TROUW AAN….

 

U treft hierbij een verzameling teksten aan uit de werken van de filosoof Jan Vis, met een uiteenzetting over het begrip trouw aan...

Wilt U zich hier verder in verdiepen, klikt U dan op de bijbehorende link.

 

Help mee om deze site te promoten. Vertel het uw…!

(Adres luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )

 

 

Bladwijzer: gewone mensen ; Ik en mijn Samenhang ; Vertrouwen ; (TROUW)- Trouwbeloften.? ;  Betrouwbaar / Trouw ; Betrouwbaarheid ;

 

Terug naar: de Startpagina

 

no.40-( Vrouw en Wereld )

 

167. In de praktijk van het dagelijkse leven is de kwaliteit van de relatie tussen geliefden natuurlijk van cruciale betekenis. Hoe meer overeenkomsten er zijn, hoe beter het is, zeker in een alsnog onvolwassen wereld. Maar de allerbeste, en in feite echt volwassen, overeenkomst is deze dat geliefden ieder voor zich volstrekt geen belang hechten aan eventuele overeenkomsten. Wat wederzijds overeen blijkt te stemmen is goed en wat dat niet doet is ook goed. Bij deze 'belangeloze' vorm van overeenstemming kan de liefde psychisch mooi tot haar recht komen. De geliefden gevoelen dan over en weer een warm ineenzijn dat door geen persoonlijke eigenaardigheden - volgens Spinoza 'aandoeningen' - verstoord kan worden. Uiteraard zijn die aandoeningen er wel, want leven zonder meer of minder prettige aandoeningen is ondenkbaar. Het gevoel - want daarover gaat het dan - is immers niet alleen maar 'incidenteel bepaald', maar ook en vooral 'universeel'. Het is de werkelijkheid zelf die zich als beeld manifesteert. Het contact daarmee geschiedt via het psychische, en dat is dat 'universele gevoel'. Dit gevoelen, dit ondergaan van het ineenzijn, geeft aan de relatie rust en vrede. Zo wordt het mogelijk dat persoonlijke aandoeningen, ondanks hun verschillen en de betrekkelijk onverbloemde aanwezigheid ervan, toch geen verstorende rol spelen. Dank zij het volwassen-zijn van de geliefden krijgt ook het begrip trouw zin en betekenis. Het gaat er dan namelijk om dat eenieder onvoorwaardelijk zichzelf blijft. Men is dan trouw aan zichzelf. Men is betrouwbaar! De inhoud van dit begrip trouw verschilt hemelsbreed van die van het gangbare begrip. Bij dit laatste betreft het een relatie tussen twee of meer partners. Die zaak heeft een incidenteel karakter en de draagwijdte ervan is niet groter dan de verhouding tot uitsluitend die partners. Men kan dan bijvoorbeeld tegenover zijn partners trouw en betrouwbaar zijn en tegelijkertijd buiten die verhouding een en al misdadige schurkachtigheid vertonen. Met betrekking tot machthebbers en in het algemeen politici ziet men dit verschijnsel regelmatig: mensen blijven trouw aan hun leiders ongeacht de evidente misdadigheid ervan. Maar het op de volwassen mens van toepassing zijnde begrip trouw heeft geen betrekking op een relatie tussen bepaalde mensen, maar op een persoonlijke gesteldheid van de mens zelf. Het is dan ook een gesteldheid van de mens als werkelijk individu.

 

No.6-( Gedachten over Ontstaan en Bestaan )

35. Je zou het kunnen betreuren dat het je niet gelukt onder woorden te brengen waaraan je liefde voor een ander mens tot uitdrukking komt. Het beleven van die liefde is niet te definiëren, je kunt er slechts een taalkundige gooi naar doen.

De filosofische definitie van het begrip liefde, namelijk het samenhangen van de een en de ander, het in elkaar overgaan en het toch aanwezig blijven van zowel de een als de ander, maakt niet op praktische wijze duidelijk wat er aan de hand is tussen twee (of meer) mensen. Toch is het logisch dat de concrete beleving van de liefde niet goed in woorden uit te drukken is. Woorden leggen iets vast, maar het opmerkelijke van het in elkaar overgaan is nu juist dat er niets vast te leggen valt. Je kunt het niet uitsluitend over (a) hebben en ook niet uitsluitend over (b), steeds heb je te doen met een variatie van beide. Als je echter iets wilt definiëren zul je het met iets anders moeten vergelijken. Iets anders dat duidelijk gescheiden is van het te definiëren object. Zo kun je bijvoorbeeld de maat van iets opgeven; die maat echter bestaat uit een aantal eenheden van vergelijking, zeg centimeters. Een definitie, oftewel een bepaling, van iets heeft iets uitwendigs nodig om als eenheid van vergelijking te dienen. Je bepaalt iets aan iets anders. De liefde van (a) voor (b) is niet te bepalen of te definiëren omdat beiden helemaal niet van elkaar gescheiden zijn zodat (a) niet aan (b) bepaald kan worden en omgekeerd. Het is onmogelijk te bedenken dat (b) voor (a) als iets anders zou kunnen fungeren. De liefde is dan ook niet in een waarde uit te drukken. Dit onzegbare aspect van de werkelijkheid kom je heel duidelijk tegen in de kunst als je zou willen proberen onder woorden te brengen wat de schoonheid is die door een kunstwerk uitgedrukt wordt. De kunst geeft uitdrukking aan de werkelijkheid als samenhang en dus is het in elkaar overgaan van het een en het ander essentieel. De kunst geeft dan ook geen opsomming van aparte elementen, maar een in zichzelf genuanceerd geheel van die elementen.

Omdat het onmogelijk is dat (b) bepalend is met betrekking tot (a) en dat (a) bepalend is met betrekking tot (b), is het ook niet mogelijk dat beide of een van de twee ter wille van de eenheid belemmerd worden. Zo'n belemmering zou een bepaling of beperking betekenen, maar die komt dus in de twee-eenheid niet voor. Juist het samenhangen van (a) en (b) vooronderstelt het volledig en ongehinderd aanwezig zijn van beide. Dat laat zich gemakkelijk begrijpen als je bedenkt dat het grondbegrip samenhang te vinden is bij twee aaneengegroeide achtledige systemen, dus bij twee brandpunten die een twee-eenheid vormen. Die samenhang kan er alleen maar zijn als die twee systemen er volledig zijn, zonder dat er aan een van de twee of beide ook maar een enkele beweeglijkheid ontbreekt.

Het samenhangen vertoont zich bij de mensen in het feit dat in de liefde van twee mensen beide partners ongehinderd aanwezig moeten zijn. Dat is voor de moderne mens moeilijk te begrijpen omdat deze, zoals al eerder gezegd, bijna automatisch in termen van het begrip relatie denkt. Dit begrip, tezamen met de van oorsprong christelijke nadruk op de eenheid van twee, levert het begrip zelfverloochening op, in die zin dat elk van de twee geliefden zichzelf zou moeten wegcijferen ter wille van de eenheid. Daarover gaat het nu echter niet. Je moet je echter wel afvragen welke begrippen inhoud zijn van het begrip liefde. Ik kom dan op een tweetal begrippen, namelijk eerlijkheid en trouw. Het eerste betekent dat je voor jezelf alles laat gelden wat er te gelden heeft, dat je dus niets in jezelf verdoezelt. Dat hangt ten nauwste samen met het begrip twijfel.

Een eerlijk mens durft voor zichzelf toe te geven dat hij twijfelt.

Het tweede betekent dat je jezelf, als geheel van allerlei eigenaardigheden, zo helder mogelijk laat gelden en dat je dus niet van dat geheel afwijkt. Je verschuilt jezelf niet achter uiterlijkheden.

Dat het huidige denken geheel in het teken van de relaties staat blijkt ook weer als het over het begrip trouw gaat. Men beschouwt het als een uitwendige zaak: trouw ben je als je je houdt aan afspraken die je met een ander gemaakt hebt. En je verwacht van die ander dat hij hetzelfde zal doen. Omdat een dergelijk begrip van trouw berust op toezeggingen over en weer, die bovendien ook nog afhankelijk zijn van de situatie waarin men zich op een bepaald moment bevindt, is er geen enkele zekerheid dat men zijn afspraken zal houden. Daarom worden er dan ook sancties afgesproken. In werkelijkheid echter slaat het begrip trouw op jezelf: je bent trouw aan jezelf en als je dat in alle eerlijkheid bent behoeven er geen trouwbeloften gedaan te worden. Dat geldt trouwens ook voor het liefdesbegrip. Ook dat wordt binnen de context van de relatie getrokken. Daardoor spreekt men pas dan van liefde als er iets is tussen twee mensen. In feite echter geldt het begrip liefde voor jezelf, in die zin dat het samenhangen en in elkaar overgaan behoort tot de verhoudingen die je voor jezelf en in jezelf laat gelden, ongeacht het al of niet aanwezig zijn van een ander, ten opzichte van wie zich die verhoudingen concretiseren. In het kort samengevat komt de zaak wezenlijk hier op neer dat alle begrippen die uit het samenhangen binnen de twee-eenheid voortkomen, gelden voor datgene dat met iets anders samenhangt. Zij gelden dus vanuit elk van de samenhangende elementen. Bij de twee-eenheid van de brandpunten van twee aaneengegroeide achtledige systemen gelden bedoelde begrippen dus vanuit zowel het brandpunt (a) als vanuit het brandpunt (b). En bij mensen gelden zij vanuit de ene partner en vanuit de andere partner, en niet vanuit de eenheid van die twee. Daarom gelden zij voor de een Ongeacht de aanwezigheid van de ander. Het opmerkelijke hierbij is evenwel dat juist in deze constellatie van verhoudingen de ander altijd ingecalculeerd is; hij (of zij) is bij voorbaat al aanwezig, ook al is hij er in concreto nog niet. Dat betekent dat de liefde een zaak is van grote ruimte. Maar als de liefde in het teken van de relatie staat is het een benauwde aangelegenheid.

Het begrip relatie gaat gelden als twee bouwstenen zich met elkaar gecombineerd hebben. Voordat dat het geval is geldt dat begrip niet, anders gezegd: voor een relatie zijn er altijd (minstens) twee grootheden nodig, in het geval van de mensen moeten er dus altijd twee of meer mensen in het geding zijn. Bovendien moet er iets wederkerigs aanwezig zijn. De een stemt met de ander op de een of andere manier overeen. In tegenstelling tot het liefdesbegrip is het relatiebegrip een voorwaardelijk begrip. Onder bepaalde voorwaarden - denk aan het zich combineren van twee bouwstenen! - kan de relatie een feit zijn. Het sterkste voorbeeld van een complex van relaties is de maatschappij. Tegenwoordig is men er op uit een maatschappij vanuit bepaalde denkbeelden, dus van bovenaf, te organiseren. Daardoor verliezen relaties hun vanzelfsprekende karakter en worden min of meer afgedwongen zaken. De zelforganisatie, waarmee elke maatschappij begonnen is, berust op veel natuurlijker relaties en is daardoor eigenlijk veel beter om in te leven. Een maatschappij van afgedwongen relatievormen blijft noodzakelijk beneden zijn mogelijke niveau en is daardoor uiterst labiel. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat zo'n maatschappij over een machtig en alles doordringend geweldsapparaat beschikt.

 

No.47-( van de hak op de tak no.2 )

 

220Wanneer en voorzover er steeds meer mensen onder de invloed van de waarheid komen te staan is het via hun psyche dat zij elkaar op het stuk van de waarheid zullen kunnen verstaan. Jammer genoeg voor de moderne mensen gaat dat hele proces van toegroeien naar de werkelijkheid als waarheid buiten hun zelfbewuste denken om. Zij hebben er dus op geen enkele manier vat op. En eigenlijk is dat maar goed ook, want anders zouden zij ook van het enige houvast dat de mens in feite heeft, namelijk de werkelijkheid als waarheid, een zaak voor geestelijken, politici en managers maken en die gewoontegetrouw aan de mensen proberen op te dringen, uiteraard met een beroep op “het hogere”. Kortom: het “bekende liedje” !

 

no.31-( de ontwikkeling van het denken )

Vrijheid en veiligheid Als je aan mensen, die behoren tot een onvolwassen mensheid, voorhoudt dat zij hun denken vrij moeten laten, hetgeen betekent dat zij dan ook in vrijheid zouden moeten gaan leven, worden zij angstig. Zij gaan zich onveilig voelen. Zij worden dan geconfronteerd met de "zwarte gaten" en ervaren die - terecht - als onherbergzaam. Zij durven die kant niet uit. Te begrijpen is dat een onvolwassen mensheid zich vastklampt aan het vertrouwde. Dat is voor haar "veilig". Omdat het "vertrouwde" echter ontstaan is als gevolg van een denkprogramma waarin een belangrijk deel van de werkelijkheid "taboe" is, hebben wij te doen met een illusie. De veiligheid van het "vertrouwde" is een schijn-veiligheid. We zien dan ook dat de mensen zo ongeveer alles als bedreigend ervaren: nieuwe ontwikkelingen in de maatschappij en de samenleving, in de wetenschap en in hun persoonlijke leven. Zij zijn niet echt veilig: het is maar "schijn". Toch is de behoefte aan veiligheid een wezenlijk menselijke zaak. Het levensgevaar is in strijd met het leven. Als de filosoof Nietzsche een lans breekt voor "een gevaarlijk leven" bedoelt hij mijns inziens dan ook niet dat het levensgevaar zo wenselijk zou zijn, maar dat het voor het leven noodzakelijk is niet voor de "zwarte gaten" terug te schrikken. Het leven "op het scherp van de snede" geeft ook uitdrukking aan deze gedachte. En ik denk dat mensen, die aan gevaarlijke sporten doen zoals bergbeklimmen, aangetrokken worden door het "zwarte gat" en het verlangen dit gevaar te keren, er vertrouwd mee te worden. Als zij zich werkelijk wilden uitleveren aan het gevaar zouden zij niet alle mogelijke moeite doen het te overleven! De mensen zullen pas dan echt veilig zijn als zij de werkelijkheid hebben leren kennen en in staat zijn daar "vrij" over te denken. Dit is dus niet los te maken van een "cultuurloze" wereld, d.w.z. een wereld waarin de overheersende, conditionerende, denkbeelden opgelost zijn.

Iets over het huwelijk

Het huwelijk, in welke al of niet moderne vorm dan ook, is een belangrijk voorbeeld van het zich veilig stellen doormiddel van een illusie. Men wil de zogenaamde trouw afdwingen door de verhouding tussen twee mensen te reglementeren. Dat geeft een veilig gevoel. In de verte voelt men namelijk aan dat de "trouw" eigenlijk iets ongrijpbaars is, iets dat samenhangt met het zelfbewustzijn van een persoon en in geen geval een kwaliteit is van een betrekking TUSSEN personen. Voor onvolwassen mensen echter is "de ander" een "zwart gat", een onbekend gebied dat angst inboezemt omdat het gevaarlijk is. En dan verkiest men de schijn van het reglement. Zo lang er huwelijken zijn is er "ontrouw". Die komt dus niet voort uit menselijke "zwakheid" of "slechtheid", maar uit het schijnkarakter van de gereglementeerde "trouw", uit de illusie dus. Lange tijd heeft men dit wel aangevoeld. Men beschouwde het huwelijk dan ook uitsluitend als een maatschappelijk contract. Als men al sprak van liefdestrouw sloeg dit op liefdes buiten het huwelijk. Zelfs in Europa hebben veel wijze mensen het huwelijk als ontrouw aan de liefde gezien. De "heiligheid" van het huwelijk is wel sinds lang door met name de Roomse Kerk gepropageerd (uiteraard ter wille van de macht), maar die opvatting heeft zich pas echt doorgezet toen men in de loop van de 19e eeuw de liefde tussen de mensen centraal ging stellen als basis voor het huwelijk. Daartoe heeft het protestantisme, met zijn nadruk op de persoonlijke liefde tussen de mens en god en tussen de mensen onderling, in niet geringe mate bijgedragen. Evenals trouwens het ontwaken van het individuele zelfbewustzijn van de mensen. Het huwelijk, zoals wij dat kennen is dus betrekkelijk recent en al helemaal recent is de gedachte dat voor de vrouw het huishoudelijke bestaan is weggelegd en voor de man het maatschappelijke. Die gedachte hangt nauw samen met het doorbreken van het industriële tijdperk.

Nog iets over het huwelijk

24. Nog in de eerste decennia van onze eeuw betekende het voor het merendeel van de vrouwen een "hemel op aarde" als er mannen waren die de zorg voor vrouw en kinderen op zich namen. Het huwelijk gold als de uitweg uit de ellende en men nam de bij het huwelijk behorende mannelijke tirannie voor lief: die was altijd nog beter te verdragen dan de slavernij in de fabrieken en kantoren. Met het doorbreken van de moderne, grootschalige, industrie verdwijnen vrouwen en kinderen weer in huis. Het huis, het "tehuis", wordt de "veilige haven" voor de man, waar hij rust en verzorging kan vinden om weer... aan het werk te kunnen gaan. En de wereld van de vrouw wordt ingeperkt tot het huishoudelijke. Nu de industriële cultuur voor zijn ondergang staat verliest het huishoudelijke zijn betekenis, maar omdat "het werk" nog altijd hoog gewaardeerd wordt lokt het de vrouwen aan als iets begerenswaardigs dat het vrouwenleven waardevol zou maken. Het is dan ook niet VOOR niets dat de "vrouwenemancipatie" zich overwegend richt op volwaardig "werk" in de maatschappij, en dan speciaal voor die vrouwen die willen ontkomen aan hun huishoudelijke wereld. De huwelijksellende is voor de meeste vrouwen de voedingsbodem voor de emancipatie, vandaar dat vrouwen die nooit in de fuik van huwelijk of samenwonen getrapt zijn nauwelijks aan het woord komen en vaak van "mannelijk denken" worden beschuldigd. Je zou je af kunnén vragen wié er nu mannelijker denkt: diegene die in de val gelopen is en zich nu kwaad maakt op de mannen of diegene die hieraan ontsnapt is en van meet af aan een plaats in de maatschappij gezocht heeft. Hoe dan ook, het karakteristieke van huwelijk en samenwonen is gelegen in het feit dat de maat bij het begrip "samen" ligt, bij de inhoud en de vorm van de relatie (de verhouding TUSSEN twee mensen), terwijl de maat logisch alleen maar kan liggen bij het ZICHZELF ZIJN van de mensen. Dit zichzelf zijn kan in een relatie niet anders dan onderdrukt worden en dat heet dan " geven en nemen ", er " het beste van maken " en " redelijk zijn ". En dat gebeurt ter wille van iets BUITEN jezelf; de relatie tussen jou en een ander. Omdat de maat buiten jezelf ligt kan huwelijk of samenwonen niet anders dan vervreemdend werken, je kunt daarin nooit "tot jezelf komen". Van het functioneren in de maatschappij is wat dit betreft niets te verwachten. In de maatschappij gaat het ook alleen maar om de relaties TUSSEN de mensen en niet om de mensen zelf. De emanciperende vrouwen zouden er goed aan doen te bedenken dat hun "vrouw-zijn" daar niet gevonden kan worden. Wat men daar kan vinden is GELIJKWAARDIGHEID en het is een onmiskenbaar feit dat het daaraan, wat de functie van de vrouw betreft, flink schort. Noch de man, noch de vrouw kan zichzelf vinden in de maatschappij. Als het daarom gaat moet men ontdekken dat er ook nog zoiets als een "samenleving" bestaat. Dat begrip echter heeft in de moderne wereld nauwelijks nog enige inhoud. Het is verschrompeld tot een morbide "gezinsmentaliteit" met als meekomende gedachte dat het gezin de hoeksteen van de samenleving zou zijn. En men bedoelt: de hoeksteen van de maatschappij. We zullen nog bespreken dat deze "hoeksteen" nauwelijks meer is dan een "schuilkelder", waarin men wegduikt voor het gevaar van de omringende wereld.

Wat zijn gewone mensen?  Uit: ( de ontwikkeling van het denken )

Als je nadenkt over de "mensen" valt het op dat wij eigenlijk niet beschikken over een goed woord. Wat moet je nu zeggen: het "volk", de "massa", de "burgers", het "stemvee", het "proletariaat", de "gewone mensen"? Alles heeft namelijk een denigrerende bijsmaak alsof het om iets lagers gaat, iets dat nauwelijks de moeite waard is, iets doms waarvan niet veel goeds te verwachten valt. We hebben duidelijk te doen met een onuitgesproken en vanzelfsprekend WAARDEOORDEEL, dat samenhangt met ons machtsdenken.

Ondanks het negatieve waardeoordeel dat schijnt door te klinken in de term "gewone mensen" geef ik hieraan toch - bij gebrek aan beter - de voorkeur. De reden hiervoor zal allengs duidelijk worden. Overigens: het negatieve waardeoordeel met betrekking tot de "gewone mensen" vindt zijn oorzaak in het feit dat die mensen aan hun cultuur nauwelijks deel hebben. Er zit, wat de cultuur betreft, "niets bij" en "er komt niets uit". Gezien vanuit de cultuurwaarden stelt het allemaal niet veel voor. Omdat de mensheid tot nu toe nog een "onvolwassen cultuurmensheid" is, die de maat legt bij dwingende denkbeelden, worden de "gewone mensen" beneden de maat gevonden. Dit oordeel echter hangt ten nauwste samen met de waarde die men aan de cultuur toekent. En dit berust op een VOOROORDEEL dat onmiddellijk wegvalt als we de zaak eens van de andere kant gaan bekijken. Als de "gewone mensen" weinig deel hebben aan hun cultuur vertonen zij ook niet het allesdoordringende machtsstreven, dat aan cultuurmensen eigen is. Weliswaar ontkomen zij niet aan het machtsdenken, zodat wij wel MEEDOEN met het algemene gedrang, maar het streven om, koste wat het kost, zich boven de anderen uit te manipuleren is in geringe mate aanwezig. Het gaat hen niet om macht maar om het dagelijkse leven - wat daaronder ook verstaan moge worden. Doorgaans komt dit dagelijkse leven nauwelijks boven het overleven uit, maar dat is niet altijd het geval. Er is namelijk steeds een aantal "gewone mensen" dat door een grote helderheid van geest uitblinkt. Deze mensen fungeren vaak als "verlichters" en "voorlichters" van hun medemensen. Maar kenmerkend blijft dat zij GEEN MACHT ZOEKEN. De echte "grote geesten" van de mensheid geven vaak wel leiding aan de mensen omdat die mensen vertrouwen in hen stellen, en soms worden zij ook wel machtig, maar nimmer was het hen daar om te doen. De echte machtszoekers steunen onvermijdelijk op de praktische inhoud van hun cultuur. In een intellectuele cultuur, zoals de onze, zullen zij er steeds voor zorgen een zo groot mogelijke intellectuele toerusting te verkrijgen. Dat doe je door zoveel mogelijk te studeren. Bij die studie is het niet om de wetenschap als zodanig te doen maar om de te verwerven status, die uiteraard een belofte van macht inhoudt. Hoewel er erg veel van dit soort lieden zijn en hoewel zij zich vaak "zo gewoon mogelijk" opstellen als de mode dit vereist, behoren zij toch niet tot de "gewone mensen". Behalve de "intellectuele status" is er ook nog de "staatkundige status", die gebaseerd is op macht die meekomt aan een positie binnen het staatsapparaat. De macht dus van een groot aantal ambtenaren. Zo zijn er nog meer mogelijkheden, maar onveranderlijk gaat het om waarden die uit een cultuurdenkbeeld voortkomen. De meerdere of mindere intelligentie en de daarbij behorende ontwikkeling is dus niet bepalend voor het begrip "gewone mensen". Bepalend is het STREVEN naar macht dat als zodanig niet aanwezig is. Aan de macht zelf kunnen zij niet ontkomen omdat zij nu eenmaal tot een cultuur behoren. In veel gevallen zullen zij "ondergeschikten" zijn omdat zij zelf geen macht op tafel leggen, die de macht van anderen kan verdringen. Maar hun ondergeschiktheid behoeft helemaal niet te betekenen dat zij "onderdanig" zijn. Onderdanigheid behoort bij machtszoekers: elke machthebber is noodzakelijk ook onderdanig, een gesteldheid die hij vaak met wreedheid afreageert op diegene die hij als een "mindere" ziet. Wreedheid komt voort uit macht die eigen onderdanigheid haat. Een veel voorkomend psychologisch verschijnsel. Iedereen die in een machtspositie zit vertoont in meerdere of mindere mate wreedheid. Doorgaans wordt die wreedheid versluierd door het als "rechtvaardigheid" te doen voorkomen: de rechtvaardigheid gebiedt mij om jou te straffen, streng te straffen, meedogenloos te straffen. Alle machtsfiguren behoren tot de "ongewone mensen" omdat hun levenshouding er blijk van geeft dat het hen niet om het "leven" gaat, maar om het heersen over het leven.

No.4-( De Grote Vierslag )

38. Al eerder heb ik er op gewezen dat het socialisme dat wij hebben leren kennen in allerlei vormen van politieke theorieën, ideologieën en morele utopieën niet samenvalt met het filosofische begrip socialisme. Je kunt zelfs wel staande houden dat het in vrijwel alle opzichten strijdig is met de inhoud en de betekenis van het begrip socialisme. Hoewel het bovenstaande onmiskenbaar juist is, moet je er toch voor oppassen dat dit niet als excuus gebruikt gaat worden. Je kunt namelijk regelmatig opmerken dat voormalige socialisten als hun mening te kennen geven dat dat mislukte socialisme het echte niet was, maar dat het met het socialisme wel goed zou zijn gegaan als iedereen trouw aan de beginselen was gebleven. Daarbij wordt het een of andere echte socialisme als excuus gebruikt. Ook bij de waardering van de christenen en de islamieten treedt het excuseren doormiddel van een verwijzing naar echt christendom en echte islam op. Waarmee je echter als realiteit te doen hebt is dat wat in de praktijk te voorschijn is gekomen en niet met iets dat echt zou zijn, maar dat slechts bij een enkeling min of meer in het verborgene aanwezig was en op geen enkele wijze het gehele beeld van de zaak bepaald heeft. Dat beeld was en is dat onechte en de daaraan ten grondslag liggende ideologie werd dan ook, precies tot het moment van instorten, als de enig juiste gepropageerd.

 Als ik nu zeg dat het politieke socialisme niets met het begrip socialisme te maken heeft, kan ook dit als een excuus opgevat worden. Dat zou evenwel niet terecht zijn, want dat begrip is inderdaad heel wat anders dan de politieke realiteit. Het zich werkelijk laten gelden van socialisme is voorlopig nog helemaal niet mogelijk omdat de ontwikkeling nog niet voldoende gevorderd is. Een echt, filosofisch verantwoord, socialisme kan er nog niet zijn en dus kun je ook niet stellen dat het wel goed gegaan zou zijn met het socialisme als iedereen het begrip socialisme getrouw had laten gelden. In feite liggen de verhoudingen zo dat het politieke socialisme, met inbegrip van zijn destijds opgestelde beginselen, de Onvolwassen manifestatie is van het begrip socialisme. Die manifestatie kan niet anders dan onmenselijk, dwangmatig, autoritair en collectivistisch zijn. Maar je hebt desondanks toch te maken met de verhoudingen uit het filosofische begrip socialisme, alleen zijn ze zo drastisch misvormd dat je ze nauwelijks kunt herkennen. Op die verminkte manier zijn die verhoudingen aanwezig bij iedereen die zich socialist noemt, of het nu gaat over een beginselvaste socialist of een politieke. Dat wil zeggen dat ook een eventueel beginselvast socialisme tengevolge van zijn verminkingen niet anders kan dan mislukken. Dat zal straks blijken het geval te zijn met onder andere die groeperingen die zich thans toeleggen op een vernieuwd zuiver socialisme. Ik heb als definitie van het begrip socialisme gegeven als ik er ben, ben jij er vanzelfsprekend ook. Opmerkelijk bij deze definitie is dat hij uitgaat van ik, hetgeen betekent dat het een uitspraak is van iemand die ik zegt en die dus een mededeling doet over een inzicht omtrent zichzelf. Met die mededeling maakt hij de verhouding tussen hemzelf en de ander duidelijk. Hij geeft aan hoe voor hem de zaak ligt. We hebben dus te doen met een zuiver persoonlijke aangelegenheid.

 Het gaat echter niet alleen over de mens persoonlijk. Het gaat daarenboven over de mens die een bepaald stadium van ontwikkeling heeft bereikt, namelijk het stadium van het individu-zijn. Dan heb je te doen met de mens die werkelijk ik kan zeggen en voor wie dat ik werkelijk inhoud heeft gekregen. Dat is dus de mens die weet wat hij zegt als hij ik zegt. Gewoonlijk weet men helemaal niet wat het begrip ik betekent. Men heeft het over ik alsof het het middelpunt van het heelal is, het centrum dus waar alles om draait en waarnaar alles zich te schikken heeft. Ook al weet men dat zoiets praktisch onmogelijk is beschouwt men het toch als een mooi doel om naar te streven. De ik echter uit mijn definitie berust niet op dat centralistische principe, maar op een universeel principe waarvan het kenmerk is dat de gehele werkelijkheid inhoud van dat ik geworden is. Dat is overeenkomstig de situatie van de mens als laatste verschijnsel dat in het heelal opkomt. In feite gaat het nu natuurlijk over de mens als individu. Voor hem is essentieel dat al het bestaande in zijn persoonlijke wereld inbegrepen is, dat hij er een eenheid mee vormt en dat alles volledig tot zijn recht komt. Alleen wanneer dat het geval is kan hij zelf tot zijn recht komen. Dat is het tegengestelde van de centralistische ik, want bij deze moet alles zichzelf verloochenen en zich naar hem schikken. Bij hem kan niets zichzelf zijn en niets kan tot zijn recht komen. Alles is wezenlijk uit- en buitengesloten en als zodanig is dat voor die centralistische ik aanwezig. Het is aanwezig als iets anders dat van meerder of minder belang is.

 Zoals ik al vaker heb laten zien wordt de westerse cultuur gekenmerkt door een denken van bovenaf. Er wordt gedacht vanuit hogere normen, ondanks het feit dat er helemaal geen hogere normen zijn. Het is dus allemaal nogal irreëel, maar toch wordt er aan de zaak een objectieve waarde toegekend, hetgeen betekent dat je er aan te gehoorzamen hebt. Zo blijkt dat de westerse mens van oordeel is dat het collectief boven de enkeling uitgaat. De samenleving, de gemeenschap en alle mogelijke andere vormen van collectieven zijn van een hoger belang en naar dat belang hebben de mensen zich te voegen. Als je zo over de menselijke werkelijkheid denkt kun je je eigen positie in de wereld niet anders beschouwen dan als zijnde een onderdeel van een groter geheel. Het is dan onmogelijk als universeel individu voor de dag te komen en het is dan ook uitgesloten het begrip socialisme te realiseren, omdat op die manier dat begrip noodzakelijk vanuit een collectief gedacht moet worden. Daarmee is het onmogelijk geworden het begrip socialisme vanuit de individu te definiëren: de uitspraak als ik er ben, ben jij er ook is dan niet alleen niet te verantwoorden, maar hij is ook nog in strijd met de idee van het, onder die omstandigheden politieke, socialisme. Dat is een socialisme dat macht over de individuele mens uitoefent, zozeer dat het zelfs tiranniek genoemd kan worden.. . Een op zo'n basis gestoelde gemeenschap blijft onvermijdelijk ver beneden haar mogelijkheden omdat een ieder meer of minder zwaar onder druk staat. Niemand kan uit de voeten en iedereen doet alleen datgene waaraan niet te ontkomen valt: zijn plicht!

 Denk je echter niet in termen van hogere waarden en dus niet van bovenaf, dan wordt de gemeenschap jouw persoonlijke zaak. Je bent dan niet een zaak van de gemeenschap, maar de gemeenschap is een zaak van jou en in dat geval ben je in alle opzichten de individu die op grond van eigen zichzelf zijn, tezamen met volledig erkende anderen, een gemeenschap vormt. Die gemeenschap is dan zo essentieel dat je kunt zeggen dat het de inderdaad tot mens omgezette planeet is en als zodanig het milieu waarin echt te leven is. Zo'n gemeenschap kan echter voorlopig nog niet ontstaan: het van bovenaf denken viert hoogtij. Dat is niet eens jammer omdat de ontwikkeling nu eenmaal die weg moet gaan. Met Hegel is te zeggen dat het werkelijke redelijk is en het redelijke werkelijk: het ligt immers in de rede dat de laatste fase van de ontwikkeling tot individu gepaard gaat met het denken van bovenaf en dus ook het denken in collectieven die boven de enkeling uit gedacht worden.

39. De definitie van het begrip socialisme is er een van een mens die iets over zichzelf mededeelt, namelijk dat het voor hem vanzelfsprekend is dat de ander er ook is. Het is dus geen mededeling die gebaseerd is op de ander, de maatschappij, de staat of welk collectief dan ook, maar een mededeling over de eigen persoonlijke beoordeling van de aanwezigheid van de ander. Je kunt in dit verband spreken van een ik-definitie. Zoals gemakkelijk te constateren is, komt er in zo'n ik-definitie geen afhankelijkheid van iets of iemand anders voor: de ik-zegger formuleert zijn inzicht onafhankelijk van wie of wat dan ook. Voor hem ligt de zaak zo en wat de ander daarvan vindt laat hem koud! Dit is in overeenstemming met het feit dat het wordingsproces in de werkelijkheid uitloopt in de mens als individu en niet in de mens als onderdeel van een groep. Socialisme moet dan ook vanuit de individu gedefinieerd worden, zoals trouwens alle begrippen uit de grote vierslag.

Toch moeten we oppassen met genoemde ik-definitie. Vanuit het gebruikelijke van bovenaf denken kun je namelijk stellen dat het een behoorlijk egoïstische definitie is, waarin de ander kennelijk geen eigen status heeft, maar alleen een door die ik toegekende status. Ik maak uit dat de ander er ook is. Het is dan ook mogelijk dat de ander bedankt voor de eer van mij afhankelijk te zijn. Dit echter berust op een misvatting die typerend is voor het westerse denken. Men wijst daarin die ik-definitie af. Maar intussen zie je dat al het gedoe in de moderne wereld juist neerkomt op het laten gelden van die definitie: iedereen gaat van zichzelf uit. Elkeen die zich in die wereld waarmaakt maakt zich waar als ik en behoudt aan zichzelf het recht voor uit te maken hoe het met de ander zit. Wat dit betreft komt ook weer het feit voor de dag dat de mensen onder alle omstandigheden handelen overeenkomstig de begrippen uit de grote vierslag alleen uiteraard op een wijze die van die begrippen een farce maakt. Vanuit het onvolwassen van bovenaf denken wordt onze ik-definitie zwaar verminkt en bijgevolg een vrijbrief voor onderdrukking, dwingelandij en uitbuiterij. Dat denken leidt er immers toe dat de ik de hogere wordt en de ander de lagere. Het kwalijke van de zaak is echter niet gelegen in de op zichzelf als ik betrokken definitie als ik er ben, ben jij er ook, maar in de verminkte betekenis van het begrip ik. Zoals al eerder gezegd is de tendens van het van bovenaf denken dat de enkeling ondergeschikt is aan het collectief. Die enkeling staat dus in het teken van de plichten, de verplichtingen aan het collectief. Als zodanig wordt de enkeling, en dus ook de ander, gedefinieerd en dat betekent dat de mens als ik gesteld wordt als afhankelijk, niet van de ander, maar van het collectief - in feite natuurlijk diegenen die beweren dat zij namens dat collectief optreden.

Het blijkt niet mogelijk te zijn om de afhankelijkheid van de mensen onder elkaar te vermijden. Of de mensen nu volwassen zijn of niet, steeds ben ik afhankelijk van het gedrag van anderen. Mijn veiligheid hangt van die mensen af, niet in de zin dat zij mij mijn veiligheid moeten garanderen (en ik hen dankbaar zou moeten zijn. .), maar in die zin dat het altijd mogelijk blijft dat er iemand bij is die zo ernstig in de war is dat hij mij leed kan berokkenen. Omdat de mens, zoals ik al zo vaak betoogd heb, op grond van het feit dat hij het laatste verschijnsel is, de werkelijkheid kan ontkennen, kan hij dit eventueel ook met mij doen. Sociaal gezien ben ik dus afhankelijk van het gedrag van anderen. Voor volwassen mensen zijn de zaken echter zo komen te liggen dat genoemde afhankelijkheid niet langer op zo'n manier geldt dat ik er volkomen afhankelijk van ben.

Het er voortdurend mee geconfronteerd worden is voorbij, het is niet langer zo ik er almaar rekening mee moet houden, dat mijn gedrag erdoor bepaald wordt en ik voortdurend op mijn qui-vive moet zijn. Het is een feit dat in de definitie als ik er ben, ben jij er ook voor die jij de verhouding zo ligt dat hij of zij van mij afhankelijk is qua tot zijn recht komen. Dit echter is een afhankelijkheid die op ontkende wijze, op nihilistische wijze, geldt. Het is zogezegd een onafhankelijke afhankelijkheid. Mijn er zijn houdt immers in dat die ander juist volkomen erkend is. Voor mij is al het bestaande erkend, niet alleen in die zin dat het er van mij mag zijn, maar zelfs zodanig dat het van mij tot zijn recht moet komen. Zou ik dat namelijk verhinderen, dan zou ik mijn eigen werkelijkheid schade berokkenen door onderdelen ervan te verwaarlozen of in het ergste geval buiten te sluiten. Het is daarentegen mijn levensbelang niets te verwaarlozen of buiten te sluiten. Daardoor krijgt het van mij afhankelijk zijn van de ander niet een beperkend karakter, maar juist een levens bevorderend, een verzorgend karakter.

In een onvolwassen wereld is de ander eveneens van mij afhankelijk. Dat komt helder voor de dag als het mij gelukt voor mijzelf, zij het op onvolwassen wijze, individualiteit te bereiken. Ik ben dan degene geworden die de dienst uitmaakt. Nu echter gaat het mij niet om het tot zijn recht komen van die ander, maar om het tot mijn recht komen van hem. Dat wil zeggen dat ik hem slechts erken voor zover hij mij ten dienste staat en mijn belang bevordert. Zijn afhankelijkheid betekent voor hem dat hij door mij op allerlei gebieden beperkt wordt. Gaandeweg zal hij daar geen vrede meer mee hebben, vooral omdat ook hij graag die individualistische ik wil worden, precies als die ik die hem tot nu toe onderdruk. Die ander zal dan ook stappen gaan ondernemen om die beperkingen op te heffen. Dat gelukt hem niet door het beleefd te vragen, hij zal zijn rechten (want daarover gaat het dan) moeten afdwingen. In de gebruikelijke definities van socialisme wordt iets van de ander gevraagd, geëist zelfs. Men eist van de zogenaamde kapitalisten dat zij de arbeiders ook wat moeten gunnen, men eist van de staat als absolute machthebber dat hij zich opheft, enzovoort. De eisers zeggen in die definities niets over zichzelf, behalve dan dat zij stakkers (proletariërs) zijn aan wie aan alle kanten tekort gedaan wordt. Maar over de ander zeggen zij des temeer en dat is gewoonlijk niet veel goeds. Kortom: deze definities stellen de socialistische mens als een onderworpene, een smeker, een vrager en een eiser. Het is te begrijpen dat de zaak zo gesteld wordt, want men is nog steeds het slachtoffer van het van bovenaf denken. Dan is het niet mogelijk zichzelf anders te zien dan als underdog! Dit afdwingen van rechten is de normale gang van zaken in de westerse cultuur en dat is vooral duidelijk en zelfbewust geworden sinds de Verlichting en de grote Franse Revolutie aan het eind van de 18 e eeuw. Toen kwam al spoedig het politieke socialisme op. Dat was helemaal op dat afdwingen toegespitst en daarbij behoort de omkering van de definitie: het gaat niet om het inzicht dat jij er vanzelfsprekend ook bent als ik er ben, maar om als jij er bent wil ik er ook zijn. Vanuit die onderdrukte ander is dit een legitieme wens, maar in plaats van het Onafhankelijk worden van de afhankelijkheid blijft deze in steeds sterkere mate aanwezig.

Hoe verder men komt met het afdwingen van rechten hoe moeilijker het wordt nog meer rechten te verkrijgen. Juist onze tijd geeft hiervan duidelijk blijk. De afhankelijke bevolking kan vrijwel niets meer voor elkaar krijgen - zij wordt zelfs opnieuw ingekapseld...

No.3-( Beweging en Verschijnsel no. 3 )

199 Het klinkt paradoxaal, maar de vroegere verhoudingen tussen vrouw en man lagen beter op maat dan de tegenwoordige. Men was van mening dat het leven van de vrouw getypeerd moest worden door het begrip huis, uiteraard met de volledige daarbij behorende inhoud zoals de kinderen en de verzorging, en dat het leven van de man te vatten was onder het begrip wereld, in de zin van onder andere exploitatie van de aarde en de productie van goederen. Je kunt ook spreken van het naar binnen gerichte waar het de vrouw betreft en het naar buiten gerichte wat betreft de man. Ook begrippenparen als samenleving en maatschappij, verwekken en voortbrengen en dergelijke zijn van toepassing. In het verleden werden genoemde verhoudingen streng van elkaar gescheiden en er was nadrukkelijk sprake van moeten: de man moest op zijn terrein blijven en de vrouw op het hare. Dat is natuurlijk fout want het gaat slechts om de accenten waarin het verschijnsel staat. De man is geaccentueerd als zelfbewustzijn dat zich naar binnen keert (terugkoppeling) en de vrouw als bewustzijn dat zich naar buiten beweegt (het onzegbare zegbaar maken). Bij beiden gaat het om verhoudingen tussen twee dezelfde begrippen, namelijk bewustzijn en zelfbewustzijn, en die accenten komen voort uit de omstandigheid dat de werkelijkheid zich beweegt van het een naar het ander en tegelijkertijd van het ander naar het een. De beweging a-b valt onmiddellijk samen met de beweging b-a. Noch de vrouw, noch de man is te typeren met één van beide begrippen. Steeds moet de beweeglijke verhouding als typerend gesteld worden. De scheiding van het terrein van de vrouw en dat van de man is dus onwerkelijk en kan daardoor geen stand houden. Toch is ervan te zeggen dat in dé grond van de zaak een juist aanvoelen van de werkelijke situatie aanwezig is geweest in het verleden. In het oude Griekenland en op het ogenblik ook nog wel enigszins in de Islam zijn de vrouwen de spil waarom alles draait, althans voor zover het gaat om huishouding en verzorging. Beide hebben een veel grotere en vooral mentaal diepere betekenis dan er in het westen, vanuit het banale en verfoeilijke arbeidsdenken, aan gegeven wordt. En in het voeren van filosofische gesprekken over de werkelijkheid kwam in Griekenland, zij het op een armoedige manier, het terugkoppelen tot uiting. Overigens gold dat alleen maar voor de zogenaamd vrije man.

De werkende man was niet vrij en bij hem behoefde dan ook niet teruggekoppeld te worden. Je vindt dat terugkoppelen nog wel een beetje terug in de dagelijkse gebedsoefeningen van de Moslims. Dus: hoewel de ouderwetse toestand niet deugde is er toch van waarachtiger verhoudingen te spreken. Voor zover een ieder nu maar op zijn terrein bleef voelden de mensen zich nog enigszins rustig, in tegenstelling tot de moderne geëmancipeerde mens die van de verhouding vrouw-man een rommeltje gemaakt heeft. Omdat het op zijn wijze toch vooruitgang betekent valt er niets te klagen, maar het is wel degelijk een feit dat ook hier de zinsbegoocheling toegeslagen heeft. De moderne mening is dat vrouwen en mannen precies eender zijn en dat hun biologische verschillen slechts op toeval berusten. Men vindt dan ook dat je die verschillen best over beiden, de vrouw en de man, zou kunnen of zelfs moeten verdelen. De man moet een deel van het leven van de vrouw overnemen en omgekeerd. Van het realiseren van de juiste verhoudingen is geen sprake als je denkt alles te kunnen verdelen. Dat men inderdaad dat soort voorstellingen huldigt blijkt uit het feit dat zo ongeveer iedereen ervan overtuigd is dat het samenleven van vrouw en man (of dienovereenkomstig ingestelde homoseksuelen) pas een succes kan worden als beiden een reeks van afspraken met elkaar maken en zich daar getrouw aan houden: over de werktijden, het verzorgen van de kinderen, het huishouden...

Kortom, alles wordt erin betrokken en moet afgesproken worden. Men vindt dat de taken verdeeld moeten worden! Het zijn echter juist deze waanideeën die de laatste, nog enigszins waarachtige, verhoudingen teniet doen. Bovendien bevorderen zij het zich afsluiten van de mensen voor de werkelijkheid. Voor zover dat het geval is kan voorlopig de werkelijke verhouding niet tot de mensen doordringen. Dat betekent onder andere dat er wat betreft hun vrouwelijk-mannelijke omgang een toenemende onvrede bij de mensen is, dat er een diepe psychische verwaarlozing van de kinderen ontstaat en dat bovendien de mogelijkheid van een oplossing verdwenen is. Net zo goed als de wetenschappen zichzelf niet uit de vicieuze cirkel van de waarheidscriteria kunnen bevrijden, gelukt het de mensen in hun vrouw-man verhouding niet de juiste overeenstemming met de werkelijkheid te bereiken. Een oplossing zal dus ook wat dit betreft van buitenaf moeten komen. Eindeloos met elkaar praten helpt niet, ondanks het feit dat praten beter is dan vechten en dat deskundigheid te verkiezen is boven onbenul. De redding uit de ellende is alleen maar te verwachten van de strikt individuele ontwikkeling van beiden, de vrouw en de man, op zichzelf. De vrouw en de man zijn ten enenmale niet hetzelfde. Hun biologische verschillen zijn geen toeval maar zijn uitdrukking van de specifieke verhoudingen die voor beiden gelden. Het levende verschijnsel is uiteengegaan in twee verschijnselen omdat er twee mogelijkheden zijn; enerzijds de werkelijkheid als het inhoudende en anderzijds als de inhoud; enerzijds het geheel en anderzijds het totaal; enerzijds de kwaliteit en anderzijds de kwantiteit. Ik heb hierover al eerder uitgeweid. Maar, wellicht ten overvloede en in ieder geval ter verduidelijking, moet nog gezegd worden dat bij de vrouw alles in principe een innerlijke (introverte) zaak is die op haar wijze naar buiten wil treden (geboorte van het kind), hetgeen in zijn geheel het begrip moederschap is, en dat bij de man alles in principe een uitwendige (extraverte) zaak is die op de een of andere manier zijn eigendom moet worden (via de terugkoppeling). Deze principes zijn niet meer dan accenten, maar ook als zodanig moeten zij tot hun recht komen. Die accenten zijn immers bepalend voor het al of niet vrede vinden met het eigen leven en dat van anderen! Betekent een en ander nu dat de vrouw thuis moet blijven zitten, volgens sommigen zelfs in de keuken, en dat de man de wereld in moet trekken? Neen, dat betekent het niet!

Omdat voor ieder voor zich geldt dat zij en hij het verschijnsel mens is gelden genoemde verhoudingen voor beiden, echter bij de een met het ene accent en bij de ander met het andere accent. Bij alles wat zij ondernemen blijven die accenten hun rol spelen, niet op de wijze van een plaatsbepaling, zoals in het verleden het geval was, maar bij wijze van kleur en sfeer, rationaliteit en intuïtie, naar binnen en naar buiten gekeerd zijn. Juist wanneer deze accenten vrijelijk tot gelding kunnen komen is ook één volledige omgang tussen twee partners mogelijk. Bij plaatsbepalingén en afspraken moet een ieder altijd wat inleveren. Ontplooiing kan dan nooit optimaal zijn... Bij de hedéndaagse vrouw wordt het niet veel met het zegbaar maken van het onzegbare, het tot duidélijkheid brengén van het verborgen bewustzijn. Toch heeft zij het voordeel dat haar basis nog altijd het bewustzijn is. Dat is op zichzelf een onaantastbare zaak, een universele en onvergankelijke, een die zich niét door cultuur-modes laat verzieken. De man evenwel moet het wat dit betreft doen met zijn zelfbewustzijn, een door en door vergankelijke en particuliére zaak die volkomen vreemd is aan de waarheid, ondanks alle wetenschappelijke juistheid. Zijn deel is dan de banaliteit, hét geklets en steeds meer het in alles falen.

200. Je kunt een vergelijking maken tussen de cultuurgebonden man waarin het terugkoppelen gehinderd is en de eveneens cultuurgebonden vrouw die gehinderd is in het tot uitdrukking brengen van de waarheid. Anders gezegd: hoe zit het met de blokkade bij de cultuurmens als man en als vrouw. Daarbij moet er nogmaals op gewezen worden dat het verschijnsel man er is op grond van een bepaald accent dat in de werkelijkheid als zodanig gelegd kan worden en dat het verschijnsel vrouw ook berust op een dergelijk accent. De levende werkelijkheid moet nu eenmaal naar twee begrippen begrepen worden, namelijk het vrouwelijke begrip het inhoudende (het geheel) en het mannelijke begrip de inhoud (het totaal). Dat levert noodzakelijk een essentieel onderscheid op en nu gaat het om de vraag hoe dat voor de dag komt bij de geblokkeerde cultuurmens. Om te beginnen is te bedenken dat bij een blokkade beiden, zowel de vrouw als de man, in hun eigen uitgangspunt blijven steken; de vrouw in de werkelijkheid als bewustzijn en de man in zelfbewustzijn. Die twee werkelijkheden zijn, op zichzelf gedacht, onverzoenbaar. Wordt de eerste gekenmerkt door eenheid, samenhang, harmonie en ondeelbaarheid, de tweede is daarvan het tegendeel, namelijk veelheid, relaties, concurrentie en deelbaarheid. Bovendien berust de eerste op een lichamelijke zaak (trilling in de materie) terwijl de tweede berust op een ontkenning daarvan (niet-materie). In de praktijk betekent dit dat vanuit de cultuur geblokkeerde vrouwen en mannen als vreemden tegenover elkaar zullen staan. De door - eveneens geblokkeerde - denkers opgemerkte ondoorgrondelijkheid van de een zowel als de ander en het door hen gestelde vooruitzicht dat die kloof nimmer te overbruggen zal zijn is dus juist, maar dan alleen voor zover het over geblokkeerde mensen gaat. Denk je evenwel na over de volwassen mens, dan blijken de verhoudingen heel anders te liggen. Van een onoverbrugbare kloof en een eeuwig voortdurend onbegrip is dan geen sprake. Alvorens na te gaan waarom er geen kloof gaapt tussen de vrouw en de man is het goed je te realiseren dat we nu theoretisch bezig zijn. Door namelijk te stellen dat een vrouw en een man geblokkeerd zijn roep je een eenzijdigheid op en dat kan en mag filosofisch niet. Niemand kan eenzijdig en absoluut geblokkeerd zijn.

Altijd blijven alle verhoudingen meespelen, maar bij een blokkade worden de gevolgen van dat meespelen ontkend, weggewerkt, bewust verkeerd geïnterpreteerd, als een taboe beschouwd en dergelijke. Op deze verwrongen wijze spelen die verhoudingen mee, enerzijds, en anderzijds sijpelen zij als het ware door en bezorgen de geblokkeerde mens last. Op dit moment echter moeten wij even de zaken op een rijtje zetten en dus theoretisch aan de gang gaan... Als het goed is verloopt het proces bij de (volwassen) man als volgt: hij maakt de gehele verschijnende werkelijkheid tot inhoud van zijn zelfbewustzijn, waarbij de drijvende kracht het vermogen tot analyseren is. Deze inhoud echter is niet meer dan hij is, namelijk een min of meer ordelijke verzameling die weliswaar aan een groot aantal criteria beantwoordt, maar die geen garantie kan bieden op waarheid te berusten. Deze verzameling nu wordt teruggekoppeld naar ‘s mans bewustzijn en dat leidt ertoe dat alles betekenis krijgt en harmonieus in een geheel tot zijn recht komt. Er ontstaat dan een waarachtig weten omtrent de gehele werkelijkheid, een weten waarin ook op waarachtige wijze het niet-weten tot zijn recht- komt. Dit betekenisvolle bewustzijn kan zich vervolgens in de mens als man tot een zelfbewuste zaak maken. Daarmee is de cirkel rond en zijn we terug bij het uitgangspunt.

In deze cirkelbeweging treden dus achtereenvolgens terugkoppeling op en afspiegeling, welke laatste beweging de vrouwelijke kant van de zaak is, namelijk het zegbaar maken van het onzegbare. Als het goed is vind je bij de vrouw een geheel ander proces, dat evenwel betrekking heeft op precies dezelfde grootheden als bij de man. Bij de vrouw begint het bij het bewustzijn dat zichzelf als bewustzijn zegbaar maakt doormiddel van het zich afspiegelen aan de concreet verschijnende werkelijkheid. Dat bewustzijn heeft om te beginnen geen inhoud. Het zijn de voor het bewustzijn geldende verhoudingen die zich aan de alledaagse verschijnselen manifesteren. Dat komt voor de dag als bijvoorbeeld hier en daar een bloemetje, het scheppen van gezelligheid, het reageren op het jonge leven van mens en dier en zo nog meer. In ieder geval worden de verhoudingen van het bewustzijn bepalend voor het zelfbewustzijn. Vervolgens wordt natuurlijk ook dat zelfbewustzijn weer teruggekoppeld naar het bewustzijn om zo de vrouwelijke cyclus vol te maken. Die cyclus sluit dus af met een mannelijke beweging. Als je beide cyclische processen naast elkaar beschouwt kom je vanzelf tot de conclusie dat de richtingen verschillen, maar dat het in beide gevallen over dezelfde zaak gaat. Als er geen blokkade is gaat bij beiden het zelfbewustzijn naar het bewustzijn toe om daarna weer naar zichzelf terug te keren en ook gaat bij beiden het bewustzijn naar het zelfbewuste en keert weer terug. Dat zijn natuurlijk geen eenmalige bewegingen, maar zichzelf almaar herhalende. Omdat in beide gevallen dezelfde situaties en verhoudingen doorlopen worden ligt hier uiteraard ook de basis voor wederzijds begrip. De volwassen vrouw noch de volwassen man zijn elkaar een raadsel, afgezien natuurlijk van het feit dat de ene mens de andere nooit helemaal zal kennen, maar het gaat nu niet om het elkaar kennen maar om het elkaar begrijpen. Vanuit de hierboven uiteen gezette volwassen situaties is het mogelijk om zinvol na te gaan hoe bepaalde afwijkingen er uit moeten zien. Vooraf echter moet opgemerkt worden dat bepaalde zaken als afwijkingen herkend kunnen worden. De alsnog onvolwassen mens denkt dat de huidige vrouwen en mannen zijn zoals ze nu eenmaal behoren te zijn, maar als je het bovenstaande begrepen hebt weet je dat de vrouwen en de mannen helemaal niet zo behoren te zijn, maar dat zij afwijken van de eigenlijke, volwassen, mens. Hun onvolwassenheid is een alsnog afwijken van de eigenlijke verhoudingen.

De afwijking van de moderne man is deze dat bij hem alles in de lucht blijft hangen en dat daardoor zijn leven gekenmerkt wordt door banaliteiten; dingen die geen betekenis hebben en die nimmer terechtkomen. Het maakt daarbij niets uit dat genoemde dingen op een uiterst intelligente manier uitgezocht en gewaardeerd zijn en aan alle wetenschappelijke criteria voldoen. Waarom het gaat is dat de hedendaagse man niet weet waarom het gaat en dat hij dit vanuit zijn cultuur nooit aan de weet zal komen. Integendeel, hij raakt steeds verder van huis en daarbij wordt hij steeds banaler, verzandt almaar meer in oeverloos gepraat en voortdurend wisselend beleid. Tenslotte zal hem niets meer gelukken... Bij de moderne vrouw ligt de zaak anders. Ten eerste moet opgemerkt worden dat zij nog altijd het bewustzijn als uitgangspunt heeft en daardoor dus enigszins blijk kan geven van warmte en schoonheid. Maar alles is bedoeld als middel om de dingen in bezit te kunnen nemen. Zij maakt gebruik van de wereld. Dat komt doordat het bewustzijn op zichzelf leeg is als er niet naar toe teruggekoppeld wordt. Omdat dit laatste niet gebeurt kan de vrouw vanuit zichzelf als bewustzijn niets anders doen dan zoveel als mogelijk alles in zich opzuigen, zodat dat in haar een naamloos einde vindt. Blijft bij de moderne man alles in de lucht hangen zonder betekenis te krijgen, bij de moderne vrouw verzinkt letterlijk alles in het niet. Tegelijkertijd is zij verlokkend, hetgeen betekent dat zij loze schoonheid uitstraalt zonder rust, harmonie en liefde te bieden.

201. Elke cultuur belemmert op de een of andere manier de processen in de mens als vrouw en de mens als man, zoals die zich afspelen tussen de verhoudingen bewustzijn en zelfbewustzijn. Zoals al eerder gezegd zijn dat cyclische processen en dat betekent dat het processen zijn die steeds weer bij hun eigen uitgangspunt terugkomen, zonder dat overigens de heenweg samenvalt met de terugweg. Als je bijvoorbeeld de beweging van A naar B omkeert en dus van B naar A laat gaan, dan valt de heenweg samen met de terugweg. Daarbij valt het onderscheid tussen heen en terug niet weg. Maar als het gaat over een cyclische beweging verloopt deze van A naar B als het ware langs de omtrek van een cirkel. De weg van A naar B is dan een andere aan die terug van B naar A. De richting van de beweging keert evenwel niet om, zoals bij een lineaire beweging van A naar B en terug het geval is. Hij gaat daarentegen langs de cirkel op dezelfde weg voort totdat hij weer in A terug is. Van een onderscheid tussen twee bewegingen is dan geen sprake: het is één voortgaande beweging, waarbij bovendien het oorspronkelijke uitgangspunt gaandeweg zijn betekenis verliest... Het cyclische proces bij de vrouw is zodanig dat er een ontwikkeling gaande is vanuit het bewustzijn naar het zelfbewustzijn en vandaar verder om weer bij het bewustzijn uit te komen, enzovoort. Bij de man gaat het uit van het zelfbewustzijn naar het bewustzijn en zo verder wederom naar het zelfbewustzijn. Bij beiden is dat geen eenmalig proces, maar een immer voortgaand. Het is goed om in dit verband het begrip ontwikkeling te gebruiken want inderdaad berust de menselijke ontwikkeling op deze processen. Zouden die er niet zijn, dan zou geen enkel mens de kans krijgen ooit wijzer te worden, ondanks alle ervaringen. Nogmaals wijs ik er op dat het nu steeds gaat over de concreet aanwezige vrouw en man. Daarvoor gelden wel begrippen, maar zij zijn geen begrippen. Zij zijn concreet aanwezige verschijnselen. Helaas worden die verschijnselen in de filosofie - en eigenlijk in het algemeen in het (alsnog onvolwassen)denken - nauwelijks doordacht. Iedereen kan dan ook constateren dat het nooit over hemzelf, noch haarzelf noch de buren gaat. Steeds beschouwt men de mens als een cluster van begrippen, maar dat is niet juist.

Gevolg hiervan is dat er almaar verkeerd over de mensen gedacht wordt. Dat komt vooral uit aan het merkwaardige feit dat men voortdurend probeert de mensen aan te passen aan de begripsmatige denkbeelden die men over hen gevormd heeft, in plaats van andersom uit te zoeken hoe over het concreet aanwezige verschijnsel te denken valt en de vraag te stellen: waarom is het verschijnsel dat ik aantref zoals het is en niet anders? Het gaat nu over bovengenoemde vraag en dan is te wijzen op die cyclische processen. En deze processen worden door elke cultuur op zijn wijze belemmerd. Misleidend in dit verband is dat men bij cultuur onwillekeurig denkt aan iets moois: de cultuurmens is de gecultiveerde (beschaafde) mens. Nu is dat op zichzelf wel juist, maar mooi is dat helemaal niet. Het is niet de mens op zijn best, maar juist de mens die bewerkt is om aan een bepaalde maatgevende voorstelling te voldoen. Zo'n mens is geblokkeerd, gefrustreerd zelfs, en blijft in ernstige mate beneden zijn mogelijkhéden, ondanks het feit dat hij tot veel schoons en intelligents in staat is. Zo was de antieke Griekse mens een uitblinker op het gebied van de kunsten en filosofie. Dat doet gemakkelijk vergeten dat dit slechts voor enkele bevoorrechten gold en dat dezen toch ook een waanvoorstelling huldigden, namelijk deze dat zij zichzelf het recht toekenden bevoorrecht te zijn. En er waren natuurlijk nog meer van die waanideeën. Kortom; zowel het schone als het intelligente als de dagelijkse praktijk zijn vervormd door belemmerende voorstellingen.

De cultuur berust op een bepaalde voorstelling van de werkelijkheid. Zoals al bij eerdere gelegenheden aangetoond ontstaat zo'n voorstelling aan de hand van ervaringen. Daaronder versta ik letterlijk alles wat op het menselijk zelfbewustzijn inwerkt, dus zowel het min of meer onaangedaan opdoen van juiste en onjuiste kennis als alle mogelijke enigszins lichamelijke confrontaties met de realiteit van alle dag. Het totaal aan ervaringen wordt natuurlijk aanzienlijk beïnvloed door de contacten die mensen hebben met anderen en daarbij speelt de topografie van onze planeet een belangrijke rol. Waterwegen bevorderen contacten, bergpassen eveneens, maar oceanen en hoge bergketens belemmeren de zaak. De cultuur, als resultaat van het totaal aan opgedane ervaringen, gaat bijgevolg via de gemakkelijkste weg, hetgeen op onze planeet goed na te gaan is. Waarom het evenwel gaat is dat er gesproken kan worden van een opeenvolging van voorstellingen van de mensen omtrent zichzelf. Die voorstellingen bepalen steeds niet alleen het gedrag van de mensen (zie wat dit betreft De Grote Vierslag), maar ook hun identiteit als mannen en vrouwen. Zij belemmeren immers de cyclische bewegingen vanwege hun neiging zichzelf ongewijzigd te handhaven. De voorstelling die een onvolwassen mens van de werkelijkheid heeft mag niet veranderen omdat zijn behoefte aan waarheid en dus zekerheid niet verstoord mag worden. De mensen willen dus ook hun cultuur voorstellingen niet prijsgeven, zelfs niet betwijfelen. Hoewel zij daarin op zichzelf gelijk hebben werkt dat, in een onvolwassen situatie, vervreemdend. Er ontstaan een heleboel taboes. Dat zijn aspecten van de werkelijkheid die niet tot gelding mogen komen, juist omdat zij de vastgelegde voorstelling, de zogenaamde waarheid, verstoren. In de westerse cultuur heeft de mens dubbel last van het vastleggende karakter van het onvolwassen zelfbewustzijn. Dat vindt zijn oorzaak in het feit dat in die cultuur de aandacht gericht is op de werkelijkheid als zelfbewustzijn. De westerse cultuur is de uitwerking van de mens als zelfbewustzijn. Het is dus de uitwerking van de vastgelegde voorstelling, uitwerking in de vorm van analyse en rubricering ( theorievorming). Het vastleggen geschiedt in de westerse cultuur niet automatisch, omdat dit in een onvolwassen situatie nu eenmaal gebeurt, maar het gebeurt welbewust omdat de voorstelling, als inhoud van het zelfbewustzijn, object van onderzoek is.

Onnodig te zeggen dat die westerse mens steeds meer in een doolhof terechtkomt en al spoedig helemaal van zichzelf vervreemd geraakt. De cultuur berust dus op de voorstelling terwijl deze laatste ook het vrouw-zijn en het man-zijn belemmert. Je kunt dus ook zeggen dat de cultuur blokkeert en aangezien alle culturen op de voorstelling berusten blokkeren alle culturen het vrouw-zijn en het man-zijn. Dat is bepaald geen nieuws! Overal komen juist op dat gebied, en in het verlengde daarvan het terrein van de seksualiteit en de voortplanting, de meest vreemdsoortige zeden voor. Vaak zijn die helemaal niet zo onschuldig en in ieder geval zijn zij onveranderlijk een ernstige aantasting van het individu. Van een ontspannen zichzelf-zijn is nooit te spreken, zelfs niet in die spaarzame gevallen dat de seksualiteit behoorlijk vrij is. Maar in feite spant de westerse cultuur de kroon als het er om gaat de identiteit van de vrouw zowel als die van de man te vernietigen. Weliswaar wordt het individu als een onaantastbare grootheid gesteld, maar wat onder die grootheid verstaan moet worden is in alle opzichten irreëel. Dat moge onder andere blijken uit het al eerder door mij genoemde feit dat men, ondanks alle psychologie, filosofie en geesteswetenschappen, geen raad weet met het feit dat vrouw en man wezenlijk van elkaar verschillen, ondanks het feit dat zij in hun cyclische processen precies dezelfde verhoudingen van de werkelijkheid doorlopen.

 

Zie ook : Filosofie van de Hak op de Tak- aflevering 32

 

 

 

DE FUNDAMENTELE INTOLERANTIE VAN DE GODSDIENST

 

oftewel tolerantie als dissident gedrag

De Vrije Gedachte No. 249 oktober 1994

 

atheisme,atheist,de fundamentele intolerantie van de godsdienst,geloof,god,godsdienst,

ieder het zijne,intolerantie,macht,tolerant,tolerantie.

 

 

 

Terug naar: home

 

 

DE FUNDAMENTELE INTOLERANTIE VAN DE GODSDIENST

Als het gaat om de vraag of godsdiensten wel of niet tolerantie bevorderend zijn, worden mijns inziens de verhoudingen steeds omgedraaid. Dat leidt tot een voor het atheïsme noodlottige vertekening van de godsdiensten in kwestie. Je vraagt je af hoe dat komt; verlangt het moderne denken van ons dat wij de godsdiensten zonder meer positief benaderen, of zijn wij blind voor enkele onderscheidingen die, bij het nadenken over het fenomeen godsdienst, beslist gemaakt moeten worden? Ik denk het laatste !

Een poging tot verduidelijking...

 

Lang geleden heb ik eens in een artikel in dit blad gesteld dat er een verschil is tussen het begrip godsdienst en het begrip geloof. Ik herinner mij nog levendig dat er toen nogal wat geestverwanten waren die een dergelijk onderscheid niet wensten te maken, voornamelijk omdat de inhoud van dat begrip geloof hen niet beviel. Het is niet uitgesloten dat dit nog steeds bij een aantal vrijdenkers het geval is, zodat zij het hierna volgende betoog ook zullen willen bestrijden. Het zij zo. Jammer is alleen dat hierdoor het vraagstuk van het al of niet tolerantie bevorderende karakter van godsdiensten niet behoorlijk opgelost kan worden.

De grondslag van een godsdienst

Elke godsdienst is voortgekomen uit de een of andere vorm van een geloof. Zo'n geloof is een op intuïtie berustend complex van voorstellingen. In de mensen ontstonden, zomaar vanzelf, bepaalde vermoedens omtrent de aard van de werkelijkheid en die vermoedens, waarvan de herkomst geenszins rationeel verklaarbaar was, kregen gaandeweg een steeds meer overtuigend karakter. Het werd voor de mensen almaar meer aannemelijk dat het bij die vermoedens inderdaad over de ware werkelijkheid ging. De mensen gingen geloven in hun eigen voorstelling van de werkelijkheid. Het begrip geloof heeft op die zaak betrekking.

Het zal duidelijk zijn dat de waarheid van zo'n voorstelling voor de individuele mensen in principe niet het gevolg was van indoctrinatie en andere vormen van inprenting maar van wat je zou kunnen noemen collectieve intuïtie. Een intuïtie dus die de overgrote meerderheid van de leden van een collectief met elkaar gemeen hebben. Natuurlijk spraken de mensen daarover met elkaar en het kan niet uitblijven dat zij elkaar van allerlei duidelijk probeerden te maken inzake hun waarheid. Aanvankelijk drukten de mensen zich nog niet uit in formules, zoals dat bij de moderne mensen het geval is. Hun manier van uitdrukken was die van het verhaal en bij zo' n verhaal ging het erom de medemens een beeld van de werkelijkheid voor te toveren. Langs de weg van dit 'toveren' - in zekere zin een artistieke en in ieder geval een uiterst creatieve bezigheid kwam men met elkaar tot overeenstemming inzake de werkelijkheid en haar waarheid. Dat oproepen in de medemens van een beeld van de werkelijkheid is volstrekt geen zaak van indoctrinatie. Het is een kwestie van meebeleven, van het ondergaan van iets groots en schoons. Min of meer kennen wij dat nog als het ondergaan van de schoonheid van een kunstwerk. Vooral bij muziek is het beleven van schoonheid vaak het geval. Het intuïtief aanvoelen van het karakter van de werkelijkheid, of anders gezegd: het bij intuïtie weten hoe de werkelijkheid is (ik zeg niet: weten wat de werkelijkheid is, want daarvoor heb je analytisch onderzoek nodig), houdt onvermijdelijk ook in dat de mensen vertrouwd zijn met het feit dat er binnen het geheel van de werkelijkheid een schier oneindige verscheidenheid aan bestaansvormen aanwezig is. En men weet dat er daarvan geen enkele uitgesloten kan worden, althans niet zonder de werkelijkheid en de waarheid geweld aan te doen. Zo was daar het verhaal van de Grote Moeder die de voortbrengster was van al het bestaande en die als een oneindig grote baarmoeder het totale heelal omvatte. Natuurlijk bestond die 'Grote Moeder' niet echt.

Het ging slechts over een verhaal dat de mensen elkaar vertelden. Maar, hoewel dat verhaal niet feitelijk juist was, was het wel degelijk waar. Dat nu is de essentie van een echt en oorspronkelijk geloof... het is niet juist, maar het is wel waar! Hoewel het eigenlijk overbodig is wil ik er toch nog met klem op wijzen dat dit begrip geloof niet samenvalt met wat men in de westerse denktraditie onder 'geloof' is gaan verstaan. In die traditie betekent het begrip geloof niets meer dan dat je aanneemt dat een bepaalde bewering juist is. Je neemt bijvoorbeeld aan dat de bewering dat god bestaat een juiste bewering is. Uiteraard gaat het hierbij om een godsdienst en niet om een geloof.

 

Tolerantie als kenmerk van een geloof

Uit het feit dat al het bestaande vanzelfsprekend opgenomen is in één alomvattend (oermoederlijk) geheel is gemakkelijk af te leiden dat de oorspronkelijk gelovige mensen uit het grijze verleden qua geloof uiterst tolerant waren. Dat wil zeggen dat zij in hun voorstellingen van de werkelijkheid en dus ook in hun denken een grote ruimhartigheid aan de dag legden. Omdat die voorstellingen en dat denken op de wijze van verhalen tot uitdrukking werden gebracht tref je daarin een vaak tot op de dag van vandaag verbazing wekkende edelmoedigheid en ruimhartigheid aan. Het is zelfs zo sterk dat je eigenlijk niet eens van tolerantie kunt spreken, want feitelijk vooronderstelt het gelden van dit begrip dat er een wezenlijk onderscheid tussen het een en het ander, de een en de ander, gemaakt wordt. Maar zelfs dat onderscheid lag in de oudheid ver op de achtergrond omdat het 'oermoederlijk' besef van het alles voortbrengende en alles omvattende nagenoeg volledig dominant was. In de geloofsvoorstellingen die in de vorige eeuw door toedoen van westerse onderzoekers Hindoeïsme zijn gaan heten vind je nog veel van het bovenstaande terug. Men was destijds in de Hindoeïstische wereldbeschouwing van mening dat de grondslag en de uiteindelijke 'waarheid' van ieder individueel mens dezelfde was, zodat het niet van belang gevonden werd hoe iemand tegen de dingen aankeek en welke weg iemand volgde om zich als 'mens' te verwerkelijken. Nadrukkelijk gold: ieder het zijne. Ook in het geloof dat aan het Christendom ten grondslag ligt is het begrip tolerantie naar zijn uiterste inhoud terug te vinden. In de zogenaamde Evangeliën komt als grondgedachte naar voren dat de werkelijkheid in laatste instantie in het teken van de liefde staat en dat betekent niets anders dan dat alles ineen is en er dus geen onderscheid en scheiding tussen het een en het ander, de een en de ander, geldt. Zo kun je steeds vaststellen dat oorspronkelijk elk geloof zonder meer tolerantie inhield.

 

Godsdienst als misbruikt geloof

In zeker opzicht zou het mooi zijn geweest als de mensen 'gelovig' gebleven zouden zijn. Hoewel zo'n gelovigheid geen enkele garantie voor de juistheid van de voorstellingen omtrent de werkelijkheid en dus ook wat betreft de juistheid van de verworven kennis biedt, vervult zij toch wel degelijk een uiterst belangrijke functie, namelijk die van een spiegel die de mensheid zich voorhoudt om de eigen cultuur, de samenhang tussen en de betekenis van de verworven kennis, kortom de realiteit van alle dag, te beoordelen. Anders gezegd: een toetssteen om niet voortdurend in het duister te tasten en als een blinde rond te dolen. Het geloof fungeert zogezegd als een spiegel der waarheid. Daarvoor is het helemaal niet noodzakelijk dat alle voorstellingen een wetenschappelijke toetsing op juistheid hebben doorstaan. Net als in de kunst heeft de waarheid in dit verband nauwelijks iets met de juistheid te maken. En net als in de kunst gaat er - als het goed is! - een louterende en inspirerende werking van een dergelijke waarheid uit. Het ligt echter in de logica dat de mensheid haar aanvankelijke fase van geloof ('het gouden tijdperk') achter zich laat en op zoek gaat naar de juiste kennis omtrent de verschijnselen. Het zoeken naar juiste kennis en het ontwikkelen van criteria van betrouwbaarheid gaat onvermijdelijk ook zijn invloed doen gelden op de intuïtieve voorstellingen, het geloof dus. Omdat er daarbij echter niets onderzocht noch gecontroleerd kan worden en er tegelijkertijd geen twijfel aan de aangevoelde waarheid bestaat komt het geleidelijk tot een machtsstelsel. Bepaalde figuren gaan zich opwerpen als kenners der 'waarheid', en die 'waarheid' is natuurlijk van een hogere orde dan de alledaagse realiteit van het menselijk leven. Dat hogere is uiteraard niet alleen Ontoegankelijk voor onderzoek en kritiek, maar het is vooral dwingend. De zogenaamde 'waarheid' geldt voor iedereen en dus zal iedereen zich eraan onderwerpen, zonder er over na te denken en zonder er vragen over te stellén. Deze dwingende en onaantastbare waarheid vormt het materiaal waaruit de godsdiensten zijn opgebouwd. En wat eerst intuïtief werd aangevoeld is binnen het kader van de godsdienst geworden tot een complex van voorstellingen dat stelselmatig wordt ingeprent en dat geen twijfel meer toelaat. Zo worden de mensen het slachtoffer van misbruik en paradoxaal genoeg hebben zij dat te danken aan hun eigen hang naar juiste en dus onbetwijfelbare kennis. Zodra het intuïtieve voor de mensen de status van kennis krijgt wordt het voor uitgeslapen enkelingen een buitengewoon efficiënt middel om macht uit te oefenen.

 

Het machtsstelsel van de godsdienst

Binnen de sfeer van het geloof - in de zin zoals ik dit begrip hanteer - worden er van allerlei verhalen verteld over de werkelijkheid en de daarin voorkomende processen en toestanden. Al die processen en toestanden zijn van een de mensen overstijgend karakter: het is een werkelijkheid die groter en grootser is dan de individuele mens. Dat is voor de gelovige echter volstrekt geen uitwendige en hogere zaak. Het is iets waaraan geen speciale waarde gehecht wordt en wat dus ook niet als een zaak van macht kan worden beschouwd. Dat zou overigens ook niet kunnen, want voor die gelovige behoort immers alles, ook de mens, tot diezelfde werkelijkheid en dus is dat allemaal om zo te zeggen 'gelijkwaardig'. Als men dan ook verhaalde van goden en godinnen, licht en donker, goed en kwaad, machtig en onmachtig, plaatselijk en universeel, dan ging het er om een beeld te schetsen van wat er in de werkelijkheid gaande is, zonder dat men daarmee zeggen wilde dat al die goden, godinnen en dergelijken feitelijk zouden bestaan. En een onderscheid qua macht lag ook volledig buiten het denken.

 

Terzijde: men zou hier van ‘atheïsme' kunnen spreken, ware het niet dat dit begrip, als zijnde een ontkenning, een erkenning van bestaande hogere en machtige goden vooronderstelt, hetgeen bij de door mij geschetste alsnog 'gelovige' mens niet aan de orde is. Maar alles werd al spoedig anders. De zaak gaat zich omzetten tot een godsdienst: vanaf dit moment treden er lui op de voorgrond die de waarheid bezitten en die elke afwijking daarvan als ketterij beschouwen. Bovendien beweren die lui dat er wel degelijk goden en godinnen bestaan en dat die beslist veel machtiger zijn dan de mensen. In feite gebruiken die lui dezelfde ingrediënten die binnen de sfeer van het geloof voorkwamen, alleen met dit verschil dat a) de oorspronkelijke beelden van goden en dergelijken nu als feitelijkheden voorgesteld worden, b) er aan de juistheid van de voorstelling niet getwijfeld kan worden en c) dat het gaat over hogere machten. Deze drie grootheden bij elkaar zijn essentieel voor de godsdienst. Dat heeft verscheidene consequenties...

 

Intolerantie is bij de godsdienst fundamenteel

Als we eenmaal te doen hebben met een godsdienst doet de intolerantie zijn intrede. Dat kan niet anders ! Zelfs al zouden de godsdienstigen het zo niet willen, bijvoorbeeld doordat zij herinneringen bewaren aan de fase van geloof toen voor hen alles harmonieus 'ineen' was in een 'oermoederlijke' werkelijkheid, zonder dat er ook maar iets buitengesloten of minderwaardig was, dan nog zouden zij niet kunnen ontkomen aan de intolerantie. Dat komt doordat het nu om iets absoluuts gaat: het bestaan van god is absoluut (niet tijdelijk en plaatselijk), de kennis omtrent god is absoluut (laat geen twijfel en geen tegenspraak toe) en zijn macht is absoluut (de zogenaamde almacht). Er valt dus voor goedmoedige godsdienstigen niets te willen. Een ieder die afwijkt van de absolute waarden deugt niet en moet bekeerd worden. Wordt dat niet geaccepteerd, dan verliest zo'n afwijkend iemand zijn of haar bestaansrecht. Dat is heel simpel en inderdaad ijzig consequent! De intolerantie is overigens niet alleen maar het gevolg van het absolute karakter van de godsdienst. Er is namelijk, samenhangend met dat absolute, ook nog het machtsaspect. De, de mensen overstijgende, grotere en grootsere kosmische werkelijkheid wordt er een van een hoger niveau. Zij komt niet alleen buiten, maar ook letterlijk boven de mens te staan en wordt als zodanig een macht waaraan alle mensen onderworpen zijn. Vandaar dat wij indertijd van godsdienst zijn gaan spreken. Het gaat inderdaad om een dienstbaarheid aan een hogere macht, aan een god. Men heeft destijds heel goed begrepen hoe de vork in de steel steekt! Ook dienstbaarheid laat geen tolerantie toe. De dingen moeten gebeuren zoals ze verordonneerd worden. Het gedrag van de dienstbare moet voor de regeerder absoluut voorspelbaar zijn. Logisch, want anders heeft regeren helemaal geen zin. Als niemand zich iets van de bevelen aantrok - wat inderdaad een opluchting zou zijn! - bleef er van de begrippen macht, regeren en dienstbaarheid niets over. Dat zou ook wat betreft de tolerantie een grote vooruitgang betekenen omdat dan in ieder geval in de praktijk het geringeloor onmogelijk zou zijn geworden. Maar zover is het nog lang niet! Indachtig het bovenstaande blijkt het dus onmogelijk de intolerantie anders dan als fundamenteel te beschouwen. Omdat menigeen met deze conclusie geen vrede zal hebben wijs ik er voor de aardigheid op dat het niet zonder grond is als atheïsten en humanisten opgetogen zijn als zij godsdienstigen ontmoeten die tolerant blijken te zijn. Zij komen dan met enthousiaste verhalen en leggen gretig uit dat 'moderne' godsdienstigen eigenlijk net zo denken als zijzelf. Ik denk dan: kennelijk hadden die atheïsten en humanisten onbewust iets anders verwacht van godsdienstigen. En dat is nu precies wat ik bedoel…!

 

Dissidente godsdienstigen

Bijna altijd wordt de zaak zo voorgesteld dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat godsdiensten aanleiding zijn tot intolerantie. Sterker nog: men wijst er met graagte op dat de godsdiensten eigenlijk buitengewoon tolerant zijn.

De geestdrijvers, de vaak moordlustige fanatici en de zogenaamde fundamentalisten zouden dan uitzonderingen zijn, minderheden die bepaalde machtsdoelen voor ogen hebben. Nu is het verwarrende dat dit inderdaad een feit is. Het zijn minderheden die doorgaans ook door de meeste leden van hun eigen godsdienst afgewezen worden. Maar dat is niet doordat zo'n godsdienst in wezen tolerant zou zijn, maar daarentegen juist doordat zo'n godsdienst allang door zijn eigen (intolerante) fundamenten heen gezakt is. Men is niet meer zo erg overtuigd van de juistheid van de godsdienstige dogma's, stellingen en theorieën. Bij alle wereldgodsdiensten zie je het verschijnsel dat de meeste leden een ernstige mate van twijfel en een zekere mate van redelijkheid en tolerantie ontwikkeld hebben. Maar die mensen zijn beslist geen afspiegeling van het wezen van hun godsdienst.Zij zijn juist de dissidenten binnen hun godsdienst en zij worden voortdurend bestraffend toegesproken! Nergens kun je dit beter waarnemen dan bij het katholicisme. Een vergelijking tussen het gedoe van de prelaten van de Roomse Kerk en dat van de gewone godsdienstigen leert dat juist die gewone mensen, die de meeste geloofswaarheden allang in de praktijk afgezworen hebben, bij voortduring terechtgewezen worden:zij zijn dissidenten, mensen die van de ware leer afwijken. Begrip voor andere godsdiensten en overtuigingen, ruimhartigheid ten aanzien van ander gedrag zijn symptomen van ontrouw aan de rechte leer. Ontmoet je dus 'aardige' godsdienstigen - en dat is in onze moderne westerse wereld meer regel dan uitzondering - dan heb je te maken met tolerantie die als dissidente godsdienstigheid getypeerd moet worden. Dus zijn niet de geestdrijvers, fanaten en fundamentalisten de uitzonderingen, maar de ruimhartige en tolerante godsdienstigen, die in belangrijke mate door hun eigen godsdienst heen gezakt zijn. De verwarring inzake het al of niet tolerant zijn is zonder twijfel ontstaan vanuit het in de moderne cultuur gebruikelijke kwantitatieve denken. Dat is een denken dat alleen maar uit de voeten kan met datgene dat in getallen, hoeveelheden en waarden uit te drukken is. Omdat er van de tolerante godsdienstigen tegenwoordig de meeste zijn wordt dat voor het kwantitatieve denken vanzelfsprekend de regel, terwijl de minderheid, die dus uit die intoleranten bestaat, als uitzondering gezien wordt. Kwantitatief gezien is dit dus juist, maar door deze eenzijdige benadering ontstaat er toch een geheel vertekend beeld: de godsdienst bevordert plotseling tolerantie ! Daar klopt natuurlijk, ook historisch gezien, niets van. Wie tolerantie bevorderen zijn de dissidente godsdienstigen...

 

Bovenstaande tekst is geschreven: door Jan Vis, filosoof.

 

Een cultuur is:

de gestolde neerslag van een bepaalde fase van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Er worden allerlei dingen vastgelegd, als norm gesteld, die tijdens die fase duidelijk zijn geworden. De neerslag van zo’n fase stolt tot cultuur.

 

Onder een ideologie versta ik: een overheersend cultuurdenkbeeld dat gebaseerd is op de voorstelling hoe de werkelijkheid zou moeten zijn.

 

Gewone mensen, zijn mensen waarbij de twijfel zijn rol blijft spelen, die zich niet beroepen op iets hogers, iets goddelijks of iets koninklijks of op hogere geestelijke vermogens die maatgevend zouden zijn.

 

 

 

Terug naar: de Startpagina

 

Pagina's zijn door mij uit het tijdschrift van De Vrije Gedachte No. 249 oktober 1994 overgenomen.   

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen, is het citeren uit  mijn werk zonder meer toegestaan. Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

website analysis
online hit counter