waarnemen, maar toch is dit een feit. En dat feit verdwijnt pas dn als de MODERNE CULTUUR werkelijk DOORGEZET is. Wij zullen nog zien hoe in die moderne cultuur het gericht-zijn betrekking heeft op het INTELLECTUELE, omdat de mens zich dan op het zelfbewustzijn zlf richt.
Voorlopig echter gaat het om de BEREKENBARE VERHOUDINGEN (= de dingen). En zo zien wij door de gehele geschiedenis heen dat de meeste mensen de verhouding die in hn tijd aan de orde is geheel VERBLIND najagen. Men probeert die verhouding zoveel mogelijk waar te maken en zo hoog mogelijk de ladder te beklimmen. De ladder van het BEREKENBARE is tevens de ladder van het MAATSCHAPPELIJKE, want in de mens als MAATSCHAPPIJ gaat het om precies hetzelfde. De maatschappij IS zlf de mensheid voorzover die BESTAAT UIT DITTEN EN DATTEN en de ONDERLINGE VERHOUDING daartussen. En deze zaak slaat in de BEVANGEN mens aan omdat hij van ZICHZELF precies hetzelfde meent. Zo zien wij dan dat het leven van de ONVOLWASSEN mensen geheel en al in de MAATSCHAPPIJ pgaat Dit is de verkiezing voor het feit dat wij slechts een GLIMP van SAMENLEVEN aantreffen als wij door de geschiedenis heen de mensheid bekijken. En globaal moeten wij vaststellen dat er nooit een SAMENLEVING geweest is.

De verlorenen
Als nu vrijwel iedereen BEVANGEN is in zijn zelfbewustzijn, en dus rnaatschappelijk bezig is, dan is het gemakkelijk te begrijpen dat er mensen zijn die HOOG weten te klimmen op de ladder, dat er VELEN zijn die ongeveer in het midden zitten en dat de meesten - en dat sterker naarmate wij meer in de geschiedenis terug gaan - ergens ONDERAAN een houvast zoeken. Die mensen MISSEN iets waardoor het allemaal niet z best gaat, maar wat zij missen is iets dat lles met hun ZELFBEWUSTZIJN te maken heeft. Bijgevolg zijn zij er - zij het ONGEWILD - minder in BEVANGEN en daardoor is er bij hen iets van LEVEN te bespeuren. En dus ook van SAMENLEVEN. Dit feit was, vooral vroeger, gemakkelijk te constateren als wij de zogeheten ACHTERBUURTEN in gingen. Het was er GEZELLIG en het ging er GEMOEDELIJK toe. Die mensen vormden een EENHEID en de wereldse GEWICHTIGHEID was vr te zoeken. Maar vergist U zich niet: de ndere kant van de medaille was de schrijnende ARMOEDE, de ONBETROUWBAARHEID en de LEVENSGEVAARLIJKE situatie! De maatschappij namelijk IN DE MODDER.
Die zaak van die VERLORENEN was NEGATIEF: er was namelijk een GEMIS en dat gemis leverde QUA LEVEN de gemoedelijkheid op, maar QUA LEVENSVOORWAARDE ( qua BESTAAN) een en al grauwe ELLENDE.
Als de mensen TENSLOTTE niet meer bevangen zijn in het zelfbewuste is de zaak echter POSITIEF geworden, en dan gaat het niet meer over een GEMIS, maar over een NIEUWE GESTELDHEID. Omdat het GEMIS dan verdwenen is, is ook de ARMOEDE niet meer te denken zodat dan de tragische verbinding tussen LEVEN en ARMOEDE opgeheven is. Wat aanvankelijk in de onvolwassen wereld noodzakelijk in armoede uitliep is dn EENVOUD geworden en dit is geen kwestie meer van OMSTANDIGHEDEN, maar het is een GESTELDHEID van de mens zlf.
In de moderne tijd verdwijnt de ARMOEDE, maar dit betekent nog niet zonder meer dat er DUS voor de VERLORENEN een basis voor LEVEN is. Want mt het gaan MEETELLEN van IEDEREEN komt iedereen stevig op de LADDER te zitten, en ook al zit men een beetje onderaan: MEN ZIT ER OP, en is dus maatschappelijk geworden. Het zelfbewustzijn is dwingend geworden voor die mensen. Aan LEVEN, met daaraan meekomend GEZELLIGHEID en GEMOEDELIJKHEID wordt niet meer gedacht. Er wordt wl aan gedacht dat er nu KANSEN zijn om HOGEROP te komen. Hieruit valt gemakkelijk af te leiden dat er in de MODERNE MENSHEID ng minder geleefd wordt en dat er ng minder sprake kan zijn van een SAMENLEVING.

Wij hebben reeds meerdere malen gezegd dat in het zelfbewustzijn de verhoudingen DE EEN NA DE ANDER voor de dag komen. En die verhoudingen zijn BEREKENBARE verhoudingen; het gaat om het VASTGELEGDE ervan.
Tenslotte echter, als de MODERNE TIJD aanbreekt, gaat het zelfbewustzijn zich MET ZICHZELF bezig houden, en dat betekent dat het dan om het INTELLECT gaat. Maar nu is het daarmee z gesteld dat het voor IEDEREEN geldt, d.w.z. ongeacht de plaats die men op de ladder inneemt geldt het intellectuele. De n is in dit opzicht meer begaafd dan de ander en naar gelang daarvan neemt men een plaats in. Het deel hebben aan de INHOUD van het zelfbewustzijn is niet meer het dwingende, maar de kwaliteit van het zelfbewustzijn zlf. Dit betekent dat de rangorde bepaald wordt door de INTELLIGENTIE. Maar dit betekent ook dat er voor een ieder wel een plaatsje is want intelligentie geldt voor ieder mens.
Als het zelfbewustzijn zich met zichzelf gaat bezig houden gaat het op den duur onherroepelijk zichzelf VERVLUCHTIGEN. Het ANALYSEERT zichzelf net zo lang tot alles HELDER geworden is; helder is dan datgene waar voordien TEGENAAN gekeken werd toen het alleen nog maar als INHOUD voor de dag kwam.
Het einde van deze vervluchtiging is natuurlijk de vluchtigheid zlf; dan is het zelfbewustzijn automatisch op de plaats gekomen waar het voor de mens behoort te zijn. Het is dan de HELDERE INHOUD van het LEVEN geworden en dan is natuurlijk de mensheid VOLWASSEN geworden.
Wij zullen de volgende keer nog nader spreken over dit vervluchtigen, want het is heel goed mogelijk dat dit toch verkeerd verstaan wordt. Gemakkelijk denken wij toch aan een mens die op de een of andere manier WEZENLOOS is, namelijk aan een ZIEK mens voor wie het zelfbewuste zlf opgelost is. Wat echter in feite vervluchtigt is de INHOUD en dat is een heel andere situatie.

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 24_1970 (geplaatst op 7 december 2008)

Naar Bladwijzers: Bekwaamheid: A1, Bekwaamheid: B2, nrs.7, 8, 9, 10 en 11, C3: nrs 24, 25, 30 en 39

Dinsdag, 2 februari 1971

Het einde van de ontwikkeling
Aan het eind van het ONTWIKKELINGSPROCES, dat wij bij andere gelegenheden ook het VERHELDERINGSPROCES genoemd hebben, komt het feit voor de dag dat de mens alles omtrent zowel het EEN als het ANDER aan de weet gekomen is. Het is al die tijd gegaan om het ontdekken van de werkelijkheid zelf en daarbij kwamen alle mogelijke verhoudingen tussen en gesteldheden van HET EEN EN HET ANDER voor de dag.
Het kn niet anders of op een gegeven moment is ALLES voor de dag gekomen, want wij hebben hier te doen met een BEREKENBARE zaak. Er komt dus een EINDE aan en als dat einde er is, dn begint de MODERNE MENS. Wij moeten evenwel goed opletten, want als wij zeggen dat er een einde aan de zaak gekomen is, wil dit nog niet zeggen dat het PROCES, dat dat einde opgeleverd heeft, verder stilstaat en niet meer bij de mensen voorkomt. Integendeel, dat PROCES gaat onverminderd voort zolang er mensen op de planeet zijn, maar als wij zeggen dat ALLES ontdekt is, dan betekent dit dat we bij de GRONDSTRUCTUUR van de werkelijkheid zijn aangeland. Het kennen van deze grondstructuur betekent het kennen van de werkelijkheid zlf en dit houdt natuurlijk in dat wij ALLES kennen.
Maar in de werkelijkheid is het een ONEINDIG GROOT AANTAL verschillende verhoudingen en het ontdekken hiervan gaat eeuwig door. Eerst echter moet dit ontdekken zlf GELUKKEN, en dat feit treedt uiteraard op als de mensen Het TOTAAL kunnen overzien. Dit laatste nu geldt als de moderne mens op gaat treden en als hij de allerlaatste fase van het ONTWIKKELINGPROCES inluidt. Voor deze moderne mens geldt, net zo als voor lke mens waar dan ook in de kosmos, dat zijn NIET- WETEN oneindig veel groter is dan zijn WEL-WETEN, maar dit betreft de EXACTE berekening van BEPAALDE verhoudingen. Maar tevens geldt voor elke MODERNE mens in de kosmos, dat hij ALLES weet. In de moderne wetenschap blijkt dit uit het feit dat wij alles KUNNEN onderzoeken en uitrafelen; wij behoeven ons er slechts toe te zetten om tot een resultaat te komen. Voordien, vr het optreden van de MODERNE MENS, gold dit niet. Zelfs de vaak verbluffende resultaten van ENKELINGEN mogen wij niet aanmerken als een werkelijk KUNNEN, in wetenschappelijke zin, omdat het slechts die ENKELINGEN zijn die hiermee komen. Als iets werkelijk KAN, dan kan het op lk GEWENST moment en onder lle omstandigheden.
Dit ALTIJD KUNNEN gaat voor de mensen gelden als zij de SLEUTEL tot het kunnen gevonden hebben, en die sleutel is het INTELLECT. Als het zelfbewustzijn tenslotte ALLES ontdekt heeft ontdekt het ZICHZELF en dan is het gereedschap voorhanden voor een volledig doorgronden van de werkelijkheid.
De gehele ONTWIKKELINGSGESCHIEDENIS is een INTELLECTUEEL PROCES, maar dat dit zo is ontdekken de mensen pas aan het EINDE. Dat de zaak intellectueel is betekent niet dat het er allemaal zo VERLICHT toe gaat; het draait immers allemaal om het grijp wat je grijpen kan omdat dit intellectuele proces voorlopig gericht is op HET EEN EN HET ANDER. De DINGEN zijn in de grond van de zaak de drijfveer van de zich ontwikkelende mensen en dit maakt van dat intellectuele proces onmiddellijk een BLOEDBAD! En dit bloedbad wordt van geslcht op geslacht meer GERAFFINEERD, want meer INTELLECTUEEL.
Het intellectuele proces is iets nders dan het VERHELDERINGSPROCES; dit laatste proces is niet intellectueel, maar PSYCHISCH; het heeft met het BEWUSTZIJN van de mensen te maken. De VERHELDERING is wat er wrkelijk plaats vindt, maar dit VERTOONT zich niet. Wat zich vertoont is het genoemde INTELLECTUELE PROCES, en nog een nder proces: het LICHAMELIJKE. In de loop van de ontwikkeling verandert namelijk ook het UITERLIJK van de mensen.
Aan het eind blijkt het dus allemaal intellectueel te zijn, en in het licht van dit feit moeten wij de moderne mens bezien. Als wij om ons heen kijken bemerken wij dat de enige norm die tegenwoordig door de mensen aangelegd wordt deze is dat alles INTELLECTUEEL VERANTWOORD moet zijn. En dan doet het er niet toe of een bepaalde zaak in wezen onrechtvaardig is of onmenselijk - daarover kn het intellect namelijk geen uitsluitsel geven - ls de ARGUMENTATIE maar logisch aanvaardbaar is. Onze gehele DEMOCRATIE steunt op de logische argumentatie - dat dit zo is blijkt steeds duidelijker uit het feit dat het alles PRATEN is en dat langs die weg zelfs onverantwoorde zaken doorgezet worden zonder noemenswaardige tegenstand vanuit die praters zlf. Een voorbeeld hiervan is het nog steeds uitblijven van maatregelen inzake de milieuverontreiniging. Maar GEPRAAT en GEARGUMENTEERD wordt er eindeloos - en dat vindt iedereen NORMAAL!

Het intellect is de sleutel tot het ontdekken van de werkelijkheid; de werkelijkheid STELT ZICH OPEN ervoor en tegelijk daarmee VOEGT de werkelijkheid zich naar het intellect. Ook de mens voegt zich ernaar en daarom kan hij dan ook met het grootste gemak recht praten wat krom is. De moderne mens, voor wie het intellect ALLESBEHEERSEND is laat zich alles AANPRATEN; hij laat zijn inzichten vallen als een ander hem kan overtuigen en hij is voortdurend in de weer om zelf de anderen met intellectuele argumenten plat te krijgen. Hij zal een eindeloos GEKLETS over te nemen maatregelen als normaal aanvaarden en diegene die deze maatregelen zonder meer NEEMT veroordelen wegens ONDEMOCRATISCH en ONREDELIJK gedrag. Het INTELLECT is hem lles, de DAAD is hem een gruwel!
In de moderne wetenschap gaat het niet meer om de HOEVEELHEID KENNIS die iemand bezit, maar het gaat om zijn vermogen zich intellectueel in te zetten. De directeur van een scheepswerf behoeft van SCHEEPSBOUW niets te weten, als zijn intellect maar z gesteld is dat hij de hele SCHEEPSWERF goed kan laten draaien. De COMPUTER doet het werk en zorgt voor de GEGEVENS (=de kennis); van de MENS wordt verlengd dat hij de computer kan PROGRAMMEREN. Dit wil zeggen dat de mens zijn intellect kan INZETTEN. En dit heeft met BEKWAAMHEID niets te maken en ook niet met onbekwaamheid. Wij missen de organische verbinding tussen de DAAD en het INTELLECT; ns gaat het alleen om het laatste en daarom heeft de zaak met BEKWAAMHEID niets te maken.

Het vervluchtigen
Wij hebben er de vorige keer reeds op gewezen dat het ZELFBEWUSTZIJN, als het zich met zichzelf bezig is gaan houden op den duur zijn eigen inhoud vervluchtigt. En hierboven lezen wij over het PRATEN dat onder de mensen steeds meer gangbaar wordt. Deze twee zaken, het vervluchtigen en het praten, behoren bij elkaar. Want het praten is bij de mens de concrete uiting van het UITEENLEGGEN van het EEN en het ANDER. Aan het praten VERTOONT de mens dus die activiteit van het uiteenleggen. Tenslotte is alles uiteengelegd en ook uiteengepraat, en dan is er van de zaak waarom het ging niets meer overgebleven.
Bezien vanuit het leven zlf is de moderne mens dus op het verkeerde pad, want als hij al het aanwezige wggepraat heeft is voor hem de REALITEIT wg en dan is er voor hem ook geen LEVEN. Dan is immers de aaneenschakeling van momenten ook tot een NEVEL opgelost die weliswaar een en al INTELLECTUELE NEVEL is maar toch tot NIETS komt,
Bezien echter vanuit de ONTWIKKELING blijkt de deur tot iets nders geopend te zijn. Want de mensen zijn dan UITGEPRAAT tegen elkaar en dat betekent dat zij elkaar niets meer te STELLEN hebben. Wat voordien tussen hen in stond is al pratende verneveld en ook de dingen die zij zlf in het hoofd hadden zijn verdwenen zodat er VOOR MIJ ten opzichte van de ANDER niets meer te STELLEN valt.
Nu is deze situatie ontstaan dat alleen nog maar de mens zlf overblijft, ontdaan van zijn GEWICHTIGHEDEN, zijn IMAGE, zijn TROTS en ook van zijn VERBEELDING. En derhalve: hoewel hij nu ALS MENS volledig elk contact met HET LEVEN verloren heeft en eigenlijk volkomen STUURLOOS is zonder enig baken dat hem houvast biedt, is hij nu toch anderzijds eindelijk zover gekomen dat hij van al het belangrijke van de wereld en van hemzelf verlost is. Eindelijk is de BARRIRE opgeheven, die hem gedurende zijn gehele ontwikkeling belet heeft een MENS te zijn en hij heeft niets maar in handen
Zozeer heeft hij NIETS in handen dat het hem niet eens meer mogelijk is om VOOR DE ANDER iets te zijn. Zelfs deze BEDOELING en dit BELANG is hem ontvallen terwijl hij hieraan toch gedurende zijn gehele periode van MODERN-ZIJN de grootste waarde hechtte. Hij blijkt nu helemaal NIETS te kunnen zijn, en dit is nu juist voor een VOLWASSEN MENS de noodzakelijke BASIS van zijn leven.
Aanvankelijk, toen hij nog maar nt op de planeet verschenen was, was het in zijn hoofd DONKER, maar hij had ook niets in handen. Later ging die duisternis OPKLAREN en toen bleek dat er voor hem heel wat te vergaren was. Een grens aan dit vergaren kon hij zich niet stellen en hij is dan ook niet opgehouden voordat hij op de een of andere manier ALLES in zijn bezit had. En toen hij eenmaal zver was bleek dat bezit als sneeuw voor de zon wg te smelten. En als het zover eindelijk is gekomen treedt er een nieuw feit aan het daglicht: in zijn hoofd is het nu niet meer duister, en ook is het er niet meer VOL VAN DE DINGEN, maar het is er LICHT geworden. Zo licht dat zelfs DE ANDER er niet meer in aanwezig is, en nu kan hij leven

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 25_1970 (geplaatst op 8 december 2008)

Revolutie A ; Revolutie B ; Revolutie C ; Revolutie D ;

Dinsdag, 9 februari 1971

 

Het oude en het nieuwe europa
Wij mogen de laatste fase van het ONTWIKKELINGSPROCES, de fase van de MODERNE MENS, niet met dezelfde ogen bezien als de voorgaande fasen. Want als het ZELFBEWUSTZIJN zich met ZICHZELF gaat bezig houden, en dat is een feit bij de moderne mens, is er een situatie opgetreden, die specifiek nders is dan voordien. Er is in de Europese geschiedenis dan ook een duidelijk verschil te constateren tussen het zogenaamde OUDE europa en het NIEUWE europa. Globaal gesproken kunnen wij stellen dat de verandering met de FRANSE REVOLUTIE gekomen is. Alleen al de grondgedachte van de franse revolutie wijst op het doorbrekende besef dat IEDEREEN mee te tellen heeft - al kwam er uiteraard van dat besef niet veel terecht. Een andere belangrijke aanwijzing is het feit dat na de franse revolutie de INDUSTRIE van de grond kwam, met het daarbij behorende zich ontwikkelende PROLETARIAAT. Ook de WETENSCHAP komt duidelijk in het teken te staan van het gelukken; hetzelfde geldt voor de techniek. Verder komt de DEMOCRATIE als staatsvorm naar voren.
Van al deze dingen was voordien geen sprake; als gesoleerde verschijnselen komen wij ze wel tegen, maar niet als ALGEMENE verschijnselen onder de mensen. Fabrieken waren er in het oude europa hier en daar ook wel, maar wij kunnen dan nog niet van INDUSTRIE spreken omdat het ALGEMENE BEELD anders was. Hetzelfde geldt voor de wetenschap en de techniek. Beide leverden INDIVIDUELE prestaties, maar het ging niet om prestaties waaraan een grote en uiteenlopende groep van mensen had meegewerkt. En juist om dit verschil tussen het individuele en het door SAMENWERKING - in wlke VORM dan ook verkregen resultaat gaat het.
Toen het zelfbewustzijn zich nog bezig hield met zijn INHOUD ging het om de AANWEZIGE werkelijkheid en om hieraan zoveel mogelijk deel te hebben moest men zich zoveel mogelijk inspannen. Het persoonlijke aandeel werd bepaald door de inspanning die men zich PERSOONLIJK getroostte: door HARD TE WERKEN verdiende men MEER, al was het desnoods ook dn nog WEINIG voor de gewone man. Want het zelfbewustzijn bepaalde zich tot datgene dat AANWEZIG was en dat is de wereld van het TEL- en MEETBARE. De MACHTIGSTE was dan ook hij die het GROOTSTE BEZIT had, en tijdens de franse revolutie kwam het verzet tegen deze situatie duidelijk naar voren.
Maar tijdens het zich ontwikkelen van de MODERNE WERELD is gebleken dat de machtigste diegene was die zich het beste in kon passen in het TOTAAL en omdat het qua KARAKTER in dat totaal natuurlijk nog steeds om het BEZIT ging kwam er een dat zich inpassen uiteraard BEZIT m. Wij zien dan ook vandaag de dag dat niet het HARDE WERKEN doorslaggevend is, maar de MATE waarin men in het TEAM m kan. En dit is natuurlijk een INTELLECTUELE kwestie. Wij hebben reeds uiteengezet dat in de moderne wereld lles om het intellectuele draait.

Hoewel de MODERNE WERELD een voortzetting is van de OUDE WERELD, is het dus tevens zo, dat er een geheel NIEUW stadium ingetreden is en dat nieuwe stadium mogen wij niet beoordelen met de normen die voor het oude golden. Wij zouden dan namelijk de strekking n de ontwikkeling van de moderne tijd niet kunnen begrijpen. Maar anderzijds is het GRONDPATROON van de mens niet veranderd; hij is nog steeds ONVOLWASSEN en van daaruit STELT hij nog steeds ZICHZELF, met zowel de nadruk op het zich stllen als op het zichzlf. Ter verduidelijking kunnen wij denken aan het hedendaagse IMPERIALISME.

De verovering van wereld
Reeds in de oudheid waren er mensen die er toe overgingen de wereld te veroveren, en ook het OUDE europa geeft hiervan voorbeelden te zien. Het ging altijd om het CONCRETE BEZIT van zekere gebieden en dat bezit betekende niets anders dan MACHT, waarom het dan ook te doen was. De moderne mens verovert geen gebieden - afgezien van de vergissingen die hij maakt, waarvan hij overigens al snel de wrange vruchten plukt. Maar hij STELT ZICHZELF wl in de gehele wereld en dat heten dan de ECONOMISCHE BELANGEN. Want door het uitwikkelen van deze belangen maakt hij het TEAM zo groot mogelijk waarbij het vanzelf spreekt dat HIJ in het orkest de EERSTE VIOOL wil spelen. Zo verovert hij op zijn wijze de wereld en dat heet dan IMPERIALISME, en het lukt nog ook in grote mate omdat VOORLOPIG de meeste mensen BIJ HET TEAM willen behoren.

Natuurlijk kan het bij dit imperialisme niet blijven op de lange duur want de nieuwe leden van het team veroveren zich ook een eigen plaats en laten zich steeds minder zeggen, maar het blijft een TEAM. Het eindresultaat is dat de wereld tch n WERELDRIJK te zien geeft. Met alleen dit verschil dat er ten slotte niemand meer kan bogen op het BEZIT ervan. En ook behoeft niemand meer te proberen andere leden van het team UIT TE BUITEN. Maar het IMPERIALISME is tenslotte gelukt - zij het op en andere manier dan de bedoeling was.
Dit alles komt door Het INTELLECTUELE waaraan iedereen deel heeft; het intellect is datgene dat boven lle OMSTANDIGHEDEN uitgaat en voor iedereen geldt. Alle mensen reageren er dan ook op, en alle mensen, waar ook ter wereld, kunnen meekomen met het intellect. De meest primitieve mensen in de uithoeken van de wereld zijn in een oogwenk intellectueel bij gespijkerd zelfs als hun praktische omstandigheden nog zeer slecht zijn. En dit onmiddellijke MEEDOEN van het intellect is hetgeen wij bedoelen als wij zeggen dat iedereen bij het TEAM wil behoren en ook kn behoren.
Deze ontwikkeling gaat bij de mensen ONGEMERKT: wij kunnen ons al lang niet meer voorstellen dat wij onszelf en elkaar bijna volledig INGEKAPSELD hebben. Wij spreken tevreden over de moderne rechtsstaat waarin wij leven en wij zien met afschuw terug op de donkere tijden van het oude europa, waarin naar ons oordeel de mensen ONVRIJ waren en gebukt gingen onder de knoet van kerk en adel. Maar wij vergeten dat geen van ons een EIGEN LEVEN heeft en dat alles volgens een bepaald gangbaar PATROON verloopt in ons leven. Wij merken niet op dat wij veel meer GECONFECTIONEERD zijn den de mensen uit het verleden. Maar wij hebben het onszelf opgelegd en daarom hebben wij er vrede mee. Wij komen tot een zwak intellectueel verweer als de VOLKSTELLING met wat indringender vragen komt, en dan nog zien wij de redelijkheid van zon volkstelling wel in. Er is niets in ons dat zomaar zegt: geen volkstelling, geen REGISTRATIE van de mensen, geen verder doorgevoerde confectionering. Temeer omdat er ALTIJD misbruik van de gegevens gemaakt zal worden omdat, overeenkomstig, het karakter van het zich ontwikkelende ZELFBEWUSTZIJN, het altijd de mensen op de hoogste sporten van de ladder zijn die de touwtjes in handen hebben en graag willen houden. Wij geven ONSZELF de kans elkaar in te kapselen en dat is altijd een MISBRUIK.
Toch is het langs deze wg dat het WERELDRIJK zich vormt en tijdens het gaan langs deze weg neemt de UITBUITING toe. Hoewel de arme mensen op deze wereld zo langzamerhand op een iets hoger niveau komen is het toch zo dat de uitbuiting door de GEHELE WESTERSE WERELD verhoudingsgewijs snel toeneemt. Dat komt doordat er nog TEVEEL ARME MENSEN zijn op de wereld. Pas als zij de minderheid gaan vormen gaat de uitbuiting teruglopen.

Communicatie en samenleving
In de moderne wereld streeft men ernaar de communicatie tussen de mensen en dus ook de VERSTANDHOUDING tussen de mensen zo hoog mogelijk op te voeren. Men wil elkaar dan ook LEREN KENNEN en aan de hand daarvan leren ERKENNEN. En dan is de gangbare gedachte dat het langs deze weg op den duur tot een SAMENLEVING zal komen. De samenleving is dan dus een mensheid waarin men elkaar VERSTAAT en dus ook kan SAMENWERKEN.
Maar wij moeten er op wijzen dat dit alles betrekking heeft op de GRENS tussen de ne mens en de ndere mens. En ook het OVERBRUGGEN van die grens. Het gaat dus over datgene dat TUSSEN de mensen bestaat. Maar al is het een feit dat BEGRIP tussen de mensen een hele verbetering is, het is toch niet de kern van de SAMENLEVING. De samenleving kan pas dn voor de dag komen als ook dit begrip verdwenen is. Wij wezen er de vorige keer al op dat de inhoud van het zelfbewustzijn moet VERNEVELEN. En zo vernevelt ook de verhouding tussen de ne mens en de ndere mens. Het moet duidelijk zijn dat dit alleen maar kn als het begrip ER IS. Derhalve is het verhogen van de COMMUNICATIE wel een VOORWAARDE voor de samenleving, maar een goede communicatie betkent nog lang geen samenleving. Want SAMENLEVING vooronderstelt wl BEGRIP, maar dat betekent niet dat wij alles dienen te begrijpen. Wij kunnen van een ander mens wel niets begrijpen - wat overigens altijd het dichtste bij de waarheid ligt - en toch van SAMENLEVING kunnen spreken. De communicatie tussen twee mensen kan slecht zijn terwijl zij op een zeer behoorlijke wijze met elkaar kunnen omgaan. Maar dit BEHOORLIJKE vronderstelt wl BEGRIP al BEGRIJPEN die twee mensen er niets van. En wie van ons kan zeggen dat hij de ANDER werkelijk begrijpt? De GRENS tussen twee mensen is maar zon klein gedeelte van het geheel dat beide voor zich zijn dat er niets te begrijpen valt!

Naar Bladwijzers: Bekwaamheid: A1, Bekwaamheid: B2, nrs.7, 8, 9, 10 en 11, C3: nrs 24, 25, 30 en 39 Naar nr. 30 en 39 ; Revolutie A ; Revolutie B ; Revolutie C ; Revolutie D ;

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 26_1970 (geplaatst op 8 december 2008)

Bladwijzers: Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2

Dinsdag, 16 februari 1971

Over het begrijpen en het begrip
Tussen de ene mens en de andere mens is een GRENS, en eigenlijk is die grens DUBBEL, want voor zowel de ene mens als de andere geldt dat hij ERGENS OPHOUDT, en dat datgene dat daarbuiten ligt hem VREEMD IS. Ieder voor zich is een begrensd geval en dat geval kan zo zonder meer nooit buiten zichzelf komen. Zo gaapt er dus voor de ene mens ten opzichte van de andere een KLOOF en omgekeerd is dat ook het geval.
De MODERNE MENS, die de mensheid als een OPTELSOM van aparte mensen is gaan zien, heeft ook die KLOOF ontdekt en hij is er zich grondig van bewust dat het die kloof is die de mensen scheidt. Vanuit dit weten is het voor de hand liggend dat de moderne mens er toe overgaat die kloof te OVERBRUGGEN. Hij legt verbindingen tussen alle mensen, en daarbij is zijn voornaamste hulpmiddel de TECHNIEK. Die techniek is werkelijk NOODZAKELIJK, want met het leggen van een verbinding tussen mensen die toch al vlak bij elkaar zijn komt men er niet. Het gaat om een net van verbindingen over de gehele wereld omdat IEDEREEN erbij behoort.
Het is gemakkelijk te constateren dat een medium als de TELEVISIE het leren kennen van elkaar op een buitengewoon snelle en efficinte wijze bevordert. De mensen van de ene uithoek van de wereld zien de anderen in hun huiskamer en raken vertrouwd met hun leven. Hierom is juist de televisie zo belangrijk omdat het ZIEN van de anderen ONMIDDELLIJK doorwerkt. Geen gesproken of geschreven woord heeft een dergelijke onmiddellijke werking.
De moderne mens bevordert dus de COMMUNICATIE tussen alle mensen; hij legt een net van uiterst gevoelige verbindingen over de kloven die de mensen scheiden, en zelfs streeft hij ernaar die kloof helemaal te overbruggen zodat er geen enkele belemmering meer is. Het spreekt vanzelf dat dit streven het ELKAAR BEGRIJPEN teweeg brengt en het spreekt evenzeer vanzelf dat dit elkaar begrijpen nooit hoog genoeg opgevoerd kan worden. Want voorzover de mensen elkaar begrijpen is de kloof overbrugd en dat is altijd beter dan het elkaar over de kloof heen bestoken met granaten en bommen. Maar intussen blijft wl gelden dat een ieder zich ervan bewust is dt hij BEGRENSD is en de gehele activiteit van het leggen van verbindingen vestigt nog eens extra de aandacht op dit feit. We kunnen dus zeggen dat de MODERNE MENS meer dan ooit met zijn eigen begrensdheid bezig is. Hij verwacht daarvan op den duur een betere wereld en een behoorlijke samenleving, maar wat dit laatste betreft maakt hij een vergissing: het opvoeren van de COMMUNICATIE levert nooit een SAMENLEVING op omdat de basis van SAMENLEVEN niet het CONTACT tussen de mensen is maar HET ONVERSCHILLIG ZIJN VOOR DE EIGEN BEGRENSDHEID. Voor deze onverschilligheid kunnen we diverse woorden hanteren; wij kunnen spreken van RUIMTE en van VRIJHEID en van GEMOEDELIJKHEID, maar al deze woorden geven een GEVOLG aan van de genoemde onverschilligheid. De SITUATIE van het onverschillig-zijn willen we in dit geval met BEGRIP benoemen en dan wijzen wij er meteen al nadrukkelijk op dat BEGRIJPEN en BEGRIP twee geheel verschillende grootheden zijn. Zoals uit het bovenstaande duidelijk moet zijn is het BEGRIJPEN een gevolg van het CONTACT tussen de mensen; een gevolg dus van het elkaar LEREN KENNEN. Maar HET BEGRIP is, hoewel niet denkbaar znder enig contact tussen de mensen, op iets nders geworteld. Wij wezen er reeds op dat er BEGRIP kan zijn tussen twee mensen terwijl het ELKAAR BEGRIJPEN veel te wensen over laat. En eigenlijk laat het elkaar begrijpen ALTIJD veel te wensen over omdat er altijd vl meer is waarin de mensen elkaar VREEMD zijn dan dat kleine stukje dat zij van elkaar kennen en begrijpen.
Het BEGRIP is onverschillig voor de grens en dus is het evenzeer onverschillig voor de eventuele verbindingen over die grens heen. Als die verbindingen goed zijn is dat meegenomen, maar als ze minder uitgebreid zijn is het ook goed. Wij kunnen in dit verband denken aan het ondergaan van de schoonheid van een kunstwerk: dit ondergaan heeft plaats ngeacht datgene dat wij van het kunstwerk WETEN en als een mens door zijn eigen speciale AANLEG toevallig veel weet omtrent het kunstwerk bevordert dit zijn ondergaan van de schoonheid niet in het minst, zoals het - als het goed is - dit ook niet behoort te belemmeren. Er zijn mensen die van hun omgang met een ander mens veel begrijpen en dat danken zij aan hun aanleg om veel te doorgronden, maar de KWALITEIT van zon omgang wordt hierdoor niet bepaald; de bepalende factor is Het BEGRIP, d.w.z. het vermogen om onverschillig te zijn voor eigen begrensdheid.

De moderne mens geeft veel om zijn zogenaamde PRIVACY want hij vindt dat aan een ieder de vrijheid gelaten moet worden om geheel zichzelf te zijn en die vrijheid is te realiseren door het nauwkeurig AFBAKENEN van ieders terrein en het ongewenst betreden daarvan door de ander zoveel mogelijk te vermijden. De moderne mens tracht deze gedachte ook in zijn HUWELIJK door te voeren en zo komt hij tot een omgang waarbij de n aan de nder zoveel mogelijk VRIJHEID laat - als het even kan op alle terreinen van het leven. Als voorwaarde voor een dergelijke omgang stelt hij dat men ruim van begrip moet zijn en elkaars privacy moet waarderen. Evenwel moet het duidelijk zijn dat privacy zich uitstrekt ACHTER DE GRENS zodat het waarderen daarvan hierop neerkomt dat men zich niet bemoeit met datgene dat achter die grens geldt. Maar in de fgeslotenheid van de BINNENKAMER kan natuurlijk lles gelden; daar kunnen zelfs dingen gelden die NIET KUNNEN, maar de ne mens heeft niet het recht de nder op dat NIET-KUNNEN te wijzen en hem of haar er eventueel voor te behoeden. Het feit alleen dat het in de privacy-sfeer ligt is voldoende om er buiten te blijven.
Er zijn ook mensen die ervoor beducht zijn hun privacy te verliezen en het is altijd het eerste dat zij tegenover de ander stellen. Bij deze mensen bemerken wij een onvermogen om met elkaar om te gaan en zelfs de communicatie vlot niet zo best. Dat er die angst is voor het verliezen van zichzelf is bij deze mensen niet ten onrechte omdat de BEGRENSDHEID altijd de kans loopt om verloren te gaan. Het is dan ook aan bekend feit dat begrensde mensen, d.w.z. mensen die hun grens respecteren en verdedigen, in bijvoorbeeld hun HUWELIJK totaal oplossen en in het niet verdwijnen. Hier is dus wl de grens GESTELD om vervolgens ONTKEND te worden en daarmee is de gehele persoonlijkheid vertrokken.
In de moderne COMMUNE gaat het ook om de ONTKENNING van de grens en daarom loopt daar gewoonlijk alles door elkaar heen. Evenwel is de grens niet te ontkennen want hij is er ALTIJD, ook bij de volwassen mens van straks.

Wij hebben dus inzake de grens verschillende mogelijkheden: we kunnen ons er achter verschuilen en op deze wijze onze PRIVACY als de maat nemen. We kunnen ook trachten de grens zoveel mogelijk te overbruggen, waarbij wij natuurlijk ook als UITGANGSPUNT onze privacy handhaven; n wij kunnen de grens ontkennen waarbij er van onszelf helemaal niets over blijft. In al deze gevallen echter hebben wij getracht de bestaande situatie te VERANDEREN en zo zijn wij alsmaar bezig geweest met iets dat ONMOGELIJK was. En van al dit onmogelijke gedoe was het verbeteren van de COMMUNICATIE in zoverre een REALITEIT omdat het in de ontwikkeling zlf ligt dt de verbindingen gelegd worden. De moderne mens doet dit dan ook als vanzelfsprekend en hij loopt hieraan geen complexen en andere verwarringen op. En dat is wl het geval bij al het andere dat geprobeerd wordt.
Spreken wij evenwel over SAMENLEVEN, dn is BEGRIP voorondersteld. Het onverschillig zijn voor eigen grens houdt die grens wl in stand, zodat zaken als PRIVACY wel degelijk gelden. Maar dat is nu in een ander licht omdat er nu niets is dat fgesloten MOET zijn. En er is ook niets dat VERLOREN kan gaan want de onverschillige is er altijd zlf juist omdat hij niets in stand behoeft te houden dat als een UITERLIJKHEID aan zijn grens ligt.
De verhouding, die wij BEGRIP genoemd hebben, heeft natuurlijk als voorwaarde dat het ZELFBEWUSTZIJN verneveld is, zoals wij de vorige keer behandeld hebben. Deze verneveling houdt namelijk ook de verneveling van de grens in, voor de mens als zelfbewustzijn. Wij kunnen dus zeggen dat als voorwaarde geldt dat de COMMUNICATIE aanwezig is en dit betekent niet dat alle verbindingen gelegd zijn, want die zijn nooit gelegd, maar dat de mens IN HET TEKEN VAN DE COMMUNICATIE gestaan heeft. Als het zover is gldt het feit dat de mensen met elkaar contact hebben, en dn wordt dat contact VANZELFSPREKEND doordat het in het zelfbewustzijn verneveld is. Het vanzelfsprekende van het contact houdt in dat het ook vanzelfsprekend is dat er in het ne geval meer contact is dan in het ndere geval.
In dit verband is de RUSSISCHE mens, zoals die hoofdzakelijk door DOSTOJEWSKI getekend wordt, werkelijk een typerend geval. Hij heeft juist altijd een probleem gehad aan datgene dat wij BEGRIP genoemd hebben. Met deze zaak kon de Rus niet uit de voeten, terwijl het toch het meest menselijke is. Maar als wij ons het bovenstaande goed kunnen indenken begrijpen wij dat aan de Rus de VOORWAARDE ontbroken heeft om dat begrip te laten gelden: de mensen moeten eerst contact met elkaar hebben, en dat is een zaak die in de MODERNE WERELD, en dus te beginnen met het WESTEN, uitgewikkeld wordt. Vanuit het in de Rus aangeboren BEGRIP komt de communicatie niet naar voren omdat hij geen GRENS ziet. Dat is het onnavolgbare en geheimzinnige dat voor ons de Rus heeft.

Bladwijzers: Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 27_1970 (geplaatst op 9 december 2008)

Naar bladwijzers: ConflictA ; ConflictB ; ConflictC ; ConflictD ;

Dinsdag, 23 februari 1971

De onverschilligheid
Wij spraken de vorige keer over de onverschilligheid ten aanzien van de eigen GRENS. Deze onverschilligheid is geen HOUDING, die men naar willekeur aanneemt, en het is ook geen LEVENSBESCHOUWING die bij de ne mens anders kan zijn dan bij de andere mens, maar het is een SITUATIE waarin de mensen geraken als zij hun laatste ontwikkelingsfase, namelijk die van de MODERNE MENS, waargemaakt hebben.
In deze situatie, en ALS deze situatie, is voor de mens de GRENS niet iets minderwaardigs dat zijn INTERESSE niet waard is zodat hij er onverschillig langs heen stapt, maar het is iets dat voor hem VANZELFSPREKEND is. Dat er bijvoorbeeld in een bos bomen zijn is een vanzelfsprekend feit en het is ook vanzelfsprekend dat je niet in een bos moet zijn als je volop in de zon wilt zitten. Het gelden van deze feiten roept in de mens geen enkele reactie op, juist omdt het FEITEN zijn die gelden, Meer- of minderwaardigheid komt hier niet te pas. Maar het feit GELDT wl en dat gelden heeft zijn eigen consequenties.
Zo geldt voor de mens altijd de GRENS en hieraan is niets te doen; het is een net zo vanzelfsprekend feit als het feit dat er bomen in een bos zijn. En inderdaad is die grens te OVERBRUGGEN, en ook dt is vanzelfsprekend, zodat het MENSELIJK is te trachten elkaar te verstaan, maar mr dan dat is er niet mogelijk. Wat wij de LAATSTE MOGELIJKHEID genoemd hebben is in feite niets anders dan het ONDER OGEN ZIEN van de WERKELIJKHEID, en dt is de bedoelde ONVERSCHILLIGHEID.
Alles wat wij bij gelegenheid de laatste mogelijkheid plegen te noemen is in feite niets anders dan het onder ogen zien van de werkelijke FEITEN; het is juist de ONTWIKKELINGSWEG die op de lange duur de mensen de feiten onder ogen brengt en meer dan dt kan er niet gebeuren met de mensen. Het is met zichzelf in TEGENSPRAAK om te willen verwachten dat de mensen BETER worden of ANDERS worden want de werkelijkheid IS ZOALS ZE IS. Wat wij een VERANDERING in de mensen zouden kunnen noemen is dit dat zij tenslotte REALISTEN geworden zijn - en dit is helemaal niet zo KOUD en STERIEL als wij gewoonlijk menen want de REALITEIT is voor de levende mens hl wat WARMER en HARTSTOCHTELIJKER en GEVOELIGER dan zelfs de dichters vermoeden!

De Russische mens
De Russische cultuur behoort eigenlijk niet tot de ONTWIKKELING, en dat is op het eerste gezicht niet zon erg vriendelijke opmerking. Toch heeft een schrijver als DOSTOJEWSKI dit feit ook vastgesteld om daarvan in zijn eigen woorden gewag gemaakt. Hij wijst in dit verband op enkele opmerkelijke verschijnselen bij de Russische mens - en dit is voor hem de eenvoudige BOER. Die feiten zijn in hoofdzaak, d.w.z. ALS FEITEN, te lezen in zijn Dagboek van een schrijver, maar ook ALS VERHAAL komt hij er herhaaldelijk mee voor de dag.
Daar is bijvoorbeeld het verschijnsel dat de rus GEEN MAAT weet waar het zijn diepste menselijke WEZEN betreft. Er wordt ons verteld van een Rus die zich OP ZIJN KNIEN maar een vrverwijderd klooster begaf om daar BOETE te doen voor een misdaad - die overigens NAAR ONS IDEE niet eens zo erg was, en een ander geval vertelt ons van iemand die naar aanleiding van een WEDDENSCHAP het stoute staaltje uithaalde om op zijn geliefde IKOON te schieten. Ons zegt dat natuurlijk niet zoveel, en wellicht juichen wij het zelfs toe, maar wij moeten in dit geval begrijpen dat het wrkelijk om iets HEILIGS ging.
Wat ons dus opvalt is een soort van BUITENSPORIGHEID, maar dan toch waar nders dan de buitensporigheid en mateloosheid van de westerling, want bij deze laatste hebben die kwalificaties betrekking op HET TELBARE: iemand wil buitensporig veel geld verdienen of andere dingen verzamelen. Het gaat dan over een zaak die uiteindelijk ONEINDIG VEEL behelst. Vanuit dit oneindig vele is er allerlei mogelijk dat, uitgaande van het NORMALE, onmatig en buitensporig is. Maar voor de Rus gaat het niet vanuit het oneindig vele, niet vanuit het TELBARE. Het gaat hem om HEMZELF en wel zodanig dat hij ZICHZELF als GRENS TART. En dit TARTEN van zichzelf kunnen wij alleen maar begrijpen als wij hebben leren begrijpen hoe de SITUATIE in de wereld is van de levende Russische mens, nu en ook ten tijde van DOSTOJEWSKI, die ons hieromtrent zoal niet het uitvoerigst, dan toch het DIEPZINNIGST inlicht.
Het Russische volk heeft nooit naar de ONTWIKKELING uit zitten kijken en ook thans nog kost het de grootste moeite om vernieuwingen door te zetten. De zaak stuit af niet op ONWIL, maar op ONVERSCHILLIGHEID.

Er is in Rusland een onverschilligheid voor de ONTWIKKELING zoals die elders op de wereld nergens voorkomt. Er zijn tegenwoordig vele landen die van het westen de zogenaamde ontwikkelingshulp krijgen, en overal kijken de mensen naar die hulp uit, overal zien zij hun kansen liggen als het er om gaat op een hoger plan te komen. Maar de Rus maakt daarmee zon haast niet, en dat geeft een eigenaardig beeld want vanuit zijn CENTRA, en dus vanuit zijn INTELLIGENTSIA, is Rusland HOOG ontwikkeld en de resultaten van die ontwikkeling zijn overal in het land waar te nemen. De mensen werken overal met MODERNE MIDDELEN, maar aan hun MANIER van werken is te zien dat het de mensen NIETS zgt. De onlangs veroordeelde schrijver AMALRIK tekent ons deze tweeslachtigheid duidelijk.

Nu hebben wij gezegd dat het Russische volk eigenlijk niet meer tot de ontwikkeling behoort; de vraag is dan ook: hoe zit het dan met de russen?
De ONTWIKKELINGSWEG is tenslotte ten einde; het is de MODERNE MENS die als laatste een ASPECT van het zelfbewustzijn tot gelding brengt en als dat gebeurd is komt VANZELF de VOLWASSEN mens. Maar dat OVERGAAN naar de volwassen mens gaat niet z maar. Er zijn daarin enkele facetten te onderscheiden: eerst hebben wij te doen met zonder meer de MODERNE MENS, en daarna begint er in hem allerlei te voorschijn te komen dat op het naderende NIEUWE wijst. Dan komt de moderne mens IN HET TEKEN van het nieuwe te staan, naar hij IS nog steeds het OUDE, hierop volgt een situatie waarbij het nieuwe NAAST het oude staat, en hier is alle gelegenheid voor een CONFLICT. Pas als dit allemaal achter de rug is krijgt het NIEUWE, dus de VOLWASSENHEID, de overhand, maar het is dan een volwassenheid die fgezet is TEGEN het oude, het is er als het ware een REACTIE op. Dit nieuwe is dus nog niet wrkelijk nieuw omdat het BESMET is.
Nu is het de Russische mens die de AANLEG heeft om STRAKS deze laatste fase te vertegenwoordigen. Die fase BEHOORT NOG BIJ DE OVERGANG van de oude mens naar de nieuwe mens, maar toch is het al de ndere kant. Dit is het allerlaatste dat in een zich alsnog ONTWIKKELENDE wereld denkbaar is. Want dat er op enig moment van de ontwikkeling, dus de ONVOLWASSENHEID, al een wrkelijk VOLWASSEN volk op de planeet aanwezig zou zijn is niet denkbaar. Wl is dankbaar - en dat is derhalve dan ook een FEIT - dat er INDIVIDUELE gevallen van volwassenheid zijn. Er zijn altijd mensen geweest die wij rustig VOLWASSEN kunnen noemen, al waren ook zij niet vreemd aan het karakter van hun eigen tijd. Een ALGEMEEN BEELD van volwassenheid is niet mogelijk.
Ook is ZONDER MEER de AANLEG tot volwassenheid niet mogelijk, d.w.z. niet als SPECIFIEKE AANLEG in een volk. Want die aanleg is namelijk ALGEMEEN; hij geldt voor lk mens, waar ook ter wereld. Zoals het ook voor lk KIND geldt. De laatste mogelijkheid die - voorlopig als KIEM - aanwzig kan zijn is die ndere kant van de OVERGANG. En dat is Rusland.
Hoewel we hier dus NOG NET met een specifieke aanleg te doen hebben is het tevens al wel zo dat die aanleg VOORBIJ de ontwikkeling als zodanig ligt. Er is hier al te spreken van ONVERSCHILLIGHEID voor de INHOUD van het ZELFBEWUSTZIJN, maar tevens is er het punt dat die inhoud ER TOCH MOET ZIJN. Zodat die dan ook tot werkelijkheid gebracht wordt. Maar dat gebeurt zonder dat het de echte Rus veel zegt.

De weg van de ONTWIKKELING is OM RUSLAND HEEN gegaan en dit heeft tot gevolg gehad dat de russen van lle culturen kennis genomen hebben zonder zlf in een van die culturen te verzanden. Het EEUWIGE RUSLAND heeft altijd zijn eigen karakter behouden, en dat karakter is ONBESCHAAFD zonder PRIMITIEF te zijn, het is HELDER zonder INTELLECTUEEL te zijn en MENSELIJK zonder SOCIAAL te zijn. Ook is het RELIGIEUS zonder GODSDIENSTIG te zijn en SCHOONHEID zonder, voorlopig, KUNST te worden.
Maar tevens geldt voor de Rus het ONVERSCHILLIGE; voorzover hij zlf GRENS is zgt hem dat enerzijds niets terwijl er anderzijds iets in hem is dat toch met die grens te maken heeft. Dat is het oude waarmee hij BESMET is. Als de grens hem niets zegt, zegt het feit dat de nder DE ANDER is hem ook niets en dus komt het ook niet tot een streven naar COMMUNICATIE. Hij is voor ZICHZELF als begrensd geval ook onverschillig en dit is er juist de reden van dat hij er telkens toe komt zichzelf, juist als grens, te TARTEN. En dit laatste is alleen maar mogelijk als er tevens het besef is dat die zaak toch AANWEZIG moet zijn. Het MATELOZE en het BUITENSPORIGE kan ook alleen maar als zodanig voor de dag komen als er een grens op de ACHTERGROND ligt en als die zaak eigenlijk tot een CONFLICT geworden is. Wij zullen hierop de volgende keer doorgaan.

Naar bladwijzers: ConflictA ; ConflictB ; ConflictC ; ConflictD ;

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 28_1970 (geplaatst op 9 december 2008)

Dinsdag, 2 maart 1971

De ontwikkelingsweg
Volgens de geschiedenisboeken vangt de geschiedenis van de mensheid aan hij de oudste GESCHREVEN BERICHTEN. En ook de CULTUURGESCHIEDENIS begint op dit moment.
Toch kennen de historici heden ten dage talloze oudere gegevens die vaak zo zijn dat er veel uit af te leiden is over het leven van mensen die nog geen geschreven berichten achter lieten. Maar wij spreken dan niet van GESCHIEDENIS, hoewel het over allerlei GEBEURTENISSEN gaat. Wij spreken ook wel over de CULTUREN uit de PREHISTORIE, maar in strikte zin denken wij de CULTUUR ook te beginnen met het GESCHREVEN bericht.
De vraag is nu waarom het om dat GESCHREVEN BERICHT draait. Om deze vraag te beantwoorden moeten we ons indenken dat het geschreven bericht een GEFORMULEERDE GEDACHTE is, ook als het gaat om gewone gegevens die verder met HET DENKEN als zodanig niets te maken hebben. Alleen HET FEIT dat de mens de zaak formuleert is wat dit betreft van belang. Dit formuleren kan de mens namelijk pas dn als zijn ZELFBEWUSTZIJN doorgebroken is, d.w.z. als de INHOUD van het zelfbewustzijn begonnen is voor de dag te komen. Voordien heeft de mens allerlei gedacht en ook allerlei UITGESPROKEN, maar dat alles is geschied vanuit een zelfbewustzijn dat er natuurlijk al wl was, en dat ook een INHOUD had, maar dat in een situatie verkeerde ALS EEN HELDERE NEVEL. Er kwam niets uit naar voren. Pas als dit wl het geval is is het zelfbewustzijn doorgebroken en dan treedt het werkelijke FORMULEREN, naar aanleiding van HET DENKEN, op.
Bij een KIND kunnen we dit verschijnsel ook constateren: het kind PRAAT al lang en natuurlijk DENKT het ook en dan komt het toch lange tijd nog niet tot FORMULEREN. Pas als dit laatste mogelijk is kan men dan ook aan ONDERWIJS beginnen terwijl voordien eigenlijk alleen maar kunstjes aangeleerd kunnen worden.
Met het doorbreken van het zelfbewustzijn begint het FORMULEREN en daarmee komen al spoedig de GESCHREVEN BERICHTEN voor de dag. Het is dan ook terecht dat de geschiedkundigen dit moment als het eerste beschouwen, zowel in historische als in culturele zin.

Denken wij ons nu dat eerste moment in. Dan moeten wij , zoals altijd bij een BIJZONDER MOMENT een DUBBELE SITUATIE aantreffen: enerzijds is de zaak waarbij dat eerste moment behoort ER NOG NIET, en anderzijds is die zaak er al wl, en op de OVERGANG treden deze beide factoren in het daglicht. Deze overgang is voor ons HET EERSTE; dit is het eerste moment van het zelfbewustzijn en dit moment wordt vertegenwoordigd door HET OUDE CHINA. En dat moeten wij lng voor CONFUCIUS en lang voor de VERHALEN over TAO dateren. Die VERHALEN over TAO zijn, zoals altijd met CULTUURVERHALEN het geval is, pas veel later aan het papier toevertrouwd en zij zijn dan ook al een klein beetje VERWATERD. Maar zij wijzen terug naar de oude tijd, en - in het geval van TAO - gaat het om die oude tijd.
De HELDERE NEVEL, die voor ns niet goed te typeren is, is het begrip TAO, en het is het eigenlijke WEZEN van de werkelijkheid. Dus ook van de MENS. En deze heldere nevel heeft geen INHOUD, in principe. Als de mens zich ALS MENS wil waarmaken moet hij proberen in de situatie van de HELDERE NEVEL te komen, maar dat konden de ouden veel beter dan de jongere generaties. Want, aldus nog steeds het oude China, de heldere nevel begint INHOUD te krijgen en dat zou eigenlijk niet zo moeten zijn. Maar intussen gebeurt het tch en daarmee gaat de mens chteruit als mens. Slechts door zich te OEFENEN kunnen sommige mensen nog IN TAO geraken maar de opgave wordt steeds moeilijker.
Wij zien hier dus het besef dat het menselijk is om ALLEEN MAAR de heldere nevel te zijn, maar dat dit niet goed meer gaat omdat er allerlei tot INHOUD van de nevel geworden is. En dit is nu precies de situatie waarin het zelfbewustzijn naar ZIJN EERSTE MOMENT verkeert; men is GEWORTELD in het inhoudsloze, maar er is tch al INHOUD en die inhoud is in de grond van de zaak niet gewenst. Want HET OUDE (nevel) is de REALITEIT en HET NIEUWE (inhoud) is de TOEKOMST.
De buitengewoon mooie CHINESE SCHILDERKUNST uit die dagen geeft blijk van het bovengezegde: de LANDSCHAPPEN komen uit de NEVEL op en staan ook op het punt er weer in te verdwijnen. Ze ZIJN ER en ze ZIJN ER NIET en de nadruk ligt op het feit dat ze er eigenlijk NIET moesten zijn. Het POTISCHE van deze kunst is werkelijk onnavolgbaar; de VAARDIGHEID van die oude kunstenaars grenst aan het ongelooflijke. En verder is de uitbeelding CALLIGRAFISCH; op de betekenis hiervan komen wij nog terug.

De HELDERE NEVEL, waaraan geen INHOUD wordt toegedacht is natuurlijk datgene
dat wij bijvoorbeeld met HET GEHEEL zouden benoemen. Dit GEHEEL kent in zichzelf geen VERSCHILLEN, het is ONGEDIFFERENTIEERD, en het laat bovendien VAN BUITENAF niets in zich toe, omdat alles wat van buitenaf BINNENDRINGT het geheel VERBREEKT. Ook het KENNEN en het WETEN, dat voor het ZELFBEWUSTZIJN geldt werkt verbrekend en daarom moet de kennis fgewezen worden. Van tijd tot tijd gingen DE OUDEN er dan ook toe over de BOEKEN TE VERBRANDEN.

Maar de weg van de mensheid is begonnen en het proces zet zich toch door. We krijgen thans te maken met de INHOUD, van het zelfbewustzijn en vragen ons dus als eerste af wat we daarvan denken moeten. Nu bestaat de werkelijkheid, in het kort gezegd, uit de ENE gesteldheid en de ANDERE gesteldheid en het is de werkelijkheid die als inhoud van het zelfbewustzijn opgenomen wordt. Die inhoud kunnen we dus noemen HET EEN EN HET ANDER, maar om te beginnen duidt het woordje EN nog niet op de een of andere VERHOUDING tussen het EEN en het ANDER. Er wordt dus nog geen ONDERSCHEID GEMAAKT. Maar wel wordt er gezien dat er een ONDERSCHEID is en het spreekt vanzelf dat al spoedig de vraag opkomt WAARTUSSEN er dan onderscheid is. Het antwoord hierop is natuurlijk: tussen het EEN en het ANDER.
De cultuur waarin het EEN voor de dag komt en ook het ANDER is de cultuur van het oude INDIA. Maar goed moeten wij er op letten dat er hier nog geen SCHEIDING gemaakt wordt tussen het EEN en het ANDER. Ze komen alleen maar voor de dag, maar de zaak blijft HET GEHEEL. Dit geheel heeft in INDIA wl een inhoud, een ONGESCHEIDEN INHOUD, en dit betekent dat wij een VROUWELIJKE SFEER aantreffen die in het teken van de EROTIEK staat. Hierbij is DE MAN aanwezig, maar nog helemaal niet naar de latere betekenis. Hij is alleen maar aanwezig en dus geldt hij als LIEFDESOBJECT. Hierover is natuurlijk veel meer te vertellen, maar in ns verband moeten wij hiermede volstaan.
Wel moeten wij nog wijzen op het KASTESTELSEL; dit stelsel dankt zijn scherpe fgeslotenheid aan latere tijden. Aanvankelijk waren de kasten er zoals het EEN er is en het ANDER er is zonder dat het onderscheid een SCHEIDING had te betekenen. Dit is dus een duidelijke afspiegeling van de gesteldheid van het oude INDIA.

De culturen van CHINA en van INDIA zijn beide, globaal gesproken, blijven liggen. Die zaken zijn niet ten onder gegaan, hoewel natuurlijk met het ouder worden van de mensheid de STERKTE ervan verdwenen is. Alles echter wat NA deze beide culturen op de wereld tot bloei is gekomen is op zijn tijd ook weer ten onder gegaan. De verklaring hiervoor is eenvoudig: er kwam na het moment van INDIA een reeks van momenten waarin het ONDERSCHEID ook werkelijk een SCHEIDING ging betekenen zodat afwisselend het EEN en het ANDER optraden.. Hierin zijn in de praktijk talloze VARIATIES aan te wijzen omdat we thans op het terrein van het EINDELOOS VELE zijn aangeland. Maar een tweetal HOOFDMOMENTEN zijn wel aan te geven omdat er altijd de mogelijkheid is dat het EEN er, in de een of andere verhouding, NAAST het ANDER is. De andere mogelijkheid is deze dat n van de twee ONTKEND is: het EEN f het ANDER. In het laatste geval hebben wij altijd met HEERSZUCHTIGE, MANNELIJKE culturen te doen en in het eerste geval met INNIGE en SCHONE VROUWELIJKE. Dat vrouwelijke betekent echter niet iets POTISCH zoals in INDIA omdat toch de SCHEIDING er is. In WREEDHEID doet zon vrouwelijke cultuur in niets onder voor een mannelijke.
De mannelijke culturen kennen een HOGER principe, dat ook in de STAATSVORM te voorschijn komt, terwijl de vrouwelijke, culturen ingebed zijn in MOEDER AARDE en OMHULD DOOR DE NACHT. De vrouwelijke culturen leggen het steeds f tegen de mannelijke omdat een besef van IETS HOGERS altijd de ONDERWERPING met zich mee brengt, en hiervoor is de ONVOLWASSEN mens altijd gevoelig.
Het aanleggen van de SCHEIDING tussen het EEN en het ANDER leidt tenslotte tot west-europa, dat de scheiding centraal stelt. En daarna blijken de van elkaar gescheiden factoren allemaal BOUWSTENEN van en voor de werkelijkheid te zijn. Dat leidt tot het ERKENNEN van zowel het EEN als het ANDER. Dit laatste komt in de MODERNE MENS voor de dag.
Deze moderne mens is de VOORWAARDE voor de SAMENLEVING, en als zodanig is het ook de voorwaarde voor RUSLAND.
De GRIEKSE cultuur is de cultuur van de SCHOONHEID, die om ZICHZELF gesteld werd. Dit betekent dat de VORM ontdekt was, en dit houdt op zijn beurt in dat zowel het EEN als het ANDER, in een eigen specifieke verhouding aanwezig zijn. Die verhouding is een ZUIVERE verhouding die alleen maar GEZIEN wordt; de VORM wordt dus herkend.

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 29_1970 (geplaatst op 9 december 2008)

Naar bladwijzers: ConflictA ; ConflictB ; ConflictC ; ConflictD ;

Dinsdag, 9 maart 1971

Het conflict
Als wij ons indenken dat iets zich beweegt van een BEGINPUNT naar een EINDPUNT, dan zijn er twee momenten die ons als bijzonder opvallen: dat is ten eerste het moment van het BEGINPUNT, en dat is een OVERGANGSMOMENT waarin de factor zit dat het NOG NIET begonnen is n de factor dat het NET WEL begonnen is, en ook valt het moment van het EINDPUNT op omdat het daar NOG NET in beweging is en tevens NIET NIET MEER beweegt. Hier hebben wij dus weer te doen met de OVERGANGSMOMENTEN waarop wij al vaker wezen. De andere momenten van de beweging zijn wel ONDERLING verschillend omdat op lk moment de verhouding tussen de reeds afgelegde weg en de nog af te leggen weg nders is, maar nooit is het zo dat een van die twee factoren van die verhouding er net wl of net nit is.
En nu is het juist dat ER NET WEL OF NET NIET ZIJN, dat het bijzondere van de genoemde beweging uitmaakt. Hetzelfde geldt voor de weg die de mensheid aflegt; ook daarbij is HET BEGIN van belang en ook HET EIND. Voor de mensheid is dat begin gelegen bij het CHINESE VOLK ten tijde van het TAOSME en het einde is gelegen bij het RUSSISCHE VOLK, d.w.z. het begin en het einde van DE WEG die de mensen in hun ONTWIKKELING afleggen.
Voor de goede orde moeten wij ook nog opmerken dat ook HET MIDDEN van de weg van belang is, maar dat is van belang vanuit een nder oogpunt. Hier is namelijk de verhouding tussen de fgelegde weg en de f te leggen weg in zichzelf in EVENWICHT en dat betekent dat noch de ne, noch de ndere factor DOMINEERT. Dit laten wij thans evenwel rusten; het is de tijd van het EVANGELIE die de afsluiting was van de OUDHEID en het begin van de NIEUWE TIJD. Omdat het hier gaat om de VERHOUDING tussen het BEGIN en het EIND laten wij deze zaak rusten.
Aan het begin zlf en aan het eind zlf is het bijzondere in de beweging zlf gelegen: het op het punt staan te gn bewegen en het op het punt staan op te houden te bewegen. Het op het punt staan is er de oorzaak van dat in beide gevallen de mensheid gekenmerkt wordt door HET CONFLICT. En dat conflict is er een dat zich afspeelt tussen het WEZEN van de mens en de REALITEIT.
Voor de oude Chinese mens lag de situatie aldus: de BODEM van waaruit hij voortgekomen was was het ZELFBEWUSTZIJN dat er alleen naar ALS NEVEL was. Een zelfbewustzijn ZONDER CONCRETE INHOUD. En zijn toekomst was een doorbrekend zelfbewustzijn met het voor de mens tot realiteit komen van de gehele onderscheiden werkelijkheid. En deze laatste werkelijkheid is eigenlijk een ONMENSELIJKE werkelijkheid omdat hij ONWAARACHTIG is. Er bestaat immers in feite geen scheiding tussen het EEN en het ANDER! Stellen we - noodzakelijk - die scheiding tch, dan VERBREKEN we het GEHEEL, en dat is onmenselijk.
Het conflict ging dus voor de chinees tussen het ZELFBEWUSTZIJN en het GEHEEL, oftewel tussen het zelfbewuste en het WEZENLIJKE van de mens. Het wezenlijke in de mens, het geheel, is die factor die wij reeds telkenmale naar voren gehaald hebben als zijnde de HELDERHEID. Natuurlijk is dit maar een WOORD, maar hopelijk typeert het de situatie die wij ons thans moeten indenken.
Als de mens op de tweesprong staat en de keuze gaat tussen het WEZENLIJKE, dat de mens - let wel..! - VANZELF is en het MEEKOMENDE, dan is het altijd het wezenlijke dat de doorslag geeft. Duidelijk is dus dat de oude chinees het besef toegedaan was TERUG TE MOETEN. Hij wenste met zijn eigen toekomst niets te maken te hebben; de KENNIS en de REALITEIT waren hem een gruwel en het nevelige VERLEDEN met de VOOROUDERS die het voorrecht hadden dr te mogen toeven waren hem HEILIG. In deze situatie treedt er in zoverre een CONFLICT op dat de LEVENDE mens in die situatie zal trachten het zelfbewuste UIT TE SCHAKELEN, welke poging onveranderlijk zal MISLUKKEN aan en door de REALITEIT. En deze realiteit is hij ook zlf zodat het een zowel als het ander zich IN HEMZELF p kan dringen.
Nu mogen wij aan het woord conflict vooral geen te zware betekenis hechten vanuit ons westerse denkpatroon. Want bij ons is een conflict een botsing waarvoor wij geen OPLOSSING zien. Voor ons zijn de elementen waaruit het conflict bestaat niet te VERZOENEN - reden waarom wij nooit met iets anders komen dan met het COMPROMIS waarbij ieder der partijen een beetje TOEGEEFT. Van een werkelijke OPLOSSING kan in zon geval nooit sprake zijn. Voor de chinees uit die dagen was er echter wl een oplossing: hij kon, in zijn besef, zonder meer terug naar het nevelige verleden en dat betekende voor hem automatisch een volkomen MENS-ZIJN. Voor ns zou een dergelijk streven iets geheel anders betekenen: wij zouden bijvoorbeeld menen dat het VROEGER BETER WAS, en dan bedoelen wij altijd de OMSTANDIGHEDEN. Een MENS willen zijn is in de culturen tussen het begin en het eindpunt nooit het verlangen van de mensen geweest en zo zij al met een dergelijke KREET voor de draad kwamen bedoelden zij er altijd een FACET van het leven mee. Zij bedoelden dan een luchtig of een ernstig, een religieus of een kunstzinnig, een rijk of een arm leven mee. Op de OVERGANGEN echter aan het begin- en het eindpunt willen de mensen MENS zijn - of zij zich dit nu realiseren of niet.
Wij kunnen van de ouden niet zeggen dat HET CONFLICT veel betekende want het ZELFBEWUSTZIJN had nog niet veel opgeleverd. Er was in principe nog geen INHOUD en dus werd er PRAKTISCH niet zo erg veel fgewezen. Omdat die nog niet aanwezige INHOUD dus ook nog in NEVELEN gehuld was moeten wij vaststellen dat het conflict alleen maar ALS SFEER aanwezig was en verder IN DE PRAKTIJK weinig betekende. Er bleek later dan ook dat er niet veel meer in zat dan wat GEDRAGSREGELS, door CONFUCIUS opgesteld, die er in de grond van de zaak op neer kwamen dat de mensen hun INNERLIJK niet moesten VERTONEN. Het BEHEERSEN van de UITERLIJKE kentekenen van verschillende EMOTIES wordt dan de mensen aanbevolen.

De chinees wilde TERUG en dat is een terug naar het heldere, maar de RUS, die aan het EINDPUNT staat, wil VOORUIT. De chinees wilde zijn eigen TOEKOMST niet, maar de RUS wil die nu juist wl. Dit heeft niets met CONSERVATISME en PROGRESSIVITEIT te maken, die normen gelden alleen voor de mensen TUSSEN het begin en het eind. Deze mensen willen niet ERGENS HEEN en zij zien ook geen ERGENS waar het MENSELIJK is. Deze mensen willen alleen maar HET HEDEN en dt dan verbeterd door f het VROEGERE te herstellen f door iets nieuws te verzinnen. Juist omdat zij OP WEG zijn zien zij niet WAARHEEN zodat zij niet meer kunnen doen dan van een VERBETERD HEDEN te DROMEN. De mens van het BEGIN en die van HET EIND ziet wel degelijk WAARHEEN.
Het conflict in de Russische mens heeft wl betekenis want voor hem heeft het zelfbewustzijn een VOLLEDIGE INHOUD, en dat is niet zomaar iets! Dat betekent een GEHELE WERELD die de concrete mogelijkheden heeft om LEEFBAAR te zijn; het betekent vrijheid, veiligheid, levensonderhoud en zorgeloosheid. Het houdt in het ZEKERE WETEN de avond te halen wat betreft de OMSTANDIGHEDEN. En dat is een zaak - wij wezen er vaker op - die d LEVENSVOORWAARDE voor lke mens is. Het laten vernevelen van deze zaak is wel degelijk een opgave en het levert STRIJD op met de gehele MODERNE WERELD. Wij zullen dan ook nog uiteenzetten hoe die strijd tot nu toe in de Russische mens voor de dag gekomen is.

Wij hebben ons telkens de vraaggesteld waar wij de SAMENLEVING konden aantreffen en nergens kondn wij die samenleving vinden. Wel is er hier en daar een zeker SAMENLEVEN aan te wijzen, maar dat wat HIER EN DAAR aanwezig is is niet tekenend voor een cultuur. Bij de cultuur gaat het om het GROTE beeld, en hoe dat in zichzelf geleed is.
Bekijken we nu echter de mensen die aan het BEGIN van de culturen gestaan hebben, dus, globaal gesproken de oude chinezen, dan zien wij dat voor hn de voorwaarden tot samenleven aanwezig waren. Immers: het ZELFBEWUSTZIJN is geheel verneveld, d.w.z. het IS ZELF NEVEL, en om dat niet-aanwezig zijn van de INHOUD voorzover die inhoud uit DITTEN EN DATTEN bestaat gt het. Er moet dus in die oude tijd een SAMENLEVING bestaan hebben, maar hoe fraai dat feit op zichzelf desnoods ook is, het heeft weinig om het lijf omdat er in zon samenleving geen MOGELIJKHEDEN waren. Er was immers niets dat de mens zlf in de hand had, want hij WIST niets, hij KENDE niets en hij KON derhalve ook niets. Precies zon situatie als wij bij KINDEREN aantreffen, waarbij lles nog volkomen GAAF is en in het geheel nog niet TOEGESPITST. Maar die kinderen zijn volkomen AFHANKELIJK, zij zijn niet in staat zichzelf ALS DAT GAVE GEVAL staande te houden; hun levensmogelijkheden hangen af van de door de ouderen geschapen omstandigheden. Die eerste CULTUURMENSEN hingen natuurlijk niet van OUDEREN af; hun afhankelijkheid gold ten opzichte van de werkelijkheid, de concrete werkelijkheid zlf. Deze AFHANKELIJKHEID is NIET MENSELIJK omdat de mens in wezen de werkelijkheid BEHEERST en bijgevolg ONAFHANKELIJK behoort te zijn. En deze onafhankelijkheid komt pas voor de dag als de mensen ALLES KENNEN, en dus ook ALLES KUNNEN. Het is dus met recht z, dat de inhoud van het zelfbewustzijn VERNEVELD dient te zijn, d.w.z. wl volledig aanwezig, maar niet meer als een VERZAMELING van aparte elementen die zich ieder voor zich OPDRINGEN, maar als een GEHEEL waarin alle elementen VANZELFSPREKEND aanwezig zijn zoals ze wrkelijk zijn. En wrkelijk zijn betekent IN HET GEHEEL ZIJN!

Naar bladwijzers: ConflictA ; ConflictB ; ConflictC ; ConflictD ;

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 30_1970 (geplaatst op 9 december 2008)

Naar Bladwijzers: Bekwaamheid: A1, Bekwaamheid: B2, nrs.7, 8, 9, 10 en 11, C3: nrs 24, 25, 30 en 39 Naar nr. 30 en 39 ; Rechtspraak-A-nr.8 ; Rechtspraak-B(Juryrechtspraak)-nr.30 ; Rechtspraak-C-nr.33 ; Revolutie A ; Revolutie B ; Revolutie C ; Revolutie D ;

 

 

Dinsdag, 16 maart 1971

De Russische mens
De russische mens behoort, volgens DOSTOJEWSKI, tot de intelligentste mensen van de gehele wereld. En die russische mens is hij Dostojewski altijd de eenvoudige BOER. Het gaat dus helemaal niet over de zogeheten INTELLIGENTSIA die de universiteiten van MOSKOU en St. PETERSBURG bezocht en het gaat ook niet over de staatkundige bovenlaag die gevormd werd door de LANDEIGENAREN, de GROOT- GRONDBEZITTERS, die behalve de GROND ook nog de MENSEN in eigendom hadden, maar het gaat over de BOER. En dt is voor ons, westerlingen, eigenlijk iets heel lachwekkends want voor ons is de boer nu niet bepaald het voorbeeld van iemand die pienter is. Daarin hebben wij, globaal gesproken, volkomen gelijk want voor het ZELFBEWUSTE is diegene die MET DE AARDE VERBONDEN is een ACHTERBLIJVER, ls die achterblijver tenminste k zelfbewust behoort te zijn - wat natuurlijk in het westen het geval is.
In Rusland echter liggen de kaarten geheel anders; daar is de boer geen achterblijver - hoewel hij van het zelfbewuste niets moet hebben - maar hij is daar de BEWAARDER. Hij is de mens die in de verwarring van de zelfbewuste ONTWIKKELING het GEHEEL bewrd heeft. De russische boer heeft dus ook DE MENS bewaard en LEVEND gehouden en dat is volgens Dostojewski terecht zijn INTELLIGENTIE. Bij de oude CHINEZEN konden wij nog niet van INTELLIGENTIE spreken, omdat daar het INTELLECT nog niet aan bod was f resoluut fgewezen werd. Maar voor de RUS is het zelfbewuste, en dus HET INTELLECT, volledig AANWEZIG, in principe, en dus is zijn MENS-ZIJN wel degelijk naast het PSYCHISCHE een INTELLECTUELE zaak. Het russische volk dus intelligent te noemen is volkomen terecht: Het geldt psychisch, en dan betekent het RUIMTE, n het geldt zelfbewust, en dan betekent het de PRAKTISCHE LEVENSMOGELIJKHEID.
Natuurlijk is dit alles voorlopig nog een kwestie van AANLEG, maar dat doet aan de zaak niets toe of af. Het zich waarmaken als de bovengenoemde zaak houdt o.a. in dat de INHOUD van het zelfbewustzijn ER MOET ZIJN, en die inhoud komt als DE MODERNE MENS voor de dag. Geen wonder dan ook dat de RUS begon te reageren toen Het WESTEN tekenen begon te vertonen van de naderende MODERNE mens. Wij kunnen in dit verband wijzen op de westerse SOCIALISTEN; de denkers die volgens nieuwe wegen en normen over de toekomst van de mensheid dachten. De belangrijkste en eigenlijk ook het WETENSCHAPPELIJKE hoogtepunt van deze denkers was KARL MARX. De invloed van deze denker op het nieuwe rusland is bekend; het riekt zelfs sterk naar DOGMATIEK. Dat zou nimmer mogelijk zijn geweest als er in de wrkelijke rus geen BEHOEFTE aan HET MODERNE was geweest.
Wij zien dat de eerste lichtpuntjes in het westen tot gevolg hadden dat er in Rusland iets met de intelligentsia gebeurde: er kwamen op de universiteiten steeds meer mensen die ECHTE RUSSEN waren, en dit stond in een duidelijke tegenstelling tot het gebruikelijke publiek op de universiteiten. Deze laatsten waren feitelijk de DOMME RUSSEN die geen feeling hadden op datgene dat de rus te bewaren had: de MENS. Nu echter komen er ECHTE RUSSEN en dezen richtten zich onmiddellijk en automatisch op Rusland zlf. In hn denken is Rusland geen modderpoel maar een baaierd van schone mogelijkheden. Het spreekt vanzelf dat mensen die een dergelijk denken toegedaan waren: al spoedig kwamen waar zij thuis behoorden: in SIBERI. Zodat dit oord nog eens temeer duidelijk zijn betekenis voor de rus waarmaakte: het LOUTERINGSOORD.
De betekenis van SIBERI is een dubbele: staatkundig bezien was het een VERBANNINGSOORD dat de mensen TOT STRAF diende - en dit was dus ook de zienswijze van de intelligentsia - en menselijk bezien was het een LOUTERINGSOORD omdat het vanzelfsprekend de LEERSCHOOL was en het TEHUIS voor lles wat TYPISCH RUSSISCH was, en DUS deugde!
Dostojewski vertelt van de geheimzinnige SAMENZWEERDERS, de REVOLUTIONAIREN, die langzaam maar zeker overal doordrongen met hun denken. In BOZE GEESTEN is daar de student SJATOW en ook is er de ingenieur KIRILOW. Beiden zijn in AMERIKA geweest en beiden zijn volkomen ontgoocheld uit de NIEUWE WERELD teruggekomen. Zij hadden gereageerd op het MODERNE en toen zij het leerden kennen hadden zij, als chte russen, ervaren wat het moderne OP ZICHZELF betekende Geen schrijver is er die tot nu toe met een scherper en dieper inzicht de situatie van de russische mens beschreven heeft, maar niet alleen geldt dit ten opzichte van de RUSSISCHE mens, maar ook ten opzichte van de MODERNE n de WESTERSE MENS en vooral ook wat de TOEKOMST betreft.

Toen er zich in het westen tekenen voordeden van de naderende MODERNE mens waren er in RUSLAND mensen die daarop onmiddellijk reageerden. En deze reactie was een zuiver russische reactie. Maar al was dit een feit, evenzeer was het een noodzakelijkheid dat er van de zaak toch niets terecht kwam. In het westen bleef het ook bij moderne MOTIEVEN, maar de praktische UITWERKING ervan kon niet anders dan WESTERS zijn. Dit was immers de geldende CULTUUR - en dat is het ook thans nog. Van iets werkelijk modems kan dus geen sprake zijn.
Het spreekt van zelf dat het in Rusland niet nders verliep want er is geen enkele mogelijkheid voor een zich aankondigende nieuwe cultuur om ZICHZELF TE ZIJN zolang de oude nog aan de orde is. In Rusland was er eigenlijk geen oude cultuur, maar wl een eeuwenoude PRAKTIJK, en in die praktijk verzandde elk nieuw initiatief, f door ONVERSCHILLIGHEID van de zijde van het russische VOLK, f door drastisch ingrijpen van de OVERHEID die van het cht russische niets moest hebben. Voorzover er zich in de loop der jaren toch nog vernieuwingen door wisten te zetten leverden die vaak nog een grotere ellende op dan voordien. Een voorbeeld hiervan is de opheffing van de LIJFEIGENSCHAP. Ook het invoeren van een JURYRECHTSPRAAK werd een fiasco omdat de boertjes iedereen dreigden vrij te spreken. Merkwaardig overigens, zon trekje in de mensen, want in het westen is het nooit anders geweest dan dat de mensen iedereen ter dood brachten als ze er even de gelegenheid voor hadden. De wensen van het VOLK waren meer dan bloeddorstig; dat is gebleken bij de GELOOFS- en HEKSENPROCESSEN.
Ook in Rusland kwam het MODERNE dus VERVORMD voor de dag, d.w.z. op RUSSISCHE WIJZE vervormd. En dit is tenslotte in de grote REVOLUTIE uitgelopen. Die bracht Rusland al spoedig in de rij der grote MOGENDHEDEN zodat het voor het westen een factor werd waarmede geducht rekening gehouden diende te worden. De russische revolutie is volkomen WESTERS, maar het UITGANGSPUNT was MODERN, en dus, qua REACTIE, typisch RUSSISCH. Deze westerse zaak had dus logisch een russische grondtoon en daarom is de zaak COMMUNISTISCH genoemd. Maar net zomin als wij in het westen een DEMOCRATIE hebben, is de russische staat COMMUNISTISCH. Het huidige Rusland is, op zijn russische manier, mr WESTERS dan ooit, omdat het westen nu, via het achterdeurtje van het moderne, een kans heeft gekregen.
Wij moeten hierbij goed in de gaten houden, dat als wij hier spreken van Het westen wij het niet hebben over westerse POLITIEKE invloeden of economische invloeden. Wij spreken over de westerse GESTELDHEID, en die kan gemakkelijk ergens hoogtij vieren, zonder dat er n westerling aan te pas komt. Zo ook Rusland: er was en is helemaal geen sympathie voor het westen en het land is zelfs min of meer AFGESLOTEN, maar de MENTALITEIT heeft, zij het op een ndere manier, het karakter van de westerse mentaliteit. Denken wij bijvoorbeeld aan LENIN: deze overigens voortreffelijke man was een chte RUS die op het moderne reageerde. En zijn moderniteiten werden natuurlijk automatisch WESTERSE zaken. Zo kn hij inzake de revolutie de gedachte toegedaan zijn dat er alleen maar redding te verwachten was van een getraind en gedisciplineerd KADER, dat VAN BOVENAF de revolutie decreteerde. In de PRAKTIJK van de revolutie bleek HIJ gelijk te hebben, maar de gedachte van LEO TROTZKY, die het allemaal VAN ONDERAF verwachtte, was veel maar juist. Alleen zaten daarin VOOR DE PRAKTIJK geen mogelijkheden. Er ie trouwens in dat opzicht van het russische volk nooit iets te verwachten
Mt LENIN en zijn revolutie is het westen in rusland doorgedrongen, en daarmee kwam er een zaak die wr aan de chte rus voorbijging. Want al zijn voor een groot aantal mensen de LEVENSOMSTANDIGHEDEN beduidend verbeterd en al zijn zelfs de russen daar niet ongevoelig voor, dan toch blijft het een feit dat alleen het werkelijk MODERNE de rus iets zal blijken te zeggen. Voorzover dat werkelijk moderne zich in WETENSCHAP en TECHNIEK reeds doet gelden zien wij dan ook dat de russen op zijn zachtst gezegd mee kunnen.

Wij moeten ons nu ook de vraag stellen in hoeverre we van een SAMENLEVING kunnen spreken bij het russische volk. Het is duidelijk dat er STRAKS wel degelijk een samenleving zal zijn; deze zaak immers wordt door de rus als eerste op tafel gelegd. Dat is nu eenmaal zijn AANLEG.
Maar ook in de praktijk is er iets van samenleven aan te wijzen: denken wij aan het feit dat de russische lijfeigenen in hun dorpen GEMEENSCHAPPEN vormden waarbij het gemeenschappelijke ook in praktische zin doorgezet werd. Die gemeenschappen hielden op bij de LANDHEER; zijn aanwezigheid en zijn gezag, als EIGENAAR van die gemeenschappen, was de VERBREKENDE factor. Voorzover er samenleven was bij het volk had dit een RELIGIEUZE grondtoon en dit is een merkwaardig verschijnsel dat wij de volgende keer zullen behandelen.

Naar Bladwijzers: Bekwaamheid: A1, Bekwaamheid: B2, nrs.7, 8, 9, 10 en 11, C3: nrs 24, 25, 30 en 39 Naar nr. 30 en 39 ; Rechtspraak-A-nr.8 ; Rechtspraak-B(Juryrechtspraak)-nr.30 ; Rechtspraak-C-nr.33 ; Revolutie A ; Revolutie B ; Revolutie C ; Revolutie D ;

 

SAMENLEVING. MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 31_1970 (geplaatst op 9 december 2008)

Dinsdag, 23 maart 1971

Eigenaar en verbreker
De Russische SAMENLEVING was een ONDERBROKEN GEHEEL en de verbrekende factor in deze situatie was de LANDEIGENAAR. Deze landeigenaar was eigenlijk een van de WESTERSE ASPECTEN van Rusland; het waren dan ook gewoonlijk deze lieden die de universiteiten bevolkten en die hun kinderen terwille van hun opvoeding ook daarheen stuurden. Het streven van de gemiddelde landeigenaar was er op gericht zo BESCHAAFD mogelijk te zijn en aan dat feit doen de VERHALEN niets af:
de verhalen vertellen gewoonlijk van landeigenaren die het toppunt van barbaarsheid waren. En dan barbaarsheid niet zozeer in de zin van uitbuiterij, die natuurlijk ook op grote schaal plaats vond, maar in de zin van ONMENSELIJKHEID en vaak ook WREEDHEID. Er heerste een grote WILLEKEUR in rusland.
Het type van de landeigenaar was het type van de man die naar HET WESTEN getrokken werd maar er hoegenaamd geen raad mee wist. De westerse gesteldheid maakte hem alleen maar onrustig en VERSCHEURD, en dat verklaart ook de vele WREEDHEDEN. Dat zon landeigenaar met het westen uiteindelijk toch geen raad wist is natuurlijk te verklaren uit het feit dat hij in de grond van de zaak toch een RUS is. Het is dan ook duidelijk dat juist de BESTEN onder de landeigenaren het er het slechtste afbrachten en de grootste onmensen waren. In de roman De gebroeders Karamazow vertelt DOSTOJEWSKI van de oude FJODOR KARAMAZOW, de vader van de drie gebroeders. In deze man komt het bovengezegde duidelijk naar voren.
Het EIGENAAR zijn van iets is automatisch VERBREKEND, en dus ook automatisch iets dat in de westerse gesteldheid past. Want de EIGENAAR houdt iets BIJ ZICHZELF dat eigenlijk niet bij zichzelf te houden is. Een eigenaar heeft dan ook altijd de grootste moeite om datgene dat Hij ZIJN BEZIT pleegt te noemen BIJ ZICH te houden. Maar vanuit dat bezit is er alleen maar de tendens om wg te gaan van de bezitter. Hier is het noodzakelijk op de betekenis van HET BEZIT te wijzen: lke mens is BEZITTER; omdat elke mens Het LAATSTE verschijnsel is bezit lke mens de gehele werkelijkheid. Maar dat is van hem geen EIGENDOM. Het BEZITTEN van de werkelijkheid betekent voor de mens de LEVENSMOGELIJKHEID en dit laatste komt bij lke mens in de praktijk voor de dag als HET BEZIT VAN DATGENE DAT HIJ NODIG HEEFT. Dit laatste is ONVERVREEMDBAAR en het kost, onder NORMALE omstandigheden, geen moeite de zaak bij zichzelf te houden. Voor lke mens PERSOONLIJK heeft het begrip NODIG HEBBEN een iets ndere praktische INHOUD maar, in het algemeen gesproken loopt het niet ver uiteen. Wat bij de mensen tot nu toe wl ver uiteen loopt is de EIGENDOM, en eigendom is altijd wederrechtelijk omdat het MEER is dan men nodig heeft. Hier heeft men dus de werkelijkheid geweld aangedaan, de werkelijkheid is VERBROKEN.
De russische landeigenaar was een VERBREKER van de samenleving, maar het russische VOLK was dat niet. Het volk BEWAARDE het menselijke zodat vanuit het volk het ne geheel gehandhaafd bleef. Pas op een HOGER NIVEAU trad het verbreken op. Zo ontstond er een telkens ONDERBROKEN samenleving. Dit beeld heeft het westen nooit vertoond want de westerse cultuur is de cultuur van het VERBREKEN en dus vertoonde HET VOLK die eigenschap ook. Iedereen wilde VOOR ZICHZELF los komen uit het GEHEEL en zo spoedig mogelijk overal boven uit steken. Daarom werd de LIJFEIGENSCHAP al spoedig afgeschaft en bloeiden HANDEL EN NIJVERHEID op. De SAMENLEVING heeft nooit een kans gekregen


De russische boeren en de grond
De russische boer wordt hierdoor gekenmerkt dat hij zich EEN weet met de werkelijkheid. En aangezien de werkelijkheid voor ieder mens in de praktijk zijn ONMIDDELLIJKE OMGEVING is was dat voor de russische boer de GROND, moeder AARDE. Het zich n weten met de GROND is een trekje dat de russen nooit verlaten heeft. En dat verschijnsel is er dan ook de oorzaak van geweest dat de LIJFEIGENSCHAP zo lang in stand gehouden is, en zelfs z verankerd was in het russische volk dat de afschaffing daarvan min of meer een RAMP betekende. Intussen was die afschaffing wel NOODZAKELIJK geworden, want ook voor de Rus is de ONTWIKKELING drgegaan Wij mogen namelijk geen verkeerde conclusies trekken uit ht feit dat de ontwikkeling als zodanig voor de rus geen betekenis had. Dit betekent namelijk niet dat ER GEEN ONTWIKKELING WAS, want juist de Rus heeft van lle ontwikkeling kennis genomen. We hebben dus niet met een wrkelijk PRIMITIEF mens te doen, zoals bijvoorbeeld de PAPOEA er een is, naar wij hebben te doen met een mens die dat alles NIETS ZEGT. Maar in al die nietszeggendheid is de zaak wl degelijk doorgegaan. Dt het de rus niets zegt ligt juist in zijn in aanleg VOLWASSEN ZELFBEWUSTZIJN dat geen waarde kn hechten aan de DINGEN, die er evenwel WEL ZIJN! En zo kwam er in het russische zelfbewustzijn onafwendbaar het moment dat de HORIGHEID mest verdwijnen zoals er ook het punt kwam dat zlfs de TZAAR van zijn hoge troon viel.
In rusland is lles ANDERS omdat in alle ontwikkeling de rus NAAR HET MENS- ZIJN toegroeit, terwijl de rest van de wereld daar IN PRINCIPE van f gaat: de VERBREKING zoals die in de westerse cultuur waargemaakt wordt en in de moderne cultuur ERKEND wordt is het VERLOREN GAAN - voor de mnsen - van de werkelijkheid. Rusland echter is juist het WAARMAKEN - voor de mensen - van de werkelijkheid, en dt maakt ALLES ANDERS.
Als in het WESTEN de mensen zich VRIJ maken zijn zij met iets noodzakelijks bezig, maar intussen VERBREKEN zij het geheel. Als de Rus zich eindelijk gaat vrij maken is dat juist een BEVESTIGING van het GEHEEL. Zijn ontwikkeling brengt hem NADER tot moeder aarde en ook nader tot datgene dat hem in zijn GELOOF voor ogen stond.

Over dit russische geloof het volgende:

Het is opmerkelijk dat de gelovigheid van de russen tegelijk een grote mate van ONGELOVIGHEID is, terwijl die ongelovigheid niet de westerse kenmerken vertoont. De ongelovigheid van de westerling betekent een ONTKENNEN van lle waarden, die wij als de hogere waarden zouden kunnen benoemen. Die gehele zaak van HELDERHEID en LIEFDE vervalt voor de westerling als hij in Het ONGELOOF terecht komt. De ontwikkelingen van onze moderne tijd geven hiervan duidelijk blijk. Anders echter is het bij de rus: bij hem betekent het doorzetten van het ONGELOOF een doorzetten van MENSELIJKE WAARDEN. De werkelijkheid waarvan zijn GELOOF sprak wordt steeds meer een CONCRETE werkelijkheid, die evenwel nders is dan toen het alleen nog maar geloof was. Wij zien dit getekend in de jongste van de gebroeders KARAMAZOW. Deze ALJOSJA is het type van de gelovige die aanvankelijk aansluiting zocht bij het werkelijke GELOOF. Dat geloof echter toont op een zeker moment zijn ONMOGELIJKHEID en ONHOUDBAARHEID en ALJOSJA verlaat de BESCHUTTING van het geloof: hij verlaat het klooster. Maar hij doet dat niet omdat de zaak voor hem fgedaan is. Hij doet dat omdat er een stap VERDER gezet moet worden. Dan kust hij DE GROND waarmee hij zich nu eerst recht n weet en hij gaat het PRAKTISCHE LEVEN in. Dat is aanvankelijk vol IDEALEN; het gaat dan ook over de KINDEREN, maar het moet natuurlijk tenslotte PRAKTISCH zijn. DOSTOJEWSKI schijnt van plan geweest te zijn deze PRAKTISCHE ALJOSJA in een aparte roman te tekenen, maar daarvan is niets gekomen
De gehele geloofsinhoud van de Rus, die hij TEGELIJK geloofde en niet geloofde wordt tenslotte tot een praktische werkelijkheid, naar wij mogen nooit vergeten dat de INHOUD van die praktische werkelijkheid DE MODERNE MENS is. Logisch dat dus in de praktijk allerlei verschijnselen uit het VERLEDEN van de rus verdwijnen en dat het gehele bestel van land en volk op moderne leest geschoeid zal worden. Maar zlf is de Rus de moderne mens niet; hij wikkelt die zaak niet uit en hij zit er niet achteraan. Hem staat in dat opzicht geen DOEL voor ogen en dus is het zo dat voorzover het MODERNE toch voor de dag komt en uitgewerkt wordt het in de grond van de zaak toch niet anders dan als INHOUD van het leven voor de dag komt. Beschouwd vanuit datgene dat werkelijk voor het moderne geldt is het russische volk dan ook niet modern te noemen - nu niet en straks ook niet. Wij hebben hierop al gewezen toen wij er over spraken dat het net rusland SOCIAAL niet zo best gesteld is. Want om het SOCIAAL in orde te hebben moet men sociaal DENKEN, en dat kan alleen maar als men het EEN buiten het ANDER ziet. Dit echter is met de rus niet het geval. Tenslotte, als de rus BIJ ZICHZELF is terechtgekomen, valt er sociaal niets meer op het russische volk aan te merken, maar dat is dan VANZELF zo, omdat het niet nders kan dan dat in een werkelijk GEHEEL de ONDERLINGE VERHOUDINGEN tussen de elementen op maat zijn. De rus heeft niet de aanleg om aan die onderlinge verhoudingen zlf te gaan werken - dat is een zaak die in de MODERNE MENS voor de dag komt. Wij zien dat dan ook in het WESTEN gebeuren.
Alle wezenlijke kenmerken van het russische volk zijn door DOSTOJEWSKI getekend; hij had een feilloos inzicht in de structuur van de Rus, maar dat zou niet het geval zijn geweest als zijn intutie hem niet had gezegd hoe het in het algemeen met DE MENS zit. Uiteraard heeft DOSTOJEWSKI alles verteld in de beelden van zijn eigen tijd en bovendien moest hij het wezenlijke voor de censuur verdoezelen, maar ondanks dat is zijn inzicht nog niet overtroffen

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 32_1970 (geplaatst op 10 december 2008)

Dinsdag, 30 maart 1971

De russische samenleving
Wij hebben al eerder opgemerkt dat de oude CHINESCHE samenleving niet zo erg veel om het lijf had, Omdat het zelfbewustzijn nog aan geen enkele INHOUD toe was kon er ook niets zijn dat voor die mensen QUA SAMENLEVING betekenis had. De mensen gingen dan ook ieder hun gang en er was eigenlijk niets dat hen SAMENBOND. Hun samenleving was VAN BUITENAF niet te doordringen, maar vanuit de mensen zlf was er geen ONDERLINGE BAND. Later zijn de chinezen dan ook over de hele wereld uitgezwermd zonder dat er een noemenswaardig verlangen in die mensen leefde naar hun vaderland.
Geheel anders was het met de Russen gesteld; hun samenleving had QUA AANLEG wel degelijk een betekenis, zelfs een ALLESOMVATTENDE betekenis en daardoor was er iets dat de mensen SAMENBOND zodat zij er op uit waren zoveel mogelijk binnen dat verband te blijven. Dat iets dat hem samenbond was niet iets CONCREETS want in de zin van de ontwikkeling was er ook bij het russische volk niet veel aan de hand, het was zelfs zo dat het concrete op zichzelf er alleen maar aanleiding toe kon zijn het zinkende schip te verlaten, want het werd steeds slechter in Rusland. Velen hebben dat dan ook gedaan, maar deze russische emigranten onderscheidden zich duidelijk van de Chinese door hun tomeloos VERLANGEN naar Rusland. Zij voelden zich, voorzover ze RUSSEN waren, eigenlijk nergens thuis in de wereld en vaak regelden zij het zo, dat zij in ieder geval in (heilige) RUSSISCHE AARDE begraven konden worden!
Wij moeten de situatie duidelijk zien: wat betreft de DINGEN was er geen aanleiding tot een gevoel van saamhorigheid en vanuit het ZELFBEWUSTZIJN was er alleen maar IN AANLEG enige BETEKENIS van de samenleving. En die betekenis was er een van een wl AANWEZIG doch niet verwerkelijkt GEHEEL. Dat komt voor de dag als een GEVOEL VAN HET GEHEEL. Het gevoel van het geheel wil zeggen dat men zich met de gehele werkelijkheid EEN voelt, en dt is nu juist RELIGIOSITEIT.

De religiositeit
Het is voor een westerling doorgaans moeilijk te begrijpen hoe het zit met de RELIGIE. Want de westerling is werkelijk tot niets anders in staat dan tot GELOVIGHEID en gelovigheid vooronderstelt een heel andere gesteldheid dan religiositeit. De gelovige ZIET OP naar IETS dat hem te boven gaat, en dat IETS kan eigenlijk van alles zijn omdat het AANVOELEN van datgene dat er wrkelijk is in deze zaak geen rol speelt. Er is geen enkel contact tussen de HOGERE werkelijkheid en de feitelijke werkelijkheid. Het is wel voorgekomen dat het HOGERE dat iemand voor ogen stond wl overeenkwam met de feitelijke werkelijkheid en dan bleek het ontbreken van contact duidelijk uit het feit dat dit niet eens bemerkt werd zodat zon mens er voortdurend onder gebukt ging het ware geloof niet te hebben. In het GELOOF is lles mogelijk omdat er geen AANSLUITING is met de werkelijkheid en dus met de mens zlf. Om deze reden zijn dan ook de volkomen BESPOTTELIJKE geloofsvoorstellingen en leerstellingen van de westerse KERKEN voor zoete koek geslikt - tot en met op de dag van vandaag!
Soms liggen de VOORSTELLINGEN van het westerse geloof dicht bij de realiteit omdat ze wat minder BESCHADIGD zijn overgekomen uit de oudheid of uit het zogenaamde HEIDENDOM van onze vroege voorchristelijke voorouders. Maar ook dan wordt er NIETS herkend en niets AANGEVOELD. Vanuit dit onwerkelijke gedoe is het niet mogelijk iets zinnigs te bedenken over de RELIGIE want de voorwaarde daartoe ontbreekt de westerling: hij kan niet bij zijn eigen GEVOEL te rade gaan. Als hem dit in spaarzame gevallen wl gelukt dan ziet hij dat de religieuze mens VOELT dat hij EEN is met de werkelijkheid, znder dat er van iets HOGERS sprake is. Desnoods is er wel iets dat GROTER is dan gewoonlijk de mens is, maar dit groter-zijn is een menselijke norm die geen VERHEVENHEDEN impliceert.
Juist de religieuze mens is OVERWELDIGD door de werkelijkheid; zij sleept hem mee en hij kan er niet van los komen. En een EINDE is er niet aan te bedenken zodat men er ook niet BUITEN of BOVEN kan gaan staan. Er is geen ontkomen aan zolang de religieuze mens ONVOLWASSEN is omdat het allemaal GEVOEL is. De menselijke REALITEIT beantwoordt voorlopig hieraan niet zodat SYMBOLEN de plaats van de realiteit innemen, maar als tenslotte de wereld VOLWASSEN geworden is vervallen de symbolen en ook verdwijnt het GEVOEL overweldigd te zijn omdat men zlf de werkelijkheid geworden is. In dit geval is het met de RELIGIE gedaan en dan is ook, wat betreft het russische volk, het BINDMIDDEL opgelost dat aanvankelijk de russische mensen bijeenhield. Het religieuze VERSMELT de mensen tegen wil en dank, maar als dit voorbij is weet een ieder zich VAN ZICHZELF UIT n met het geheel. Dan maakt het niet meer uit of men al of niet in een bepaalde gemeenschap blijft of niet en het maakt niet uit of er vreemden bijkomen. Ook is er geen ALGEMEEN verlangen naar de eigen grond - dat komt dan hoogstens bij iemand PERSOONLIJK voor.
Op grond van het bovenstaande moeten wij dus vaststellen dat er in strikte zin ook in RUSLAND niet van een werkelijke SAMENLEVING te spreken is; was het om te beginnen bij de CHINEES een ONTKENDE INHOUD, nu is het bij de RUS een AANGEVOELDE INHOUD. Maar van een WERKELIJKE INHOUD is pas bij de volwassen mens te spreken.

Nogmaals de russische situatie
De ontwikkelingsweg van de mensheid is een zeer concrete weg geweest: het is precies na te gaan door welke gebieden die weg gegaan is, en wij hebben er in verband met rusland reeds op gewezen dat al die opeenvolgende cultuurgebieden ROND RUSLAND lagen - min of meer. Dit is natuurlijk niet toevallig, netzomin als het toevallig is dat Rusland in geen van die culturen opgegaan is.
Bekijken wij de andere continenten, dan zien wij dat er daar van de ontwikkeling niet veel terechtgekomen is. Maar telkens als een van die culturen toch in contact kwam met een andere en hogere betekende dat de ONDERGANG er van. Dat betekent dat er IN ZICHZELF geen houdbaarheid was zodra er een volgend MOMENT doordrong. Dit liep evenwel zon vaart niet omdat er een groot ISOLEMENT was. Dit gold vooral voor de ZUIDELIJKE cultuurgordel: van Het ZUID-AMERIKAANSE continent via de eilandengroepen in de PACIFIC naar AUSTRALI en vandaar naar AFRIKA. Deze gehele gordel heeft ver buiten de ontwikkelingsweg gelegen en eerst in de MODERNE TIJD komt hierin verandering. Deze verandering is zodanig dat de mensen daar zich instellen op de moderne en de westerse cultuur; het is niet zo - als in rusland - dat alleen naar de RESULTATEN aanvaard worden zonder wezenlijk OPGAAN in het nieuwe.
Als wij nu zeggen dat er niet veel aan de hand was in de ZUIDELIJKE GORDEL, dan moeten wij hieronder niet verstaan dat het daar allemaal zonder enig begrip van het WEZENLIJKE was. Het tegendeel is eerder waar: juist in die streken leven er talloze OUDE GEBRUIKEN en de daarbij behorende VERHALEN en MYTHEN, die van een diep INZICHT getuigen. Maar het merkwaardige is dat het allemaal duidelijk uit de OERTIJD stamt. Juist hier kunnen wij enig inzicht krijgen in de geestelijke situatie van de mensen uit VOORZELFBEWUSTE TIJDEN. De kunst is alleen om de vele gegevens, die vaak door allerlei TRADITIES verdoezeld zijn, te kunnen LEZEN, zonder de rampzalige westerse VOOROORDELEN. Dat de bedoelde verhalen uit de OERTIJD stammen wordt bevestigd door het feit dat het allemaal over DE GROTE MOEDER gaat, en zij ligt vr het zelfbewustzijn.
Wij kunnen in dit verband op het feit wijzen dat ook de volkeren langs de ONTWIKKELINGSWEG dergelijke verhalen vertelden, maar dan moeten wij er wl bij bedenken dat het bij die volkeren niet bij die verhalen gebleven is. In de zuidelijke gordel echter is alles blijven liggen. En dit alles is in geen enkel opzicht MINDERWAARDIG, maar wl blijft het feit gelden dat er qua ONTWIKKELING nauwelijks iets gebeurd is.
Rusland echter heeft van lles kennis genomen, en het is ook door alles in VERWARRING gebracht maar verder dan tot een verwarring is het nimmer gekomen, ook niet toen de WESTERSE GESTELDHEID onder het mom van MODERN EN RUSSISCH eindelijk doorgebroken was in rusland. Wij moeten goed begrijpen dat er voor de in aanleg volwassen mens geen enkele MOGELIJKHEID is zich rgens in te storten en dat die mens pas tot zijn recht kan komen als ALLES er is. Juist omdat dit ALLES de enige en blijvende VOORWAARDE is voor de russische mens om tot ontplooiing te komen neemt hij ook van ALLES kennis terwijl het toch nooit meer wordt dan zijn LEVENSVOORWAARDE.
Dat is met de andere volkeren niet het geval; voorzover zij een schakel in de keten der ontwikkeling zijn geweest zakken de culturen wg om tenslotte weer voor de dag te komen als n van de elementen in het ALLES, en voorzover zij geen schakel vormden komen de volkeren zlf in het teken van ALLES te staan zonder daarmee voorlopig iets aan te vangen. Bij de Rus vangt het ONMIDDELLIJK aan zodra ALLES er is en dan wordt de russische CULTUUR tot werkelijke cultuur, die niet meer in het teken van enige SPECIALITEIT staat, maar in het teken van de SAMENLEVING. En in deze samenleving vertoont zich dan een verhouding die MAATSCHAPPIJ heet, n er is een verhouding die GEZIN heet.

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 33_1970 (geplaatst op 10 december 2008)

Dinsdag, 6 april 1971

Naar Bladwijzers: Rechtspraak-A-nr.8 ; Rechtspraak-B(Juryrechtspraak)-nr.30 ; Rechtspraak-C-nr.33 ;

Naar aanleiding van enkele vragen
Wij hebben gesproken over de Russische LANDHEREN, die verscheurd waren omdat er in die mensen een AFWIJKENDE verhouding naar voren kwam. Nu kunnen wij ons naar aanleiding daarvan afvragen hoe een dergelijke afwijkende gesteldheid mogelijk is, maar dan moeten wij als eerste bedenken dat een afwijkende gesteldheid ALTIJD EN OVERAL onder de mensen mogelijk is. Onder de westerlingen zijn er ook mensen die afwijken en die met geheel iets nders komen dan in het westen gebruikelijk is. En eigenlijk is IEDEREEN min of meer een AFWIJKING van datgene dat ALGEMEEN geldt; een vaste NORM is er niet en wij kunnen nooit zeggen wat of wie NORMAAL is. Wij ervaren het afwijkende alleen dan als de afwijking TE GROOT is, maar wie zal bepalen wanneer dit te geldt?
Het begrip VARIATIE, dat voor de gehele werkelijkheid van kracht is betekent zlf al een en al AFWIJKING en dus is er in de grond van de zaak niet te vragen hoe een afwijking MOGELIJK is.
Wat nders is het met de vraag hoe in het ne geval en in het ndere geval een zogenaamde, afwijking voor de dag komt. Als het gaat over de Russische landheer, die niet kan ontkomen aan de WESTERSE gesteldheid en die op grond daarvan BESCHAAFD en ONTWIKKELD wil zijn, dan krijgen wij met een geheel ander type mens te doen dan wanneer het over een afwijkende westerling gaat. Want de RUS is in wezen de mens die ZELFBEWUST het GEHEEL is en dat betekent dat de BEPAALDHEDEN VERNEVELD zijn - er springt er niet n uit en er is geen enkele bepaaldheid TOEGESPITST. Is dit echter, door een persoonlijke AFWIJKENDE aanleg wl het geval, dan krijgen wij te doen met een VERSCHEURD mens, die deze bijzonderheid vertoont dat HIJ WEET DAT HIJ VERSCHEURD IS. Het GEHEEL-ZIJN is in hem namelijk ZELFBEWUST (al is dat voorlopig alleen nog maar IN AANLEG) en dus is het eventuele VERSCHEURD-ZIJN dat ook. Hij WEET dat het menselijk gesproken FOUT zit met zijn afwijkende gesteldheid. Dit WETEN brengt hem er niet toe het nders te gaan doen, want er is voor zon mens geen enkele MOGELIJKHEID anders te zijn dan hij is. Die mogelijkheid is er trouwens voor geen enkel mens.
De mensen die tot culturen behoren, die voorafgaan aan de Russische zijn, cultureel gesproken, allemaal VERSCHEURD, want het zich toespitsen op een BEPAALDE VERHOUDING in en van de werkelijkheid is HET VERBREKEN er van. Maar deze mensen WETEN van dit verscheurd-zijn niets af omdat zij het GEHEEL niet WETEND KENNEN. Zij VOELEN hoogstens bij zekere gelegenheden - zoals met KERSTMIS! - iets van het geheel en van de foute gesteldheid die zij toegedaan zijn. Maar waarvan zij WETEN is alleen maar HUN EIGEN VERHOUDING die uitgewikkeld wordt en dat bepaalt dan ook hun ZELFBEWUSTE ZIJN.
Zoals gezegd geldt dit voor de mensen van ALLE bepaalde culturen en uiteraard geldt dit het meest voor de MODERNE mens omdat die mens de vervolmaking van de TOEGESPITSTE mens is. Evenwel is er een duidelijk verschil tussen de westerse en de moderne mens enerzijds en de mens uit de oudheid anderzijds. En over dit verschil zullen wij de volgende keer nog het een en ander zeggen.
Het westen kent de MYSTIEK en dit streven komt eigenlijk hier op neer dat men probeert BUITEN HET ZELFBEWUSTZIJN OM het geheel te pakken te krijgen. Deze poging kan in de praktijk nimmer gelukken omdat een niet-zelfbewuste zaak geen REALITEIT voor de mensen kan opleveren. Het blijft dus een zichzelf wgdromen dat desnoods aangrijpend is door zijn schoonheid, maar dat tevens TRAGISCH is door zijn ONMOGELIJKHEID. Het EVANGELIE VAN THOMAS zegt dat het er om gaat van de twee n te maken, maar die gedachte komt voort uit de GNOSTIEK en dat was niet voor niets alleen voor INGEWIJDEN. De mens kn nimmer van de twee n maken, maar de zaak kan wl EEN voor hem ZIJN. En, denkende aan hetgeen wij zojuist over het AFWIJKENDE gezegd hebben, die mogelijkheid is er ALTIJD in alle culturen. Maar dan is het van iemand de PERSOONLIJKE AANLEG en dat is iets anders dan het ALGEMENE BEELD van een mensheid.
Wij hebben van de Russische mens gezegd dat hij WEET dat hij verscheurd is als het BEPAALDE zich in hem opdringt. Want de Rus weet van het GEHEEL. En daardoor weet hij ook BOETE te doen en SCHULD te gevoelen. Het is dan ook niet voor niets dat een beroemd boek als Schuld en boete door een RUS geschreven is. Dostojewski tekent precies wat er eigenlijk in zon schuldig mens leeft en hij maakt ook duidelijk dat dit een zaak is VAN DE MENS ZELF. Een zaak die eigenlijk BUITEN lke bemoeienis van de nderen valt. Omdat het schuldig zijn voor de Rus een ZELFBEWUSTE ZAAK is, die voor hen zlf, en dus ook voor hem PERSOONLIJK van kracht is.

De tegenstelling tot het westerse denken en aanvoelen blijkt wat deze dingen betreft duidelijk uit de westerse RECHTSPRAAK waarbij het in geen enkel opzicht voor de rechter de vraag is hoe iemand zlf tegenover zijn eigen daad staat. Het kan de rechter niet schelen of een mens in zichzelf tot de ontdekking is gekomen dat datgene dat hij gedaan heeft NIET KAN - zodat hij het onmogelijk meer doen kn. Want in het westen is het niet mogelijk te begrijpen dat iemand in zichzelf de verscheurdheid voelt en de onmogelijkheid daarvan. De rechter overweegt dan ook alleen maar hoe het VERSTOORDE EVENWICHT hersteld kan worden en welke GARANTIES er zijn dat iemand niet meer tot een misdaad komt. En nu kunnen wij niet stellen dat rechtspraak znder die overwegingen kan, maar wl moeten wij inzien dat het besef van schuld en naar aanleiding daarvan de behoefte aan BOETE op de allereerste plaats komen. Voor de Russische mens is het doen van boete een keiharde REALITEIT, en voor de westerling is het eigenlijk een FORMALITEIT die nageleefd moet worden.
Naar aanleiding van hetgeen wij allemaal over de Russen gezegd hebben moet er toch nog een waarschuwend geluid gegeven worden: deze dingen, die ns iets zggen omdat wij over deze dingen nadenken, mogen ons er niet toe verleiden te denken dat de Russische MENSEN, zoals die hun dagelijks leven lijden, op de een of andere manier IDEALE MENSEN zijn. Er is bepaald NIETS AAN DE HAND en het is zelfs zo dat de realiteit van het huidige Rusland ons flink zwaar op de maag zou liggen als wij er mee geconfronteerd waren - en dat niet omdat er daar een bepaald REGIEM gevoerd wordt, maar omdat het GEWONE MENSEN zijn, net als alle andere mensen op de wereld
Nog enkele opmerkingen over de WREEDHEID, waarover wij al iets gezegd hebben in verband met Rusland. Onder WREEDHEID moeten wij verstaan de BEHOEFTE OM TE SCHEIDEN DATGENE DAT NIET TE SCHEIDEN IS. En nu moeten wij in de gaten houden dat het hier niet om de PSYCHOLOGISCHE aspecten van de zaak gaat. Dat is het complex van spanningen dat in de mens tot een bepaald GEDRAG leidt. Maar het denken daarover doen wij niet, dt is PSYCHOLOGIE. Wat wij wl doen is nagaan van waaruit dat complex van spanningen in de mens MOGELIJK is. En dan blijkt al uit de bovenstaande definitie dat het gaat over SCHEIDEN, dus splitsen of verscheuren, en ook over iets dat NIET TE SCHEIDEN is - dus over HET GEHEEL.
Dat het vooral over dit laatste gaat wordt duidelijk als wij bedenken dat wij in verband met wreedheid altijd aan iets LIEFELIJKS denken - een lief klein en ook weerloos dier, een kind, iets van schoonheid en liefde - en dat liefelijke wordt wreed verstoord. Voor ons echter speelt het liefelijke OP ZICHZELF geen rol; het is geen MAAT voor en in ons leven en wij komen het hoogstens tgen zodat het ons ONTROERT. Maar voor een mens die DEUGT speelt het de ENIGE rol omdat het de concrete aanwezigheid van HET GEHEEL is. Dus spreekt het vanzlf dat juist deze laatste mens WEET heeft van WREEDHEID en zichzelf in tal van praktische situaties van wreedheid beschuldigt. De Rus is de mens in wie dit duidelijk naar voren komt: hij WEET dat hij wreed is en hij IS DAT DAN OOK. Reden waarom de Russische LITERATUUR er bij herhaling van rept.
De westerling weet van niets als het over het behoorlijke gaat; zo weet hij ook niet van wreedheid. Soms ERVAART hij iets wel als wreed, maar dat wil niet zeggen dat hij WEET WAT HET IS. Zijn hele GEDOE is trouwens een aaneenschakeling van wreedheden omdat zijn CULTUUR de werkelijkheid totaal verscheurt. Maar wat in de CULTUUR ligt kan nu eenmaal nooit vanuit MENSELIJKHEID beoordeeld worden en dus gelukt dat de westerling ook niet
De wreedheid van de Rus uit zich ook in het bekende verschijnsel van het afrossen van zijn vrouw, dat bij het Russische volk min of meer gebruikelijk was. De vrouw is de vertegenwoordigster van HET GEHEEL en dus van datgene dat niet te verbreken is, en hoewel dat ALS MENS voor de man natuurlijk ook geldt is het VOOR DE MAN zo dat hij eigenlijk TOESPITSING is omdat hij het begrip HET EEN EN HET ANDER vertegenwoordigt. Voorzover hij zich nu als zodanig laat GELDEN, met daarbij gevoegd het weten van het GEHEEL, dn is daar de neiging dat geheel te verscheuren. Die neiging komt alleen naar voren als de men zich LAAT GELDEN, en dat gebeurt vanzelfsprekend als de mensen nog ONVOLWASSEN zijn. Want al laat de Russische man zich niet als een CULTUUR-MOMENT gelden, dan betekent dat nog niet dat hij zich niet VOOR ZICHZELF zal laten gelden! Dit laatste laten de mannen eerst achterwege als zij werkelijk VOLWASSEN geworden zijn. Met SADISME heeft het slaan van de Rus niets te maken; dat geldt alleen maar in de WESTERLING in wie de wreedheid meestal SEXUEEL is.

Naar Bladwijzers: Rechtspraak-A-nr.8 ; Rechtspraak-B(Juryrechtspraak)-nr.30 ; Rechtspraak-C-nr.33 ;

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 34_1970 (geplaatst op 10 december 2008)

Dinsdag, 20 april 1971

De toegespitste mens
Wij spraken er de vorige keer over dat de CULTUURMENS altijd een VERSCHEURD mens is omdat aan de TOESPITSING, die elke cultuur in wezen is, onmiddellijk te bedenken valt dat de werkelijkheid eis GEHEEL verscheurd is.
Nu hebben wij er vroeger uitvoerig over gesproken hoe de mens uit de OUDHEID in het teken van het geheel stond omdat hij nog tot het BEGIN van de ontwikkelingsweg behoorde. Dit in het teken staan van het GEHEEL levert in de oudheid een VROUWELIJKE SFEER op; het is de sfeer van het ONGEBROKENE. En deze sfeer brengt voor de mensen met zich mee: religie en kunstzinnigheid en een ZIEN van de werkelijkheid zonder dat wij van BEGRIJPEN kunnen spreken.
Toch behoorden de mensen uit de oudheid ook tot de CULTUURMENSEN, zodat ook voor hen het VERSCHEURD-ZIJN geldt. Zij bevonden zich immers op de ontwikkelingsweg, en die weg gaat altijd over HET EEN EN HET ANDER, d.w.z. het gaat over de DINGEN. Dit behoeft niet te betekenen dat de mensen MATERIALISTISCH zouden zijn en dat zij niets anders in hun hoofd zouden hebben; het betekent slechts dat het zich tot bezitter van de aarde maken aan de gang is. Wij hebben dan ook niet gezegd dat het OM de dingen gaat, maar dat het OVER de dingen gaat. OM de dingen kn het welbeschouwd in de OUDHEID niet gaan want voor die mensen bleef alles dat tijdens de ontwikkeling te voorschijn was gekomen nog door HET GEHEEL overkoepeld. Daardoor kwamen de dingen niet geheel OP ZICHZELF te staan zonder enigerlei VERBAND met al het ndere. Dit kunnen we gemakkelijk aflezen uit het feit dat er voor de dingen een sterke NORM VAN SCHOONHEID gold. Zelfs de geringste gebruiksvoorwerpen werden van een schone vorm voorzien en zo mogelijk versierd. Juist dit laten gelden van schoonheid duidt op het besef van een GROTER VERBAND waarin de dingen opgenomen waren. Als er van een dergelijk besef niets meer is overgebleven op den duur, zien wij de ongeremde drift tot VERGAREN bij de mensen opkomen. En dan kan het van lles zijn dat bijeengeschraapt wordt; de schoonheid van het bezit doet er niets meer toe. Tenslotte is het alleen nog maar GELD, n wat weer drop volgt: PAPIEREN.

Hoe dan ook: voorzover er in de oudheid bijeengeschraapt werd waren het dingen van schoonheid; de rijkdommen van iemand werden daarnaar afgemeten.
Het gaat er dus niet om om aan te tonen dat de mensen uit de oudheid geen last hadden van schraapzucht, maar het gaat er om om aan te tonen dat er tch een besef was dat de zaak OVERKOEPELDE: het besef van een GEHEEL.
Voor de mensen uit de oudheid gold derhalve ook het verscheurd-zijn omdat het bij hen ook over de dingen ging, maar er lag een SFEER bovenuit: de sfeer van het VROUWELIJKE, het GEHEEL. Het spreekt vanzelf dat die sfeer het duidelijkst tot uiting kwam in de HOGERE KLASSEN. De mensen die daartoe behoorden behoefden niet te ploeteren voor hun levensonderhoud zodat de cultuur zich in hen kn SUBLIMEREN. Dat is trouwens altijd mt de HOGERE KLASSEN het geval; het SUBLIMEREN van de cultuur en het GEPLOETER voor een hapje eten behoren nu eenmaal nooit bij elkaar! De gewone mensen die ALTIJD te weinig hadden en ALTIJD bestolen werden waren natuurlijk wl op de dingen gericht en het ging hen wl om de dingen - in sterke mate. Dat MOEST wel want het betekende heel simpel: IN LEVEN BLIJVEN. Ondanks dt blijkt uit bijvoorbeeld de EXTATISCHE FEESTEN dat ook die mensen het geheel beseften. Want de EXTASE is het BUITEN ZICHZELF TREDEN en ook het BOVEN ZICHZELF gaan staan, en dat kan alleen maar een behoefte in de mensen zijn als zij ZICHZELF als verscheurd en verdeeld en VERBROKEN ervaren.

Als wij in termen van MANNELIJKHEID en VROUWELIJKHEID denken, dan moeten wij constateren dat gedurende de gehele GESCHIEDENIS, dus ook gedurende de OUDHEID, het denken en voelen geschiedde VANUIT HET MANNELIJKE, en dan was het in de oudheid zo, dat de zaak NAAR HET VROUWELIJKE TOE gedacht werd, terwijl het later - denk aan WEST-EUROPA - zo was dat VAN HET VROUWELIJKE AF werd gedacht. Dit NAAR HET VROUWELIJKE TOE denken en voelen echter is geheel iets nders dan wrkelijk vrouwelijk dnken, zoals dat in VOOR-HISTORISCHE TIJDEN aan de orde was. Wij zeggen nu niet dat er gedacht werd over het wrkelijk vrouwelijke, want dat gelukt eerst aan een VOLWASSEN MENSHEID - maar wij zeggen dat er werkelijk VANUIT HET VROUWELIJKE gedacht werd. Dit is het denken omtrent DE GROTE MOEDER, de OER-MOEDER, waarvan wij de resten nog overal in de ZUIDELIJKE CULTUURGORDEL aantreffen. Hierover schreef F. SIERKSMA: De roof van het vrouwengeheim.

Het werkelijk vrouwelijke denken is een denken dat stamt uit de tijd die vr de cultuurontwikkeling gelegen was, In dit denken komt het MANNELIJKE niet voor want het gaat alleen maar over de GROTE MOEDER. Alles wat er is is uit die GROTE MOEDER voortgekomen, en behalve dat het er uit voortgekomen is, is het ook nog in haar GEBLEVEN. Als er in zon situatie toch over de man en het mannelijke gesproken wordt heeft dit slechts betekenis als INHOUD van de grote MOEDER. Het heeft dan de betekenis van heb begrip ZOON - een beeld dat tot op de dag van vandaag bewaard gebleven is, zonder dat er natuurlijk nog iets zinnigs aan beleefd wordt. Het mannelijke bestaat dus alleen maar als DE ZOON, en omdat dit zo is zeggen wij dat het MANNELIJKE niet voor komt. Als namelijk later het MANNELIJKE wl voor de dag gekomen is heeft het niet meer de betekenis van DE ZOON, maar is het een zaak die BUITEN het VROUWELIJKE, althans buiten DE MOEDER, getreden is en die daardoor TEGENOVER HET VROUWELIJKE is komen te staan. Het is BACHOFEN geweest die aan deze periode van de mensheid aandacht geschonken heeft.
De GROTE MOEDER heeft geen mannelijkheid TEGENOVER zich; er bestaat dus voor haar ook geen VERWEKKER van wie alles UITGEGAAN is. Alles wat zij voortgebracht heeft heeft zij geheel UIT ZICHZELF voortgebracht en omdat er niets BUITEN haar bestaat geldt voor haar ook de VERANDERING niet. Dit doet denken aan het onderschrift dat in oude tijden bij de godin NEITH geplaatst werd: Ik ben die ik ben, ik zal zijn die ik zijn zal, niemand heeft mijn hemd opgelicht, ik heb uit mij zelf voortgebracht.
Vaak wordt de GROTE MOEDER verward met het begrip VRUCHTBAARHEID, omdat zij de VOORTBRENGSTER van lles is. Evenwel is deze gedachte onhoudbaar: VRUCHTBAAR kn het vrouwelijke slechts zijn als het bezien wordt VANUIT HET MANNELIJKE. De boer die het graan ZAAIT kan spreken van de vruchtbaarheid van zijn akker, maar die akker zlf heeft van vruchtbaarheid geen weet. Het vrouwelijke uit de sfeer van de GROTE MOEDER kan van VRUCHTBAARHEID niets weten; het weet slechts van VOORTBRENGEN. Het MANNELIJKE, zodra het zich van zichzelf bewust gaat worden, herkent vanuit eigen bewustzijn het vruchtbare van het vrouwelijke. En dat is het eerste dat vanuit het mannelijke ontdekt wordt - vandaar dat de van later tijden bekende VRUCHTBAARHEIDSCULTUS ook van zr oude tijden dateert.
SIERKSMA wijst er in zijn Roof van het vrouwengeheim op dat op een gegeven moment de mannen een de vrouwen hun GEHEIM ontstolen hadden, zodat zij het nu waren die het voor het zeggen hadden. En dit verhaal over de roof komt in de gehele ZUIDELIJKE GORDEL nog steeds levendig voor. De cultuur van die mensen daar CULMINEERT in het verhaal over de ROOF; verder is het niet gekomen.
Wij kunnen ons nu afvragen wat het betekent dat OVERAL het verhaal voorkomt en dat het in de ZUIDELIJKE GORDEL blijft liggen, terwijl het in de gebieden waarlangs de ONTWIKKELING gegaan is min of meer VERLOREN ging om plaats te maken voor ndere verhalen. De verklaring hiervoor echter is heel eenvoudig: de gebieden in de ZUIDELIJKE GORDEL lagen allemaal in een sterk ISOLEMENT zodat de ONTWIKKELING - die immers TEGENSPEL van HET ANDERE vereist - niet door kon zetten. Het ging daar dus TOT het eerste ontwikkelingsmoment en zo kwam nog nt het verhaal van de ROOF voor de dag. Wat NA de roof komt is al ontwikkeling en voor de fgesloten mensen onmogelijk. In de ontwikkelingsgebieden kon de zaak rustig verder gaan - hetgeen dan ook gebeurd is.
Wij moeten in verband met BACHOFEN een waarschuwing laten horen: Bachofen was de man die de oude verhalen weer tot leven gebracht heeft. Maar dit waren verhalen uit HET BEGIN VAN DE ONTWIKKELING. WIJ zien dan ook RESTANTEN van het verhaal van de GROTE MOEDER en verder, meer of minder sterk, het TEGENSPEL van het MANNELIJKE. Nu heeft Bachofen gesproken van de URRELIGION, en dat is juist, maar hij sprak ook van MOEDERRECHT en dat is niet juist. Want ook TIJDENS de ontwikkeling kwam er wl moederrecht voor, maar gn Urreligion: die twee behoren niet bij elkaar, wat Bachofen abusievelijk dacht. In een cultuursfeer die volop MANNELIJK is, kan tch moederrecht voorkomen, maar toen er vroeger op de wereld nog sprake was van de RELIGIN was er gn sprake van enig RECHT - hetgeen niet betekent dat het er RECHTELOOS toeging!
Het WESTERSE en het MODERNE denken weet niet al deze dingen geen raad; als er bijvoorbeeld het BEELD van de MAAGD is bewaard gebleven, dan spreekt het westen onmiddellijk van de onbevlekte ontvangenis. Niet alleen dat dit getuigt van een volslagen gemis aan INZICHT, het getuigt ook, en nog veel meer, van PERVERSITEIT van het westerse denken dat de ontvangenis van de mensen stelt als een BEVLEKKING, aan welke ramp de heilige MARIA ontkomen is. En de bevlekking wordt geaccepteerd als HET HEILIGE HUWELIJK de zaak dekt

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 35_1970 (geplaatst op 10 december 2008)

Naar bladwijzers: Moraal-A ; Moraal-B ; Moraal-C ; Moraal-D ; Moraal-E ;

 

Dinsdag, 27 april 1971

Het niet-culturele gezin
Wij spraken de vorige keer over DE GROTE MOEDER, in verband met culturen, die van vr het zich doorzetten van het ZELFBEWUSTZIJN dateren. En dit brengt ons op het beeld van de MOEDER, zoals zij daar is als OORSPRONG van alle menselijke LEVEN op aarde. Wij kunnen zeggen dat elk mens een MOEDER heeft gehad, maar als wij iets dergelijks zeggen is dit wel een feit dat klopt, maar dat verder voorlopig nog geen BETEKENIS heeft. We kunnen namelijk met hetzelfde gemak gewag maken van het Feit dt elk mens ook een VADER heeft gehad, en daarmee hebben we dan een tweetal FEITELIJKHEDEN op tafel gelegd die onmiskenbaar zijn, maar die ons toch geen enkele kans bieden iets wijzer te worden. Want inderdaad zijn voor het ontstaan van een nieuw mens TWEE factoren nodig, en de ene factor heet het VROUWELIJKE en de andere factor heet het MANNELIJKE, maar toch is het ontstaan van een mens en zaak die ALLEEN MAAR VROUWELIJK is. Daarom is het niet goed naast DE MOEDER onmiddellijk DE VADER te stellen als was dit een aangelegenheid die OP HETZELFDE PLAN stond.
De rol van DE VADER is bij de mens een rol van een geheel ANDER KARAKTER dan die van DE MOEDER; heeft de rol van de MOEDER met het ONMIDDELLIJK MENSELIJKE te maken dan is die van de VADER een ABSTRACTE, een INTELLECTUELE en een HELDERE. Het ONMIDDELLIJK MENSELIJKE dat bij de MOEDER naar voren komt heeft lles te maken met LIEFDE: het is INEEN-ZIJN n het sluit in zichzelf de volledige VROUW-MAN-VERHOUDING. Dit is een zaak van een geheel andere orde dan die min of meer ONWERKELIJKE zaak die door de ABSTRACTIES van de man gevormd wordt.
DE MOEDER is een BEGRIP, maar DE VADER is gn BEGRIP; het is een CULTUURGEDACHTE, een VOORSTELLING die de zich ontwikkelende mens zich gemaakt heeft, en zich maken zl zolang hij nog niet VOLWASSEN is. In de loop van ons betoog zal blijken dat wij met het bovengezegde niet beogen allerlei GEVOELENS en SYMPATHIEN en zelfs LIEFDE van een vader voor zijn kinderen van de tafel te vegen; die gevoelens zijn er en zij zijn voor de man eigenlijk de ENIGE REALITEIT van het LEVEN. Maar dit heeft niets met een of andere VADER als BEGRIP in de werkelijkheid te maken.
Het zal niet gemakkelijk vallen deze dingen verstaanbaar te maken - alweer omdat ons denken een MISERABEL denken is dat eigenlijk nergens toe in staat is als het nu eens over de WERKELIJKHEID gaat.

De MAATSCHAPPIJ is een MEETBARE aangelegenheid, zoals wij al gezien hebben, en de SAMENLEVING sloeg eigenlijk meer op een SFEER die er is onder de mensen als zij een VOLWASSEN GESTELDHEID hebben. Die samenleving is niet in meetbaarheden uit te drukken. Wat wij echter onder HET GEZIN zullen verstaan is een zaak die er, in tegenstelling tot de SAMENLEVING, altijd geweest is: de moeder en de kinderen. Dat wil zeggen: de MOEDER EN DE KINDEREN is op CONCRETE WIJZE een bepaald BEGRIP en dat begrip is altijd aanwezig geweest in de wereld.
De werkelijkheid is EEN GEHEEL, en dat geheel brengt IN ZICHZELF de dingen voort; bekeken vanuit de werkelijkheid is er niets dat VAN BUITEN komt en wat dan ook in de werkelijkheid op gang te brengen. Wat er IN de werkelijkheid voor de dag komt is als het KIND van de GROTE MOEDER en dat kind is door die MOEDER voortgebracht zonder dat er iets UITWENDIGS aan te pas kwam. En wat WIJ tegenwoordig zien als een APARTE zaak, namelijk de VERWEKKER, dus op de een of andere manier DE VADER, is een factor IN de werkelijkheid zlf, IN het geheel zlf, en niet een factor VAN BUITENAF. Zo kan het gebeuren dat de man in het denken van de pre-culturele mensen geen enkele rol speelt. Het enige dat er is, is DE GROTE MOEDER ZELF. Dit beeld van de GROTE MOEDER sluit aan op datgene dat wij om te beginnen in ons hoofd moeten nemen om er echter te komen hoe het zit met het begrip HET GEZIN. Het betekent dat wij DE VADER voorlopig buiten beschouwing moeten laten omdat hij op de een of andere wijze toch in datzelfde gezin vercalculeerd is.
Dit bedoelen wij nders dan de gebruikelijke opvatting; daarbij is de vader in het gezin vercalculeerd omdat het ZIJN GEZIN is. Het gezin is datgene dat aan de MAN, oftewel DE VADER mkomt. In sterke mate is het gezin zelfs zijn BEZIT - hoewel dit in flagrante strijd is met de meest voor-de-hand liggende feiten! In het EVANGELIE staat: Deze is mijn ZOON n mijn GELIEFDE en dt is de verhouding die voor de man geldt en als wij dit niet scherp voor ogen houden zullen wij nimmer iets van HET GEZIN begrijpen.

Want hoe licht denken wij, naar aanleiding van het bovenstaande, dat ns begrip HET GEZIN, zoals wij het nu hier behandelen niets anders is dan het ons bekende gezin, maar dan znder de VADER, en dan vragen wij ons vanzelfsprekend af hoe dat gezin dan moet leven: wie zorgt er voor die vrouw en die kinderen, nu er geen man is? En voorzover er toch een man over de vloer komt, is dat dan een gaan en komen, dn eens van die en dn van die?
Maar deze vragen slaan op de ons bekende situatie waaraan wij niets veranderen - behalve dat wij de man de deur uitsturen. Door dit te doen maken wij de zaak echter ng erger dan hij al was omdat de man nu helemaal van de baan is.
Het ons INDENKEN van de zaak die HET GEZIN is vraagt van ons dat wij de gehele BESTAANDE situatie laten voor wat die is, en VANUIT HET BEGIN gaan denken.

Het begrip HET GEZIN komt concreet voor de dag als de MOEDER MET DE KINDEREN, en als wij die zaak eens nauwkeuriger bekijken valt het ons op dat het begrip ONTWIKKELING er NIET voor geldt. Dit wordt ons duidelijk als wij ons realiseren dat door de eeuwen heen het BEELD van de MOEDER MET HET KIND niet veranderd is. Elke verandering die wij menen te ontdekken blijkt bij nader inzien iets UITWENDIGS te zijn, iets dat het WEZEN van de zaak niet raakt.
Het spreekt vanzelf dat een MOMENTOPNAME van een moeder met een kind in onze tijd er nders uitziet dan een momentopname uit de oudheid, maar wij zien wl precies DEZELFDE VERHOUDING. En deze verhouding GAAT NERGENS OVER, d.w.z. alle filosofische en psychologische en morele NORMEN stuiten er op f. Er is geen VERKLARING voor die verhouding; er is voor die verhouding GEEN BEPAALDE REDEN.
In deze zin bedoelen wij het als wij zeggen dat er GEEN ENKELE BEPAALDHEID voor HET GEZIN geldt. De ontwikkeling van de wereld is een zaak van BEPAALDHEDEN die afwisselend in allerlei verhoudingen tot elkaar staan en zo tot steeds nieuwe verhoudingen komen. In het gezin echter komt niets NIEUWS voor de dag; de verhouding MOEDER-KIND, en omgekeerd, is voor het ZELFBEWUSTZIJN onaantastbaar. Daarom is die verhouding in een MODERN gezin niet nders dan in een gezin uit de OUDHEID. Wl gaat het thans over andere dingen die AAN HET KIND bijgebracht worden, maar l dat soort van dingen behoort tot DE WERELD waarin het kind door de moeder gebracht wordt.
Op een gegeven moment gaat het kind DE WERELD IN; het zelfbewustzijn zet door en dan is het kind VOOR ZICHZELF een BEPAALDHEID geworden - door en door getekend door de TIJD en de PLAATS. Het kind echter ALS KIND, en dus in verhouding tot DE MOEDER is voor zichzelf geen BEPAALDHEID, net zo min als de moeder dat voor het kind is. Toch is in deze verhouding de EEN nders dan de ANDER en, zoals bekend is, laten de kinderen hun eigen karakter wel degelijk en duidelijk gelden. We hebben niet te doen met een UNIFORME aangelegenheid - die moeten we in het WEESHUIS zoeken, maar daar ontbreekt dan ook de MOEDER.
Het gezin is als een EILAND VAN RUST midden in het gewoel en gekrijs van de wereld; zoals de bloedlichaampjes in het bloed overal aanwezig zijn en niet te scheiden zijn van datgene dat wij HET BLOED noemen, zo zijn er de gezinnen in de wereld: niet te scheiden van de wereld en toch op zichzelf geheel anders. Onaantastbaar en onveranderlijk, ongevoelig voor CULTUUR, voor MORAAL, voor ONTWIKKELING, voor INTELLECT
Wij spreken nu nadrukkelijk over de verhouding tussen de moeder en het kind en omgekeerd; het gaat er niet over wt de moeder met het kind IN DE WERELD voor ogen heeft, want dat is een kwestie waarin de ontwikkeling wel degelijk een rol speelt. In die moeder-kind verhouding IS MEN NIETS terwijl men tegelijk volledig ZICHZELF is en pas als de OPVOEDING gaat beginnen - en dat is al tamelijk spoedig - gaat men iets worden, hetgeen onmiddellijk de onaantastbaarheid op de achtergrond dringt.
Het gaat thans niet over de zogeheten MOEDERLIEFDE hoewel aan vele dingen, die wij MOEDERLIEFDE plegen te noemen, uitkomt dat het NERGENS OVER GAAT in de verhouding moeder-kind. Moeders kunnen bijvoorbeeld van een afgrijselijk mens houden met het argument dat het haar kind is. Dit is geen LIEFDE in de FILOSOFISCHE zin van het woord, omdat hier lles BLIND is, terwijl uiteindelijk de LIEFDE in het geheel niet BLIND is maar GLASHELDER. Maar de moederliefde als zodanig is te BEPERKT en te zeer INDIVIDUEEL om het door ons bedoelde te dekken; het gaat er nu om dat alle CULTUURBEGRIPPEN en KWALITEITEN ook geen kracht hebben in de moeder-kind verhouding.
Wij zullen de volgende keer hierop doorgaan, maar eerst moeten wij goed doordrongen zijn van het feit dat deze CONCREET AANWEZIGE ZAAK die het GEZIN is het enige ONVERANDERLIJK WEZENLIJKE in de mensheid is

Naar bladwijzers: Moraal-A ; Moraal-B ; Moraal-C ; Moraal-D ; Moraal-E ;

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 36_1970 (geplaatst op 11 december 2008)

Dinsdag, 4 mei 1971

De verhouding moeder-kind
Wij hebben de vorige keer opgemerkt dat de verhouding tussen de moeder en het kind, en omgekeerd, er een is die ONAANTASTBAAR is. Daardoor is deze verhouding in de loop der eeuwen niet veranderd - afgezien natuurlijk van de UITERLIJKE veranderingen. Verder verandert lles in de mensheid, want die verandering komt voor de dag aan het ONTWIKKELINGSPROCES, en dat proces staat nimmer stil. De mensen van vandaag zijn wezenlijk veranderd vergeleken bij die van enige eeuwen geleden, d.w.z. het zijn IN PRINCIPE wel dezelfde mensen gebleven, maar hun ZELFBEWUSTZIJN heeft een geheel andere INHOUD gekregen. De mensen hebben veel meer LEREN KENNEN en leren ONDERSCHEIDEN, en dat geeft onherroepelijk een andere KIJK op het leven en op de werkelijkheid. En deze andere zelfbewuste kijk op het leven en op de werkelijkheid bewerkt in de mensen een ander GEDRAG. De mens die tot de ontdekking gekomen is dat de SLAVERNIJ niet deugt is in zijn hele LEVENSPATROON tch een ander mens dan die mens die nog volop gebruik maakt van SLAVEN. Het gebruik maken van slaven is namelijk niet alleen maar een FEIT, maar het is in eerste instantie een MENTALITEIT van de mensen. En wel deze mentaliteit dat er een groot aantal mensen zijn die NIET MEETELLEN.
De ONTWIKKELING brengt dus een verandering teweeg in de MENTALITEIT van de mensen, maar inzake de moeder-kind verhouding is er niets veranderd. Wel DENKT men er nu nders over dan vroeger, en zeker nu de PSYCHOLOGEN zich over de zaak gebogen hebben, maar dit alles maakt van de VERHOUDING zlf geen andere zaak. De moeders zijn HUN KIND niet nders gaan BELEVEN en AANVOELEN en het kind OP ZICHZELF, dus ongeacht zijn OPVOEDING, beleeft zijn moeder niet anders.
Wij moeten er goed op letten dat wij het over het WEZENLIJKE VAN DE VERHOUDING ZELF hebben; heel gemakkelijk verglijden wij naar het UITWENDIGE en menen dan dat alles toch nders is. In het gehele leven van de mensheid zijn het tot nu toe de UITWENDIGHEDEN geweest die een llesbepalende rol gespeeld hebben; die in lle menselijke verhoudingen binnengedrongen zijn ( denk aan de liefde en de sexualiteit ) en die zo de zaak die er werkelijk lag niet aan bod hebben doen komen. Die werkelijke zaak komt pas op het eind, als de mensheid VOLWASSEN geworden is, aan de orde. Maar dia ne werkelijke zaak, de MOEDER EN DE KINDEREN, dus in nze bewoording HET GEZIN, is ALTIJD aanwezig geweest en is nimmer door de uitwendigheden van zijn eigen WAARHEID verdrongen.
Dit verdringen van eigen waarheid is een LOGISCHE GANG VAN ZAKEN in de mensheid; er valt dus niemand iets kwalijk te nemen, maar intussen is het wl een FEIT. Als wij bijvoorbeeld DE VROUW in de wereld bekijken dan zien wij dat haar WAARHEID nog nooit aan bod geweest ie. Die heeft al vanaf het begin geen schijn van kans gehad. De WAARHEID van de VROUW en het VROUWELIJKE is tot nu toe altijd bezien VANUIT HET MANNELIJKE en vanuit de MAN. Ook de zogeheten EMANCIPATIE is een MANNELIJKE zaak - dit zeggen wij er nadrukkelijk bij omdat men anders zou kunnen opwerpen dat de positie van de vrouw in onze moderne wereld toch duidelijk aan het verbeteren is. Inderdaad verbetert de POSITIE, maar de vrouw zlf is minder aan bod dan ooit. En ook dit is LOGISCH, maar daarom niet minder een FEIT. De LIEFDE en de SEXUALITEIT zijn ook sterk aan veranderingen onderhevig, en dat ondanks het feit dat beide verhoudingen heel dicht bij het MENSELIJKE liggen. Beide hebben bij voortduring PROBLEMEN opgeleverd voor de mensen en dat juist door die veranderingen vanuit het ZELFBEWUSTZIJN. Reden waarom wij bij een vorige serie voordrachten over de VROUW EN DE MAN steeds de nadruk gelegd hebben op het feit dat liefde en sexualiteit alleen maar dn goed kunnen zijn als de mensen in staat zijn hun ZELFBEWUSTZIJN op de achtergrond te dringen. Maar welke ONTWIKKELINGSMENS kn dat werkelijk?

Het gaat er bij HET GEZIN om dat wij inzien dat DE VROUW geheel VANUIT ZICHZELF voortbrengt. En hierbij kan niemand ontkennen dat er een MAN nodig is om voort te kunnen brengen, maar dit heeft met het VOORTBRENGEN als zodanig niet te maken. Dit heeft te maken met HET KIND ZELF, want dt heeft voor zijn ontstaan het mannelijke zaad nodig. Het VOORTBRENGEN echter is een zuiver VROUWELIJKE aangelegenheid. Wij hebben er al op gewezen dat het mannelijke ook INHOUD van het vrouwelijke is, zodat het hier dus niet gaat om een grootheid van gelijke ORDE. Het aandeel van de man is een aandeel in de BEVRUCHTING en daarmee is, wat DIT betreft, zijn rol uitgespeeld.

De werkelijkheid brengt IN ZICHZELF een massa dingen voort en die massa dingen zijn als INHOUD van de werkelijkheid mt de werkelijkheid zlf EEN ZAAK; dat er voor dat in zichzelf voortbrengen van die dingen telkens een AANLEIDING is geweest is eer zaak die ook IN de werkelijkheid besloten ligt. En zo ligt het mannelijke IN het vrouwelijke besloten er het functioneert als de factor die het leven zich doet inzetten. Als LEVENWEKKENDE FACTOR onderscheidt het mannelijke zich van datgene dat VOORTGEBRACHT is; het onderscheidt zich dus van het BESTAANDE. En omdat HET BESTAANDE de INHOUD is van het vrouwelijke is het mannelijke van die inhoud onderscheiden, hoewel het toch zlf ook inhoud van het vrouwelijke is. Deze situatie geven wij weer door te zeggen dat het mannelijke voor de vrouw HET ANDERE IN ZICHZELF is.
Ten opzichte van het KIND is de man ook HET ANDERE terwijl de MOEDER voor het kind HET OMHULLENDE is zoals HET GEHEEL altijd voor de DELEN waaruit het geheel bestaat HET OMHULLENDE is. Een zaak die ten opzichte van het BESTAANDE onder het begrip HET ANDERE valt is een INTELLECTUELE zaak. Dt is namelijk de werkelijkheid voorzover die er wl IS, maar toch niet BESTAAT. Dus de werkelijkheid als HET EEN EN HET ANDER, de werkelijkheid als de van elkaar afgescheiden DINGEN, en dan voorzover die werkelijkheid ANDERS is, is de werkelijkheid als INTELLECT. Hieruit volgt dat de MAN-KIND relatie een INTELLECTUELE RELATIE is, en wat hiervan de betekenis is zullen wij de volgende keer nog bespreken.
De verhouding MOEDER-KIND heeft met dit alles niets te maken: deze verhouding gaat BUITEN HET ZELFBEWUSTZIJN om vanwege het feit dat het over HET GEHEEL gaat en er niet het ONDERSCHEIDEN is. Vandaar dat in de praktijk de MOEDER-KIND verhouding zuiver een GEVOELSKWESTIE is, waaraan de man vaak geen touw kan vastknopen. Zijn ARGUMENTEN en REDENERINGEN en BEREKENINGEN, die desnoods op zichzelf wel juist kunnen zijn, stuiten telkens weer f door het NIET TE VERBREKEN karakter van de verhouding moeder-kind.
Het GEHEEL is in zichzelf ONDERSCHEIDEN, maar, bekeken vanuit het geheel zlf is er geen SCHEIDING tussen het een en het ander. Als wij ons bijvoorbeeld in een SYMFHONIE verdiepen, dan constateren wij dat een dergelijk kunstwerk is OPGEBOUWD uit talloze aparte KLANKEN, die ook nog weer op verschillende TOON- HOOGTEN naar voren komen. Letten wij dan op al die verschillende factoren, dan is een symphonie een OPTELSOM van klanken. De PARTITUUR geeft in deze structuur een duidelijk inzicht. Maar als wij diezelfde symphonie BELUISTEREN, dan horen wij wel al die aparte klanken, maar wij leggen daartussen geen SCHEIDING aan; de ne klank behoort onverbrekelijk bij de ndere klank en zo horen wij HET GEHEEL. Het BELUISTEREN, en dus het bekijken vanuit HET GEHEEL, roept geen SCHEIDING op tussen het EEN en het ANDER. En hier heeft ons ZELFBEWUSTZIJN geen kans, want dt kan slechts functioneren als er wl een duidelijke SCHEIDING is. Het beluisteren van muziek, en in het algemeen het genieten van schoonheid is een NIET ZELFBEWUSTE zaak, en op dezelfde manier is het MOEDERSCHAP, in de zin zoals wij thans bedoelen, een NIET-ZELFBEWUSTE zaak. Er is vanuit het geheel geen scheiding. Vanuit het geheel is er GEVOEL en ook is er HET ZIEN en beide laten zich, zoals bekend, niet BEREDENEREN,
Als wij nu zeggen dat het moederschap een NIET-ZELFBEWUSTE zaak is, dan zit hierin geen enkele DISKWALIFICATIE - in tegendeel - en ook ligt thans de verklaring voor de hand van het feit dt in onze MODERNE WERELD, waarin het zelfbewustzijn zich MET ZICHZELF bezig houdt, de WAARDE die door de mensen aan het moederschap beseft wordt STERK GEDAALD is. Men kn niet meer weten waarover het gaat En toch voelt elke moeder het als zij haar kind krijgt en dat gevoel neemt bezit van haar zonder dat zij maar in de verte weet waarover het gaat
En zij heeft NOOIT geweten waarover het gaat en zij zal het nooit weten, maar dat NIET-WETEN is juist voor haar de VERTROUWDE situatie juist dn is het GOED, terwijl de moderne mens met zijn WILLEN-WETEN het GOEDE verstoort en maakt tot een FRUSTRATIE. Het moederschap is begrepen als het NIET begrepen wordt en dt is een zaak die eerst door de VOLWASSEN mens ingezien zal worden.
Wij weten geen raad met dingen die niet begrepen kunnen worden er dan peuteren wij net zo lang tot wij de VERKEERDE sleutel gevonden hebben. De functie van een SLEUTEL is deze dat hij de TOEGANG opent tot iets onbekends, maar deze sleutel SLUIT juist AF en maakt het in de grond van de zaak volkomen ONMOGELIJK dat een mens ZOMAAR VANZELF VREDE vindt in zijn hart.
Wij zijn zelfs zover gekomen dat wij hebben verzonnen dat er voor een vrouw betere BEZIGHEDEN zijn dan het grootbrengen van kinderen en als dan via de ACHTERDEUR de LEEGHEID ons leven binnensluipt roepen wij ach en wee en wij haasten ons de VERVELING te verdrijven

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 37_1970 (geplaatst op 11 december 2008)

Dinsdag, 11 mei 1971

Over bewustzijn en zelfbewustzijn
Inzake de moeder-kind verhouding hebben wij opgemerkt dat dit een verhouding is die BUITEN HET ZELFBEWUSTZIJN OM gaat. Maar deze opmerking maakt het toch noodzakelijk de situatie van het bewustzijn en het zelfbewustzijn nauwkeuriger te bekijken. Want al te gemakkelijk maken wij van iets dat buiten het zelfbewustzijn omgaat een zaak die WEZENLOOS is en volkomen onwetend. Een BABY is ook onwetend en voor sommige vormen van GEESTESZIEKTE geldt dit ook.
Evenwel heeft het buiten het zelfbewustzijn omgaan van de moeder-kind verhouding niets met wezenloosheid te maken. Eerder moeten wij het zo opvatten dat het zelfbewustzijn ER GEEN VAT OP HEEFT, maar dn is het zaak ons te realiseren dat we nu spreken van dt zelfbewustzijn dat er nog op uit is de samenstelling van de werkelijkheid te LEREN KENNEN. We kunnen zeggen dt het gaat over het SPLITSENDE ZELFBEWUSTZIJN. En voorzover en zolang het zelfbewustzijn SPLITST - dus de boel uit elkaar haalt - kan het geen vat krijgen op de moeder-kind verhouding. Dat wij bij deze verhouding met een niet te verbreken zaak te maken hebben is reeds door ons gezegd. Wat dit betreft is alles dus duidelijk, maar veel moeilijker is het te verstaan dat het zelfbewustzijn uiteindelijk ALLES KENT terwijl het toch niet meer SPLITST.
Het zelfbewustzijn is niets anders dan het feit dat de mens van zijn eigen BEWUSTZIJN fweet. Dit onderscheidt hem van de DIEREN, die van hun bewustzijn niets afweten. Zowel bij de mens als bij het dier is het BEWUSTZIJN de LEVENDE INHOUD van het verschijnsel. Wij hebben reeds eerder behandeld de situatie dat bij het ORGANISME de INWENDIGE BEWEEGLIJKHEID van de samenstelling van enkelvoudigheden te voorschijn komt. Het organisme LEEFT IN ZICHZELF. De INHOUD van het organisme is dus tot LEVEN gekomen, en deze INHOUD bestt uit alles wat aan een bepaald verschijnsel VOORAF is gegaan. Bij de mens, als LAATSTE verschijnsel is het derhalve zo, dat hij de GEHELE BESTAANDE WERKELIJKHEID als inhoud in zich heeft, en dat is natuurlijk ook bij hem een LEVENDE INHOUD. Het is de werkelijkheid nders.
Omdt de mens DE LAATSTE is geldt er voor hem ook dat hij van die levende inhoud fweet. Nu is die levende inhoud het GEHEEL omdat er niets UITGESLOTEN is, n omdat het ALS EEN ZAAK in de mens besloten ligt, n omdat de werkelijkheid zlf ook EEN GEHEEL is. Het BEWUSTZIJN is dus EEN GEHEEL, want dt is die levende inhoud.
Maar het moet duidelijk zijn dat die levende inhoud uit allerlei BESTAAT, want de werkelijkheid BESTAAT immers uit allerlei. En dus kan uitgezocht worden WAARUIT die inhoud zoal is samengesteld, en nu is het juist daarmee dat het ZELFBEWUSTZIJN IN ONTWIKKELING zich bezig houdt. Voor dit zelfbewustzijn geldt het LEREN KENNEN, en nu gaat het om dat LEREN, want dat betekent dat alles ONDERZOCHT wordt. Het EEN wordt van het ANDER gescheiden. En dit is nu juist een bezigheid die ten opzichte van de moeder-kind verhouding geen enkel effect sorteert, Evenwel is dat LEREN kennen niet het laatste waartoe het zelfbewustzijn komt; de laatste situatie is deze dat het zelfbewustzijn de werkelijkheid effectief KENT. En dan kent het ook die situaties waarop het ONDERSCHEIDEN en, naar aanleiding daarvan HET SCHEIDEN, geen vat heeft gehad.
Dan liggen verhoudingen als de moeder-kind verhouding wel degelijk in het zelfbewustzijn, maar dan gaat het niet meer over een SCHEIDEND zelfbewustzijn, maar over een werkelijk zelfbewustzijn. Duidelijk is dat dit natuurlijk niets met wezenloosheid te maken heeft.
Het BEWUSTZIJN is de gehele werkelijkheid zoals die LEVEND in de mens ligt. Wij moeten ons nu voor kunnen stellen dat het een mens met een VOLWASSEN zelfbewustzijn mogelijk is zich in zichzelf te verdiepen en zo een kijk te krijgen op de gehele werkelijkheid. Die KIJK kan zich, afhankelijk van de AANLEG van de betreffende persoon, bepalen tot een zo zuiver mogelijk BEELD van de werkelijkheid, tot een zo zuiver mogelijke VORM en ook tot een zo zuiver mogelijke SAMENSTELLING van de werkelijkheid. Dit laatste is de eigenlijke bezigheid van de FILOSOFIE - maar dat zijn wij allang vergeten!
In het OOSTEN was reeds in oude tijden bekend dat het IN ZICHZELF SCHOUWEN niet alleen WIJSHEID opleverde naar ook KENNIS - en diezelfde mensen die dit ontdekten verbrandden de BOEKEN met kennis. Dit betekent dat zij het zich niet VAN BUITENAF wensten, maar VAN BINNENUIT. De zogenaamde objectieve kennis, waarmee wij tegenwoordig werken, was voor die mens uit het oosten een bron van kwaad.

Het SPLITSENDE ZELFBEWUSTZIJN, het zelfbewustzijn in ONTWIKKELING, werd dan ook met klem fgewezen, zoals wij al gezien hebben. Het zelfbewustzijn op grond van ZELFBESCHOUWING werd als het hoogste goed geprezen!
Voor een zelfbewustzijn dat ZELFBESCHOUWING is blijft werkelijk niets verborgen - terecht wijzen mensen als JUNG er op dat wij verbaasd zouden staan van onszelf als wij wisten wat wij allemaal WETEN. Maar voorlopig komen wij daaraan nog niet toe.

Wat in het bewustzijn ligt is een PUNTGAVE aangelegenheid, en dat kan natuurlijk niet nders want het is de werkelijkheid zlf. Maar tot op de dag van vandaag wijzen de mensen het bewustzijn f: zij vinden dat vanuit die hoek alle KWAAD komt en alle DIERLIJKHEID. Zij hebben namelijk niet in de gaten dat het kwade te voorschijn komt door de werkzaamheid van het ZELFBEWUSTZIJN, dat allerlei verhoudingen en gegevens uit het bewustzijn LOS VAN HET GEHEEL naar voren haalt. En dan is inderdaad HET KWAAD uit het bewustzijn gekomen, maar het kwaad werd pas KWAAD door het zelfbewustzijn dat SPLITSTE!

Wij weten nu wat het betekent als wij zeggen dat de moeder-kind verhouding buiten het zelfbewustzijn mgaat. Het is een zaak die op concrete wijze het BEWUSTZIJN is; het bewustzijn dat eigen INHOUD openbaart en tevens in zichzelf BEWAART. En van deze OPENBARING wordt door het ZELFBEWUSTZIJN kennis genomen zonder dat het de vraag kn en mg zijn hoe deze geopenbaarde inhoud SAMENGESTELD is.
De vraag HOE de samenstelling is is een typische vraag van het zelfbewustzijn en het is dan ook een typisch MANNELIJKE vraag. Zodra HET MANNELIJKE in de cultuur maatgevend door gaat zetten komt die vraag naar voren, en dan gaat de MAN zich VERZEKEREN van de samenstelling van die inhoud: hij gaat voor zichzelf GARANTIES scheppen dat ZIJN kind inderdaad ZIJN KIND is. De gangbare methode hiervoor is altijd het HUWELIJK geweest. Het huwelijk is dus een aangelegenheid van het ZELFBEWUSTZIJN dat in ONTWIKKELING is: het wil zekerheid en KENNIS hebben omtrent de INHOUD van de werkelijkheid, i.c. de inhoud van het VROUWELIJKE.
Door de zaak z te stellen heeft de man eens te meer bij gedragen tot het VERBREKEN van de werkelijkheid. Het is dan wel niet gelukt de werkelijkheid IN FEITE te verbreken, maar NAAR ZIJN IDEE heeft hij nu dan toch de zaak geregeld.
Wij bekijken nu HET HUWELIJK in verband met de KINDEREN; er zit evenwel een ndere achtergrond in het huwelijk die een veel diepere betekenis heeft dan alleen maar HET GEDOE inzake de nakomelingschap. Die ACHTERGROND heeft te maken met de LIEFDE ZELF: de mensen willen altijd het EEUWIGE waarmaken en het eeuwige is een wezenlijk aspect van het INEENZIJN, de liefde Nu laten wij daar of deze eeuwigheid doormiddel van een HUWELIJK te verwerkelijken is, maar toch is het een feit dat dit de mensen voor ogen staat en voorzover zij hier naartoe willen zijn zij bepaald niet op zn slechtst Het huwelijk als BESTENDIGING VAN LIEFDE is GEGROND in de werkelijkheid, maar voorzover het alleen maar over de kinderen gaat - wat meestal het geval is - is het volkomen IN STRIJD met de werkelijkheid.
Bij de BEVRUCHTING is het zo dat de EICEL in de vrouw blijft, maar de mannelijke ZAADCEL treedt BUITEN het lichaam van de man. Bovendien geldt voor de EICEL het begrip EEN, en voor de ZAADCEL het begrip VEEL oftewel TWEE. De veelheid is het kenmerk van het BESTAANDE, het is het kenmerk van de INHOUD van HET GEHEEL. Het begrip EEN kenmerkt HET GEHEEL ZELF.
Voor HET BESTAANDE geldt het begrip BUITEN, en dat betekent in de praktijk van de verhouding vrouw-man dat de MAN buiten de VROUW staat. Hij staat ook buiten haar concrete INHOUD - vandaar dat de BEVRUCHTING dan ook VAN BUITENAF geschiedt.
De man staat ook buiten HET KIND, en tussen hem en het KIND komt het tot een RELATIE: als zich in het kind het ZELFBEWUSTZIJN gaat vertonen begint het de man eerst wrkelijk iets te zeggen ALS HET KIND OP ZICHZELF. Aanvankelijk zei het hem alleen maar iets door de VERBINDING tussen hm en de MOEDER.
Voor de moeder is het kind ONMIDDELLIJK hr kind, ngeacht het zelfbewustzijn dat zich in het kind zal gaan ontwikkelen. Hetgeen niet betekent dat de moeder ongevoelig is voor het zelfbewustzijn dat mt het kind voor de dag komt, maar hetgeen betekent dat het haar drom niet gaat. Overigens sluiten al deze dingen de vaderlijke gevoelens en het gelukkig zijn met het kindje niet uit - het gaat er niet om van het LEVEN een ijzige zaak, te maken!

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 38_1970 (geplaatst op 11 december 2008)

Dinsdag, 18 mei 1971

De verhouding man - kind
Als wij gaan nadenken over de verhouding die er is tussen de man en het kind, dan is het noodzakelijk dat wij eerst iets rechtzetten over HET HUWELIJK. Want het ligt, op grond van onze cultuur en onze culturele ERFENIS, direct in ons denken om MAN EN KIND te zien als iets dat door het huwelijk verbonden is. Iets dus dat staat of valt met het huwelijk. Maar als wij over de MAN-KIND verhouding spreken gebeurt dat ONGEACHT het huwelijk.
Het huwelijk is eigenlijk een VORM. Het is een MAATSCHAPPELIJKE en dus JURIDISCHE zaak waarbij aan de man-kindverhouding een zekere VORM gegeven wordt. Die vorm wisselt met de culturen; hij is dan ook in de geschiedenis telkens veranderd. Het was PERICLES die naar ons idee het huwelijk ingesteld heeft, maar dan bedoelen wij dat hij er een VORM aan gaf die wij zo ongeveer vandaag de dag er nog aan geven. Het HUWELIJK zlf echter is al van veel oudere datum: wij kunnen bij BACHOFEN lezen dat reeds in de grijze OUDHEID door d meisjes OFFERS werden gebracht aan de godin der LIEFDE om boete te doen voor het feit dat zij een HUWELIJK aangingen. Want het huwelijk werd als strijdig met de LIEFDE gevoeld. Hier is dus al van het huwelijk - in welke VORM dan ook - sprake. En nu is het voor ons zo dat de VORM de INHOUD dekt, maar daarin vergissen wij ons natuurlijk. Of mensen al dan niet een huwelijk aangaan is weinig van belang en het wordt vaak ingegeven door de SOCIALE omstandigheden en de GEBRUIKEN waaraan niet altijd zonder gevaar voor eigen leven weerstand te bieden is. In onze moderne maatschappij is het gelukkig te doen ZONDER het huwelijk te leven, maar vroeger was dat zo eenvoudig niet
Het gaat er dus niet om of mensen al of niet GETROUWD zijn, maar wat wl van belang is is de GESTELDHEID van de mensen ten opzichte van elkaar. En die gesteldheid is over het algemeen zo dat de vader het GEZIN voor zich OPEIST en dat wij de MAN-KIND verhouding vanuit dt feit bekijken. En dn zitten wij geheel FOUT. Want voor de man geldt onder lle omstandigheden dat hij een BUITENSTAANDER is. Voor hem is alles BUITENWERELD en hij ziet naast zich en om zich heen alleen maar HET ANDERE. Dit is logisch want de man vertegenwoordigt de werkelijkheid voorzover die bestaat uit HET EEN EN HET ANDER. Het is de VEELHEID, het feit dat er MEER DAN EEN zijn, dat voor hem kenmerkend is. Hij staat derhalve MIDDEN TUSSEN DE BEPAALDHEDEN en hij is er zelf ook n van.
Dit betekent niet dat hij een BEPAALD en dus BEKROMPEN geval is; met MORELE of PSYCHISCHE kwalificaties hebben wij in dit verband niets te maken. De man is de wereld van de ne BEPAALDHEID die BUITEN de ndere BEPAALDHEID staat, en voor hem is er TUSSEN die bepaaldheden hoogstens CONTACT mogelijk. Voor de man bestaat de wereld uit RELATIES en deze relaties houden natuurlijk in dat er COMMUNICATIE is. Er is een BRUG tussen de ne en de ndere bepaaldheid. Er is een UITWENDIGE verhouding.
Deze verhouding is er ook tussen de man en het kind; hij maakt dan ook het kind WEGWIJS IN DE WERELD en via hm openen zich de perspectieven die het leven voor het kind te bieden heeft. Het GEZIN echter is het GEHEEL, d.w.z. de werkelijkheid als HET GEHEEL mt de INHOUD daarvan: de MOEDER met de KINDEREN.
Bezien wij nu HET GEZIN n DE MAN, dan herkennen wij daarin nauwkeurig de verhouding die voor de werkelijkheid zlf ook geldt: er is het GEHEEL en dat heeft een INHOUD - dat behoort bij elkaar. En dan is er ook nog die inhoud op zichzlf en dat is een werkelijkheid van dingen die in zichzelf fgesloten zijn, en WAARTUSSEN allerlei CONTACTEN zijn. Er is in de werkelijkheid namelijk een SAMENHANG (uitwendig) en er is het feit dat het allemaal EEN ZAAK is. Het eerste is dus HET MANNELIJKE en het tweede is het VROUWELIJKE dat zich als het gezin manifesteert.
Voor HET GEZIN is er geen buitenwereld want naast het GEHEEL is er nog niet wat nders. Het gezin kan dan ook in de buitenwereld niet aarden; het heeft een zekere fgeslotenheid nodig waarbinnen het zich als HET ENIGE BESTAANDE kan doen gelden. Wij kunnen dit - maar dan omgekeerd - waarnemen als wij zien dat het door elkaar heenlopen van twee gezinnen altijd op spanningen uitloopt. Er ontstaat een zekere VIJANDIGHEID tussen de kinderen en de moeders die niemand tegen kan houden, zelfs niet met inzet van de grootste redelijkheid. Het gezin laat IETS ANDERS niet in zich toe - niet omdat het zo zelfzuchtig is, maar omdat dat ANDERE helemaal niet BESTAAT. Ook de man, voorzover hij zich als HET ANDERE stelt wordt niet in het gezin toegelaten al wordt er vaak wel net gedaan of het wl het geval is.

Als de man namelijk zijn eigen kenmerkende sfeer van de buitenwereld aan zich heeft en dus in het gezin ook de man wil zijn die hij BUITEN is, dan wordt hij in het gezin intutief voor gek verklaard, en behalve VOOR DE VORM trekt niemand zich iets van hem aan
In de MODERNE WERELD vervaagt dit beeld omdat de mensen zo ver van huis zijn geraakt. Dan zien wij het gebeuren dat er allerlei DOOR HET GEZIN HEEN gaat lopen; wij hebben tegenwoordig talloze adviseurs die ons wetenschappelijk voorlichten omtrent het gezin. En ook de moeders voelen die EENHEID niet meer zo sterk en zij ONTBINDEN min of meer het gezin om zlf de BUITENWERELD in te gaan. Zij willen zich MANNELIJK gaan laten gelden en zij voelen zich dan ook VERSTIKT in de fgeslotenheid van het gezin.
De MODERNE CULTUUR doet al het bestaande UITEENVALLEN en met dat uiteenvallen verdwijnt het zicht op de werkelijkheid. Het is niet meer ZOMAAR te zien waarom het gaat en dan raken de menselijke verhoudingen die er aanvankelijk DOMWEG waren op de achtergrond. En dat gebeurt ook bij de vrouw hoewel het ONTLEDENDE ZELFBEWUSTZIJN haar KENMERK niet is. Al past dat ONTLEDEN niet specifiek bij hr, het heeft in baar tch plaats en dus raakt zij de zaak ook helemaal kwijt.

We hebben gezegd dat voor de man lles BUITENWERELD is omdat hij de werkelijkheid als HET EEN EN HET ANDER vertegenwoordigt. Dit ANDERE echter dat er voor de man is als hij voor zichzelf HET EEN is wordt niet alleen gevormd door al die ndere mannen die er ook nog zijn en al die ndere dingen die er ook nog zijn, maar het is in laatste instantie ook nog DATGENE DAT HEM OMHULT. En dit is natuurlijk in feite HET VROUWELIJKE waarin hij in de grond van de zaak TERECHT is. Maar bij dit vrouwelijke hebben de mannen zich tot nu toe nog niet THUIS gevoeld; zij voelden zich thuis bij datgene dat met hun KENMERK overeenkwam. Hun KENMERK is het SPLITSENDE ZELFBEWUSTZIJN en omdat dit zelfbewustzijn het bepalende is tijdens de ONTWIKKELING van de mensheid hebben de mannen zich tijdens die ontwikkeling wel thuis gevoeld in de wereld. In zekere zin kunnen wij van de ONVOLWASSEN MAN zeggen dat hij zich THUIS VOELT IN DE WERELD, en dit staat in tegenstelling tot de VROUW, die zich zoals bekend tot nu toe nog nooit thuis gevoeld heeft in de wereld. Weliswaar geldt voor haar het splitsende zelfbewustzijn ook, en zodoende GAAT ZIJ WEL MEE met de man, maar haar KENMERK is het niet. Haar KENMERK is de verhouding die wij GEZIN genoemd hebben. Daarin, voorzover het over het gezin OP ZICHZELF gaat, heeft zij zich natuurlijk wl thuis gevoeld, maar dat is DE WERELD niet.
In de MODERNE wereld voelt de man zich NAAR ZIJN KENMERK al helemaal thuis omdat nu lles VERGRUISD is en voor de vrouw is het alles ng minder geworden. Dat het zich thuis voelen voor de vrouw met de ONTWIKKELING terugloopt is gemakkelijk te constateren als wij bij NATUURVOLKEREN kijken. Hoewel daar het leven voor de vrouwen veel zwaarder is zijn zij toch veel meer op hun plaats en is er in hun hart veel minder ONVREDE met de wereld. En dat dus ondanks de slechtere SITUATIE, vergeleken bij de MODERNE vrouwen.
Evenwel gaat de man ALS MAN met het voortschrijden der ontwikkeling ACHTERUIT. Wij zullen nog precies nagaan wat de term ALS MAN te betekenen heeft, maar voorlopig wijzen wij er op dat de moderne man veel meer een SCHIM is dan die van vroeger. Het KARAKTER verdwijnt langzamerhand. Wij bedoelen met dit KARAKTER niet zonder meer IETS GOEDS van de man te zeggen: het karakter houdt velerlei ONREDELIJKHEDEN in die op den duur niet te verdedigen zijn, maar intussen is het toch een zaak uit n stuk. Het spreekt vanzelf dat wij hier te maken hebben met de VERNEVELING die dus enerzijds bewerkt dat de man aanmerkelijk REDELIJKER wordt en anderzijds dat hij EEN SCHIM wordt.
Zoals gezegd voelen de vrouwen zich NAAR HUN KENMERK steeds minder thuis in de wereld. Zij willen dan ook niet meer naar die norm beoordeeld worden: de BLOEMPOTTEN en de STOFDOEK en de LUIER hebben voor haar fgedaan. En nu gaan zij zich een wereld scheppen waarin zij zich wl THUIS voelen. Daarbij komt het KARAKTER van de vrouw steeds meer uit de verf. Ook hierbij zullen wij nog uitvoerig stilstaan, maar wij wijzen er wr op dat het KARAKTER van lles inhoudt. Bij de vrouw houdt dat onder andere DE VERLOKKING in en wij behoeven naar in onze wereld om ons heen te kijken om vast te stellen dat het UITERLIJKE GEDOE, en dus ook de VERSCHIJNING, steeds meer op de VERLOKKING gericht is. Wij zeggen dan dat de moderne vrouw sexy is en dit is een teken van een zekere BEWUSTWORDING van de vrouw - maar die bewustwording is dan gericht op HET KARAKTER van de vrouw.

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 39_1970 (geplaatst op 10 december 2008)

Naar Bladwijzers: Bekwaamheid: A1, Bekwaamheid: B2, nrs.7, 8, 9, 10 en 11, C3: nrs 24, 25, 30 en 39 Naar nr. 30 en 39

Dinsdag, 25 mei 1971

Enige opmerkingen
Wij hebben al verschillende dingen over HET GEZIN gezegd, met de bedoeling in de eerste plaats duidelijk te maken welke SFEER er is als het over de verhouding MOEDER-KIND gaat. Want aangezien wij te maken hebben met HET GEHEEL, dat als een KLEINE WERELD wrkelijk BESTAAT, hebben wij te doen met iets dat zich vooral kenmerkt door de SFEER. Onder SFEER verstaan we een BESTAANDE doch NIET AAN TE TONEN gesteldheid van de werkelijkheid. We kunnen zeggen dat DE SFEER boven de bestaande werkelijkheid uitgaat, en deze uitdrukking zou rustig gebruikt kunnen worden ware het niet dat dit uitgaan boven voor ons vl te BELADEN is met smetten uit een godsdienstig verleden
Dat GEHEEL, dat het gezin is, is HET ENIGE MOMENT in de werkelijkheid dat VOOR DE MENSEN wrkelijk BESTAAT. En dit bestaan ervan is ONAANTASTBAAR, d.w.z. het is een EEUWIGE waarheid die er is ONGEACHT het gewoel van de wereld. En dat geheel vertoont ook lles dat van het geheel INHOUD behoort te zijn: er is tussen de FACTOREN waaruit dat geheel bestaat n een ONDERLINGE (uitwendige) verhouding n er is het SAMENZIJN, dat INWENDIG is. Wij zien bijvoorbeeld dat er in de wereld allerlei GEPROBEERD wordt naar aanleiding van bepaalde GEDACHTEN. Men probeert COMMUNICATIE te scheppen en men probeert DEMOCRATISCH te zijn, men probeert REDELIJK te zijn en men probeert RECHTVAARDIG te zijn maar dat alles gaat vanuit het ZELFBEWUSTZIJN. Dat wil zeggen dat het ALS EEN BEREKENING gebeurt en dit laatste houdt automatisch in dat het dan GEEN REALITEIT is maar een WENS, een min of meer DWINGENDE EIS die de mens aan zijn eigen werkelijkheid stelt. Van hieruit kunnen wij begrijpen dat men DE WIL als een INTELLECTUELE zaak begrepen heeft, maar deze wil is niets anders dan n van de componenten van de BEWEGING die de menselijke werkelijkheid maakt: de beweging van HET BEGIN naar HET EINDE, de beweging van DUISTERNIS naar LICHT.
Op zijn best probeert de wereld HET GEHEEL TE SCHEPPEN, en dan is het ondanks alle GOEDE BEDOELINGEN toch geen GEHEEL. Maar ALS GEZIN is de menselijke werkelijkheid AUTOMATISCH en VANZELFSPREKEND het geheel en de verhoudingen die de wereld ZELFBEWUST tracht waar te maken liggen dr vanzelf ORGANISCH en ds OP MAAT. En dit is het WERKELIJKE BESTAAN van de werkelijkheid.
Nogmaals wijzen wij er op dat het bovenstaande IN DE PRAKTIJK niet is te herkennen AAN IETS. De GEBEURTENISSEN zoals die zich voor lk mens en voor lk gezin voordoen zijn niet de gegevens van waaruit we HET GEZIN kunnen begrijpen zoals ook de FEITELIJKHEDEN van de LIEFDE tussen twee mensen geen enkel houvast geven inzake die liefde zlf!

Als de mensen straks VOLWASSEN geworden zijn kunnen wij ervan zeggen dat de mensheid dan n GEZIN is geworden. Maar dat betekent natuurlijk niet dat de mensen AFZONDERLIJK zich als een gezin gaan gedragen. Er blijven MANNEN en VROUWEN en KINDEREN op zichzlf en die gedragen zich VOOR ZICHZELF naar datgene dat voor een ieder persoonlijk geldt. Voor de man bijvoorbeeld blijft gelden dat hij het begrip HET EEN EN HET ANDER is, en dus blijft voor hem de RELATIE gelden als kenmerk. Dt is zijn aanwezig zijn IN het geheel. En voor de vrouw gelden weer ndere kenmerken. Maar l die specialiteiten zijn AUTOMATISCH voor de mensen IN HET GEHEEL en zo is dan het totaal van de mensheid EEN GEZIN
De werkelijkheid is voor de mensen vl meer dan alleen maar HET GEZIN en dus is er geen enkele aanleiding tot IDEALISEREN wat betreft het gezin. Wat wij willen duidelijk maken is dit dat het gezin het enige moment is dat in de mensheid werkelijk HET GEHEEL een bestaande en concrete werkelijkheid is een REALITEIT. Mr mogen wij er beslist niet aan bedenken, want dan gaan wij fouten maken, zoals wij met de LIEFDE gedaan hebben en met de SCHOONHEID en met de filosofische BEGRIPPEN.

Wij hebben gesproken over het ZELFBEWUSTZIJN en de ontwikkeling daarvan, en wij hebben dit een MANNELIJKE zaak genoemd omdat het KENMERK van de man de werkelijkheid als HET EEN EN HET ANDER is. In verband hiermede merkten wij op dat de mannen zich in de wereld THUIS voelen terwijl dit voor de vrouwen niet het geval is. Dit echter mag niet tot de conclusie leiden dat voor de vrouw een nder zelfbewustzijn geldt. Het zelfbewustzijn van de vrouw is nt zo als dat van de men, en het maakt dezelfde ONTWIKKELING door. De kijk van de vrouw op de werkelijkheid is niet anders dan die van de man: zij is het dan ook in alles met hem eens geweest.

Voor haar gold geen andere moreel bijvoorbeeld inzake het HUWELIJK en als zij in nze tijd meent dat zij altijd door de mannen GEDWONGEN is geworden tot allerlei wat zij eigenlijk niet wilde, dan is dit in strijd met de feiten. Het is allemaal volledig ook hr wereld geweest, alleen echter met dit verschil dat HET HAAR KENMERK ALS VROUW NIET WAS. En alleen naar dit feit genomen kan zij zich niet thuis gevoeld hebben. Ook niet als zij in de wereld PRESTATIES leverde op bijvoorbeeld wetenschappelijk gebied. En de vrouwen zijn, zoals in de moderne tijd blijkt, wel degelijk tot prestaties in staat en die prestaties doen niet onder voor die van de mannen.
Ook de ONTWIKKELING is in de vrouwen voortgegaan en nu is het moment gekomen dat HET MODERNE zich gaat waarmaken. En dat roept als eerste in de vrouw op dat ook zij wil MEETELLEN. Uiteraard gaat het dan over zaken die MANNELIJK zijn omdat het een kwestie van het zelfbewustzijn is, en de vrouw heeft gelijk als zij vaststelt dat zij op dit mannelijke terrein altijd achtergelopen heeft. Het is nu eenmaal haar KENMERK niet. De eis om het wezenlijk VROUWELIJKE kenmerk vrij te kunnen laten gelden horen wij niet want die zaak is helemaal op de achtergrond geraakt.

Samen met de eis tot MEETELLEN komt in de moderne vrouw nog iets anders naar voren en dat andere is het VERLOKKENDE. Het beste voorbeeld hiervan levert de hedendaagse MODE voorzover die er op gericht is de vrouw er zo SEXY mogelijk te laten uitzien. Dit heeft niets te maken met het ACCENTUEREN VAN DE VROUWELIJKE SCHOONHEID, zoals dat tot nu toe altijd het geval is geweest. Aan de schoonheid van de vrouw KOMT HET VERLOKKENDE MEE en dus waren de vrouwen, voorzover zij in hun gedoe de nadruk wensten te leggen op hun eigen schoonheid, altijd al verlokkend. Als wij bij de moderne vrouw echter van HET VERLOKKENDE spreken doelen wij op het feit dat de nadruk juist op dit verlokkende is komen te liggen. Onze MODE geeft er dan ook duidelijk blijk van dat het helemaal niet om SCHOONHEID gaat; het gaat om het VERTONEN van zoveel mogelijk verleidelijkheden, en dat dan ook nog zo GERAFFINEERD mogelijk.
Het gaat ons hierbij niet om preutsheid, maar het gevoel voor vrouwelijke SCHOONHEID is verloren gegaan. Het VERTONEN van het lichaam slaat nergens op als het niet meer op schoonheid slaat. En juist omdat voor ons de schoonheid verloren gegaan is doen wij alsof wij zo breed van opvattingen zijn en alsof voor ons de taboes al lang afgedaan hebben terwijl wij in feite iets VERLOREN hebben.
De vrouw die zich eenzijdig als VERLOKKEND stelt sluit aan bij het ALLES VERZWELGENDE PRINCIPE. Het is de BODEMLOZE POEL waarin lles VERZUIPT. In het grijze verleden kwam dit VERZWELGENDE als n van de facetten van DE GROTE MOEDER naar voren: vaak werd zij gedacht als een GROTE VIS die met zijn grote, altijd geopende mond alle andere vissen en ook wel mensen verzwolg. Tegen die grote vis was niet op te vechten, men was altijd reddeloos verloren en men verdween zonder een spoor na te laten In het verleden echter was dit een ASPECT van het vrouwelijke; thans echter hebben wij te doen met een zaak waarbij het het ENIG GELDENDE is.

Dit VERLOKKENDE komt in de moderne vrouw op aan het feit dat het voor de moderne mens zo is dat het TOTAAL gaat gelden. Al eerder hebben wij uiteengezet dat HET MODERNE betekent dat ALLES er maar HEEFT TE ZIJN; de moderne tijd is het UITWIKKELEN van het begrip ALLES. Evenwel ligt de verhouding zo, dat ls ALLES er is het dan AUTOMATISCH inhoud is van HET GEHEEL. Het is dan als het ware OPGENOMEN IN HET GEHEEL en wij kunnen zeggen dat het daarin naamloos is ten nder gegaan. En dit betekent voor de moderne mens dat het vrouwelijke zich gaat laten gelden als het principe dat ALLES VOOR ZICH OPEIST om het in zichzelf te laten verdwijnen. De VERLOKKING is hetzelfde als het OPEISEN.
Dit kan zo gebeuren omdat IN FEITE het TOTAAL nog niet verwerkelijkt is en dus ook HET GEHEEL geen cht geheel is. Wij hebben te doen met een geheel dat zichzelf OPVULT en daarbij verzwelgt het lles zonder dat dit een spoor nalaat.
De volgende keer zullen wij hierop nog uitvoerig terugkomen; thans is het van belang dat wij inzien dat het moderne zelfbewustzijn naar de vrouwelijke kant een verschijnsel oproept dat wij EMANCIPATIE noemen en dat zuiver het mannelijke gedoe bestreeft, n een verschijnsel dat wij HET VERLOKKENDE genoemd hebben. Deze twee verschijnselen gaan goeddeels samen.
De AMERIKAANSE VROUW ligt eigenlijk nog iets vr het verlokkende: zij tracht haar doel meer te bereiken door de VEROVERING van allerlei posities. Vandaar dat de Amerikaanse vrouw niet zo erg sexy voor de dag komt.

Naar Bladwijzers: Bekwaamheid: A1, Bekwaamheid: B2, nrs.7, 8, 9, 10 en 11, C3: nrs 24, 25, 30 en 39 Naar nr. 30 en 39

 

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 40_1970 (geplaatst op 11 december 2008)

Dinsdag, 1 juni 1971

Het verzwelgende vrouwelijke
In de MODERNE WERELD gaat het er om HET TOTAAL, dat voor de werkelijkheid geldt, waar te maken. Hier is dus een PROCES gaande, dat TENSLOTTE het totaal op zal leveren, maar TIJDENS de gang van dat proces is het bedoelde totaal er IN FEITE nog niet. Men houdt zich er mee bezig en men streeft er naar, maar een realiteit is het nog lang niet. Zolang dit proces gaande is zien wij een aantal verschijnselen die gemakkelijk aanleiding tot verwarring kunnen geven, want enerzijds komen er verhoudingen voor de dag die duidelijk al het karakter van dat totaal hebben terwijl er anderzijds verhoudingen zijn die door en door het feit aftekenen dat het proces nog GAANDE is.
Met een proces gaat in de mensen altijd iets samen dat wij DE WIL zouden kunnen noemen. En die WIL is INTELLECTUEEL, zoals wij de vorige keer al gezegd hebben. Intellectueel omdat het voortkomt uit het ZELFBEWUSTZIJN - hetgeen bepaald niet wil zeggen dat alle mensen zich dat feit REALISEREN. Meestal is men zich ook niet bewust van datgene dat zich ZELFBEWUST ontwikkelt.
Bij het proces behoort DE WIL, de onontkoombare DRANG naar het doel dat voor ogen staat. Die wil kenmerkt zon hele groep mensen die bij die ontwikkeling behoren, en dat gaat allemaal VANZELF. Alles MOET naar dat doel toe, dat veelal nog door niemand omschreven is en waaraan eigenlijk ook niemand denkt. Zo dringt zich in de MODERNE WERELD alles naar HET TOTAAL en dat overkomt zelfs die mensen die de mening toegedaan zijn dat zij met DE ANDER niets te maken hebben en hem rustig kunnen uitplunderen en als moderne SLAAF gebruiken. Want mt dat inschakelen van die MODERNE SLAAF wordt toch uiteindelijk bereikt dat ook hij is gaan MEETELLEN en zo is ook hij een element geworden ter completering van het totaal!
Alles werkt dus mee om het totaal waar te maken, gewild en ongewild en er is geen tegenhouden aan. En ook het zelfbewustzijn voorzover het VROUWELIJK is is volop in de zaak betrokken. Alleen is er nu voor de vrouwen wl iets geheel nieuws voor de dag gekomen: waren zij aanvankelijk bij alle ontwikkelingen nauwelijks ALS VROUW betrokken omdat het toch allemaal het MANNELIJKE was, nu is er iets dat op de een of andere manier aanslaat bij het vrouwelijke zlf. En dat is dat TOTAAL waarom het nu draait. Want, zoals wij al vaker gezegd hebben, de INHOUD van HET GEHEEL, dat door de vrouw vertegenwoordigd wordt, is nu juist de werkelijkheid als HET TOTAAL, de werkelijkheid als ALLES WAT ER IS. Het TOTAAL van de MODERNE WERELD heeft dus lles te maken met de INHOUD van het vrouwelijke en dat feit doet zich gevoelen.
Nu is het natuurlijk ook voor het vrouwelijke zelfbewustzijn zo dat het een PR[CES is dat gaande is, en er is dus ook DE WIL tot het bereiken van het doel, zoals wij hierboven uiteengezet hebben. Deze wil nu dringt de vrouw er toe het TOTAAL als hr inhoud voor zich OP TE EISEN. Want zij voelt eerst nu heel duidelijk aan dat zij tot nu toe LEEG is geweest en dat is zij aan gn voelen toen datgene dat die leegheid op moest vullen zich aandiende. Het is dan ook niet voor niets dat juist in nze tijd de vrouwen zich zijn gaan roeren, en ook is het niet voor niets dat zij daarbij SUCCES hebben. Want geen enkele zaak heeft n kant: de mannen voelen aan dat het naar het totaal toe moet, maar de betekenis van dat totaal als vrouwelijke INHOUD doet zich dan tevens gelden, en de vrouwen zijn zich LEEG gaan voelen juist omdat er een zaak voor de dag kwam die haar inhoud behoorde te zijn. Alles hangt altijd met alles samen en alles komt dan ook SAMEN voor de dag. Hoewel de meeste mensen dit nog niet zo goed inzien is dit feit onmiskenbaar: de ontwikkeling van het vrouwelijke in de moderne wereld hangt ten nauwste samen met de maatschappelijke, politieke, technische en wetenschappelijke ontwikkeling van die wereld.
Het voor zich opeisen van HET TOTAAL kan alleen maar zolang en voorzover dat totaal nog IN WORDING is. Als het er eenmaal cht is, dan valt er niets meer op te eisen want dan IS het al de vrouwelijke inhoud. En dit OPEISEN is het VERLOKKENDE zoals dat tegenwoordig als een ZAAK OP ZICHZELF gesteld wordt. Wij hebben gezegd dat dit op het ogenblik voornamelijk aan de SEXY MODE tot uiting komt. In verband hiermee wijzen wij op het feit dat een nieuwe ontwikkeling zich altijd om te beginnen aan de UITERLIJKHEDEN vertoont. Alle nieuwe groeperingen in de mensheid beginnen altijd zich door het UITERLIJK van de anderen te onderscheiden. Dit is dan ook niet nders denkbaar omdat lles zich van BUITEN NAAR BINNEN beweegt. Het eerste waarmee men in aanraking komt is de BUITENKANT en als men die heeft gezien en leren kennen gaat men er toe over de zaak te DOORZIEN.

Dit komt natuurlijk doordat de werkelijkheid uit SAMENSTELLINGEN bestaat, en dan is er eerst de SAMENSTELLING en dn datgene waaruit die samenstelling samengesteld is. Wij kunnen ook zeggen: eerst de VORM en dn de INHOUD.
Zo is het ook thans een feit dat als eerste het UITERLIJK van de vrouwen het VERLOKKENDE afspiegelt en pas later zal blijken waarom het nu eigenlijk gaat. Maar ook thans is het niet ALLEEN MAAR de uiterlijke kant: de INNERLIJKE kant van de zaak is er natuurlijk ook al, maar die valt nog niet zo erg op. Toch is die al wel z duidelijk dat wij een heel concrete tekening kunnen geven!

Volgens de economen leven wij tegenwoordig in een CONSUMPTIEMAATSCHAPPIJ; wat de econoom daaronder nu precies verstaat is veelal niet duidelijk en voor ons eigenlijk niet van belang. Maar de TERM is toch wel tekenend als wij bedenken dat het CONSUMEREN, het OPETEN, eigenlijk betekent dat de mens zijn INHOUD in zich opneemt. Hierbij denken wij terug een ons betoog over het wordingsproces waarbij wij op een gegeven moment aankwamen bij het ORGANISME en de rol die de INHOUD bij dat verschijnsel speelt. De gehele bestaande werkelijkheid wordt door het organisme als inhoud opgenomen
In de CONSUMPTIEMAATSCHAPPIJ is het met het bestaande, de DINGEN, het EEN en het ANDER, de PRODUCTEN, z dat het NAAMLOOS en SPOORLOOS verdwijnt. Onze maatschappij VERZWELGT de DINGEN in toenemende mate en die dingen die verzwolgen worden zijn daarbij hun eigen IDENTITEIT verloren, d.w.z. datgene waartoe die dingen DIENDEN is nooit tot zijn recht gekomen - daarnaar is eigenlijk nimmer gevraagd. De EIGEN IDENTITEIT van de dingen, namelijk datgene waartoe de dingen dienden, hun NUT, is niet van belang geweest, en dt is het SPOORLOZE verdwijnen. Een STOEL bijvoorbeeld is ontworpen door de mensen OM ER GERIEFELIJK OP TE ZITTEN. Men schaft zich een stoel aan omdat mn geriefelijk wenst te zitten. Zon stoel komt tot zijn recht; hij wordt gebruikt zolang hij goed is en voldoet, en als hij tenslotte kapot gaat, dan nemen wij een nieuwe maar wie van ons gedacht had dat drtoe een stoel diende heeft van de moderne wereld niets begrepen. Een stoel is er niet om NUT te hebben, hij is er om ons huis AAN TE KLEDEN en hij is er om VAN ONZE WELSTAND en ONZE SMAAK te getuigen en hij is er ook om nderen te overtroeven enzovoort. Die stoel van ons heeft derhalve geen EIGEN IDENTITEIT want hij IS IETS DAT HIJ EIGENLIJK NIET IS, En zodra die stoel niet meer voldoet als STATUSSYMBOOL? Dn moet hij er uit: wij vinden hem s morgens bij de vuilnisbak, puntgaaf en toch afgedankt. Hij is NAAMLOOS en EERLOOS VERDWENEN; hij is met huid en haar VERZWOLGEN!
Dit geldt natuurlijk niet alleen maar voor die stoel; het geldt voor alles wat wij maken en dus ook alles wat wij aanschaffen. Zozeer geldt het voor ons dat de producent zich meer zorgen maakt om de vraag hoe hij het ding zo moet maken dat het na een zekere tijd ordelijk KAPOT gaat dan om de vraag hoe hij een GOED product moet maken. Het SPOORLOOS VERLOREN GAAN is eigenlijk het DOEL van ons gedoe.
Als wij ons den ook nog realiseren dat DE DINGEN in de huizen verdwijnen, en dus in een werkelijkheid die VROUWELIJK is, dan moet het ons duidelijk zijn geworden hoezeer het VERLOKKENDE en VERZWELGENDE VROUWELIJKE reeds in onze cultuur is doorgedrongen. En niet alleen de DINGEN: de MANNEN zlf, als vertegenwoordigers van de dingen, zijn ook hard op weg te verzuipen. Ze zijn nu wrkelijk FATSOENLIJK geworden omdat ze er nu ook nog met hun REDELIJKHEID achter staan. De mannelijke IDENTITEIT verdwijnt steeds meer; men vindt zich al een hele sportsman als men s zondags naar het voetballen gaat. En in het MODERNE GEZIN, waarin men ALLES SAMEN DOET, verzuipt elke moderne man. Hierop komen wij nog terug.
In feite ligt de verhouding zo, dat het MANNELIJKE, dat HET BEPAALDE is, ALS INHOUD VAN HET VROUWELIJKE niet meer als BEPAALDHEID geldt. Het mannelijke is als zodanig NAAMLOOS. Maar dat is het terwijl het TEGELIJK volledig ZICHZELF is. De bepaaldheid heft namelijk ZICHZELF op maar dat kan alleen als het er ZELF is. In dit geval is er natuurlijk geen sprake van VERZUIPEN want de bepaaldheid IS ER juist volledig en komt volledig tot zijn recht. Hij is juist dn tevens die NAAMLOZE INHOUD. Denken wij aan onze STOEL dan krijgen wij te doen met een stoel die werkelijk ALS STOEL dient; die NUT heeft en dus ook een FUNCTIE heeft en die afgeschaft wordt als hij ALS ZODANIG niet meer meekan. Dn is hij niet spoorloos verdwenen en hij is dan ook niet verzwolgen door het VERLOKKENDE VROUWELIJKE. Overigens zullen wij de volgende keer nog laten zien hoe wij toch de VOORBODEN van het naderende GEHEEL zien.

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

NO. 41_1970 (geplaatst op 12 december 2008)

Dinsdag, 8 juni 1971

De trillende beweging
Wij hebben reeds vele malen gesproken over de ENKELVOUDIGHEDEN en hun beweeglijkheid. Ze zijn IN ZICHZELF BEWEEGLIJK hebben wij vastgesteld en vanuit dit feit hebben wij de weg van het WORDINGSPROCES gevolgd totdat wij tenslotte bij de MENS zijn aangeland. De beweeglijkheid tijdens lk proces in de werkelijkheid is een beweging VAN A- NAAR B-; de enkelvoudigheid begint met ERGENS te zijn en hij eindigt ermee ERGENS ANDERS te zijn. Hij heeft dan de weg A - B afgelegd en deze weg kunnen wij in principe wetenschappelijk nagaan. Zo weten wij precies hoe het allemaal gegaan is
Ook de FILOSOFIE gaat na HOE HET ZIT in de werkelijkheid en zij stelt ook de WEGEN vast. Hierbij wordt een andere METHODE gevolgd dan in de WETENSCHAP, maar het MEDIUM waarvan de filosofie zich bedient is hetzelfde medium als dat van de wetenschap: HET LOGISCHE DENKEN. Daarmee is de filosofie lang geen WETENSCHAP, maar dat is iets waarmee wij ons thans niet zullen bezighouden; het is al sinds lange tijd een twistpunt van de MODERNE FILOSOFEN. Zij strijden over de vraag of de filosofie nu wl of niet een wetenschap is en zien niet in dat DIE vraag nauwelijks van belang is en dat het maar om n vraag draait: wat is het WEZEN van de filosofie en dus ook: WAT IS HAAR UITGANGSPUNT. En dat uitgangspunt is in elk geval NIET wetenschappelijk - wat overigens aan de WAARHEID ervan niets f doet!
Wij stellen dus in de filosofie vast: de BEWEGING VAN A- NAAR B- en wij zeggen dat iets langs die WEG gegaan is of gaan zal. En nu nemen wij even aan dat wij geen FOUT gemaakt hebben; dat iets gaat wrkelijk die weg. Dan blijven wij tch met het feit zitten dat dat iets evenveel die weg NIET gevolgd heeft. En dat betekent niet dat ons iets dan een ANDERE WEG gevolgd heeft, want dn zou alleen maar onze BEREKENING fout zijn geweest. Nee, de zaak heeft inderdaad DIE weg gevolgd en toch blijkt dan dat het die weg evenveel NIET gevolgd heeft. De verklaring voor dit feit is deze: het iets dat in beweging was, is een IN ZICHZELF BEWEEGLIJK iets en dat houdt in dat het IN TRILLING is. De beweging A - B is een TRILLEND IN BEWEGING zijn en op de punten van de lijn van A naar B heeft het iets zich op een zeker moment wl en niet bevonden, terwijl het toch geen ANDERE LIJN gevolgd heeft.
De betekenis van deze TRILLING is veel groter dan wij aanvankelijk kunnen overzien - omdat dit feit namelijk voor lles geldt ontstaat deze situatie dat alles wat wij vastgesteld hebben eigenlijk NIET WAAR is terwijl de zaak toch niet ANDERS in elkaar steekt. Het is het NIET ECHT ZIJN dat voor elke filosofie en voor elk kunstwerk geldt. Want in het echt zit de zaak wel PRECIES ZO in elkaar, maar tch is het ook weer in afwijking daarmee. We moeten vaststellen dat lke zaak IN WERKELIJKHEID op TRILLENDE WIJZE datgene is dat wij in de filosofie bedacht hebben of in het kunstwerk hebben neergelegd. Als het in werkelijkheid z was als wij filosofisch vastgesteld hebben, dan was die werkelijk ONBESTAANBAAR. Dit is GEEN GEBREK van de filosofie of van de kunst; dit is een FEIT dat IN de filosofie en de kunst BEGREPEN is. De WARMTE die door een kunstwerk uitgestraald wordt IS DIE TRILLING die ALS ZODANIG niet in het kunstwerk gelegd is. Die TRILLING is er niet in te leggen; het is een VANZELFSPREKEND VERMOGEN van de kunstenaar; het gebeurt bij hem zomaar vanzelf en hij kan zich hierop in geen enkel opzicht TOELEGGEN.
De WERKELIJKHEID van een filosofie TWINKELT BOVEN DIE FILOSOFIE ZELF UIT en voor wie dit mee kan voelen roept de filosofie SCHOONHEID en LEVEN op, zoals de KUNST dat op hr wijze ook doet! Wie dit niet mee kan voelen verzandt in een zekere WETERIJ op filosofisch gebied en hij denkt dat het in werkelijkheid precies zo gaat EN VOORAL GAAN MOET als in de filosofie. Niets is echter minder waar want de werkelijkheid TRILT en diezelfde trilling voelen wij aan een filosofie of een kunstwerk, maar zlf is die filosofie en dat kunstwerk die trilling niet. De filosofie kan er ook niets zinnigs over zeggen; zij kan alleen VASTSTELLEN dat die trilling ER IS.
Het LEVEN van de mensen is natuurlijk ook een en al trilling en op deze wijze volgt de mensheid in haar ontwikkeling bepaalde LIJNEN. Wij hebben naar aanleiding van de MODERNE MENS en de rol die HET VROUWELIJKE bij die mens gaat spelen ook op zon lijn gewezen. Maar ook hier geldt dat die lijn als zodanig er wel is, maar dat de mensen datgene dat wij bedacht hebben toch niet DOEN; het vrouwelijke IS voor de mensen niet ns VERLOKKENDE VROUWELIJKE.

Wat er voor de mensen IS is de TRILLING - dt is hun concrete LEVEN... En dt concrete leven is oneindig fleuriger en ook geladener en -tevens gewoner dan datgene dat zij IN WEZEN doen. En eigenlijk zou al dat fleurige, vergeleken bij DE ZAAK waarom het gaat, een BIJZAAK moeten zijn; wij zouden het moeten zien als FLAUWEKUL: wie neemt er nou een bloemetje mee naar huis en wie gaat er nou gezellig zeilen. we moeten ons bezig houden met de zaak waarom het gaat, en dan is prompt ons leven geen LEVEN meer maar een DWANGBUIS, een KEURSLIJF waarin we met de grootste
moeite blijven zitten hoewel we er alsmaar uit willen. De mensen die zichzelf in een dergelijk DWANGBUIS hebben gestoken ervaren we dan ook onveranderlijk als SAAI en VERVELEND en DOODS. Terecht, want de LIJN waartoe zij zich willen bepalen IS HELEMAAL NIET TE BEPALEN in de PRAKTIJK van het leven; hij laat zich alleen maar IN EEN VAK of beter: ALS EEN VAK bepalen. En dan hebben wij te doen met een KUNSTWERK of een FILOSOFIE. Dat is allemaal VAKWERK, en dat mogen wij in het leven nooit vergeten. Zouden wij dat wl doen dan gaat dat ten koste van zowel ons leven al onze filosofie!

De vorige keer hebben wij gesproken over de MODERNE MAN en wij hebben van hem gezegd dat hij VERZUIPT in het vrouwelijke voorzover dat als ALLES VERZWELGEND is aan te merken. Dit verzuipen komt natuurlijk voornamelijk naar voren in zijn verhouding tot HET GEZIN. Was hij vroeger HET HOOFD van het gezin, zodat het dus eenzijdig ZIJN gezin was waarover hij toch min of meer willekeurig kon beschikken, thans is het zo dat hij die HEERSENDE POSITIE heeft verloren en OPGENOMEN is in ht gezin. Dit betekent dat hij SAMEN met zijn vrouw de zaken van het gezin bedisselt. En nu kunnen wij terecht opmerken dat dit een REDELIJKE situatie is vergeleken bij die van vroeger waarin de men eigenlijk een TIRAN was - al behoefde hij dat in de praktijk lang niet altijd te laten gelden. In de moderne verhouding heeft de vrouw ook nog wat te zeggen; zij mag tegenwoordig ook haar handtekening zetten en zelfs worden haar bepaalde menselijke rechten niet meer ontzegd, zoals het recht op een eigen leven en het recht op een eigen mening, enzovoort. Zij is min of meer onder HET JUK van de man uitgekomen, en dat is onmiskenbaar een vooruitgang.
Toch betekent dit alles een VERZUIPEN voor d MAN, en dat niet omdat hij nu zijn MACHTSPOSITIE is kwijtgeraakt - al is dit wl een feit - maar omdat hij nu werkelijk een LID VAN HET GEZIN is geworden en dat betekent in laatste instantie een wgvallen van ZIJN eigen leven. Omdat hij wezenlijk geen lid van het gezin is; wezenlijk is hij BUITENSTAANDER in de zin die wij enige tijd geleden aan dit begrip gegeven hebben. En ALS buitenstaander betekent hij voor het gezin wrkelijk iets. Omdat hij dan ZICHZELF is.
De situatie zoals die VROEGER lag was voor de man dichter bij de waarheid gelegen, maar, zoals altijd in de geschiedenis van de menselijke ontwikkeling: dit was op een volkomen STOMPZINNIGE en ONREDELIJKE WIJZE. Uiteindelijk is er dus geen goed woord van te zeggen en uiteindelijk is de moderne situatie een VOORUITGANG vergeleken bij vroeger, maar de man legt er voorlopig het loodje bij. SAMENDOEN betekent altijd het prijsgeven van de EIGEN IDENTITEIT en hoezeer het ook op alle terreinen een bewijs is van de menselijke vooruitgang, tch is het VOOR DE MENS ZELF een onhoudbare en onduldbare situatie.
Samenhangend met deze situatie vertoont zich de FATSOENLIJKHEID van de moderne man. Want voor hem is het zo dat hij het SAMEN doet OF NIET. Lukt dit samendoen dan in een bepaalde situatie, dan staat hij daar ZELFBEWUST achter; zijn redelijkheid dkt de zaak. En die zaak die gedekt wordt is altijd een FATSOENLIJKE zaak. Het VROUWELIJKE werkt namelijk altijd FATSOENEREND op de man; vaak langs allerlei omwegen is het het VROUWELIJKE dat op de mannen een beschavende werking heeft. Beschavend in de zin van VORMGEVEND - een UITERLIJKE zaak dus.
Deze UITERLIJKE ZAAK is in de moderne man van groot gewicht geworden; hij hecht werkelijk grote waarde aan zijn huisje, boompje en beestje. Hoezeer dit ook voor de vrouwen in de praktijk een verbetering is, het is tch een VERGLIJDEN in de POEL van het vrouwelijke dat alles verzwelgt.
Wij mogen NIET zeggen dat de man dus maar waar AUTORITAIR moet zijn. De mens kan lles doen wat hij wil; zijn leven is toch DE LIJN NIET, zoals wij hierboven uiteenzetten. Maar iemand die beseft dat het DE LIJN NIET is heeft tch een besef omtrent DE LIJN zodat de zaak NIET FOUT ligt. En van hieruit TRILT het leven en is het goed. Van hieruit kan lles gedaan worden: samendoen in het gezin, zich ER IN thuis voelen, enzovoort. Maar dan is alles nders dan wanneer men denkt dat deze dingen DE LIJN zijn want dan is de AFWIJKING de MAAT geworden en daarmee is elke levensmogelijkheid afgesneden.

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 42_1970 (geplaatst op 12 december 2008)

Dinsdag, 15 juni 1971

De man als machtspositie ten opzichte van het gezin
Voor de MODERNE man gaat steeds meer gelden dat hij IN het gezin is OPGENOMEN, en deze ontwikkeling gaat van hemzlf uit. Dat wil zeggen: die ontwikkeling is een MANNELIJKE ontwikkeling, zoals trouwens lke ontwikkeling mannelijk is.
Maar al gaat het van het mannelijke uit, het is toch een zaak waarin de vrouw volop meedoet, want wij hebben er al op gewezen dat het vrouwelijke ZELFBEWUSTZIJN niet wezenlijk nders is dan het mannelijke. Het maakt precies dezelfde ontwikkeling door, alleen met dit verschil dat het voor de man KENMERKEND is en voor de vrouw niet. Het is derhalve wel degelijk zo dat het OPGENOMEN WORDEN IN HET GEZIN in de praktijk ook door de vrouwen bestreefd wordt, wat bij haar dan nog QUA GEVOEL versterkt wordt door het feit dat zij haar INHOUD in zich VERZWELGT. Dit laatste, dit VERZWELGEN, is echter een heel ndere zaak dan het OPNEMEN al is de uitwerking in grote lijnen dezelfde. Het OPNEMEN echter gaat met REDELIJKHEID gepaard omdat het een zaak is van het MODERNE MANNELIJKE - maar het VERZWELGEN gaat BUITEN ELKE REDELIJKHEID om.
De OUDERWETSE man had MACHT over het gezin want het gezin was ZIJN BEZIT; hij stelde zich niet in op het gezin, maar het gezin stelde zich OP HEM in. Het moest zijn zoals HIJ was en het had te gaan waar HIJ ging. De HUWELIJKSWET geeft zelfs vandaag nog deze gesteldheid weer al is er in de OPVATTINGEN van de mensen al heel wat veranderd. Niemand ziet neer het huwelijk zoals het door de WET omschreven is en ook niet zoals het door de KERKEN voorgesteld wordt en dus zijn de OPVATTINGEN intussen veranderd. Maar HET BEELD waaromtrent de mensen die opvattingen huldigen is er nog steeds - omdat wij nog lang niet cht MODERN zijn - en dat beeld geeft te zien de man als MACHTSPOSITIE. Bekeken vanuit deze situatie kunnen wij niet zeggen dat de man een gezinsleven had al bracht hij een deel van zijn leven in het gezin door. Het gezin was een verleng stuk van ZIJN leven; het was OP ANDERE WIJZE zijn leven. In de praktijk drukte deze gesteldheid natuurlijk in de eerste plaats op DE VROUW die er VOOR HEM was, maar ook voor de kinderen gold het: het waren immers ZIJN kinderen die te gaan hadden volgens door hem uitgestippelde wegen en die eenvoudig NIET DEUGDEN als zij er blijk van gaven nders te willen gaan.
Deze OUDERWETSE man heeft niet het gezin IN ZICH OPGENOMEN; er vlt voor de man niets in zich op te nemen. Het gezin is zijn BEZIT; het behoort BIJ HEM en zelfs kenmerkt het zich vaak z sterk als een BEZIT dat het hem de grootste moeite kost de zaak BIJ ZICH TE HOUDEN - precies zoals met lle bezit het geval is, d.w.z. bezit dat EIGENLIJK niet te bezitten valt!
De MACHTSPOSITIE wordt langzaam maar zeker door de inwerking van de MODERNE CULTUUR aangetast en daarbij wordt de man in het gezin opgenomen. Hij wordt nu geen BEZIT van het gezin want dan zou het zo moeten zijn dat de vrouw de MACHT had overgenomen. Niemand neemt echter de macht over en er komen geen twee grootheden NAAST ELKAAR te staan waarvan de n de BEZITTER is en de nder HET BEZIT. Want de MACHTSVERHOUDING is een verhouding TUSSEN twee NAAST ELKAAR staande grootheden; beide zijn aanwezig: de grootheid die de macht UITOEFENT n de grootheid die de macht ONDERGAAT. Bij het opgenomen-worden in het gezin echter staan er eigenlijk niet meer twee NAAST elkaar. De ne grootheid is ONDERGEGAAN in de ndere grootheid, d.w.z. de MAN is ondergegaan in het GEZIN. We kunnen nu zeggen dat hij wl een gezinsleven heeft, maar de vraag is gewettigd wat men daarmee opgeschoten is!
Het begrip MACHT mogen wij in geen geval verwarren met het begrip GEZAG. Want GEZAG straalt van iemand PERSOONLIJK uit; het is dan ook niet iets dat vanuit bepaalde verhoudingen MOET gelden, maar het is iets dat ongeacht wat dan ook voor iemand kn gelden. Het is de uitstraling van de KRACHT van de persoonlijkheid. Een dergelijk GEZAG wordt aanvaard door de mensen die ermee te maken hebben - n die er oog voor hebben, want het komt naar voren in BEPAALDE verschijnselen. Bijvoorbeeld komt het naar voren op het terrein van iemands VAK en dan is het voor een VAKGENOOT gezaghebbend.
Uiteraard is in onze wereld ook het begrip GEZAG verkeerd terecht gekomen wij MOETEN het gezag aanvaarden van diegene die DE MACHT heeft. Wij hebben daarin geen keuze, HET MOET. En het bezitten van DE MACHT is nu net gn PERSOONLIJKE kwaliteit die van DIE BEPAALDE MENS onvervreemdbaar is. Een dergelijk GEZAG is dus ook niet ONVERVREEMDBAAR, en daarom is het noodzakelijk dat gezag te HANDHAVEN.

Ook de ouderwetse man, ten opzichte van het gezin, moest zijn gezag HANDHAVEN en daarin stond DE WET hem terzijde. En in de gevallen waarbij de man in kwestie een persoonlijk gezag uitstraalde ging dat gemakkelijk, maar in de ndere gevallen heeft het aanleiding gegeven tot welbeschouwd vl MISDADIGHEID in de gezinsverhoudingen. Wie dergelijke treurige toestanden nogal eens tekende was CHARLES DICKENS en bij hem voelen wij ook zo duidelijk de vrijwel hopeloze situatie van vrouw en de kinderen die getreiterd werden door een volkomen onbetekenende vader en echtgenoot - alleen maar omdat deze DE MACHT bezat. Uiteraard tekenen ook andere schrijvers dat beeld, bijvoorbeeld DOSTOJEWSKI.
Een man die wat IS aan de MACHT die hij bezit is een mens die voor zichzelf DOOR EN DOOR BEPAALDHEID is en van deze mens kunnen wij van lles zeggen, behalve dat hij ZICHZELF is. Maar dt hij ZICHZELF niet is komt bij hem nog niet naar voren; dit is pas dn het geval als de OUDERWETSE MAN een MODERNE gaat worden en hij zonder meer kn VERZUIPEN zonder n spoor na te laten. Het NIET-ZICHZELF zijn wordt dan een realiteit en zo krijgt de man ook dat ONZEKERE en ZOEKENDE zonder dat er voorlopig enige kans is dat hij iets vindt, want om te beginnen zoekt hij TERUG, in het verleden, naar waarden waaraan hij HOUVAST denkt te hebben. Maar het LEEK toen alleen maar of hij zichzelf was; hij was het toen k niet!
Zoals wij al eerder hebben uiteengezet is het de BEPAALDHEID die terwille van HET GEHEEL heeft te verdwijnen. En in de MODERNE MENS is dit proces werkelijk aan de gang gegaan. Het verdwijnen van de bepaaldheid realiseert zich door het UITEENVALLEN van de bepaaldheden, zij geven hun AFGESLOTENHEID prijs. Maar wij moeten er hierbij wl aan denken dat dit prijsgeven van de afgeslotenheid alleen maar VOOR DE MENS zo is; hij was en is het zlf die de zaak als zodanig ziet en die aan het einde van zijn ONTWIKKELING gaat inzien dat er geen afgeslotenheid BESTAAT. En dat LEREN INZIEN hiervan gaat langs de weg van het UITEENVALLEN. Het SPLITSEN, het UIT ELKAAR VALLEN brengt de mens tot ZICHZELF omdat het hem ertoe brengt de werkelijkheid te zien zoals zij werkelijk is en niet zoals zij SCHIJNBAAR is. Dan ziet hij zichzelf ook niet meer naar een schijngestalte maar naar de realiteit.
De hele zaak speelt zich ALLEEN MAAR IN DE MENS af; de werkelijkheid zlf, inclusief de mens, was al vanaf haar begin in orde en er behoefde nog niet eens iets te veranderen om de zaak GOED te maken. Slechts het INZICHT van de mensen in deze zaak verandert en wel van een kijk op de SCHIJN naar een kijk op de realiteit. En dit proces nu vertoont op zijn eind dit feit dat VOOR DE MENS datgene dat hij tot dan als een AFGESLOTENHEID gezien heeft UITEENVALT tot de elementaire delen. Dit is VOOR DE MENS het vervallen van de BEPAALDHEID en natuurlijk betekent dit VOOR DE MENS dat de hele zaak OPGENOMEN wordt in een GEHEEL. In feite is de zaak nooit NIET-OPGENOMEN geweest maar dat kon de mens niet zien.
Die in het geheel opgenomen zaak is als datgene dat het voordien was natuurlijk VERLOREN GEGAAN en voorlopig blijft dit laatste begrip de zaak kenmerken; de mensen voelen dat er iets VERLOREN gegaan is en omdat dit werkelijk zo voor ze is, IS HET OOK WERKELIJK ZO. Maar tenslotte vergeet de mens dat VERLOREN ZIJN en dan is hij rijp voor de WERKELIJKHEID. Wat er dn aanwezig is, is HIJZELF en als hij dt inziet openen zich VANZELF geheel nieuwe perspectieven.
Dus: als wij zeggen dat de bepaaldheid heeft te verdwijnen dan doelen wij op een proces IN DE MENSEN ZELF. In OBJECTIEVE ZIN gebeurt er niets, f het zou moeten zijn dat de mensen hun wereld fladen met AFVAL omdat het UITEENLEGGEN uiteraard PRAKTISCH gebeurt.
Het AFVAL bestaat uit de UITWERPSELEN VAN DE MODERNE CONSUMPTIEWERELD en het groeit ons voorlopig geducht boven het hoofd omdat zo langzamerhand ALLES afval blijkt te zijn. Tenslotte blijkt de wereld voor de mensen n PUINHOOP te zijn zonder dat er iets is dat stand houdt. Hoe mistroostig dit vooruitzicht ook is, het is toch de weg waarlangs wij tot een BEHOORLIJKE WERELD komen
De mens die ZICHZELF is, is natuurlijk een BEPAALDHEID, zoals lles een bepaaldheid is. Van een werkelijk OPGAAN in een geheel, zoals sommige mensen zich dat denken, is geen sprake. De idee van allemaal hetzelfde zodat er onder de mensen geen VERSCHILLEN zouden zijn, is een WAANIDEE. De werkelijkheid is door en door VERSCHIL en nders is het niet denkbaar. De zaak draait alleen om de vraag hoe bekijken wij die zaak en als wij dat tenslotte HELDER doen, dus zonder dat WIJZELF in dat KIJKEN bepalend zijn, dan is de wereld in orde gekomen.

SAMENLEVING, MAATSCHAPPIJ en GEZIN

No. 43_1970 (geplaatst op 12 december 2008)

Dinsdag, 22 juni 1971

Het gezin als psychisch milieu
Wij hebben gesproken over het GEZIN als de eenheid van de MOEDER met de KINDEREN en wij hebben gezegd dat die eenheid tot nu toe het enige moment in de bestaande werkelijkheid is dat HET GEHEEL inderdaad AANWEZIG is. Alle andere wezenlijk menselijke verhoudingen zijn er als VERHOUDING wel, maar zij zijn pas echt in de praktijk AANWEZIG als de mens eindelijk BIJ ZICHZELF is terechtgekomen en niet meer verward is door de werkelijkheid om hem heen. Vanuit die verhoudingen treedt er in de onvolwassen wereld een mens op die met die verhoudingen als zodanig niets te maken heeft. Zijn WEZEN, zijn GRONDPATROON, is in de praktijk in het geheel niet meer te herkennen en pas na lang zoeken vinden wij die grondverhoudingen terug. In dit verband is het interessant kennis te nemen van het werk van de grote psychiater JUNG die zich zijn leven lang heeft beziggehouden met de vergeten inhouden van het menselijk bewustzijn.
De verhouding HET GEZIN echter is in feite AANWEZIG; hij leeft in de wereld en hij bestaat cht - alleen is wl de vraag te stellen HOEVEEL ER UITEINDELIJK VAN TERECHT KOMT. Maar deze vraag blijft ALTIJD te stellen: als straks de VOLWASSEN mens op aarde is verschenen kunnen we ook steeds vragen wat er in het algemeen, maar ook in de afzonderlijke gevallen, van die volwassenheid terechtkomt. Maar het TERECHTKOMEN van een zaak vooronderstelt wl het AANWEZIG-ZIJN er van; bij de ndere menselijke verhoudingen kunnen wij ons niet afvragen hoe die TERECHTKOMEN, want ZE ZIJN ER HELEMAAL NIET. Er zijn hl andere verhoudingen, en dat die NA ANALYSE terug te brengen zijn op zekere GRONDVERHOUDINGEN is geen aanleiding om dan maar te zeggen dat die grondverhoudingen BESTAAN. Die BESTAAN pas echt als die andere verhoudingen er niet meer zijn omdat de mensen die op den duur VERGETEN zijn. Zodra voor de mensen HET BELANG vervalt komt dat VERGETEN vanzlf, een gang van zaken die wij met de SPULLEN van de mensen telkens weer kunnen constateren. Sinds de mensen bijvoorbeeld geobsedeerd zijn geworden door de AUTOMOBIEL zijn zij de fietsen - ns een hooggewaardeerd bezit - vergeten. Die slingeren thans langs de straat en zij zijn eigenlijk van geen WAARDE meer. Pas als de mensen weer goed bij hun hoofd zijn geworden bestaat de kans dat zij weer ontdekken hoe NUTTIG een fiets (of iets nders) kan zijn. Dan krijgt een dergelijk ding weer een nieuwe WAARDE, maar die is dan niet meer in enig BELANG geworteld.
Zoals het met de SPULLEN gaat, gaat het met lles en tenslotte vragen de mensen zich met verbazing af hoe zij z dom hebben kunnen zijn om achter al die dingen aan te jagen, te moorden, te verraden, te liegen en te draaien, te treiteren en te vleien En zij zijn dan BIJ ZICHZELF terechtgekomen en als zij dan al hun laaghartigheden zijn VERGETEN, eerst dn ZIJN DE GRONDVERHOUDINGEN WERKELIJK AANWEZIG.
De verhouding die wij HET GEZIN hebben genoemd komt op de een of andere manier terecht in de wereld. Daarbij speelt natuurlijk de geldende CULTUUR een grote rol. In het OUDERWETSE West-Europese stelsel was DE MAN de BEZITTER van het gezin, maar ondanks het ONZINNIGE van een dergelijke situatie kwam het gezin op zichzelf er nog tamelijk goed af. De vrouw had geen keuze: zij MOEST thuis blijven, kinderen baren en grootbrengen en het huis op orde houden. Daardoor was er een grote kans dat HET GEZIN tamelijk goed terechtkwam. Want die ouderwetse mannen bemoeiden zich weinig met HET GEZIN als zodanig; ze wisten niet eens waarover het ging; zij kenden de zaak slechts ALS HUN BEZIT. En de vrouwen waren ook nog niet aan het moderne toe zodat zij niet verder kwamen dan wat vage ONVREDE met de situatie. Enige CONVERSATIE over de kinderen was er niet; die KWAMEN gewoon en zij werden volgens geijkte patronen opgevoed. Wij moeten er goed op letten dat wij niet stellen dat de zaak toen IN ORDE was - integendeel, er was eigenlijk geen goed woord van te zeggen, maar die EENHEID van de moeder met de kinderen had een grotere kans dan later het geval zal zijn. En, zoals gezegd: die eenheid heeft niets met UITERLIJKHEDEN te maken, op zichzlf bezien, maar om tot zijn recht te knnen komen moet het ZELFBEWUSTZIJN van de mensen wl gunstig liggen. En ONGUNSTIG is niet alleen het MODERNE ZELFBEWUSTZIJN omdat de vrouw daarin VAN ZICHZELF AF gaat. Er zijn in de geschiedenis ook talloze ndere mogelijkheden geweest; denken wij bijvoorbeeld aan de situatie in het oude SPARTA waar het toch eigenlijk z was dat de (mannelijke) kinderen al heel spoedig door de mannen werden opgeist. Hier kon die eenheid ook niet opbloeien.

Bij vele hedendaagse PRIMITIEVE volken zijn er ook allerlei reglementen aangaande de kinderen en die staan allemaal het tot zijn recht komen van HET GEZIN in de weg. Want het gezin is een concrete verschijningsvorm van HET GEHEEL, en daarvoor geldt ten allen tijde DAT HET MET RUST GELATEN dient te worden, en lke inmenging, hoe goed bedoeld desnoods ook, bewerkt onveranderlijk een achteruitgang.
Bij de moderne mens is het in de grond van de zaak HET INTELLECT dat de achteruitgang veroorzaakt; het verzakken van de man in het gezin - terwijl hij daar helemaal niet hrt - n het zelfbewust opeisen door de vrouw van de dingen zijn de praktische kanten ervan. En met dat al wordt HET MILIEU VERPEST.
Want het is niet alleen het NATUURLIJKE MILIEU dat wij tegenwoordig grondig aan het verpesten zijn, k, en dat is veel kwalijker, het PSYCHISCH MILIEU gaat ten gronde. Een volgroeid mens is daartegen nog wel een tijdje opgewassen, maar een kind dat ZICHZELF moet vinden in het PSYCHISCH MILIEU van het gezin, gaat onherroepelijk verloren als dat milieu niet neer is wat het zijn moet. En het vervelende bij deze dingen is dat de volwassenen dit bijna niet gewaar worden. Zij bemerken de mislukking pas als het te laat is, als het (bijna) volgroeide kind met dingen komt die NIET KUNNEN, of als het andere psychische afwijkingen vertoont. Of als het er alleen maar blijk van geeft het beeld van ZIJN EIGEN TOEKOMST niet te kunnen verdragen en dan een uitweg zoekt in DROMEN, die in bijna alle gevallen uitlopen in DRUGS. Om toch vooral maar niet geconfronteerd te worden met die toekomst in een wereld waarin niets behoorlijks te ontdekken valt en zelfs niets waarbij men zich THUIS kan voelen. Want de hedendaagse hang naar DRUGS en naar doelloos ZWERVEN zonder enige binding met de bestaande wereld komt voort uit het gemis van een THUIS - wt dit thuis bij gelegenheid ook zijn zal. En nu lijkt het er op dat we met het verhaal van de MORALISTEN komen, en van de dominee, en van grootmoeder, maar z moeten wij het hier gezegde niet opvatten. Er is voor het ouderwetse gezin geen norm te geven waaraan het moet beantwoorden om een THUIS te zijn en ook voor het moderne gezin is die norm er niet. Het begrip HET GEZIN hangt niet af van UITERLIJKHEDEN. Maar wl is het een feit dat het PSYCHISCH MILIEU verpest is en dat is een ramp voor de opgroeiende mensen.
Als HET GEZIN vroeger niet tot zijn recht kwam was de oorzaak gelegen in bepaalde NORMEN. Dat leverde een mens op die VERWRONGEN was, maar die als zodanig goed tegen de hem omringende wereld opgewassen was. Want die wereld was nt zo.
Maar als HET GEZIN bij de moderne mens niet tot zijn recht komt, dan zien wij als resultaat geen VERWRONGEN mens, maar een mens die ALLES KWIJT is en die volledig doortrokken is van het feit dat hij alles KWIJT is. Hij is dus doortrokken van het VERLOREN-ZIJN van iets. En dat verklaart de DOELLOOSHEID en de VLUCHT IN DE DROOM, in de FICTIE, en ook verklaart het het op zichzelf veel meer POSITIEVE feit van de behoefte aan LIEFELIJKHEID, de AFKEER VAN GEWELD en de GEVOELIGHEID VOOR MUZIEK.
Wij kunnen ons natuurlijk afvragen waar dit allemaal naar toe moet. En dan denken wij aan de grote lijn van de ontwikkeling en komen tot de conclusie dat het NOG ERGER wordt. Want het is nu eenmaal zo dat de BEPAALDHEID verloren moet gaan. Maar anderzijds kunnen wij gelukkig ook denken aan het feit dat de mens OP WEG is naar een DOEL en dat dit eindpunt zijn invloed al heel lang van tevoren doet gelden waardoor er TEGENKRACHTEN ontstaan dia HET GROTE STERVEN geducht fremmen en ombuigen tot iets dat steeds meer GOED is.

 

 

Terug naar: de Startpagina mr artikelen van Jan Vis

 

Naar andere artikelen: Conditionering ; Robot denken ; Op de vlucht voor je eigen denken ; Oorzaak SEXUEEL misbruik - zie bladw. ; Het Buitenechtelijke - bandeloosheid - Overspel - Liefde - zie bladwijzers ; Het HUWELIJK is een belediging voor de LIEFDE - zie bladw. ; Houden van...Liefde...Trouw ; Het gelijk en de dialoog ; Eenzaamheid en onvrijheid ; Het toenemend belang van het Athesme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het athesme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ; Ongewenst athesme- zie afl. 32 ; Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ; De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjaria ; Burqa, volg bladwijzer ; Nihilisme ; De ontwikkeling van het denken ; De Vrede ; Conditionering en De ontwikkeling van de West Europese Cultuur(zie links: te erg/te veel en dubbelhartigheid ) ; Behoort Isral tot de Westerse Cultuur- zie aflevering 60-onderdrukking van de Palestijnen, ; Kunnen Moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? aflevering no. 37, ; Terrorisme / Taliban ; Hoe zit het nou met Jahweh, God en Allah ; Waar komt DE MODERNE MENS-deWesterse Mens- vandaan..?-1968 -zie briefnrs. 4/5 - (DE MODERNE MENS verovert de wereld , een culturele verovering) ; GEWONE MENSEN,-De Middelmaat-WERELDBEELD-pag.55/56-zie bladw. ; Kentering in het denken gekomen over Maatschappij/Samenleving-afl.34 ; De maatschappij is inhoud van de samenleving-zie bladw. ; Leidinggeven, Maatschappij/Samenleving-afl.42 ; Wie hebben er een VIJAND nodig..? POLITICI..? alle politici..? Neem eens nota van afl.51 ; Politici..!-Het hoge ambt..?- De samenleving dienen..?- afl.1 ;

 

 

Naar bladwijzers: 6 ; 22 ; 31 ; 28 ; 30 ; 7 en 8(Rechters) ; Godsdienstige mensen zijn qua UITSLUITING het meest radicaal ; We veroordelen ons IMPERIALISME ; Idealisme - zie pag.1 n pag.6-Revolutie/Idealisme - We zijn ds allemaal zlf de SHELL ; Onze CULTUUR geeft ons praktische LEVENSZEKERHEID ; Leidinggevende figuur nr.9 ; Bekwaamheid: A1 , Bekwaamheid: B2, nrs.7, 8, 9, 10 en 11 , ; C3: nrs 24, 25, 30 en 39 ; UITSLUITEN ; Overtuiging-1 en overtuiging-2 ; Rechtsgeleerden-zie nrs. 7 en 8 ; Opstanding - zie nrs. 18 t/m 20 ; Het leven nu ; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; ConflictA ; ConflictB ; ConflictC ; ConflictD ; PRIVACY en VRIJHEID ; Afhankelijkheid ; OVERSPEL - HUWELIJKSWET ; Rechtspraak-A-nr.8 ; Rechtspraak-B(Juryrechtspraak)-nr.30 ; Rechtspraak-C-nr.33 ; Revolutie A ; Revolutie B ; Revolutie C ; Revolutie D ; Moraal-A ; Moraal-B ; Moraal-C ; Moraal-D ; Moraal-E ; Eigen rechter ; YOGA ; Treiteren ;

 

Groeten,

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen, is het citeren uit mijn werk zonder meer toegestaan. Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis, creatief filosoof)

 

 

 

 

website analysis
website analysis