TIJL UILENSPIEGEL

don quichotte,dostojewski,ego sum papa,erasmus,iwan karamazow,liefde,tijl uilenspiegel,vrijheid.

 

Terug naar: de Startpagina     Naar het begin v/h verhaal

 

bladwijzers: Ontwikkelingshulp(pagina’s 66 en 67) ; Ontwikkelingshulp/Kolonialisme(pagina’s 73,74 en 75) ; communisme/westerse jeugd ; kennis/eigen belang/octrooi ; Vrije keuze ; NAVO ;  Vorstendommen/kleine tirannetjes ; Lijdensweg ; Onverdraagzaam ; Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ; Hulpbehoevend..? ; Vietnam-1 ; Vietnam-2 ; Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Rechten van de Mens ; Doodvonnis-1 ; Doodstraf-3 ; Moederschap-1(nr.6) ; Moederschap-2(nr.12) ; Moederschap-3(nrs. 52 en53) ; Hamlet; wraak en wraakgevoelens (nrs. 24 en 25)   Potsenmaker Uilenspiegel    Volwassen worden   Rechters ;  Aapje ; nrs. 17 en 18 ; ; Tijl Uilenspiegel ; Olympische spelen ; Olympische Godheid ;

 

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uw…!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

Ik ben de Paus

Een beschouwing over Vrijheid en Liefde

Auteur: Jan Vis, creatief filosoof

Fotokopie van de oorspronkelijke stencils ; Rotterdam, januari - april 1968. ( In totaal 78 pagina’s - 1990 )

 

 

bladwijzers: Ontwikkelingshulp(pagina’s 66 en 67) ; Ontwikkelingshulp/Kolonialisme(pagina’s 73,74 en 75) ; communisme/westerse jeugd ; kennis/eigen belang/octrooi ; Vrije keuze ; NAVO ;  Vorstendommen/kleine tirannetjes ; Lijdensweg ; Onverdraagzaam ; Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 ; Hulpbehoevend..? ; Vietnam-1 ; Vietnam-2 ; Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Rechten van de Mens ; Doodvonnis-1 ; Doodstraf-3 ; Moederschap-1(nr.6) ; Moederschap-2(nr.12) ; Moederschap-3(nrs. 52 en53) ; Hamlet; wraak en wraakgevoelens (nrs. 24 en 25)   Potsenmaker Uilenspiegel    Volwassen worden   Rechters ;  Aapje ; nrs. 17 en 18 ; Tijl Uilenspiegel ; Olympische spelen ; Olympische Godheid ;

 

 


 

 

 

Auteur: Jan Vis, creatief filosoof

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit dit verhaal zonder meer toegestaan.

Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld.

 

Terug naar: de Startpagina

 

TIJL UILENSPIEGEL

 

Pagina 1

Op de titelpagina van dit boek ziet U de afbeelding van een oude franse houtsnede, een anonieme karikatuur op paus Alexander VI, die van 1492 tot 1503 paus was. “Ego sum papa” staat er bij geschreven. "Ik ben de paus”, en zoals U ziet is hij een monster. Volgens zijn tijdgenoten verenigde hij al het slechte en gemene in zich: schraapzucht, heerszucht, wellust en wreedheid. Hij wordt de Heer der hel genoemd. Hij was niet de enige der pausen, die met een hyena te vergelijken is, de meesten van zijn heilige collega's waren net zo en sommigen overtroffen hem zelfs..... hierover echter later meer! Dat ik deze afbeelding aan het begin van dit boek geplaatst heb komt niet voort uit de behoefte mijn bespiegelingen over Tijl Uilenspiegel te verluchten met plaatjes, en welbeschouwd ook niet uit de behoefte de pausen en de roomse kerk eenzijdig aan de kaak te stellen, maar deze karikatuur beeldt een wereld uit waarin alle mensen betrokken zijn, die niet het karakter hebben van de figuur, die ik nu wil gaan behandelen. Het is het beeld van een wereld die de tegenpool is van Uilenspiegel en die de tegenpool is van allen, uit vroeger tijden en uit onze tijd, die het vermogen hebben de zon te volgen zonder weerloos overgeleverd te zijn. "Ik ben de paus" is de tegenpool van Uilenspiegel; het is zijn grote en levensgevaarlijke tegenstander, die hij altijd weer van zich af weet te schudden en die hij zelfs de baas blijft en bij gelegenheid weet te wreken. Maar die niettemin altijd op hem loert in een telkens weer andere gedaante. Het is niet mijn bedoeling U een uitvoerige schildering te geven van de wereld waarin Tijl Uilenspiegel leefde, hoewel ik aan sommige verschijnselen extra aandacht zal geven. Verschijnselen zoals daar is het heksengeloof en de daaruit voorkomende processen en terechtstellingen, en een verschijnsel als de kettervervolging; ook de rol die Rome speelde komt ter sprake. Maar dan niet, om zo te zeggen, in politieke zin, maar in menselijke zin als vertegenwoordiger van de "macht" in de wereld. Als U de moeite neemt het boek van Tijl te lezen dan bemerkt U daaruit reeds voldoende dat de “machtigen" niet zulke erge besten waren, maar dan weet U nog niet dat dat regel was, en geen uitzondering, en ook weet U dan nog niet dat het allemaal vandaag de dag nog precies zo is, met alleen dit verschil dat je tegenwoordig doorgaans minder vlug op de brandstapel staat en dat je te eten hebt. En deze verbinding met de moderne tijd wil ik extra duidelijk belichten en dan wordt het tevens verstaanbaar dat een figuur als Uilenspiegel nog even levend en nog even voorbeeldig is als in de tijd waarin hij door Charles de Coster getekend is.

Wij spreken nu over "de" Uilenspiegel; dat is het verhaal van de Vlaamse vrijheidsstrijder ten tijde van de opstand van de Nederlanden tegen Spanje, en deze vrijheidsstrijder is voortgekomen uit de eenvoudige, boerse, potsenmaker Uilenspiegel waarvan in de volksverhalen in west-duitsland en ook wel in de Nederlanden verteld wordt. Deze potsenmaker nam de machtigen, de welgestelden, de geleerden en de geestelijken te grazen en als zodanig staat hij tegenover die figuren die er zich straffeloos op toelegden de eenvoudige man voor gek te zetten. Van die figuren wemelt het in de middeleeuwse en latere literatuur. Min of meer moeten we hier de oorspronkelijke figuur van Faust ook toe rekenen, hoewel ook hij later, net als Uilenspiegel, door een kunstenaarshand uitgegroeid is tot een algemeen begrip, een idee. Bij Faust was het, zoals bekend, Goethe, die hem tot een idee dichtte, en bij Uilenspiegel is het Charles de Coster geweest. Hij maakte van de schelmenstreken een heel andere zaak - hij maakte er verzetsdaden van, verzetsdaden echter, die het krampachtige en het starre, en dus eigenlijk ook het weerloze, van onze eventuele verzetsdaden missen. Onze verzetsdaden, welke het ook zijn, zijn reacties op andere daden, daden van mensen die wij om de een of andere reden haten. Maar die van Tijl waren niet zo: zij kwamen voort uit een gesteldheid die altijd gold omdat het de gesteldheid van Tijl zelf was. Noemen we die gesteldheid bijvoorbeeld "vrijheid", dan is het zo, dat Tijl niet voor zijn vrijheid vocht en tégen zijn onderdrukkers, maar hij stelde vrijheid. Tijl was vrijheid en het is duidelijk dat het dan onmogelijk is om nog eens voor de vrijheid te gaan vechten en tegen de onvrijheid. Als je dat doet, dat vechten voor en tégen, dan is er een eindpunt en dat ligt daar waar je je doel bereikt hebt of niet bereikt hebt - in dit laatste geval ben je dood; je bent of gesneuveld in het gevecht of je hebt de boel maar te water gelaten omdat het toch allemaal niet ging.

 

Pagina 2

Er is dan een eindpunt en als je daar bent is alles afgelopen want dan is er niets meer om voor te vechten en als je daar nog niet bent dan ga je toch naar dat afgelopen zaakje toe of naar je dood en in alle gevallen is de hele boel dus eigenlijk op niets uitgelopen. Tenslotte is het allemaal een herinnering, die in de beste gevallen een leegte over laat: de leegte van het menselijk leven voorzover dat geen andere inhoud heeft dan bepaalde bedoelingen, idealen die bestreefd moeten worden. En nu mogen die idealen net zo hoog verheven zijn als U maar bedenken kunt.... een leegte laten zij toch achter want zij lopen toch in niets uit omdat het allemaal betrekkelijkheden zijn, die hun tijdelijke waarde danken aan het feit dat er andere betrekkelijkheden tegenover staan. Het verzet in de afgelopen wereldoorlog tegen de Duitsers was er op voorwaarde van het feit dat er Duitsers waren: in Engeland was er geen ondergronds verzet tegen de Duitsers want die waren daar nu eenmaal niet. Waar iets bevochten wordt zijn de tegenstanders voorondersteld. Dit betrekkelijke karakter is kenmerkend voor ons besef omtrent het begrip “verzet" en zodoende wordt het alles star en eenzijdig. Dan begrijpen wij ook van Tijl Uilenspiegel niets, want bij hem komt er geen eind aan de zaak en hij sneuvelt ook niet, hoewel hij menigmaal in een hachelijke situatie verkeert. En ook het mooie einde van het boek - als Tijl namelijk onsterfelijk blijkt te zijn - is geen garantie dat wij de zaak begrepen hebben. Met die onsterfelijkheid komen wij er gemakkelijk af; dan is het eenvoudig om niet te sneuvelen terwijl je toch bezig bent met tegen iets te vechten. Met andere woorden: wij westerlingen handhaven gewoon ons idee van voor en tegen en dat brengen wij uiteraard van toepassing op Tijl, maar bij hem gaat het dan eeuwig door omdat hij door een gril van de fantasie onsterfelijk is. Zoiets als de Griekse goden, die ook onsterfelijk waren en daarom voor Troje maar aan de gang bleven! En zo hebben wij dan een verkeerd beeld van Tijl Uilenspiegel en wij hebben over het algemeen een verkeerd beeld van het menselijke voorzover dat zich, weet te handhaven in deze wereld. Dat blijkt ook wel, want zelfs de helderste koppen onder ons zijn ervan overtuigd dat iets behoorlijks in deze wereld niet kan; dat je het beter kunt laten omdat je vroeg of laat toch je kop stoot. Maar in feite kan het behoorlijke wel in deze wereld en nu is het juist deze Uilenspiegel, die voortgekomen is uit een zonnige grappenmaker, die daarvoor het goede karakter heeft. Daarin ligt zijn onsterfelijkheid, dat het hem onder alle omstandigheden mogelijk is zichzelf te blijven en dat hij nooit sneuvelt aan de wereld en al haar misdaad en ook al haar idealen. En dat terwijl hij midden in de wereld staat en ook nog voortdurend in levensgevaar is. Onder alle omstandigheden blijft Tijl welgemoed, hij is een kind van de zon......

Charles de Coster heeft dat mooi getekend, dat kunt U duidelijk merken als U het boek op de eerste bladzijde openslaat:

"In meimaand, als de hagedoorn in bloei stond, werd te Damme, in Vlaanderenland, Uilenspiegel,de zoon van Klaas, geboren.”

 

En even verder:

 

"Klaas deed het venster open en sprak tot Uilenspiegel: kind met den helm, zie, daar is moeder de Zon, die Vlaanderenland komt groeten. Bezie haar als uwe kijkers open zullen zijn; verkeert gij later ooit in twijfel, weet gij niet wat te doen om goed te doen, ga dan om raad bij de zonne; zij is warm en helder: wees zo goed als zij warm en eerlijk als zij helder is".

 

Hier is het dus de vader van Tijl, die hem de zon laat zien; hij heeft het over warmte en helderheid en deze twee zijn voor Klaas de leidraad voor een behoorlijk leven. De zon geeft raad bij twijfel en warmte is goedheid en helderheid is eerlijkheid. Hier wordt door Klaas niets moeilijks gesteld; hij heeft het niet over denken, niet over zelfonderzoek, niet over moraal of redelijke overwegingen en tenslotte ook niet over "zuiver begrip" - hij heeft het eenvoudig hierover dat je de raad van de zon moet volgen. Je moet de helderheid volgen, dat is het eigenlijk wat hij tegen zijn pasgeborene zegt en hoewel het kind nog niet weet waar het over gaat, is het toch de enige wens die je over een kind kunt uitspreken. Hierbij vergeleken is de hele rest onzin geworden!

 

Pagina 3

Welke wensen geven wij de kinderen gewoonlijk niet mee..... dat ze maar minister mogen worden en veel geld verdienen, dat ze maar in aanzien mogen geraken en een goede vrouw treffen en dat ze maar vooral niet teveel last van het leven zullen hebben. Een lastig geweten wensen wij ze zeker niet toe, want daar word je alleen maar moe van en je koopt er niets voor..... Maar Klaas is zo'n vader niet, hij geeft het laatste advies: ga te rade bij de helderheid, want dan komt het vanzelf terecht, dan ben je vanzelf goed. Toch is het eigenlijk helemaal zo'n bijzondere man niet, die Klaas. Hij is kolensjouwer en hij is tevens boer; hij werkt de godganse dag om het hoofd boven water te houden en dat gaat dan ook nog maar net. Maar Klaas deugt, hij is een werkman en hij doet wat hij als man te doen heeft en dat gaat allemaal blij gezind. De mensen mogen hem graag, die ruwe en eenvoudige man. De Coster zegt van hem:

".... Klaas, de wakkere arbeider, die in braafheid, eer en deugd zijn brood verdient. Keizer Karel en Koning Philippus zullen hun leven lang kwaad doen, door oorlog, knevelarij en andere misdaden. Klaas, die heel de week werkt, zal leven volgens recht en wet, bij zijn zuren arbeid zal hij lachen in stee van wenen: hij zal het toonbeeld van de goede Vlaamse werkers zijn."

 

En de vrouw van Klaas, Soetkin, was al net zo:

 

"Soetkin, Klaas' wijf, was een brave, wakkere vrouw, die opstond met de zon, en vlug en vlijtig was als een mier. Zij en Klaas bebouwden getweeën hunnen akker en spanden zich als ossen voor den ploeg. Zwaar was het om hem voort te trekken, doch zwaarder nog trok de egge, die met hare houten tanden den harden grond moest scheuren. Toch deden zij het blij te moede, met een liedeken op de lippen.

En de grond mocht nog zo hard zijn en de zon hare heetste stralen op hen neerschieten: zij konden water en bloed zweten als zij de egge trokken dat hunne knieën knikten - al hun lijden vergaten zij, als zij even stilstonden en Soetkin heur zacht gelaat naar Klaas toekeerde, want dan kuste Klaas den spiegel van die tedere ziele."

Wat moet er nu eigenlijk nog meer gezegd worden over het gedrag van deze twee mensen? Door alles heen straalt de zon; deze eenvoudige lieden zijn het toonbeeld van de mens die goed is. Hier geen idealiteiten, geen liefdesromantiek, geen gedweep met intellect. De man is aan het werk en dat doet hij blij gezind. Hij werkt niet omdat hij om de een of andere reden werken moet, maar hij werkt omdat hij als mens werken is. Ook al verdient hij zijn brood met dat werken, zoals wij dat allemaal doen, dan nog werkt hij niet om dat brood; hij wekt nergens om, want hij is werken. De man heeft maar te werken, want dat is één van de eerste verhoudingen, die aan het mannelijke menszijn meekomen. De verhouding, die de mannelijke mens in de werkelijkheid is, heeft als onmiddellijke consequentie dat er gewerkt wordt: dat de kosmos omgezet wordt tot een hogere werkelijkheid, tot een doorwerkte werkelijkheid. En die doorwerkte werkelijkheid is dan inhoud geworden van het laatste wat er is, namelijk helderheid. Tenslotte is het allemaal helderheid, want daarin loopt alles uit, en het verschijnsel waarin dat uitlopen in helderheid plaats vindt, dat verschijnsel is de mens. De man is het, die dat uitlopen waar maakt en dat doet hij automatisch als hij deugt en zo maakt hij alles tot helderheid en hij doet alles vanuit helderheid. Voorzover er van de mens te zeggen is dat hij een doel heeft, moeten we van de man zeggen dat de helderheid zijn doel is. De helderheid is dus eigenlijk zijn wezen, en dat is het nu precies wat bij Klaas zo sterk naar voren komt. Dat is zijn blij gezindheid. Want gewoonlijk zingen de mensen alleen maar als het hun naar de zin gaat en de inhoud daarvan is doorgaans niet zo erg veel zaaks. Dat heeft niet veel meer om het lijf dan welstand, dan macht en aanzien. En als het dan niet zo erg best wil lukken met die welstand, dan wordt er ook niet gezongen; de zon speelt niet zo'n grote rol in het leven van de meeste mensen: hij gaat pas meetellen als de tijd van de vakantie aangebroken is en dan dient hij nog alleen maar om bruin te worden..... Daar zitten ze dan te bakken, al die zwartkijkers, die eens even afstand nemen van hun eigen zwaarwichtigheid. Ze zitten zich allemaal als vrolijke flierefluiters aan te stellen, maar volgende week trekken ze weer vlug het grijze pak aan en dan moet je weer beleefd tegen ze zijn.

 

Pagina 4

Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeding-1

De goede omgangsvormen vereisen dat. Er is van de zonnigheid niet veel over; het is alleen maar een kortstondig onderdeel van het programma geweest, een vervelende pauze in de concertzaal met een kopje koffie en beschaafde fluistergesprekken. Het was allemaal zo netjes.....! Maar anders is Klaas: onder het loodzware werk zingt hij liedjes want de helderheid is hem de maat, en als het werk gedaan is, dan gaat hij zijn keelgat spoelen met bier en hij maakt grapjes met de vrouwen en meisjes. En op haar vrouwelijke wijze is Soetkin hetzelfde; zij is de vrouwelijke tegenpool en als zodanig is zij de werkelijkheid, die in helderheid uitgelopen is. Bij haar is alles terecht en bij haar is alles tot rust. Dat is haar tederheid, dat is haar "tedere ziele". Daaraan denken wij zo gauw niet, want voor ons is tederheid een soort aaipoezerigheid, maar dat is geen kunst, dat kan elke hark van een vrouw, als ze maar verliefd is. Maar dan heeft ze nog lang geen "tedere ziele", dan kan ze voorlopig nog best een keiharde zakenvrouw zijn waarin en waaraan niemand terecht is. Die in alle gemoedsrust de pil loopt te slikken omdat ze geen tijd heeft voor kinderen en omdat ze zo modern is en mooi slank wil blijven. Of die desnoods wel twee kinderen wil hebben en dat dan allemaal intellectueel verantwoord..... volgens de nieuwste inzichten opvoeden..... creatief ontwikkelen..... vrije ontplooiing - en meer van die onzin. Dat is allemaal mogelijk terwijl ze toch teder kan zijn..... soms. Maar Soetkin kon niet teder zijn, zij was teder en dan gaat het helemaal niet meer over kunnen. Een "tedere ziele” is geen "kunnen", het is geen "vermogen", maar het is een toestand. Het is de gesteldheid van de vrouw die goed is, de vrouw die deugt. En het betekent dat alles bij haar in helderheid opgenomen is; alles is inhoud van haar helderheid. Dan zijn overal de bijzonderheden af, het hoekige is verdwenen, want alles is één organisch, levend en kloppend weefsel, dat warm is en veilig. Dit beginsel, dit organische éne, oftewel - om een goed, maar ouderwets woord te gebruiken - dit geheel, is nogal eens aanleiding tot misverstanden omdat ons eigenlijk de woorden ontbreken om de zaak duidelijk te maken. En dat die woorden ontbreken komt voort uit het feit, dat wij, in onze westerse cultuur, helemaal niet geďnteresseerd zijn bij deze zaak. Wij zijn wel geďnteresseerd in het denken en ook in het uitzoeken hoe de werkelijkheid zit, maar daarbij bepalen we ons tot de werkelijkheid voorzover wij die als verschijnsel concreet menen te kennen. Voorzover diezelfde werkelijkheid echter ook nog aan andere wetten beantwoordt, wetten die pas duidelijk worden als wij een geheel ander uitgangspunt voor ons denken nemen, stellen wij er geen belang in. Zozeer zijn wij door onze cultuur gebonden aan onze verschijnselen, dat het ons in de meeste gevallen onmogelijk is die verschijnselen met hun schijnbare zekerheden te laten voor wat ze zijn en een wijdere horizon voor ons denken te kiezen. Omdat dit zo in ons gesteld is, zijn er in onze West-Europese talen geen woorden ontstaan, die op een voor iedereen begrijpelijke wijze uitdrukking geven aan de zaak waarom het nu gaat. Nu wil dit anderzijds ook weer niet zeggen dat de zaak volkomen duidelijk zou zijn als die woorden er wel waren, maar in ieder geval was de sfeer dan toch aanwezig, zoals voor het Griekse cultuurgebied indertijd het begrip "afrodite" qua sfeer aanwezig was zonder dat iedereen zomaar kon zeggen wat nu precies de inhoud van dat begrip was. Wij moeten het dus met onze woorden doen, en dat lukt best, als we ons maar tot die woorden bepalen en er niet op eigen houtje allerlei bij gaan verzinnen, wat niet gezegd is. Dat wij er wel degelijk een handje van hebben met allerlei eigen verzinsels op de proppen te komen, is mij laatst weer aan het volgende voorbeeld gebleken: als ik zeg dat het kind bij de vrouw behoort en dat het haar zaak is en haar leven is, en dat dit niet bij de man het geval is, dan zegt steevast iedereen dat je dan een onverantwoordelijk mens bent, die wel het plezier van het kinderen verwekken wil hebben, maar die verder zijn handen ervan af trekt en de vrouw voor alles laat opdraaien. En iedereen beklaagt dan de arme vrouw die in jouw handen valt, want die vrouw is niet gelukkig, met zo'n egoďst.... Kijk, en nu heeft iedereen zelf allerlei zitten verzinnen en niemand heeft er op gelet wat er nu eigenlijk gezegd is. Er is namelijk alleen maar gezegd dat het kind van de vrouw is en niet van de man en over de rol, die de man in deze moederkind zaak speelt, is nog met geen woord gesproken..... maar dat belet al die vlugge denkers niet alvast over dat nog-niet-gezegde hun oordeel te vellen.

Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeding-1

 

Pagina 5

Zij verbinden alles direct met hun eigen wereld en komen dan met de meest onmogelijke conclusies. En dat moeten we nu juist zien te vermijden als wij nu eens werkelijk iets aan de weet willen komen. Het "organische ene" is de werkelijkheid zelf. Naast en buiten die werkelijkheid is er niet "nog wat", er is niet meer dan de werkelijkheid. Hierop duidt het woord "ene", en het woord "organisch" heeft betrekking op het feit, dat die éne werkelijkheid in zichzelf beweeglijk is terwijl toch, in alle beweeglijkheid, die ene zaak aan zichzelf gelijk blijft. Dit laatste is trouwens een kenmerk van alles wat wij "organisch" plegen te noemen. Het menselijk lichaam, bijvoorbeeld, is zo’n organisme; het is voortdurend in beweging en ook de uiterlijke vorm ervan is voortdurend aan verandering onderhevig, terwijl dat lichaam toch datzelfde lichaam blijft. Het blijft aan zichzelf gelijk. En zo is het met de werkelijkheid ook! de zaak is alsmaar in beweging. Alleen verandert aan de werkelijkheid geen uiterlijke vorm, want de werkelijkheid heeft geen uiterlijke vorm. Hoewel de werkelijkheid in zichzelf overal "vorm" vertoont, geldt voor haarzelf het begrip "vorm" niet. Maar, zoals gezegd, de beweeglijkheid geldt des te meer; er is niets in de werkelijkheid, dat niet in beweging is, zelfs datgene, dat wij als "vast" beschouwen, dus de zogeheten verschijnselen, is geen bewegingsloze aangelegenheid. Die "vastheid" doet zich alleen maar voor ten opzichte van iets anders. Een verschijnsel is "vast" als de verhouding tussen dat verschijnsel en een ander verschijnsel niet verandert. Maar al verandert de verhouding tussen die twee verschijnselen niet, dan toch is de zaak aan verandering onderhevig, bezien vanuit een groter verband, bijvoorbeeld de kosmos. Hier komt het in de wetenschap bekende begrip "relativiteit” naar voren. Dus de werkelijkheid is een organisme, het is een in zichzelf beweeglijke zaak. En nu kunnen wij het, als wij die zaak beschouwen, over twee dingen hebben: die zaak zelf, en de "inhoud" van die zaak - dus datgene waaruit die zaak opgebouwd is. Als wij het over die zaak zelf hebben, dan komt daarbij natuurlijk de inhoud van die zaak ook ter sprake, maar dan staat dat helemaal in het licht van de zaak zelf. Dan beseffen wij bij alles wat wij aan de weet komen over die inhoud dat het altijd "inhoud" is en altijd "inhoud" blijft. Maar als wij eenzijdig die inhoud als de maat nemen, dan ontgaat ons de werkelijke samenhang. Dan blijven wij staan voor een oneindig aantal verschillende verschijnselen waartussen wij het onderlinge verband in de grond van de zaak niet zien. Wij zien wel allerlei verbanden tussen allerlei bepaalde verschijnselen, maar het zien van "allerlei" verbanden houdt natuurlijk onmiddellijk in, dat er ook verbanden niet gezien worden - en dat krijg je er nooit uit. Desnoods wordt er veel gezien, maar altijd zinkt dit in het niet bij het oneindig vele dat er eigenlijk te zien is. Elke hoeveelheid, hoe groot ook, is niets vergeleken bij het oneindig vele en aangezien voor de verschijnende werkelijkheid het begrip "oneindig veel" geldt, is het laatste woord, dat er door de mens, voorzover hij zich richt op de verschijnselen, gesproken kan worden toch nog altijd niets vergeleken bij datgene dat er nog meer te zeggen zou zijn geweest als hij maar tijd van leven had gehad. Het laatste is op dit terrein dus een onverbiddelijk “niet weten". Let U er wel op, dat het hier gaat over louter het terrein van de verschijnselen; dat hier dus geldt dat ondanks een toenemend weten van de mens het eindpunt "niet weten" is. En als U nu begrepen hebt waarom dit zo is, dan ziet U tevens in dat dit helemaal geen tragische zaak is. Dat er geen reden is om over ons "kleine mensenverstand" te spreken en over "dingen die wij toch niet bevatten kunnen". Het is nu eenmaal zo dat we niet alles kunnen weten en omdat dit zonder meer zo is, daarom is het volkomen in orde. Het is niet eens een "tekort" in de mens, hoewel menigeen het wel zo aanvoelt. Het oneindige is nu eenmaal niet te benaderen, want elke afstand, hoe groot ook, is niets vergeleken bij de oneindigheid...... Er is dus de "inhoud" van dat éne organisme en die "inhoud" is samengesteld uit oneindig veel elementen en elk van die elementen is, vergeleken bij dat "oneindige" een beperkte, een bepaalde, een begrensde aangelegenheid. Voorzover wij nu al die begrensde aangelegenheden bezien als de totale inhoud van de werkelijkheid zelf, verliezen zij hun begrensdheid en gaan zij elk op eigen wijze een rol spelen in het éne organisme. Zij zijn in feite nog wel begrensd, maar dat begrensde geeft dan niet meer juist doordat zij die rol in het geheel, de werkelijkheid zelf, spelen.

 

Pagina 6

Moederschap-1(nr.6) ; Moederschap-2(nr.12) ; Moederschap-3(nrs. 52 en53) ;

En nu is het deze zaak, die in levende lijve gestalte krijgt in en aan de vrouw. Zij is dus het ene organisme, dat alle begrensdheden tot inhoud heeft, zodat de begrensdheid daarvan van geen belang meer is. Van geen belang is dus het speciale en het bijzondere, maar - en dit is belangrijk om in de gaten te houden - het is wel aanwezig, want het vormt de inhoud van de werkelijkheid. Een vrouwelijkheid dus , waarin niet alle specialiteiten als inhoud aanwezig zijn, is geen vrouwelijkheid..... en dat komt in de praktijk voor de dag aan het feit, dat een vrouwelijkheid, die niet tevens moederschap is, een onwerkelijke, een lege zaak is. Want in het moederschap maakt de vrouw het feit waar, dat zij alle specialiteiten tot inhoud heeft...... dat is namelijk het kind. Het kind is het sluitstuk van de kosmos en als zodanig houdt het de gehele kosmos en dus alle bijzonderheden, specialiteiten, in, en dat komt dan tastbaar voor de dag, dus als zelf ook weer een specialiteit. Het kind is dus de voor-de-dag-gekomen inhoud van het vrouwelijke; dat is een heel gewone zaak, er zit niets verhevens aan. Het komt stomweg voor de dag en heeft niets te maken met ontwikkeling en beschaving. Overal waar de mens is komt deze zaak noodzakelijk voor de dag. En overal waar, door cultuurinvloeden, de vrouw meent voor iets anders in de wieg gelegd te zijn dan voor deze vrouwelijkheid, daar raakt het moederschap van de kook. Dit is vooral duidelijk te constateren in onze westerse wereld; de vrouw in het westen is er op uit zich een plaats te veroveren in de wereld en van daaruit bekwaamt zij zich in allerlei vakken en wetenschappen en altijd weer komt zij dan in conflict met haar vrouw-zijn. Dat vindt dan natuurlijk direct zijn neerslag in het moederschap, dat dan eigenlijk als iets van de tweede rang of als iets noodzakelijk kwaads wordt gezien. Voor die bijzaak moest eigenlijk een oplossing gevonden worden, meent de westerse vrouw en daarom juicht zij mee met de mannen als die weer een nieuw middel tot geboortebeperking hebben gevonden. Eindelijk kunnen zij de zaak regelen zoals die het beste uitkomt; eindelijk verlost van die klemmende noodzakelijkheid van het moederschap. Dat deze verlossing een onmiddellijke ontkenning van het vrouw-zijn is, dat wordt niet gemerkt want er zijn zoveel voordelen tegenover te stellen..... en zo gaat de zaak kapot en er gaat nog veel meer kapot, want het gaat niet alleen maar over geboortebeperking. Als het alleen maar daarover ging, dan was er niets aan de hand, want geboortebeperking is een natuurlijke menselijke mogelijkheid. Het is de mens van nature mogelijk niet elke gemeenschap in een zwangerschap te laten Uitlopen, want het zaad van de man legt een weg af voordat een eventuele versmelting met de eicel kan plaats vinden. En waar een weg afgelegd wordt, daar is ook een mogelijkheid van onderbreking. Dat is een héél gewone en natuurlijke aangelegenheid. Dus het regelen van zwangerschappen is voor de mens niets bijzonders en daarover behoeft de moderne mens helemaal zo'n drukte niet te maken....., maar er is in onze cultuur iets anders aan de hand. Het gaat niet in de eerste plaats om geboortebeperking, maar het gaat om de ontkenning van het moederschap. De vrouw wil geen moeder meer zijn, en voorzover zij toch meent dat zij moeder wil zijn wil zij dat op zo’n onwezenlijke wetenschappelijke manier dat het ook dan geen moederschap is. De vrouw kent zichzelf als moeder niet meer; dat heeft zij allemaal stuk gedacht en nu is er niets meer van overgebleven. Zij wil "iets" zijn in de wereld, zoals de man dat is; zij wil ergens in uitblinken en zich op het één of andere terrein onderscheiden en daarmee verlangt ze van zichzelf, dat ze als "iets bepaalds" voor de dag komt en dat ze aan dat "bepaalde" te kennen zal zijn, zoals de man dat is. Maar zich laten gelden als "iets bepaalds" is niet wézenlijk vrouwelijk; het wezenlijk vrouwelijke is gelegen in het "tot inhoud hebben" van de bepaaldheden. Het is dus een "omhullende" rol die zij speelt ; zij laat zich gelden als het "tehuis". Dat is het eerste, dat voor de vrouw geldt en van hieruit regelt zij maar wat er geregeld moet worden naar haar idee; zij bepaalt maar het aantal kinderen en zij moet maar zien of zij ook nog een of ander werk wil doen. Maar het punt zit hem hierin dat de vrouw het uitgangspunt van haar gedoe houdt in haar vrouwzijn, en dat is het wat in de westerse cultuur steeds meer op de achtergrond geraakt. De westerse vrouw neemt haar uitgangspunt steeds meer in wat anders, namelijk in het mannelijke en daarmee raakt een hele werkelijkheid in het verdomhoekje en die verwaarloosde werkelijkheid betreft alle terreinen van het menselijke leven, want het vrouwelijke loopt overal doorheen, net zoals het mannelijke het op zijn wijze ook doet.

Moederschap-1(nr.6) ; Moederschap-2(nr.12) ; Moederschap-3(nrs. 52 en53) ;

 

Pagina 7

Verwaarloosd is dus de werkelijkheid als warmte, als innigheid, als tederheid; verwaarloosd is de wereld van het kind en verwaarloosd is de schoonheid. De liefde is aan alle kanten aan banden gelegd en eerlijkheid en betrouwbaarheid zijn ver te zoeken. En doorvoor in de plaats is een koude, kille wereld gekomen waarin de redenering en de berekening doorslaggevend is. Een berekening is altijd redelijk, want altijd is twee keer twee vier; een berekening kan hoogstens fout zijn, maar die fout wordt er op den duur wel uitgehaald..... maar wat heeft die berekening voor menselijke waarde in een wereld waaruit het vrouwelijke vertrokken is? In de grond van de zaak komt het niet verder dan de uitspraak op ons titelblad: "Ik ben de paus" en daarvan doen alle raffinement en alle ontwikkeling en alle beschaving niets af. De wereld, die ons in Tijl Uilenspiegel getekend wordt en die haar toppunt vindt in de paus met zijn handlangers, is net zo liefdeloos en kil als de wereld die wij in onze dagen kennen. De grond van de zaak is niet veranderd - alleen de uitwerking ervan. Klaas moest zijn menszijn met de dood bekopen en dat geldt voor de mensen in onze wereld ook, letterlijk of figuurlijk. En er was voor hem geen medelijden, er was geen genade en er was geen redding hoewel er mensen genoeg aanwezig waren om die paar autoriteiten en die valse kettermeester te beletten Klaas te verbranden. Al die mensen kwamen niet verder dan wat "gemor" en wat gegooi met stenen maar van een werkelijk verzet tegen het vermoorden van Klaas was geen sprake. Dat beeld kennen wij in onze tijd ook maar al te goed: de mensen schelden, ze gooien met stenen en intussen gaat alles door want al bij voorbaat heeft iedereen het hoofd gebogen voor het gezag - of wat daarvoor door meent te gaan. In de wereld van Klaas was geen vrouwelijkheid en in de onze is ze evenmin; ben je dan in die wereld een "normaal" mens, en leef je en voel je zoals een mens behoort te leven en te voelen, dan ga je er vroeg of laat aan, want je hebt je als "normaal" mens maar te schikken naar de gang van zaken. Klaas was een normaal mens, een mens die met normale arbeid zijn brood verdient en die leeft zoals de andere mensen leven. Alleen had hij de pech dat hij deugde zodat al zijn normale gedoe werkelijk normaal, dus voor hem werkelijk vanzelfsprekend, was en dan ben je tenslotte tegenover.de normale mens die niet deugt weerloos. De normale mens die niet deugt is hij die zich op iets laat voorstaan en zich van daaruit macht aanmeet. Wat voor hem dus vanzelfsprekend had moeten zijn, bijvoorbeeld dat hij beter dan de anderen boten of bruggen kan bouwen of dat hij een beter overzicht over de mensen heeft zodat hij een staat kan besturen, dat is voor hem iets bijzonders dat eerbied afdwingt en dat dus ook met eerbied behandeld dient te worden. Dit is het kenmerkende van de gehele westerse bovenlaag in de samenleving, dat zij op grond van een méér dan gemiddeld maar desondanks toch normaal vermogen macht afdwingen van de andere normale mensen die niet dat grotere vermogen bezitten. En in deze macht ligt de bron van alle schofterigheden, door de gehele westerse bovenlaag in alle tijden bedreven. Tegen deze macht leggen de gemiddelde mensen het altijd af en dat zal pas over zijn als de mensen het "normale" ook inderdaad als "normaal" zijn gaan zien. Dan is het normaal dat sommige mensen de leiding hebben over het werk of over de staat en dan zijn alle posities, die de mensen bekleden, vanzelfsprekend en in genen dele een bron van macht en dus tirannie. Voorlopig echter is alles nog zoals in de tijd van Klaas, al gaan wij thans verfijnder te werk. Klaas was een "normaal" mens, hij word niet gedreven door iets groots en hij had niets verhevens in de zin - hij deed zijn werk hij zette op zijn wijze de planeet om tot een menselijke werkelijkheid, en dat deed hij op zijn eigen eenvoudige manier. Maar hij deugde en hij liet zich dus op niets voorstaan. Dan echter komt het conflict, want een ander heeft zich dan ook maar eenvoudig te gedragen en hem niet voor te schrijven wat hij doen en laten moet. Hij wenst vrij te zijn zoals hij ook een ander vrij laat en hij duldt het niet dat er over zijn rug schoftenstreken doorgezet worden. Hij wil normaal kunnen leven en dat wil hij omdat hij deugt. Maar natuurlijk wordt hij niet vrij gelaten want de anderen tillen zwaar aan hun eigen gewicht. Dan kan hij niets anders doen dan zich bij zijn overtuiging houden en dat wordt onherroepelijk de brandstapel. Zijn verweer is zwak en hij legt het af tegen de schofterigheid.....

 

Pagina 8

Als hij ondervraagd wordt inzake zijn godsdienstige overtuiging, dan kan hij niet anders dan er rond voor uitkomen, dat de paus niet de stedehouder van Christus is en dat het aanbidden van de heiligenbeelden louter afgoderij is. Hij wenst alleen maar "de Geest Gods" te volgen en hij vloekt:

"Storm en droogte! dat de bomen van den grond onzer vaderen liever verschroeien dan te gedogen, dat men in hunne schaduw het vrije geweten ten dood verwijst !"

 

Maar het helpt natuurlijk niets en het heeft al die duizenden niet geholpen die als ketters verbrand, gewurgd, gehangen, gevierendeeld en verdronken zijn. Duizenden gingen net als Klaas de dood in en het waren allemaal gewone, hardwerkende mensen. Hun bezittingen gingen voor een deel naar de aanbrengers en voor een ander deel naar de Keizer of naar de Paus. Hele landstreken zijn op deze wijze geplunderd en leeggeroofd, allemaal ter meerdere ere van god en de heilige roomse kerk. Die kerk tiranniseerde de gehele westerse wereld; alles en iedereen was aan de kerk onderworpen. En de Inquisitie zorgde ervoor dat de voor de kerk schadelijke elementen opgespoord werden. De schofterigheid van deze inquisitie is onvoorstelbaar en is hoogstens te vergelijken met de ergste vormen van terreur zoals de Duitsers die toepasten tijdens de tweede wereldoorlog. De mensen werden in de gevangenis geworpen op de meest vage en eerloze aanklachten en de verdachten moesten maar zien te bewijzen dat de betreffende aanklachten vals waren. Een onmogelijke opgave natuurlijk, want onschuld is nooit te bewijzen, en zeker niet als het gaat om gewetenszaken. Bovendien hadden de "rechters” alle middelen om iemand te dwingen de aanklacht te bekennen; zij beschikten immers over de pijnbank waarmee zij de gruwelijkste folteringen konden uitvoeren! De meeste mensen bekenden dus, om tenminste van de folteringen verlost te zijn en dat konden ze rustig doen, want afgemaakt werden zij toch.... als zij niet bekenden golden zij voor "verstokte ketters" en als zij wel bekenden en eventueel berouw toonden, dan werden zij voor die ketterij met de dood gestraft. Die dood was altijd het vuur, want de voorschriften waren dat de ketters "uitgekookt" moesten worden!

 

De inquisitie had van de Paus alle volmachten gekregen en daar heeft zij dan ook grondig gebruik van gemaakt. Had ze weer iemand te pakken, dan werd hij aan de "wereldlijke rechter" uitgeleverd na "schuldig" bevonden te zijn, en dan had die rechter niets anders te doen dan het vonnis uit te voeren. Inzage van de processtukken was niet nodig want de rechter had maar niet te twijfelen aan de rechtvaardigheid van het vonnis. En twijfelde hij toch, dan gaf hij daarmee overduidelijk te kennen geen vertrouwen te hebben in de Roomse kerk en haar dienaren en dan kon hij ook als ketter de brandstapel op. Het spreekt vanzelf dat de geestelijken, die deel uitmaakten van de heilige inquisitie, zich niet met bloed bevlekten; mensen die de godsdienst der liefde vertegenwoordigen kunnen kwalijk met bloed bespat rondlopen! Dat zou niet erg overtuigend zijn..... maar je kunt natuurlijk wel anderen dwingen het voor je te doen en dan kan je er nog heel schijnheilig bij zeggen, dat zo een beetje zachtzinnig tewerk moeten gaan, die ruwe beulen van de wereldse rechtbank! Het klinkt als een cynisch grapje, maar toch is het zo gegaan. En meestal behoorden die inquisiteurs ook nog tot de zachtzinnigste orden van de Roomse kerk: de Franciscanen en de Dominicanen. Dat zijn die lui die van broodkorsten leven en op blote voeten lopen, allemaal ter wille van de eenvoud, die samengaat met het ware en het zuivere zoals dat door Christus gepredikt is. Die eenvoudige geestelijken waren de meest bloeddorstige en sadistische moordenaars die er rondliepen. Die inquisiteur die bij het proces van Klaas aanwezig was en die in zijn geloofsijver het vrolijke voorstel deed Klaas ook nog even te folteren, dat stuk ellende heeft nog in het echt bestaan ook! Dat was Peter Titelman en hij was deken van Ronsse. Iedereen was als de dood voor hem want als hij eenmaal zijn gezegend oog op je had laten vallen dan kon je je het beste ineens verhangen..... dat bespaarde je een heleboel ellende. Hij was de officiële inquisiteur van Vlaanderen en hij stond rechtstreeks onder het gezag van de Paus. Toen het stadsbestuur van Gent hem de stukken vroeg inzake een ketterproces in Sotteghem overhandigde hij die niet, want het was allemaal dik voor elkaar: hij handelde volgens "kerkrecht" en dat was het hoogste recht dat denkbaar was ! In het gehele westen hadden mensen als deze Titelman het recht in handen en vooral ook Vlaanderen werd overstroomd door deze hyena's.

 

Pagina 9

De Coster vertelt er van nog een, Spelle geheten:

 

"Doch rosse Spelle, de provoost, met zijne rode roede gewapend, reed op zijn mager peerd van de ene naar de andere stad, en overal deed hij schavotten oprichten, brandstapels aansteken, putten delven om arme vrouwen en meidekens levend te begraven."

 

Deze Spelle sleepte aardig wat in de wacht van al de mensen die hij vermoordde, maar de koning had er het meeste voordeel bij. De koning erfde - die zinsnede komen wij telkens tegen in de Uilenspiegel. De koning had geld nodig en plunderde Vlaanderen. Karel V heeft ook als een beest huisgehouden in de Nederlanden, zo zelfs dat hij het zuidelijke deel ervan, dus Vlaanderen, volledig ten gronde richtte. Gent, zijn geboortestad, heeft hij voor een groot deel verwoest omdat ze haar vrijheid wilde behouden en de bevolking teisterde hij met zijn "plakkaten". Spelle was, als zovelen, in de weer om de koning te verrijken en natuurlijk ook zichzelf; dat was een geraffineerd spelletje, want, het ging allemaal onder het mom van de godsdienst. Maar aan Tijl Uilenspiegel had Spelle een kwade; Tijl wist hem ferm te grazen te nemen en toen kostte het eindelijk ook Spelle z'n kop.....

Tijl sneuvelt niet aan de schofterigheid, maar Tijl was ook een ander mens dan zijn vader Klaas, hij was geen "normaal" mens, hij was een uitzondering. Alles wat voor de normale mens Klaas een wens, een noodzaak, een ideaal, een verlangen en een troost was, vertoonde zich in zijn zoon Tijl als een realiteit. Al het behoorlijke, dat voor de normale mens de zon is waarin hij zich koestert, zoals vrijheid, rechtschapenheid, eerlijkheid, recht..... dat alles is Tijl ten voeten uit. En een dergelijke gesteldheid overwint natuurlijk altijd de schofterigheid, zoals de mensheid, die als groot geheel uiteraard "normaal" is ook niet aan haar eigen schofterigheid ten gronde gaat. De mensheid wenst zich in de heldere zon te koesteren en tenslotte koestert zij zich in die zon ; Tijl is de verpersoonlijking van de zon, die overwint. Maar de mensen zelf, de mensen als Klaas..... die sneuvelen om te beginnen.

 

Waarom is dit nu zo? Waarom is er eigenlijk geen redding en geen uitkomst mogelijk voor mensen als Klaas, zodat ze telkens weer het onderspit moeten delven? Het antwoord op deze vraag is betrekkelijk eenvoudig: deze mensen zijn bevangen in hun eigen wereldbeeld. Daarom heb ik Klaas ook een "normaal" mens genoemd. Dit "normaal" heeft in onze oren geen gunstige klank, want wij zijn er ons allemaal stuk voor stuk van bewust dat wijzelf niet tot het normale behoren. Wij voelen onszelf aan als eenlingen, als unieke gevallen, die enig in de wereld zijn. En enerzijds is dit ook zo, want er zijn onder de mensen nooit twee mensen die aan elkaar gelijk zijn, zodat iedereen werkelijk een volkomen apart geval is. Dat aparte geval ben ik, en verder is er niemand zo. Anderzijds echter is het zo dat alle mensen variaties zijn van een en hetzelfde grondpatroon en van die variaties bewegen de meeste zich in de buurt van het gemiddelde. Dit gemiddelde is het "normale". Dat wat voor de mensheid normaal is, is natuurlijk gekleurd door het ontwikkelingsmoment van een bepaalde mensheid. Met andere woorden: het normale van een mensheid uit bijvoorbeeld 300 voor Christus ziet er anders uit dan het normale van een mensheid uit de 16e eeuw, de tijd van Uilenspiegel dus.

De ertussen liggende ontwikkeling heeft zijn invloed laten gelden. Maar aan de andere kant is toch het grondpatroon hetzelfde: wij zien de man aan het werk en wij zien de vrouw in huis, aan de man komt het levensonderhoud mee in de vorm van het geld dat hij verdient en aan de vrouw komt de huiselijkheid en het kind mee, en verder zoeken die twee, vrouw en man, elkaar op en gaan samen het leven door. Dat is en blijft het grondpatroon door alle ontwikkelingsstadia heen; het is de normale mens. Dus, al voelen wij ons apartheden, op grond van onze individualistische cultuur, toch behoren wij tot de "normale mens" en er is hierop niets aan te merken. Het is dus ook de normale mens die het wereldbeeld bepaalt; dat was in de geschiedenis zo, dat is nu zo en dat blijft zo, zo oud als de wereld wordt, omdat de mensen variaties vormen van een zaak. Maar..... dat normale beeld wordt gekleurd, of, zo U wilt, verkleurd, door de op een bepaald moment geldende ontwikkelingstrap en hierin zit de oorzaak van de ellende, want nu gaan allerlei tijdelijke aspecten, die op die ontwikkelingstrap in het centrum van de ontwikkeling staan, hun rol spelen..... en dat is een overheersende rol. Het normale wordt hierdoor in het nauw gedreven en het wordt onder druk gezet.

 

Pagina 10

Want de mensheid van dat moment heeft belang bij datgene dat in ontwikkeling is en van daaruit laten de meest ontwikkelden zich als de belangrijksten gelden. Hierop stoelt het machtsprincipe. Maar de minst ontwikkelden behoren tot precies diezelfde mensheid van precies hetzelfde moment en daarom zijn zij op dat moment dan ook door het machtige te onderdrukken. Zij zijn diezelfde wereld mee. De mensen die bij de schandelijke veroordeling van Klaas aanwezig waren, kwamen niet tot verzet omdat zij het machtige werkelijk als machtig ondergingen. Hun gemor kwam trouwens hoofdzakelijk voort uit het feit, dat zij in die kleine dorpsgemeenschap van Damme Klaas allemaal kenden en allemaal van hem hielden. Die mensen leefden dicht bij elkaar en Klaas was een der hunnen..... het betekende voor hen wat dat hij door de gemene aangifte van een door hen allemaal gehate visverkoper ter dood gebracht werd. Hadden die mensen Klaas niet gekend, dan hadden zij nieuwsgierig en geboeid toegekeken en er verder geen traan om gelaten. Zo was het toch bij al die terechtstellingen: de mensen liepen gnuivend te hoop want er was weer eens iets te beleven, er was weer wat te griezelen en te genieten..... Het volk was voorlopig nog helemaal niet tegen die moordpartijen en dat kan ook niet anders, want was dat wel het geval geweest, dan was het niet door gegaan. Waar het grote gemiddelde tegen is, dat gaat niet door. Gaat het wel door, dan ligt het ook in het wereldbeeld van dat moment en dan vinden de meeste mensen het wel best.

 

De minder ontwikkelden worden onderdrukt door de meer ontwikkelden en dat vinden beide partijen normaal. Zij behoren bij elkaar, die partijen. Daarom gaat het allemaal door zolang het betreffende cultuuraspect nog aan de orde is. Maar de minst ontwikkelden, die dus het minste deel hebben aan het cultuuraspect, zijn degenen die het minst verkleurd zijn door dat cultuuraspect en daarom is het in hen, dat toch het eerste het verzet opkomt tegen de onderdrukking en dat verzet steunt tevens op een nieuwe gedachte, die de bovenliggende, onderdrukkende, gedachte gaat ontkennen. Bij Klaas was die nieuwe gedachte de vrijheid van geweten; die gedachte woelde door dat gehele tijdperk. Het was de tijd van de Reformatie. Altijd komt de nieuwe gedachte op in de meest onderdrukte mensen, de mensen dus, die het minst deel hebben aan datgene dat tot op dat moment het belangrijkste was. Zij zijn aan dat belangrijkste het minst gebonden en staan dus het meest open voor het nieuwe. Zodra dit nieuwe tot verzet uit gaat groeien gaan de slachtoffers vallen en dat vindt plaats onder de minst bedeelde normale mensen.

 

Deze mensen zijn om te beginnen niet opgewassen tegen datgene, dat zij gaan ontkennen; zij zijn niet opgewassen tegen de "gevestigde orde" die haar macht gaat handhaven. Maar al zijn zij er dan niet tegen opgewassen, zij behoren wel tot precies diezelfde wereld. Zij komen in die wereld met iets anders, iets nieuws op tafel, maar dat nieuwe is net zo'n wereldse aangelegenheid als dat oude dat opgeruimd moet worden. En met "werelds" bedoel ik niet dat het een profane zaak is, die negatief afsteekt tegen allerlei verhevenheden, die eigenlijk bestreefd zouden moeten worden, maar ik bedoel ermee te zeggen dat het een maatschappelijke kwestie is. Alles wordt op het maatschappelijke terrein uitgevochten. Dat kan ook niet anders want we hebben te doen met een bepaald aspect van het algemeen menselijke dat in het dagelijkse leven van de mensen doorgezet wordt. Vrijheid is een aspect van het algemeen menselijke en dat aspect wordt gerealiseerd als een gewone eenvoudige praktische vrijheid, die met het begrip "vrijheid" als zodanig weinig gemeen heeft. Want het begrip "vrijheid" geldt altijd en onder alle omstandigheden en het is niet aan te tasten noch te vernietigen; het is dus ook niet te bevechten. Het is een gesteldheid die er zomaar is, en die zich eventueel zomaar in een bepaald mens vertoont..... bijvoorbeeld in een mens als Tijl Uilenspiegel. Maar de vrijheid die voor "de mensen" geldt is een verworven aangelegenheid. Daar is bloed voor gevloeid en daarvoor hebben mensen zich ingespannen. En in dit verband kunnen we eigenlijk niet eens zeggen, dat die vrijheid er toch wel gekomen zou zijn, ook al hadden de mensen er niet voor gevochten, want juist het vechten is de Weg die de idee volgt om zich waar te maken. De idee komt op in de mensen en dan gaan ze er achteraan en dat leidt altijd tot strijd omdat er altijd iets ouds is, iets van een vorige periode, dat er zich tegen verzet. Dus al vechtende maakt de mens zich waar. Hij kan het dus helemaal niet laten om ervoor te vechten, want dat is zijn weg en een andere is er niet.

 

Pagina 11

Maar de resultaten zijn niet aan het vechten te danken, want die resultaten zijn een logisch en onafwendbaar gevolg van het zich doorzetten van de idee, die zich vechtend waarmaakt. Het ene iets is de ontkenning van het andere iets, want het ene iets is het andere iets niet, en zo botst de volgende idee met geweld op de vorige idee..... en daar spat het bloed al in het rond! Gaat U de geschiedenis maar na: geen enkele nieuwe cultuurfase is zonder strijd voor de dag gekomen, ook al voelden de mensen in wie dat nieuwe opkwam eigenlijk niets voor vechten. De "oude garde" heeft immers al ras in de gaten dat er iets gevaarlijks aan het broeien is en schroomt dan niet om fikse maatregelen te nemen. En die maatregelen worden tenslotte zo fiks, dat de anderen wel van zich af moeten gaan slaan……

Karel V en zijn zoon Philips II plunderden de Nederlanden, maar dat was niet alleen maar om er rijk van te worden..... dat werden ze toch wel, die vorsten. Maar zij wilden de sfeer breken die in de Nederlanden leefde, en die sfeer was de kiem van de vrijheid, die op uitbotten stond. En die vrijheidsidee kwam onstuitbaar op in alle gewone mensen..... er was dus alle reden om daar eens met de knoet te gaan zwaaien! In Duitsland liep het zo'n vaart niet, want daar zouden ze elkaar wel afmaken; als de Duitser het over vrijheid heeft dan bedoelt hij alleen maar dat hijzelf vrij wil zijn zonder dat de anderen daarvoor ook in aanmerking komen. En dus waren er altijd maar een paar vrij en de rest zat onder de knoet. Daarom zijn er daar zo lang van die vorstendommen geweest, met kleine tirannetjes aan het hoofd. Voor die vorstjes waren Karel V en zijn zoon niet zo erg bang. Maar met die Nederlanders was het veel kwalijker gesteld, want daar kwam onder de mensen zelf vrijheid op en een dergelijke vrijheid geldt zowel voor mij als voor de ander. Dan is het wel gevaarlijk, want dan wordt op den duur de absolute macht ontkend en dan komt de macht van het "totaal" ervoor in de plaats. En nu was het deze vrijheid, de vrijheid van en voor het "totaal", waartegen Karel V en Philips II tekeer gingen en dat liep uit in de vrijheidsoorlog van de Nederlanders tegen Spanje.

 

Een vorst kan niet wijs zijn, omdat hij onder de normale mensen de machtigste is. Een vorst, welke het ook is, kan alleen maar niet-deugen, want hij staat helemaal in het teken van de "verkleuring"; hij verpersoonlijkt dat bepaalde aspect, dat op dat moment belangrijk is en  daarmee is hij door en door begrensdheid en hij ligt ver af van het algemeen menselijke, zoals dat in de gewone eenvoudige mens wel een realiteit is. Welbeschouwd is een vorst het toppunt van onmenselijkheid op een bepaald moment in de samenleving. We behoeven de geschiedkundige feiten maar te bestuderen om tot de conclusie te komen dat deze gedachte ten allen tijde opgaat. Zelfs de meest geprezen vorst blijkt een kortzichtig, beperkt en onverdraagzaam beest te zijn; zou U, lezer, voor Uw geweten de verantwoording durven nemen om te beslissen over dood en leven, handel en wandel, van zelfs maar een mens..... laat staan van duizenden mensen?- Nee, dat zou U niet durven, maar hij durft het wel, zo'n vorst. Het excuus dat de staat toch geleid moet worden, is geen excuus, want na enig nadenken is duidelijk, dat de staat zichzelf leidt; elke gemeenschap is een autonoom organisme dat feilloos zichzelf in stand houdt zolang het gaat en zodra het niet meer gaat..... wel dan gaat het niet meer en dan vormt zich vanzelf een nieuwe gemeenschap. Een eenvoudige gedachte, nietwaar? Maar de meeste mensen snappen hem toch niet - de meeste mensen hebben zelf nog wel ergens iets van een absoluut heersertje, zo'n klein geniepig tirannetje.....

 

Een vorst is een onmogelijkheid en voorzover de een of andere idioot toch meent een vorst te moeten zijn is hij de wijste idioot, die geen slag uitvoert en zich nergens mee bemoeit. Die er vooral niet op gaat lopen slaan, want dan wordt het verzet nog erger en die ook geen "bloedplakkaten" uitvaardigt, zoals Karel V en Philips deden, want dan pakt het precies averechts uit. Maar ja, hoe kun je van zo'n dwaas verwachten dat hij dat in de gaten heeft. Iemand die zich wat voelt aan het purper en hermelijn, dat hij draagt, kan geen wijs mens zijn..... dat is een dwaas.

Klaas was een eenvoudig man, hij had geen deel aan de macht, hij was niets in de wereld en hij liet zich op niets voorstaan. Hij was niet verkleurd door alles wat van belang was in zijn wereld. Dat zei hem allemaal niets omdat hij als "normaal" mens deugde. Maar natuurlijk moesten ze zich weer met hem bemoeien: een zekere Grijpstuiver aasde op de erfenis van Klaas z'n broer.....

Grijpstuiver, die in de wereld wat wil zijn over de rug van een ander; de eerloze adder die de machtigen de hielen likt en de eenvoudigen om zeep helpt.

 

Pagina 12

Moederschap-1(nr.6) ; Moederschap-2(nr.12) ; Moederschap-3(nrs. 52 en53) ;

Hij geeft Klaas aan als ketter en later geeft hij Soetkin en Tijl aan omdat ze die erfenis verstopt hebben, maar gelukkig geven die twee niet toe.Tijdens de foltering is het de haat die aan Tijl en aan Soetkin kracht geeft, de haat tegen die Grijpstuiver, maar ook tegen de hele wereld, die een lafhartige dievenbende is. Zoveel mogelijk voordeel behalen en er zo weinig mogelijk voor doen, behalve dan het bedrijven van laagheden, vaak nog in naam der gerechtigheid ook. Of speculeren op de onnozelheid van de mensen met het sierlijke argument dat de mensen nu eenmaal bedonderd willen worden.Grijpstuiver speculeerde op het bijgeloof van de mensen toen hij later als "weerwolf" de streek onveilig maakte door de mensen met een wafelijzer de nek te breken nadat hij ze de stuipen op het lijf had gejaagd. Allemaal dat stiekeme en verborgen gedoe, dat geen daglicht verdraagt en dat zich altijd anders voordoet dan het is. Klaas aangeven onder het mom van gerechtigheid omdat de keizer in zijn plakkaten een ieder bevolen had ketters aan te geven, en later dat zich voordoen als een weerwolf om arme stakkerds te beroven en af te maken. Overigens is dit, zij het in versterkte mate, ook het gedrag van de oplichter, want die is er ook op uit zich te verrijken zonder iets te doen, zonder er arbeid tegenover te stellen, en dat gaat ook gepaard met alle mogelijke mooie verhalen. En ook is de oplichter ervan overtuigd dat de mensen om zijn streken vragen.

Zo zijn er in de wereld allerlei soorten en graden van Grijpstuivers en allemaal zijn zij lafaards en minderwaardige sujetten, die eigenlijk bij niemand populair zijn, maar die zich toch, vooral bij de autoriteiten, weten te handhaven. Een autoriteit vraagt niet naar lafheid en hij vraagt niet naar eerloosheid; hij wil alleen de zogenaamde feiten hebben waaruit blijkt dat zijn gezag aangetast wordt en of die feiten nou uit de mond van een lafaard komen of niet, dat kan hem niets schelen. De feiten spreken de enige taal. Klaas was een ketter en dat was voldoende..... dat hij een nijver en eerlijk werkman was en dat hij ordelijk leefde, dat was allemaal niet van belang, en dat de aangifte van Grijpstuiver door hebzucht ingegeven was, dat was ook niet van belang - het recht moest zijn loop hebben en dus.....

Hier zien we de kilheid en de liefdeloosheid van de maatschappij; we hebben hier heus niet alleen maar met een corrupte rechtspraak te doen, want ook onder gunstiger omstandigheden was de rechtspraak van die dagen niet veel beter dan zoals ze bij Klaas toegepast werd. Neen, de maatschappij op zichzelf genomen is en blijft een kille en liefdeloze aangelegenheid en wel omdat het niets anders is dan een berekening. De berekening hoeveel de tomaten moeten kosten en waar je al of niet mag stoppen met je auto en wie je wel en wie je niet beledigen mag..... De maatschappij op zichzelf is hard, keihard en zonder enige beweeglijkheid en souplesse en het berust allemaal op voorschriften en die voorschriften zijn consequenties van berekeningen en berekeningen zijn starheden. Deze starheden zijn voor een machine wel noodzakelijk, en voor de prijs van de tomaten ook en voor de waarde van het pond ook, maar ze zijn toch niet meer dan eten en drinken. Ze zijn de onontbeerlijke basis van het leven, maar meer dan dat zijn ze niet en omdat het leven zelf verre boven deze berekeningen uitgaat, daarom mogen ze nooit een argument zijn voor leven of dood van een mens. Wat een mens ook tegen de regels van de maatschappij in doet, het is nooit een misdaad, ook al wordt het door de maatschappij als zodanig aangemerkt. Er is bijvoorbeeld een tijd geweest dat een vrouw, die buiten het huwelijk om een kind. kreeg, als een misdadigster gold. Zo'n vrouw komt in de Tijl Uilenspiegel voor, en het is Katelijne, de moeder van Nele. Over deze Katelijne kom ik nog te spreken, maar nu gaat het om het volgende: de maatschappij stelt deze vrouw als misdadig en haar kind is onwettig - dat is nu nog zo - maar moeder en kind is een zaak die buiten de berekening valt. Het valt buiten eten en drinken, het is geen maatschappelijke aangelegenheid. Het onwettige moederschap van Katelijne is geen misdaad. De maatschappij heeft niet te beslissen over dood of leven en dus ook niet over levenszaken zoals het huwelijk, het geloof, het geweten, de ontwikkeling van iemands aanleg, enzovoort. Misdaad kan alleen daar gelden, waar het leven van kracht is en dat is nooit op het terrein van het maatschappelijke, op zichzelf genomen. Zo langzamerhand komt dit in de moderne rechtspraak al wel tot uitdrukking, bijvoorbeeld dat iemand in het verkeer alleen maar "overtredingen" kan begaan en geen misdrijf.

Moederschap-1(nr.6) ; Moederschap-2(nr.12) ; Moederschap-3(nrs. 52 en53) ;

 

Pagina 13

Voorzover de maatschappij als zodanig zich bemoeit met de levensaangelegenheden van de mensen, is er alleen maar onheil te vrezen; lang voordat er zelfs maar sprake van kon zijn dat Klaas een ketter was en toen hij er eigenlijk zelf nog niet eens over nagedacht had, zag hij de toekomst al met vrees tegemoet omdat de keizer de "plakkaten" verscherpt had:

 

"Opnieuw zal de dood over Vlaanderenland heersen. De aanbrengers krijgen de helft van de have der slachtoffers......"

 

De maatschappij, de berekening, maakt uit wat er voor het leven van de mensen heeft te gelden. Als de kaarten zo komen te liggen, dan zijn de mensen weerloos overgeleverd aan de lafaards onder hen en dan is het de hebzucht die het laatste woord spreekt. Afgunst en haat kunnen dan vrijelijk hun gang gaan en er is geen houden aan want de vergrijpen waarvan de mensen beschuldigd worden kunnen altijd aangetoond worden, omdat het tegendeel niet te bewijzen is. Wat voor iemands leven werkelijk geldt is niet in een bewijs of een berekening te vatten en dus kunnen mensen als Klaas nooit aantonen dat zij geen misdadigers zijn. De aanklacht blijft derhalve van kracht en kan niet ontzenuwd worden..... dan behoeven verder alleen maar de voorschriften opgevolgd te worden. Er worden allerlei bezwarende feiten tegen Klaas op tafel gelegd en enkele van die feiten worden zelfs nog bewezen ook, zoals het feit dat Klaas de heiligenbeelden die hij in huis had gebroken heeft en de stukken in de put geworpen..... maar dit alles bewijst wel dat hij de voorschriften niet nagekomen was, maar niet dat hij een misdadiger was.

 

Maar het niet nakomen van de voorschriften werd als misdaad gesteld, dus het maatschappelijke werd als een levenszaak gesteld, en dan hebben we te maken met dwingelandij en dan is niemand meer zeker van zijn leven. De Roomse kerk heeft altijd een eerste plaats ingenomen op het stuk van dwingelandij; zij had indertijd geheel centraal en west europa onder de knoet en, zoals ik al gezegd heb, onvoorstelbaar groot is het aantal misdaden dat zij op haar geweten heeft. Deze misdaden verjaren niet; wij kunnen daar geen zand over gooien en zeggen dat er indertijd zoveel misdadigheid was en dat de kerk daarin meegesleurd werd, en wij mogen ook niet als excuus aanvoeren dat de geloofsijver de geestelijken verblindde. Want wij blijven met het feit zitten, dat de mensen in het algemeen niet misdadig waren en vandaag de dag ook niet misdadig zijn en nooit misdadig zullen zijn. De mensheid als groot geheel is niet misdadig, ondanks de vele misdaden die gepleegd worden. In en boven die niet misdadige mensheid stond de kerk en zij was een en al dwingelandij en voor haar gewetenspolitie was niemand veilig.

 

De misdadigheid van de kerk is niet incidenteel geweest, zoals de misdadigheid dat bij de mensen wel is, maar de misdadigheid van de kerk ligt in haar gesteldheid besloten en behoort tot haar wézen. Die misdadigheid geldt dus nu nog en is dus gelegen in die eeuwige dwingelandij, dat geven van voorschriften voor het leven en dat genadeloos afslachten van diegenen, die die voorschriften niet wensen op te volgen. Daarom is er geen excuus omdat het geen tijdelijke, voorbijgaande zaak is, maar een blijvende. Tegenwoordig zet het niet meer zoveel zoden aan de dijk, maar nog steeds is Rome bezig de dienst uit te maken op het terrein van het leven van de mensen. Dat blijkt wel uit het gezeur met de befaamde "pil". Daarbij kwam toch weer duidelijk naar voren, dat het Rome niet te doen was om het bepalen van een standpunt ten aanzien van de pil, maar dat de vraag eigenlijk draaide om een voorschrift. Welk voorschrift moest er gegeven worden zodat de mensen zouden weten waaraan ze zich te houden hadden. Daarbij speelden natuurlijk allerlei morele kwesties een rol, maar het eindresultaat is toch een voorschrift en juist in dit eindresultaat zit de misdadigheid, want hier zit de dwingelandij.

 

Hoe deze dwingelandij moreel gedekt wordt, is voor ons niet van belang; in de middeleeuwen werden de ketterverbrandingen ook moreel gedekt..... maar het resultaat is toch de massamoord op tienduizenden mensen geweest en in vele gevallen zelfs een totale ontwrichting van de samenleving. Dus Rome is helemaal niet van karakter veranderd en Rome is nooit teruggekomen op haar misdaden en nog steeds worden de massamoordenaars als heiligen vereerd en nog steeds zijn de kerkelijke besluiten inzake de ketterij en de hekserij niet herroepen, al worden ze dan niet meer in de praktijk toegepast.....

 

Pagina 14

Wat deze kerkelijke besluiten aangaat, zij spreken een gruwelijke taal. Dat is uitvoerig te lezen in een boek dat in het begin van onze eeuw geschreven is door een man, die aanvankelijk tot de Roomse kerk behoorde en er een hoge plaats bekleedde in de Jezuďetenorde. Hij schreef een boek, "Het Pausdom" geheten, dat louter gefundeerd was op feiten en deze feiten zijn zo afschuwelijk en de inhoud van de kerkelijke voorschriften is zo wreed en onmenselijk, dat wij er bij het lezen beroerd van worden. Toch ging het allemaal in naam van het Christelijke geloof en van de liefde en dat is het nu juist wat Graaf Von Hoensbroech zo kwalijk vindt. Hij zegt dat er vroeger veel misdadigheid was en veel ruwheid, zeker ten opzichte van andersdenkenden, maar dat toch nergens bij al die misdadigheid aanspraak werd gemaakt op goddelijkheid, zoals de Roomse kerk en de Paus dat deden. En hij toont in zijn boek overduidelijk aan dat er hier geen sprake was van een tijdelijke verblinding, maar van een weloverwogen systeem. Von Hoensbroech geeft alleen maar de feiten en hij legt het verband daartussen.… degene die over deze onverkwikkelijke zaak nadenkt ziet in dat het kardinale punt in de dwingelandij gelegen is. Want immers: als een aantal mensen willen geloven wat Rome voorschotelt en als zij zelfs een zeker gezag van Rome willen aanvaarden, dan moeten zij dat zelf weten en als zij andersdenkenden "ketters” willen noemen en als zij willen geloven aan het bestaan van heksen en van duivels en van goede en kwade geesten, dan moeten zij dat allemaal zelf weten en ook als de een of andere verdwaasde idioot zegt dat hij god vertegenwoordigt en dat hij daarom met eerbied behandeld moet worden en er zijn dan ook nog een stelletje mensen die dat nog doen ook...... wel, dat moeten die mensen allemaal zelf weten want het is hun eigen dwaasheid! Maar dan moeten zij dit niet anderen op gaan dringen en nog kwalijker is het, ja zelfs regelrecht misdadig, als zij een stelsel van lichamelijke en geestelijke terreur gaan doorvoeren doormiddel van maatschappelijke voorschriften. Dit karakter van terreur heeft de Roomse kerk nooit verlaten. Het blijft zo, zolang de Roomse kerk bestaan zal, want het is juist de goddelijkheid van die kerk, die hiervan de oorzaak is. De mensen, die die kerk vormen, met de paus aan het hoofd zijn goddelijk; hierin ligt onmiddellijk tirannie besloten want aan het goddelijke is elke tegenspraak ontzegd. Naast het goddelijke is er geen plaats voor iets anders, want het is het laatste woord, het is feilloos en eeuwig. Alles blijft beneden het goddelijke en is eraan onderworpen. Welnu, als mensen gedragen worden door een dergelijk principe, dan kunnen zij nooit iets anders zijn dan moordenaars, omdat zij het andere en dus de ander ten enen male ontkennen. Dit is nooit van een goddelijk mens af te denken en het is meermalen in de geschiedenis voor de dag gekomen. Het meest recente voorbeeld is de Duitser geweest, die zichzelf een Übermensch achtte en van daaruit wel eens even orde op zaken zou stellen. We hebben het allemaal geweten.....!

Maar dat is niet doorgegaan, dat was te bot en te stom, doch op andere wijze gaat het toch zijn gang en dat merken wij doorgaans niet. Dat de gehele westerse cultuur in haar huidige stadium doordrongen is van de Übermensch en dat dit telkenmale de kop opsteekt in de meest gevarieerde vormen..... wij bemerken het niet omdat het in onszelf ook op de loer ligt. Maar het is misdadig en de Roomse kerk, die door en door stoelt op het goddelijkheidsprincipe, is daar de meest geduchte vertegenwoordiger van. De andere kerken, hoe dwaas die overigens ook zijn mogen, hebben zich nooit op goddelijkheid voor laten staan, zodat ede leden van die kerk geen mogelijkheid tot zelfverheffing was. Maar die kerken zijn ontstaan uit de Roomse als tegenstelling; zij zijn er een reactie op. In die kerken staat de mens persoonlijk tegenover God en dan moet hij maar zien hoe hij het met God klaart. Hier is dus geen mogelijkheid tot terreur want een ieder moet het zelf doen en daarover kan een ander niet oordelen. De ander is dus erkend. Hier ligt het grondprincipe van de vrijheid, vandaar dat indertijd de hervorming samenging met allerlei vrijheidsbewegingen. In het verhaal van Tijl Uilenspiegel loopt het ook door elkaar heen, het navolgen van de hervorming en het zich, vrijvechten van de Spaanse overheersing. Men zal zich misschien afvragen wat het voor zin heeft om in onze tijd er nog toe over te gaan de Roomse kerk aan te tasten. Want de zaak is toch al aan het instorten; de dagen van Rome zijn geteld en de invloed die ervan uitgaat is lang niet meer zo groot als vroeger het geval was.

 

Pagina 15

Als wij er zo over denken, dan zien wij het belangrijke facet van de misdadigheid over het hoofd. Ook al kan zij niet meer zo uit de voeten, toch is het misdadigheid en daaraan doen de krampachtige vermaningen tot vrede en menselijkheid van de zijde van Paus en geestelijkheid niets af. Over die zaken hebben zij het altijd gehad, zelfs op het moment dat zij ketters aan de beul overleverden om op gruwelijke wijze verbrand te worden; dat was ook ter wille van de menselijkheid - de Roomse menselijkheid namelijk! Hoe de zaak tegenwoordig ook naar voren komt, toch zijn en blijven het de schijnheilige woorden van een gewetenloze moordenaar, die nimmer zijn ware roeping zal verloochenen. En dat allemaal vanwege die zelfverheffing tot goddelijkheid. Hierbij doet het niets terzake of de paus en de geestelijkheid zelf geloven wat zij lopen te verkondigen want zij stellen zichzelf als goddelijk en laten het zich aanleunen dat anderen dit bevestigen. Dat is voldoende bewijs voor een misdadige gesteldheid. En deze gesteldheid moet bestreden worden zoals ook Hitler en consorten bestreden werden.

Von Hoensbroech stelt in zijn boek, dat het Pausdom te goeder trouw is geweest, maar welbeschouwd is dat niet juist. Had het Pausdom te goeder trouw fouten gemaakt, dan was er alle reden geweest achteraf die fouten te betreuren en de foutieve leerstellingen te herroepen. Dan zouden al die massamoordenaars, die nu nog steeds heiligen zijn, als moordenaars zijn aangemerkt en dan zou er vanaf een bepaald moment werkelijk een nieuwe koers gevaren zijn, zonder die goddelijkheid en dus zonder die misdadigheid. Maar dat is nooit gebeurd, er is niets herroepen en het wordt dus allemaal als goed gezien. Dan is er ook niet van goede trouw te spreken; bij een normale moordenaar spreken we toch ook niet van goede trouw? Want hij weet op de achtergrond heus wel met iets smerigs bezig te zijn - hij is immers ook een mens ! En zo wist het pausdom op de achtergrond dat het niet deugde en het is toch doorgegaan. Wij moeten dus van kwade trouw spreken zoals wij dat ook bij de Hitler-bende moeten doen. En kwade trouw mag nooit geëxcuseerd worden en we mogen kwade trouw nimmer dulden..... Er worden in de wereld vele fouten gemaakt en door die fouten vloeit er veel bloed over de planeet, maar altijd heeft de mensheid zich verzet tegen misdadige stelsels. Omdat de mensheid zelf, als groot geheel, niet misdadig is. De mensheid heeft zich verzet tegen de slavernij, tegen het nationaal socialisme, tegen het schrijncommunisme van Rusland, tegen laffe veroordelingen door corrupte rechtbanken en tenslotte tegen de zelfheerlijke politiek van de Verenigde Staten. Eventjes ook heeft de mensheid zich verzet tegen Rome, maar Rome was slimmer en gooide het over een andere boeg, doch nu wordt het zo langzamerhand tijd het Romeinse bloedstelsel aan de kaak te stellen en onmogelijk te maken. En inderdaad beginnen hier en daar de aanvallen kracht te krijgen..... maar Rome is héél slim want het weet dan wel weer zo te huichelen dat de mensen het tenslotte als een statussymbool gaan zien om Rooms te worden. Zover hebben ze het nu weer weten te schoppen.....

 

De moeilijkheid bij Rome is, dat het allemaal in de gelovigheid van de mensen geworteld is en de gelovigheid is, zolang ze nog geldt voor de mensheid, een niet uit te roeien gesteldheid. Als de mensheid nog onvolwassen is, dan is ze gelovig; het volwassen worden is niet te forceren en dus het verdwijnen van de gelovigheid ook niet. Aangezien Rome een spel speelt juist met deze gelovigheid, is ze bijzonder moeilijk aan te tasten tenzij men direct tot de kern doorstoot en die kern is de goddelijkheid. Maar daarvan zijn de mensen toch nog een beetje bang, temeer daar de misdadigheid van de zaak veel meer verborgen gehouden wordt dan vroeger het geval was. Ten tijde van Uilenspiegel was iedere geestelijke een levend en wandelend bewijs van hebzucht, geilheid, bemoeizucht en heerszucht, zodat het niet zo moeilijk was de Roomse kerk als een schoftenbende te zien. Maar tegenwoordig gedragen de geestelijken zich als welopgevoede lieden en het zijn ontwikkelde mensen waarop particulier niet zoveel aan te merken valt en nu dringt het tot de meeste mensen niet zo goed door wat deze beschaafde mensen vertegenwoordigen. En Rome is slim genoeg om zijn strijders een zo hoog mogelijke ontwikkeling mee te geven..... de westerling heeft eerbied voor knappe koppen; hij kan zich niet voorstellen dat een doctor in de godgeleerdheid wel eens een handlanger van een misdadigersbende zou kunnen zijn. En zo wordt de schijn gered. De Jezuďetenorde is zelfs voor dit doel opgericht - dat was precies raak !

 

Pagina 16

Want aanvankelijk had de kerk niet zoveel gedaan aan de ontwikkeling van haar dienaren, maar dat begon, zeker nu de Hervorming, te erg in de gaten te lopen. Bovendien werd het tijd de door de Hervorming bekeerde gebieden terug te winnen voor de Paus. Het was de Spaanse edelman Don Inigo Lopez de Recalde, die op 17 september 154O de "Sociëteit van Jezus" oprichtte, waaraan onder meer de gelofte verbonden was:

“... hun leven te wijden aan de bestendige dienst van Christus en van de paus, onder de banier des Kruises krijgsdiensten te verrichten, en slechts de Heer en de Roomse Opperpriester, als zijn stedehouder op aarde, te dienen."

 

Die edelman is bekend geworden onder zijn kerkelijke naam Ignatius Loyola; hij bouwde de organisatie geheel op Spaans militaire wijze op en eiste daarbij natuurlijk absolute gehoorzaamheid van de leden der orde. De orde wordt gekenmerkt door extatische mystiek, een heet godsdienstig fanatisme, terwijl bovendien de vroomheid gepaard ging met wreedheid en doortrapte sluwheid. Zo was het mogelijk op den duur overal grote invloed te krijgen en langs deze weg het doel dat Rome voor ogen stond te verwerkelijken. Doordat de Jezuďeten meestal ook als biechtvaders optraden waren zij in staat allerlei stromingen onder de mensen, die voorlopig nog niet aan de oppervlakte kwamen, al bijtijds te signaleren. Dat was natuurlijk van groot gewicht om de zaak in de hand te houden. Door hun geleerdheid oefenden zij ook grote invloed uit op de ontluikende westerse wetenschappelijke wereld. Zij waren strijders en geleerden; om te beginnen waren zij meer het eerste dan het tweede, maar allengs kwam deze verhouding andersom te liggen. In ieder geval was de tactiek van de Jezuďeten deze, dat zij de wereld met haar eigen wapenen bestreden en in hun macht trachtten te krijgen. En, zoals gezegd, zij hebben heel wat successen geboekt. Het zou ons te ver van het onderwerp afvoeren de doelstellingen en de activiteiten van de Jezuďeten wat nader te bekijken, maar in ieder geval zou ons dat nog eens temeer duidelijk maken dat de Roomse kerk nooit te goeder trouw is geweest en dat ook nooit worden zal, ondanks het feit, dat zij vele ernstig gelovige en voortreffelijke mensen geteld heeft onder haar gelederen. Maar over deze mensen gaat het nu niet, het gaat over het stelsel zelf - en dan geldt het bovengezegde.

 

De wereldlijke vorsten hebben natuurlijk ook zo'n beste rol niet gespeeld;

zij waren bepaald ook niet vrij van dwingelandij, maar het blijkt dat datgene dat zij hun onderdanen opdrongen, van Roomse oorsprong was. Karel V terroriseerde op een verschrikkelijke wijze de aan zijn gezag onderworpen landen, maar altijd was het argument de verdediging van het heilige Roomse geloof. Zij spanden samen met de Paus, die vorsten en zij wedijverden met hem in vervolgingswoede. Later waren er ook wel Protestantse vorsten die zich te buiten gingen aan dwingelandij, maar over het algemeen is het beeld wat dit betreft veel gunstiger, omdat aan de Hervorming nu eenmaal geestelijke vrijheid meekwam. Het is te begrijpen dat daarvan natuurlijk niet zo heel erg veel terecht kwam, maar het principe was er toch. Overigens waren die protestantse vorsten geen haar beter dan de Roomse. Een vorst deugt nu eenmaal niet en dat niet-deugen kan hoogstens een beetje mild voor de dag komen. Het is niet voor niets, dat de mensen een vorst prijzen als hij mild en "genadig" is..... onbewust gaan de mensen er al van uit dat een vorst een kreng is en dat je voor hem uit moet kijken. Hij kan alleen maar mee vallen, maar vanzelfsprekend deugen doet hij in niemand's besef.

 

Precies hetzelfde is het gesteld met het besef van de mensen omtrent de andere autoriteiten die er in de wereld zijn. Niemand gaat er van uit dat het fijne jongens zijn, die zich als een normaal mens gedragen; iedereen is blij als er een wel aardig blijkt te zijn. Dat valt dan alweer mee !

Dus de verwachting was ook hier negatief. Wij hebben het reeds ter sprake gebracht: de oorzaak is gelegen in het feit, dat alles was "autoriteit" genoemd wordt een mens is die goed raad weet met en in zijn wereldje. Een mens dus die in het teken van de verkleuring staat en daaraan zijn waarde ontleent. En die dus niet in de eerste plaats "waardig" is aan zijn menszijn. Eventueel bezit hij bij gelegenheid die waardigheid ook, maar dan is het toch een meekomende zaak. Als je zo iemand treft, dan heb je geboft, want dan kost het niet ineens al je kop!

 

Pagina 17

Wellicht klinkt dit overdreven in de oren van een modern mens - en inderdaad, je kop zit tegenwoordig heel wat vaster op je romp dan vroeger - maar toch is het niet overdreven, want ook al wordt aan je leven maar een strobreed in de weg gelegd, dan heeft het eigenlijk al je kop gekost. Dan moet je toch al gaan liggen en draaien om er nog iets van terecht te brengen! Je vrijheid is dan al aangetast. De gewone mensen verwachten intuďtief al niet veel goeds van een autoriteit en daarin hebben de mensen gelijk. Op menselijkheid valt nooit in de eerste plaats te rekenen bij die lieden; eerst komt de berekening, en dat zijn de voorschriften. "De wet moet zijn loop hebben", zeggen zij dan en daarmee is een mens doorgeschrapt. Komt U nu niet met het argument dat het zonder wetten ook niet gaat, want dat is geen argument. Natuurlijk gaat het niet zonder wetten, want de basis van het menselijke leven moet geregeld worden, wil er voor de mens te leven zijn. Maar het is een heel verschil of de mens die basis als maatgevend ziet Of dat hij in de gaten heeft dat het maar over de basis gaat en dat het uiteindelijk in het leven draait om datgene dat wezenlijk voor de mens geldt. In het laatste geval wordt die basis, met alles wat daarvoor geldt, streng gehandhaafd vanuit de helderheid, die uiteindelijk voor de mens geldt. En dan zijn er wel voorschriften, maar de plaats die zij innemen in het menselijk leven is heel anders. De toepassing dus ook. Zolang echter de voorschriften bepalen wat iemand is, hebben wij te maken met een samenleving, die in het teken van de verkleuring staat, en die dus niet deugt. Een samenleving, die levensgevaarlijk is - in de letterlijke betekenis van het woord.

 

Daarom is het lot van Klaas en dat van Soetkin en dat van Katelijne van grote betekenis. Zij hebben niet geleden door toevallige onrechtvaardigheden, maar hun onontkoombaar lijden kwam noodzakelijk voort uit de gesteldheid van de samenleving. En deze gesteldheid blijft het karakter van de samenleving uitmaken, zolang de mensheid nog onvolwassen is. Dat kan niet anders, en het moet nu wel duidelijk zijn waarom. Als jij dit weten zien wij in hoe bespottelijk het is het gedrag van Tijl Uilenspiegel te verklaren uit zijn wraakgevoelens vanwege het lot van zijn ouders. Alsof Tijl een psychisch gestoorde was, die in zijn jeugd een opdonder heeft gehad en zich daardoor is gaan gedragen zoals hij zich is gaan gedragen. Dat zijn de praatjes van de psycholoog, die niets van de idee in de gaten heeft en die de mens ziet als een machine waarvoor de wet "actie = reactie" geldt. Inderdaad nam Tijl wraak, en die wraak loog er niet om, maar die wraak bepaalde zijn gedrag niet. De wraak kwam aan zijn gedrag mee; die behoort onafwendbaar bij het beeld dat hij is, zoals ook die achtergrond van een groot en onmenselijk lijden hij dat beeld behoort. Zonder dat zou de zaak niet compleet geweest zijn; het beeld was dan onzuiver.....

Die achtergrond van een groot onmenselijk lijden wordt telkens in het boek naar voren gehaald. In de persoon van Karel V en, meer nog, die van Philips II.

 

Om dit duidelijk te maken het volgende fragment:

 

"De keizer, van den oorlog teruggekeerd, vroeg waarom zijn zoon Philippus hem niet was komen begroeten. De aartsbisschopleermeester van den infant antwoordde, dat hij niet gewild had, dat hij slechts van boeken en eenzaamheid hield.

De keizer vroeg waar hij zich ophield.

De leermeester antwoordde dat men hem overal zoeken moest, waar het duister was. Zo deden zij.

Als zij door menige zaal gegaan waren, kwamen zij eindelijk in een onbevloerd somber verblijf, door een smal venster verlicht.En op de grond stond een staak, waaraan een jong en lief aapje vastgemaakt lag, een diertje dat Zijne Hoogheid uit Indië gekregen had om er mede te spelen. Smeulende takkenbossen lagen rondom en in het vertrek hing een walm van verkoold haar. Het diertje, levend verbrand, had zo verschrikkelijk geleden, dat zijn lichaampje niet geleek op dat van een wezen dat geleefd had, maar op een stuk gewrongen en gerimpelden wortel. En op zijn mondje, dat open was, als om genade te vragen, stond een bloedig schuim, en zijn arm gezichtje was nat van zijn tranen.

Wie heeft dat gedaan? vroeg de keizer.

De leermeester dorst niet te antwoorden en beiden bleven sprakeloos, droef en grammoedig staan.

 

Pagina 18

Maar onverwacht werd de stilte door een lichten kuch gestoord, die uit den donkersten hoek kwam. Zijne Majesteit keerde zich om en zag den infant Philippus, in 't zwart gekleed, bezig een citroen uit te zuigen.

- Don Philippus, sprak hij, kom hier om mij te groeten. Zonder zich te verroeren, bekeek de infant hem met zijne vreesachtige ogen, waar generlei liefde in blonk.

- Zijt gij het, vroeg de keizer, die dat diertje verbrand hebt?

De infant boog het hoofd.

- Waart gij wreedaardig genoeg om het te bedrijven, wees dan vrank genoeg om het te bekennen.

De infant zweeg. Zijne majesteit rukte den citroen uit zijn handen, wierp dien op den grond, en zou zijn zoon afrossen, maar de aartsbisschop hield hem tegen, en fluisterde hem toe:

- Zijne Hoogheid zal later een groot ketterbrander zijn!

De Keizer glimlachte en beiden gingen, den infant met zijn aapje alleen latend.

Maar ook anderen, die geen aapjes waren, kwamen in vlammen om. "

 

Dit is de achtergrond; nergens is deze zo indringend getekend en het culmineert in de woorden: ….zijn arm gezichtje was nat van zijn tranen. Stelt U zich dit eens voor, niet dat gezichtje en ook niet dat lijden, maar dit beeld, deze werkelijkheid, dit kind....., Uw kind..... Ik herhaal: Uw kind..... en zijn arm gezichtje was nat van zijn tranen....

Wat U nu voelt is het ware karakter van een werkelijkheid zoals de onvolwassen mensheid zich die schept. De tranen van een kind omdat het gefolterd wordt en in zijn gaafheid en zuiverheid niets begrijpt, en weerloos is tegen de wreedheid van een verscheurd bewustzijn. Het verscheurde bewustzijn van de wereld met zijn voorschriften, zijn geboden, zijn logica, zijn consequenties, zijn liefdeloze hardheid. Deze wereld is blijvend de achtergrond van alles wat leeft, van alles wat deugt, ook als de mensheid volwassen zal zijn - alleen zal die achtergrond zich dan niet meer opdringen en dat smartelijke lijden veroorzaken. Maar in de onvolwassen wereld is die achtergrond alsmaar aan de orde en de enige die het volhoudt daartegen te leven is Uilenspiegel, het zonnekind. Uilenspiegel is het leven zelf en het leven houdt allerlei in - het houdt de berekening in, het houdt de tegenstellingen in en het houdt de dood in. Deze gelden alle voor het leven, maar niet als het terrein waarbinnen het leven begrensd is, zoals wij gewoonlijk menen, maar zij gelden als inhoud van het leven. Omdat dat zo is tasten zij het leven nooit aan en zij tasten dus ook nooit de werkelijk levende mens aan. Maar in de aaneenschakeling van momenten, die het leven vormen, spelen zij alle hun rol. De dood bijvoorbeeld speelt in het leven van elke mens een rol; aan het einde van het leven ligt de dood en dan is het met het leven gedaan. Dus speelt het leven zich af tussen geboorte en dood. En daarmee is het leven dus begrensd. Dit is de gangbare redenering en zij heeft een schijn van waarheid, maar niet meer dan een schijn.

 

Want in feite is het zo, dat de opeenvolging van bepaalde momenten begrensd is tussen geboorte en dood, maar die opeenvolging is inhoud van het leven en dat leven blijft bestaan, zij het dan dat het zich voortzet in een andere cyclus van momenten - een ander mensenleven dus. Bij alle sterven van de mensen zet het leven zich door, telkens weer in andere mensen, en dit doorzetten van het leven demonstreert de onaantastbaarheid van het leven. Het leven gaat boven die momentencycli uit. Hierop grondt zich het besef van een eeuwig leven, zoals dat bij alle mensen in alle culturen voor de dag gekomen is. Hierop grondt zich ook het feit, dat Uilenspiegel onsterfelijk gedacht wordt. Dit is niet louter een theorie en het is ook geen romantische verheerlijking van het leven - deze gesteldheid is door de mens te realiseren. Door namelijk te leven vanuit het onaantastbare en onvergankelijke komt het leven als iets eeuwigs voor de dag, ondanks het feit, dat het voor déze bepaalde mens toch eindigt hij de dood. In een dergelijk leven is de dood vercalculeerd en dat leven is niet begrensd aan de dood. Iemand die de aanleg heeft om zo te leven is gelijk Uilenspiegel een zonnekind; al de ellende die hij op zijn weg tegenkomt doen hem niet verongelukken en de vreugden maken van hem geen dweper; hij raakt niet verward in de droefheid en hij wordt geen dwaas aan het plezier.

 

Pagina 19

Wij benoemen een dergelijke gesteldheid gewoonlijk met onverschilligheid want wij vinden dat de mens door het leven getekend moet worden, en dan vooral door het jammerlijke van het leven. Dat vinden wij helemaal prachtig! En onverschillig ben je als je er langsheen stapt; je bent dan ook oppervlakkig en je hebt een buffelhuid. Beter is het met een vertwijfeld gezicht rond te lopen, jezelf hevige verwijten te maken, te vermageren en een doffe glans in de ogen te verwerven ..... allemaal door het lijden, dat ons zo zwaar op het hart ligt. Dan ben je geen buffel, je bent dan een diep bewogen mens, die alle respect en eerbied verdient. Maar ik zeg U: je bent dan een kreng, dat zich alleen maar bezig houdt met de ellende, of met het plezier, en daarmee ben je begrensd aan zaken, die de inhoud van het leven uitmaken, maar die het leven zelf niet raken. Zo'n figuur is Iwan Karamazow - ik heb hem elders uitvoerig behandeld. Hij had een probleem aan de schofterigheid van de mensen die hem als een cynische tegenstelling tot de uiteindelijke goddelijkheid van de mens voorkwam. En hij weende om het lot van de kinderen in deze wereld ..... maar zelf was hij een potentiële moordenaar en tenslotte werd hij ook nog gek van zijn eigen getob. De wereld was voor hem misdaad en ook goddelijkheid, maar met de afdeling misdaad hield hij zich bezig. Hij was dus ondanks zijn intellectueel geween om de kinderen een schoft en hij was ver verwijderd van het leven zoals ik het hier bedoel. Hij was met al zijn mooie praatjes het tegendeel van Uilenspiegel ! Wij noemen Uilenspiegel onverschillig als voor hem altijd de zon blijft schijnen; hij is voor ons op zijn best een grappenmaker die zich nergens iets van aantrekt. Daaraan kun je zien, hoe weinig wij van het leven aanvoelen: als Uilenspiegel uitstijgt boven zijn eigen grappenmakerij, dan raken wij de draad kwijt en vergeten hem. Terwijl hij juist daar op zijn schoonst is en tot de meest heldere figuren uit de Europese literatuur behoort. De grappenmakerij op zichzelf ligt ons wel; het zijn immers allemaal tegenstellingen die uitgespeeld worden! Onze cultuur beweegt zich louter en alleen op dit terrein, wij kennen het een en het ander en wij wegen die tegen elkaar af of wij laten ze samengaan of botsen. De tegenstelling tussen het een, dat vergroot is en het ander, dat verkleind is, dat is onze grappenmakerij, en dat is een tamelijk platvloerse aangelegenheid. Het is het meest goedkope lachnummer, zo van een taart op je oog en alle borden door de kamer ! Met deze grollen begint Uilenspiegel ook; ik vertelde reeds, dat het verhaal van Uilenspiegel in het westen voortkwam uit de naijver tussen de boeren en de meer ontwikkelde stadslieden. In het boek van Charles de Coster begint het ook zo met Tijl, maar al spoedig verandert de kleur. Al spoedig gaat Tijl namelijk wreken en het object van zijn wraak is dan de Roomse geestelijkheid. Maar daarop kom ik nog terug; nu gaat het erom, dat de westerse mens Tijl eigenlijk alleen maar kent als de grappenmaker. de westerling is daarbij blijven steken. Hij heeft niet het vermogen gehad om met Tijl mee te gaan naar een zonnig en blijmoedig leven waarin alles tot zijn recht kwam: de liefde, de idee, de vrijheid, de wraak, de weerbaarheid en de onaantastbaarheid. Natuurlijk heeft de westerling dat niet gekund, want deze ziet zijn gedoe niet als inhoud van iets helders, maar als een doel op zichzelf, een werkelijkheid op zichzelf. En die werkelijkheid is er een van tegenstellingen, waarin wel plaats is voor een grol en een grap, maar niet voor humor en niet voor de zon en de blijmoedigheid. Daarom moet U maar eens opletten: als wij iemand aanwijzen die naar ons idee zonnig is, dan wijzen wij altijd een potsenmaker aan; een idioot die zich voor de televisie aanstelt en die al een grimas trekt als hij een fototoestel gewaar wordt. En zo'n man die voor de kinderen leuk loopt te zijn, zo'n Swiebertje, die het de kinderen doet voorkomen alsof een vrolijk mens noodwendig een imbeciel moet zijn. Of het is Pipo de clown, die in al zijn schattigheid van een zonnig leven een clowns-nummer maakt. Dat is voor ons de zonnigheid: een idioterie, die, de mens degradeert tot een kabouter of een imbeciel. En als tegenstelling tot die zonnigheid wijzen wij dan ernstig op de een of andere treurwilg, die in al zijn grijsheid zegt: "ik dacht...uh!" wel, en verder komen wij niet; of je bent een doodgewone treurwilg of je bent een idioot, en voor beiden is plaats - voor de treurwilg het meest.

 

Pagina 20

 

Naar bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ;

Maar Tijl is anders, zijn wenen is een lach en zijn lachen is een traan;

zijn liefde is haat en zijn haat liefde. In hem botst het een met het ander en hij blijft eeuwig zichzelf gelijk; hij haat zonder een hater te zijn en hij wreekt zonder een wreker te zijn. Alles is in hem aanwezig en speelt in hem het spel der tegenstellingen, de ene keer oproepend liefde en de andere keer haat. Maar op zichzelf komen al die verhoudingen nooit eenzijdig naar voren; zij blijven trillen in het organische geheel en omdat dat zo is wordt de haat van Tijl nooit onze haat en zijn liefde nooit onze liefde, want alles in de westerse mens wordt een toespitsing. Alles wordt in de westerse mens of het een of het ander en van een in een trillend geheel opgenomen zijn van die twee is geen sprake. Daarom begrijpen wij de zonnigheid van Tijl niet en kunnen wij die niet rijmen met de ellende die hij om zich heen zag. Want wij zouden op zijn best verbitterd worden en in dolle verblinding datgene te lijf gaan, dat die ellende veroorzaakte. Zo zouden wij al heel spoedig voor de goede zaak sneuvelen, of wij zouden de overwinning beleven..... maar in beide gevallen zouden wij ons helemaal in het teken van onze goede zaak gesteld hebben. En dat is het andere van zonnigheid; het is eenzijdigheid en toespitsing. Daarbij behoort altijd een ernstig gezicht dat volkomen in overeenstemming is met het gewicht van onze zaak. Begrensdheid en ernstig zijn behoren bij elkaar; de meest begrensde en dus bekrompen mensen lachen het minst - dat is een bekend feit voor diegenen die zich wel eens met kerkgenootschappen ingelaten hebben. Hoe strenger het geloof is, hoe zwarter de kleding, hoe somberder de gezichten van de mensen. Bij de strengste genootschappen wordt het lachen zelfs afgekeurd; er wordt beweerd dat het iets duivels is en inderdaad, het staat vast dat de duivel een grapjas is, die tot vervelens toe op grapjes uit is, meestal ten koste van die arme ernstige mensen. Het bevrijdende van de lach, daarvan huivert de ernstige mens, want de lach leidt hem af van zijn toespitsing. Om te kunnen lachen moet er ook nog iets anders voor je gelden, je moet iets anders in jezelf kunnen toelaten. Hierin schuilt het geheim van de humor, het is de ruimte van het andere in jezelf, en dat is een heel andere zaak dan potsenmakerij, want daarbij bestaat de lol dank zij iets anders, buiten je. De potsenmaker doet lachen om iets anders buiten jezelf, maar de humor doet lachen om iets anders binnen jezelf. En dit laatste behoort bij Tijl Uilenspiegel - dat wil zeggen: de Tijl die wij in het westen vergeten zijn en dat is de Tijl met “de asse van Klaas” op zijn borst. De “asse van Klaas" is het symbool van de stuwende kracht die Tijl voortdrijft, telkens weer stelt Tijl dit symbool als waarborg voor zijn betrouwbaarheid en voor de onwankelbaarheid van zijn hart. Hij had de as samen met zijn moeder Soetkin van de brandstapel gehaald; Soetkin had het in een zakje genaaid:

 

"Thuis, nam Soetkin een stukje rode en een stukje zwarte zijde;

zij maakte er een zakje van, waarin zij de asse stak; en zij naaide twee linten aan het zakje, opdat Uilenspiegel het om den hals kon dragen. Zij deed hem het zakje aan en sprak:

Dat deze asse, die het hert van mijn man is, dit rood, dat zijn bloed is, dit zwart, dat onze rouw is, steeds op uwe borst blijve, als een vuur van wrake voor zijn beulen!

Dat zal, zwoer Uilenspiegel. "

 

Hier komt het thema van de wraak naar voren, en dat is een zaak die onze aandacht verdient, want het begrip "wraak” staat in onze cultuur niet goed aangeschreven en dat is enerzijds terecht om anderzijds aanleiding te zijn tot een reeks misverstanden omtrent het wezen van de mens. Uit die misverstanden komt de opvatting voort dat de mens zijn wraakgevoelens maar heeft te onderdrukken omdat het geen pas heeft te wreken. Het "oog om oog, tand om tand" wordt in onze cultuur afgewezen, hoewel wij, als wij op het gedrag van de mensen letten, tot de conclusie moeten komen dat die afwijzing in de praktijk niet zo erg ver doorgevoerd wordt. In andere gevallen zijn wij het met de wraak volkomen eens; zo'n geval doet zich bij Tijl voor als hij er op uit gaat zijn ouders en de vele andere onschuldige slachtoffers te wreken. Wij vinden dan de bedreven onrechtvaardigheden zo schandelijk groot, dat wij ons volkomen in de wreker kunnen verplaatsen en hem zelfs toejuichen omdat hij beantwoordt aan onze eigen wraakgevoelens.

Naar bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ;

 

Pagina 21

Rechten van de Mens ; Doodvonnis-1 ; Doodstraf-3 ;

Dat voelden wij ook na de we­reldoorlog en ook nu nog hebben wij grote sympathie voor mensen die de naziemoordenaars opsporen om ze hun "verdiende loon" te geven. Officieel huldigen wij dan nog wel het principe dat er niet gewroken mag worden en dan laten wij de zaak netjes via het gerecht lopen, maar iedereen vindt zijn wraakgevoelens gerechtvaardigd. Dus: of wij in bepaalde gevallen al of niet de wraak veroor­delen, ons principe is toch, voorzover wij erover nadenken, dat er niet ge­wroken mag worden. Daarvoor hebben wij allerlei ethische argumenten, en die argumenten zijn op zichzelf allemaal juist, mits wij de zaak bekijken vanuit het besef dat in de werkelijkheid het een onderscheiden is van het ander en dat beide, zowel het een als het ander recht op aanwezigheid hebben. Dit laatste besef, namelijk van het recht op aanwezigheid van zowel het een als het ander, of, als het over mensen gaat het recht van bestaan van zowel de ene mens als de andere mens, is een door en door West-Europees besef. In de westerse cultuur komt de afzonderlijke mens volledig tot zijn recht, maar hierbij moeten wij nimmer uit het oog verliezen, dat het wel de afzonderlijke mens is, waarover het gaat. Dat wil zeggen, de mens voorzover hij apart wordt gedacht van alle andere mensen. Voorzover hij een apartheid, een uniek geval is. De westerse samenleving bestaat uit een optelsom van apartheden, en elke eenheid daarvan is een mens, die het recht van bestaan heeft, en dat recht ook de anderen gunt. Dat dit op het ogenblik nog niet helemaal waargemaakt is in het westen, doet aan de zaak niets af.

Bekijken we de samenleving nu als zo'n optelsom van van elkaar onderschei­den eenheden, dan is het logisch dat de wraak afgewezen wordt, voorzover de mensen zelfbewust zijn. Dus voorzover ze erover nadenken. Want dan denken ze na vanuit iets hogers, iets dat boven de toevallige mens verheven is, en dan komen ze tot de conclusie dat de mens het hem aangedane onrecht niet mag compenseren door een ander onrecht er tegenover te stellen. Want dat de ander mij aantast in mijn recht van bestaan, houdt nog niet in dat ik het hem ook maar eens moet gaan doen. Dat recht van bestaan hebben wij allemaal toch, ondanks onze daden. Hierop stoelt ook het afwijzen van de doodstraf.

Op deze gedachtegang is niets aan te merken; voorzover de mens zich den­kend laat gelden in de werkelijkheid - en dat doet hij als hij zijn samenle­ving ordent - is de gedachte van het recht van bestaan, zoals die tegenwoor­dig vastgelegd is in de " Rechten van de mens ", de enig mogelijke. En dus de enig juiste. De westerse mens voelt dit dun ook terdege aan en daarom lukt het hem bijna altijd het onrecht voor het gerecht ongedaan te maken.

De vraag in hoeverre er bij het gerecht ook nog van "wraak" te spreken is , laten we even rusten tot straks - nu moeten we er op letten dat het gerecht tracht alle wraakgevoelens uit te bannen. Dit is een van de grondprincipes van het “recht" zoals wij dat kennen .

Omdat de westerse mens natuurlijk door en door zijn eigen cultuur is, ziet hij zichzelf altijd als zo'n apart geval en geldt voor hem het bovengezegde. De wraak heeft maar niet te gelden, het gerecht beoordeelt de zaak wel en brengt het op de een of andere manier wel in het reine. Maar op onverklaar­bare wijze komt toch telkens weer om de hoek kijken. De mens schijnt het toch maar niet te kunnen laten en hij blijft die neiging houden om "eigen rechter te spelen" . De vraag is nu: hoe zit dat. Hebben wij hier te doen met de “slechte" eigenschappen van de mens, die hij nog moet afleren , of is het wat anders - wellicht helemaal geen slechte eigenschap? Maar een eigenschap die wij door onze cultuur verkeerd begrepen hebben omdat hij tot een andere cultuur behoort, de cultuur van de volwassen mens, bijvoorbeeld?

Om het juiste antwoord te vinden moeten wij nog weer even teruggaan tot wat wij gezegd hebben over de mens. Hij is namelijk een organisme, waarin alle onderdelen op beweeglijke wijze ineen zijn. De kleinste onderdelen zijn natuurlijk de niet meer deelbare onderdelen, de enkelvoudigheden. Deze enkel­voudigheden zijn dus in voortdurende beweging: zij stimuleren elkaar, zij remmen elkaar af, zij botsen en zij ontwijken. Alle tussen bewegende licha­men denkbare situaties zijn aanwezig en niet een is er niet, als het gaat over het organisme dat wij mens noemen. Elke enkelvoudigheid heeft van zich uit de neiging zijn eigen beweeglijkheid door te zetten en die van de andere te ontkennen. Dit leidt tot een botsing waarbij de ene enkelvoudig­heid zijn beweging doorzet en daarbij die van de ander ontkent.

Rechten van de Mens ;  Doodvonnis-1 ; Doodstraf-3 ;

 

Pagina 22

De reactie van die andere enkelvoudigheid is dan deze, dat hij zijn eigen oorspronke­lijke beweeglijkheid gaat herstellen en dat is op zichzelf weer de ontken­ning van de eerste enkelvoudigheid. Zo hebben wij dan te doen met een wisselwerking, een werking, die over en weer is. Dit treffen wij in de gehele wer­kelijkheid aan, het is het proces dat tenslotte de totale kosmos te voor­schijn roept en geen enkele kosmische situatie is iets anders dan de botsings­verhouding tussen de enkelvoudigheden.

De mens is dus ook door en door deze zaak; niet alleen dat hij dit in zijn lichaam vertoont, maar hij vertoont het ook voorzover hij zelf een onderdeel van de werkelijkheid is. In zijn lichaam vertoont hij alle denkbare botsings­verhoudingen omdat hij het laatste en dus het meest complete verschijnsel is. Maar voorzover hijzelf een kosmisch lichaam tussen de andere lichamen is, botst hij ook overal tegenop en de andere lichamen botsen tegen hem.

Dit is een volkomen normale zaak, een zaak die niet anders kan zijn en omdat dit zo is bemerken wij er nooit iets van. Wij realiseren ons dat niet. Ook de botsingen tussen de mensen onderling ontstaan vanzelf en ook de reacties daarop; het is dus vanzelfsprekend dat mensen tegen andere mensen opbotsen en dat die anderen daarop reageren. Die reactie is de "wraak", het is het iemand betaald zetten van een geleverde streek. En dat komt automatisch mee aan de innerlijke beweeglijkheid van de werkelijkheid. Het spreekt dus van­zelf dat in de mensen wraakgevoelens opkomen; er is niemand die dit niet vertoont, want niemand ontkomt aan het karakter van de kosmos. Deze wraak ver­schijnt natuurlijk onder allerlei gedaanten en de meeste daarvan vallen ons nauwelijks op; het trekt pas onze aandacht als het al te erg wordt en als er mensenlevens mee gemoeid zijn, maar als wij eens goed opletten dan zien wij dat in het dagelijkse leven van de mensen heel wat wraakoefeningen voor­komen. De man bijvoorbeeld die met een andere vrouw gaat flirten omdat zijn eigen vrouw ook niet zo erg eenkennig is; de man die eerlijk blijft zolang de ander dat ook is, maar onmiddellijk met de meest gepatenteerde schoften­streken komt als die ander toch niet zo erg eerlijk blijkt te zijn. Zo zijn er talloze voorbeelden te noemen waaruit blijkt dat wij elkaar in het leven heel wat "betaald zetten". En dat vinden wij gewoon - het verbaast ons als iemand zoiets nu eens niet doet. Het is in feite ook gewoon want de hele wer­kelijkheid is door en door botsingsverhouding. Het moet alleen maar niet "te erg" worden, de mensen moeten elkaar niet naar het leven gaan staan, want dan keuren wij het af. En bij al die tussenvormen is het een kwestie van af­wegen, want de grens tussen wat "te erg" is en wat er nog mee door kan, is niet te trekken.

Een overeenkomstig geval als de wraak is de jalouzie; ook daarvan vinden de mensen dat het eigenlijk een kwalijke zaak is, die jalouzie, maar tevens vinden zij het gewoon dat het bij alle mensen voorkomt, om tegelijkertijd de gevallen die "te erg" zijn af te wijzen. Ook hier dus weer het zoeken naar een modus om de algemeen voorkomende, maar toch verwerpelijke, zaak zoveel mogelijk in te dammen en onmogelijk te maken.

Nu nogmaals de vraag waarom de mensen zo'n algemene zaak als de wraak af keuren en trachten uit te bannen. Welnu: de mensen van onze cultuur zijn na­tuurlijk niet van God verlaten, d.w.z. zij zijn niet van de helderheid ver­laten, zoals die uiteindelijk voor elke mens geldt. Maar deze helderheid is voor hun besef een hogere werkelijkheid, die los van het bestaande een eigen en autonoom leven leidt. Dus vanuit hun tijdelijkheid en bepaaldheid bekij­ken de mensen die hogere werkelijkheid en zij zien hem dan als iets objec­tiefs, waaraan allerlei te bedenken valt. Daaraan valt te bedenken, dat het een eeuwige zaak is, die niet samengesteld is en die in rust is; een zaak die volkomen helder is en die niet het bepaalde aan zich heeft, zodat uiter­aard het tegen elkaar botsen van bepaaldheden ook uitgesloten is. In de wer­kelijkheid als helderheid botst niets, omdat alles ineen is en je voor botsen nog altijd twee uiteen zijnde lichamen nodig hebt. Voor de werkelijkheid als helderheid geldt dus ook de wraak niet; daar geldt alleen maar de alles om­vattende liefde, die onaantastbaar is en onvergankelijk en zonder spanning.

Dat is voor de mens van onze cultuur de hoogste mogelijkheid; eeuwenlang heeft hij dat "God" genoemd en tegenwoordig noemt hij dat weer anders en straks noemt hij dat nog weer heel anders, maar al met al is het voor hem toch het hoogste. Het blijft het ideaal voor hem, wat hij er ook van zegt.

 

Pagina 23

Deze werkelijkheid nu, die de bestemming van de mens is, ontkent, op zich­zelf genomen - en zo neemt de westerling hem - alles wat met het verschijnsel te maken heeft. De werkelijkheid is voor de helderheid niet meer "dit" of "dat" . Alles, wat "natuurlijk" is, is voor de helderheid ontkend. Daarom meent de westerse mens dan ook, dat hij eerst moet sterven om in de helderheid op­genomen te kunnen worden; het natuurlijke moet er eerst niet meer zijn. En daarom meent hij, dat hij de typisch natuurlijke aangelegenheden, zoals de jalouzie en de wraak en de begeerte en de seksualiteit, enzovoort, maar heeft uit te bannen om de weg naar het hoogverheven ideaal vrij te maken. De Roomse kerk is eeuwenlang doortrokken geweest van de ascese, die geen andere bedoe­ling had dan het uitbannen van lichamelijkheden. Want die waren de hinderpaal op de weg naar het doel. Tegenwoordig nemen wij het met die ascese niet zo nauw meer en wij vinden dat het natuurlijke wel degelijk zijn plaats heeft in het leven van de mensen, maar: juist in de gedachte, dat het natuurlijke zijn plaats heeft, schuilt het besef, dat het toch tegengesteld is aan het goddelijke - anders behoefden wij het immers "zijn plaats" niet te wijzen! Wezenlijk veranderd is er dus niets in de levensbeschouwing van de westerse mens, en dat zou ook niet kunnen, want de westerse cultuur is nog volop aan de gang al ontluiken er hier en daar kiemen die op een volgende zaak wijzen. Het is allemaal nog hetzelfde..... als wij tegenwoordig een lans breken voor bijvoorbeeld de vrije seksualiteit en daar eindeloos over zaniken en zeuren, al zoekende naar nieuwe regels en voorschriften en redelijke argumenten die ervoor pleiten, dan komt dit voort uit de ontdekking, dat de seksualiteit "functioneel" is. Dat de functie van de seksualiteit niet onderschat mag worden en moeilijk overschat kan worden. Omdat de mens die zich van seksualiteit onthoudt onherroepelijk ten gronde gaat en een beerput van complexen wordt. Maar: in een goed geoliede maatschappij, waarin iedereen de voorge­schreven dosis geluk mag hebben, past natuurlijk een gefrustreerde anti-sex-­sukkelaar  niet, aan zo'n mens heb je niets en bovendien is het nog gevaarlijk ook want hij zou wel eens tot misdaden en uitspattingen kunnen komen. Beter is derhalve hem zijn portie toe te staan, dan voelt hij zich tenminste lekker en dan is-ie niet zo schichtig! Uit dit erkennen van de functie van de seksualiteit blijkt zonneklaar het besef, dat eigenlijk voor de mens, als we hem samendenken met het goddelijke, de seksualiteit niet geldt. Het behoort tot de natuurlijke mens en heeft daarom recht van bestaan, maar meer ook niet.

Dus het goddelijke - of hoe dit tegenwoordig ook genoemd mag worden - is nog steeds aan de orde en het is er de oorzaak van dat de mensen proberen aller­lei verschijnselen in zichzelf weg te drukken, in de veronderstelling zich­zelf daarmee als een behoorlijker mens te stellen. En, voorzover het de men­sen gelukt zich te houden aan die beperkingen, die zij zichzelf opgelegd heb­ben, komen zij over het algemeen beter uit de bus - althans handelbaarder ­dan wanneer zij zich niet zouden beperken. Maar dat vernisje van beschaving neemt toch niet weg dat die zogenaamde onmenselijke verschijnselen op ver­borgen wijze toch aanwezig zijn. Zij behoren tot het karakter van de werke­lijkheid.

Als nu echter vanuit het heldere, dat voor de mens geldt, verhoudingen als wraak afgekeurd worden dan worden er verhoudingen en situaties afgekeurd, die door en door deel uitmaken van de werkelijkheid, maar die als zodanig niet voorkomen in de werkelijkheid, die de mens als de hoogste beseft. En omdat de mens meent dat hij tenslotte identiek met dat hoogste moet zijn, zet hij zich ertoe datgene dat hij "slecht" noemt te ontkennen. Het slechte mag er niet zijn, het is het onrustige van de schepping, het is de wanorde, de chaos. Maar wat doet de mens nu eigenlijk, als hij deze zaak aan het ont­kennen is? Wel, hij is bezig zijn eigen inhoud te vernietigen ter wille van een fictie, een abstractie, namelijk de als een zelfstandige werkelijkheid gestelde laatste verhouding, die voor de werkelijkheid geldt. Deze laatste verhouding is er wel en wat de mens daaromtrent beseft, dat klopt wel, maar het is geen zelfstandige werkelijkheid boven de schepping waarin wij leven.

Het is de laatste verhouding van de werkelijkheid zelf en deze laatste ver­houding geldt voor de mens; het is het "organische ene" waarover wij al ge­sproken hebben en dat de verschijnselenwereld als inhoud heeft. Dit zijn niet twee verschillende zaken, dat ene en die verschijnselenwereld, maar het zijn de twee aspecten van een zaak.

 

Pagina 24

Het ene aspect is datgene waaruit de zaak opgebouwd is en dat noemen wij dus de "inhoud" van de zaak, en het andere is de zaak zelf en het is er net zo mee als met een huis, waarvan niet los te denken zijn de stenen, die het huis vormen. Het begrip "materiaal" en het begrip "zaak" zijn wel twee ver­schillende begrippen, maar zij zijn nooit zonder elkaar te denken; het een vormt onmiddellijk het ander en het ander houdt onmiddellijk het een in. Als de mens dus allerlei in zichzelf wegdrukt, op welke edele gronden desnoods ook, dan is hij onherroepelijk bezig zichzelf tekort te doen, een bezigheid die altijd kwalijke gevolgen heeft want met het wegdrukken van een element van een organisme vervalt het rustige evenwicht, dat ervoor behoort te gel­den. Bovendien laat uit een organisme zich niets wegdrukken; strikt genomen is alle wegdrukken zelfmoord want het is het afscheiden van een bepaald element van de andere elementen, en dit afscheiden gaat op voorwaarde van analyse. Analyse oftewel splitsing vermoordt altijd het organisme, omdat het karakter van het organisme nu eenmaal is, dat het zich niet splitsen laat. Hoe fraai wij dus bij gelegenheid het wegdrukken van wraakgevoelens(het begrip wraak,wraakgevoelens vangt aan vanaf nr. 17) vinden, het is toch een vorm van vermoorden - ook al merken wij er weinig van in onszelf, doorgaans. Dat dat wegdrukken nodig is, dat verbeelden wij onszelf maar omdat wij alsnog onvolwassen zijn; wij behoren nog tot de perio­de van de "beschavingen", die, zoals het woord al zegt, met iets uiterlijks, met het verschijnsel, te maken hebben. Vanuit een besef van helderheid, die wij menen boven ons te hebben, doen wij al die dingen; poetsen wij ons op en doen wij ons anders voor en ontkennen wij allerlei dat in ons hart op­komt, maar wij zijn daaraan in genen dele menselijk. Hoe de verhouding dan wel heeft te liggen, dat kunnen wij doorgaans niet bevatten, want wij kun­nen ons niet voorstellen hoe het is als de mens volwassen is. Meestal fan­taseren wij er maar zo'n beetje over…

Als de mens volwassen is, dan gelden voor hem zowel de vormende elementen als het ene organische geheel. Het gelden van die vormende elementen heeft deze betekenis, dat al die elementen in hun totaal aanwezig zijn zonder uit­sluiting van een ervan, terwijl het gelden van het organische geheel natuur­lijk de zaak is waarom het gaat. Als inhoud van dat geheel is daar dan dat beweeglijke totaal van elementen, maar dat totaal is en blijft inhoud van het organische geheel, d.w.z. geen enkel element springt eruit en dringt zich eenzijdig naar voren. Zo'n element als de wraak bijvoorbeeld is er dus wel, maar het dringt zich niet op. Als een element van het menszijn zich niet opdringt, dan heeft de mens er geen last van. Hierop moeten wij goed letten, dat het "ergens geen last van hebben" iets heel anders is dan "iets in jezelf ontkennen". Als een mens "ergens geen last van heeft", dan is die zaak wel aanwezig, maar die aanwezigheid is in harmonie met al het andere dat ook aanwezig is en het berokkent zodoende geen last. De last komt pas als wij er ons mee gaan bemoeien, als wij er opuit zijn de boel te veranderen. Dan springen de elementen die onze interesse hebben eruit, zij liggen niet meer in harmonie. De zaak is dan verstoord.

Maar de volwassen mens is net als een kind, dat ook niets in zichzelf wegdrukt omdat het van al dat beschavings­getob nog geen weet heeft. De volwassen mens weet daar wel van, maar drukt toch niet meer weg. Doordat hij zichzelf werkelijk waargemaakt heeft is hij dat ene organische geheel geworden met volledige aanwezigheid van de inhoud daarvan en zo heeft hij zich als het verschijnsel waargemaakt, dat helder­heid is. Hij is tenslotte een helder organisme en daarmee is hij bij zijn wezen aangeland. Dan heeft hij geen last meer van al die botsingssituaties die hij in zichzelf is, net zo min als de werkelijkheid last heeft van het eindeloos bewegen van de kosmos, die zij in zichzelf is. De mens is in zich­zelf een en al onrust, maar zelf is hij rust geworden. Het behoeft nu wel geen betoog meer dat een botsingssituatie als de wraak zich niet meer op­dringt hoewel hij wel aanwezig is. De volwassen mens voelt in zichzelf de wraak, maar hij heeft er geen last meer van.

Als wij deze uitweiding over de wraak nu van toepassing brengen op Tijl Uilenspiegel, dan komen wij tot de conclusie, dat Tijl geen wreker is, ook al roept hij op tot wraak. Het is zijn moeder Soetkin, die hem "het vuur der wrake" op het hart bindt, maar hoewel hij toezegt hieraan gevolg te geven gaat hij toch niet over tot wreken. En tevens heeft hij er geen probleem aan, zoals lang voor hem Hamlet dat had. Hamlet was eigenlijk wel een wreker; zijn hele leven werd beheerst door de wraak vanwege de moord op zijn vader.

 

Pagina 25

Dat deze wraak een ontwikkeling in hem doormaakte omdat hij eigenlijk niet tot wreken kon komen, doet aan de zaak niets af. Het was menselijk gesproken best in orde met Hamlet, maar in hem drong zich toch een element op en daar­aan had hij een hele dobber. In dit verband is het dan ook tekenend dat Hamlet er op een gegeven moment toe komt krankzinnigheid voor te wenden, d.w.z. hij was niet krankzinnig, maar hij gedroeg zich wel zo. De krankzinnigheid is ge­spletenheid van de geest... en het zich opdringen van een bepaald element van het menszijn is, zoals we gezien hebben, ook gespletenheid; het vooron­derstelt het besef van een scheiding; een splitsing, tussen het een en het andere element. Dit besef van een scheiding is kenmerkend voor de gehele beschaving van de mens; het maakt hem dus krankzinnig, zonder dat wij nu zonder meer kunnen zeggen, dat de mensheid tijdens haar ontwikkeling krank­zinnig is. Dit is getekend in Hamlet: de behoorlijke mens die niet krankzin­nig is, en die zich toch, in verband met allerlei verkrampingen van het be­wustzijn, als een krankzinnige gedraagt. Bij Tijl echter vinden wij niets van dit alles; hij zint niet op wraak en voorzover het op zijn weg valt een aan­gedaan onrecht te wreken, doet hij dit zonder enig probleem. Hij doet het als was het volkomen vanzelfsprekend, en … het is ook vanzelfsprekend! Want dat de mens geen last heeft van de wraak die hij in zichzelf voelt, houdt nog niet in, dat hij bij gelegenheid geen wraak neemt! De situatie kan zo liggen in een mensenleven dat de wraak vanzelf opkomt - evenwel zonder de verkram­ping van Hamlet. Als namelijk het persoonlijke leven van de mens onmogelijk gemaakt wordt door de misdadigheid van anderen, zodat er zelfs geen kans meer is veilig te bestaan, dan slaat de mens vanzelf van zich af. Want als hij geen kans meer heeft die rustige zaak te zijn, dan moet hij wel. Zo ging het bij Tijl ook: er was in Vlaanderen niet meer te leven voor de mensen, aan alle kanten loerden de misdadigers in dienst van koningen en pausen op hen; de arbeid werd onmogelijk gemaakt, om van het geweten nog maar te zwijgen...

En in zo'n situatie gaat de mens zich vrij vechten. En hij gaat het onrecht wreken. Tijl doet dat ook, hij wordt de voorvechter van de vrijheid en het symbool hiervan is de "asse van Klaas", die ervan getuigt dat het de mensen onmogelijk is geworden te bestaan. Zo wordt deze "asse" de stuwende kracht van de strijd en bovendien is het de rechtvaardiging van de strijd. En natuur­lijk ligt hierin de wraak besloten. Maar om de drijvende kracht van Tijl te zoeken juist in de wraak voor de dood van Klaas en Soetkin, dat is fout- ­hoewel dit overigens een gedachte is, die in het westen gangbaar gehuldigd wordt. Het enige dat voor Tijl geldt is het zich vrijvechten van de tirannie en daaraan komt o.a. wraak mee.

Wij hebben een geheel verkeerde voorstelling van deze zaak. Zo menen wij bijvoorbeeld dat een mens eerst dan behoorlijk is, als hij zich ten allen tijde onthoudt van geweld, zelfs als zijn leven op het spel staat. Wij vinden dat je het lijden maar hebt te dragen en dat je eerst dan blijk geeft van menselijkheid en van gemoedsadel als je tegenover het geweld van de te­genstander niets anders stelt dan lieflijke eenvoud en weerloosheid. Vooral tegenwoordig gaan er veel stemmen op voor de geweldloosheid. Voorzover deze stemmen betrekking hebben op het afkeuren van oorlogsgeweld, is er alles voor te zeggen, maar als blijkt dat daarmee samengaat een idee van geweld­loosheid voor de mens persoonlijk onder alle omstandigheden en dus ook onder misdadige en krankzinnige omstandigheden, dan getuigt het van weinig feeling op de mens en de wijze waarop hij zich handhaaft in de wereld. Want eigenlijk is het zo dat een behoorlijk mens zich maar heeft te handhaven in het gewoel van de wereld, niet in de eerste plaats om het naakte lijfsbehoud, maar om het behoud van het menselijke dat hij in zijn behoorlijkheid op tafel legt.

Als er inzake de mens van een plicht te spreken zou zijn, moest het deze zijn, dat de mens de plicht heeft behoorlijk te zijn en dat kan hij alleen als hij een idioot niet de kans geeft of niet toestaat hem van die plicht af te brengen en daarbij moet hij dan ook nog proberen in leven te blijven. Want aan een dode die zijn plicht heeft gedaan en zodoende al spoedig voor de geweerlopen stond, heeft niemand wat. Die heeft wel zijn plicht gedaan, maar hij was er wat al te gemakkelijk af te brengen. Hij behoefde alleen maar neergeschoten te worden.... en weg was de menselijkheid en de plicht om dat op tafel te leggen. Daarmee behoefde voortaan geen rekening meer te worden gehouden.

 

Pagina 26

Maar met iemand die er ook nog in slaagt levend te blijven is het ten allen tijde oppassen geblazen. Het spreekt vanzelf dat hiervoor, zeker in slechte tijden, een grote dosis slimheid nodig is en dat het er zelfs vaak op lijkt dat het zo'n slimmerd aan principes ontbreekt. Erasmus was zo'n fi­guur; hij zei van zichzelf dat de wereld niet gebaat was bij een dode Erasmus en wel bij een levende en dat de brandstapel voor hem te heet was… Het is te begrijpen dat een heleboel mensen hem op grond daarvan van lafheid en halfheid beschuldigden, want de mensen vinden een stijf en strak volgehouden principe nu eenmaal prachtig. Dat vinden zij consequent en consequent-zijn behoort -naar hun idee tot de grootste deugden. Dat het begrip consequentie helemaal niet tot het leven behoort, ontgaat de mensen. Het behoort tot de werkelijkheid voorzover daarvoor het berekenbare geldt, zoals bijvoorbeeld de wetenschap. Maar het leven gaat boven de wetenschap uit en het leven gaat boven elke starre consequentie uit, zoals een ieder kan constateren als hij zijn eigen leven eens nauwkeurig en eerlijk onder de loupe nam. Doordat wij ons uitsluitend met de berekenbare werkelijkheid bezig houden, hier in het westen, vinden wij het consequente natuurlijk buitengewoon gewichtig, maar Erasmus had daar geen last van, hij zei de dingen precies zo dat niemand hem tot vriend of vijand kon rekenen. Hij hield zich aan de "schone letteren" en daarmee was hij verheven boven elke partijgesteldheid. Zijn vriend Thomas More kwam ook een heel eind, maar hij heeft zich steeds meer door de staats­zaken laten inpalmen en dan is een keuze op den duur nooit te vermijden. Is het eenmaal zover, dat staat je kop eigenlijk al los - hij behoeft er alleen nog maar afgegooid te worden..... Thomas More stierf op het schavot; hij had zijn plicht gedaan en was nu voorgoed onschadelijk. Hij hield het tenslotte toch op het berekenbare en het consequente en hij wist de slimheid van een weerbaar behoorlijk mens niet vol te houden. Toch is de slimheid het enige waarop het gaat; er is voor een behoorlijk mens in een onvolwassen samenle­ving geen andere mogelijkheid. Alleen met slimheid lukt het behoorlijk te le­ven, zonder dat is de mens gauw uitgepraat. Overigens, al ontkent de slimheid de gangbaar geldende consequenties en de strakheid van principes, dan wil dit nog niet zeggen dat het slimme niet consequent is…alleen, het is niet strak en star, maar beweeglijk, zoals het leven zelf dat ook is. En boven de­ze beweeglijke consequentie gaat niets uit, zij is werkelijk niet aan te tas­ten en klein te krijgen. Niemand heeft Erasmus ooit op de brandstapel of zelfs maar in de folterkamer gekregen en toch heeft hij scherper dan wie ook zijn tijd en de misdadigheid daarvan gehekeld. En iedereen wist dat hij dat deed, maar hij was niet te pakken…Consequent en een man van principes is hij, die een keuze doet en zich ergens voor of tegen uitspreekt; zolang dit samenvalt met het op dat moment gangbare is er geen gevaar te duchten, maar hoe licht wordt in de wereld het gangbare niet voor strafbaar omgewis­seld en het misdadige voor hoogste waarheid! Het is toch zelfs voor ons nog niet zo erg lang geleden. En dan staat de mens ineens voor het feit, dat hij een keuze gemaakt had; is hij dan werkelijk een man van principes, dan kan hij zijn begrafenispolis wel vast op gaan zoeken als hij daarvoor nog de tijd heeft…of hij moet stilletjes van het toneel verdwijnen en toch zijn toe­vlucht nemen tot slimheid. Maar levensgevaarlijk is het; hij kan in ieder geval niet meer zijn eigen leven leiden, en dat kon Erasmus nu juist wel blijven doen. Erasmus bleef zichzelf, hoe de wereld ook woelde en omwentelde en van het ene uiterste in het andere verviel.

Ook de mens die geweldloosheid voorstaat is een man van principes; hij loopt altijd de kans door een idioot opgeruimd te worden, want die dwaas kan ongeremd zijn misdadigheid doorzetten. Het is nog nooit voorgekomen dat een idioot bekeerd werd door de liefdevolle houding van zijn slachtoffer, en zelfs al zou er iets gaan schemeren in zijn bewustzijn, dan nog zet hij door. Een misdadiger is alleen maar met angst in te binden of tot op zekere hoogte van zijn misdaden af te houden. Geen enkel argument en geen enkel principe weer­houdt hem, behalve de lijfelijke angst, die zijn tegenstander of het gerecht of wat dan ook hem inboezemt. Hij is immers geestesziek en dus helemaal in de ban van zijn gespletenheid. Gespletenheid is een lichamelijk principe en daarom: net zo goed als het het lichamelijke principe is dat hem tot misdaad drijft is het ook het lichamelijke, dat hem er van af kan houden, eventueel. Hierdoor speelt de fysieke angst zo'n grote rol bij de misdadigheid.

 

Pagina 27

Een geweldloos mens echter ontwikkelt geen kracht; de kracht der weerstand ont­breekt hem omdat hij die niet wil laten gelden. Hij kan dan ook geen angst inboezemen. Bovendien echter houdt de geweldloosheid in dat het behoorlijke als weerloos gesteld is waardoor het alles met zich laat doen zonder zelf iets te stellen. Zou het wel met iets kamen, dan was dat weer een daad van weer­stand, of hier geweld bij te pas komt of niet. Ook al is het in beginsel niet de bedoeling geweld te gebruiken, tenslotte komt het toch vanzelf zover als er maar lang genoeg gesard wordt door de tegenpartij. En daarom: die geweld­loosheid, die tegenwoordig zo "in" is, is ook niet meer dan een houding te­genover een andere houding, en zo is het toch weer de verhouding kracht­weerstand, met als laatste consequentie het gevecht. Hoe meer echter een mens de geweldloosheid doorzet, hoe meer hij over zich laat lopen totdat ten­slotte het gevecht begint. En dan is al die tijd een mens ontkend geweest; pas bij het uiteindelijke gevecht is hij weer erkend - als tegenstander na­melijk en dan blijkt alles weer het gewone gedoe geweest te zijn. De een die tegenover de ander staat. Tenslotte dus valt de meest verstokte idealist weer op zijn zelfstandigheid terug en gaat hij zich laten gelden. Daarmee is hij precies terechtgekomen waar wij in dit betoog de mens willen hebben: bij het weerbaar zijn als het gaat om de directe aantasting van het bestaan. Want bij die aantasting gaat de mogelijkheid verloren zich voor zichzelf als "rust" te laten gelden; daarbij gaat de mogelijkheid tot menszijn verloren en als het een keer zover is, dan is alles verloren. Geen enkel mens laat het vanuit zijn intuďtie zover komen; het is onze beschaving die ons intellectueel van de kook brengt, zodat wij tot de overtuiging komen dat wij geen geweld mo­gen gebruiken. Sommigen weten die overtuiging zover door te zetten, dat zij zich werkelijk tot hun dood toe niet te weer stellen, maar dan is het toch bij hun dood dat zij weer voor een moment zelfstandig zijn. De werkelijkheid laat zich door geen enkele overtuiging om de tuin leiden - dat blijkt hier weer uit. De mens is, ongeacht zijn overtuiging, een zelfstandigheid. Laat hij zich als zodanig niet gelden, dan is hij het uiteindelijk toch, desnoods op het moment van zijn sterven; laat hij zich als zodanig wel gelden, dan kan hij nooit vertrapt worden. Hij kan hoogstens sneuvelen….maar hij is dan niet al die tijd als een vaatdoek gebruikt; als een vod waarmee je doen kunt wat je wilt. Omdat het toch een onzelfstandig geval is, een slaafs en onderdanig en ondergeschikt mens! Iemand die zijn huis maar leeg laat roven, zijn geliefde laat verkrachten en de kinderen laat mishandelen omdat "er toch niets tegen te beginnen is". Iemand dus, die alleen maar wat doet als het zin heeft, als er een kans van slagen is en die zijn levenshouding daar­van afhankelijk stelt. Een mens die de geweldloosheid aanhangt is net zo; zijn houding is een reactie op de houding van de "anderen" - het is door en door afhankelijk. Maar een mens die zichzelf kent is een zelfstandig mens en die reageert niet naar aanleiding van anderen, maar vanuit zichzelf, en als daarbij geweld te pas komt, of wraak of wat dan ook, dan doet hij dat en hij is in zichzelf verantwoord daarvoor. Met hem is de misdadigheid wel degelijk voorzichtig, zoals alle benepenheid en slaafsheid voorzichtig wordt als het in contact komt met iets behoorlijks. Van het behoorlijke gaat dan niet alleen maar "geestelijke kracht" uit - een geliefd begrip in het westen maar er gaat werkelijk kracht van uit, die zich in de praktijk op alle mo­gelijke manieren gelden laat.

Als wij de figuur van Tijl Uilenspiegel bekijken, dan zien wij het boven­staande in alle eenvoudige helderheid naar voren komen. Altijd weer handelt hij vanuit zichzelf en nooit is hij slaafs en onderdanig, ook niet als hij slaafsheid voorwendt om uit een benarde situatie te geraken. Zijn gedoe is altijd sterk, hoe hij zijn kracht ook toepast. Een aardige illustratie hier­van is het tweegevecht met de soldaat Riesencraft, die door Uilenspiegel met een bezem afgetuigd wordt en daarbij de dood vindt. Uilenspiegel maakt er een grap van, maar die soldaat is ernstig van plan zijn tegenstander aan stukken te kappen, een procedure die hij al bij een en twintig voorgangers van Tijl gevolgd heeft. Overigens maakt dat niet de minste indruk op Tijl, want hij heeft nu eenmaal de pest aan twistzieke egoďsten. Hij spreekt Rie­sencraft dan ook als volgt toe:

 

Pagina 28

"Dat gespuis, dat, in het leger van dappere makkers, anders niet doet dan, schuimbekkend van woede, met een zure tronie rond te lopen om ruzie te zoeken, stinkt erger dan pest, dan melaatsheid en dood.

Waar zij komen, vlucht de lach, versterft het blijde liedeken. Zij moeten altoos brommen of vechten, en zij vervangen het heilig ge­vecht voor het vaderland door het tweegevecht, dat het leger onder­mijnt tot vreugde van den vijand. Riesencraft, hier tegenwoordig, heeft, om onschuldige poetsen, een en twintig zijner gezellen ver­moord, maar nimmer verrichtte hij zelf, in gevecht of schermutse­ling, een schitterende heldendaad of erlangde hij om betoonden moed de minste beloning. Nu, heden behaagt het mij, het ruige vel van dien twistzieken hond eens averechts te borstelen".

 

Tijl was op de plek van het duel verschenen in een belachelijke uitmonste­ring, die in de verte aan die van Don Quichotte doet denken. Hij verklaarde dan ook dat hij zich als ridder getooid had. Zo dreef hij de spot met de bloe­dige ernst van de Hoogduitser Riesencraft, die dan ook barstte van nijd. De in zijn eer getaste zelfgenoegzaamheid, die het leven voor zijn omgeving on­mogelijk maakt en die bij het geringste vergrijp overgaat tot moord en dood­slag. In dit geval had Tijl hem zijn brandewijn ontfutseld en dat onder enkele doorweekte makkers verdeeld. Dat is de eer van de Pruis te na..... we zien hem voor ons: de Pruis, nors, zonder humor, bloeddorstig tegenover hen die niet verwachten doodgeslagen te zullen worden omdat zij het zelf ook niet zouden doen, en..... een lafaard tegenover een werkelijke vijand. Hij gaat als een beest tegen Uilenspiegel te keer en deze tergt hem en maakt hem be­lachelijk, maar past er tevens voor op er niet aan te sneuvelen. Hij heeft vanaf het begin het heft in handen, onze Tijl; hij weet zijn kracht op alle mogelijke manieren te gebruiken en zo geeft hij het stuk ellende op een zeker moment een ferme slag onder zijn neus met de bezem en borstelt hem stevig de kaken, met als gevolg dat de opgeblazen Duitser sterft van woede. Tijl was niet van plan hem te doden en daarom stemt de hele geschiedenis hem wat treu­rig…..Ik haal dit betrekkelijk onbelangrijke intermezzo hierom aan, omdat het typerend voor Tijl is. Voor Tijl is elke gewichtigheid belachelijk en elke norse twistzieke zwartgalligheid is hem een gruwel, maar bovendien is hij onversaagd en weerbaar. Bij hem loopt zo'n avontuur goed af; hij heeft de strijd bij voorbaat al gewonnen, want hij kan vechten en hij weet pre­cies wat hij doet. Hij breekt aan zo'n avontuur zijn nek niet, zoals Don Oui­chotte dat wel doet. Tijl is zelf niet belachelijk al moet iedereen om zijn gedoe lachen, maar hij maakt alles belachelijk wat beperkt en klein en ba­naal is en dat kan hij doen omdat hij in levende lijve de volwassen mens is, die lacht om de opgeblazen kikkers die zich mensen noemen! En dat hij kan lachen komt voort uit het feit dat het voor hem allemaal zo erg klein is, net zoals voor de goden van de Olympos de mensenwereld een klein miezerig en lachwekkend gedoe was..... Hierin ligt het grote verschil tussen Tijl Uilenspiegel en Don Ouichotte; deze laatste was in en voor de idee een rid­der en alles was in hem idee of werd onmiddellijk tot idee omgetoverd. Een prachtige puntgave en heldere fantasiewereld, die in de praktijk van het le­ven voor schut stond niet alleen, maar ook werkelijk onmogelijk was. Elke daad van Don Quichotte was belachelijk, want de idee komt in de wereld als een lachnummer terecht. Maar bij Tijl is het precies andersom: elke daad van Tijl is een daad die keihard aankomt en menigeen kostte het zelfs zijn kop en, gespiegeld in Tijl, is de wereld zelf belachelijk, terwijl de idee een praktische zaak is, die blij en vrolijk, luchthartig en zonnig is! Aan Tijl breekt de kleine wereld zijn nek; de levende idee, die zich bovendien nog als weerbaar, namelijk als in de wereld, laat gelden. Maar Don Quichotte breekt zelf aan de wereld zijn nek, hij is de idee die in een dromenland leeft, die fantasie is, en die daardoor altijd belachelijk is, ondanks zijn schoonheid, zijn adel en zijn innigheid…..De idee, die niet kan in de wereld - een thema zo oud als Europa zelf is, een thema waar we nog lang niet doorheen zijn, want nog altijd wordt in de beste kunstuitingen van Europa en in de gedachten van de beste denkers de idee als een onmogelijk­heid gezien, terwijl een figuur als Tijl Uilenspiegel zelfs helemaal niet begrepen wordt! Goed, het boek heeft indertijd een grote waardering genoten, maar dat betekent nog niet dat het naar zijn kern voor de Europeaan veel­zeggend was. Dat bewijst wel de gangbare westerse kunst, die nooit de idee als praktisch mogelijk en houdbaar tekent.

 

Pagina 29

In de westerse romankunst bijvoorbeeld zijn de hoofdfiguren altijd mensen die in strijd zijn met zichzelf; in hen wordt de wisselwerking tussen het een en het ander uitgebeeld. Wij hebben fraaie woorden daarvoor, zoals het woord "complex" en het modernere woord "frustratie" . Ook het zogeheten "goede" in de mens komt als een kramp naar voren, belaagd door allerlei "kwade" elemen­ten en driften. Dit hele gewarrel van menselijke driften, gevoelens, nei­gingen en verkrampingen is de inhoud van de mens, en het is deze inhoud, die het thema van de West-Europese kunst uitmaakt. Uiteraard leek het aanvanke­lijk zo'n vaart niet te lopen, voorlopig zag het er nog niet naar uit, dat de Europese kunst zichzelf zou gaan verzieken door zich op datgene te gaan richten dat op zichzelf geen onderwerp van schoonheid is. Maar al spoedig manifesteren zich de eerste verschijnselen: grof gesteld moeten wij zeggen dat het optreden van het landschap in de beeldende kunst en de gewetenscon­flicten in de vertelkunst de eerste ziekte-verschijnselen zijn. Ook het be­schrijven van handelingen van bepaalde mensen en, in de beeldende kunst, het uitbeelden van portretten - het uitbeelden dus van bepaalde situaties in de werkelijkheid om die situaties zelve, dat zijn allemaal ziekte-verschijnse­len. Dit klinkt de westerling vreemd in de oren, het gelijkt bijna een gods­lastering! Maar, vreemd of niet, toch is al datgene, dat deel uitmaakt van de werkelijkheid, datgene dat er inhoud van is, geen onderwerp van schoon­heid. De schoonheid ligt bij het geheel zelf en voorzover dat gesteld wordt is de basis voor de kunst in orde. Dat aan dit stellen van het "geheel" na­tuurlijk het stellen van de inhoud daarvan niet achterwege kan blijven, is duidelijk: een geheel zonder een inhoud is niets en zo is schoonheid, zicht­bare schoonheid, zonder iets bepaalds en dus zonder vorm, ook geen schoon­heid. Maar het maakt een heel verschil of dat bepaalde om zichzelf getekend wordt, of dat het getekend wordt als inhoud van het geheel waarom het gaat. Als het laatste aan de orde is in een cultuur, dan is de kunst gezond en dan is er geen mogelijkheid tot verzieking, tot gespletenheid. Maar als de kaarten zo niet liggen, dan vreet de kanker steeds verder door en het eind van het liedje is een kunst, die volkomen krankzinnig is. Naar dit eindpunt zijn wij vandaag de dag al hard onderweg; in elk geval is de schoonheid ver­trokken, het kunstenaarschap is een vergeten gesteldheid en daarvoor in de plaats is een handelsman in krankzinnigheden verschenen, die zijn kwaliteiten ontleent aan zijn uiterlijk en zijn gedrag..... De idioot is tegenwoordig kunstenaar en zijn excentriciteit wordt steeds meer een voorbeeld voor de massa, die, zoals een massa betaamt, een hang heeft naar het originele, naar het buitenissige.

Met de Russische kunst staat het er al even beroerd voor, hoewel daar de verhouding waar het de sterkste kunstuitingen betreft, de romankunst en de muziek, belangrijk anders ligt. Daar is het niet te doen om een tekening van de inhoud van de mens op zichzelf, maar de uitbeelding van het conflict tus­sen die inhoud en het geheel. Hier vernemen wij dus in zoverre een positief geluid, dat het geheel er nog in meedoet - iets wat in het westen eenvoudig niet mogelijk is. Dit meedoen van het geheel geeft aan de Russische lite­ratuur die eigenaardige warmbloedige sfeer, die tevens religieus is. En dit heeft voor de niet al te veel verkilde westerling een speciale bekoring, maar meer dan een bekoring is het niet, dus zoveel waarde behoeven wij er nu ook weer niet aan te hechten. Gevolg van deze conflict situatie in de Russische cultuur is het feit, dat bijvoorbeeld de romankunst zich gaarne en veelvuldig bezig houdt met de krankzinnigheid zoals die bij de mens voor kan komen. De verscheurde inhoud van de werkelijkheid is voor de Rus iets krankzinnigs, de mens is een idioot en hij is dat in meerdere mate naar ge­lang hij meer van de idee bezield is. Een klasse-voorbeeld hiervan is De Idioot van Dostojewski, terwijl de figuur van Iwan Karamazow de krankzin­nigheid uitmuntend uitbeeldt. Als er een conflict is tussen het geheel, tussen het wezen van de mens en de werkelijkheid , en de inhoud daarvan , dan kan krankzinnigheid niet uitblijven. Dat wordt getekend door en in de Russische kunst . Met dit thema is de Rus volkomen vertrouwd en hij is dan ook onnavolgbaar in het uitbeelden hiervan.

De westerling heeft van dit alles geen weet; hij vindt zijn werkelijkheid helemaal niet krankzinnig. Hij weet niet beter of zó is de werkelijkheid, want bij hem heeft zich het geheel nog niet opgedrongen en er is in hem dus nog geen conflict ontstaan.

 

Pagina 30

 

Bladwijzers: Olympische spelen ; Olympische Godheid ;

 

Hij tobt dus helemaal niet over het terechtko­men van de wereld en de vraag of de mens al of niet zelf God is is voor hem helemaal geen vraag. De idee en het waarmaken daarvan is voor hem flauwekul; van de idee heb je alleen maar last want het is vanuit de wereld genomen een enorme spelbreekster die de mensen tot dwaasheden aanzet. Als de idee zich laat gelden in een westers mens, is hij direct een Don Quichotte of hij is een mens barstens vol met problemen en gewetenskwellingen die nooit tot een oplossing komen, behalve dan als hij eindelijk dood is. Dan heeft de westerling de rust gevonden.. ... de rust van zijn kist!

In de Russische kunst is het geheel een van de strijdende partijen, maar helaas. . . . . het delft onveranderlijk het onderspit, of het wordt een dwepe­rige godsdienstigheid die een klooster en een pij nodig heeft om nog enige schijn van helderheid te hebben. Dit beeld komen wij ook weer veelvuldig tegen bij Dostojewski. Overigens heeft hij toch nog wel het begin getekend vaneen zaak die mogelijk wel lukken zal, en dat is de figuur van Aljosja. Maar Dostojewski heeft de tekening nooit afgemaakt en de hele boel is blij­ven steken in jeugdig enthousiasme. De vraag is te stellen of Dostojewski eigenlijk wel in staat zou zijn geweest de tekening te voleinden want in zijn cultuurmilieu was het zelfs nog niet tot enthousiasme gekomen. Dat begint eerst nu, heel zwakjes, te dagen in en bij de jeugd - zonder evenwel meer kracht te hebben dan de kracht die de koorts iemand geeft die door een zwa­re ziekte geteisterd wordt.....

Resumerende komen wij tot de conclusie dat de mens nog vrijwel nergens ge­komen is tot het uitbeelden of uitdenken van een figuur in wie het geheel werkelijk een feit, een praktische zaak is. Een zaak dus, die nu eens niet tot mislukken gedoemd is, of die als idioot en belachelijk verschijnt. Al­tijd weer treffen wij de onmogelijkheid aan.....

Maar Tijl Uilenspiegel is een uitzondering; zijn basis is de grappenmaker en zijn volheid is de vrije, zelfstandige, sterke, volwassen mens, die als een Olympische Godheid lacht om en speelt met de banaliteiten van het mense­lijke zijn. Soms gaat die lach vergezeld van een traan, en het spel is lucht­hartig en zonnig om tevens dodelijk en hard als van een tartaar te zijn. Hier is datgene, dat voor de cultuur een hoogverheven en edele, schone en welluidende, werkelijkheid is, voorhanden als een tastbaar mens en deze mens is niet, zoals in de Russische literatuur een krankzinnige sukkelaar en het is ook geen wereldvreemde heilige of een intellectuele gewetensonderzoeker, maar het is een praktisch mens, die het nooit heeft over verheven dingen. Zijn gesprek is vrolijke drinkebroerskout, een geestige kwinkslag, een kordaat bevel of een praktische waarheid, zoals:

 

"Gelukkig zij, die het hert hoog en het zwaard gereed houden in de sombere dagen die op handen zijn... .."

 

Zijn bewuste denken gaat niet verder dan praktische waarheden, die de zaak betreffen waarvoor hij vanzelfsprekend vecht: de vrijheid. Alles staat bij hem in het teken van die zaak en dat kan ook niet anders, want de oorzaak van alle ellende was immers het feit, dat de mensen niet meer met rust ge­laten werden! Zij waren niet vrij meer en als je niet vrij bent dan kan je ook niet meer behoorlijk zijn. De enige voorwaarde, die voor de mensen in het algemeen geldt om behoorlijk te kunnen zijn, is deze dat zij met rust gelaten worden, dat zij vrij zijn. Met deze vrijheid is niets verhevens be­doeld. Het gaat gewoon over het algemeen gangbare begrip vrijheid, zoals dat zich in de praktijk in het westen manifesteert. Deze voorwaarde om te kunnen leven is de enige zaak waarvoor de mens zich met geweld moet inzet­ten omdat het het enige is dat praktisch van belang is voor de mens die be­hoorlijk is. Geklets over verhevenheden en ideeën is desnoods een aardige vrijetijdsbesteding, maar het heeft praktisch niets om het lijf - een ieder leeft toch zoals hij leeft, ondanks gefilosofeer. Maar dat leven naar eigen persoonlijke aanleg, dat praktische leven, gaat alleen maar op voorwaarde van vrijheid, van met rust gelaten worden. Deze vrijheid is typisch West-Europees, want in dit cultuurbegrip wordt deze zaak waargemaakt om aldus de basis te zijn voor de werkelijke mens, de volwassen mens. Daarom is het in het westen dat de eerste vrijheidsoorlogen begonnen en de strijd van Tijl en zijn makkers is daar een prachtig voorbeeld van.

 

Bladwijzers: Olympische spelen ; Olympische Godheid ;

 

Pagina 31

De tachtigjarige oorlog is eigenlijk de eerste gewelddadige uiting van de in de westerse mens levende noodzaak tot vrijheid. In deze oorlog was er geen sprake van dat het om een of andere gezagswisseling ging, zoals dat voordien en ook nadien veelvuldig voorkwam. De landen waren de bezittingen der vorsten en om het gewin daarvan is menig strijd gestreden, een strijd die natuurlijk door de gewone man uit­gestreden moest worden. Deze gewone man was dan met allerlei voorwendsels zo gek gemaakt dat hij bereid was de wapenen op te nemen, maar in die nog slaafse tijd was dat niet zo erg moeilijk: meestal was het voldoende de heilige kerk in het geding te brengen of de bevlekte eer van een vorst, die een belediging niet over zijn kant kon laten gaan. Vanuit de mensen zelf kwam weinig naar voren, behalve dan wat opstanden en andere ongeregeldhe­den. Maar in de vrijheidsoorlog der Nederlanden zien wij een heel ander beeld. Deze strijd is vanuit het volk zelf opgekomen.

Het is kortzichtig de oorzaak van dat plotselinge verzet te zoeken in de wrede dwingelandij, die toentertijd heerste. Want nergens in de wereld was het beter gesteld met de mensen. En om de Hervorming, op zichzelf genomen, aan te wijzen als de oorzaak van het verzet, is ook niet juist, want de her­vorming stond in de praktijk geen ongehoorzaamheid aan vorsten en gezag voor. De oorzaak moet dieper gezocht worden en wel in de ontwikkeling van de cultuur zelf, d.w.z. het verhelderings-proces dat in de mens plaats heeft was zo lang­zamerhand in een nieuwe fase geraakt en dat feit had tengevolge dat er ver­schijnselen gingen optreden als de Hervorming, vrijheidsoorlogen, in bepaalde opzichten hervormingen van het recht en ook een nieuwe soort kunstenaarschap. Over dit laatste onderwerp kom ik nog in ander verband te spreken, maar zo­veel is er nu al wel van te zeggen, dat er een persoonlijk kunstenaarschap ging optreden dat een geheel ander karakter had dan het betrekkelijk anonieme karakter van voor die tijd.

Welk moment heeft het verhelderingsproces dan bereikt? Wel, het was nu zover gekomen dat de mens tot de ontdekking kwam dat hij persoonlijk in een relatie stond tot datgene dat hij als "hoger" beschouwde, tot God dus. De mens ontdekte zichzelf als geest, zichzelf als de werkelijkheid voorzover daarvoor de situatie "ineenzijn" geldt. Dit is de laatst mogelijke verhou­ding, het is het eindpunt van de werkelijkheid en dit eindpunt behoort na­tuurlijk ook tot de verschijnselen, vandaar dat de mens er ontdekkingen om­trent kan doen. Maar de mens uit die dagen ontdekte nog niet, dat hij zelf dat eindpunt was - dat is ook nu nog tot bijna niemand doorgedrongen - maar hij ontdekte dat er een verhouding bestond tussen dat eindpunt en hemzelf en in die verhouding beschouwde hij dat eindpunt als iets hogers, als God. Voordien lagen de kaarten anders: de mens kende wel de hogere werkelijk­heid en hij wist ook wel dat hij daar op de een of andere manier terecht moest komen, maar hij had nog niet in de gaten dat hijzelf persoonlijk in verhouding stond tot dat hogere. Hij meende dat dit via iets anders ging, via een bemiddelingsbureau, een permanente vertegenwoordiging, die voor hem voorspraak deed bij God. Die permanente vertegenwoordiging bestond natuurlijk uit de paus met zijn Roomse kerk. Die vertegenwoordigden God en alles liep via hen; zij waren in hun functie natuurlijk ook boven de mensen verheven en vormden dus als zodanig een hogere mensheid in de mensheid. Dat hierin de kiem lag voor dwingelandij heb ik al laten zien; dat het inderdaad in dwingelandij uitliep is gemakkelijk te begrijpen als wij ons realiseren dat de westerse massa eigenlijk tot iets anders voorbestemd was. De westerse mens namelijk is niet voorbestemd tot slavernij, tot afhankelijkheid van een groep “hogere" mensen en dus vond hij het steeds minder normaal de les gespeld te worden door een  stelletje “heiligen”, die in hun onderlinge ver­houdingen en in hun verhouding tot het volk, tot de leken, een structuur ver­toonden die nog helemaal bij de oudheid gerekend moest worden. In de oudheid was er in de wereld een "hogere” mensheid, voor het besef van de mensen, en als de mensen zoiets normaal vinden, dan vinden zij het evenzo normaal tot de ondergeschikten te behoren want er zijn nu eenmaal heren en knechten. Het begrip dwingelandij in strikte zin, was er dus nog niet. Maar als de mensen het, al of niet begrepen, helemaal niet normaal vinden ondergeschikt te zijn, dan voelen zij een meester-knecht verhouding als dwingelandij, vooral natuur­lijk, als zijzelf tot de onderliggende partij behoren!

 

Pagina 32

Dat besef van dwinge­landij wordt een zeker weten zodra het eigen karakter van de westerse mens zich gaat manifesteren; de dwingelanden gaan dan vanzelf tot strengere maat­regelen over om de boel in de hand te houden terwijl de onderdrukten steeds meer in verzet komen. Er is dan geen houden meer aan, want alle krachten werken samen om een eind te maken aan de toestand: enerzijds verergert de toenemende dwingelandij de weerstand terwijl anderzijds het verhelderend besef van vrijheid er de oorzaak van is, dat de onderdrukten steeds minder nemen van alles dat hun aangedaan wordt. In een oogwenk staat de boel dan in lichterlaaie; daarvoor is nooit een lange tijd van voorbereiding nodig want de mensen komen van de ene dag op de andere tot het besluit de wapenen te grijpen. Bij zo'n gelegenheid zijn er dan altijd nog wel een paar die het een goed idee vinden en zo begint de sneeuwbal te rollen!

Als de westerse mens niets meer te maken wil hebben met de "moederschoot" , met de heilige Roomse kerk, dan wijst hij de bevoogding af omdat hij tot het inzicht is gekomen, dat hij het zelf wel zal klaren met God. Dit principe houdt, zoals ik al eerder gezegd heb, onmiddellijk vrijheid in, de vrijheid voor elke mens om te zijn zoals hij is. Want een ieder klaart het zelf met God en dus laten wij een ieder daarin vrij. De gewetensdwang is dan afgelo­pen. In feite is de situatie voor de westerse mens dan zo komen te liggen, dat hij zichzelf waar gaat maken als het totaal van alle mensen, die alle­maal aanwezig zijn op eigen persoonlijke wijze en die door niemand daarvan afgebracht kunnen en mogen worden. De mens heeft nu niet meer te maken met een abstract en vreemd hogere, maar met zichzelf als het hogere. In deze situatie is de mens nog niet werkelijk zelfstandig, want hij is nog altijd afhankelijk van zijn eigen God; zijn zelfstandigheid is een betrekkelijke; het betreft alleen maar de mens voorzover er van hem te zeggen is dat hij een verschijnsel, een ding is. Hij is als ding zelfstandig, lijfelijk is hij onaantastbaar en vrij. Dit houdt in dat de ander hem niet mag ontken­nen of schenden, maar dit houdt nog niet in, dat hij zichzelf als onaantastbaar beseft. Hij beseft zichzelf als in de "hand van God" en als van hem af­hankelijk, maar binnen het persoonlijke kader van die afhankelijkheid kan hij doen en laten wat hij wil. Hier ligt de kiem van het "liberalisme" en deze kiem wikkelt zich uit totdat het westen in de vorige eeuw weer in de ellende zat zodat het conflict tussen het zogenaamde kapitalisme en socialisme ont­stond.

De kern van de westerse cultuur is te benoemen met het begrip "het totaal" en het was deze zaak die door ging zetten aan het eind van de middeleeuwen.

De Hervorming was er een gevolg van, want de Hervorming beoogde niets anders dan de geestelijke vrijmaking van de mensen zodat zij zelf tegenover hun eigen God stonden. Op de meeste plaatsen in het westen bleef het bij een geestelijke zaak, maar de Nederlanders van die dagen voelden het in hoofd­zaak als iets praktisch aan, met als gevolg dat zij de Spanjaard te lijf gin­gen. Die Spanjaard verpersoonlijkte de Roomse cultuur, vandaar dat hij een eersteklas onderdrukker was, en dat natuurlijk in naam van God. Die gesteld­heid is er nog niet uit, want ook vandaag heerst er in Spanje onderdrukking en gewetensdwang en bovendien is het er een Roomse kliek. Een opkomende wes­terse cultuurstroming is voor de oorlog bloedig onderdrukt en het behoeft ons niet te verbazen dat daarbij de helpende hand geboden werd door Duits­land. Want de Duitser is de burgerman-Übermensch - hij is op zijn wijze net als de paus en hij loopt ook met God gearmd, al pleegt hij dat bij gelegen­heid de "Voorzienigheid" te noemen. Dus lag het hem wel om als eerste er toe bij te dragen dat Spanje zich als dwingeland kon handhaven. De roomse Spaanse dwingeland is de doodsvijand van de westerse mens en de burgerlijke Duitse dwingeland is dat evenzo!

Dus de Nederlanders gingen dat tuig te lijf; daarmee dreven zij ongeweten de moderne mens door, de mens die de laatste voorwaarde voor volwassen mens­zijn zal vervullen, het feit namelijk dat wij allemaal, elk naar eigen aan­leg, erkend zijn. Dat het om deze zaak ging bleek al ras overduidelijk uit de bevelen van een man als Willem de Zwijger. Hij stelde dat niemand omwille van het geloof of andere gewetenszaken vervolgd mocht worden, dat er recht was voor iedereen, of hij nu Rooms was of niet. Dit is een besluit geweest dat midden in de roos trof, het was de kern van de zaak. En nu moet U niet komen met het verhaal dat er in de vrije Nederlanden ook geloofsvervolgingen waren... . . natuurlijk waren die er want voorlopig waren lang nog niet alle mensen aan de vrijheid toe en zelfs nu tobben nog heel wat mensen er mee!

 

Pagina 33

Waar het om gaat is dit, dat het gesteld werd en dat het dus het leidende be­ginsel werd. Van daaruit was dan alles dat niet van vrijheid getuigde, al was het nog zoveel, toch veroordeeld! En deze gedachte lag althans bij de leidende figuren van het verzet helder op de voorgrond en dat is iets dat zelfs in onze moderne wereld nog wel wat te wensen overlaat.

Rome was een stelsel van dwingelanden, en het Hitler Duitsland was een stel­sel van dwingelanden en in beide stelsels kwam het streven naar wereldheer­schappij naar voren. Tot de kleinere goden op dit terrein behoren het Duits­land van keizer Karel V, dat trouwens een "Heilige Roomse Natie" was, en het Spanje van de zoon van Karel: Philips II, eveneens een Roomse aangelegenheid. De dwingeland wil zijn macht uitbreiden en hij gebruikt daarvoor de idee op grond waarvan hij een dwingeland is. God werd door Rome gebruikt en bij Hit­ler was het al net zo. En geen enkele wereldheerschappij is denkbaar zonder onderdrukking, zonder het onder de voet lopen van andere mensen met een ande­re aanleg en een andere cultuur. Het begrip wereldheerschappij is in strijd met het begrip vrijheid en dit geldt ook voor een wereldrijk als dat van het oude Rome en dat van Alexander de Grote. Hierbij doet het niet terzake dat Alexander de Grote de overwonnen volkeren zichzelf liet blijven en zich be­perkte tot het scheppen van een soort gedwongen volkerenbond. De Romeinen deden dit ook met veel van de overwonnen gebieden; wij beschouwen dit als een royaal gebaar van de Romeinen en van Alexander, maar zo erg royaal wa­ren die heren niet. Dat zij zo ogenschijnlijk soepel waren kwam voort uit het feit, dat de overwonnen volkeren toch als slaven werden beschouwd. En een slaaf behoef je niet te verbieden zichzelf te zijn, want hij is per de­finitie nu eenmaal niet zichzelf. Hij is in geen enkel opzicht erkend, behal­ve dan als slaaf, maar dat heeft niets met menszijn te maken. Dus de slaven waren verder niets dan alleen maar slaaf. Deze gesteldheid geldt voor de ge­hele oudheid. Maar hij geldt natuurlijk ook voor de latere wereldveroveraars zoals Rome en Hitler, alleen hadden zij niet met slaven te doen, maar met aanwezige mensen. Zodat de noodzaak daar was om tot ontkennen over te gaan en aangezien dit een onlogische gang van zaken is, moet dat met geweld en met dwang. Dus de overwinnaar die in de oudheid de idee van wereldverove­ring aanhing met de bijbehorende verhevenheid van zichzelf, liet de overwonnenen in betrekkelijke vrijheid omdat zij toch niets waren, maar de over­winnaar van na het begin der jaartelling kon geen vrijheid meer toestaan, juist omdat hij de overwonnenen als mensen ontkende. Deze ontkenning houdt in dat de mensen dus eigenlijk erkend waren en dat klopt ook, want het is het kenmerk van de "moderne" mens, dat hij erkend is, ook al is dit in de praktijk nog niet voor de dag gekomen. Het is de kern van de moderne cul­tuur en die kern laat zich ook in het begin al gelden in zowel overheersers als overheersten - zij het dan dat het aanvankelijk een sluimerende kiem is, die nog door niemand herkend wordt.

Vanuit dat hogere, waarmee de paus en Hitler kwamen, is de ontkenning van de mens natuurlijk een eenvoudige zaak; het is ook een onbarmhartige zaak want het is immers zo klaar als een klontje dat alles onwaardig is bij God vergeleken! Er is hier dus geen genade te verwachten en de hoop op mense­lijkheid is ijdel. Van redelijkheid is geen sprake en van recht al evenmin; redelijkheid en recht worden onverbiddelijk ontkend. Deze onbarmhartige en genadeloze sfeer herinneren wij ons nog wel uit de afgelopen oorlog; de plakkaten van de "heilige" keizer Karel V en de verordeningen van de hei­lige "moeder" de kerk spraken precies dezelfde taal. . . . . De ontkenning is zo scherp als de onderscheiding tussen wit en zwart, een tussenmogelijkheid is er niet! Souplesse is er niet! En bovendien is het een heilige zaak om de onderdrukking te handhaven met, natuurlijk, als enige dwangmiddel: de dood! De ontkenning in levende lijve. Het zou goed zijn als de mensen zich dit eens wat meer realiseerden - dan zouden zij geen sympathie meer opbrengen voor Amerika en tegen alle landen met koloniën of "dominions" of overzeese "rijksdelen" zouden zij feller te keer gaan. Want het is allemaal een pot nat en elk argument voor het behoud van die rijksdelen is een misdadig argument, wat er ook aangevoerd wordt. En ook moet het duidelijk zijn dat het aanhan­gen van een stelsel als het Roomse niet alleen dom is omdat het een voor-euro­pese aangelegenheid is, maar ook misdadig vanwege het goddelijkheidsprincipe.

 

Pagina 34

 

Bladwijzers: Olympische spelen ; Olympische Godheid ;

 

Wij vinden het overdreven om de kwalificatie "misdadig" van toepassing te brengen op een instelling als de Roomse kerk; gaat het over een figuur als Hitler, dan zijn wij het er wel mee eens, maar waar het Rome betreft schrik­ken wij ervoor terug. Toch valt er niet aan te ontkomen want de ontkenning van de mens is misdadigheid.... wat valt er hier nog te scharrelen? Tegen­woordig pleegt Rome geen misdaden meer, wordt er verteld, maar wat hebben wij daar eigenlijk mee te maken? Er zijn wel meer misdadigers die de daad om de een of andere reden achterwege laten, maar daarom is hun gesteldheid niet ineens niet-misdadig! En het excuus "dat het allemaal oude koeien zijn" snijdt ook geen hout, van Hitler zeggen wij achteraf toch ook geen vriende­lijke dingen! Maar die is thans onschadelijk gemaakt - met Rome heeft de ge­hele wereld nog te maken en was dat nu alleen nog maar op geestelijk gebied, dan konden we er nog sympathie voor voelen want dan werd er tenminste nog eens iets behoorlijks vernomen, al was het dan gelovig. Maar wat Rome op geestelijk gebied aan de wereld voorspiegelt is net zo glibberig en net zo vals als de praatjes van de eerste de beste diplomaat. Dus ook als de stem van een gelovig geweten is Rome een leugen. Er is toch echt niet veel gees­telijke diepte voor nodig om in te zien dat het zegenen van de wapenen en het zegenen van raceauto’s, een goed woord voor de Olympische Spelen en het niet herroepen van de vroegere dwalingen, een volledig on-geestelijke gesteld­heid verraadt. Het is de gesteldheid van een ouderwetse tiran die elke mense­lijke waardigheid ontkent. Want al mogen tegenwoordig de "leken" ook hun woordje doen en al wordt er vriendelijk naar hun suggesties geluisterd, het zijn toch "leken" - zij behoren toch niet tot de kerk als zodanig, tot het goddelijke leger. En met de " andersdenkenden " is het al niet beter, ook die worden hooguit geduld en met een neerbuigende vriendelijkheid behandeld. Dit alles heeft niets met het erkennen van de ander te maken; het is meer een aanvaarden van de ander en een arrogant "liefhebben" van de ander, zoals je een slaaf kunt liefhebben als hij zich voorbeeldig gedraagt of zich onmis­baar gemaakt heeft. Waarmee ik maar wil zeggen, dat U op de sfeer moet let­ten, op de toon waarop alles gezegd wordt. Misdadige feiten zijn er niet meer, maar de sfeer is een belediging voor de mens.

Deze hele boel is in strijd met de cultuur van de westerse mens en het was de Hervorming die op geestelijk gebied de fundamenten van de westerse cultuur bloot legde, en de tachtigjarige vrijheidsoorlog van de Nederlanders, die met geweld de werkelijke basis legde door behalve die bepaalde rooms-spaanse dwingelandij af te schudden er tevens algehele vrijheid voor in de plaats te stellen. Zo werden de Nederlanden de bakermat van de westerse cultuur en tevens de vervolmaking van alle culturen, van de gehele beschaving. Dit laatste is thans in een groot deel van de wereld doorgedrongen, maar het is nog lang niet zover dat het over de gehele wereld een feit is. Zolang er nog honger geleden wordt en zolang er nog hele gebieden bevoogd worden en zolang er nog rassen achtergesteld zijn, zolang is de weq nog niet ten einde die in de dagen van Tijl Uilenspiegel begonnen is.

Tijl en zijn makkers vochten voor de vrijheid; dat klinkt ons in de oren als een verheven zaak want wij bedenken heel wat aan het begrip vrijheid . De ideeën echter die wij hieromtrent koesteren hebben weinig aansluiting met de praktijk, want in de praktijk loopt het met onze vrijheid zo'n vaart niet, en daarvoor hebben wij eigenlijk zelf gezorgd. Steeds meer worden in de maat­schappij onze "vrijheden" ingedamd en dat doen wij zelf; het mag een feit zijn dat hier en daar mensen tegen dat indammen protesteren maar in het groot gaat het proces toch gestaag voort. Kleine ondernemers bijvoorbeeld kunnen steeds slechter uit de voeten onder de druk die de grote ondernemingen op hen uitoefenen, of onder de druk van de officiële voorschriften die van staatswege gegeven worden. En over die toenemende druk klagen de mensen en zij vinden dan dat zij gedwongen worden zich te laten inlijven bij de grote ondernemingen, die op hun beurt ook steeds meer opgenomen worden in een groot geheel.

De vraag is nu: welke ontwikkeling speelt hier een rol en wat heeft dit alles met vrijheid te maken?

Wij hebben gezegd dat de voorwaarde voor menselijkheid vrijheid is; het is namelijk het feit dat de mensen met rust gelaten moeten worden. Maar waar­op slaat dit "met rust laten"?

 

Bladwijzers: Olympische spelen ; Olympische Godheid ;

 

 

Pagina 35

Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeding-1

Het slaat op de persoonlijke gesteldheid van iedere mens afzonderlijk. Iedere mens is zoals hij is en zo moet hij kunnen zijn in de samenleving. Want als hij zo is, dan is hijzelf, persoonlijk, naar zijn totaal aanwezig en als zodanig is hij onmiddellijk zijn laatste mogelijkheid, namelijk mens. Maar die totale persoonlijkheid, dat karakter, dat is inhoud van het menszijn; het is inhoud van het organische geheel, dat de mens is. En nu is het tot die inhoud, dat wij ons moeten bepalen als het gaat over de vrijheid die heeft te heersen onder de mensen.

Gewoonlijk doen wij heel duur met de vrijheid en hebben het dan over gees­telijke waarden, over vrijheid van denken, vrijheid van geweten, vrijheid van godsdienst en nog meer. En dan denken wij dat je met zo'n vrijheid het lek boven hebt, maar het is een lege kreet, want in al die zaken is de mens altijd vrij; het behoort tot het kenmerk van de geest, dat hij zich nooit binden laat en dat hij elke beperking al bij voorbaat te boven gaat. Als de mens dan ook om geestelijke vrijheden roept, dan heeft hij het over de prak­tijk, hij heeft het over de concrete manifestatie van die geestelijke zaken. En daarmee zijn wij dan weer terecht gekomen op het terrein van de totale persoonlijkheid, op het terrein van het karakter. Op dat terrein heeft vrij­heid voor de mens te gelden. Hij behoort met rust gelaten te worden.

Als de mensheid nog onvolwassen is staat alles wat de afzonderlijke mens doet in het teken van het belang. Hij heeft overal belang bij omdat hij nog naar alles op weg is. In alles heeft hij nog een doel voor ogen en is hij door en door bedoeling: de zaak is immers nog niet af! Want de mens is nog niet af; hij is op weg naar zijn volwassenheid. Dat is bij een kind net zo: ook bij een kind staat alles in het teken van de ontwikkeling, van de groei en van de opvoeding. Alles is gericht op wat het worden moet en dat geldt niet alleen voor de volwassenen die met het opgroeiende kind te maken hebben, maar ook voor het kind zelf. Het kind wil eigenlijk best leren, al lijkt het er vaak niet zo erg veel op! Dat blijkt ook wel uit het feit, dat het kind aan het einde van de rit toch allerlei geleerd heeft, al is het bij sommige kinderen niet zo ontstellend veel! Het kind is aan het opgroeien en dat gaat vanzelf, dat is niet tegen te houden of te ontkennen. Zoals het bij het kind is, zo is het bij de mensheid ook en een onvolwassen mensheid is een opgroeiende mensheid die door en door bedoeling is. Die overal op de een of andere manier belang bij heeft.

Geldt nu in zo'n mensheid - en dat is onze huidige mensheid - het principe van de vrijheid, dan wordt dit automatisch een vrijheid van belangen en be­doelingen. Dan staan daar dus de mensen met hun persoonlijke belangen en in die zaak zijn zij vrij. Ieder is voor zich bezig en probeert zichzelf zover mogelijk door te zetten. En daarbij telt de ander wel, maar ook die is voor zichzelf en voor de anderen een concentratie van belangen, zodat de hele samenleving van belangen aan elkaar hangt. Dat behoeft helemaal geen nega­tieve indruk te wekken als wij bedenken dat de mensheid, al is ze nog onvol­wassen, toch een groot geheel vormt met alles wat daaraan te bedenken valt. Wij onderscheiden dan goede bedoelingen en slechte bedoelingen, maar het verschil tussen goed en slecht kunnen wij beter vergeten. Bedoelingen zijn het in elk geval wel.

Nu moeten wij bedenken dat de bedoeling, in bovenstaande betekenis, een aangelegenheid is, die de volwassen mens achter zich gelaten hoeft. Hij heeft zijn doel bereikt en zijn belang is komen te vervallen. Dat geldt automatisch, niemand behoeft hem daarop te wijzen of hem te dwingen; hij is volwassen, dus is hij volwassen. Maar als daar geen persoonlijk belang meer is, welk belang is er dan wel ? Dan is daar alleen maar het belang van het totaal en als dat belang behartigd wordt - wij moeten hier van “worden" spreken, want het is een zaak van blijvende activiteit - dan is de mens eerst recht vrij. Dan is hij zichzelf rust, want dan trekt zijn persoonlijk gestreef hem niet meer van die rust af. Want dat de mensen elkaar niet met rust laten is louter en alleen aan die belangen-gesteldheid te danken. De mens dus, voorzover hij persoonlijk " het totaal " is, is dan tevens als zo­danig een element van het totaal. Hij werkt dus voor het totaal en dus voor de gehele samenleving en de vrouw is, in de hoedanigheid van " het gezin" ook een element van de gehele samenleving. Dit is voor de volwassen mens een vanzelfsprekende zaak die geen enkele aanmoediging of dwang behoeft.

Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeding-1

 

Pagina 36

Maar ge­scharrel voor een eigen landgoed of voor een eigen gezin is er dan niet meer bij; landgoederen zijn dan niet meer te verwerven en het gezin is een ele­ment van de totale samenleving en is dus als zodanig ook vanzelfsprekend te­recht. Het spreekt vanzelf dat hierbij alle "vaderrechterlijke" verhoudingen komen te vervallen, wat overigens niet zonder meer de man van zijn vader­schap ontslaat! maar daarover gaat het thans niet .

De rust zit er vanzelf in, als de mensen niet meer achter hun eigen be­langen aanjagen; wij bedoelen hier nog steeds de rust, die de mens zichzelf is, in de maatschappij gaat het natuurlijk nooit rustig toe want daar wordt gewerkt en van allerlei ondernomen om de wereld in stand te houden. De mens is vanzelf rustig als het wederzijdse getrek en gesol afgelopen is omdat alleen nog maar het levensbelang van het totaal geldt. Voor diegenen die bij het lezen van deze regelen met zichzelf geen raad weten, wijs ik er nogmaals op, dat die rust inhoudt, dat de mensen zichzelf kunnen zijn; een ieder is dus naar eigen aanleg, naar eigen karakter aanwezig. Dus de leergierige heeft zijn boeken en de vuilnisman zijn volkstuintje. Een ieder heeft wat hij no­dig heeft, maar niet meer, want dat is diefstal, en ook niet minder tenslot­te, want daarvoor wordt er in de gehele wereld gewerkt .

Als nu tegenwoordig die vrije belangenmensen klagen over het verminderen van hun vrijheden, dan hebben zij het over het doorzetten van die belangen.

Zij waren daarin liever volkomen vrij! maar die vrijheid wordt steeds minder en dat is dan niet omdat de mensen minder vrij zouden worden, maar omdat de zaak steeds meer naar het totaal toedrijft, wat de uiteindelijke bestemming van de westerse cultuur dan ook is. De westerse cultuur benadert steeds meer het totaal en dus gaan de mensen meer voor het totaal werken en minder voor zichzelf. Daarom wordt het die “kleine zelfstandigen” steeds meer onmogelijk het hoofd boven water te houden, ondanks het feit dat ze voorlopig nog wel beschermingsmaatregelen weten af te dwingen met behulp van het feit dat zij als groep tamelijk sterk zijn. Maar de zaak loopt onherroepelijk terug en daar verandert niemand iets aan. De mensen moeten wel want de ontwikkeling drijft hen daarheen. Nu is het aardige dat in het westen iedereen vrij ge­weest is in zijn zaakjes en dat toch die zaakjes meer en meer onmogelijk worden! Wat heeft de totale mensheid te maken met het gedrijf van grutters en de bond van patatbakkers? En welke baten heeft de wereld met het gezeur van de vereniging voor plattelands-smeden die geen van allen een behoorlijk stuk draaiwerk kunnen maken omdat ze ieder afzonderlijk geen geld hebben om een draaibank te kopen? Als er voldoende werk voor een aantal van die mensen is, dan is er altijd een goede draaibank, want daarvoor zorgt het totaal im­mers! En dan behoeft niemand te tobben om aan een behoorlijk weekgeld te ko­men want waar werk is, is eten en kleding. Deze ontwikkeling is er gaande en of al die "baasjes", die o zo zelfstandig zijn, dit nu prettig vinden of niet, het gaat gewoon door. Maar ook in het doorgaan van dit proces spelen natuur­lijk allerhande belangen een rol. Dat proces staat ook onder invloed van de onvolwassenheid van de mensen, en zo ontstaat er natuurlijk toch weer een heel gedring en gedwing. Maar met dat al schuift het toch de kant van het totaalbelang op. Als het eenmaal zover is, dan is de mens vrij; hij heeft dan de voorwaarde voor het leven vervuld .

De westerse cultuur bewerkt deze vrijheid; het is het hart van deze cul­tuur. En, zoals altijd met een cultuur: het begint ermee dit hart te laten spreken en dat is een krachtige, geweldige en warmbloedige zaak, want het is de kern van de idee van die cultuur. Daarna is die kern in principe voor de dag gekomen en dan treedt de uitwerking van die zaak op en dat is een betrekkelijke tamme aangelegenheid die vanzelf naar haar eindpunt toe suddert en als dat eindpunt er dan eenmaal is, dan interesseert het eigenlijk nie­mand meer. Wat dan warmbloedig en gewelddadig opkomt is de kern van een nieuwe cultuur, die met donderend geweld haar basis legt. Dat gaat altijd met geweld want de zaak ligt zwart-wit, de weerstanden zijn ontzettend groot en het is in al zijn eenvoud een hartstochtelijke aangelegenheid !

Zo was ook de vrijheidsstrijd van Tijl Uilenspiegel en zijn Geuzen een hartstochtelijke strijd; als die mensen hadden geweten wat een gezeur die vrijheid in haar uitwikkeling nog op zou leveren, dan waren zij nu onze vrijheden weer uit gaan roeien uit pure hartstochtelijkheid ! Zij zouden niet veel van hun werk terugkennen en vinden dat wij er intussen maar een rare zeurpartij van gemaakt hebben.

 

Pagina 37

Zij waren de uitwerking niet, zij waren het doorbonken van de zaak zelf in al haar gaafheid en deze gaafheid is die van het kind: ongenuanceerd, onberedeneerd en zonder afwegen van voor- en nadelen. Van al die aspecten heeft het kind geen weet, dat ligt allemaal nog in het verborgene en komt er later wel uit. Maar eerst is daar de zaak zelf en die zaak is een gesloten geheel dat zich niet dwingen en vervormen laat.

Voor Tijl Uilenspiegel is die zaak de vrijheid en het is goed getekend door Charles de Coster dat hij Tijl aan het zichzelf stellen als vrijheid onmid­dellijk een volwassen mens laat zijn zoals hij omgekeerd aan het volwassen­zijn van Tijl weer zonnigheid, blijmoedigheid, oprechtheid, moed en weer­baarheid laat uitkomen. Tijl zingt van zichzelf:

 

"IJzeren is mijn harentuit,

Daar schutte natuur mij mede.

Lederen is mijn eerste huid,

Stalen is mij  tweede .

 

Laat de dood, de lelijke, wrede,

Loeren naar een ander buit.

Lederen is mijn eerste huid,

Stalen is mijn tweede.

 

'Leven' steekt op mijn vendel uit,

Leven in 't licht der rede.

Lederen is mijn eerste huid,

Stalen is mijn tweede. “

 

De westerse mens is de mens die de vrijheid verwerkelijkt; hij werkt de zaak uit. Slechts dat is zijn belang. Dat die vrijheid enige en absolute voorwaarde is voor iets anders, dat dringt tot de westerse mens niet door, want dat andere is een volgende zaak - zo U wilt: een volgende cultuur. De echte westerling dus heeft zijn vrijheid wel bevochten en is hard bezig die verworvenheid uit te werken, maar van volwassenheid is bij hem geen sprake; hij is aan zijn vrijheid niet werkelijk menselijk. De Coster laat dit ook uitkomen als hij het gedoe van de Geuzen schildert en wel in hoofdzaak dat van de hoofdman Lumey. Deze wordt tenslotte ontslagen door Willem de Zwijger omdat hij zo wreed was. Een staaltje daarvan maken wij van dichtbij mee: de admiraal liet negentien vette monniken ophangen. Maar aan die monniken was bij de overgave van Gorcum de vrijheid beloofd en Tijl Uilenspiegel vond dat die belofte gehouden moest worden, ook al waren die monniken weergaloze schoften. Hij pleit voor het leven van de monniken, want "soldatenwoord is gulden woord"! Dan hadden ze bij de overgave van Gorcum maar niet overeen moeten komen dat zij vrij zouden zijn. Bang is Tijl nooit geweest en dus ook nu weigert hij ronduit het gedrag van Lumey goed te keuren. Lumey wordt wit­heet en beveelt Uilenspiegel ook op te hangen. Iedereen vraagt genade voor Tijl maar deze weigert berouw te tonen.. ... hij argumenteert niet, maar houdt het op de kern van de zaak: “soldatenwoord is gulden woord“ ! Je hebt maar geen verdragen te schenden! Zo staat hij daar dan met de strop om zijn hals en gelukkig is het Nele die hem op het laatste moment voor zich opeist als echtgenoot, zodat hij gered is. Want vroeger was het op vele plaatsen gebruikelijk dat iemand vrij was als hij uit de strop opgeëist werd door een vrouw die met hem wilde trouwen. De mensen voelden dat terecht aan als de liefde die de misdaad verzoenend in zich opneemt en op deze wijze opheft. Zo kwam ook Uilenspiegel vrij, maar hij was geen misdadiger; zelfs Lumey moest toegeven dat God met hem was. . .

De Geuzen waren hartstochtelijke, woeste mensen die vochten voor de vrij­heid, maar die daaraan nog lang niet menselijk waren. Menselijk was Uilen­spiegel, hij was volwassen. Vandaar dat zijn vrijheidsstrijd een heel ander karakter had dan bij de andere mensen. Zoals ik in het begin van dit boek al gezegd heb: het feit dat Uilenspiegel vecht voor de vrijheid komt voort uit het feit, dat hij een kind van helderheid is. Hij gaat dus altijd te keer te­gen de kleinheid en de benauwdheid van de wereld; dat komt helemaal uit hem­zelf voort. Daarom blijft hij ook een vrijheidsstrijder in elk tijdsgewricht en onder alle omstandigheden. En hij vecht niet voor een partij en niet te­gen een partij; voorzover hij vecht is het ter wille van het totaal, dat hij zelf is en dat de mensheid is, waarvan hij deel uitmaakt.

 

Pagina 38

Vietnam-1  ; Vietnam-2

Zo is een monnik bij hem niet bij voorbaat een kind des doods en een Geus is voor hem niet bij voorbaat heilig. Hij schaart zich onder de gelederen van Oranje, maar hij is niet voor Oranje: hij bevecht alleen maar vrijheid omdat vrijheid leven bete­kent en leven is voor hem het enige dat er werkelijk is voor de mens. "Leven steekt op mijn vendel uit, leven in het licht der rede", dat is de zaak waar­om het gaat en die zaak is alleen maar voor de vrije mens mogelijk. Deze vrij­heid heeft dus een veelomvattender betekenis dan de vrijheid waarvoor de Geuzen vechten; voor de Geuzen was het doel op zichzelf, voor Tijl Uilenspie­gel de voorwaarde voor het leven.

Vandaag bijvoorbeeld vechten de Amerikanen in Vietnam en het heet dat zij daar de vrijheid verdedigen; zij staan daar als de voorposten van de wester­se beschaving en zij hebben in hun ideaal alles mee, juist omdat het om het laatste praktische principe gaat: de vrijheid. Maar de vrijheid van de Ame­rikaan is niet de vrijheid van Uilenspiegel; het is slechts het teken waar­onder de normale belangen zich doorzetten. Dat teken staat boven alles waar­mee de westerling komt, maar op zichzelf is het niet verhevener dan de leu­zen van Rome of van Hitler. Het is heel banaal de strijdkreet van het wes­ten; met die kreet kan je instemmen of je kunt er tegen zijn en in het laat­ste geval riskeer je bommen op je kop. Als het werkelijk over vrijheid zou gaan, dan was er geen noodzaak om tegen het zogenaamde communisme te vechten want elk mens heeft het recht het heil van de staat van het communisme te verwachten. En dat geldt des te meer voor het oosten waar de cultuur nu een­maal een vrouwelijke inslag heeft -de inslag dus om het geheel te laten gelden boven de individu. Ook dat is op zichzelf een onvolwassen aangele­genheid, maar het is vandaag de dag een realiteit, die voor een slapende mensheid, zoals we die in het oosten aantreffen, tal van mogelijkheden biedt. De Amerikaan is thans de man dia de vrijheid misbruikt om ze anderen op te leggen. Vandaar dat hij zegt dat die anderen zonder de Amerikaanse hulp het risico lopen onvrij te worden. De vrijheid staat tegenover de on­vrijheid, net zoals indertijd bij de Geuzen, alleen precies andersom, en in dat geval gaat het noch bij de vrijheid, noch bij de onvrijheid om "vrij­heid" zoals Uilenspiegel die opeiste.

De werkelijke vrijheid is een vrijheid, die niets tegenover zich heeft; er is geen tegendeel waarmee de vrijheid in botsing kan komen. Een botsing die uitloopt in een gevecht waarbij de een kan winnen of de ander kan winnen. Zo'n botsing treedt op bij alles wat bepaald is, want de bepaaldheid vindt aan zijn grens altijd het andere en dat andere bepaalt hem. Wanneer echter de bepaald­heden in een situatie zijn geraakt waarin zij niet anders gelden dan als een van de elementen die inhoud zijn van het geheel, dan is dat bepaalde van geen belang meer. Het gaat dan niet meer om de bepaaldheid als zodanig, maar om het feit, dat het totaal van de bepaald heden het geheel vormen. De be­paaldheid als deel van het totaal dat het geheel vormt, is geen bepaaldheid meer die de andere bepaaldheid tegenover zich vindt. We zouden het zo kunnen zeggen, dat de andere bepaaldheid dan met hem is, op zijn eigen specifieke wijze uiteraard. Voor een volwassen mens ligt de verhouding zo en het is duidelijk, dat wanneer een bepaaldheid, hoe gering ook, zich zou gedragen als was hij niet een deel van het totaal, dat dan voor die volwassene de hele boeI overhoop lag. Die ene bepaaldheid verstoort de hele zaak en omdat die zaak van levensbelang is voor de mens gaat hij automatisch dat éne tot de orde roepen. Dat ene heeft zich tegenover de "rest" gesteld en heeft daarmee čn zichzelf en de rest als vrijheid ontkend. Hier is dus sprake van het ontkennen van de vrijheid en zo voelt Tijl Uilenspiegel het ook; het is echter niet zo dat er een andere zaak bestreden moet worden. De ont­kenning van de vrijheid moet bestreden worden, hoe die zich ook voordoet en bij wie. Maar de Geus streed voor de vrijheid als zijnde een andere zaak dan de zaak die tot nu toe aan de orde was. En in die strijd was hij even kort­zichtig, even wreed, even meedogenloos en even bekrompen als zijn tegenstan­der. Wat hem sympathiek maakt is zijn hartstocht, die nog alle kracht van de nieuwe frisse idee in zich heeft. Maar die hartstocht is tevens zijn onder­gang; het enthousiasme zet de mens wel aan tot grote daden, maar die daden missen de onoverwinnelijke, rustige en trefzekere kracht van de daden die voortkomen niet uit hartstocht, maar uit de gesteldheid van een mens.

Vietnam-1 ; Vietnam-2

 

Pagina 39

Want als het hierover gaat, dan krijgen wij te maken met een dusdanig zeker weten en bovendien een weten, dat onmiddellijk is zonder enige redenering van node te hebben, dat de zaak niet anders kan dan lukken. Het gelukken van de zaak ligt volkomen vanzelfsprekend besloten in de gesteldheid van de betreffende mens. Hij behoeft niet begeesterd te worden en in vlam te geraken en hij behoeft ook geen speciale omstandigheden om tot daden over te gaan. Hij behoeft helemaal niets want de daden die hij stelt komen automatisch voort uit zijn innerlijk. Zo was Tijl Uilenspiegel waar het zijn vrijheid betrof; in alle rust en opgewektheid doet hij wat er te doen is. Hij doet het zoals een ander zijn vak uitoefent: zeker van zichzelf, blijmoedig, nijver en betrouwbaar. Van hartstocht blijkt bij hem niets, tenminste waar het gaat over de zaak van de vrijheid, want Tijl was wel een hartstochtelijk mens ! Natuurlijk was hij dat, want alle innerlijke krachten waren bij hem vrij; die werdén niet verdrongen door tegenkrachten, zoals dat bij een onvolwassen mens het geval is. Bij Tijl kwam alles vrijelijk naar voren, zonder enige verbuiging of onoprechtheid..... maar deze hartstochtelijkheid houdt nog niet in, dat hij zijn daden hierop baseerde! De basis van zijn daden lag in zijn gesteldheid en de wijze waarop die daden gesteld werden was hartstochtelijk. Op dit laatste grondt zich de sympathie die de mensen voor hem voelden: daarom kreeg hij ze mee, die mensen, want zij werden enthousiast, zij werden begeesterd. Zolang die begeestering voortduurt, zolang doen die mensen mee. Je moet ze blijvend opzwepen om ze blijvend actief te laten zijn. Begint dat af te zakken, dan vallen die mensen terug in hun eigen gedoe en dat is niet de zaak waarvoor zij zich tijdens de begeestering zo ingespannen hadden. De daden van deze mensen zijn dus wel gebaseerd in hun hartstochtelijkheid. Ze zijn dan ook van voorbijgaande aard! De Geuzen bleven ook geen Geuzen; het ebde vanzelf af toen de zaak waarom het ging hen niet meer zo erg opeiste. Maar bij Tijl ebt niets af want hij is die zaak zelf en dat blijft maar doorgaan. Daarom heeft De Coster hem dan ook als onsterfelijk getekend..... overigens behoorde dat in de oude tijd tot de vaste clichés en daaraan heeft De Coster zich gehouden, hoewel het natuurlijk flauwekul is. Hij had Tijl ook als een nimmer aflatende activiteit kunnen tekenen zonder hem met onsterfelijkheid te bedelen: hij was toch niet getrouwd aan het oude volksverhaal ? Maar goed, Tijl is aan het werk vanuit zijn gesteldheid en naast die zaak waaraan hij werkte was er nog niet eens wat anders; er bestond alleen maar de ontkenning van die zaak en dat was voor Tijl terecht een misdaad die gestraft moest worden. Maar de ontkenning van een zaak is ook die zaak; het gaat dan niet ineens over wat anders! Het gaat over precies hetzelfde en dat "zelfde" wordt ontkend. Een andere zaak is er dus niet, er is geen andere mogelijkheid, geen alternatief. En dat is het dat de mens zo'n zekerheid geeft en dus ook onkwetsbaarheid. Dat is bij de meeste mensen niet zo: voor hen is er eventueel ook nog een andere oplossing en het kan ook nog zijn dat iemand anders gelijk heeft, hoewel het "mijn" overtuiging is, dat de zaak zo en zo in elkaar zit. Ieder zijn mening, zeggen wij dan en dan respecteren wij de mogelijkheid, die een ander op tafel legt. Wij erkennen de mogelijke juistheid van dat andere, hoewel wij het er zelf eigenlijk niet mee eens zijn. Deze gesteldheid heeft niets met zeker weten te maken; het is de wereld van de meningen en de overtuigingen en de zienswijzen en die zijn allemaal omver te werpen. Wij kunnen tot andere inzichten komen; iemand anders kan ons van zijn gelijk overtuigen en prompt zijn wij dan ook een andere mening toegedaan. Dus: voor de meeste mensen staat tegenover het een wel het ander en hoewel we het maar met een van die twee eens zijn, houden we toch de mogelijkheid van het gelijk van de  ander open. Dit is typisch "beschaafd" en het is volledig karakterloos. Het is de mens op zijn zwakst, hoewel de mens die die gesteldheid vertoont, een geleerd en geletterd en beschaafd mens is. Het is precies de juiste gesteldheid om niets te laten lukken en om alles te houden in een grijze middelmatigheid. Inderdaad ...., het kan op het ogenblik niet anders en niemand heeft er schuld aan, maar dat neemt toch het feit niet weg! Bijna niemand weet iets zeker en bijna iedereen twijfelt eraan of er wel iets zeker te weten valt, hoewel je ook dat niet zeker kunt weten. Voor de beschaafde mens is er geen zeker weten, er zijn alleen maar eventueel mogelijke mogelijkheden. Maar hij tast dan ook in het duister, die beschaafde mens. Hij doolt rond als een blinde, want alle zien is bij hem verloren gegaan omdat hij zijn contact met de ene ondeelbare werkelijkheid verloren heeft.

 

Pagina 40

Hij heeft enkel maar een massa elementen in handen, en die elementen rangschikt hij zo goed mogelijk en hij probeert achter de samenhangen te komen en telkens weer blijkt dat datgene dat hij gevonden heeft, weer fout is omdat er nog meer samenhangen zijn dan hij aanvankelijk dacht. Zo blijft het maar doorgaan en nooit komt hieraan een einde want het totaal van alle elementen en alle samenhangen is nooit te achterhalen, omdat de werkelijkheid tenslotte een en ondeelbaar is. Alles wat voor deze mens te bereiken is, is tenslotte toch weer een groot niet-weten en dat niet omdat de mens te stom is en hij maar een "klein mensenverstand" heeft, maar omdat de werkelijkheid een ondeelbaarheid is ondanks alle deelbaarheid van haar inhoud. Zo is de beschaafde mens een complex van meningen die altijd de mogelijkheid van onjuistheid in zich dragen; zo staat er tegenover het een altijd het ander. Daar ligt de grond voor het compromis, waarvan de gehele beschaafde wereld doortrokken is en dat is op zichzelf nipt erg, want het compromis is niet te vermijden als het gaat over het opbouwen van een leefbare wereld. In de techniek bijvoorbeeld moeten bepaalde factoren in evenwicht gebracht worden met andere factoren om een functionerend geheel te krijgen. Dat is niet alleen in de techniek zo: het geldt voor het gehele terrein van de werkelijkheid, die door de mens geregeld wordt. Op dat terrein echter is het compromis op zijn plaats. Daar is het geen laakbare zaak. Maar de mens moet wéten, dat hij met een compromis te doen heeft en dat dit onvermijdelijk is op het betreffende terrein. Als hij dat weet, dan is het in orde, want dan weet hij namelijk ook dat er werkelijkheden zijn waarvoor het compromis ten enen male verderfelijk is. Die werkelijkheden liggen op het terrein van het menselijk leven. Daar kunnen we geen compromis sluiten, daar kunnen we geen middenweg kiezen en daar kunnen we ook niet steunen op de wankele basis van een twijfelachtige mening, om de eenvoudige reden, dat het evenwicht tussen het een en het ander helemaal niet bestaat. Omdat het een in het leven niet los staat van het ander en er zelfs niet van te onderscheiden is. Het enige dat hier geldt is het leven zelf, en het weten omtrent dit leven komt alleen maar voort uit het zien van het geheel dat de werkelijkheid is. Als de mens dat ziet - en dit is niets bijzonders; het heeft met verhevenheden hoegenaamd niets te maken - dan ziet de mens die ene zaak die is zoals ze is en die niets naast zich heeft. Die niet "het andere” kent en waarvoor dus ook geen alternatief is. Er is alleen maar die zaak en die zaak komt onder de mensen op alle mogelijke manieren voor, zelfs op de manier van de ontkenning. En deze laatste manier is de misdadigheid. Zo is er voor Tijl Uilenspiegel dus ook maar een zaak en die zaak is zeker en onwankelbaar in hem aanwezig; bij de andere mensen ziet hij die zaak aanwezig op alle mogelijke manieren, maar dat geeft niets - dat is hooguit een beetje dom en geeft dus alle aanleiding tot spotten - maar er is ook een manier die wel geeft en die moet uitgeroeid worden omdat het een aantasting is van alle levensmogelijkheden van de mens. Omdat het de ontkenning van en de mens en de werkelijkheid is. Hier ligt de rechtvaardiging van de wraak van Tijl Uilenspiegel, namelijk dat hij de verbreker doodt omdat hij niet mag leven als ontkenning van de werkelijkheid. Ja, een rustige samenleving kan het zich veroorloven zo'n verbreker als een ziektegeval te beschouwen, wat hij in feite ook is. Maar een woelige samenleving die pas net begint zichzelf te laten gelden heeft geen tijd voor luxe en heeft er bovendien terecht de gesteldheid niet voor. Want in zo'n samenleving zet de verbreker zijn misdadigheid met groot geweld door en het ene slachtoffer valt na het andere. Er is geen houden aan als de misdadigheid uit de voeten kan want alles, ook de betreffende samenleving, staat in het teken van de verbrokenheid. Dus die gehele samenleving stimuleert de misdadigheid; dat is altijd zo in woelige tijden. Op een dergelijke gang van zaken is geen ander antwoord dan de wraak, de wraak van de echte zuivere mens die zijn behoorlijkheid met geweld gaat laten gelden vanuit de noodzaak zichzelf als behoorlijkheid staande te houden. Hoe meer je er in dergelijke omstandigheden opruimt hoe beter het is want je verlost de wereld alleen maar van ettergezwellen die niets goeds te bieden hebben. Medelijden is hier echt misplaatst, want er is hier geen lijden waarmee we mee kunnen lijden. En een excuus voor de misdadigheid is er ook nooit, want er is nooit een noodzaak tot misdadigheid.

 

Pagina 41

Vietnam-1 ; Vietnam-2

Niemand is genoodzaakt om naar Vietnam te gaan en niemand is gedwongen om het uniform van de SS aan te trekken. En zelfs niemand is gedwongen om zijn dienstplicht te voldoen. Ik weet het wel: je bent het verplicht, dat heeft de staat voor je verzonnen, maar.... met al die plicht kunnen ze je toch nooit zover krijgen als je net als Tijl zeker weet dat de zaak stinkt. Hoe je de zaak oplost zoek je maar uit, maar je komt nooit in Vietnam, nooit in de SS en zelfs nooit in het leger - als je maar zeker weet dat het stinkt. Desnoods ben je niet zo vindingrijk om buiten de gevangenis te blijven of het concentratiekamp, maar dan is er nog altijd deze troost dat het eervoller is in de gevangenis doodgeslagen te worden dan als een misdadiger door het leven te moeten. Er is dus nooit een excuus voor schoftenstreken want in het menselijke is de mens nimmer te dwingen. Geldt die zaak voor je, dan brengt niets je ervan af. Maar bovendien is het in de praktijk dan ook nog zo, dat je wel raad weet met het gescharrel van de wereld..... daar is immers nog je slimheid! Zoals ik al gezegd heb naar aanleiding van Tijl: het is de slimheid die de behoorlijke mens er doorheen helpt. Die slimheid is een noodzaak - zonder dat kom je er niet, maar zonder dat ben je nog lang geen schoft al ben je dan een beetje onhandig. Slimheid is het spelen met tegenstellingen, het is het spel met het een en het ander. Het lijkt alsof het over het een gaat en dan blijkt het over het ander te gaan en als dat dan gebleken is, dan blijkt het eigenlijk over geen van beide te gaan. Voor de slimmerd gaat het om noch het een, noch het ander, want het is hem allebei te stom, het is hem te beperkt, te benauwd. Hij geeft dan ook niemand iets in handen om houvast aan te hebben, maar hij spiegelt de mensen wel voor, dat ze iets in handen hebben. Want met iets moet je toch komen in de wereld, het volslagen niets-stellen is een onmogelijkheid. Dat is in theorie desnoods wel prachtig maar het houdt in de praktijk geen moment stand. Er is altijd wel iemand die iets van je wil of je meent ergens toe te kunnen dwingen, en dan moet je daar toch een antwoord op weten te vinden anders loopt het mis. Dan is het juist de volwassen mens die, omdat hij boven de beperktheden en de hokjesindelingen staat, in alle gemoedsrust een slim antwoord stelt waarmee hij de dans van de kinderachtigheden ontspringt zonder dat er op hem geschoten wordt. De volwassene kan spelen met de beperktheden, met de tegenstellingen, een onvolwassene die met grote ernst en grote gewichtigheid denkt en spreekt over de zaak waarmee hij bezig is en die die zaak ziet als het middelpunt van de gehele kosmos, die kan dat niet, want daaraan staat zijn gewichtigheid in de weg. Zijn belang bij een van de bepaaldheden belet hem om slim te zijn. Daarom komt hij wel voor het executiepeloton en vindt dat, als het nu eenmaal toch moet gebeuren, een eer. Het bevestigt zijn hokjes gesteldheid, zijn principes. Hij voelt zich een martelaar voor zijn zaak en hoewel wij dat allemaal op de een of andere manier iets geweldigs vinden, is het eigenlijk misselijk; het is de mens op zijn smalst, de mens stervend voor het etiket dat hij zichzelf opgeplakt heeft. Stervend voor zijn eigen beperktheid en er dan nog een eer in stellend ook! De mens kan toch alleen maar sterven voor zichzelf en niet voor de een of andere bekrompenheid die hij zichzelf opgelegd heeft. De mens kan alleen maar sterven omdat hij niet meer kan leven, maar voordat het zover is heeft hij al heel wat ruimte om zich heen geslagen en stervende is hij daar nog mee bezig; dan is hij nog bezig zichzelf als vrijheid te laten gelden door het tuig uit zijn buurt te schieten. Zo’n mens komt niet levend als een weerloos lam voor het executiepeloton, zo’n mens blijft vechten totdat hij het afgelegd heeft. Hoe ruw dit ook in onze beschaafde en pacifistische oren klinkt, toch is dit menselijk.... maar de martelaar, die voor een zaak sterft in het volle besef van het gewicht van die zaak, is het tegendeel van menselijk, hij is een bekrompene die met de dood voor ogen al zijn weerbaarheid laat zakken en er blijk van geeft overwonnen te zijn. Hij erkent hiermee het andere, de overwinnaar, en sterft als die erkenning. De volwassen mens staat boven de tegenstellingen en in zijn slimheid doet hij daarmee wat hij wil, terwijl hij toch geen oplichter is. De meeste mensen die wij als slim ervaren zijn oplichters; zij stellen steeds het tegengestelde van zichzelf om de mensen zand in de ogen te strooien. En dan gaan zij met de buit strijken, want daarom was het te doen. Hier hebben wij niet met een spel der tegenstellingen te doen: zij riskeren immers zichzelf niet! Zij verbergen zichzelf.

Maar het typische van het spel is, dat je jezelf riskeert.

 

Pagina 42

Dat doe je al door het blote feit van het meedoen met het spel. Je stelt het geval, het bepaalde geval dat je bent, in de waagschaal. Daarom behoor je in het spel dan ook gemoedelijk te blijven, d.w.z. als je kwaad wordt, dan geef je er blijk van jezelf niet te kunnen verliezen. Je blijkt vast te zitten in je ommuurde bepaaldheid. Je bent bang je gezicht te verliezen. Bijna iedereen is daar bang voor en daarom kan ook bijna niemand spelen; een kind kan dat wel want het heeft nog geen gezicht te verliezen. Het is nog niets bepaalds geworden dat ten koste van alles in stand gehouden moet worden. Daarom behoort het spel bij het kind, maar het behoort ook bij de volwassen mens, hoewel het daarbij niet meer om knikkers gaat. Bij de volwassene is er het spel met de bepaaldheden en vooral met de bepaaldheid die hij zelf is. En dit is de ware slimheid. De leepheid van een oplichter is geen slimheid, het is lafheid..... de lafheid om met zichzelf voor de dag te komen en de laffe angst daarmee voor schut te staan. En zo in het geniep is de oplichter vreselijk bezorgd voor zichzelf. Hij is niet alleen een enge bepaaldheid, hij is bovendien door en door laf. Zeker kunnen we van de volwassen mens zeggen, dat hij maar wat zegt als het gezeur hem te bar wordt, maar hij is toch niet verplicht aan de eerste de beste idioot tekst en uitleg te geven ? En als de mensen maar blijven zaniken over betrekkelijkheden, dan behoeft hij dat toch niet ernstig te nemen ? Gelukkig is het gezeur meestal van onschuldige aard, maar bij Tijl Uilenspiegel riekte datzelfde gezeur zeer sterk naar de galg. Dus dan is er aanleiding te over om "maar wat te zeggen" teneinde niet door zo'n idioot opgeknoopt te worden! Met oneerlijkheid heeft dit niets te maken; oneerlijk is hij die zich als bepaaldheid, als "dit" mens anders voordoet. Maar de volwassene doet zich niet als "dit" mens voor; hij is wel een bepaald mens, want dat is natuurlijk iedereen, maar hij is er niet op uit dat bepaalde als maatgevend te laten gelden. Voor hem geldt als eerste dat hij mens is en dat is hij dan op zijn eigen wijze. De "wijze waarop" is voor hem niet van belang en daarom is het voor hem ook niet van belang aan die "wijze waarop" te gaan scharrelen zodat het wat anders lijkt. Bij hem komt het begrip eerlijk of oneerlijk helemaal niet te pas, maar als wij toch deze termen willen gebruiken, dan moeten wij zeggen dat we met een "eerlijk" mens te doen hebben, ondanks alle slimheid. Trouwens een werkelijk slim mens heeft altijd iets opens aan zich; dat komt door zijn helderheid die onverbrekelijk met zijn volwassenheid verbonden is. Wij hebben nu de verhouding bekeken die er is tussen de volwassenheid van de mens enerzijds, en zijn vrijheid anderzijds. Dat is het hoofdthema van de Tijl Uilenspiegel. Maar behalve dat thema is er nog een thema en wel dat van het vrouwelijke. Het valt uiteen in verschillende figuren, die ieder voor zich hun eigen karakter hebben, maar die in het grote geheel geen afzonderlijke gevallen zijn, maar aspecten van een zaak. Deze zaak kunnen wij benoemen met enerzijds de titel "de vrouw" - in al haar algemeenheid - en anderzijds met de titel “de West-Europese vrouw". De vrouwelijke tegenhanger van Tijl is Nele ; zij is dus de volwassene als vrouw. Als zodanig gaat zij natuurlijk uit boven het engere thema van de West-Europese vrouw, maar tevens is zij niet zonder dit voorland denkbaar.Dat heeft Charles de Coster dan ook getekend in twee figuren: ten eerste de vroedvrouw Katelijne, die een tovenares was. Dat is de moeder van Nele, die het hield met een onbekende duisterling waarvan zij dacht dat het de duivel was. Deze man bleek later een misdadige opgrijper te zijn..... Ten tweede is daar de figuur van Kalleken, de vrouw van Lamme Goedzak. Met deze vrouw heeft Nele in de praktijk betrekkelijk weinig te maken, maar desondanks behoort zij toch tot het patroon. Zij is de vrouw die het verheven vrouwlijke zoekt en die bijgevolg verstrikt raakt in de netten van een Roomse broeder, die zijn geilheid bevredigt door vrouwen te kastijden die hysterisch genoeg zijn om een "bruid van Christus" te willen zijn. Lamme Goedzak is de verbindingsschakel, gekoppeld als hij is aan die "bruid van Christus" door de banden van het huwelijk en aan Tijl Uilenspiegel door de banden van een kinderlijke liefde tot de idee. En omdat hij in deze liefde alsmaar met Tijl te maken heeft komt via hem de verbinding tot stand tussen Kalleken en Nele.

 

Pagina 43

Zo behoren al deze figuren bij elkaar, maar wij bekijken ze natuurlijk om te beginnen afzonderlijk, en dan beginnen we bij Katelijne, de moeder van Nele. Katelijne wordt een "goede toveres" genoemd; zij bezat de gave der helderziendheid en zij kon kruiden bereiden om dieren te genezen en ook kruiden die de mens verdoofden en hem allerlei visioenen schonken. Zij voorspelde hoe het leven van Tijl zijn zou en doormiddel van haar "toverzalf" maakten Nele en Tijl kennis met “de Zeven”, een begrippencyclus waarover wij nog spreken zullen. Katelijne was ook een vroedvrouw en zij verkeerde in de veronderstelling dat zij omgang had met de duivel. Getrouwd is Katelijne nooit geweest, zij huldigde de opvatting:

"Viermaal drie is een heilig getal, en de dertiende is de echtgenoot ... "

De echtgenoot is dus een stuk ongeluk, niet alleen bijwijze van spreken, maar ook in het echt.... het huwelijk met de daaraan meekomende echtgenoot is het grootste ongeluk dat de vrouw kan overkomen. En dat niet omdat naar haar idee de mannen zich toch als ellendelingen ontpopten, maar omdat het huwelijk een voor haar onmogelijke en mensonwaardige toestand was. Het kind, dat zij op een gegeven moment krijgt, is voor haar het kind van de duivel, maar Klaas zegt dat de duivel geen kinderen kan verwekken en dat er dus wel een man in het spel zal zijn - reden waarom hij direct bereid is het kindje van Katelijne als het zijne op te nemen om Katelijne te vrijwaren voor rechtsvervolging. Dat kindje is Nele.....

Katelijne is blij met het kindje en zij zorgt er goed voor, zodat de buren haar prijzen omdat zij zo onbaatzuchtig het kind van een ander , namelijk van Klaas, opvoedt. Het feit, dat het kind door een duivel verwekt is, deert haar helemaal niet; het lijkt erop dat zij dit een volkomen normale gang van zaken vindt. Zij vindt het trouwens ook normaal dat de duivel haar 's nachts bezoekt - Ze roept dan wel de Heilige Maagd aan, maar dat is meer voor de vorm. Want als de duivel zich door de Heilige Maagd had laten verjagen, dan zou zij hem niet veel waard gevonden hebben. Ze vertelt ervan:

"De boze geest, de zwarte nacht valt neer. - Daar meldt hij zijne komst, met het geschreeuw van den nachtuil. Rillend aanroep ik - te vergeefs - de Heilige Maagd. Voor hem muren noch hagen, deuren noch vensters. Licht als een geest dringt hij overal binnen.- Krakende ladder.- Hij is bij mij op den zolder waar mijne legerstee staat. - Hij grijpt mij in zijn koude armen, als marmer zo hard. - IJskoud is zijn gelaat, en zijn kussen vochtig als sneeuw. De strohut schudt en slingert als een schuitje op de woelige zee...”

 

Dan zegt Klaas dat zij elke morgen naar de mis moet gaan om va die duivel verlost te worden, maar dan weet zij maar een ding te zeggen:

"Hij is zo schoon.....!".

 

Voor haar gaat het dus om een schone mannelijkheid, die volkomen vluchtig is en die dus overal doorheen gaat, een mannelijkheid die onbekend is in de duisternis van de nacht. En die mannelijkheid ervaart zij als koud en hard, terwijl tevens de strohut "schudt en slingert" onder het geweld van zijn liefde en de alles meeslepende beweging daarvan. En zichzelf ervaart zij als doortrokken van de krachten en de spanningen van de kosmos; duistere krachten zijn dat, krachten die niet met het verstand te beredeneren zijn en die ook niet op verstandelijke wijze zijn aan te wenden. Want zij liggen verborgen in het duistere geheel dat de kosmos is en dat duistere kosmische geheel is zij zelf. Met behulp van bepaalde bedwelmingen is zij in staat zich op die krachten te laten drijven en dan ziet zij dingen die een mens normaal niet ziet. Zo ziet zij Klaas en Karel V voor de troon van Christus verschijnen en dan ziet zij hoe die "gekroonde worm", Karel V, veroordeeld wordt om driehonderd jaar lang alle pijnen te lijden en martelingen te verduren waaraan de mensen onder zijn bewind blootgestaan hadden. Na die driehonderd jaar mag hij dan bewijzen eventueel nog tot iets behoorlijks in staat te zijn. Genade geldt er voor hem niet want hij was een gebieder over miljoenen en heeft in zijn onrechtvaardigheid alleen maar kwaad gedaan. En Klaas wordt natuurlijk opgenomen in de hemel, want hij was een goed mens.

 

Pagina 44

 

Naar bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ;

Katelijne was door en door verbonden met de natuur, en dat was zij dan niet op een wijze zoals wij die ons zouden denken, zoals bijvoorbeeld iemand die van de natuur houdt, graag in de "vrije natuur" vertoeft en daar allerlei wonderen en schoonheden ontdekt, en zij was het ook niet als iemand die vanuit een bepaald idealisme de stelling "terug naar de natuur” aanhangt en dan de nacht op het natte gras doorbrengt bij een armetierig houtvuurtje, maar Katelijne was de natuur zelf, voorzover die in de vrouw tevoorschijn komt. In dit verband betekent het begrip “natuur” niet de werkelijkheid voorzover die een tegenstelling is tot de "geest". Dat is een oud westers begrip dat tot op de dag van vandaag de filosofie en het denken beheerst heeft en dat steunt op de mening dat er twee dingen zijn, namelijk het tastbare, concrete, het verschijnsel en het niet-tastbare, de geest, God, de helderheid. Vanuit dit denken is de “natuur” een eenzijdigheid, een dofheid, een aan het hoogste tegengesteld bloedbad waarin alles probeert alles te verslinden en waarin al het aanwezige onmiddellijk van zichzelf de doodsvijand. is. Dan is de natuurlijke mens een ondier, erger dan het ergste dier en dan is alles aan de mens dat herinnert aan die dierlijkheid zondig en afkeurenswaardig. Het lichaam is dan "uit den boze" en ook de seksualiteit en alles wat daarmee samenhangt. Zoals gezegd: dit is westers denken en vanuit dit denken is een vrouwelijkheid zoals die van Katelijne regelrecht duivels. Het is tegengesteld aan het goddelijke dat de mens heeft te vertonen. Katelijne is een heks en zij verdient ter dood gebracht te worden. Want alles wat zij aan zich heeft is verstoken van het goddelijke.....Hoe ligt de zaak echter in feite? In feite hebben wij in de eerste plaats te maken met het vrouwelijke, dus met het geheel waarin alles besloten is. Alles dus wat er is, alles wat ontstaan is en dat met namen te benoemen is is als een massa opgenomen in het vrouwelijke, zonder dat er enige orde op zaken is gesteld en zonder dat er onderscheid is gemaakt tussen het een en het ander. Het onderscheid is niet van belang, maar wel het feit dat alles er is. Het totaal is inhoud van het geheel; deze situatie is de vrouw, en deze situatie geldt derhalve in de eerste plaats voor Katelijne zoals hij voor elke vrouw in de eerste plaats geldt. Maar deze situatie staat in een zeker licht bij Katelijne en bij alle andere vrouwen die later "heksen" genoemd zullen worden. Bij deze mensen namelijk staat alles in het licht van zijn eigen oorsprong, en die oorsprong is de kosmos. Het is de werkelijkheid zoals die vanzelf, zonder enig intellectueel ingrijpen, ontstaan is. Het is de werkelijkheid zoals ze geboren is. En die boreling, vrouwelijk genomen, is Katelijne. Zij is wel helderheid, zij is wel intellect, kortom, zij is volledig mens, maar alle helderheid is aanwezig op de wijze van duisternis. De helderheid is nog niet helder, of, anders gezegd: die helderheid heeft zichzelf als helderheid nog niet herkend en dus ook nog niet gesteld. Helderheid is er dus wel en in genen dele minder den bij andere mensen, maar het blijft bij het niet-gesteld-zijn daarvan. Als wij nu denken dat er dus dofheid gesteld wordt, dan hebben wij het niet begrepen; er wordt namelijk niets gesteld. Want om iets te kunnen stellen moet het aanwezig zijn, moet het tot "weten” gekomen zijn. Maar dit veronderstelt wel helderheid en dat kan dus niet voor Katelijne gelden. Katelijne komt voor de dag als een door en door goed mens, die nooit iemand benadeelt en die in alle rust en eenvoud haar weg gaat. Zij verzorgt de zieke dieren van de boeren, zij treedt op als vroedvrouw en zij bereidt genezende kruiden voor de mensen. Zij is goed zonder iets te stellen, zonder tot enige bepaling, zelfbepaling, te komen. Alles aan haar is goed en dat komt dofweg voor de dag - zomaar vanzelf. Er wordt dus geen dofheid gesteld - de vrouw is hier zomaar aanwezig. En die vrouw deugt zoals de mens, in het algemeen, zomaar deugt zonder er iets voor te hoeven doen. Deze vrouw staat in het teken van haar oorsprong, van haar geboorte en in deze oorspronkelijkheid komt haar hele vrouw-zijn voor de dag. Dat wordt door de intellectuele mens aangevoeld als een duistere aangelegenheid en bovendien als een misdadige zaak omdat voor de intellectueel - en dat zijn wij allemaal - alleen maar dat goed is, dat beredeneerd is en dat dus zichzelf bepaald heeft. En goed is voor de intellectueel datgene dat zichzelf ertoe gedwongen heeft anders te zijn dan het eigenlijk is. Datgene dat zichzelf tot beschaving geforceerd heeft.

Naar bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ;

 

Pagina 45

Maar een niet-beschaafde en niet bepaalde en on­beredeneerde zaak is voor de intellectueel alleen maar "natuurlijk" en deze natuurlijkheid is het andere van goddelijkheid waarom het eigenlijk gaat voor de intellectueel. Dus is het misdadigheid, het is duivels.

Deze "geboren vrouwelijkheid", die zich houdt hij haar oorsprong, is uiter­aard een geheimzinnige zaak. Want alles ligt in haar besloten, maar wat het is en hoe het in elkaar zit, dat weet niemand. En niemand weet wat er in dat besloten, ondoorzichtige, geheel gebeurt; welke spanningen en krachten er vlerken en wat er allemaal mogelijk is. Maar dat er de gehele kosmos in al haar geheimzinnigheid rondspookt, dat staat natuurlijk vast. Dus waarom zou je niet kunnen zien wat er verderop gebeurt en waarom zou je niet kunnen vliegen. En het staat natuurlijk vast dat je de natuurelementen voor allerlei doeleinden kunt aanwenden: voor rampen, voor vreugden, ter genezing en ter vernietiging. Voorzover je dan in du praktijk een ziek dier kunt genezen door bepaalde gewone kruiden te gebruiken, is dat natuurlijk tovenarij en als het je niet lukt een dier te genezen, dan ben je ook nog strafbaar, want je hebt je kunsten negatief aangewend.

Aanvankelijk was iedereen ervan overtuigd dat bepaalde mensen konden tove­ren. Dat was helemaal niet erg, zolang die kunsten maar niet misdadig toe­gepast werden. En ook als dat wel gebeurde, dan waren er nog wel weer aller­lei tegenmaatregelen te nemen, zodat je toch niet zo erg veel gevaar liep. Maar op een gegeven moment is Rome begonnen met drijven tegen de tovenarij en wel speciaal tegen die tovenarij die uit het vrouwelijke voortkwam. De tovenarij dus, die de in het vrouwelijke besloten krachten vrijmaakte, of vrij dacht te maken. De mannelijke tovenarij was voor Rome zo gevaarlijk niet omdat de zaak hier toch intellectueel aangepakt werd. Het was het begin van de wetenschap want het was het werken met de elementen der natuur. Rome stak er niet de vlag voor uit, maar beschouwde het toch als een soort van onder­zoek. De vrouwelijke tovenarij echter was gevaarlijk want hier is het vrou­welijke nog helemaal in haar geboorte betrokken en dus werkelijk vrouwelijk. En deze vrouwelijkheid is lijnrecht in strijd met het Roomse geloof - trou­wens, het is in strijd met elk geloof. Het drijven van Rome heeft duizenden vrouwen op de brandstapels gebracht, er is verschrikkelijk huisgehouden onder de mensen, maar gezegd moet worden, dat de mensen zelf er ijverig aan mee­deden. Zij waren hoogstens opgehitst door Rome en later ook door de andere kerken, maar het zaakje lag hun best. Overal waar een fanatieke gelovigheid aanwezig is, is een haat tegen het vrouwelijke. Een haat tegen het duistere, gesloten, geheimzinnige geheel, dat aan elke redelijkheid ontsnapt en dat wars is van onderdanigheid en dat volstrekt ongelovig is. Bovendien is het de beschaafde mens een gruwel omdat het zich seksueel afwijkend gedraagt. Het staat namelijk in een geheel andere verhouding tot het mannelijke dan bij de beschaafde vrouw het geval is. De beschaafde vrouw erkent in haar beschaafd­heid de helderheid; zij behoort tot de cultuur waarin het om de helderheid gaat, en dat is dus in de praktijk het intellect. Daartoe behoort de be­schaafde vrouw. Maar als het haar om het intellect gaat erkent zij behalve dat intellect op zichzelf ook nog het feit dat het om iets hogers gaat. Zij is derhalve onderdanig; zij erkent het gezag. In de praktijk is dat natuur­lijk het gezag van de man want hij is de figuur die in zijn leven het intel­lectuele waarmaakt. Voorzover nu deze vrouw met de man omgaat speelt daarin het redelijke een grote rol, daargelaten of er veel van terecht komt of niet. En bovendien is de man toch altijd de meerdere al behoeft hij zich in het dagelijkse leven er niet op voor te laten staan. Zelfs voor de moderne vrouw geldt dit - alleen is zij er min of meer in geslaagd haar onderge­schiktheid op te heffen door zich te bekwamen op de terreinen waarop de man zich beweegt. Het terrein van het intellectuele. Deze verhouding geldt voor alle beschaafde vrouwen, ook in ons westerse cultuurgebied ontkomt bijna niemand aan deze gesteldheid. Ook al wordt er tegenwoordig nog zo ruim ge­dacht over de vrouw en haar plaats in de samenleving, toch is het altijd een denken vanuit het intellect. Het is een redelijk denken.... en van daaruit dun maar proberen de vrouw in te passen. Maar eens zien hoe ze het best op haar plaats is. En welke vrij heden haar toegestaan kunnen worden zodat ze niet al te veel in het verdomhoekje zit. Mocht ze zich op eigen houtje een plaats verwerven, dan is het ook goed, mits het maar redelijk gebeurt – dus op mannelijke wijze.

 

Pagina 46

Een andere mogelijkheid is er niet - niet omdat eenzij­dig de man haar die niet laat, maar omdat de mens, dus zowel man als vrouw, haar die niet laat. Zij doet er zelf aan mee, want zij behoort zelf ook vol­ledig tot de heersende cultuur. Er zijn geen twee fronten, het ene van de man en het andere van de vrouw - er is maar een front, bestaande uit mannen en vrouwen, en die laten zelf niet toe dat het werkelijk vrouwelijke naar voren komt. Alleen het intellectuele vrouwelijke kan naar voren komen, maar in de grond van de zaak is dat helemaal geen vrouwelijkheid. Het is vrouwelijk ge­accentueerde mannelijkheid.

Voorzover nu een vrouw als Katelijne met werkelijke vrouwelijkheid naar voren komt, heeft zij alles tegen, maar als dat dan ook nog gebeurt in een samenleving die er wezenlijk op uit is het geheim van de natuur te ontsluie­ren, dan is zij bij voorbaat al ter dood veroordeeld. Want de hele cultuur is tegen haar en bovendien wenst die cultuur haar aanwezigheid niet; zij wenst dat geheim niet, zij wenst opheldering daarvan. Op grond hiervan was het voor Rome een koud kunstje de mensen het hoofd op hol te jagen. De latente heksenangst was gemakkelijk te activeren en Rome zou Rome niet geweest zijn als ze daarvan geen dankbaar gebruik had gemaakt. En hierin had Rome ook de kerken van de Hervorming mee, want deze zaak stoelde niet op de gesteldheid van de een of andere bepaalde kerk, maar op de gesteldheid van het West-Europese volk, dat de vrouwelijkheid nu eenmaal niet kan verdragen. Toch heeft ook hier Rome wel degelijk schuld omdat het de zaak aanwakkerde en zoveel mogelijk op de spits dreef. Het zou te ver voeren om het hele verschijnsel van de heksenangst en de heksenvervolgingen te behandelen. Maar de heksen­angst was in die dagen van het beginnende wetenschappelijke europa verschrik­kelijk groot; daar waren ook de bekende verschijnselen als massahysterie en blinde meedogenloosheid. En een eindeloos gefantaseer over het gedoe van de heksen en over hun vermogens. Te gek werd het nooit en ook schrikte niemand terug voor de meest gore en perverse beschrijvingen over de nog ergere daden van de heksen. Vooral de geslachtsgemeenschap met de duivel wordt uitputtend beschreven. Het spreekt vanzelf dat deze beschrijvingen wetenschappelijk ver­antwoord zijn en dat het de geestelijken, vooral de Roomse, waren die altijd weer verrasten door nieuwe en uiteraard betrouwbare gegevens over de staaltjes van erotisch kunnen van zowel de duivel als de heksen. Kortom, wat de eerwaarde paters en dominees ons voorschotelen is een stinkende put van walglijke zwijnerijen. . . . . Maar, op dit gebied zijn zij in zoverre geëxcuseerd, dat zij het algemene denken volgen, ook van de gewone man. De heks en de duivel waren voor vrijwel iedereen dankbare objecten voor seksuele fantasieën. Er is namelijk met die seksualiteit iets aan de hand als het gaat over de heks en haar partner, de duivel.

Katelijne zegt van hem dat hij overal doorheen gaat en dat hij als een geest is en bovendien is hij ijskoud. Hij is dus onbepaald; hij is niet bij name te noemen. Hij is de ijskoude geest; op God na de machtigste van het universum en hij probeert iedereen in ziin greep te' krijgen. Hij is het man­nelijke intellect! Op zichzelf beschouwd is het mannelijke intellect een ijzige aangelegenheid, die overal doorheen gaat zonder door enige warmte be­roerd te worden. Glashard en helder gaat het zijn weg, door en door dodelijk en bovendien is het van zins alles te verkrachten. Dit is trouwens het on­stuitbare doordringen van alles. Dat is de verkrachting! En deze verkrach­ting is het enige dat Katelijne zich denken en zich wensen kan. Omdat voor haar het mannelijke geen enkele concrete betekenis heeft; het mannelijke is voor haar volkomen onbepaald. Voor zover dit gesteld wordt, dit onbepaalde mannelijke, hebben we weer met oorspronkelijkheid te doen; het is hier weer de mens qua geboorte. Alleen gaat het nu niet, zoals hij Katelijne, om een concreet mens, maar om datgene dat vertegenwoordigd wordt. De man oorspron­kelijk, genomen naar datgene dat hij vertegenwoordigt, dat is de duivel. En dat is het heerschap waarmee de heksen zich vermaken, want de heks is de zelfde zaak, maar dan vrouwelijk. En Katelijne wordt een heks genoemd, want zij is dit in levende lijve, maar zoals altijd is er een hemelsbreed ver­schil tussen een begrip dat in levende lijve voorkomt en datzelfde begrip als begrip op zichzelf gesteld. Want aan het begrip "heks" komen misdadig­heden mee, maar aan Katelijne niet. Katelijne is een mens!

Het vrouwelijke oorspronkelijk is datgene waarin alles naamloos ten onder gaat.

 

Pagina 47

Waarin alles dus onbepaald is en zich ook niet bepalen laat. Dus de in­houd van dat vrouwelijke is de duivel. Dat is voor haar de war~ minnaar en dat heeft op zichzelf niets negatiefs aan zich. Want de man, de minnaar, is ook het onbepaalde, het is de geest. Hij is ook naamloos en zonder duidelijk omschreven status. Hij woont onherkenbaar in het vrouwelijke en dus beweegt hij zich als een schim door de nacht. Maar wat van hem anderzijds een op­lichter en een verkrachter maakt is het feit dat hij als duivel die onbe­paaldheid"die vluchtigheid, niet als bepaald mens is. Want dit laatste is de ware mannelijkheid: dat je als die bepaalde man, die zo en zo heet en die er zo en zo uit ziet, je laat gelden als vluchtig. Dan is er geen sprake meer van oplichterij en van verkrachting, want dan is er vanuit de vrouw de wens om die vluchtigheid in jouw hoedanigheid te ontvangen. Hier hebben we dus pre­cies dezelfde zaak als bij het oorspronkelijk mannelijke, alleen is hier het bepaalde wel degelijk aanwezig, wat bij de duivel niet het geval is. Het is hier aanwezig naar zijn hoogste mogelijkheid, namelijk als wel aanwezig en toch niet geldend. Het is door zichzelf als bepaaldheid heen!

Maar bij Katelijne komt het zover niet, zij houdt het op eenzijdig het vluchtige, en dat ontvangt zij dan.... . en natuurlijk hebben wij dan prompt te doen met een oplichter en een verkrachter, want de man die zich bij haar als duivel voordoet is natuurlijk toch een bepaald iemand en die bepaalde figuur zou zij nooit ontvangen hebben als zij hem kende als Joost Damman ­want zo heette de ellendeling. Toch is het zich richten op het onbepaalde een wezenlijk vrouwelijke gesteldheid en deze gesteldheid is volkomen dwars op elke vorm van huwelijk. Natuurlijk, want het huwelijk is een contract tussen twee bepaaldheden, tussen twee mensen die zich louter als bepaald laten gelden. Dus het ontvangen van een echtgenoot is voor zo'n vrouw niet alleen een laffe aangelegenheid, zoals het dat voor veel vrouwen is, maar het is een regelrechte onmenselijkheid, het is een groot ongeluk! Want door dat te doen vermoordt de vrouw haar liefde; zij stelt haar inhoud als be­paald en heeft daarmee haar leven beroofd van elke denkbare schoonheid. De als gestalte verschijnende geest, de als gestalte verschijnende godheid, dat is de schone duivel, die Katelijne ontvangt. Het is haar eigen schoonheid die in haar woont en daarom is dat dan ook haar enige argument tegen Klaas als hij voor Katelijne iets verzint om van de obsessie af te komen. Maar die brave Klaas kletste maar wat met zijn missen want wat wist hij van die oervrouwelijkheid van Katelijne? En anderen kletsen ook maar wat want zij noemen Katelijne "minneziek" , maar als Katelijne niet aan haar schoonheid kan ont­komen, dan is zij nog lang niet minneziek. Want zij was niet uit op zoveel mogelijk liefde, maar op onbegrensde liefde. Liefde zonder de laffe kluisters van het fatsoen en de beschaving. Zij zocht de vrije geest.... . dat blijkt dan ook als de beul haar werkelijk ziek gemaakt heeft door een pruik op haar hoofd te verbranden. Haar bewustzijn is dan weg, zij is geestesziek en zij vraagt dan alsmaar om een ding, namelijk om het vuur weg te nemen "want de geest wil eruit...". De geest wil vrijheid, hij wil geen beperking. En dat is het wezenlijke van Katelijne. Zij is de oervrouw in wie elke bepaaldheid als in een moeras verzuipt en in wie plaats is voor maar een zaak: het vol­komen vluchtige. De consequentie van die zaak, het kindje Nele, is haar dierbaar en lief, want dat kind is van de duivel - het is door de vluchtigheid verwekt! Overigens is het een gelukkige omstandigheid dat Klaas, de goede Klaas, er anders over denkt, want als hij ook maar even aan een duivel ge­loofd had die kinderen kon verwekken, dan had hij het kindje nooit onder zijn hoede genomen! Maar nu wist hij wel dat er op de een of andere manier een man in het spel was en nu vindt hij het allemaal best. Terwijl hij er toch zijn kop voor riskeerde.

Op Katelijne is het begrip "heks" van toepassing, maar zij is geen heks, want datgene wat er van de heks verteld wordt, dat geldt voor haar niet. En de duivel is voor haar schoon en ook dat komt niet overeen met de gangbare voorstelling van de duivel. Want gangbaar is hij zo mooi niet. . . . . zijn ui­terlijk vertoont eigenlijk alleen maar gelijkenis met een bok. Dat beeld is al in de oudheid ontstaan in verband met Dionyssos. Zijn satyrs waren er ook op uit alles te verkrachten en daarin gelijken zij volgens de mensen uit de oudheid precies op bokkken. De bok gold als het toppunt van geilheid, zo bont als hij maakte geen enkel dier het!

 

Pagina 48

De oudheid echter besefte aan deze zaak iets anders dan wij - niet dat het zonder meer "verhevener" was, zoals wij maar al te vaak geneigd zijn te denken, maar toch had het meer te maken met de menselijke oerverhouding dan het moderne gezwets van de seksuologen. De oudheid besefte aan deze zaak dat het mannelijke altijd gericht is op het vrouwelijke omdat het er de inhoud van is. Het mannelijke wil zich alsmaar verenigen met het vrouwelijke, en dat in onbeperkte mate. Van enige zelfbepaling is bij dit mannelijke geen sprake, alleen maar het zich verenigen met het vrouwelijke is van belang. En dit is een aspect dat voor de zich bepalende westerse mens duivels is, maar dat toch tot het oerbeeld van de man behoort. De oudheid voelde dit aan en beschouwde het als volkomen normaal, hetgeen echter niet zeggen wil dat elke man zich als een satyr liep te gedragen. Het onbepaalde mannelijke gold in de oudheid als inhoud van het vrouwelijke en het vrouwelijke was kosmisch, d.w.z. het vertegenwoordigde de ganse werkelijkheid voorzover die als een ongenuanceerd geheel aanwezig was. Het vrouwelijke was dus ook eigenlijk het enige bestaande en voorzover de man zijn eigen persoonlijke capaciteiten inzette in de wereld was dat altijd om dat enige bestaande te bevestigen. De man oefende macht uit, bestuurde het land, sprak recht, voerde oorlog, en dat allemaal ten dienste van het vrouwelijke, dat in de meeste gevallen ook als een vorstin aanwezig was. Of het was een alles beheersende godin. Vaak waren de vorstin en de godin identiek en dan waren deze vrouwen onmiddellijk en onlosmakelijk verbonden met een man, die namens hen alles deed wat er te doen was om het grote vrouwelijke geheel in stand te houden. Natuurlijk namen in feite de mannen de besluiten en zij waren het die het heft in handen hadden, maar in hun handelen bleef toch altijd het vrouwelijke geheel de norm. Dit belette de mens helemaal niet om in de praktijk de vrouw als een ondergeschikte te zien die verstoken was van elke mogelijkheid om zichzelf te zijn. Zij werd uitgehuwelijkt en in het huwelijk bepaalde de man wel hoe zij zich te gedragen had en ook hiermee was zij het volkomen eens. In die vrouwelijke wereld is de vrouw nog helemaal niet terecht. Wij romantiseren vaak over de wereld van het “moederrecht" en over de religies van de "grote oermoeder" en dan menen wij dat het vrouwelijke daar in orde was, maar niets is minder waar, want een vrouwelijkheid wier inhoud zonder onderscheid is, is een werkelijkheid waarin niets en niemand terecht is, want alles verzuipt erin als in een moeras zonder een spoor na te laten. De inhoud is alleen maar een ononderscheiden massa waarin het één zich niet tegen het ander kan afzetten, zodat er geen vooruitgang is. Er zit geen ontwikkeling in de zaak, want ontwikkeling houdt in dat het éen verder gaat dan het ander en dit kan alleen maar als het éen van het ander onderscheiden is. Dus dan mag het vrouwelijke wel kosmisch zijn en het mannelijke volkomen vluchtig, maar praktisch had het niets om het lijf. En een mannelijkheid die alleen maar opgaat in een gericht-zijn op het vrouwelijke is ook alleen maar gericht op zijn eigen ondergang. Als deze zaak nu in het westen terecht komt wordt hij als het tegendeel van goddelijk beschouwd. Want de vluchtigheid, de geest, is niet een naamloze inhoud van een duister geheel, maar hij is hoog boven alle duisternis verheven. Hij is niet gericht op het vrouwelijke, maar hij is juist van het vrouwelijke afgewend en het is op haar beurt het vrouwelijke dat moet zien zich te redden van een wisse ondergang. Want al het aardse staat op de nominatie te vergaan en tot stof te worden. Het is laag bij de gronds en zondig en het vindt in zichzelf zonder meer geen rechtvaardiging. Hoogstens is het  te dulden voorzover het zich laat gelden in dienst van god, maar ook dan moet dat in alle bescheidenheid gebeuren. Het vrouwelijke moet zich dus Of in dienst van god stellen en dus als een "bruid van Jezus" gaan fungeren, Of het moet genoegen nemen met een heel bescheiden plaats, die dan getypeerd wordt met de uitspraak: "het natuurlijke is goed voorzover het noodzakelijk is”. Dit slaat dan in hoofdzaak op het zich verenigen van vrouw en man. Dat mag alleen maar de bedoeling hebben kinderen te verwekken en in noodgevallen mag het ertoe dienen de allerergste spanningen van voornamelijk de man af te reageren. En dat alles natuurlijk op voorwaarde dat het in een officieel goedgekeurde verhouding gebeurt: het huwelijk dus.

 

Pagina 49

Naar deze wereld komt het beeld van de mannelijke alles doordringende vluchtigheid overgewaaid en ook het beeld van een “moerasvrouwelijkheid” en niet alleen dat dit beeld overgewaaid komt, maar ook zijn er mensen, die een dergelijke gesteldheid vertonen. En dan wordt het alles onmiddellijk smeer­lapperij -eventueel niet bij die mensen zčlf, maar dan toch wel bij diegenen die er mee te maken krijgen. Maar in vele gevallen ook bij die mensen zčlf, want zij zijn immers toch westerlingen, al hebben ze die gesteldheid, en zo voelen zij hun eigen aanleg ook als iets duivels in zichzelf aan. Dat komt natuurlijk veel vaker voor dan zo op het eerste gezicht lijkt, want wij blij­ven immers met het punt zitten, dat wij met oervrouwelijkheid en oermannelijkheid te maken hebben! Dus het komt veelvuldig voor, maar natuurlijk niet overal in zo'n sterke mate. Komt het dan terecht in iemand in wie het geen moreel probleem oproept, zoals in Katelijne, dan is er eigenlijk niets aan de hand, maar in de meesten roept het wčl een probleem op, want het laat zich niet wčgdrukkken, terwijl het verstand toch zegt dat het verkeerd is. En dan laten de mensen zich op den duur toch wegglijden in datgene dat zij verkeerd achten, zodat de balans naar de andere kant omslaat en er vaak misdadigheid voor de dag komt. Bovendien is daar dan nog de vrijwel onmogelijke situatie onder de mensen, zeker in een tijd waarin de gewetensdwang en de gewetensspionage zulks enorme vormen aangenomen hadden. Het voorbeeld van Katelijne is wel bijzonder typerend: zij had bij iemand met kruiden een zieke koe ge­nezen, maar bij de buurman was het niet gelukt -bij zijn koe, wel te ver­staan -en nu was dit een duidelijk bewijs van hekserij! Zij had deze buur­man in het ongeluk willen storten, dat was nu duidelijk bewezen. En de buur­man dient een aanklacht in hij het gerecht, met als gevolg dat Katelijne gru­welijk gefolterd wordt om te bekennen. Maar er viel niets te bekennen. Geluk­kig sprak de rechtbank een mild vonnis uit:

 

"De magistraat van Damme, medelijden gekregen hebbende met vrouwe Katelijne, heeft haar niet willen straffen volgens al de strengheid van de wet van de stede, maar tot teken dat zij toveres is, zal heur haar verbrand worden; verder zal zij twintig gouden karolussen boete betalen en voor drie jaar ver­bannen worden uit de stede van Damme, op verbeurte van een lid.

En het volk juichte die barbaarse goedertierenheid toe. De beul bond Katelijne toen aan enen paal, legde op heur ge­schoren hoofd ene pruik van werk en stak die in brand. En het werk brandde lang, en Katelijne schreeuwde en huilde van pijn" .

 

De mensen geloofden allemaal in tovenarij en hekserij en zij waren er alle­maal bang van. Het behoeft dan geen betoog dat in een tijd van gewetenscon­trole en gewetensdwang vele mensen voortdurend in levensgevaar waren, temeer daar hun eigen kennissen niet schroomden een, bij voorbaat dodelijke, aan­klacht in te dienen. Voeg daar nog bij de door de geestelijkheid opgezweepte hysterie die voortkwam uit de heksenangst, en U kunt zich voorstellen hoe verschrikkelijk er huisgehouden is.

Bij Katelijne blijft het ook niet bij die éne keer want ter gelegenheid van de ontmaskering van haar "duivel" wijst zij onder het prevelen van allerlei toverspreuken de plaats aan waar haar duivel een door hem vermoorde man begraven had. Dat kost die duivel het leven, maar Katelijne ook, want zij had getoverd. De waterproef wordt op haar toegepast en zij bezwijkt aan de gevolgen daarvan. Bepaald over rozen is het leven van deze vrouw niet gegaan en er waren zo vele vrouwen. Meestal waren het typische vrouwen, doorgaans oude vrouwen met een aanleg voor krui­den en geneesmiddelen, vroedvrouwen. Vrijwel altijd waren zij ongehuwd en, indachtig het bovenstaande….zij waren ook vreemd in die samenleving met hun volkomen afwijkende gesteldheid, hun angstaanjagende geheimzinnigheid en hun onverklaarbare vermogens waar het gaat over de toepassing van allerlei natuurlijke krachten, zoals die in bepaalde planten aanwezig zijn. Door het ontbreken van elke analytische gesteldheid hadden zij een sterke hang naar mystiek. En zij werkten met zalven en drankjes die de menselijke geest kon­den verdoven en openstellen voor vreemde visioenen. Katelijne had ook zo'n toverzalf; Tijl en Nele maakten daarvan zelfs een paar maal gebruik….Maar toch, ondanks dit alles blijft het feit liggen van een oergesteldheid met alle daaraan meekomende wezenlijk menselijke verhoudingen zoals daar is het niet erkennen van het huwelijk, het ontvangen van de man in de kwaliteit van vluchtigheid en het zich alleen maar laten gelden als het geheel.

 

Pagina 50

Want in dit laatste ligt de sleutel tot alle vrouwelijkheid. Zij ligt niet bij het fatsoen, niet bij ontwikkeling, niet bij de wet en het wettelijke, niet bij maatschappelijk of geestelijk aanzien, maar bij het alles omsluitende geheel. Zij vertoont zich dus als ontvankelijkheid -een ontvankelijkheid die ŕlles ontvangt.. ...en dit is het beeld van de hoer. Uit de oudheid komt dit beeld tot ons en ook Katelijne vertoont het. Zij wordt dan ook bij gelegen­heid een hoer genoemd, een "Loddege". En allemaal werden zij hoeren genoemd, hoewel zij het gewoonlijk alleen maar met de duivel hielden. Maar juist de omgang met de duivel maakt hen tot hoeren door de onbepaaldheid van die zaak. Zo zien wij dus dat het oervrouwelijke het begrip "hoer" met zich brengt en dat is voor ons, westerlingen, een onaanvaardbare gedachte. Want te denken dat al onze fatsoenlijke vrouwen voortgekomen zijn uit een hoerengesteldheid, is een al te grote absurditeit! De nette vrouw van de dominee, die zich zo plichtsgetrouw houdt bij haar echtgenoot en die er heilig van overtuigd is dat de hoer haar wezensvreemd is, die fatsoenlijke vrouw zou eigenlijk toch een hoer zijn; zij zou zich wezenlijk toch niet kunnen bepalen tot die brave man die de vader van haar kinderen is! Dat is onmogelijk…waar zouden wij met de samenleving, met de huwelijkswet, met het erfrecht, met de kinderbijslag en met de hele verdere troep naar toe moeten? Stel je voor dat iedereen zichzelf zomaar als een hoer ging lopen beschouwen! Het is al erg genoeg dat er op de "walletjes" een stel van die aanstootgevende dames zitten. Die voor geld maar iedereen in hun bed laten kruipen zonder enige voorkeur te laten gelden!

En toch, de vrouw, als vertegenwoordigende het geheel dat de werkelijkheid is, heeft ŕlles tot inhoud. Zij heeft de totale werkelijkheid, als een optel­som van alle eenheden, in zichzelf omsloten. En in deze situatie wordt er niet aan die inhoud gevraagd hoe hij als bepaaldheid gesteld is, er wordt slechts naar het totáál gevraagd. De bepaaldheid doet op de één of andere manier niet mee; logisch is het dan niet anders denkbaar dat om te beginnen de bepaaldheid eenvoudigweg ontkčnd is. De bepaaldheid heeft er maar niet te zijn als het gaat om de verhouding tot het vrouwelijke. Het heeft alleen maar vluchtigheid te zijn. Dŕt is de eerste mogelijkheid, die zich openbaart en die mogelijkheid is in de vroege oudheid inderdaad aanwezig geweest onder de mensen. Later begon de bepaaldheid zich natuurlijk toch op te dringen, met als gevolg dat de kaarten voor het huwelijk steeds sterker kwamen te liggen. Maar dan voelden de vrouwen zich toch schuldig, als zij een huwelijk aangingen; die schuld moest op de een of andere manier geboet worden. Dat deden die vrouwen dan door zich bijvoorbeeld vlak voor hun huwelijk in de tempel van de godin der liefde te prostitueren; anderen hadden tijdens de bruidsnacht gemeenschap met alle mogelijke bruiloftsgasten, maar niet met hun toekomstige echtgenoot. Voor weer andere vrouwen was het voldoende een offergave te doen aan de tempel van de godin der liefde, waar doorlopend de zogenaamde "tempelhoeren" aanwezig waren om de schuld van het vrouwelijk ge­slacht in te lossen. Talloze variaties komen er voor, maar allemaal gaan zij terug op dit éne punt: door in het huwelijk te treden legt de vrouw zich vast als bepaaldheid, En dat is tegen haar wezen, want de vluchtigheid be­hoort haar inhoud te zijn. En voorzover de man deze vluchtigheid als eenzij­dig kenmerk heeft, is hij de satyr en later de duivel.

 

De bepaaldheid is aanvankelijk ontkend, maar in de menselijke ontwikkeling handhaaft deze situatie zich niet lang, want het bepaalde is er nu eenmaal. De ganse werkelijkheid is door en door bepaaldheid en de mens is zo gesteld dat hij die door en door bepaalde zaak volledig is. Bovendien ziet hij dat de werkelijkheid een samenstel van bepaaldheden is, en dat is zijn denken. Aan dat denken ontkomt hij nooit, zodat al spoedig zich het één van het ŕnder gaat onderscheiden. De bepaaldheden gaan zichzelf als zodanig waar maken en daar begint de beschaving, daar begint het huwelijk, daar begint de godsdienst en tenslotte: daar begint de verwerping van het zogenaamde "natuurlijke" en dus ook van de vrouw. De "moderne tijd" begint met het definitief gesteld zijn van de bepaaldheid, hier vangt de Europese cultuur aan en met deze zaak zijn wij thans nog volop bezig. Het spreekt vanzelf dat nu het "geheel” van geen belang meer is, alle aandacht is gericht op het bepaalde.

 

Pagina 51

Zelfs wordt het "geheel" ŕfgewezen als een zaak die niet tot de be­schaving behoort. Een heidense, dierlijke toestand die voor de mens niet mag gelden. De vrouw beschouwt de zaak natuurlijk precies eender, met als gevolg dat datgene, dat zij vanuit haar wezen aan zichzelf ervaart, voor haar iets verdorvens is, iets dat in elk geval overwonnen moet worden. Om dat voor el­kaar te krijgen wordt geen middel onbeproefd gelaten, maar het meest efficiënte middel is natuurlijk de godsdienst. Het zich richten op en het zich in dienst stellen van het hogere is de oplossing voor de Europese vrouw die last heeft van haar eigen wezen. Dus gaat zij dan het klooster in en probeert zich afzijdig te houden van alles wat mannelijk is. En de "lage lusten " van haar lichaam probeert zij met geweld de baas te worden. Zij geselt zichzelf en zij kwelt zichzelf en op deze hele lijdensweg wordt zij natuurlijk ijverig bijgestaan door geestelijken, die natuurlijk alleen maar handelen vanuit hun "wijding" en niet vanuit hun man-zijn! Opvallend is alleen de graagte waarmee die geestelijken het kwaad -letterlijk –te lijf gaan, maar ja, het kwaad kan niet genoeg bestreden worden en je moet daarmee voortdurend bezig zijn! Zo'n figuur was de in de Tijl genoemde Broeder Adriaanz uit Brugge; een man die overigens čcht bestaan heeft. Hij predikte ook fel tegen de ketters, maar tevens had hij een soort instelling waarin een aantal vrouwen in afzon­dering leefden en zich allerlei lijfelijke kwellingen moesten laten welgeval­len tot loutering van hun zondige zielen.

Emil Rosenow vertelt in zijn boek "Tegen de priester heerschappij ":

 

“... Het geselen bij de biecht voerde tot afschuwelijke uitspat­tingen. Het lag immers letterlijk in de aard der zaak, dat een geile priester liever een vrouw met weelderige vormen dan een oude man ontbloot zag en geselde. Het geselen liet zich derhalve ook nooit geheel

onderdrukken en heeft tot in onze tijd tot buitensporige schandalen geleid. Uit alle tijden hebben wij de bewijzen dat wellustige papen ontklede vrouwen gaarne geselden..."

 

"In de 16e eeuw baarde een proces tegen broeder Adriaanz. te Brugge groot opzien. Deze Franciscaner monnik had in de biecht vrouwen en meisjes overgehaald toe te treden tot een boetegezel­schap onder zijn leiding. Hij dwong de vrouwen zich in verborgen kamertjes van het huis der naaister Calle de Najaga geheel en al te ontkleden, waarop hij haar met de roede tuchtigde. De deel­neemsters, die tot de rijke bourgeoisie van de aloude Vlaamse handelsstad behoorden, onderwierpen zich heel naďef, in blind vertrouwen op de vroomheid van de “heilige man", aan de dis­cipline. Toen de zaak ruchtbaar werd en een stroom van karikaturen erover verscheen, werd "broer Cornelis" van Brugge naar Yperen overgeplaatst. In 1581 stierf hij in een roep van grote vroomheid…!"

 

Dit heerschap is het ook, dat de vrouw van Lamme Goedzak verleid heeft , zodat ze op een gegeven moment uit zijn huis verdwenen was. Later vindt Lamme haar weer en ook de vette pater krijgt hij te pakken. Dan vertelt Kalleken haar verhaal :

 

"...Hij wilde geen andere biechtelingen dan jonge en schone vrouwen of meidekens: de anderen stuurde hij naar den paap heu­rer parochie. Hij stelde ene orde van godvruchtige vrouwen in, en deed ons allen zweren niemand anders tot biechtvader te zullen nemen dan hem: Dat zwoer ik; mijne gezellinnen, beter onderricht dan ik, vroegen mij of ik mij wilde laten onderwijzen in de Heilige Geseling en in de Heilige Boete: ik stemde toe. Er was te Brugge, op de Steenkappersrei, omtrent het minderbroederklooster, een huis bewoond door ene vrouw, genoemd Kalle de Naeyer, welke aan de meidekens kost en onderricht gaf, tegen een karolusgulden per maand: Broeder Cornelis kon bij Kalle de Naeyer binnen, zonder ogenschijnlijk uit zijn klooster te ko­men: het was in dit huis dat ik ging, in een kleine kamer, waarin hij zich alleen bevond; daar gebood hij mij, hem al mijn natuurlijke en vleselijke neigingen te zeggen; eerst durfde ik niet, maar tenslotte gaf ik toe: ik weende en zeide hem alles."

 

Pagina 52

Moederschap-1(nr.6) ; Moederschap-2(nr.12) ; Moederschap-3(nrs. 52 en53) ;

"Hij zeide mij steeds dat er boven de aardse eerbaarheid een hemelse eerbaarheid bestaat, door dewelke wij God onze wereldse schaamte offeren, en dat wij aldus aan onzen biechtvader al onze geheime lusten moeten bekennen, en dan weerdig zijn de Heilige Geseling en de Heilige Boete te ontvangen.

Eindelijk beval hij mij, naakt. voor hem te gaan staan, om op mijn lichaam, dat gezondigd had, de al te lichte kastijding mijner schulden te ontvangen. Eens gebood hij mij, mij te ontkleden; ik viel in onmacht toen ik mijn hemde moest uitdoen…"

 

Dat is het verhaal van Kalleken en het is het verhaal van zovele vrouwen, die aangetrokken werden door het geestelijke en dachten daar de vervulling van hun vrouwelijkheid te vinden. Intussen laten zij voor dat ideaal alles in de steek, alles wat hun nu juist terecht had kunnen brengen en zij komen terecht in een wereld die het tegengestelde is van een behoorlijke wereld. Want in al hun ontvluchten van het zondige zijn ze alsmaar bezig met dat zon­dige, maar dan op een volledig ongezonde manier. Want een normale gezonde vrouw zou er toch voor bedanken om door een vette viezerik afgerost te wor­den en zij zou er ook niet over denken om haar intieme leven voor zo'n man op tafel te leggen. En zijn mooie geestelijke argumenten zou zij aan haar laars lappen en het gezelschap van die man mijden omdat zij aanvoelde dat het stonk. Maar nog afgezien van het feiit, dat de meeste van die vrouwen in han­den vielen van smeerlappen: het hele streven naar verhevenheid, op welke wijze dit dan ook naar voren komt, is een streven dat de vrouw van zichzelf ŕf brengt. Zij stelt zich als inhoud van een zaak, die eigenlijk haar inhoud is, want het is haar te doen om de geest, om de vluchtigheid….. maar die vluch­tigheid is haar eigen mannelijke inhoud en dus zou de zaak gezond zijn als zij zich liet gelden als het inhoudende principe. Dat brengt met zich mee dat zij zich als geliefde čn als moeder stelt…

 

Maar dit besef is voorlopig verloren gegaan in de beschaafde mensen. Het moederschap heeft geen andere dan een feitelijke inhoud, want het geldt voor ons idee alleen als een vrouw inderdaad moeder is. En het geliefde-zijn geldt voor ons alleen als iemand inderdaad een geliefde heeft. Niemand denkt er aan dat wij niet met feitelijkheden te maken hebben, maar met verhoudingen; de vrouw, die moeder en die geliefde is, is een verhouding, een menselijke verhouding, die altijd geldt, ongeacht de situatie waarin iemand verkeert. De feitelijke situatie is een gevolg van de geldende verhouding, zo liggen de kaarten, en niet ŕndersorn. Dus de vrouw is geen moeder omdat ze een kind heeft, maar: omdat de vrouw moeder is, heeft zij een kind. Dat is een heel andere zaak, en die zaak zijn wij vergeten omdat wij ons met geheel iets an­ders bezig houden. Dat is een cultuur kwestie, het is de westerse cultuur die ons met de neus drukt op de bepaaldheden, op de dingen en vandaar is onze overtrokken belangstelling daarvoor.

Zoals gezegd: de inhoud van de vrouw is de vluchtigheid, en dat is een man­nelijke zaak. Dat wordt door de man vertoond. Om te beginnen, als de mensen nog van niets weten, wordt derhalve elke bepaaldheid ontkend en als zodanig is de zaak dan inhoud van het vrouwelijke.

 

De man, die in de vrouw woont, is dus een naamloze en bijgevolg is het dus ook niet één bepaalde man. Het geeft niet wie het is. Dat wil niet zonder meer zeggen dat het dan om zo­veel mogelijk mannen gaat; desnoods heeft zo'n vrouw maar één man die zij ontvangt, maar dan toch is hij naamloos. Het gaat niet om hem voorzover hij als dŕt bepaalde mens rondloopt. Het gaat om de vluchtigheid Daarna treedt in de mensheid de periode op, dat de mens zich gaat bezig houden met de be­paaldheden. Hij gaat het een van het ander scheiden.

Die zaak wordt steeds belangrijker, totdat daar een cultuur optreedt waarin dat onderscheiden wer­kelijk het thema is. Dan is die vrouwelijkheid van haar luister beroofd, en niet alleen dat dit met de vrouw het geval is, het: geldt voor de gehele mens, zowel vrouw als man. Want nu is het volle gewicht komen te liggen op de uit­wikkeling van de zaak. En overal waar een zaak uitgewikkeld wordt, is de zaak zelf niet meer van belang. Om de uitwikkeling gaat het. Dus overal waar de beschaving een rol gaat spelen in de geschiedenis van  de mensheid, daar is de zaak zelf vergeten.

 

Pagina 53

Daar is het menselijke, d.w.z. datgene dat werkelijk de mens is, op de achtergrond geraakt, het wordt overschreeuwd door de herrie van de voortgaande ontwikkeling. De beschaving is niet wčg te denken, het is een onontkoombare en noodzakelijk weg voor de mens­heid, maar al lopende langs die weg, is de mens zichzelf volkomen kwijt. Aanvankelijk, toen hij die weg nog moest beginnen, toen was hij er zelf nog, maar hij wist natuurlijk van niets. Tijdens het aflopen van die weg is de mens nergens te vinden en aan het eind van die weg komt hij weer te voorschijn vervuld van alle mogelijke weten.

De beschaving, het onderscheiden van het een en het ander, gaat onmerkbaar voort. Veel last hebben de mensen er niet van, maar dan komt er een bescha­ving die helemaal in zichzelf betrokken is, en dan gebeuren er allerlei gekke dingen. Want dan is de mens werkelijk zichzelf kwijt en dat uit zich het sterk­ste in het gedrag van de vrouw, omdat zij nu eenmaal als vertegenwoordigster van het geheel, het van de mens zelf moet hebben. Niet dat zij daaraan ver­heven is…laten wij alsjeblieft niet gaan dwepen en romantiseren; zij is net zo'n sukkel als de man. En beiden zitten in precies hetzelfde schuitje, want het verbleken van de mens is voor de man ook een ramp, alleen merkt de buffel het niet zo erg, omdat hij toch de aanleg heeft het één en het ander van elkaar te scheiden. Het uiteenliggen van het één en het ander is de zaak die de man vertegenwoordigt en dus merkt hij weinig van het feit dat hij in mist opgegaan is als mens. Maar de vrouw merkt het wel en dat gaat volkomen onbewust. Zij weet dus helemaal niet waarover het gaat en nog minder heeft zij het vermogen om haar hart te laten spreken als zij het een en ander aan zichzelf bemerkt. Dus veel verschil maakt het niet. De vrouw merkt allerlei vreemde onlusten aan zichzelf, en de man ontdekt velerlei onregel­matigheden aan en in de wereld en daar gaat hij dan in alle gemoedsrust aan lopen douwen zonder te bemerken dat hij alsmaar bezig is het paard achter de wagen te spannen…

 

De westerse cultuur is analytisch; het uit elkaar leggen van het één en het ander is het thema. Dat geldt natuurlijk ook voor de westerse vrouw, zodat in werkelijkheid de kaarten zo zijn komen te liggen dat zij zich be­zig houdt met een zaak, die eigenlijk haar inhoud is. Een zaak dus waarmee zij zich eigenlijk helemaal niet bezig kan houden omdat ze het domweg is. Zij is die zaak domweg want die zaak ligt in zijn totaal in haar besloten zonder dat er enig bewustzijn daaromtrent bij van node is.

Maar ondanks dat houdt zij er zich toch mee bezig en dan is het gevolg daarvan dat zij ten eerste haar eigen inhoud verliest en ten tweede een zaak ideaal gaat stellen, die eigenlijk helemaal zo ideaal niet is.

Wat betreft het eerste: zij verliest om te beginnen haar kijk op zichzelf als moeder. Dat is tegenwoordig duidelijk te constateren, vooral nu er middelen zijn uitgevonden om ook in technische zin het moederschap uit te sluiten. Het is niet voor niets dat de vrouwen vrijwel unaniem de vlag uit­steken voor de voorbehoedsmiddelen! Zij zien die middelen niet als een nood­zakelijk kwaad om enige controle op het kindertal te kunnen uitoefenen, maar zij zien het als een positieve zaak, die hun van het kwaad van de zwanger­schappen kan verlossen. En hiervan uitgaande kunnen zij dan altijd nog zien of zij eventueel wel een kind zullen nemen. Zij stellen zichzelf dus als "niet-moeder" met de mogelijkheid om eventueel, naar vrije keuze, toch een kind te kunnen "nemen". Dit is de ongekeerde wereld, maar de westerse vrouw denkt er vrede mee te hebben en nu de mogelijkheid vrijgemaakt te hebben om zich aan haar vermeende vrouwelijkheid te kunnen wijden. Dat is punt twee: zij wil zich waar maken als de gelijke van de man. Zij heeft zijn wereld als ideaal voor ogen; zij verheft die wereld tot een heilig doel. Gold dit aanvankelijk alleen naar het terrein van de godsdienst, steeds meer gaat het ook gelden voor de wereldse zaken zoals daar zijn: wetenschap, techniek en het

bedrijfsleven. De moderne vrouw meent in deze werkelijkheid haar ideaal van vrouwelijkheid waar te kunnen maken; zij meent dat dit een hogere levens­vervulling is dan de "potten en pannen en de luiers van de kinderen".

Als wij het nu speciaal hebben over de vrouw van Lamme Goedzak, dan moeten wij derhalve niet denken met een verdwaasd exemplaar te doen te hebben die qua gesteldheid een uitzondering is onder de vrouwen -neen, wij hebben te doen met een vrouw die zich typisch westers gedraagt en die een streven ver­toont waaraan geen enkele westerse vrouw vreemd is.

Moederschap-1(nr.6) ; Moederschap-2(nr.12) ; Moederschap-3(nrs. 52 en53) ;

 

Pagina 54

Want allemaal willen zij eigenlijk wel uit het huishouden stappen en in de wereld zijn en ook al be­palen zij zich tot het huis en de kinderen, dan nog hebben zij ergens in hun achterhoofd wel een droompje over een ŕnder leven. Slechts bij uitzondering voelt een moderne vrouw zich terecht met haar eigen wereld.

Wat Kalleken dus op het godsdienstig vlak vertoonde, vertonen de moderne vrouwen doorgaans op een meer maatschappelijk vlak, maar altijd gaat het om een ideaal dat bewust als object van hun streven gesteld is, terwijl het eigenlijk hun inhoud is en dus al vanzelfsprekend aanwezig.

Tevens echter laat zich het feit gelden dat al het bepaalde toch haar inhoud is en zo laat zich het onbeperkte karakter van die inhoud omvormen tot het begrip "zoveel mogelijk". Er is geen grens aan het opzuigvermogen van de mo­derne vrouw, want op die manier laat zich het onbepaalde gelden. Onbepaald veel wil zij eigenlijk in zich opnemen en degene die daarmee komt, dŕt is haar man. Dat is haar zoeken naar de man met de hoogste positie en zij palmt hem helemaal in en plundert hem uit. Zij laat hem zoveel mogelijk voor haar doen en met zoveel mogelijk geld thuis komen. Daarvoor is geen enkele moeite haar te groot en daarvoor geeft zij hem graag de illusie een "thuis" te heb­ben en een toegewijde echtgenote, die alleen maar van hem is. Hiermede is de westerse vrouw in de zuiver westerse betekenis van het woord een "hoer", al mag dat dan nooit gezegd worden! Zij verkoopt zichzelf met huid en haar en dat is voor haar een volkomen normale gang van zaken. Ook voor Kalleken geldt dit ten volle: zij is dan wel niet in feitelijke zin een hoer, want zij heeft haar lichaam niet aan de monnik gegeven, maar als wij het alleen op dit feit houden, dan komen wij niet zo erg ver! Want als nu haar hele ge­steldheid wel die van de westerse hoer is, wat maakt dan het feit nog uit of zij zich al of niet aan die monnik gegeven heeft? Haar verhouding met Lamme is in elk geval typerend genoeg: zij verlaat hem om het "hogere" achterna te lopen -zomaar laat zij hem zitten. En dan stelt zij vertrou­wen in een perverse deugniet waarvan de smeerlapperij afdruipt; zij schrikt er dan wel even voor terug naakt voor hem te verschijnen, maar veel overre­dingskracht is er nu ook weer niet voor nodig om haar tot andere inzichten te brengen. Ik wil dit maar zeggen: je gesteldheid moet toch aardig aanslui­ten bij de geestelijke smeerlapperij als je je zo vlug gewonnen geeft zonder bij voorbaat al onpasselijk te worden! En dan nog dit punt dat zij het heel gewoon vindt dat Lamme het huishouden doet, de potten en pannen schrobt en het eten kookt, terwijl zij zelf in mooie kleren loopt te lummelen door het huis. Lamme is ook een sul natuurlijk -daarover zullen we het nog wel heb­ben, maar afgezien daarvan vindt zij het allemaal heel normaal. Bovendien behoorde zij tot de betere stand en ook Lamme was niet geheel en al onbemid­deld. Dit is ook een kenmerk van het westen. En Kalleken, het opgesierde gansje, slorpt het allemaal op. Door Lamme te accepteren als huishoudster geeft zij er blijk van door en door de westerse vrouw te zijn die de verhevenheden zoekt en die tevens zoveel mogelijk in zich opzuigt in ruil voor haar liefde. Want nu mag zij later beweren dat zij altijd van Lamme gehouden heeft, maar toch is het een westerse liefde…zij meent wel wat zij zegt, maar de zaak is in geen geval vrij van die twee genoemde aspecten: de hang naar het verhevene met daaraan gekoppeld de praktische perversiteit, čn de behoefte om ŕlles op te zuigen en wčg te zuigen. Helemaal aan het eind blijkt dat ook weer duidelijk, want als Kalleken en Lamme elkaar weergevonden heb­ben is Lamme ineens geen geus meer; hij gaat netjes in één van zijn huisjes wonen met zijn mooie dame en het hele verhaal van Lamme Goedzak is uit I Af­gezien van het feit, dat Lamme met recht een goeierd was, moeten we toch vaststellen, dat het allemaal niets om het lijf gehad heeft, hoewel daar toch de liefde van Lamme voor Tijl geweest is. Maar daarop komen wij nog wel…nu gaat het erom duidelijk te maken dat een vrouw als Kalleken de tweede vrouwelijke mogelijkheid weerspiegelt, en dat is de vrouw die in het teken van het bepaalde staat, en dus gehuwd is, pervers is en te koop is voor zovéél mogelijk dingen.

De vrouw die de man als een keukenjuffrouw stelt en zo in letterlijke zin al zijn producten opeet. Lamme was een wandelende maag en die maag duldde zij als inhoud. Om ‘s mans geest en om 's mans wezen is het haar nimmer te doen geweest. De fiere vrijheid van Tijl zegt haar hele­maal niets en alles wat edel is, is haar volkomen vreemd.

 

Pagina 55

En zelfs als alles weer in orde gekomen is, als Lamme haar weergevonden heeft en zij, mede door de toevallige omstandigheid dat haar monnik niet meer bij machte is zijn praktijken uit te voeren omdat Lamme hem ongeweten gevangen genomen had, zelfs dŕn is zij de wanhoop nabij als diezelfde monnik haar op het schip van Tijl Uilenspiegel vervloekt. Zelfs dan nog, in het schitterende gezelschap van Tijl en zijn Geuzen, ziet zij op naar de geestelijke en vreest zij zijn vervloeking! Dus is zij dan nog precies dezelfde; de geestelijke kant was voor haar net iets te erg om te doen in de praktijk, maar diezelfde praktijk met Lamme is nog steeds de moeite waard!

Zoals ik al gezegd heb: het kan niet uitblijven dat de mens zichzelf kwijt raakt als hij op zoek gaat de bepaaldheden te ontdekken. Dat heeft voor de man gevolgen en het heeft voor de vrouw gevolgen. Om werkelijk tenslotte de werkelijkheid naar haar totaal tot inhoud te hebben moet dat totaal nu een­maal in alle opzichten aanwezig zijn. Anders is het nooit čcht inhoud. En dus doorloopt de mens een periode waarin hij daarmee bezig is. Tijdens die pe­riode is het vrouwelijke verscheurd; het is dan de vrouw aan wie dit ver­scheurd zijn het duidelijkst voor de dag komt. En van een inhoud is dan hele­maal geen sprake meer. Daarmee vervallen veel menselijke zaken; in het kort kunnen wij zeggen dat de mens geen "thuis" meer heeft. Dat is in die periode de normale toestand, en daarom is het gedrag van Kalleken het normale gedrag voor de westerse mens. Die mens leeft in een wereld waarin alles gekocht en betaald is; een wereld waarin niets meer vanzelf spreekt, maar waarin alles zijn waarde ontleent aan iets anders, dat er tegenover staat. De mens is dan eigenlijk niets anders dan dief en diefjesmaat.

In ons voorgaande betoog is de westerse vrouw er niet zo goed afgekomen, maar het is natuurlijk met de westerse man nčt zo miserabel gesteld. Alleen komt het bij hem allemaal weer anders voor de dag. Het is de man die de wer­kelijkheid vertegenwoordigt voorzover daarvoor het begrip "uiteenzijn" geldt. Hij voelt zich bij het ontdekken van de bepaaldheden dus bčst thuis; het is zijn terrein, het is de sfeer waarop zijn leven zich beweegt, voorzover het leven van de man tenminste "werken" is. Dus qua arbeid is de westerse man op zijn terrein: hij analyseert de voorhanden werkelijkheid en hij vormt haar om tot een nuttige en bruikbare en leefbare werkelijkheid. Maar het leven van de man gaat niet in "arbeid" op, d.w.z. er is voor de man niet nog iets naast zijn werk, maar er is een sfeer waarin dit werk gelegen moet zijn wil het goed zijn. En die sfeer is de sfeer van het totaal. Het werk moet dus verricht worden in het kader van de gehele wereld; ten dienste dus van ŕlle mensen. Dit is zo omdat aan het begrip "uiteenzijn" als onmiddellijke conse­quentie meekomt dat zowel het een als het ander aanwezig zijn en dit bete­kent op zijn beurt weer, dat alles aanwezig is. En als de man dus gekenmerkt wordt door het feit dat ŕlles aanwezig is, dan is dit dus de sfeer waarin zijn werk heeft te verschijnen. Zijn arbeid is het waarmaken van het feit dat alles aanwezig is. Is de man echter de mening toegedaan dat hij met zijn werk voor zichzelf bezig is, dan heeft hij niet de goede gesteldheid. En dat heeft hij ook niet als hij meent voor zijn gezin te werken of voor wat dan ook. Er zijn maar twee mogelijkheden: of je werk voor ŕlles, en dus voor allen, of je werkt voor iets bepaalds en dat is niet alles, en dus is dit laatste fout. Maar dit laatste komt onafwendbaar mee aan de westerse man; door zijn gericht zijn op de bepaaldheden is hij ook op zichzelf gericht en dus is hij er op uit zichzelf vol te stoppen met zoveel mogelijk. Dit is het beeld van de wandelende maag want de producten van de wereld in jezelf stoppen, dat is veel eten -op zijn eenvoudigst gesteld. Deze figuur is onze Lamme Goedzak: hij denkt alleen maar aan eten en drinken. Als hij ongelukkig is moet hij een ferme portie eten om er weer overheen te komen. Dan is hij weer tot alles in staat. Toch is hij niet zo'n ongezonde slokop als sommige geestelijken die wij in de Tijl tegen komen. Lui die helemaal dichtgegroeid zijn van het vet en voor wie het eten een soort wellust geworden is. Een dergelijke gesteldheid heeft Lamme niet; hij eet alleen maar en hij denkt alleen maar aan eten, maar het is bij hem gezond. Hij wordt er vrolijk van en het sterkt zogezegd zijn moreel. Bij Lamme is het echt een zo uitvoerig en grondig mogelijk zichzelf bevestigen en niet een lui en pervers wegzakken in eigen voldaanheid, zoals bij die geestelijken. Bij deze laatsten is al het overvloedige voedsel bovendien gestolen, want het is niet door arbeid verworven.

 

Pagina 56

Het is van de mensen afgeperst. Maar dat is bij Lamme niet het ge­val: hij scharrelt zijn eten zelf op en het is dus aan hemzelf te danken dat hij in leven blijft. Dit is ook een erg aardig beeld, want ondanks het feit dat het eten van Lamme niet gestolen is en dus uit eigen activiteiten voort­vloeit, is het toch ook niet in strikte zin voortgekomen uit arbeid. Het is eigenlijk zo'n beetje bij elkaar gescharreld... ook dit typeert de wester­ling. Hij is immers eigenlijk bezig - al is hij dan aan het werk - om zijn graantjes bij elkaar te pikken. En hij meent immers dat de arbeid éen van de methoden is om zulks te doen. De arbeid is voor de westerling de weg tot eten en drinken, dus tot het bevestigen van zijn eigen leven. De arbeid is dus in strikte zin geen arbeid, maar gescharrel ten eigen bate. Dat komt goed uit aan Lamme, want zonder nu te willen zeggen dat Lamme alleen maar op eigen voordeel uit was, is hij toch voor zichzelf aan het scharrelen. Hij is de mens die langs de weg van het gescharrel, en dat is het benutten van eigen arbeid, zijn kostje bij elkaar haalt. En dat is ten voeten uit de westerse man; dit geldt van hoog tot laag, ook al is de arbeid die hiertoe aangewend wordt van een nog zo algemeen karakter.

Lamme heeft echter het vermogen van al te grote eigenbaat af te zien, en dat is het wat van hem een "goedzak" maakt. Ook dit is westers; het ligt in het karakter van de westerse mens om de ander ook wat te gunnen, eenvoudig vanwege het feit, dat voor de westerling de ander ook bestaat. Wat dus in het westen goeiigheid genoemd wordt is het vermogen ten dele van zichzelf af te zien; er zou geen kwalificatie voor een dergelijk gedrag nodig geweest zijn, als het allemaal vanzelfsprekend geweest was. Dan was er niemand iets aan opgevallen want dan deed iedereen vanzelf zo. Maar niet iedereen doet vanzelf zo; voorzover de mensen zich gedragen als Lamme is het iets prijzens­waardigs, iets dat opvalt. Dan wordt daaraan een naam gegeven en zo is Lamme een goedzak. Dat heeft hij gemeen met de westerse mens in het algemeen; alle hulpprogramma's van het westen komen uit deze gesteldheid voort.

Eigenlijk gaan de mensen er dus van uit, dat de mens helemaal niet van zichzelf afziet vanuit zijn natuur. En als iemand dit wel doet wordt hij "goed" genoemd, maar tevens een "zak" . Want de mensen beseffen aan die goei­igheid iets "lulligs" . Dat komt ook duidelijk uit bij de schildering van Lamme. Als kind werd hij al door zijn zusters op zijn kop gezeten; later doet zijn vrouw het nog eens dunnetjes over. En over het algemeen is Lamme een duidelijke sul; zijn eeuwige gekerm over zijn weggelopen vrouw draagt er ook bepaald niet toe bij de indruk van een kordate mannelijkheid te ves­tigen...... ! Hierbij speelt echter ook het vrouwelijke een rol, maar die ver­houding komt straks ter sprake. Nu gaat het hierom: de mensen prijzen het als iemand "goed" is, en tevens vinden zij het sullig. Dit nu ligt precies op maat: de mens moet van zichzelf kunnen afzien om de andere mensen ook een kans te geven. Dit is de laatste fase van de menselijke beschaving, het is de laatste stap op de weg van de wisselwerking tussen de een en de ander en deze weg is begonnen bij niet van zichzelf afzien. Deze laatste fase is de cultuur van het westen, maar het breidt zich binnen betrekkelijk korte tijd over de gehele wereld uit. Het geldt namelijk voor de gehele wereld juist omdat het de laatste fase is. Dit van zichzelf afzien echter houdt in, dat de mens zichzelf tekort doet want hij laat van zichzelf allerlei achter­wege, dat vanuit zijn karakter eigenlijk wel zou gelden. En nu doet het er niet toe of wij, vanuit onze moraal, dit allerlei positief of negatief be­oordelen - het feit blijft liggen dat er iets weggewerkt wordt dat wel bij ons behoort. Daarom gaat het. De mens komt dan anders voor de dag dan hij is, zijn karakter is vertrokken. Dat is zijn sulligheid, daarom wordt hij als een "zak" ervaren. Die ervaring is dus volkomen terecht. Hoe sullig is de westerse mens niet geworden, zo langzamerhand? Het is een krachteloze fi­guur geworden, die met eindeloos veel redelijk gepraat steeds meer van zijn eigen terrein prijs geeft. En dan mag hij het wel hebben over beschaving, maar fut heeft hij in elk geval niet.

De mens redt het niet met van zichzelf af te zien. Dat doet hij een tijdje, totdat hij door die laatste cultuurfase heen is, en dan laat hij het voortaan. Dan komt hij weer volledig met zichzelf voor de dag - alleen is er dan, vergeleken bij het oer-begin, wel het een en ander veranderd. Hij is wel een stukje wijzer geworden.

 

Pagina 57

Die wijsheid is voortgekomen uit de grotere helderheid, die voor hem is gaan gelden. Want in de mensheid heeft een verhelderingsproces plaats, en dat proces is eigenlijk niets anders dan het feit dat de mens inzicht krijgt in zichzelf. Alles wat in hem leeft wordt hem steeds minder een duistere aangele­genheid waarvan hij de elementen en de samenhangen niet kan bevatten, zodat hij niet bij machte is er de waarde van te bepalen. En nu is het, menselijk gesproken, niet van belang die waarde te bepalen, maar toch kan de mens niet nalaten dat te doen omdat hij nu eenmaal het verschil tussen het een en het ander ziet. Al die tijd dat hij bezig is de samenhang en de samenstelling te ontwarren, is hij met een zaak bezig die eigenlijk niet met hemzelf te maken heeft, maar met zijn inhoud. Toch is het langs deze weg dat die inhoud duidelijk wordt en dan ontstaat er dus een heldere inhoud. Dat is een inhoud waarvan de mens weet. Dit is zijn wijsheid en die heeft voor de mens alleen maar dit nut dat hij nu werkelijk zichzelf laat gelden naar datgene dat hij van nature is. Het nut van de wijsheid is dus niet wat wij er gewoonlijk van denken, namelijk dat je als je wijs bent allerlei gemakkelijk achterwege kunt laten waarmee je moeite hebt als je nog niet wijs bent. En dat je ge­makkelijk behoorlijk kunt zijn omdat je nu weet waarom dit allemaal zo is.

Als de wijsheid een dergelijke functie had, was er voor de mensheid niet veel te verwachten want dan zouden alleen de wijzen gered zijn, en hoe wijzer je bent, hoe meer je gered zou zijn. Dan was het terechtkomen van de gehele mens­heid ondenkbaar; het gold dan alleen maar voor een aantal uitverkorenen, die per ongeluk de aanleg hadden om wijs te worden. En wie bepaalt er dan wie er wel en wie er niet wijs is? Waar moet de grens getrokken worden? En hoe dan aan het feit te ontkomen dat er eigenlijk helemaal niemand wijs is, zolang er een grens getrokken moet worden om te bepalen wie er wel en wie er niet in aanmerking komt. Want als er maar een paar wijzen zijn, dan zijn er geen wij­zen. Omdat het dan allemaal een "zoveel mogelijk" is, een tussenweg tussen het een en het ander….

De wijsheid heeft niets berekenbaars aan zich; je kunt er je houding niet mee bepalen en je kunt er dus je leven niet door bepalen, je kunt niet nagaan wie er wel en wie er niet voor deugt..... niets kun je ermee doen en de wijs­heid is nergens toe te passen. Het is op zichzelf een volkomen onpraktische aangelegenheid, maar: de belangrijke consequentie van wijsheid is deze, dat de mens aflaat zichzelf te forceren, zichzelf vanuit allerlei morele normen een andere kant uit te dringen dan van nature de bedoeling was. De wijsheid is dus in alle opzichten de factor die de mens gezond laat zijn, en hem ge­neest als hij eventueel toch fout bezig was. Daarom is het oude beeld van de mens bij uitstek, de "Zoon des mensen", tevens de gedachte van de "geneesheer van de wereld" . Het geforceerde, het gedwongene, verdwijnt aan de wijsheid en dit is volkomen in overeenstemming met de wijsheid, want, zoals we gezien hebben, gaat het alleen maar over helderheid en helderheid geldt voor de werkelijkheid als zij volkomen beweeglijk is. Als zij dus niet op alle moge­lijke manieren klem zit.

Het van zichzelf af zien, dat de leidende gedachte is voor de mens die in het teken van de beschaving staat, is een zichzelf forceren en dat heeft niets met wijsheid te maken. Daarom houdt de mens op met van zichzelf af te zien en hij komt hierop terecht dat hij juist zichzelf gaat stellen. Dit laatste gaat even vanzelf en automatisch als bij een baby, alleen met dit verschil dat een baby nog niet van zichzelf weet en een volwassene wel. Dat is dan zijn wijsheid, maar het is in geen enkelopzicht de gouden sleutel tot een behoorlijk gedrag want het is geen formule die de oplossing geeft voor alle situaties en vragen. Het is alleen maar een weten van zichzelf en meer is het niet. Overigens is dit, zoals uit het hovenstaande blijkt, ook voldoende... .

We keren terug tot Lamme Goedzak. Hij is de westerse man en hij is een sul; hij is eigenlijk niet goed wijs en dat alles maakt van hem een goedzak. Op het terrein van het eten is hij haantje de voorste en als het op daden aan­komt is hij geen held hoewel hij wel betrouwbaar is in die zin dat hij gega­randeerd doet wat hem gezegd wordt als de zaak maar overeen komt met zijn idee. Het bevel van een Spanjaard volgt hij niet op, maar hij doet wel precies wat Tijl hem zegt. Hij is dus voor de idee, zijn eigen idee, een goed soldaat en zelfs een enthousiast soldaat en op een gegeven moment wordt hij zelfs met roem overladen en iedereen slaat de vrees om het hart als hij langs komt.

 

Pagina 58

Want daar komt "Lamme de Leeuw" , de sterkste man van Vlaanderen omdat hij diegene, die eerst de sterkste was, had verslagen. Maar dit is alle­maal bedrog, het was een slimme zet van Tijl Uilenspiegel. Hij vond het ge­makkelijk een alom gevreesde held in zijn gezelschap te hebben... . Zijn zo niet alle westerse soldaten? Zij keren met roem overladen terug uit het ge­vecht en eigenlijk is dat allemaal per ongeluk gebeurd. Het liep toevallig zo en vaak kwam het de mensen, die de touwtjes in handen hadden, beter uit.

Zo kom je aan een rij onderscheidingen zonder dat je werkelijk een held bent. En natuurlijk: Lamme is van zijn kracht overtuigd zoals wij allemaal van onze dapperheid overtuigd zijn. Bovendien is dapperheid een respectabele zaak want je onderscheidt je van de anderen en dat streelt ons altijd. Maar in werkelijkheid is er niets aan de hand. De westerse man wordt pas een leeuw op zijn terrein als hij bezig is met de verzorging van de wereld..... alleen dat terrein deugt niet, voorzover het tenminste nog de westerse man is, die zich daarop beweegt. Dus zolang het de op zichzelf gerichte mens is, die aan de arbeid is. Want dan is het de wandelende maag, zoals Lamme, en dan is er eigenlijk niets anders aan de hand dan dit feit: dat de man zich stelt als de verzorger van de vrouw. Hij is dan de dienstmeid van de vrouwen daarbij voelt hij zich nog thuis ook! Hij doet de afwas en hij regelt het huishouden; hij bepaalt het kindertal en hij heeft de hele troep op zijn naam. Hij zorgt dat ze er mooi bijloopt en dat ze een zo gemakkelijk mogelijk leventje heeft. De westerse man verzorgt de vrouw van de wieg tot het graf, hij is een gebo­ren keukenpiet, een "sausmaker". En ziet, onze Lamme is dan ook echt op zijn plaats tussen de wilde Geuzen als hij hun kok wordt en met een gezag, een betere zaak waardig, de leiding van het kombuis op zich neemt. Dan wordt hij wederom "Lamme de Leeuw" geheten en dan is die kwalificatie op zijn plaats, maar ja, wat ben je nou welbeschouwd als je een leeuw in het kombuis bent?

Af en toe vecht hij ook nog wel; als de sausen het toelaten vliegt hij het dek op om wat schoten te lossen en hier en daar een slag toe te brengen en daarna gaat hij weer vlug naar zijn potten en pannen. Tijdens een van die dappere uitvallen loopt hij nog een ferme bijlslag in zijn bil op ook! Al­weer een van die vorstelijke dingen! Een bijlslag in je bil.... alsof er geen waardiger plaats was om een verwonding op te lopen! Het doet allemaal komisch aan, en terecht: deze man, in al zijn goeiigheid, is een vermakelijke kerel, hij is eigenlijk een clown, een lachnummer. Hij is belachelijk.

Maar Lamme ziet van zichzelf af. Het is zijn liefde tot de idee die hem daartoe brengt en deze idee is natuurlijk geen abstractie, het is Tijl Uilen­spiegel, die de idee voor hem is. Van Tijl houdt hij en bij Tijl is hij vei­lig en hij weet zijn leven gerechtvaardigd als hij bij Tijl in de buurt is. Zonder de liefde van Tijl kan hij niet leven want zonder die liefde verkeert hij in een troosteloos niemandsland en het leven heeft dan geen zin. Het is dan zijn idee kwijt, zijn hogere rechtvaardiging. En die rechtvaardiging moet er zijn; de westerse mens zonder het hogere weet zichzelf een niets, een zinloos stofje in het heelal zonder enige mogelijkheid ergens toe te ko­men. De westerse mens moet een dienstknecht van het hogere zijn, hij moet de bevelen op kunnen volgen van datgene dat voor hem het ideaal is, want de mogelijkheid zelf iets te kunnen zijn is al bij voorbaat uitgesloten. Dit is de godsdienstigheid van de westerse mens: hij is op zichzelf als tastbare samenstelling gericht en is daarmee zichzelf als helderheid kwijt. Maar die helderheid is niet weg, want dat krijgt de mens nooit voor elkaar. Die helderheid is wat anders geworden, iets dat hijzelf niet is en dat ver boven hem uitgaat. Die helderheid is God voor hem, en dat is hetzelfde als een ideaal en het levert dezelfde afhankelijkheid en aanhankelijkheid op als wij zien bij Lamme ten opzichte van Tijl. De westerse mens heeft niets gedaan zonder

God boven zich; het mogen schoftenstreken geweest zijn en het mogen daden van groot algemeen belang geweest zijn, maar zonder ideaal gaat het niet. Vanuit jezelf, zonder enig fiat van bovenaf, doe je als westerling niets en ben je als westerling niets. Ook deze gesteldheid heeft de goedzakkerigheid tot ge­volg, want je ziet van jezelf af ter wille van iets anders. Ter wille van iets hogers.

Bij dat alles loopt Lamme ook nog alsmaar zijn vrouw te zoeken; eigenlijk is dat de drijfveer voor zijn hele gedoe. Hij zoekt de vrouw die hij kan en moet verzorgen en die door die heilige keten aan hem verbonden is.

 

Pagina 59

Want hij kan wel niet buiten de liefde van Tijl, maar dat is een zaak die de idee be­treft. Zijn vrouw echter is zijn praktische leven. Dan gaat het niet over een algemeenheid, het gaat niet over "de" vrouw. Maar het gaat over "zijn" vrouw want zij is het die verzorgd moet worden. Dit is het huwelijk, dit is de op zichzelf gerichte westerse mens, die zichzelf als vrouw en man tot een geheel samensmeedt, louter op basis van de verzorging en alles wat daarmee samen­hangt. Dit verzorgen door de man van de vrouw is een situatie die het gevolg is van het feit dat de man niet voor het "totaal" werkt. De westerse man denkt namelijk dat hij voor zichzelf bezig is en vanuit dit denken gaat hij zijn arbeid op een speciale manier uitvoeren. Hij doet het zo, dat hij er zelf baat bij heeft. Aangezien dit twee strijdige zaken zijn, het begrip "arbeid" en het begrip "eigenbaat", kan er alleen maar een tussenweg gezocht worden, zo dat de verrichte arbeid niet al te slecht is terwijl er tevens zoveel moge­lijk aan verdiend wordt. Het mooiste zou natuurlijk zijn om helemaal geen ar­beid te verrichten, maar dat voorrecht is slechts aan enkelen voorbehouden. Daarvoor moet je van rijke huize zijn of de honderdduizend gewonnen hebben.

Maar over het algemeen moet je wel iets voor je geld doen. Bovendien doen de rijke mensen tegenwoordig ook net alsof zij werken, want er is zo langzamer­hand een sfeer in de wereld gekomen die afwijzend staat tegenover het niet-werken. Dit is logisch, want de westerse cultuur heeft zelf het begrip "arbeid" opgeleverd. Het is immers niets anders dan het omvormen van de voorhanden wer­kelijkheid tot een menselijke werkelijkheid. Dus dank zij deze sfeer is het voor je goede fatsoen wel noodzakelijk de indruk te wekken aan het werk te zijn. Dit geldt vooral voor de rijke vorstenhuizen en aanverwante klassen. Hoe spannen de leden van de vorstenhuizen zich niet in om druk bezet te zijn en met een zorglijk gezicht overal te laat te komen vanwege de drukte! Zij pak­ken alle mogelijke baantjes om zich nuttig te maken, want een slampamperende prins of koning wordt door de werkende mensen niet meer zo erg gewaardeerd.

Als de mens werkt, dan doet hij dat altijd voor het "totaal", hieraan is niet te ontkomen omdat het nu eenmaal zo is. De man is het die dit totaal waarmaakt, al werkende, en terwijl hij dat doet ontstaat er een wereld, die inhoud is van het geheel. Het is dan de zaak waaruit het geheel bestaat en het geheel wordt vertegenwoordigd door het vrouwelijke. De vrouw dus heeft als inhoud datgene waarmee de man op tafel is gekomen; zij heeft als inhoud het totale resultaat van zijn werk. De mensen zien deze dingen altijd heel anders; zoals gezegd denkt de man voor zijn eigen bestaan te werken, maar wat de mens ook van zichzelf denkt, de verhouding ligt zoals ze ligt en laat zich gelden. Evenwel laten de misvattingen van de mensen zich ook gelden. En zo verbuigt de bovenomschreven verhouding zich tot een verzorgingskwestie.

Dan wordt het vormen van het totaal, dat de man doet, een vormen van een eigen totaal, en het feit dat dit totaal inhoud is van de vrouw wordt tot deze verhouding, dat een bepaalde vrouw de boel opneemt als inhoud. De mens heeft zich dan wel als een mens laten gelden, want de man heeft gewerkt en de vrouw heeft de zaak als inhoud gesteld, maar tevens is de hele zaak tot een onmenselijke verbogen doordat het totaal een aan een bepaalde mens be­paald totaal is geworden en het geheel een eveneens aan een bepaald mens be­paald geheel. Dan is het verzorging en de verzorger is uiteraard de man. Hij is ook de gewichtigste figuur van het span, want het gaat in een wereld die nog niet verder is dan zo alleen maar om verzorging. In zo'n wereld voelt de moderne westerse mens zich thuis en dat de hele zaak verbogen is merkt hij nauwelijks, omdat hijzelf, op grond van zijn ontwikkeling, ook verbogen is.

Het aan elkaar bepaald zijn van de vrouw en de man is het huwelijk ; be­halve de culturele kant van de zaak, die met het ineenzijn van vrouw en man te maken heeft - en dan natuurlijk ook helemaal verbogen - is er nog de praktische kant van de zaak. En dit is de verzorging. Daarom is het dan ook Lamme, die alsmaar zijn vrouw loopt te zoeken, ten eerste omdat zij zijn vrouw is, aan hem gebonden door het ineenzijn van vrouw en man, en ten tweede omdat zij als degene die verzorgd moet worden aanwezig moet zijn om zijn eigen leven te rechtvaardigen. In deze door en door aan elkaar bepaalde ver­houding komt vanzelfsprekend de trouw naar voren. Lamme was trouw; onder de meest verleidelijke omstandigheden blijft hij trouw aan zijn vrouw. We denken hierbij aan de vermakelijke geschiedenis in het bordeel in Antwerpen.

 

Pagina 60

Lamme krijgt daar aardig op zijn kop van de meiden, die het als een belediging zien dat hij niet met hen wil vrijen op de dag dat het de vrouwen zijn die zelf bepalen wie zij hebben willen en wie niet, en dat allemaal zonder dat het om geld gaat. Het is de dag der liefde en de meisjes ontvangen iedereen die hun bevalt, maar Lamme slaat van zich af en is zelfs heel vervelend. Hij moet niets van de vrouwen hebben en dat is een belediging die zij hem hoogst kwalijk nemen. De trouw aan zijn vrouw maakt van de man een sul en dat is niet alleen zo in het wereldje van vrolijke meisjes - dat is in het echt ook zo. Uiteraard komt dat in een situatie als die in het bordeel extra scherp naar voren want daar stellen de vrouwen zich nog als vrij en zelfstandig ook! Maar ja, de westerse man deugt niet voor de zelfstandige vrouw; het bordeel vindt hij bij gelegenheid best aantrekkelijk, maar dan moet het in zijn ver­houding liggen: hij betaalt voor haar gunsten. Daarmee verbreekt hij dan wel de echtelijke trouw ten opzichte van zijn echtgenote, maar tevens is het een zaak die aan die huwelijksverhouding niet vreemd is. Want het huwelijk brengt onmiddellijk en onafwendbaar ontrouw met zich mee en dus is deze ontrouw min of meer ingepast in het huwelijk. De een zal er wel toe overgaan en de ander niet, en de éne echtgenote zal er woest om worden en de ander nauwelijks, maar toch is het, zo'n beetje- in het geniep, ingecalculeerd. Doordat deze verhouding zo ligt is de prostitutie altijd op de een of andere manier geto­lereerd. Dan komen wij er fijn van af door te zeggen dat het de overheid is die dat doet, maar intussen vormen wijzelf toch maar de maatschappij, zodat alles wat de overheid wel of niet kan tolereren toch in overeenstemming is met onze eigen gesteldheid. De prostitutie behoort bij een huwelijkssamenleving, en dan is het de betaalde prostitutie; die vrouwen die vrij leven wat betreft hun minnaars zonder dit om geld te doen, passen eigenlijk niet in onze huwelijkssamenleving. Zij ontkennen de verzorgingsgesteldheid van de man en erkennen in de grond van de zaak alleen maar de minnaar. Hoewel hier, wat de volle inhoud van deze zaak betreft, nog wel het een en ander van te zeggen valt, is het toch wel zo, dat de basis goed is. Want hier wordt niet in de eerste plaats gevraagd "wat heb je te bieden" , maar hier wordt eigenlijk helemaal niets gevraagd, hier wordt gesteld "je bevalt me" ! En zo deden die meisjes in het bordeel van Antwerpen ook en dan is het Lamme die hier niets mee te maken wil hebben want hij was trouw aan zijn vrouw, die notabene nergens te vinden was omdat zij zich afgaf met een vieze monnik.

De trouw van Lamme is de zuivere westerse trouw. De zaak is welbeschouwd nergens op gebaseerd, alleen maar op een afspraak die gemaakt is naar aan­leiding van het feit, dat twee mensen elkaar begeren. Hoe die begeerte nu ook gekleurd is en gekleurd wordt, toch is dit de aanleiding van de weder­zijdse afspraken. Dan is het zaak ten allen tijde die afspraken te houden ook al wil je hart een heel andere kant uit, hetgeen het gevolg is van het feit, dat je intussen weer een ander mens bent geworden dan je ten tijde van de afspraak was. Want het leven gaat door, d.w.z. de beweeglijkheid blijft gehandhaafd en met de beweeglijkheid lossen de banden zich op. Trouwens, die banden zijn er eigenlijk nooit geweest, dat heeft de mens alleen maar gedacht. Een mens die door banden aan het een of ander gebonden is, bestaat helemaal niet, want een gebonden beweeglijkheid is geen beweeglijkheid maar stilstand; het is de dood. Het is slechts ons denken dat ons ertoe zet ons met het een of ander te verbinden; ons zijn heeft niets met die verbindingen te maken, reden waarom de mensen ertoe overgaan contracten op te stellen. Dan hebben zij tenminste het idee dat er iets vastgelegd is. Behoorde het vastleggen tot de normale menselijke mogelijkheden, dan behoefde er natuurlijk geen regeling getroffen te worden om een afspraak te bezegelen.

De westerse trouw is een contractuele trouw; het mag bij gelegenheid een grootse indruk maken: trouw aan de koningin, trouw aan het huwelijk, trouw aan het geloof, een kameraad, een idee. ... maar het is allemaal onmogelijke onzin. De trouw tussen twee gesteldheden bestaat niet, want het is uitgeslo­ten dat die twee gesteldheden twee momenten zichzelf gelijk blijven. Het is de beweeglijkheid die ervoor zorgt dat alles het volgende moment weer anders is. En als dit ergens geldt, dan geldt het voor de mens, die de beweeglijk­heid bij uitstek is. Dan maar stug vasthouden aan dat éne moment dat er toen was en maar net doen of er nu niet iets anders is. Hoog wordt het geprezen in deze wereld, maar het is een leugen, het heeft niets met het leven en dus met menselijkheid te maken. Het is de dood, de stilstand, en dat hebben velen aan den lijve ondervonden.

 

Pagina 61

Doodvonnis-1 ; Doodstraf-3 ;

Zij hebben hun leven geofferd voor "de goede zaak", maar na afloop vraagt iedereen zich af waarvoor dat allemaal geweest is, want het leven gaat gewoon door en meestal ook de dingen waarvoor die mensen hun leven gegeven hebben. En dan dringt het pas tot de mensen door dat de helden niets anders dan slachtoffers waren, slachtoffers van een doodgewone afspraak, een regeling, die in zijn consequent doorgevoerde starheid tot niets anders kon worden dan een doodvonnis. De ene afspraak staat tegenover de andere af­spraak, het ene stelsel tegenover het andere stelsel, het éne ideaal tegen­over het andere ideaal, het éne beginsel tegenover het andere..... en bij het botsen van die twee wordt er vanzelf een doodvonnis ten uitvoer gelegd. Dan is de een de overwinnende held en de ander is.... dood, hij is het slachtof­fer. En net zo min als je uiteindelijk waarde kunt toekennen aan de overwin­naar en de zaak waarvoor hij streed, kun je waarde toekennen aan de verlie­zer en zijn zaak. Beiden zijn trouw geweest aan iets bepaalds, aan een begin­sel, en beiden zijn daaraan klein geweest. Beperkt waren beiden, en een van die twee is bovendien het slachtoffer geworden. Natuurlijk vraagt iedereen zich achteraf af wat de zin van dit alles geweest is, en dan kan inderdaad niemand die zin meer ontdekken, want het ging om beginselen van een vervlo­gen tijd, van een voorbij leven, en die beginselen zijn verdwenen met het voortvloeien van de tijd.

De trouw aan een beginsel is niet alleen dom, het is bovendien een fictie, en net zo is het gesteld met de huwelijkstrouw. Elke trouw is een fictie, en dat komt niet omdat er geen trouw bestaat, maar dat zit in de gesteldheid van ons begrip trouw. Er zijn ook mensen die zeggen dat er geen trouw bestaat; dat is dan de les die het leven hen geleerd heeft. Ten gevolge van die ont­dekking zijn die mensen dan maar trouweloos. Hun ja is nooit ja en hun nee is nooit nee, zij zijn volkomen onbetrouwbaar. Maar deze mensen hebben niet in de gaten, dat ook zij met de trouw bezig zijn; zij kennen geen andere trouw dan de trouw aan dit of dat, net zoals de mensen die zich er wel aan houden; het verschil is alleen, dat zij diezelfde trouw ontkennen. Zij menen in de ontkenning van de trouw de juiste conclusie getrokken te hebben uit het feit dat trouw niet bestaat. Maar deze conclusie is net zo dom als de mening van die mensen die menen dat er wel trouw is. In beide gevallen komt het begrip trouw niet verder dan een binding, een vasthouden aan iets bepaalds. Het is duidelijk, dat al die trouw-zweerders behoudende mensen zijn: zij dwingen zichzelf op een bepaald punt te blijven staan.

Toch bestaat het begrip trouw, maar het is niet een bepaalde houding ten opzichte van iets anders. Het is een gesteldheid van de mens, de gesteldheid namelijk om zich onder alle omstandigheden te laten gelden overeenkomstig eigen wezen. Dus niet zoals bepaalde uitwendigheden, zoals afspraken, dat vereisen, maar zoals het "geweten" dat vereist. We zouden kunnen zeggen dat de ware trouw daar ligt waar de mens trouw is aan zichzelf. Waar hij niet omwille van het gemak, of om moeilijkheden te vermijden of om voordeel te be­halen, zijn eigen zijn verdonkeremaant of anders doet voorkomen dan het werkelijk is. We hebben dus te doen met een zaak van helderheid, want het gaat hier om de mens die zichzelf als beweeglijkheid handhaaft. Het zich niet vast­leggen betekent handhaven van de beweeglijkheid, en beweeglijkheid is helder­heid. Hoe meer helder de mens is, hoe meer hij trouw is en deze trouw geldt natuurlijk automatisch, d.w.z. hier behoeven geen afspraken gemaakt te worden en de mens behoeft zichzelf er niet toe te dwingen om trouw te zijn: het gaat allemaal vanzelf. En wat er ook gebeurt, en welke omstandigheden zich voor­doen, het is voor die mens nooit anders dan het is, en zo blijft het. Hierop moeten we goed letten, want anders begrijpen we nog niets van de trouw: het enige dat voor een helder mens "zo blijft" is het feit dat het is zoals het is. Maar de hoedanigheid van dat wat er is, die blijft niet hetzelfde, want de werkelijkheid is voor een helder mens geen twee momenten hetzelfde. Het beeld dat de mens van de werkelijkheid krijgt is immers geen star beeld: het is een en al beweging en nooit zet de zaak zich vast in een onwrikbaar gegeven. Dus kan de heldere mens zich daaraan nooit vastleggen. Dat is het gedoe van de bepaalde mens: hij legt zich vast aan een bepaalde hoedanigheid van het zijnde, en daaraan tracht hij zich te houden. Hij meent tenminste dat hij dat doet. Maar een helder mens legt zich niet aan de hoedanigheid van het zijnde vast, maar aan het zijnde zelf..... zonder zich overigens in het laatste geval echt vast te leggen, want aan het beweeglijke kan men zich nu eenmaal niet vastleggen.

Doodvonnis-1 ; Doodstraf-3 ;

 

Pagina 62

Dat kun je hoogstens mee zijn. En dat is dan ook de situatie waarin de heldere mens verkeert: hij is het beweeglijke mee . Deze situatie blijft zo, hierin komt geen verandering, en dat is de werkelijke trouw.

Deze trouw is niet trouw aan de echtgenoot, zonder trouweloos te zijn, en deze trouw is niet trouw aan een ideaal, zonder trouweloos te zijn; het va­derland, vriendschap, liefde en vul maar in..... aan geen van deze dingen is de trouw trouw, maar hij is tenopzichte van die dingen ook niet trouweloos.

En vooral: hij is betrouwbaar, want waar dat wat helder is, blijvend de maat is, daar is geen reden tot twijfel. Twijfel komt op waar duisternis is, want daar is alles ondoorzichtig zodat niet vast te stellen valt of we met het een te doen hebben of met het ander. Maar waar de helderheid de maat is, daar is geen twijfel. Daar is de zaak betrouwbaar.

Aangezien de werkelijke trouw een zaak van helderheid is, geldt ze alleen voor de volwassen, de zelfstandige mens. De mens dus voor wie het begrip "het geheel zijn" van kracht is. Bij deze mens is het ondenkbaar dat hij, zoals Lamme Goedzak, de liefde van de vrouw afwijst met het argument dat hij al getrouwd is. Ten eerste kan de zelfstandige mens niet getrouwd zijn, en ten tweede kan de liefde niet afgewezen worden. De liefde kan hoogstens te­rechtgewezen worden en dit laatste is een zaak die blijvend voor de mens geldt. Met terechtwijzen bedoel ik dit, dat het de heldere mens er om te doen is een omgang te laten gelden voor wat ze wezenlijk is. De ene omgang is weer anders van karakter dan de andere omgang. Dit hangt louter af van de vraag hoe de twee geliefden qua karakter zijn. De mogelijkheden op dit terrein zijn natuur­lijk eindeloos gevarieerd, want onder de mensen zijn ontelbaar vele karakters en combinaties daarvan mogelijk. En die combinatie van karakters maakt de hoe­danigheid van de omgang uit. Over geen enkele combinatie is een oordeel uit te spreken want alle behoren tot de mensolijke mogelijkheden. De ene mens zal dit goed liggen, en de ander dat, maar wat voor alle omgangen hetzelfde is, dat is het wézen van de zaak. En nu gaat het de volwassene er juist om, het karakter van de omgang blijvend te laten zijn precies zo als het qua combina­tie mogelijk is. Als bijvoorbeeld twee geliefden er niet tegen kunnen voortdurend in elkaars gezelschap te zijn en voortdurend met elkaars hebbelijkheden en onhebbelijkheden geconfronteerd te worden, dan is het beider zorg elkaar ruimte te laten zodat niet de gedwongen huwelijkssituatie ontstaat waarbij twee mensen aan elkaar verzuren. Het lijkt overbodig hierop te wijzen, maar het is toch het gangbare beeld onder de mensen dat zij, als zij met elkaar getrouwd zijn, tevens "aan elkaar getrouwd" zijn. Vanuit het huwelijk is dit niet anders mogelijk, want het huwelijk bezegelt juist de combinatie van de karakters en regelt het zo, dat geen van beiden er onderuit kunnen.

Maar vanuit de zelfstandige mens, zowel man als vrouw, is dit "aan elkaar getrouwd zijn" een absurditeit, een aanslag op ieders vrije zijn. En dus let de zelfstandige mens er vanzelf op, dat hij zijn eigen omgang blijvend "terechtwijst" en dus laat gelden voor wat het is. Van hieruit bekeken is het mogelijk dat een man of een vrouw een bepaalde omgang afwijst, maar dan gaat het om een onmogelijkheid van de combinatie, niet omdat er al een andere combinatie is, zoals bij Lamme, maar omdat het de mensen eigenlijk niet aan­trekt vanwege de wankele basis. Overigens is voor een helder mens de basis niet zo erg gauw te wankel, want doorgaans geeft het leven zelf de mogelijk­heden, al lijken zij nog zo gering. Maar een wankele basis is bijvoorbeeld deze als een combinatie teveel buiten de natuurwetten ligt. Dit kan het ge­val zijn bij een groot leeftijdsverschil tussen de geliefden; bovendien speelt de schoonheid in de omgang vrouw-man een geducht woordje mee, maar hierop gaan wij bij een andere gelegenheid dieper in.

In ieder geval is een afwijzing van de liefde voor de volwassen mens een onmogelijkheid. Wat Lamme deed in het bordeel van Antwerpen mag voor de domi­nee correct zijn, maar menselijk is het dat niet. Het is belachelijke onzin en dat werd terecht door de meisjes aangevoeld. Terechtwijzen was wel op zijn plaats geweest. Dat deed Tijl: hij wees de liefde bepaald niet af maar hij liet de zaak wel gelden voor wat ze was. En daarom ging hij weer heen na af­loop. . . . . Zo lag de zaak op maat. Hieraan is Tijl niet onbehoorlijk en de meisjes evenmin.

 

Pagina 63

De volwassen mens is de heldere mens, en voor deze mens geldt het begrip "het geheel zijn". Dit betekent dat de gehele werkelijkheid als inhoud in die mens vercalculeerd is. En deze werkelijkheid, die inhoud van de mens is, is natuurlijk een veelheid van samenstellingen, een veelheid van combinaties.

Alle denkbare combinaties, op alle mogelijke terreinen en dus ook op het terrein van de liefde, zijn de volwassen mens vertrouwd omdat zij inhoud zijn van hem, niet voorzover hij dat bepaalde mens is, maar voorzover hij mens is. Die vertrouwde combinaties, die inhoud van de mens zijn, kunnen niet afgewezen worden, want dat zou een uitsluiten van bepaalde aspecten van de werkelijkheid betekenen en dat is voor de volwassene een onmogelijkheid. Afwijzen is er dus niet bij, afwijzen behoort tot de wereld der tegenstel­lingen. Waar het een onderscheiden is van het ander, daar is het een het ander nu eenmaal niet, zodat er ook afgewezen kan worden. Maar waar "het geheel" geldt, daar is de onderscheiding tussen het een en het ander van geen belang meer. Dus is ook de afwijzing niet meer aan de orde. Wat echter wel aan de orde is, is dit feit - en dat wordt meestal over het hoofd gezien door de mensen die wel eens over deze dingen nadenken - wat wel aan de orde blijft is het feit, dat, wil "het geheel" inderdaad een feit zijn, die inhoud, die bestaat uit het van elkaar onderscheiden "een en ander" inderdaad naar zijn ware gestalte aanwezig moet zijn. Dus die bepaalde dingen, die elementen en hun mogelijke combinaties, moeten zich naar hun ware karakter laten gelden. En dit betekent dat zij vrij moeten zijn om zichzelf te kunnen zijn. Op dit terrein ligt het terechtwijzen, het is het ervoor zorg dragen dat de elemen­ten en hun combinaties zich niet anders voordoen dan zij zijn. Dit zich anders voordoen behoeft geen bedrog te zijn, alleen al het feit, dat een mens zich door een belofte vastlegt is al voldoende argument om er zeker van te zijn dat we met een verbogen aangelegenheid te doen hebben. Dit is een punt van groot belang, want tegenwoordig, nu het huwelijk eigenlijk voor de mensen niet meer zo erg goed te verdedigen is, horen we vaak deze redenering: wij geven toe dat het huwelijk op zichzelf een loze zaak is. Dat het louter een contract is waaraan verder geen waarde behoeft te worden gehecht. Wat van be­lang is, is alleen maar de omgang. De vraag hoe gaan wij met elkaar om. Als die vraag nu in positieve zin beantwoord kan worden, dan willen wij dat po­sitieve antwoord, dat er zomaar vanzelf is voor ons, ook plechtig bezegelen voor het oog van de wereld en van God - deze vooral niet te vergeten! Dat geldt dan als een soort "wijding" van onze voortreffelijke omgang!

Nu lijkt het er op dat iemand die een dergelijke redenering ophangt het hu­welijk eigenlijk al vergeten is, omdat hij argumenten gebruikt die op wat anders slaan, namelijk op het primaire belang van de omgang. Maar niets is minder waar. Hoe zo iemand de zaak ook voorstelt en hoe groot desnoods de vrij­heid is die gesteld wordt, het is toch een huwelijk. Dat ene zogenaamd loze gebaar is het keiharde bewijs van een huwelijksgesteldheid, want waar een van­zelfsprekende volwassen omgang aan de orde is, daar staat juist die vanzelf­sprekendheid van de zaak elke afspraak in de weg. Is dus die afspraak toch mogelijk bij iemand, al is het nog zo'n formeel geval, dan is er iets mis met die vanzelfsprekendheid. Dan zijn de elementen, die inhoud van "het ge­heel" zijn, niet naar hun ware aard aanwezig. En dit is de enige eis die de mens zichzelf en de ander te stellen heeft: wees jezelf! En, zoals al in het karakter van deze uitspraak doorklinkt: dit is een terechtwijzing.

Waar voor de mens "het geheel" van kracht is, daar behoort niets tot de on­mogelijkheden en niets is buitengesloten. Maar alles moet helder gesteld zijn, zonder bindingen en zonder toezeggingen. En de zaak is helder gesteld als ze waar is. Dan kan het desnoods niet zo geweldig zijn en het kan in andere ge­vallen prachtig zijn, maar dat is in geen enkel geval van belang. De een komt door zijn aanleg nu eenmaal grootser voor de dag dan de ander. Niet alle hemellichamen zijn zonnen en niet alle dieren zijn leeuwen! Maar onder alle verschijnselen is er niet een die inferieur is en gemist kan worden. En daarom: wij vinden dat de ene mens grootser voor de dag komt dan de ander - en dat wij dit vinden is niet alleen begrijpelijk, maar ook in orde - maar kosmisch ge­zien is de kwalificatie van meerdere of mindere grootsheid nergens houdbaar.

En dus kunnen we de kwalificaties waar het de mensen betreft maar beter ach­terwege laten en ons houden op het kernpunt: de eis van waarheid. Tijl Uilenspiegel gaat er nergens toe over trouw te zweren aan iets of iemand; als Oranje vraagt hem trouw te zijn zegt hij alleen maar dat "de asse" hem op de borst klopt.

 

Pagina 64

Hij zegt geen ja en geen nee - niet uit berekening, maar omdat het een domme vraag is. Hij is aan niets en niemand trouw, alleen maar aan zichzelf. En ook aan Nele, die toch zijn werkelijke geliefde is, doet hij geen toezeggingen. Het kan allemaal niet. Het zou zijn menselijkheid ont­kennen.

Intussen zijn wij aangeland bij de verhouding vrouw-man, zoals die werkelijk behoort te liggen. De typische voorbeelden daarvan zijn natuurlijk Nele en Tijl. De vrouwenfiguren, die aan Nele voorondersteld zijn, hebben wij behan­deld: daar was Katelijne, die de oervrouwelijkheid uitbeeldde. De oervrouwelijkheid die iets heeft van het moeras waarin alles naamloos en mysterieus ten onder gaat. Zij was de "Magna Mater" die als een tovenares het hele heelal in zich verzonken houdt. En die naamloos bezwangerd wordt als ware zij de Egyptische godin Neith, die van zichzelf zei: "Ik ben die ik ben, ik zal zijn die ik zijn zal, niemand heeft mijn hemd opgelicht, ik heb uit mijzelf voort­gebracht" . Die naamloze mannelijkheid , die "niemand" , is haar inhoud- Daarna kwam Kalleken en haar mannelijke inhoud had wel een naam en juist om die be­paalde, met name genoemde mannelijkheid ging het: dat was Lamme. Hij is de verzorger van de zaak omdat het juist om hem als bepaald geval ging. Het ging niet om de idee die hij vertegenwoordigde, maar om de spullen die hij inbracht. Kalleken is de westerse vrouw die het hogere wil en die daardoor pervers is. Zij is trouw maar haar trouw heeft geen inhoud want zij is alleen maar niet met haar monnik naar bed geweest, maar verder accepteerde zij zijn gehele werkelijkheid. Zijn idee zei haar wel wat, maar die idee stonk. Toch is ook deze westerse vrouw voorondersteld aan Nele want de fase van het her­kennen en laten gelden van de bepaaldheid is er niet uit te denken. De werke­lijke geliefde van Nele is namelijk wel precies Tijl Uilenspiegel en geen ander. Dus haar werkelijke geliefde was wel degelijk een bepaald mens. Dus Nele kende de bepaaldheid.

De vraag is nu alleen maar: wat was Tijl Uilenspiegel haar? Was hij haar verzorger, zoals Lamme dat was voor Kalleken? Was hij haar echtgenoot en het hoofd van haar gezin? Of was hij haar alleen maar een romantische held, een man wiens naam op aller lippen was en met wie eer te behalen viel? Of waren die twee zomaar naar elkaar toe gesukkeld in de loop der jaren - ze waren immers reeds als kinderen in elkaars buurt.

Uit het hiervoor gezegde naar aanleiding van Lamme Goedzak en de westerse man in het algemeen is al wel duidelijk dat Tijl voor Nele al die fraaiighe­den ten enen male niet was.

Wat is eigenlijk de een voor de ander, op welk terrein ligt deze vraag? Als Don Quichotte uitlegt wat Dulcinea voor hem is, dan zegt hij: "zij is de sterkte van mijn arm...". Hij zegt niet dat zij hem kracht geeft om zijn roemvolle daden te volbrengen en hij zegt ook niet dat zij voor hem de ver­persoonlijking is van god-mag-weten welk ideaal. Hij heeft het helemaal niet over zichzelf. Hij stelt zichzelf helemaal niet als subject, dat op zijn eigen manier haar bekoring ondergaat. Don Ouichotte komt hier met een begrip van de verhouding tussen het vrouwelijke en het mannelijke waarbij helemaal geen sprake is van een subject. Hoe ik jou eventueel onderga is van geen enkel belang, zegt Don Quichotte. Wat van belang is, is dit: wie ben jij, ongeacht de wijze waarop ik je onderga. Het inzicht waarvan de edele ridder blijk geeft raakt regelrecht het wezen van de menselijke verhoudingen, want hier wordt de ander als zelfstandig gesteld. De ander geldt als een zaak die is zoals ze is, ongeacht datgene wat ik ervan onderga. En dan is Dulcinea de sterkte van zijn arm; zij is de drijvende kracht van zijn daden en dat is zij ongeacht die daden. Welbeschouwd is Dulcinea dus niets voor Don Quichotte; de een is voor de ander niets, helemaal niets.

Dit is een gesteldheid die voor de westerling onbegrijpelijk is. Want de westerling gaat ervan uit dat je voor de ander allerlei hebt te zijn en daar­bij zou het dan het mooiste zijn als je jezelf helemaal weg kon cijferen, want dan was je voor de ander op zijn best. Het leven is dus een opgave, name­lijk deze dat je je egoďsme zoveel mogelijk onderdrukt om zodoende voor de ander zo onbaatzuchtig mogelijk voor de dag te komen. Die opgave is natuur­lijk bijzonder zwaar want telkens weer kom je met jezelf in botsing, want je natuur verzet zich tegen die wegcijfering, zoals het verschijnsel zich altijd verzet tegen elke vorm van bewerking.

 

Pagina 65

Het verschijnsel wil niet opgelost wor­den; het kost grote moeite om dat voor elkaar te krijgen. En zo verzet de con­crete aanwezigheid van de mens zich tegen het oplossen in het niets. Maar dat is voor de westerling nou juist de zin van het leven, voorzover hij probeert er iets behoorlijks van te maken: de opgave om van jezelf iets te maken dat voor de ander van betekenis is, van positieve betekenis. En dat kan natuur­lijk alleen maar als je opgelost bent in het niets, want elke herinnering aan het verschijnsel is een stuk eigen karakteristieke werkelijkheid, dat zich van nature niet uit de weg laat ruimen. Het laat zich gelden als iets eigens, dat is zoals het is - als het je niet bevalt dan moet je maar zien eraan te wennen! Dat is de gesteldheid van het verschijnsel, van de concrete aanwezig­heid. Daar geldt de oplossing niet, daar geldt het karakter. Maar zo'n stukje karakter staat het iets voor de ander zijn natuurlijk in de weg, want het is iets op zichzelf. Gaat het de mens erom zichzelf als "iets zijn voor de ander" te laten gelden, dan moet het karakter opgelost worden. Door een karakter kan je niet heenlopen, dat is een stugge starheid waartegen je alleen maar kunt opbotsen op een nogal gevoelige manier. Maar het opgeloste karakter is als een nevel: het is er wel, maar toch bemerk je die aanwezigheid niet.

Daar wil de westerling naar toe en hij noemt dat tegenwoordig "lief zijn voor elkaar". De dominee heeft het dan over "je naaste" en hij probeert ons ook diets te maken dat je "je vijanden moet lief hebben". Nu kan het ons even niet schelen hoe de dominee aan die wijsheid komt - daarvoor is heus wel een verklaring en ook voor het feit, dat dergelijke uitspraken in het Evangelie voor komen. Het gaat nu over de inhoud van een dergelijke uitspraak, die neerkomt op het begrip "iets voor de ander zijn". Als eerste dit: je moet toch echt niet zo'n klein beetje last van hoogmoed hebben als je meent iets voor de ander te moeten zijn. Want hoe stel jij die ander eigenlijk als je vindt dat hij jou op de een of andere manier nodig heeft? Ben je niet druk bezig hem als een onmondige te zien, een onmondige die niet buiten jouw wel­gemeende onbaatzuchtigheid kan. Want je biedt jezelf nu wel aan als een soort naamloze slaaf, die zonder zelf mee te tellen allerlei voor hem moet doen en zijn, maar dat doe je met de bedoeling hem het leven mogelijk te maken en zelfs met de bedoeling zijn leven, dank zij jouw opoffering, een stuk behoor­lijker te laten verlopen. Je bent er dus van overtuigd dat jouw inzet voor de ander heilzaam is en je bent er dan tevens van overtuigd, dat hij het zon­der jou niet zou klaren. De ander is voor jou een onmondige, iemand die jouw hulp en bijstand nodig heeft en dat heb jij allemaal zelf aan hem bedacht.

Dan ben je een hoogmoedig mens en je neerdalen tot de status van willoze slaaf is niets anders dan zelfverheerlijking in de meest onmenselijke vorm.

Dit is puur Christendom, zoals het al die eeuwen toegepast is; dit is de Übermensch in zijn meest rampzalige gedaante. De dienaar der mensheid, uit eigen vrije wil, als een lam voor de verdorvenheid der mensen naar de slacht­bank geleid om zo met zijn zegenende, doch stille, aanwezigheid de mensen te doordringen van…van zijn eigen voortreffelijkheid! Van zijn eigen per­soonlijke god-zijn. Wij hebben de Duitse Uebermensch bevochten en met het uitroeien van zijn persoonlijke vertegenwoordigers hebben wij dit euvel de kop ingedrukt; daarmee hebben wij de eerste consequenties van ons eigen ver­heven-zijn onderdrukt. Maar de volgende consequenties, wat doen we daarmee? Want de westerling is een hoogmoedig mens; hij verleent hulp aan arme mensen en hij leert de arme volkeren allerlei. Hij organiseert hulpprogramma's en wil natuurlijk niet bedankt worden; het is allemaal in het belang van de mens­heid dat de westerling zijn voortreffelijke kwaliteiten inzet voor de minder bedeelde, voor de onmondige. En dichter bij huis: wij proberen lief voor el­kaar te zijn, alleen maar vanuit eigen hoogmoed. De Übermensch is met de Duitser nog lang niet uitgeroeid - niet alleen dat de feitelijke aanwezigheid van de Übermensch niet opgeheven is, maar de hoogmoedige sfeer van eigen superioriteit komt steeds sterker naar voren. En dit is lang niet alleen met de Duitser het geval; het geldt voor de gehele westerse mensheid. In Duitsland was de superioriteit een gewelds-kwestie en als zodanig is de misdadigheid ervan zonder veel moeite te herkennen. Je merkt het vanzelf wel dat het een misdadige aangelegenheid is. De Duitser stelde zichzelf, zoals hij concreet aanwezig is als een superieur geval. Daarom had hij het over raszuiverheid en over mannelijke karaktereigenschappen.

 

Pagina 66

Ontwikkelingshulp(pagina’s 66 en 67) ; ontwikkelingshulp/kolonialisme(pagina’s 73,74 en 75)

Zo stond hij daar dan zelf, persoonlijk, als misdadiger, want vanuit die op zichzelf geconcentreerde supe­rioriteit zijn natuurlijk alle ŕnderen minderwaardige gevallen, slampampers, die met de knoet gedwongen moeten worden mee te werken aan de opbouw van een wereld van superieure mensen. Van Edel-Germanen! En als ze zelfs daarvoor niet deugen, moeten, ze uitgeroeid worden - dat spreekt vanzelf. Dus omdat de Duit­ser persoonlijk superieur was, was hij ook persoonlijk misdadig en in de mees­te gevallen kwam het ook tot persoonlijke misdaden. Maar bij de nog wat meer westerse mensen, die behoren tot de zogenaamde "westerse democratieën", is de persoonlijkheid allang weggevallen. Daar gaat het om datgene waarmee de mens komt - dat wat aan hem meekomt. Zo komt er wetenschap en techniek aan hem mee, en ook het Christendom en de algemene normen voor menselijkheid. Hier is de mens dus al verneveld tot facetten, tot min of meer op zichzelf staande onder­delen. Deze onderdelen zijn op zichzelf niet misdadig. Misdadigheid geldt niet voor facetten van de mens, maar misdadigheid geldt voor de mens zelf. Logisch is het dus, dat er aan de westerse democratische mens geen misdadig­heid beseft wordt, want hij duwt alleen maar bepaalde facetten van zichzelf door; superieure facetten van zichzelf. En persoonlijk probeert hij er buiten te blijven. Maar al heeft hij het gevoel dat het hem gelukt er buiten te blij­ven, toch is dit meestal niet waar. Want de feiten spreken een andere taal en de feiten zijn deze: de westerling loopt vrijwel de gehele wereld te ver­velen met zijn "ontwikkelingshulp" en voordien perste hij er het voortreffelijke Christendom in. Hij dringt overal de democratie op, ook waar het niet mogelijk is; hij probeert de mensen vrijheid te geven ook als zij helemaal geen begrip van persoonlijke vrijheid hebben omdat een ander cultureel as­pect eerst tot ontwikkeling moet komen. Zo is er nog veel meer te noemen van dingen die de westerling in de wereld loopt door te drijven, en het zijn allemaal dingen die aan de westerse mens meekomen, en die gegrond zijn in de westerse superioriteit. Het is allemaal bevoogding - vroeger was het kolonialisme en dat komt overeen met het gedoe van de Duitsers, nu hebben wij de koloniën genadiglijk hun vrijheid gegeven en nu dringen wij hulp op. En dat is eigenlijk nog hoogmoediger omdat het allemaal intellectueel gedekt is. Het intellect doet de mens zich werkelijk superieur gevoelen. Maar het is voor de westerling iets objectiefs, het is een "één en één is twee" en dat is een on­persoonlijke waarheid. Het is een formule, die ongeacht mijn persoonlijkheid altijd van kracht is. Ik ben er zčlf niet in betrokken. Het gaat mij dus ei­genlijk ook niet aan - het is nu dat de formule het mij voorschrijft, want anders geloofde ik het wel ! Zo ligt de verhouding voor de westerling: hij doet het omdat de berekening hem zegt het te doen. De objectieve werkelijk­heid (met hoofdletters!) dwingt hem ertoe. En zo gaat hij dan de wereld ver­velen met zijn opdringerige gedoe in de geruststellende overtuiging van eigen objectiviteit en hoewel de dingen waarmee hij komt inderdaad niet misdadig zijn, is hij het zčlf wčl, al merkt hij het doorgaans niet. Hij merkt het al­leen als hij door weerstand van de hulpbehoevende mensen gedwongen is geweld te gebruiken, en ook dan is het weer het intellect dat hem, voor een goed deel in slaap sust. Maar nooit helemaal, want al neemt de mens het voortreffelijke intellect als de maat en al is er geen speld tussen te krijgen, toch blijft het feit liggen dat de mens méér is dan zijn intellect en dat juist voor die "meerdere" zaak het begrip misdadigheid kŕn gelden. Zo ontkomt de westerling toch niet aan het onbehaaglijke gevoel fout te zitten, al kan hij dat intel­lectueel nergens bevatten. Hij treedt dus met geweld op als de weerstand te groot en voor hem te ongerijmd is en dan komt de misdadigheid zo scherp naar voren, dat er nauwelijks meer aan te ontkomen is. Dat is het geval met de oorlog in Vietnam, waar het niet gaat om kolonisatie en dergelijke voor de hand liggende dingen, maar waar het gaat om de verdediging van iets geeste­lijks. Om één van de verworvenheden van de westerse cultuur, namelijk de vrijheid. Er is geen duidelijk zwart-wit, er is alleen maar het onbehagen, en - natuurlijk! - het onberedeneerde en ongeargumenteerde afwijzen van de jonge mensen, die in hun jeugdigheid sterk de misdadigheid van het westen aanvoelen. Zij zijn nog niet zo bevangen in de argumenten van de geleerde heren en bovendien zijn zij het geklets zo langzamerhand zat. Zij voelen misdadigheid in het westerse gedrag, zeker nu dit gedrag met de wapenen ver­dedigd wordt. Natuurlijk reageren zij in hoofdzaak op het westerse gedoe; de meermalen gestelde vraag waarom er geen reactie is als het zogenaamde oost­blok met onmenselijke daden komt, is een domme vraag.

 

Pagina 67  ( doe u zelf een plezier en lees deze bundel in zijn geheel )

Want de communistische landen zijn namelijk niet misdadig omdat zij door hun niet-analytische ge­steldheid het superioriteitsgevoel missen. Zij mogen desnoods wel aankondigen dat zij als communisten de gehele wereld zullen veroveren, en zij mogen dat desnoods wel hier en daar met geweld proberen, maar dan gaat het niet vanuit eigen superioriteit, maar vanuit de eenheidsgedachte.

Uiteraard excuseert dat de agressie niet en het feit dat er bloed vloeit…maar de basis van de hele zaak is niet misdadig. De uitwerking is dat hoogstens bij gelegenheid.

Bij de westerling is de basis echter wčl misdadig, ook al is de uitwerking in de meeste gevallen vredelievend. Tegen deze basis nu gaat de westerse jeugd tekeer; zij tast haar eigen cultuur bij de wortel aan. En, zoals gezegd: juist omdat het om de kčrn van de zaak gaat, is het de jeugd op de drempel van ei­gen volwassenheid, die hierop reageert. Deze zelfde jeugd reageert positief op de kerngedachten van het communisme, omdat aan het communisme in principe het beginsel van macht, en dus bevoogding, vreemd is. Williswaar is dat in de praktijk lang niet waargemaakt, maar die kern ligt er toch. Het is de kiem voor wat het worden moet, en die kiem bevalt de jeugd van het westen. Natuur­lijk zal geen enkele westerse jongere daden van agressie verdedigen, ook niet als die daden in de communistische sfeer gesteld worden, maar de reactie is toch goeieger. Bovendien moeten wij eens in alle rust nagaan wie de meeste daden van agressie bedrijven in de wereld. Zijn dit de vrije westerlingen of zijn het de communisten? Men behoeft niet eens goed thuis te zijn in de poli­tiek of in de wereldgeschiedenis om tot de conclusie te komen dat het vrijwel altijd het westen is, dat agressief is. In Zuid-Amerika treedt de westerling agressief op, zij het op nog verspreide wijze, in Afrika is het bloedvergie­ten in hoofdzaak gegrond op westerse invloeden die botsen met de Afrikaanse sfeer; in het oosten zijn het de westers beschaafde clans die zich tegen het opdringende communisme verdedigen en dat op agressieve wijze doen. Terwijl het communisme toch niet tegen te houden is; in het oosten niet vanwege de cul­turele gesteldheid van die mensen, en in het westen niet omdat de toekomst voor de westerling in het communisme besloten ligt - al is het dan niet het communisme dat wij van Oost-Europa kennen. Politiek gezien is het vanzelf­sprekend dat het Oostblok alle roerige elementen over de gehele wereld van wapens voorziet, want het ligt in het huidige communistische denken om de westerse wereld zo grondig en zo vlug mogelijk ineen te laten storten. Over de vraag of het menselijk te verdedigen is dat er gevochten wordt, gaat het nu niet en het staat natuurlijk vast dat de politiek overal en al tijd ,een vies spelletje speelt. Ons gaat het om de basis van de zaak, en die basis is door niemand uitgedacht en niemand heeft besloten dat het zo moet zijn en niet ŕnders: die basis komt vanzelf naar voren omdat het zuiver een cultuur­kwestie is. Een zaak dus die onberedeneerd en vaak ongeweten in de mensen gaat leven en zich doorzet.

De agressiviteit van het westen is die van de superieure mens, van de Übermensch, die macht heeft over de wereld. Die bevoogdt en die de lakens uitdeelt en die ze allemaal de baas is op grond van zijn onpersoonlijke intellect. De agressiviteit van de westerling is die van een hoogmoedig mens, die eerst zichzelf zonder meer als superieur stelde - als vertegenwoordiger van het Christendom en vooral later als vertegenwoordiger van Hitler - en die nu van zijn superioriteit blijk geeft door zich te vernederen en de gewillige slaaf van de arme mensen uit te hangen. Immers, om je te kunnen vernederen moet je eerst verheven zijn, nietwaar? En om wat voor de ander te kunnen zijn moet je jezelf eerst vernederd hebben. Eigen verhevenheid ontkend hebben. Prachtig, maar dan moet je je wčl van die verhevenheid bewust zijn….en dat is de superioriteit. Gaat U, lezer, nu zelf maar na in hoeverre deze superioriteit in onze gehele westerse cultuur ingekankerd is. Het is de Übermensch in zijn verraderlijkste gedaante, de wolf in lamsvacht….!   

Wij hadden het over het thema "iets voor een ŕnder zijn” en wij stelden dit als een leugen. Het gaat er juist om zčlf wat te zijn, ongeacht de ŕnder. De­gene voor wie dit waar is, ziet ook de ander als een zelfstandigheid, als een mens die zichzelf is ondanks mijn aanwezigheid. En zo moet hij de ŕnder nood­zakelijk zien omdat hijzčlf zelfstandig is, dus omdat hijzčlf volwassen is en zichzelf het geheel is. Omdat dit voor hemzelf geldt is het automatisch een feit wat betreft de andere mensen.

Ontwikkelingshulp(pagina’s 66 en 67) ; ontwikkelingshulp/kolonialisme(pagina’s 73,74 en 75)

 

Pagina 68

Die andere mensen zijn zelfstandigheden, en dat is het wat in de eerste plaats geldt; de wijze waarop elk van die zelfstandigheden zich voordoet, is natuurlijk altijd weer anders, en dat onderga je dan ook als iets anders.

Maar dat komt op de tweede plaats, het is maar de "manier waarop". Zo heeft een ieder weer een andere manier om zichzelf te zijn - en het is allemaal goed. En al die verschillende manieren worden ook weer door alle mensen ver­schillend ondergaan - en ook dat is verder niet van belang. Dus eigenlijk is de hele mensenkennis, op grond waarvan wij doorgaans menen met elkaar om te kunnen en moeten gaan, een onbelangrijke aangelegenheid. Maar juist deze on­belangrijke aangelegenheid is het die wij in de omgang als maatgevend besef­fen. Wij vragen ons af wat we aan de ander hebben, wat hij voor ons betekent, en wij vragen ons af wat wij voor de ander betekenen. En dat is allemaal toevalligheid, het is allemaal relatief en voorbijgaand. Je merkt vanzelf wel wat je aan de een hebt en wat je aan de ander hebt, maar wat bepalend in de omgang is, is dit éne: ben je een zelfstandig mens en is de ander dat ook voor je, of liggen de kaarten niet zo.        .

Dan moeten we zeggen: in de omgang tussen twee zelfstandige mensen, zoals daar is de omgang tussen Tijl en Nele, is het voor geen van beiden de vraag wat zij voor elkaar betekenen. Zij zijn beiden volkomen zichzelf en zij blij­ven beiden volkomen zichzelf. Hun omgang verandert daaraan niets- ook niet als zij beiden door toevallige omstandigheden toch nog in het huwelijk treden. Want Tijl denkt er niet over om van de schepen der Geuzen af te gaan, en zich als huisvader te gaan gedragen en het is voor Nele een uitgemaakte zaak dat ook zij, op haar vrouwenmanier, geus wordt. Later gaan zij wonen in de toren van Vere en daar houdt Tijl de wacht over de vrije landen terwijl hij tevens uitziet naar de dag dat het. geknevelde Vlaanderen bevrijd zal worden van de Spanjaard. Zij blijven dus ieder voor zich hun eigen leven lijden en terwijl zij dat doen blijken zij voor elkaar allerlei te zijn en datgene dat zij elkaar zijn is niet meer en niet minder dan dat wat mogelijk is tussen die twee karakters. Tussen die twee mensen, zoals zij toevallig gesteld zijn.

De combinatie tussen die twee ligt dus precies op maat.

De omgang van Tijl en Nele is de omgang  tussen twee volwassen mensen;dus geldt voor geen van beiden het uitsluitende. De ander, en eventueel de ŕndere omgang, is dus niet uitgesloten, net zomin als Tijl en Nele bij elkaar behoren op grond van een afspraak, die alleen hun tweeën insluit. Die twee dingen be­horen bij elkaar, het insluiten van twee bepaaldheden in een geheel, en het uitsluiten van al het andere. Het huwelijk, als insluiting van twee bepaald­heden tot één geheel, is tevens onmiddellijk uitsluiting van het andere; van andere omgangen dus. Dit geldt altijd, ook al lijkt het er op, bijvoorbeeld in veel moderne huwelijken, dat het insluiten van twee nog niet onmiddellijk het uitsluiten van het andere inhoudt. Dan zeggen de mensen dat zij weliswaar met elkaar getrouwd zijn, maar dat beiden toch vrij zijn om nog wat anders te hebben. Maar in dat geval is toch het huwelijk primair en het andere bijkomstig. Die andere verhoudingen worden dan niet helemaal als serieus beschouwd maar meer als een soort van aanvulling op de gebrekkigheid van het bestaande huwelijk. Mocht echter dit bestaande huwelijk in het gedrang komen, dan wor­den de buiten dat huwelijk liggende verhoudingen afgekapt. Want zij zijn bij­komstig. Ze zijn dus toch uitgesloten, al leek het er even op dat het niet zo was. Dus, de insluiting houdt altijd onmiddellijk uitsluiting in. Dat zit in het karakter van de zaak. .

Tussen Tijl en Nele bestaat geen insluitende verhouding en er is ook geen uitsluitende verhouding. Dit houdt in dat voor die mensen alles komt zoals het komen moet, zoals het leven dat vanzelf aan zich mee brengt. Aan het ge­drag van Tijl is dit duidelijk te merken: overal gaat hij wel achter de rok­ken aan, ook als hij zich al wel bewust is geworden van Nele's liefde. Van ontrouw dringt er nooit iets tot hem door want die hele wereld van trouw en ontrouw is hem volkomen vreemd. Hij loopt nooit stumperig aan Nele te denken zoals Lamme doet, want er zijn voor hem geen aanknopingspunten. Er zijn geen banden. Bij Lamme waren er alleen maar banden: hij dacht aan haar heerlijke vormen, die eens helemaal voor hem waren, hij dacht aan haar liefelijke stem­geluid en aan het ruisen van haar japon. Kortom, hij dacht alleen maar aan meekomende zaken, die juist in zijn gebondenheid maatgevend waren. Maar Tijl heeft daar helemaal geen last van; hij denkt weleens aan "die zoete Nele" en ­ bij gelegenheid verlangt hij natuurlijk naar haar, maar het heeft nergens die gebonden en afhankelijke sfeer die het bij Lamme heeft.

 

Pagina 69

Tijl denkt aan Nele als aan zijn geliefde: zij is de werkelijke vrouw die als tegenspeler alleen maar de werkelijke man kŕn hebben. En als wčrkelijk vrouw is zij niet degene die verzorgd moet worden, maar zij is eerder degene die Tijl verzorgt. Want zij dringt er op aan bij Tijl in de buurt te zijn om zijn eventuele verwon­dingen te genezen. Zij wil hem gezond maken als hij in het wilde mannenleven gehavend is. En zij alleen kŕn hem gezond maken, want zij is het rustpunt, zij is de veilige omhulling van het mannelijke. In haar is het alles een geheel geworden, gaaf, warm en rein. Dat wat Tijl voor elkaar brengt, dat is zij en dat wat er als inhoud in haar leeft, dŕt is Tijl. Zij is de grote rust van de kosmos en Tijl is de grote kracht in de kosmos. Zo liggen de verhou­dingen. Daarom is het Nele die op Tijl wacht en Tijl is de man die beweegt door de wereld, die vrijheid is en die als een komen en een gaan toch altijd haar inhoud is. Hij is niet als Tijl haar inhoud, want dan zou zij als vrouw boven hem uit gaan…zo wordt het vaak gedacht door de mensen. Als de man inhoud was van de vrouw, dan ging de vrouw boven de man uit. Maar de vrouw gaat niet boven de man uit. Zij houdt in datgene waarmee de man komt en dat is hij weliswaar zčlf maar dan toch op uiterlijke wijze. Het is de man zčlf voorzover hij zichzelf als wat ŕnders gesteld heeft. Dat andere is de werke­lijkheid als totaal en die werkelijkheid is een concrete zaak geworden door de arbeid van de man. Hij heeft vanuit zijn geest de aanwezige werkelijkheid omgezet tot werkelijk een lotaal. Dat is de zaak waarmee de man komt. Ook voor Tijl geldt dit natuurlijk, hoewel hij niet in de eerste plaats als een arbeidende man getekend wordt. Van Tijl wordt gezegd dat hij alle ambachten tegelijk was: boer, edelman, schilder, beeldhouwer. Dus de arbeid is niet van hem ŕfgedacht. Hij komt vanuit zijn geest met een totale werkelijkheid en dus ook met een vrije werkelijkheid en als zodanig vindt hij zijn rustpunt in Nele, de vrouw. In haar is de hele boel in harmonie. Daarom is het ook zo'n rustige zaak, die liefde van Tijl en Nele; het heeft niets van het ge­duw en gewring van de liefde van Lamme. Want dat is één jammerklacht en het is een volkomen onmannelijk gedoe. Lamme is net een jonge juffrouw en de vrouw van Lamme is voor Lamme helemaal geen rustpunt - zij is veel meer een bron van onrust, doordat ze eigenlijk niet aanwezig is. Zij is er eigenlijk niet, die vrouw van Lamme en daarom is het goed getekend dat zij er in hčt echt ook van tussen was. De westerse vrouw is de vrouw die er eigenlijk niet is en die juist door haar vertrek een enorme zuigende kracht op de man uit­oefent. Zij zuigt hem van zichzelf ŕf met haar hysterische gedoe, met haar nimmer aflatende eisen van meer en hoger. Met haar inhoudsloze intellectua­liteit. Zij zuigt de man čn datgene waarmee hij komt op en brengt het van zichzelf ŕf. Dat is in het westen een veel voorkomend verschijnsel, al wordt het niet altijd herkend, In Amerika is het al zo ongeveer een ramp geworden; daar is een groot deel van het kapitaal al in handen van vrouwen én veelal maken in bedrijven de vrouwen de dienst uit. Zij bekleden vaak hogere posten dan hun man! Zij hebben ŕlles naar zich toe gezogen en ook de mannen die hiervan het slachtoffer zijn gedragen zich als Lamme Goedzak: zij sloven zich uit en wringen zich in allerlei bochten om te voldoen aan de eisen die de vrouwen hen stellen. De westerse vrouw is een bron van onrust voor de wes­terse man, voor de Lamme Goedzakken.

Maar de volwassen vrouw is rust en daarom is de beweeglijkheid waarmee de man komt - omdat bij hem alles vanuit de geest voortkomt - juist eerst recht haar inhoud. De vrouw heeft een beweeglijke inhoud, haar inhoud is léven, en juist als zodanig, als "komen en gaan" en dat dan blijvend is de zaak in orde. Het gezinshoofd, de keukenpiet, de thuiszitter, de kinderoppasser, de afwasser en de eigen huisschilder…die man is géén beweeglijkheid die inhoud is van rust. Hij is een weggezogene die aan banden gelegd is - door zichzelf natuurlijk, want je moet je ook nog láten wegzuigen en aan banden leggen. Dan heeft hij het spaans benauwd bij gelegenheid en hij jammert en klaagt en gaat zich moed indrinken om de volgende dag weer in precies hetzelfde gareel voort te stappen. Maar het gareel is geen “komen en gaan", net zo min als de gevangenis een “komen en gaan” is. Daarvoor geldt wčl "komen", maar gaan is er gewoonlijk niet zo erg vlug bij. Zo is het ook voor de wes­terse man: het komen lukt wel, maar het gaan is veel moeilijker.

 

Pagina 70

De omgang begint wel, het groeit wel naar elkaar toe, maar het handhaven van de manne­lijke beweeglijkheid, hetgeen dus ook "gaan" betekent, dŕt is vrijwel onmoge­lijk. Ook voor die westerse man zelf. Hij wil eigenlijk zelf ook niet zo graag gaan. Het ligt hem wel om ingekapseld te zijn, ook al doet bij gelegenheid zijn natuur zich gelden en wil hij er even uit. Hij is zelfs zo stom dat hij dit tot zijn "menselijke zwakheden" rekent! En vanuit zijn denken is het ook een zwakheid, maar ja, het is een denken van niks…en ook daar moet hij nog achter komen.

De man komt met een beweeglijke werkelijkheid; het gaat bij hem om het be­weeglijke. Zodoende is hij altijd op weg ergens naartoe en dat houdt natuur­lijk onmiddellijk in dat hij ook altijd op weg is ergens vandaan. Het denk­bare moment van stilstand, het moment waarvan wij zouden kunnen zeggen, dat de man dan "er is", dat moment is er voor de man wel, want het behoort nu eenmaal tot de structuur van de werkelijkheid, maar het is een moment dat voor de man van geen gelding is. Het moment van stilstand, het moment van "er zijn", is voor de man dodelijk; het is een volledig ingekapseld zijn in een werkelijkheid, die eigenlijk vrouwelijk is. De momenten van "er zijn", de momenten dus van stilstand tussen de komende en de gaande beweging, die momenten vormen tezamen het geheel, dat door de vrouw vertegenwoordigd wordt. Het zijn immers de resultaten van een activiteit, de concrete en op zichzelf niet meer veranderlijke uitkomsten van een proces. Het proces zelf gaat ver­der en werpt op elk volgend moment weer volgende resultaten af, en als wij die resultaten met elkaar vergelijken, blijkt er een ontwikkeling in te zit­ten. Het proces en dus de ontwikkeling, is het mannelijke, maar de resulta­ten zijn de inhoud van het vrouwelijke. Een "product" - het geeft niet welk product, is een moment uit een proces. Een volgend moment levert een volgend product op. Maar waar blijven al deze producten? Waar blijven de broden, de schoenen, de blikjes worst, de jassen en broeken, de ijskasten, enzovoort? Blijven die producten in de mannenwereld, in de wereld van de fabrieken ,de kantoren, de machines? Neen, zij gaan naar de mensen toe voorzover die als niet-productief gelden. Dat noemen wij gewoonlijk de “consument". Dat is in ons gewone denken een mannelijke zaak, maar dat gewone denken is nu een­maal geen denken, want "consument" is vrouwelijk. Het is de wereld van het gezin, het huishouden, het leven. En deze wereld is de inhoud van het vrou­welijke. Daar bestáát het vrouwelijke uit.

Het vrouwelijke bestaat dus uit het totaal van de resultaten, uit het to­taal van de momenten uit het proces. Deze momenten zijn door het mannelijke opgeleverd, maar zij zijn het mannelijke zčlf niet. Het mannelijke zčlf is het voortgaan, de beweging, het nergens bij stilstaan. De dubbele beweeglijk­heid, die een "zich ergens van ŕf bewegen" en tegelijk een "zich ergens naar­toe bewegen" is. Wil de man zich dus ten opzichte van het vrouwelijke, maar ook ten opzichte van zichzelf, als werkelijk man laten gelden, dan heeft hij het proces maar gaande te houden. Hij heeft maar te "blijven gaan". Meer be­hoeft hij niet te doen. Want de rest gaat vanzelf, als de beweging maar doorgaat. De beweging houdt immers vanzčlf de opeenvolging, de aaneenscha­keling, van de momenten in, en dus zijn er vanzelf de concrete en vastge­legde resultaten daarvan, en die zijn vanzelf inhoud van de vrouwelijke wereld. Het draait dus om de beweging, om de komende en gaande activiteit.

En dit is zuivere mannelijkheid….maar het is een volkomen onbekende materie voor de huidige mens. Niet dat de mens van vroeger enige notie had van het hier gezegde, maar dat is ook niet nodig. Niemand behoeft er notie van te hebben, want op "weten" draait de

werkelijkheid niet. Maar het maakt toch een heel verschil of het één of het ŕnder aan de mannelijke activiteit beseft wordt. De Rus bijvoorbeeld, die voorbestemd is om straks de ware verhoudingen - in begin en beginsel - op tafel te leggen, zal vlug­ger tot begrijpen van het hier gezegde komen dan de westerling wiens hele cultuur gericht is op een verbogen zaak. In deze verbogen zaak speelt het "doorgaan" van het mannelijke helemaal geen rol. Het gaat juist om die mo­menten van stilstand, die de producten zijn. Dan ligt het automatisch in de lijn, dat er alleen maar gedacht wordt aan een stilstaande mannelijk­heid. Dat is een lamgelegde mannelijkheid, het is volslagen impotentie. Dit is er overigens ook de reden van, dat geen enkele westerse industrie gezond is. Alles is op het product gericht, en dus is alles op stilstand gericht.

 

Pagina 71

Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeding-1 

(doe u zelf een plezier en lees deze bundel in zijn geheel )

Weliswaar reppen wij altijd van "vooruitgang" en wij wijzen er tel­kens met klem op dat de "ontwikkeling" niet afgeremd mag worden, maar al die adviezen zouden niet nodig geweest zijn als de westerse mens niet ergens het vermoeden had dat hij zichzelf lamgelegd had. Uiteraard komt de econoom wel met economische verklaringen en eventuele economische oplossingen, maar er treedt nooit een verlossing op uit deze situatie zolang de man zich niet als vrij, d.w.z. als beweeglijkheid, herkend heeft. Een simpel voorbeeld is het octrooistelsel. Dat is er op gericht anderen niet de vruchten te laten plukken van mijn uitvindingen, d.w.z. van de vooruitgang in de ont­wikkeling, die ik bewerkstelligd heb. Mijn vooruitgang, mijn voortgaan, is dus door mij vastgelegd op een bepaald punt, het punt namelijk dat ik be­reikt heb, en nu wil ik niet dat anderen daarop verder gaan. Ik onderbreek dus het "doorgaan" omdat ik het aan mijzelf beperkt wil houden, en dat wil ik omdat ik op mijn eigen belang uit ben en niet op het belang van alle mensen, van de mensheid. Het octrooistelsel wordt door iedereen verde­digd, maar het is in feite één van de meest sprekende bewijzen van het lam­gelegd-zijn van het mannelijke. Dit alles omdat het product, de uitkomst van een activiteit, alleen maar telt, en niet de basis van alles: de man­nelijke activiteit, die de activiteit van de geest is.

Wij bekommeren ons om het product, maar eigenlijk behoeft niemand zich daarom te bekommeren.

Het product is namelijk een concrete manifestatie van het doorgaande proces, zoals wij gezien hebben…en dus kan het pro­duct nooit niet-deugen ŕls het proces onbelemmerd voortgang kan vinden. Misschien heeft deze gedachte voor menigeen iets ongerijmds, maar dan, komt dat door de onuitroeibare neiging van de westerse mens altijd en overal in te grijpen. Volgens hem kan niets vanzčlf goed gaan; de enige waarborg voor een goed verloop van de werkelijkheid is het intellectuele ingrijpen van de mens. Een kind kan niet vanzelf goed opgroeien: daarvoor zijn schoolmeesters, pedagogen en doctoren nodig en ook nog de psychiater, die de aanwezige aanleg van het kind moet analyseren teneinde tot een verantwoorde opleiding te komen. De mensheid wordt zich volgens de westerling niet van­zelf, aan eigen aanleg en ervaring, bewust van eigen waarde, neen, daartoe moeten de mensen opgevoed worden door lieden die daarvan het fijne weten. Gaat U zo maar door: overal grijpt de westerse mens in en het is voor hem ten enen male onbestaanbaar dat er iets is dat vanzelf goed gaat. Een productieproces derhalve, dat volkomen vrij gelaten wordt, is dus een tot mislukken gedoemd proces voor de westerling. Maar het feit blijft liggen dat de tot nu toe gebruikelijke gerégelde processen in geen enkel geval vlot verlopen en dat de producten in geen enkel geval goed zijn. Alles is even ongezond, dat uit de handen van de mens komt, al is het alleen al van­wege het feit dat de productie steevast ten achter staat bij de mogelijkhe­den, die op een bepaald moment al aanwezig zijn.

Daarom: omdat het om de concrete producten gaat en niemand erbij stil­staat dat dit slechts manifestaties zijn van een beweeglijk proces, daarom is de hele boel ongezond. Dit blijkt dan ook steeds duidelijker in de be­schaafde wereld. Langzaam maar zeker holt het hele bedrijfsleven zich uit; het jaagt zichzelf op steeds hogere kosten doordat de arbeidskrachten steeds duurder worden, en tenslotte kan de hele zaak nog slechts kunstmatig in stand gehouden worden door staatssubsidies, waarvan het geld echter langs een omweg bij de werkende mensen vandaan komt. Het is een niet te doorbre­ken keten van oorzaken en gevolgen. Er is tegenwoordig werk in overvloed voor de mensen, maar toch hebben velen geen werk, omdat de kosten voor lonen te hoog zijn. Het product dekt de kosten niet omdat de menselijke activiteit, de arbeid van de man, čn het product als twee afzonderlijke grootheden gezien worden waarmee, min of meer onafhankelijk van elkaar, ge­scharreld kan worden. Maar het zijn geen aparte grootheden: er is maar één ding: de arbeid, en verder, is er niets. Arbeid levert automatisch een pro­duct want een product is gémanifesteerde arbeid. Het enig belangrijke is dus de arbeid en het product op zichzelf is niets, het is een leeg en in de grond van de zaak volkomen waardeloos ding. Deze waardeloosheid en leeg­heid komt steeds meer naar voren in en aan het feit dat de arbeid het pro­duct onbetaalbaar maakt. Die onbetaalbaarheid wijst niet in de richting van het waardevol zijn van het product, zoals veelal gemeend wordt, maar in de richting van de waardeloosheid.

Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeding-1

 

Pagina 72

Met deze waardeloosheid bedoelen wij geen diskwalificatie, maar wij be­doelen dit, dat de waarde van een product uiteindelijk niet te bepalen is. Een product is alleen maar nuttig en verder is het niets. De één kan en wil het gebruiken, en de ŕnder niet. Weer een ander kan het ermee doen en neemt er genoegen mee. Maar een absolute zaak is het geenszins. Het is maar net hoe het valt. Soms wordt door de mensen van een product een waardeobject gemaakt. Dan wordt schaarste uitgebuit. Als er in Zuid-Amerika honger ge­leden wordt, is brood een waardeobject. En kleding is een waardeobject, enzovoort. Maar dan hebben wij te doen met uitbuiting, met misdaad. Zodra echter die dingen in voldoende mate aanwezig zijn worden waarde-objecten gezocht in andere dingen: zaken die op zichzelf nutteloos zijn, zoals sier­raden en kunstwerken. Deze laatste objecten zijn voor de mensheid altijd de waarde-objecten bij uitnemendheid geweest. De producten blijken telkens weer alleen maar nuttig te zijn en op de lange duur waardeloos, zodat het geen zin heeft hiervan waarde-objecten te maken.

Het spreekt vanzelf dat in de grond van de zaak nčrgens de mogelijkheid ligt om van enig verschijnsel een waardeobject te maken. Het streven om, op welke manier dan ook, méér te zijn dan een ŕnder, is altijd een misdadig streven. Want het stelt een onderdeel van de werkelijkheid als maatgevend, en met behulp van dat maatgevende, waardevolle, onderdeel stelt de mens zichzelf als maatgevend en waardevol. Dit is dus het uitlichten van iets uit de werkelijkheid, het is het teniet doen van de vanzelfsprekendheid, die voor de gehele kosmos geldt. Al het aanwezige is vanzelfsprekend aan­wezig, niets is ontstaan door toedoen van iemand. En ook God heeft de boel niet geschapen. Er is aan niemand dank verschuldigd. De werkelijkheid is door en door vanzelfsprekend aanwezig, ook voorzover ze voorhanden is als producten, dus als door de mens omgezette natuur. Want ook dan is de omzet­tende activiteit van de mens een vanzelfsprekende activiteit, waarvan in geen enkel geval gezegd kan worden, dat hij er ook niet had kunnen zijn. Omdat elke aanwezigheid een vanzelfsprekende aanwezigheid is, daarom kan er geen waardeobject van gemaakt worden. Gebeurt het toch, dan is het misdaad; het is plundering. En het heeft verarming van de wereld ten gevolge. Maar desondanks hebben de mensen het toch altijd gedaan en het gebeurt nog op onvoorstelbaar grote schaal. Vrijwel elk mens loopt te plunderen, en nu bedoelen wij nog niet eens de ongewilde plunder, die bijvoorbeeld in stand gehouden wordt door een pakje shag te kopen. Iemand die niet mee wenst te doen aan het geplunder, wil toch wel eens een sjekkie opsteken, en dan werkt hij er aan mee. Maar dat geeft niet; het is voorlopig niet te voorkomen en er is geen alternatief op: er is voor die mens geen ŕndere mogelijkheid.

Dit is ongewild meewerken aan de misdaad. Maar de meeste mensen werken niet ongewild mee: zij pakken overal waar zij de kans krijgen een graantje mee en zij zien daarin niets onredelijks. Gewoonlijk wordt dat dan goedgepraat met het argument, dat "toch iedereen dat doet", maar het gedoe van ieder­een is natuurlijk nooit een excuus voor eigen wangedrag. Het geplunder en geroof zit al in een dubbeltje winst; geld dus, dat niet door arbeid ver­kregen is. Aan "winst maken" is vrijwel niemand vreemd.

Goed, de mensen maken winst, zij potten de boel op en kopen dan een sieraad of een kunstwerk. Dat heeft waarde, vinden zij dan. En dat waarde­object is een nutteloos iets: je kunt er niets mee doen, je kunt het mis­sen. Het is een weelde-artikel. Maar een weelde-artikel komt natuurlijk alleen voor in een maatschappij waar weelde is; in een arme samenleving is ook een in de grond nuttige zaak, zoals brood of een vrachtauto, een waardeobject. En dan kan ook dat uitgebuit worden, totdat die samenleving zover gevorderd is dat die nuttige zaken betrekkelijk gemakkelijk verworven kunnen worden. Dan zegt brood of een vrachtauto niet meer zoveel; dan zijn het de weelde-artikelen. Dit is dus de ontwaarding van het nuttige. Is het in een maatschappij eenmaal zover dat deze ontwaarding zich doorzet, dan richt de plunder zich op iets anders en dat gebeurt bij de werkende mensen via de arbeid, die steeds meer onbetaalbaar wordt. Steeds minder werken voor steeds méér geld, dŕt is dan het beeld. En de producten gaan steeds meer kosten, terwijl zij toch minder waard zijn.

 

Pagina 73

Ontwikkelingshulp(pagina’s 66 en 67) ; ontwikkelingshulp/kolonialisme(pagina’s 73,74 en 75)

Dit is in het kort geschetst, maar er blijkt uit dat het zich richten op het product een uiteindelijk onhoudbare zaak is; bovendien is het een zich bezig houden met iets, dat eigenlijk bij het vrouwelijke behoort omdat het gaat over een manifestatie die als rustpunt tussen de beweeglijkheden te voorschijn is gekomen. Misschien wordt dat vrouwelijke wel duidelijk als wij bedenken dat de producten qua aankleding en vormgeving in toenemende mate opgesierd worden. Zij worden aantrekkelijk gemaakt doormiddel van kleuren en veelal ook door afgeronde vormen. We kunnen hier spreken van "opschik" - dat betekent dat het gaat over misplaatste vrouwelijke schoon­heid. Misplaatst is de "opschik" natuurlijk want het product heeft met uiter­lijkheid niets te maken; het heeft slechts met nuttigheid te maken en aan die nuttigheid is het product terecht in de vrouwelijke wereld. Omdat de man zich bezig houdt met een eigenlijk vrouwelijke zaak, gaat hij de boel "opsieren"; ging hij werkelijk mannelijk tewerk dan had hij geen behoefte aan opschik en verfraaiing. Hij maakte zijn spullen goed en bekommerde zich er verder niet om. Nu echter kan hij niet nalaten alles op te smukken, precies zoals hij ook de vrouw zčlf opgesmukt wil zien. En zčlf doet hij tegenwoordig ook al ijverig mee: hij heeft het erover dat de man ook “mode­bewust" moet zijn en zo dost hij zich steeds vrouwelijker uit. IJdel is hij zo langzamerhand als een pauw en hij vindt het een normale blijk van manne­lijkheid als hij in zijn vrije tijd staat te kokkerellen in de keuken. Zijn mannelijke kracht is een vreemde factor geworden en van geweld griezelt hij als een oude vrouw. Hij zit keurig aan tafel te eten en hij ruikt naar par­fum in plaats van naar tabak! Dat is de moderne" mannelijkheid. Wij spraken in verband met Lamme Goedzak al over het feit, dat de ,moderne man de vrouw verzorgt: hier zien wij dezelfde zaak op een andere wijze benaderd. De vrouw zuigt ŕlles op en laat zich opsieren en de man is daarvoor aan het werk, automatisch omdat hij zich met het product bezig houdt in plaats van zichzelf alleen maar als activiteit te laten gelden.

Een ander voorbeeld van het hier gezegde is ook dit, dat de man zich ook om het kind bekommert, in die zin dat hij probeert de bepalende te zijn. Hij maakt uit of er al of niet een kind zal komen en als het ar eenmaal is, dan is het kind zijn kind. De vrouw voedt het op en verzorgt het, maar het is en blijft zijn kind. De wet bevestigt dat ook. Tegenwoordig is zelfs de verzorging van het kind al een soort taak van de man. En iedereen vindt dat volkomen normaal. De mensen steken er zelfs de vlag voor uit - stellen een man die zoiets doet ten voorbeeld aan de wat eenvoudiger lieden, die in hun onbeschaafdheid menen, dat kinderen verzorgen vrouwenwerk is.De be­schaafde man houdt zich steeds meer bezig met dingen die het vrouwelijke uitmaken. De hele boel hangt met elkaar samen: in zijn arbeid blijkt het uit het product en de allesbeheersende rol die dit speelt; thuis blijkt het aan zijn bepalende rol inzake de verzorging van het kind en bij de man persoonlijk blijkt het uit zijn ijdelheid, zijn mode-getrul en zijn slaafs­heid ten opzichte,van de vrouw. En in al dat onmannelijke gedoe is hij een eersteklas plunderaar, die zich steeds meer verrijkt en die daar tegenover natuurlijk een steeds grotere armoede bewerkstelligt onder de mensen die alsnog geen deel hebben aan de verworvenheden van de wereld.

Het is opval­lend dat de zogeheten "rijke landen" steeds rijker worden en dat de "arme landen" steeds armer worden. Dat is het resultaat van de grenzenloze uit­buiterij. In naam is kolonialisme een overwonnen standpunt; niemand haalt het meer in zijn hersens om koloniën te veroveren, maar in feite wordt de gehele wereld uitgeplunderd door de onbetaalbaarheid van de westerse ar­beid. En, in verband daarmee, het wegzuigen van kapitaal uit de ontwikke­lingsgebieden. Het kleine beetje "steun" dat daar tegenover staat is niet meer dan een hypocriet gebaar en als het veel steun was, dan zou het ook een hypocriet gebaar zijn. Zolang er nog één dubbeltje weggehaald wordt is het plunder. En ontwikkelingshulp hebben de arme landen helemaal niet nodig want zij weten zelf precies hoe zij de zaak op poten moeten zetten, als ze maar het feit herkennen, dŕt ze uitgeplunderd worden en op grond van die ontdekking ertoe overgaan de rovers eruit te gooien. Een recent en sprekend voorbeeld hiervan is Cuba. Het zou ons te ver voeren hierop thans uitvoerig in te gaan, maar een feit is het, dat dat land, zelfs onder een Amerikaanse blokkade,er kans toe ziet zichzelf helemaal uit de puree te helpen. Zonder zich te binden en over te leveren aan een ŕndere grote mogendheid zoals Rusland of China.

 

Pagina 74 ( doe u zelf een plezier en lees deze bundel in zijn geheel )

De ontwikkelingshulp is niets anders dan verkapt kolonialisme ook al worden de mooiste en de redelijkste argumenten en idealen gebruikt om de boel te rechtvaardigen. In het geval van Cuba bleek dat de mensen helemaal geen steun nodig hadden: zij behoefden de ro­vers er slechts uit te gooien en toen waren er plotseling ŕlle mogelijk­heden om zelfs op zeer korte termijn de achterstand drastisch te verminde­ren en zelfs op vele gebieden in te halen. Hetzelfde geldt voor het Afri­kaanse continent en ook voor het Oosten, hoewel in het oosten nog een andere culturele factor een rol speelt. Als een volk eenmaal zichzelf gaat redden; dan lukt het altijd en dat gebeurt ook altijd zelfstandig. Ook hiervan is de Tijl Uilenspiegel een goed voorbeeld. De Nederlanden hebben het ook hele­maal alleen gedaan en het begin hield al het uiteindelijke slagen van de zaak in. En Tijl is een voorbeeld van de strijdende mens, die zichzelf redt; hij is bij de jonge mensen niet zo bekend, maar ook hij kan in één adem ge­noemd worden met de moderne figuren die al tot legenden geworden zijn en die door hun onversaagde revolutionaire activiteiten hele volkeren gered hebben van de verwurgende greep van de westerse wereld.

De mooie praatjes rechtvaardigen de ontwikkelingshulp en de mooie praatjes rechtvaardigen de UNO en de NAVO - maar het zijn allemaal instrumenten van het moderne kolonialisme. Het is een geraffineerde zaak, die voor de gewone man nauwelijks te herkennen valt. Er lopen geen vreemde overheersers in zijn land, er lopen geen schietende Duitsers, zoals wij ze meegemaakt heb­ben. Er worden geen barse bevelen gegeven, die natuurlijk snel verzet uit­lokken….neen, alles gebeurt in het geniep via stromannen en via banken en het geld gaat niet in natura het land uit, maar via abstracte overschrij­vingen op buitenlandse rekeningen. Dat ziet immers niemand gebeuren! Daar­voor behoeft nog geen auto de grens over te rijden! Dus valt het eigenlijk niemand van het volk op. En dat is niet alleen het gevŕl mčt die eenvou­dige mensen uit de achtergebleven gebieden, want wij, in onze "moderne" samenleving, weten ook niet waar ons geld blijft, al wordt er in alle openbaarheid een begroting gepubliceerd. De rijksbegroting is een farce, het is een schijnboekhouding ter wille van de redelijke democratie en in die boekhouding is heus geen foute of duistere boeking te vinden! Die boe­kingen worden niet geboekt en de betaling geschiedt langs onnavolgbare wegen. Wij moeten over dit kolonialisme niet te gering denken, het beheerst de gehele wereld en het duurt lang, héél lang voor de mensen het in de ga­ten hebben. De wereld heeft nog nooit zo vol gezeten met "landverraders" als nu het geval is.

Deze hele verraden en verkwanselde wereld is een mannenwereld, maar in die mannenwereld is mannelijkheid ver te zoeken. En ook de vrouwelijkheid is ver te zoeken. Alles hangt samen met alles, want alles is inhoud van het grote organische geheel. Als het maar met één klein onderdeel fout zit, dan zit die fout door de hele zaak heen, en omgekeerd, als érgens volwas­senheid voorkomt op de wereld, en dus mogelijk is op de wereld, dan is het overal bij de mensen aanwezig. Tot op de dag van vandaag zien wij overal het plunderen; wij zien het zichzelf vastleggen van de mannelijke activi­teit doordat de man zich bepaalt bij de momenten van stilstand en daardoor treedt het feit op dat het vrouwelijke eigenlijk geen inhoud heeft. Een vrouwelijkheid zonder inhoud is geen vrouwelijkheid, en ook dat is overal aan de vrouw te bemerken. De vrouw is niet een autonome, zčlfstandige grootheid, maar zij is datgene, dat zij vanuit mannelijk denken en manne­lijk bewustzijn is, en dat is haar niet van mannelijke zijde opgedrongen, maar. dat is zij zčlf ook door en door. En de mensen, zowel mannen als vrouwen zijn alsmaar bezig met "de ŕnder", hetzij in positieve, hetzij in negatieve zin, en ook dat komt voort uit mannelijk, d.w.z. analytisch den­ken. In al die ogenschijnlijk fraaie idealen, en in al die mooie opoffe­rende gebaren, en in de gehele menswaardige rechtspraak, en in alles wat U maar wilt verzinnen……is de mens een plunderaar, die gewetenloze roof­bouw pleegt op zijn eigen wereld. Deze plunderaar is de man die gevestigd is, die in functies optreedt en die in de haven werkt; het is de putjes­schepper čn de bankdirecteur, de paus en de pastoor, de dominee en de kerk­ganger. Iedereen is het en niemand is het niet. Want niemand gaat, als man zijnde, door met beweeglijk te zijn en niemand gaat, als vrouw zijnde, door met zichzelf als het geheel, onbegrensd, onbeperkt, zonder benauwenissen en zonder opzuigen van de gehele wereld.

 

Pagina 75

Iedereen zorgt dat hij wčlgesteld wordt, in de letterlijke betekenis van het woord, en hij probeert het zo te houden. Alleen in het niet-doorgaan, en voor de vrouw in het zich niet laten gelden als een geheel met een beweeglijke inhoud, is de oorzaak van de plunder ge­legen. Dit is natuurlijk onvolwassenheid, want in de onvolwassenheid leeft de mens van mijlpaal naar mijlpaal maar desalniettemin is het toch een toe­stand die voorbij moet gaan en dit voorbijgaan gaat langs de weg van de bewustwording. De uitingen van de bewustwording zijn in bijna alle geval­len gewelddadig, want elke keer als er voor de mens weer iets nieuws aan het licht komt moet er een oude, wčlgestelde, zaak van zijn voetstuk gestoten worden. En dat gaat nooit vredelievend, want de vredelievendheid heeft niets gemeen met datgene dat vastgelegd is. Het heeft alles gemeen met het be­weeglijke, het heldere. Dan gaat de zaak tewerk als bij een condensator: de nieuwe helderheden zamelen zich op en laden zo zichzelf op tot een zware ontlading optreedt die in de hele toestand een verandčring teweeg brengt.

En zo gaat het maar door het nieuwe maakt zich sterk en ontlaadt zich met grote kracht, met groot geweld. Na die ontlading is het nieuwe er voor een moment en dan is het er alweer geweest, terwijl zich intussen weer een nieuwe zaak opgeladen heeft. Zo werken de nieuwe bewustheden in de samen­leving: het is als het ontstekingsmechanisme van uw bromfietsmotor;met dit verschil, dat U die motor op elke gewenste snelheid kunt laten draaien en hem ook nog stop kunt zetten ,terwijl dat bij de processen in de mens­heid niet het geval is. Maar Ondanks dit niet te beďnvloeden karakter van het verhelderingproces, is er toch één ding dat elke mens verplicht is te doen: hij heeft zichzelf te manifesteren naar zijn uiterste helderheid, want dan komt de ontlading van de krachten het sterkst en het zuiverst naar voren. En dat is nodig in een onvolwassen samenleving omdat er ten­gevolge van de plundering altijd een groot aantal mensen is, dat in grote kommer en ellende leeft en nauwelijks weerstand kŕn bieden aan de uitzui­gerij. Zo is het nodig dat wij ons denken omtrent de misdaad, de corruptie, de politiek, enzovoort, blijvend op tafel leggen, al geeft dit geen onmiddellijk zichtbare resultaten. Die resultaten zijn er toch wel, want langs allerlei wegen voegt ons denken zich bij dat van vele anderen, en zo ont­staat er een sfeer, die in weer andere mensen een hŕndelen oproept. En dat handelen is altijd bevrijdend. De onder elkaar uitgesproken ideeën omtrent de samenleving leidt tot de wil om te handelen, en als deze wil er eenmaal is, dan begint de zaak vanzelf in beweging te komen. Wŕt er in beweging komt is natuurlijk verzet. Dat is niet anders denkbaar. En het verzet loopt altijd uit in geweld, het is de ontlading, die de enige mogelijkheid is om het gevestigde omver te werpen.

Tijl Uilenspiegel was een man in wie zich ook dit proces voltrok. Bij hem is er niet zoveel gepraat, maar natuurlijk is er ook in hem om te be­ginnen een idee gevormd. Aan de hand van de schunnige streken die hij om zich heen zag, en aan de hand van de straffen die hem, als kind nog, van officiële zijde waren opgelegd: o.a. de bedevaart naar Rome. Die in hem gevormde idee is de basis van zijn handelen en natuurlijk is zijn handelen een verzet, met daaraan meekomend het geweld. Maar bovendien was Tijl, zoals wij reeds besproken hebben, een volwassen mens, zodat hij niet in het ver­zet is blijven steken. Het "altijd maar doorgaan" is óp hem van toepassing. Hij is niet beperkt tot de voorhanden maatschappij en datgene dat in die gegeven zaak opgeruimd moet worden; zijn verzet betreft de gehele mensheid en haar samenleving. De mens met al zijn schoftenstreken, voortkomende uit zijn onvolwassenheid, die had hij op het oog. Hij valt de gehele onvol­wassenheid aan en dat geldt voor hem door ŕlle tijden. Daarom droomt hij dan ook van de "Zeven". Die zeven gesteldheden vertegenwoordigen de ganse menselijke schofterigheid. Maar tenslotte zijn diezelfde gesteldheden inzichzelf omgedraaid en dan zijn zij positief geworden…en dat is dan het eindpunt van de zaak. Daar is de zaak volwassen geworden en van een bron van ellende verkeerd in rijkdom.

Over deze zeven gesteldheden wordt door De Coster het volgende gezegd, uit naam van de "dwaallichtjes", die de zielen zijn van de doden die aan die zeven gesteldheden opgeofferd zijn:

Ontwikkelingshulp(pagina’s 66 en 67) ; ontwikkelingshulp/kolonialisme(pagina’s 73,74 en 75)

 

Pagina 76

"Hoveerdigheid, bron van heerszucht.

Gramschap, moeder der wreedheid, gij dooddet ons op het slagveld, in gevangenis en door marteling, om uwe schepters en kronen te behouden.

Nijd, gij vernieldet in hunne kiem velerlei edele en nuttige denkbeelden: wij zijn de zielen der verdrukte uitvinders. Gierigheid, gij verandert in goud het zweet en het bloed van het arme volk: wij zijn de geesten van uwe slachtoffers. Onkuisheid, gezellin en boelin van moord, die samen Nero, Messa­lina en Philippus, koning van Spanje verwektet, gij koopt de deugd om en betaalt de verleiding; wij zijn de zielen der doden. Traagheid en gulzigheid, gij bevuilt en onteert de wereld: wij moe­ten u van haar verjagen, Wij zijn de zielen der doden."

 

Deze zeven gesteldheden veranderen in houten beelden en worden daarna door de "dwaallichtjes" verbrand "tot asse". Er komen dan andere gesteldhe­den voor in de plaats: de hovaardigheid wordt "edele fierheid", de gierig­heid wordt "zuinigheid", de gramschap wordt "levendigheid", de gulzigheid wordt "eetlust", de nijd wordt tot "wedijver", de traagheid wordt tot "dro­merij van, dichters en denkers" en de onkuisheid wordt tot "liefde".

Het is opmerkelijk, dat De Coster duidelijk stelt, dat de negatieve eigen­schappen van de mens in wezen helemaal niet negatief zijn. Zij komen om te beginnen alleen maar negatief voor de dag, om daarna te verstarren tot hou­ten beelden en vervolgens tot as te verbranden. Dan komen diezelfde eigenschappen wéér naar voren, maar nu deugen ze, ze zijn nu in hun ware gedaante verschenen. Hier is dus geen sprake van het in zichzelf uitroeien van ver­meende negativiteiten, maar de zaak wordt zelfstandig gesteld en daarmee is alles onmiddellijk boven eigen misdadigheid uitgeheven tot werkelijk menselijke eigenschappen. Bij deze gang van zaken is de kracht gehandhaafd, de kracht die aan allč menselijke driften en hartstochten meekomt. Zodoende is het dan ook een karaktervolle aangelegenheid, die niets gemeen heeft met het slappe gedoe dat wij van de moderne westerse mens kennen. .Voor de westerse mens zijn alle onberedeneerbare karaktereigenschappen tot objecten van studie geworden en daarmee zijn die eigenschappen inderdaad verstard tot houten beelden. Het zijn formules geworden, die op een bepaalde wijze uitgebeeld worden en waarover volgens een bepaald cliché gedacht wordt. En tengevolge van dat denken komt het menselijk karakter in de praktijk niet voor de dag, behalve als een weifelende, onzekere, slappe zaak, die niet alleen geen overtuigingskracht heeft, maar bovendien nog volkomen onbetrouw­baar is. Want het is niet zeker naar welke kant de balans zal doorslaan als er alsmaar getwijfeld wordt. Tenslotte is al het menselijke dan als een hou­ten beeld uitgestald en elk beeld staat op zijn plaats, rijkelijk voorzien van commentaren en wetenschappelijke analyses. En de mens kiest voor elke gelegenheid - na ampele overweging uiteraard - het bij een bepaalde situa­tie passende beeld. Hij "bepaalt zijn houding". Zo gedraagt hij zich dan volgens vaste normen, die voor elk beschaafd mens verstaanbaar zijn, hoe­wel ze geen inhoud hebben omdat er geen leven in zit. De beschaafde mensen kennen die houten beelden, dŕt is hun beschaving en hun hele publieke leven gaat op in de poging het poppenspel met de houten beelden zo perfect moge­lijk te spelen. Dat is de poppenkast van de westerse wereld: door en door onecht, karakterloos en onmenselijk. Maar diezelfde poppen verbranden, en dat gebeurt door de zielen der slachtoffers. Het verzet en de wraak van de verdrukten is altijd de factor die de gevestigde waarden vernietigt, het is de geest van de opstand, de geest der revolutie. De revolutie is nimmer denkbaar zonder de wraak en een werkelijk rechtvaardige samenleving is niet denkbaar zonder een voorafgaande revolutie, d.w.z. zonder een voor­afgaand gewelddadig opruimen van het bestaande. Deze gewelddadigheid kan veel en weinig bloed eisen, maar dat doet er niet zoveel toe; de oorzaak van de noodzakelijke gewelddadigheid is gelegen in het feit, dat in een alsnog onvolwassen samenleving letterlijk ŕlles gevestigd is. Alles is ge­bonden aan de één of andere norm of formule, die gebaseerd is op het be­lang van een grotere of kleinere groep mensen die de bovenlaag uitmaken.

 

Pagina 77

Zelfs al behoort het grootste deel van de mensen, elk op eigen niveau, tot de bovenlaag, dus tot de zogeheten "ontwikkelde" mensen, dan nog is het een spel van belangen en het zoeken van een evenwicht daartussen. En dat even­wicht is altijd wel ergens een geforceerd evenwicht, dat door mensen die menen tekort te komen verstoord wordt. Dit verstoren van het bestaande even­wicht is evenwel géén revolutie, want het tast de bestaande orde niet aan: de bedoeling is alleen een groter aandeel in de buit van een bepaalde groep mensen. Dit verstorén van het bestaande evenwicht is een typisch democra­tische mogelijkheid, en deze mogelijkheid wordt in de westerse wereld over het algemeen hoog geprezen. De westerling vindt dat de democratie een waar­borg is voor recht, veiligheid en een goed bestaan, maar die zienswijze zal hem op den duur nog wel raar opbreken. Want juist in een democratie bestaat geen werkelijke veiligheid; het is de vrees voor elkaar, die de zaak in evenwicht houdt, en dat evenwicht is altijd uiterst labiel omdat de macht die de hoogsten in zo'n samenleving uitoefenen eigenlijk een schijnbaar evenwicht veroorzaakt. Macht dwingt een evenwicht af, maar kent vanuit zich­zelf geen evenwicht. Vanuit zichzelf kent de macht alleen maar zichzelf en daarom komt de macht altijd met dwingelandij. De democratische westerse mens komt nog wel tot de ontdekking dat zijn evenwichtige maatschappij er een is van dief en diefjesmaat; dat de basis van zijn samenleving de plun­der is!  

Een revolutie tast echter alles aan - als het een čchte revolutie is. De revolutie is altijd gericht tegen de belangen van wie dan ook, het is een aantasting van het wezen van de onvolwassen maatschappij. Dat er in de prak­tijk tot nu toe toch altijd weer een belangengemeenschap uit een revolutie ontstond is niet te wijten aan de revolutionairen, maar aan de algehele onvolwassenheid van de mensen. Door die onvolwassenheid kŕn er alleen maar een nieuwe onvolwassen samenleving ontstaan, die dus wederom gebaseerd is op de particuliere belangen van de mensen. Maar door alle tijden heen zijn de revolutionairen er altijd op uit geweest alles omver te werpen en daarna een volwassen samenleving te scheppen. Het waren dan ook altijd idealisten en mensen met een hoge opvatting van menselijkheid. Maar ook waren het de mensen die als eersten geliquideerd werden als de nieuwe maatschappij zich geconsolideerd had…Als wij de geschiedenis van de revolutie bestuderen, dan treedt deze wrange, maar onvermijdelijke, waarheid duidelijk aan het licht. De čchte revolutionair blijft aantasten, zolang de samenleving on­volwassen is. Want hij blijft zijn kop stoten tegen belangen die doorgezet worden. En die doorgezette belangen leveren onveranderlijk een instituut op, d.w.z. een gestelde aangelegenheid, die zich tegen zijn eigen onder­gang beschermt. Een zaak die zichzelf wil blijven, die zich staande wil hou­den…altijd tégen het werkelijk menselijke in, want het menselijke is niet staande, maar in beweging. Het blijft nčrgens bij staan en het houdt niets in stand. Het gaat verder.

Het menselijke is voortdurend in strijd met het gevestigde en dat blijft zo totdat de mensheid volwassen is geworden. Het gevestigde is altijd mach­tig, en dus gewelddadig. De gewelddadigheid is zijn fundament en dus: als die zaak vernietigd moet worden kŕn dat alleen maar met geweld. Dat is wel niet zo leuk voor de pacifisten, maar het is niettemin toch een feit. Bo­vendien: is U nooit opgevallen dat pacifisten in člke samenleving geduld worden - weliswaar als warhoofdige idealisten, maar zij worden geduld.

Een revolutionair wordt echter nooit en nooit geduld. Die wordt alleen maar vervolgd met grote bloeddorst. Zoals het behoorlijke, als het zich als zelfstandig laat gelden en niet als de onderdanige lakei van de macht, altijd noodzakelijk vervolgd moet worden. Het beeld van de moord op de "Zoon des mensen" is nog springlevend en het heeft tot nu toe alleen nog maar aan gruwelijkheid gewonnen!  

De pacifist wil zonder geweld een gewelddadige maatschappij in stand hou­den; hij wil zijn partij meeblazen in het algehele geschetter, hij wil in de volksvertegenwoordiging als een ordelijk burger, hij wil…alles wat hij wil is ordelijk en overeenkomstig de regels van de maatschappij. Hij doet dus geweldloos mee aan het geweld. De revolutionair echter is wčl geweld­dadig, en echt niet met tranen in de ogen, maar hij doet in geen enkel op­zicht mee met de bestaande orde. Hij trapt ŕlles in elkaar. Ook de paci­fisten, want zij hebben toch meegedaan met de rotzooi....

 

Pagina 78

Tijl Uilenspiegel was een revolutionair; hij blijft in de mensheid eeuwig leven omdat hij eeuwig in een onvolwassen wereld gevochten heeft voor alles wat behoorlijk was. En dat heeft hij als een zelfstandig mens gedaan en aan zijn zijde zijn altijd de "dwaallichtjes" geweest.

De dwaallichtjes, die van zichzelf getuigen:

 

 

"Wij zijn het vuur, de weerwraak van de oude tranen, de smerten van het gemeen;

de weerwraak op de heren, die jacht maakten op menselijk wild; de weerwraak van de onnutte gevechten, van het in de gevangenis vergoten bloed, van de levend verbrande mannen, de levend begraven vrouwlieden en meidekens;

de weerwraak van het akelig en bloedig verleden.

Wij zijn het vuur,

Wij zijn de zielen der doden!"

 

++++++++++++++++++++

 

 

Rotterdam, januari - april 1968.

 

Terug naar: de Startpagina

 

 

 

 

 

 

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter