1995, 1996, 1997 en 1998
adam,abortus,anarchisme,atheisme,besnijdenis,bewustzijn,de
ware mens,de werkelijkheid,eenzaamheid,euthanasie,eva,evolutie van het leven,fascisme,geven
en nemen,god is liefde,het
wordingsproces,hoer,homoseksualiteit,incest,individualisme,joden,kosmische
verhoudingen,liefde,mensenrechten,nationaal
socialisme,nationaal-socialisme,n.s.b.,oercel,paradijsverhaal,prostitutie,religieuze
prostitutie,saamhorigheid,seksualiteit,veiligheid, vrouw,wereld,zelfbewustzijn.
Naar bladwijzers: Patriarchale
tirannie van de man ; Burqa De status van de Islamitische vrouw vertoont sterke
overeenkomsten met die van de… Burqa
(bedekkende kleding); doodstraf ; idealisme/recht
; geven en nemen-1
; geven en nemen-2
; geven en nemen-3
; idealisme/volwassenheid
; Verantwoordelijkheden
nrs.33 en 34 ; Zorg op Maat
; (Eigen) verantwoordelijkheid nr.87 ; Verantwoording nr.128
; Verantwoordelijkheid
nr.134 ; hoer-1
;hoer-2 ; hoer-3 ; hoer-4 ; hoer-5 ; hoer-6 ; hoer-7 ; religieuze
prostitutie ; Religieuze prostitutie-1 ; gelijkheid ; moraal ; natuurrampen ; Wetenschapsfilosofie
; Denken in begrippen(nos..27 t/m 29) ; Rechten en Plichten(nrs. 33 t/m 40) God is liefde-1 ;
God is liefde-2
; Maagd-1 nrs. 43 t/m45
; Maagd-2 ; Maagd-3 ; Betrouwbaarheid-1
; Betrouwbaarheid-2 ; Betrouwbaar ; Onbetrouwbaar ; Trouw-1
; Trouw-2 ;
Trouw-3
; Trouw-4 ; collectivistische denken ; Hamlet moest door verraad sterven. Vervreemding-1
; Vervreemding-2
; Vervreemding-3
; Vervreemding-4
en Vervreemding-5
; Concurrentie-1 ;
Concurrentie-2 ; Pilatus ; 17e eeuw ; onbehouwen barbaren ; 'kinderopvang'
; De Zonde-1 ; De Zonde-2 ; De Zonde-3 ; Paradijsverhaal ; Onverdraagzaamheid
; Onverdraagzaam-1
; Onverdraagzaam-2
; Opgevoed-1 ; Eenzijdigheid-1
; Eenzijdigheid-2
; Liberale
Democratie ; Culturele Schizofrenie
; Islamitische
Vrouwen ; Caesar
; Mensenrechten-1
; Mensenrechten-2
; Rechten van de
Mens-1 ; Rechten
van de Mens-2 ; het dragen van bedekkende kleding en een sluier
; Oude Testament
; Mannelijkheid-1
; Mannelijkheid-2(nrs.29
en30) ; Mannelijkheid-3
; Moederschap-1
; Moederschap-2
; Beleving ; Joegoslavië ; Celibaat(2)
;
Naar
artikelen: Kunnen moslims zich
invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering
no. 37, ; Abortus, de christelijke
praktijken ; Godsdienst en Geloof ; God bestaat niet ; De verdedigers van de
Godsdienst ; Evolutie of Creatie ; het zelfbeschikkingsrecht. ; Een korte schets van de
“Menselijke Seksualiteit” ; De verloedering van de
seksualiteit ; Briefwisseling -Incest ; Het toenemend belang van het
Atheďsme ; De fundamentele intolerantie van
de Godsdienst ; Bedreiging van het vrijdenken en
het atheďsme ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse
Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ; Ongewenst atheďsme- zie
afl. 32 ; Een grens te ver (Israël) ; Verbieden van de godsdienst..?-zie
afl. 21 ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie
aflevering 60 / 61 ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse
Wereld ..? zie no. 27 ; De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Is er dan toch nog een
GOD..? Hoe zit dat..? ; Individualisering ; Individualisering-Tomeloze verwarring-Collectieve
krankzinnigheid_zie nr. 12 ; Waar gaat het in de
mensheid nu wezenlijk om..? ; Een dodelijke
oorlogsverklaring aan de mens-afl.65 ; Geen GOD, wat dan..! ; Hoe zit het nou met God, Allah,
Jahweh, Religies, etc. ; Bestaat GOD toch..? ; Jodendom en het Christendom hebben een
heldere intuďtieve basis, die teruggaat tot diep in de grijze oudheid. Hoe zit
dat met de Islam..?-zie nr. 64 ; AGRESSIE
; Hoe herstel je “ HET GEZAG ” ; GEMOEDELIJKHEID/vriendelijkheid
-zie A-afl.22 , B -De Filosoof en de
Politiek en C -scroll naar
54 en 59 ; Nihilisme en Anarchisme als basis
van het Atheďsme ; Discussie over Atheďsme - zie nr. 20 ;
Moskeeën; de
Islam is met groot succes in opmars-zie afl.18 ; Proces
v/d Eeuw tegen alle
ingezetenen van Nederland..! ; Celibaat(1) - zie bladwijzers ;
Help mee om
deze site te promoten. Vertel het uw…!
(Adres
luidt: http://home.planet.nl/~rwvanes )
Terug naar: de Startpagina
De
hierna volgende paragrafen zijn de neerslag van de Goudse cursus “VROUW EN WERELD”
uit jaren de 1995, 1996, 1997 en 1998.
Uit
deze bundel mag vrijelijk geciteerd worden, maar dan wel met uitvoerige
bronvermelding.
( Doe uzelf een plezier
en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)
Een uitgave van: Jan Vis, filosoof
De Zonde-1 ; De Zonde-2 ; De Zonde-3 ; Paradijsverhaal
Er is een heel oud verhaal, dat over de gehele wereld
voorkomt en dat wij ook in onze zogenaamde bijbel aantreffen. Dat is het “Paradijsverhaal”. Daarin wordt verteld
van twee door god geschapen mensen, de vrouw Eva en de man Adam. Volgens het verhaal
was bij de schepping de gang van zaken bij beiden volkomen anders: Adam werd
door god gevormd uit een klomp aarde, de rode aarde namelijk die op de akker
aan te treffen was. Adam betekent dan ook 'de uit de aarde gevormde' en het
rode is een verwijzing naar de levenwekkende kracht van de aarde. Die kracht
wordt naar het schijnt geassocieerd met het bloed dat men al vroeg herkende als
essentieel voor het leven. Met Eva ging de schepping heel anders: zij werd
gevormd uit een onderdeel van Adam, namelijk uit een van diens ribben. Haar
naam betekent 'de levende'. Als gemaakt uit Adam is zij dus degene die
voortgekomen is uit datgene dat door de levenwekkende materie gevormd is. Aan
dat betrekkelijk simpele verhaal is het een en ander te bedenken. Dat is des te
belangwekkender omdat dit verhaal, in allerlei varianten, over vrijwel de
gehele wereld voorkomt. Hoewel gevarieerd is er toch steeds een belangrijke
overeenkomst: de volgorde van de verhaalde gebeurtenissen is steeds gelijk en
de typering van beide hoofdrolspelers ook. De vrouw komt voort uit de man, zij
staat voor het leven en de man is aards, zij het dat hij tegelijkertijd toch
ook de opwekker van het leven is. Hij wordt opgevat als het bevruchtende
principe.
2.
Het is altijd riskant een interpretatie te geven van een
oud verhaal. Het grootste risico is hier in gelegen dat men zijn eigen oordelen
ongemerkt mee laat spelen en daardoor tot foute conclusies komt. Helaas is het
vaak erg moeilijk die eigen oordelen te herkennen en als men ze herkent blijft
nog altijd over dat men ze ook nog moet doorzien om te weten of ze voor die
oude tijden geldig zijn of niet. Er waren in de oudheid vele religieuze feesten
en die gingen bijna altijd gepaard met seksuele handelingen. Als men niet oplet
worden die praktijken als vanzelf tot 'uitspattingen', tot 'orgieën' en
'hoererijen'. Dat echter zijn onze moderne waardeoordelen! Het blijkt dat het
bij die religieuze feesten ging om uitingen van een diep inzicht in de
werkelijkheid en haar wezenlijke verhoudingen. Het ineenzijn van het mannelijke
en het vrouwelijke, gesymboliseerd in de feitelijke geslachtsdaad van een man
en een vrouw, werd als de ultieme waarheid omtrent de werkelijkheid gezien en
beleefd. De bij de feesten behorende seksuele handelingen waren dus geen
manifestaties van losbandigheid en seksuele behoeften, maar van gevoelens van
eenzijn met de werkelijkheid naar haar meest essentiële betekenis. De vrouw
liet zich bij die gelegenheden gelden naar haar essentie als onvoorwaardelijke ontvankelijkheid
en de man naar zijn essentie als absolute vluchtigheid. Dat had tot gevolg dat
in de praktijk de man en de vrouw in principe onbekenden voor elkaar moesten
zijn. Het bekend-zijn werd terecht begrepen als zijnde in strijd met zowel het
onvoorwaardelijke als het absolute. Alleen deze enkele door mij genoemde zaken
geven al volop aanleiding tot ernstige misverstanden als het erom gaat de
betekenis van die oude verhalen te achterhalen.
3.
De betekenis van de oude verhalen is eigenlijk niet terug
te vinden door kennis omtrent oude tijden te verwerven. Dat wil zeggen: die
kennis komt wel goed van pas, maar alleen dan als men aan de weet is gekomen
wat er naar waarheid voor de werkelijkheid geldt. Benadert men de zaak louter
analytisch, dan blijven de achterhaalde begrippen onvermijdelijk een slag in de
lucht, hetgeen blijkt uit het feit dat de een er deze betekenis aan geeft en de
ander vaak een volkomen tegengestelde. Doorgaans is een veelheid aan
interpretaties mogelijk zodat men genoodzaakt is aan die interpretatie de
voorkeur te geven die door de meeste geleerden ondersteund wordt. Dat is
natuurlijk geen enkele garantie voor de waarheid ervan! Zo'n garantie is alleen
maar mogelijk als men begrepen heeft wat de betekenis van de culturen van de oudheid
is, en dat kan alleen maar als men de positie van de mens in het geheel van de
werkelijkheid achterhaald heeft. Het doordenken van deze positie is bijna
uitsluitend het verhaal van de vrouw en de man. Een nieuw verhaal dus over Eva
en Adam.
4.
De moderne oordelen, die eigenlijk al vanaf de tijd der
Romeinen in zwang zijn, geven als uitkomst dat Eva ondergeschikt is aan Adam
omdat zij uit hem afgeleid is. Volgens die oordelen is de man het ultieme
principe met als toegift de vrouw die er is ter wille van hem. Op zichzelf is
zij dus hoegenaamd niets, zij kan slechts vanuit de man gedefinieerd worden.
Die opvatting is dermate diep ingevreten dat zelfs menig feministisch geschrift
niets anders is dan een vertwijfelde poging dat noodlot te doorbreken door aan
de vrouw een nieuwe, maar nog steeds van de man afgeleide, rol toe te kennen.
Ook het vaak heftige verzet tegen de man en zijn wereld is meer een bevestiging
van de ondergeschikte positie van de vrouw dan een poging de werkelijke
verhoudingen boven water te krijgen. Het is overigens een feit dat dit laatste
alleen maar dan gelukt als men een waarachtig inzicht in de werkelijkheid heeft
verworven. Als dat niet het geval is kan de vrouw nimmer als iets anders gezien
worden dan als een door de man veroorzaakte aangelegenheid en dat houdt
onmiddellijk in dat zij geheel van hem afhankelijk is. Gelukkig voor de vrouwen
en de gehele mensheid liggen de verhoudingen volstrekt anders!
5.
Welbeschouwd vertelt het 'paradijsverhaal' heel nauwkeurig hoe de verhoudingen werkelijk
liggen. Er is daar de aarde en die staat vanzelfsprekend voor de materie. Dan
is daar ook nog de toevoeging dat het om rode aarde gaat hetgeen, zoals gezegd,
verwijst naar het vermogen om tot leven te wekken. Tot zover is er eigenlijk
niets aan de hand, het gaat gewoon over het proces van de wording der dingen
tot en met de levende dingen. Dat proces loopt uit in de mens als man, Adam
dus. Deze Adam is volslagen onschuldig. Hij weet letterlijk nog van niets. Dat
betekent natuurlijk ook dat hij onbekend is met de begrippen goed en kwaad.
Hij is de kosmos naar zijn materiële aspect, in staat weliswaar tot het
verwekken van leven, maar in feite toch eenvoudig materieel. Nu komt daar Eva,
de levende, voor de dag. Het is volgens mij niet moeilijk te begrijpen dat zij
uit de materiële kosmos opkomt. Zij kan dus niet anders dan een vervolg zijn op
Adam. Zij moet wel gevormd zijn uit het materiaal waaruit Adam bestaat, want
zij is ten opzichte van hem de volgende.
In het wordingsproces is het volgende, als datgene dat
uit het vorige ontstond, nimmer de ondergeschikte van de vorige. Integendeel,
het volgende gaat een stapje verder, is inniger van structuur en verfijnder van
functionaliteit. In feite is Eva de werkelijk voltooide mens, voortgekomen als
zij is uit de ultieme levenwekkende materie en geworteld in een kosmische
situatie die noch met de materiële, noch met de niet-materiële werkelijkheid
van doen heeft. Zij is, anders gezegd, inderdaad het vrijzwevende verschijnsel,
zoals dat aan het absolute einde van het wordingsproces verwacht kan en moet
worden. Aanvankelijk is ook deze Eva onschuldig, maar zij verbergt in zichzelf
de mogelijkheid om tot kennis te komen en dus is zij als het ware een tijdbom
die vroeg of laat af moet gaan en die daarmee in feite een hele
verschijnselenwereld opblaast…
6.
Het zogenaamde paradijsverhaal
tekent glashelder de wezenlijke verhoudingen. Eva komt na Adam en gaat hem dus
voorbij. Van ondergeschiktheid aan Adam is beslist geen sprake, en dat is door de
toenmalige mensen goed ingezien. Maar er is nog veel meer! Er wordt namelijk
verteld dat het Eva is die de man ertoe aanzet van de appel te eten en daarmee
kennis te verwerven. Theologen komen in dit verband steevast met de mededeling
dat het ging om goed en kwaad, maar dat is weer typisch iets voor
theologen die de mensen een eeuwigdurend schuldcomplex willen aanpraten,
teneinde ze goed te laten voelen dat zij aan een hogere macht onderworpen
moeten zijn. Maar, het gaat helemaal niet om goed en kwaad. Het gaat om
kennis. Dat die inderdaad onvermijdelijk leidt tot moraliseren en dus tot het
geven van waardeoordelen moet toegegeven worden, maar de essentie van de zaak
is het onderscheiden tussen het een en het ander. Met andere woorden: het
moment van het eten van de verboden appel is het eerste waarlijk menselijke
moment. Plots wordt de mens zelfbewust. Hij gaat er noodzakelijkerwijs
onmiddellijk toe over de voorhanden wereld te hervormen tot een voor hem zo
veilig mogelijke plaats om te leven. Dat is de arbeid die voortaan “in het
zweet zijns aanschijns” verricht zal moeten worden!
Eveneens drong het nu tot de mensen door dat zij 'naakt'
waren. Er zou in dit verband sprake zijn van 'schaamte', maar dat is slechts
een de godsdienst welgevallige interpretatie van het nuchtere gegeven dat de
mens van nature geen enkele voorziening heeft om zo zonder meer te overleven.
De mens moet voorzieningen treffen want zonder dat is hij volstrekt hulpeloos
omdat hij op niets toegerust is.
7.
Een ieder heeft evenveel recht om oude verhalen zoals het
paradijsverhaal te
interpreteren. Dat recht is beslist niet uitsluitend aan de geleerden
voorbehouden. Het is altijd een terugblik en die ontleent meer betrouwbaarheid
aan inzicht in de menselijke situatie dan aan feitenkennis. Het verwerven van
dat inzicht is een filosofische kwestie, een zaak dus van zien en nadenken
zonder daarbij argumenten te ontlenen aan de, onvermijdelijk voorlopige,
wetenschappelijke kennis en vooral ook zonder hedendaagse Holistische en
New-Ageachtige mystieke, inconsistente en fantastische veronderstellingen. Het
kenmerkende van filosofisch nadenken is dat de beschikbare wetenschappelijke
kennis nimmer gebruikt wordt als argument om een gedachte te staven, maar wel
noodzakelijk aanwezig moet zijn om als uitgangspunt en tevens referentiekader
te dienen voor het nadenken over de werkelijkheid, teneinde een antwoord te
vinden op de vraag “hoe zit het met de werkelijkheid”?
Hierbij moet overigens aangetekend worden dat het merendeel
van de moderne filosofen wel degelijk steunt op wetenschappelijke kennis en
daaraan voor hen bevredigende bewijskracht ontleent. Geen wonder dat de moderne
filosofie moeilijk, weinig toegankelijk en uitermate specialistisch is.
Bovendien is zij innerlijk buitengewoon onzeker, zelfs wel 'kopschuw' wat de
waarheid betreft!
8.
Als je nagaat hoe het zit met de werkelijkheid, dan
blijkt onmiskenbaar dat de mens het laatste verschijnsel is. Bekijk je
vervolgens die mens en constateer je dat deze zich vertoont naar een tweetal
aspecten, dan ligt de ontdekking vlakbij dat de vrouw de allerlaatste
mogelijkheid is. Verder denkbaar dan datgene dat aan de mens als vrouw bedacht
kan worden is er niets. Zonder overdrijving kan van haar gezegd worden dat zij
'alles te boven gaat’. Vervang je de term 'alles' door de term 'de ultieme
werkelijkheid der dingen' en dus de mens als man, dan kom je onafwendbaar tot
de, voor de mannen pijnlijke, conclusie dat de vrouw boven hen uitgaat en dat
zij hen in de grond van de zaak een kinderachtig geval vindt. Het is
interessant op te merken dat het totaalbeeld van de geschiedenis der mensheid
een gruwelijke opeenvolging van levensgevaarlijke flauwiteiten en
kinderachtigheden van de zijde der mannen vertoont, gepaard gaande met een
uitgesproken afzijdigheid van de vrouwen, niet doordat dezen niets te vertellen
hadden - wat overigens wel een feit was en is - maar doordat in wezen die
mannelijke 'dingenwereld' veel te min voor hen was.
9.
In het ons uit de bijbel bekende paradijsverhaal komt de man voor als een soort van ondergrond voor
de uiteindelijke mens, de vrouw. Voor deze situatie van de man ten opzichte van
de vrouw heeft men in de westerse cultuur en de daarbij behorende godsdiensten
nauwelijks enig begrip gehad. De westerse wereld, te beginnen met de toenmalige
Romeinen en hun opvolgers, de Roomse bisschoppen, heeft voortdurend de man en
diens noodlot naar voren gehaald, maar heeft tegelijkertijd nooit veel aandacht
aan de vrouw in het verhaal besteed, of het moest negatieve aandacht zijn. Zij
verleidde immers de man die van zich uit een en al onschuld was! En zij was het
ook die zich met de verraderlijke slang inliet. Al met al niet veel fraais! Zij
heeft veel onheil over de mensheid afgeroepen volgens de christelijke godsdiensten,
die er maar geen genoeg van konden krijgen haar van alles de schuld te geven.
Behalve deze negatieve aandacht, die tot op de dag van vandaag doorwerkt in de
vorm van een min of meer openlijk herkenbare bevoogding, is er in de westerse
cultuur weinig goeds over de vrouw te vinden. Dat was in de oudheid wel anders!
10.
Er zijn ons uit de oudheid heel wat verhalen overgeleverd
waarin niet, net als in het paradijsverhaal,
de man als voorloper van de vrouw ten tonele gevoerd wordt, maar waarin het uitsluitend
om de vrouw gaat. Althans, zij is de enige waarvan gerept wordt. Ik denk nu aan
de bekende Magna Mater, de grote alles-omvattende Moeder, de Oermoeder. Deze
Oermoeder stond model voor de gehele werkelijkheid, zonder dat er ook maar iets
was dat daarbuiten gesloten werd. Er stond dus ook geen godheid buiten haar die
als schepper van het heelal vereerd moest worden. Zo er al van een dergelijke
figuur sprake was moest ook deze binnen het geheel van de werkelijkheid als
Magna Mater geplaatst worden. Het beeld van de Oermoeder komt misschien nog
vaker voor dan dat van de een of andere Eva uit de paradijsverhalen. Dat zou te
begrijpen zijn omdat het natuurlijk deze Oermoeder was die als het absolute
allesvoortbrengende principe van de werkelijkheid fungeerde. Als zodanig
verschilt zij van Eva uit het paradijsverhaal.
Deze laatste wordt als eindpunt en apotheose van het wordingsproces gezien,
maar de Oermoeder is degene die alles voortgebracht heeft, ook en niet in het
minst het wordingsproces. Als inhoud van deze Oermoeder is daar de gehele
kosmos met alles er op en er aan. Logisch dat er in dit verband niet van de een
of andere man gesproken wordt, hoewel hij wel gaandeweg meer aandacht kreeg als
vertegenwoordiger van het totaal aan kosmische verschijnselen. Maar ook dan
staat hij volstrekt los van het Oermoederlijke voortbrengen van de dingen: men
liet in de oudheid de Oermoeder zeggen dat zij 'uit zichzelf ' voortbrengt en
dat daartoe 'niemand haar hemd opgelicht heeft'.
11.
Onze Eva is ook niet zonder inhoud!
Volgens het verhaal laat zij zich verleiden door de slang
en dat betekent in feite dat deze slang haar inhoud is. Dit nu is een door en
door mannelijk beeld, want de slang staat voor de werkelijkheid als intellect
en deze werkelijkheid werd gezien als de essentie van de werkelijkheid als man.
Het zich door de slang laten verleiden verwijst dus naar het feit dat de vrouw
op een zeker moment laat gelden dat zij de mannelijke wereld van het intellect
in zich omsluit. Het aan de man doorgeven van de appel heeft dan deze betekenis
dat zij hem herkent en erkent als de vertegenwoordiger van de werkelijkheid als
intellect, en dus tegelijkertijd als vertegenwoordiger van de menselijke
werkelijkheid als kennis.
Het betekent echter in geen geval dat de man, in tegenstelling
tot de vrouw, met intellect behept zou zijn en de enige met kennis van zaken,
zoals menig 'geestelijk' ingesteld man de vrouwen heeft willen wijsmaken. De
man vertegenwoordigt de kennis en het intellect, maar degene die beide
vanzelfsprekend en onvoorwaardelijk 'bezit' is toch nog altijd de vrouw…
12.
De Oermoeder is niet alleen de voortbrengster van al het
bestaande, maar zij is ook nog de draagster van het universele geheim. Er is
een menigte oude verhalen over het ‘vrouwengeheim' en de nimmer aflatende
pogingen van mannen de vrouwen dat geheim te ontfutselen. Die mannen waren er
stellig van overtuigd dat de alles
overheersende macht van de vrouwen gebroken zou worden als men het geheim in
bezit had weten te krijgen. Tot op de dag van vandaag schijnen er hier en daar
bepaalde rituelen uitgevoerd te worden die onmiskenbaar teruggrijpen op de oude
strijd van de mannen tegen de geheimzinnige vrouwen. Het is bepaald niet
onmogelijk dat de thans ook nog veelvuldig in zwang zijnde vrouwenbesnijdenis
te maken heeft met het geheim. Uiteraard zijn het steeds de mannen die van de
zaak een probleem maken en, als zij de kans krijgen, de meest schunnige
praktijken instellen en doordrijven. Het geheim dat de Oermoeder bij zich
draagt ligt voor oud besef verborgen in de baarmoeder. Dat heeft niet alleen te
maken met het baren van kinderen, maar, universeel gezien, vooral ook met de
veelheid aan verschijnselen die de kosmos telt en die allemaal uit die grote
baarmoeder zijn voortgekomen. Bovendien zijn al die verschijnselen ook nog in
geheimzinnigheid gehuld doordat zij, binnen het omsluitende geheel van de
baarmoeder, zich niet van elkaar onderscheiden. Je kunt zeggen dat de
verschijnselenwereld binnen het vrouwelijke naamloos aanwezig is. Het is nu
juist deze bijzonderheid die voor de ontwakende mannen onverdraaglijk is. Zij
zijn er immers op uit de zaak uit te zoeken omdat zij vertegenwoordigers zijn
van het intellect en de kennis. Het geheim moet dus ontsluierd worden. Dat is
een verheven en hoge roeping - in de praktijk vanzelfsprekend een vrijbrief
voor de meest morbide opvattingen, rituelen en wreedheden…
13.
Uit de oudheid zijn ons dus twee verbeeldingen van de
werkelijkheid als vrouwelijke zaak overgeleverd: als stellig oudste is daar het
beeld van de Oermoeder en daarop volgend dat van Eva, althans de paradijselijke
vrouw die zich naar haar inhoud, namelijk het intellect en dus de man, gaat
laten gelden. Is de Oermoeder geheel en al zonder de mens als man verbeeld, in
Eva wordt een eerste en wezenlijke poging gedaan uitdrukking te geven aan de
grondverhoudingen tussen de vrouw en de man en alle begrippen die daarbij
behoren. Voor de oermoeder is de man er helemaal niet, noch buiten haar als de
goddelijke bevruchter die later de schepper van hemel en aarde zou worden, noch
binnen haar vanwege het feit dat de man volstrekt naamloos en ten eeuwigen dage
niet-identificeerbaar is. Maar de man naast Eva vertoont al enigszins een
gezicht, zij het uitsluitend als intellectuele vertegenwoordiger van Eva. In de
Farao's van Egypte herkennen wij iets van de figuur van Adam. Ook de Farao werd
met nadruk gesteld als vertegenwoordiger van de echte werkelijkheid, de
vrouwelijke. Al zijn macht had hij namens haar en slechts uit de omstandigheid
dat zij als zijn zuster voorgesteld werd blijkt dat er tussen beiden
verwantschap bestond. Dat echter was geen 'horizontale' verwantschap zoals
tussen moderne broers en zusters gebruikelijk is, en het was ook geen 'patriarchale'
zoals die tot op heden vaak voorkomt en waarbij de broer boven de zuster
gesteld is, neen, het was een 'matriarchale' waarbij de zuster niet alleen
boven de broer uitging maar vooral ook als het omvattende principe gold. Hier
stuiten wij dus op de oudste versie, namelijk die van de Magna Mater, de
Oermoeder.
Mannelijkheid-1
; Mannelijkheid-2(nrs.29
en30) ; Mannelijkheid-3
;
In het Oude Testament van de Bijbel wordt verteld hoe de
stad Jericho door de Joden veroverd werd. Of eigenlijk door God, maar dat is
niets bijzonders want voor gelovige mensen is alles wat in hun voordeel is door
God geregeld. Volgens het boek Jozua, hoofdstuk 6, trokken de Joden iedere dag
om de muren van de stad heen en bliezen daarbij op hun hoorns. Dat deden zij
zes dagen lang, maar op de zevende dag trokken zij wel zeven maal om de stad
heen, almaar begeleid door de hoorns. Het volk moest op een zeker moment gaan
juichen en inderdaad, de muren van de stad stortten in en het grote branden,
moorden en plunderen kon beginnen. Op zichzelf is dit een oninteressant
verhaal. Het Oude Testament wemelt van dergelijke bloeddorstige, met enige
trots en graagte opgediste gebeurtenissen. Maar, in het licht van de
controverse tussen de mannelijke wereld en de vrouwelijke is er toch wel iets
aan de zaak te bedenken. De ommuurde stad Jericho heeft een vrouwelijke
betekenis. Je moet hier namelijk aan het omvattende denken en de rol die een
bepaalde hoer in de zaak speelt ligt in het verlengde daarvan. Het is een
onmiskenbare verwijzing naar de vrouwelijke ontvankelijkheid. Op mannelijke
wijze was Jericho niet in te nemen, dat wil zeggen dat het niet mogelijk was
het vrouwelijke te verkrachten, zoals bij het mannelijke denken in de rede
ligt. De verkrachting is uiteraard het gewelddadige binnendringen in het
vrouwelijke en de vrouw. Maar in een vrouwelijke cultuur kun je niet
gewelddadig in het vrouwelijke binnendringen omdat je geacht wordt reeds inhoud
van het vrouwelijke te zijn. Je agressie slaat dus letterlijk nergens op. Als
het vrouwelijke vernietigd moet worden moet je haar omvattende principe teniet
doen en dat is het beeld van de instortende muren. En je doet het teniet door
almaar met je mannelijkheid te
dreigen: het blazen op de hoorn, die een ramshoorn was.
Men zou kunnen menen dat het bovenstaande er met de haren
bijgesleept is en in zekere zin is dat ook het geval. Maar toch zijn er uit de
oudheid meer verhalen overgewaaid die een dergelijke strekking en inhoud
hebben. Los daarvan echter zijn die verhalen in ieder geval goede illustraties
bij de worsteling tussen het vrouwelijke en het mannelijke zoals die zich ook
historisch nawijsbaar afgespeeld heeft.
Mannelijkheid-1
; Mannelijkheid-2(nrs.29
en30) ; Mannelijkheid-3
;
15
De mensen van de oudheid dachten in beelden Dat leidde er
menigmaal toe dat men van concrete gebeurtenissen een soort van 'beeldverhaal' maakte,
dus een verhaal met een diepere, min of meer verborgen, betekenis. En die
betekenis betrof dan een verhouding in de werkelijkheid die men zichzelf en
anderen duidelijk wilde maken. Zo is het verhaal van het beleg en de val van
Troje zoals wij dat dankzij Homeros nu nog kennen stellig zo'n beeldverhaal.
Maar historici en archeologen hebben inmiddels al wel aannemelijk gemaakt dat
er destijds inderdaad om Troje gevochten is. Zo ook Jericho. Niet alleen dat er
nu nog zoiets als Jericho bestaat, maar ook hier heeft onderzoek van de
geschiedenis uitgewezen dat er vroeger gevochten is en dat de stad zelfs
meerdere malen verwoest is Nu staan wij voor een vraag! Als namelijk de mensen
van toen van de gebeurtenis een verbeelding maakten, deden zij dat dan geheel
en al achteraf en betrekkelijk willekeurig, of hadden de gebeurtenissen
destijds meteen al een bepaalde betekenis. Dus: was het beleg en de val van
Jericho, hoe zich dat ook feitelijk heeft afgespeeld, ook toen al, min of meer
bewust en bij enkele heldere koppen, een zaak van vernietiging van de
vrouwelijke wereld? Is het denkbaar en mogelijk dat mensen op het moment zelve
helder voor ogen staat wat zich werkelijk afspeelt, als het ware onder de
oppervlakte van de alledaagse dingen. Wisten de Grieken, of enkele Grieken, dat
zij met de aanval op Troje wezenlijk een vrouwelijke cultuur wilden
vernietigen? En wisten de Joden dat ten aanzien van Jericho?
16.
Het is voor westerse mensen, als zij al over kwesties van
betekenis en symbool nadenken, ondoenlijk zich voor te stellen dat mensen echt
weten waarmee zij op een bepaald moment bezig zijn. Dat westerse mensen zich
dat niet kunnen voorstellen is logisch en dus te begrijpen. Zij hebben volkomen
gelijk als zij staande houden dat niemand in staat is de 'drijfveren' van zijn
eigen tijd te kennen. Net zo goed als zij gelijk hebben met te beweren dat
niemand de kunst van zijn eigen tijd kan beoordelen. Maar, zij hebben niet echt
gelijk: hun gelijk geldt uitsluitend vanuit de moderne westerse optiek die
wezenlijk alleen maar betrekking heeft op de werkelijkheid als voorstelling en
het onderzoeken daarvan. Die voorstelling is altijd maar een momentopname van
een buitenkant en nimmer een afspiegeling van wat er werkelijk gaande is. Op
grond hiervan is het de westerse mens in principe niet gegeven inzicht te
hebben in de werkelijkheid. Hij komt slechts tot uiteenleggen daarvan. Op
zichzelf is dat redelijk, maar het is tegelijkertijd eenzijdig en dus
bedrieglijk. Bovendien kan een uiteen gelegde zaak nooit inzicht geven in die
zaak zelf. Pas na verloop van tijd, als de maatgevende voorstellingen enigszins
diffuus geworden zijn, ontstaat er een mogelijkheid voor de westerse
cultuurmens om min of meer helder zicht te krijgen op de 'drijfveren' van de
mensen uit het verleden. Maar dan nog leert de ervaring dat bepaalde
verhoudingen, zoals bijvoorbeeld die van een vrouwelijke wereld, slechts bij
hoge uitzondering gezien worden. En als zij gezien of bevroed worden is het
doorgaans ook nog zo dat men er niets van moet hebben. Men waardeert de zaak
als iets negatiefs.
17.
De mens van de oudheid was zich wel degelijk bewust van
de werkelijke 'drijfveren' van het leven. Natuurlijk wisten de meeste mensen
ook in de oudheid niet te vertellen waarom het allemaal ging, maar deze betrekkelijke
onwetendheid stond het beleven van die 'drijfveren' en wat daarmee samenhing
niet in de weg. Zo beleefden de mensen uit het oude Athene de godin Afrodite
werkelijk als de aan alles ten grondslag liggende liefde, oftewel de
werkelijkheid als volkomen ineenzijn. En zij waren in staat om, zonder ook maar
in de geringste mate 'kunstkenner' te zijn, de schoonheid te ondergaan van
bijvoorbeeld de beelden van Phidias. Dit 'ondergaan' houdt tevens en
onvermijdelijk in dat men de zaak ook kon beoordelen, niet zozeer naar zijn
technische kwaliteiten alswel naar zijn schoonheid. En daarom gaat het
uiteindelijk! Het vermogen om zijn eigen tijd reëel te beleven en te beoordelen
is geworteld in de werkelijkheid als beeld. Het zien daarvan en het stellen van
vertrouwen daarin leidt onmiddellijk tot het herkennen en vervolgens verbeelden
van de wezenlijke verhoudingen. De verhalen over Troje, Jericho en vele andere
zijn, naast historische gebeurtenissen, in de eerste plaats verhalen over de
wezenlijke woelingen in de menselijke werkelijkheid, in dit geval de strijd
tussen een zich hevig verzettende ondergaande vrouwelijke wereld en een almaar
sterker opdringende mannelijke wereld. Een strijd die omstreeks het begin van
onze jaartelling definitief door de mannen en het mannelijke gewonnen werd.
Daarmee kwam er ook een waas over de waarheid te liggen doordat de
werkelijkheid als beeld overschaduwd ging worden door de harde en schrille
voorstelling…
18. Patriarchale
tirannie van de man zie ook: Burqa
Het vrouwelijke werd na haar uiteindelijke nederlaag
teruggedrongen naar haar meest elementaire positie: het huis en het
voortbestaan. Bij de oude Grieken vind je dat en tegenwoordig ook nog bij de
mensen van de Islam. De vrouw is de 'huisvrouw' en in die functie heerst zij
onvoorwaardelijk over het huiselijke leven. Alles en iedereen vindt in haar
zijn rustpunt, onbesmet door de wereld en zonder de eeuwige strijd die het
bestaan kenmerkt. Dat was bij de Grieken zo en dat is nog steeds het geval in
de Islam. Maar uiteraard heeft dat bij de Grieken geen stand gehouden, terwijl
het bij de Islamieten langzaamaan verworden is tot een eenzijdige patriarchale
tirannie van de man. Veel is er niet overgebleven van het oude besef van de
door de vrouw vertegenwoordigde ultieme verhoudingen van de werkelijkheid. Maar
intussen is het toch een feit dat de waardering voor de vrouw in de Islam wel
degelijk levend is gebleven, zij het dan binnen de benauwde context van een
puur mannelijke godsdienst. Die benauwdheid treedt aan het daglicht bij het
verbod om met de buitenwereld contact te hebben, bij het verbod om andere
mannen te woord te staan en dergelijke. Ook het voorschrift om gesluierd te gaan
komt hieruit voort: de vrouw als huisvrouw is te rein om door de buitenwereld
aanschouwd te worden. Dat zou haar bezoedelen. De patriarchale waardering voor
de vrouw en haar wereld is beslist niet meer dan wat het in feite is:
mannelijke tirannie met een diepe ondertoon van ernstige jaloezie ten aanzien
van het 'vrouwengeheim' en tegelijkertijd een vage herinnering aan het oerbesef
omtrent de Magna Mater.
19.
De patriarchale
waardering voor de vrouw, zoals die onder andere bij de
oude Grieken en de Islamieten aangetroffen wordt, is in de praktijk
buitengewoon dubbelhartig. Wordt de vrouw als huisvrouw op een bepaalde manier
gerespecteerd, de vrouw die deze status niet heeft is in feite niets anders dan
een hoer waarmee je naar eigen
goeddunken kunt handelen. In ieder geval dient zij het vermaak van de man en
dat kan, zoals bij de oude Grieken, een intellectueel plezier zijn en het kan,
zoals in de Islamitische cultuur een erotisch plezier zijn. Op het vlak van het
vermaak en het genoegen wordt de vrouw als een gelijke beschouwd, dat wil
zeggen: een gelijke om je mee te vermaken en beslist niet een gelijke qua
menselijke status. Een dergelijke 'gelijke' mag nimmer het slachtoffer van het
vermaak worden en dus zijn bijvoorbeeld verkrachtingen
volstrekt uit den boze.
patriarchale tirannie van de man zie ook: Burqa
20.
Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
Inderdaad is er, in de eeuwen rond het begin van onze
jaartelling, strijd gevoerd tussen de opkomende patriarchale wereld en
de verzinkende matriarchale. Zoals gezegd is die strijd een veel zelfbewuster
zaak geweest dan gewoonlijk het geval is wanneer een nieuwe cultuur een oude
verdringt. Doorgaans heeft zo'n verdringing plaats binnen een groter
cultuurpatroon. De opeenvolgende aspecten van de culturen van de oudheid
bijvoorbeeld zullen wel eens met elkaar in strijd verwikkeld zijn geweest, maar
het ging daarbij om alledaagse zaken, zoals het gebruik van de grond, de
heerschappij over handelsroutes en nog meer van dat soort problemen. Maar aan
alles lag toch de matriarchale kijk op de wereld ten grondslag. Binnen dat
besef waren de opeenvolgende verhoudingen in concurrentie, maar dat het
eigenlijke cultuurthema de 'moederlijke' werkelijkheid was bleef een
uitgemaakte zaak die niet aangetast werd. Zo wordt in onze cultuur de
wetenschappelijkheid, ondanks de vele meningsverschillen en onenigheden, niet
aangetast, waar in dit geval ook nog bij komt dat van dit al of niet
'aantasten' nauwelijks iets geweten wordt. Dat lag dus in de oudheid anders
zodat de onaantastbaarheid ervan een meer zelfbewuste zaak was. Maar in beide
gevallen staat het wezenlijke cultuurthema, namelijk in de oudheid de
vrouwelijke werkelijkheid en in de nieuwe tijd de mannelijke werkelijkheid,
niet ter discussie. In de overgangsperiode echter, zo omstreeks het begin van
onze jaartelling, ging het nadrukkelijk om die beide wezenlijke aspecten van de
levende, menselijke, werkelijkheid. En in dat geval wisten de betrokkenen wel
degelijk wat er echt aan de hand was: de vrouwelijke wereld moest vernietigd
worden ten gunste van de mannelijke. Het ineenzijn moest vervangen worden door
het concrete uiteenzijn. De analyse moest in de plaats komen van het
onmiddellijke zien.
De Romein staat voor de mens als beginnend verzamelaar.
Bij hem heeft het mannelijke overwonnen en is de analyse definitief
doorgebroken. Daarmee vervalt het begrip waarheid in de zin van onmiddellijk en
helder zien van een onmiskenbare werkelijkheid. Een zien hoe de werkelijkheid
is. Dat wordt onder andere getekend in de figuur van Pontius Pilatus die
in de ware mens
geen schuld vindt, maar die zich tegelijkertijd afvraagt wat nu eigenlijk
waarheid is. Hij vraagt niet hoe die er uitziet, maar hij kan helemaal niet
begrijpen dat er een waarheid is: voor hem zijn er vele waarheden en wie zal
zeggen welke de juiste is? Dat is typisch het begin van de westerse wereld.
Volgens de in die wereld tot wasdom komende cultuur zijn er net zoveel
waarheden als er mensen zijn. Dat kan inderdaad niet anders en het is dan ook
in een bepaald opzicht volkomen terecht. Het gaat nu namelijk over de
werkelijkheid als voorstelling en die bevindt zich in en hoort thuis bij de
individuele mens. En inderdaad kun je je dan afvragen wiens voorstelling de
juiste is en in ieder geval begin je dan met te stellen dat 'niemand de
waarheid in pacht heeft'. Het is trouwens helemaal niet na te gaan wie de
waarheid kent en als dat bij iemand het geval zou zijn zou zelfs hij niet weten
dat hij de waarheid in de gaten heeft. Van de voorstelling is te zeggen dat hij
bij iedereen min of meer juist is, hetgeen uiteraard ook inhoudt dat hij bij
iedereen min of meer onjuist genoemd moet worden. Dit onafscheidelijk samengaan
van juist en onjuist, van de halfvolle fles die onmiddellijk ook halfleeg is,
leidt tot een onvoorstelbare en geleidelijk toenemende verwarring bij de zich
ontwikkelende moderne mens. En dat begint al duidelijk bij de Romeinen. Voor
hen is er een verzameling van juiste en onjuiste 'waarheden' in plaats van een
geheel dat een onmiskenbare en onbetwijfelbare waarheid is, zoals dat in de
oudheid het geval was.
22.
Het begrip wet is typerend voor de oudheid, althans
voorzover het gaat over beschavingen die in het licht van het vrouwelijke
staan. De wet heeft een voorschrijvend karakter, zij zegt hoe het is en hoe het
moet. Discussie is wezenlijk uitgesloten. Het is niet moeilijk te begrijpen dat
deze zaak gestoeld is op het herkennen en erkennen van een enkele waarheid die,
zonder een theorie of redenering nodig te hebben, onmiskenbaar waar is. Die
waarheid is zoals die is en onder geen voorwaarde kan die waarheid anders zijn.
En naast die waarheid bestaat er volstrekt niets. Het is bovendien een waarheid
die niet verworven of aangeleerd kan worden, de enige mogelijkheid is dat zij
je door iemand aangewezen wordt, opdat je haar herkennen en erkennen kunt. En
van enkele, door het goddelijke aangeraakte, personen wordt verwacht dat zij
die onmiskenbare enkelvoudige waarheid kennen en op grond daarvan weten wat
goed is en wat kwaad. Dergelijke hoogverheven mensen staan symbool voor de
waarheid en dus in feite ook voor de werkelijkheid als bewustzijn, zoals die in
een vrouwelijke wereld dominant is. Op grond van het enkelvoudige karakter van
de waarheid is er binnen een bepaald cultuurgebied ook maar een zo'n
hoogverhevene mogelijk, het is de absolute vorst die geheel vanuit zichzelf en
zonder de verplichting verantwoording af te moeten leggen de dienst uitmaakt.
Als symbool voor de waarheid vaardigt hij wetten uit, wetten die er zijn namens
die ene waarheid en die dus eigenlijk berusten op het zien van de werkelijkheid
als beeld, die afspiegeling is van het bewustzijn. Dat is de essentie van de
wetten van de oudheid. Zij schrijven voor hoe de realiteit zijn moet en zij
spreken een oordeel uit over alles wat daarvan afwijkt.
23.
De vorsten van de oudheid staan in verbinding met het
goddelijke, wat in feite de culturele voorstelling van de mensen over de
werkelijkheid als bewustzijn is. Van dat goddelijke kwam in de praktijk
natuurlijk niet veel terecht, behalve dan dat het voor de betreffende vorsten
een gewaardeerde vrijbrief was om zonder mededogen de eigen tirannie door te
zetten. Dat werd natuurlijk nog duidelijker manifest naarmate de tijd verstreek
en de intellectuele inhoud van het denken van de oudheid vervaagde. Nog in de wereld
van vandaag kun je restanten van die oude toestanden aantreffen bij de nog
heersende vorsten. Ook al hebben die doorgaans nog maar weinig feitelijke
macht, zij beroepen zich nog steeds op hun goddelijke status en de daaruit
voortvloeiende morele superioriteit. Meer dan een beroep is het natuurlijk
niet. De hele zaak is verworden tot een dun laagje vernis dat met veel
ceremonieel vertoon onderhouden moet worden. Maar intussen is toch te
constateren dat ook de moderne mensheid nog steeds niet boven de zaak
uitgegroeid is, enerzijds doordat men geen inzicht heeft in de oorspronkelijke
zienswijzen uit de oudheid en anderzijds doordat men nog geen afscheid kan
nemen van het heerlijke denkbeeld absolute macht te bezitten- al was het maar
in naam.
24.
Met de Romeinen komt het recht opzetten. Het besef dat er
slechts een onmiskenbare waarheid zou bestaan is vrijwel tot op het nulpunt
vervaagd, samen met de toenemende ongevoeligheid voor de vrouwelijke
werkelijkheid van het bewustzijn en dus ook voor het onmiddellijke zien van het
beeld. Voorzover er nog een waarheid is kan het geen andere dan een
persoonlijke zijn, uiteraard berustend, niet op het beeld, maar op de
voorstelling. Daarmee kun je er niet omheen dat de vraag wat 'de' waarheid is niet langer gesteld
kan worden omdat een ieder zijn of haar eigen waarheid heeft. Dat is in feite
de persoonlijke overtuiging er een juiste voorstelling van de werkelijkheid op
na te houden. Zoveel hoofden, zoveel waarheden en het is niet mogelijk uit te
maken of er onder al die waarheden misschien een echte te vinden is. Trouwens,
het bestaan van een echte is logischerwijs uitgesloten omdat ieders
voorstelling van de werkelijkheid onvermijdelijk een onvolmaakte moet zijn. Nu
het voortaan over een verzameling van waarheden gaat zijn er ook alternatieven
mogelijk: naast de ene waarheid staat gegarandeerd ook nog een andere. En ook
moet er geredeneerd worden, want je moet er achter komen welke waarheid te
verkiezen is boven een andere, zonder dat de uitverkoren waarheid op tirannieke
wijze de andere gaat verbieden en vervolgen - als het goed is! Temidden van al
die alternatieven is het nu de opgave zoveel als mogelijk iedere variatie tot
zijn recht te laten komen en, zoals het woord al zegt: hier krijgen wij te doen
met het recht. Het recht is in feite niets anders dan het regelen van de
onderlinge betrekkingen, volgens sommigen aan de hand van de wet, maar dat is
volstrekt fout. Het recht is een fundamenteel autonome aangelegenheid waarin
alleen maar de persoonlijke voorstellingen, waarheden, van de mensen de maat
zijn. Werd de wet vroeger bepaald door het zien van de werkelijkheid als beeld
door een uitverkoren vorstelijk persoon, vanaf het optreden van de Romeinen
zijn de wetten onderworpen aan het rechtsbesef van de mensen en, in de
praktijk, de bijwijze van recht geformuleerde manifestaties daarvan. In wezen
is het dus het recht dat vanaf de Romeinen bepalend is voor de samenleving en
de maatschappij en dus voor de mannelijk georiënteerde culturen. Voor het
bovenstaande geldt natuurlijk ook weer dat er door de alsnog onvolwassen mensen
op alle mogelijke manieren een loopje mee genomen wordt. De absolute heersers
van de vroegere Europese wereld trokken zich van de grondslagen van het
rechtsbegrip zo weinig mogelijk aan. Wat recht was bepaalden zij zelf wel en
dat betekent uiteraard dat zij niet bezig waren met het recht, maar gewoon met
het stellen van wetten. En de huidige democratische heersers van de westerse
wereld doen niet anders als zij ook maar even de kans krijgen. En over het
gedoe van allerlei andere potentaten in de wereld zwijg ik nu maar liever. In
ieder geval is het in deze wereld nog niet veel zaaks als het over het
werkelijke recht gaat.
25.
De strijd die gewoed heeft tussen voornamelijk de
Romeinen, als representanten van de opkomende mannelijke nieuwe wereld en de
volkeren van de vrouwelijk ingestelde oude wereld was bij voorbaat al een
verloren zaak voor de oude wereld. In feite omvatte die oude wereld, zeker
aanvankelijk, een veel grotere politieke en militaire macht dan de Romeinen,
maar toch was er geen houden aan. Natuurlijk is het gemakkelijk dat achteraf
vast te stellen. De zaken zijn gegaan zoals ze gegaan zijn en daaraan valt
niets meer te veranderen. Feit is dat de Romeinen de strijd gewonnen hebben, zoals
het bijvoorbeeld ook een feit is dat zij de latere strijd tegen de
Angelsaksische wereld verloren hebben. Dit alles was echter geen blind toeval.
Het heeft zin te stellen dat de Romeinen de overwinning hebben behaald op de
oude wereld omdat zij wel moesten winnen, namelijk vanwege het feit dat zij een
volgend stadium van de cultuurontwikkeling vertegenwoordigden. En dat was niet
zomaar een volgend stadium, het was eigenlijk een soort van 'culturele
revolutie' waarmee een nieuwe kijk op de werkelijkheid zijn intrede deed: de
vrouwelijke wereld, te benoemen met het begrip het geheel werd vervangen door
de mannelijke wereld, te benoemen met het begrip het totaal. De eenheid werd
een veelheid, oftewel, meer filosofisch uitgedrukt: het ineenzijn moest plaats maken
voor het uiteenzijn. Omdat dit uiteenzijn noodzakelijk na het ineenzijn
optreedt kan de worsteling tussen beide niet anders dan in het voordeel van het
uiteenzijn uitpakken.
26.
Veel moderne filosofen doen smalend over Hegel die het in
het kader van het filosoferen over de geschiedenis vaak over, ‘der Weltgeist’
had. Om de een of andere reden meent men van Hegel te begrijpen dat hij
letterlijk aan een soort van ‘geest' gedacht heeft die min of meer van buitenaf
de gang van zaken in de geschiedenis bepaalt. Zo ongeveer zoals van god
verondersteld wordt dat hij het heelal bestuurt en dat daarbij de mensen in
feite niets anders dan marionetten zouden zijn, mechanische systemen zonder
eigen vrije wil. Hegel echter was veel te wijs om zoiets te denken. Zijn begrip
Weltgeist duidt op niets anders dan op het karakter van de mens en de mensheid.
De werking van de 'Weltgeist' is dan het zich manifesteren, verwerkelijken en
evolueren van het menselijk karakter. Het kennen en begrijpen van die zaak
leidt ertoe dat men ontwikkelingen op een geheel ander vlak dan eenzijdig het
praktische kan doorzien en zelfs leidt het ertoe dan men op een bepaalde manier
voorspellingen over de toekomst kan doen. Bijvoorbeeld: het is vandaag al met
zekerheid te voorspellen dat de moderne mensheid in de betrekkelijk naaste
toekomst een ontwikkeling naar het individualisme met het daarbij behorende
sociaal ingestelde liberalisme zal doormaken. En, in tegenstelling tot wat
velen in hun ondoordachtheid menen, het is eveneens te voorspellen dat dit
liberalisme steeds nadrukkelijker zal uitlopen in socialisme en communisme, zij
het in tot nu toe ongekende vormen, die volstrekt niets gemeen hebben met wat
wij tot op de dag van vandaag onder die noemers te verduren hebben gekregen.
Hegel herkende bijvoorbeeld in Napoleon een typische representant van de
Europese “Weltgeist”. Een afgod aan het hoofd van grote horden die ten strijde
trekken tegen dat wat de mensen heel vaag vermoeden de volgende
ontwikkelingsfase van de 'Weltgeist' te zijn, namelijk de Russische mens, de
Slavische mens eigenlijk. Van de veronderstelling dat er een geest over de
mensheid zou heersen is bij Hegel geen spoor te vinden, maar opgemerkt moet
worden dat de moderne denkers Hegel nauwelijks kunnen begrijpen. Dat blijkt onder
andere duidelijk uit hun kwalificatie van Hegel als een bijzonder 'duister'
filosoof. Zij zijn het echter zelf die hem duister maken ten gevolge van hun
eigen wijze van puur ontledend denken.
Lange tijd hebben de filosofen van de westerse wereld antwoorden
gezocht op hun vragen door met begrippen te werken. Zo werd de werkelijkheid
geduid met het begrip het geheel, zonder dat nu eens echt antwoord werd gegéven
op de vraag: "Het geheel van wat"?
Soms wist men te antwoorden: "Het geheel van alle dingen”, maar ook
dan wordt nu niet bepaald duidelijk waarover het gaat. De dingen immers zijn
alle duidelijk van elkaar onderscheiden en zelfs gescheiden en dus is het niet
zo gemakkelijk te begrijpen hoe die dan een 'geheel' kunnen vormen. In de
praktijk blijkt er in elk geval niets van! Hoe diep men ook ingaat op de
gestelde vragen, steeds blijkt er nog een vraag achter te liggen, een vraag die
je misschien het best als volgt kunt verwoorden: "Wat is er nu eigenlijk
aan de hand, wat is er nu feitelijk gaande"? Met het definitief doorzetten
van de moderne cultuur, begin 20ste eeuw, is men dan ook ontevreden geworden
over dat denken in begrippen.
Men is het 'duister' gaan vinden en men heeft geconstateerd dat men in feite
nog steeds geen antwoord had gekregen, althans geen eenduidig antwoord. Deze
zogenaamde duisternis kwam echter niet zozeer voort uit een logische
tekortkoming van het 'begripsdenken', maar uit de omstandigheid dat het moderne
denken geen ruimte laat voor en waarde hecht aan de werkelijkheid als
bewustzijn, zoals die zich als beeld in een ieder vertoont. Dat men wezenlijk
van de essentie van de filosofie niets moest hebben moge blijken uit het feit
dat men prompt besloot alleen maar over de aantoonbare, onderzoekbare,
meetbare, zogenaamd 'positieve' zaken te willen nadenken. En dat dan ook nog op
wat men meende een 'wetenschappelijke' manier te zijn. Daarmee ging
onvermijdelijk de filosofie ter ziele. Deze positivistische wijze van denken
verwierf intussen toch een grote populariteit en een ongekend grote menigte
aanhangers. Hoewel men dus grandioos de mist inging met de filosofie als
zodanig, was datgene dat aan de basis daarvan lag, namelijk onvrede met het
eenzijdige 'begripsdenken' heel terecht. Dat denken culmineerde volgens Kant en
Hegel zelfs in Zuiver Begrip, oftewel Reinen Vernunft, als een soort van
ultieme loutering voor bevoorrechte enkelingen. Op de een of andere manier ging
dit hoogverheven principe inderdaad bij menigeen werken als argument om
zichzelf ver boven het gepeupel verheven te achten. In Nederland kwam dit
vooral voor bij 'Protestanten' die in de Hegelse filosofie een nieuwe en ware
interpretatie van het Christendom en de Evangelien zagen. De laatste vraag moet
intussen nog steeds beantwoord worden, maar dat kan helaas niet doormiddel van
positivistische analyse. Naast het stelsel van begrippen moet er namelijk een
stelsel van systemen, een 'fenomenologie', aanwezig zijn. Het samengaan van
beide en het tegelijkertijd gelden ervan maakt de filosofie op den duur
werkelijk volwassen. Voorlopig echter wordt door vrijwel alle denkers het op
fenomenologische wijze nagaan van de werkelijkheid zonder de hulp van de
natuurkunde voor onmogelijk gehouden. Men meent dat je niet louter denkend een
samenhangend stelsel van systemen kunt ontwerpen dat ook nog waarheidsgetrouw
is.
28.
Bij het denken
in begrippen blijft de werkelijkheid intact, of, beter gezegd: men
tast in dat denken de voorstelling niet aan. De werkelijkheid blijft ongebroken
qua voorstelling en wat
men er dan van zegt heeft betrekking op de hoedanigheid
ervan, en wel de hoedanigheid van die gehele zaak. Het denken in systemen tast
ook de voorstelling niet aan, heeft ook betrekking op de hoedanigheid ervan,
maar probeert wel te beschrijven hoe de hele zaak in elkaar steekt. Je zou het
als volgt kunnen zeggen: "Het denken
in begrippen leidt tot antwoorden op de vraag hoe de werkelijkheid
als zodanig is en het denken in systemen leidt tot antwoorden op de vraag hoe
het zit met de werkelijkheid". In beide gevallen blijft de voorstelling,
en dus voor de mens de werkelijkheid op zichzelf, volkomen intact. Bij het
positivistische denken spelen de begrippen en systemen geen rol.
Het gaat niet om de hoedanigheid van de werkelijkheid.
Men vraagt zich af wat de werkelijkheid is, waaruit zij bestaat. Men hoopt zo,
namelijk doormiddel van het ontleden, de analyse, de oermaterie te vinden en
dan een uitgangspunt in handen te hebben om tot begrijpen van de werkelijkheid
te komen. Die hoop echter is ijdel, want wat men vindt is iets wat er niet is.
Dat wil zeggen: men vindt iets ongrijpbaars waarvan volstrekt niets te zeggen
is omdat het geen eigenschappen heeft en met zoiets kun je niets aanvangen
volgens het positivistische denken. Dat positivisme is dus, filosofisch gezien,
een doodlopende weg. Hij is inmiddels al danig doodgelopen !
Mannelijkheid-1 ; Mannelijkheid-2(nrs.29 en30) ; Mannelijkheid-3 ;
Het denken in
begrippen en het denken in systemen behoren onlosmakelijk bij
elkaar. Zij vormen als zodanig een uitgesproken vrouwelijke zaak. Binnen het
kader daarvan kun je stellen dat het denken
in begrippen zich betrekt op het geheel van die zaak zelve en dat
het denken in systemen betrekking heeft op de inhoud van dat geheel. Dat leidt
tot de conclusie dat het eerste geduid kan worden als een homogene
vrouwelijkheid die niet in zichzelf onderscheiden is en dat het tweede
daarentegen heterogene vrouwelijkheid is, zo genuanceerd mogelijk in zichzelf
onderscheiden. Om de verwarring ten top te voeren (!) kun je vervolgens zeggen
dat het eerste, het homogene, de 'vrouwelijke' kant van de zaak is en het
tweede, het heterogene, de 'mannelijke'. En wat dit laatste betreft: hier
hebben wij een eerste kwalificatie van ware mannelijkheid,
namelijk dat het zichzelf kent en laat gelden als heterogene vrouwelijkheid,
hetgeen onlosmakelijk samenhangt met het besef inhoud van het vrouwelijke te
zijn.
30.
De positivisten en andere moderne, wetenschappelijk
ingestelde, filosofen hebben terecht aangevoeld of begrepen dat er nog iets aan
de 'begripsstelsels' toegevoegd zou moeten worden. En, in hen liet zich daarbij
stellig onbewust gelden dat dit een mannelijke zaak zou moeten zijn. In ieder
geval gingen zij dadelijk op mannelijke wijze aan de slag, maar die mannelijkheid was volstrekt geen
'heterogene vrouwelijkheid', maar daarentegen analytische mannelijkheid, precies in overeenstemming met de geldende
cultuurontwikkeling. Hoezeer die ontwikkeling ook noodzakelijk is en geheel en
al Onvermijdelijk, toch is het een 'tragische' zaak. Je moet hier van tragiek
spreken omdat je te doen hebt met iets dat uitgesproken rampzalig is en
tegelijkertijd onvermijdelijk. De mensen kunnen er niet omheen om, uitgaande
van hun werkelijkheid als voorstelling, de dingen te gaan ontleden. Zij moeten
er nu eenmaal achter komen wat de materie is, zij kunnen het verwerven van
kennis niet achterwege laten. Dat betekent dat die 'analytische mannelijkheid', ondanks zijn grote tragiek,
een essentieel traject op de weg naar volwassenheid is.
Mannelijkheid-1
; Mannelijkheid-2(nrs.29
en30) ; Mannelijkheid-3
;
31. Vervreemding-1,
Vervreemding-2,
Vervreemding-3,
Vervreemding-4
en Vervreemding-5
De analytische, eenzijdig mannelijke, periode is zo
tragisch omdat de analyse alles kapot maakt. Tegelijk met het verwerven van een
gigantische hoeveelheid kennis en de daarbij behorende bekwaamheden treedt er
een verschrikkelijke vervreemding op doordat letterlijk alle
verworvenheden een slag in de lucht zijn en in geen enkel opzicht tot hun recht
kunnen komen. Dat wat de mens zich verworven heeft behoort de mensheid toe en
is er opdat de planeet leefbaar worde. Voor de mensen is er geen leven mogelijk
zolang en voorzover de planeet niet leefbaar gemaakt is, leefbaar voor dat
praktisch onmogelijke verschijnsel dat de mens, als ultiem voortbrengsel van
het wordingsproces en de evolutie, nu eenmaal is. Dat leefbaar maken echter
vooronderstelt het verwerven van zoveel mogelijk kennis en dat is primair een
zaak van analyse. Alleen die analyse echter kan er niet toe leiden dat de
dingen tot hun recht gaan komen. Alleen die analyse leidt tot vervreemding.
Willen de dingen wel tot hun recht komen, dan moeten de mensen in het teken van
heterogene vrouwelijkheid zijn komen te staan waarbij het mannelijke niet
langer eenzijdig ontledend is, maar juist vormend. Het vormt dan al die op
zichzelf staande 'data', al die brokstukken, om tot een samenhangende zaak die automatisch
inhoud van het geheel van de vrouwelijke werkelijkheid is.
Vervreemding-1, Vervreemding-2, Vervreemding-3, Vervreemding-4 en Vervreemding-5
Mensenrechten-1- t/m 37 ; Mensenrechten-2
;
Sinds de grote vrouwenconferenties, bijvoorbeeld te Cairo
en te Peking, is men zich af gaan vragen of de zogenaamde mensenrechten automatisch ook vrouwenrechten zijn. Daarmee
samenhangend kwam ook de vraag op of er eventueel van speciale vrouwenrechten
gesproken zou kunnen worden, dit onder andere in verband met het unieke
vermogen van vrouwen om kinderen te krijgen. In feite is er een heel scala van
vraagstukken op tafel gekomen die allemaal af te leiden zijn uit het primaire
gegeven van de mensenrechten.
Uiteraard heeft dat grote aantal vraagstukken, voortgekomen als ze zijn uit het
analytische denken, tot een enorme verwarring geleid, die, zoals gebruikelijk
met dit soort zaken, het eigenlijke thema nagenoeg geheel op de achtergrond
gedrongen heeft. Het is volstrekt niet interessant uit te zoeken welke
mogelijkheden er zijn van vrouwenrechten en hoe daar door die en gene tegenaan
gekeken wordt. En dat geldt temeer daar al die verschillende zienswijzen
berusten op analyse van de werkelijkheid en dus op uitgangspunten die op zich
bij voorbaat al onvolwassen, mannelijk geďnspireerd en versluierd zijn. Als je
al die 'ruis' van het werkelijke thema afdoet blijft er duidelijk slechts een
enkele mogelijkheid over: als 'mensenrechten'
inderdaad mensenrechten zijn is de
vrouw daar zonder meer bij inbegrepen. Op grond daarvan past het niet om de
rechten van vrouwen en mannen naast elkaar te zetten en het is al helemaal
stompzinnig ze tegenover elkaar te stellen.
Verantwoordelijkheden
nrs.33 en 34 ; Verantwoordelijkheid nr.87 ; Verantwoording nr.128
; Verantwoordelijkheid
nr.134
Er bestaan helemaal geen vrouwenrechten! En er bestaan
evenmin mannenrechten, kinderrechten, dierenrechten of wat dan ook.
Welbeschouwd bestaan er helemaal geen rechten, op geen enkel gebied. Voor de
mens is de werkelijkheid een menselijke zaak, en dan gaat het niet alleen over
de dingen waarmee hij in de praktijk van zijn leven te maken krijgt, maar ook
over alles wat daar omheen is: de totale werkelijkheid dus. Zonder dat er iets
buitengesloten kan zijn. Je kunt met recht en reden zeggen dat de mens in alle
opzichten de gehele werkelijkheid is en zoals die mens is, zo is ook die
werkelijkheid. Dat dit het geval is komt voort uit de unieke positie waarin de
mens zich in de kosmos bevindt. Hij is namelijk volstrekt vrijzwevend en dat
wil zeggen dat hij nergens op steunt en nergens aan onderworpen is. Als laatste
verschijnsel dat door de kosmos voortgebracht is vertoont hij deze
onafhankelijkheid, tegelijkertijd naar 'boven' en naar 'beneden'. Niets en
niemand kan hem de les spellen en tevens kan hijzelf op grond van wat dan ook
in geen enkel opzicht iets of iemand anders naar zijn hand zetten. Voor zo
iemand kunnen geen rechten en plichten gelden. De verantwoordelijkheden van zo iemand
gelden niet ten opzichte van iets of iemand, hetzij beneden hem, hetzij boven
hem, maar zij gelden uitsluitend voor hemzelf. En dat is het geval voor hemzelf
persoonlijk, als dit bepaalde individu, en tegelijkertijd is dit het geval voor
hemzelf als heelal. Hij is verantwoordelijk
als microkosmos en als macrokosmos! Deze verantwoordelijkheid
houdt niet in dat de mens verantwoording
zou moeten afleggen. Het zichzelf micro- en macrokosmos weten is op zichzelf al
een zaak van verantwoordelijkheid: de
mens geeft voor zichzelf antwoord op de vraag of en in hoeverre hij overeenkomt
met de werkelijkheid. Dat antwoord geeft de kwaliteit van zijn verantwoordelijkheid aan.
34.
De onvolwassen mens denkt in rechten en plichten.
Dat doet hij onvermijdelijk, want zijn onvolwassenheid houdt in dat hij
zichzelf als afhankelijk ziet. Hij is dan afhankelijk van hogere machten, dus
van goden, en hij is tegelijkertijd afhankelijk van lagere machten waartoe hij
zijn medemensen rekent. Die afhankelijkheid is historisch heel goed te
traceren. Je ziet namelijk dat de rechten steeds van medemensen afgedwongen
moeten worden. Voor ons, moderne mensen, lijken onze zogenaamde rechten
vanzelfsprekende grootheden die er met geen mogelijkheid afgedacht kunnen
worden. Maar de geschiedenis leert dat de rechten onveranderlijk bevochten zijn
en met pijn en moeite ontfutseld zijn aan instanties en personen die principieel
niets willen weten van rechten, dat is te zeggen: rechten van andere mensen!
Voor henzelf geldt in feite helemaal geen recht. In hun rechteloosheid
misbruiken zij eigenlijk de ware situatie van de mens, namelijk als volstrekt
vrijzwevend verschijnsel. Dus: mensen kunnen zich als rechteloos opstellen door
misbruik te maken van hun ware kosmische aard. Zonder welke verantwoordelijkheid dan ook doen zij
naar believen wat zij doen. En noodzakelijk behoren daar die andere rechtelozen
bij die er slachtoffer van zijn. Het zijn deze rechtelozen die privileges gaan
afdwingen, gunsten die na verloop van tijd, namelijk als zij het karakter van
vanzelfsprekendheid gekregen hebben, 'rechten' genoemd zullen gaan worden. In
het kader van deze afhankelijkheid moeten de vragen naar ‘mensenrechten' en mogelijke 'vrouwenrechten' gezien worden. Als men
dat inderdaad zou doen kan het niet uitblijven dat er niet alleen andere
antwoorden gevonden zullen worden, maar vooral dat er inzake de actuele problemen
geheel andere acties ondernomen gaan worden. Immers: men handelt heel anders
zolang men denkt afhankelijk te zijn en iets te moeten afdwingen als wanneer
men handelt in het volle bewustzijn van zijn onafhankelijke positie in de
kosmos...
Verantwoordelijkheden
nrs.33 en 34 ; Verantwoordelijkheid nr.87 ; Verantwoording nr.128
; Verantwoordelijkheid
nr.134
Betrouwbaarheid-1 ; Betrouwbaarheid-2
; Betrouwbaar ; Onbetrouwbaar ; Rechten van de Mens-1
; Rechten
van de Mens-2 ;
De beste regeling van de
onderlinge verhoudingen waartoe de mensen in een alsnog onvolwassen wereld
kunnen komen is die van “het recht”. Het zou dus niet goed zijn te menen dat
wij wel zonder enigerlei vorm van recht zouden kunnen. Als iemand het recht zou
willen afschaffen, onder verwijzing naar een volwassen mensheid waarin het
recht als algemeen geldende regeling en reglementering niet langer nodig is,
heeft hij niets van de mensheid en haar ontwikkeling begrepen. Hij is het
slachtoffer van zijn eigen idealisme, dat immers steeds en bij iedereen
tot de ontembare behoefte leidt om van alles af te schaffen. Maar er laat zich
nooit iets afschaffen en al helemaal het recht niet. Wel kan men proberen het
niet te laten gelden. Men kan het recht verkrachten zoals per definitie
dictators en godsdienstige fundamentalisten doen. Maar, een 'verkracht recht'
is nog steeds een recht, zij het armoedig, wisselvallig en onbetrouwbaar. Het rechtsbesef blijft
namelijk onvermijdelijk levend, ook onder de meest radicale verkrachtingen. In
een onvolwassen mensheid drijft tenslotte alles op het recht, hetgeen overigens
niet wil zeggen dat het er dan allemaal zo rechtvaardig toegaat. Maar het is in
ieder geval een ieders bedoeling zich naar het recht te voegen en een ieders
gedoe en handelingen worden zo getrouw mogelijk in het licht van het recht
beoordeeld. Zo heeft men kort na de tweede wereldoorlog de rechten van de mens geformuleerd en zo breed mogelijk van kracht
gemaakt. Naar aanleiding daarvan is men zich af gaan vragen hoe het nu met de
rechten van vrouwen zit. En je kunt van 'rechten' spreken juist omdat de mensheid
nog steeds onvolwassen is!
Betrouwbaarheid-1 ; Betrouwbaarheid-2
; Betrouwbaar ; Onbetrouwbaar ; Rechten van de Mens-1
; Rechten
van de Mens-2 ;
36.
Welbeschouwd bestaan er in de praktijk van onze cultuur
geen 'vrouwenrechten'. Er bestaan alleen maar 'mannenrechten'. Daarbij doel ik
niet op het onmiskenbare feit dat in deze wereld vrouwen ten achter gesteld
zijn en vaak zelfs helemaal niet meetellen. Als je in dat verband bovenstaande
uitspraak bekijkt kun je in feite alleen maar van cynisme spreken, namelijk in
die zin dat je verwijst naar de onderworpen rol die vrouwen over het algemeen
nog steeds moeten spelen. En inderdaad is in die cynische zin die uitspraak ook
tenvolle te onderschrijven. Waarom het nu evenwel gaat is dat het begrip recht
niet behoort bij de werkelijkheid als vrouw, maar bij de werkelijkheid als man.
Natuurlijk kan deze uitspraak niet betekenen dat het ten aanzien van de vrouw
maar een rechteloze toestand is. Hij betekent daarentegen dat de werkelijkheid
als vrouw die van het recht omvat, oftewel te buiten gaat, en dat die
werkelijkheid als zodanig niets met rechten te maken heeft. De wereld van de rechten
en plichten is die van de mannen, voorzover die alsnog behoren tot een
onvolwassen mensheid. Het gaat immers over de verzameling van mensen, over 'het
een' dat tegenover en naast 'het ander' staat en dat op grond daarvan
onderlinge relaties tot stand brengt en onderhoudt. Omdat dit het geval is kon
het in de loop van de geschiedenis dan ook gebeuren dat de mannen de baas
werden en daarbij vaak zelfs overgingen tot het onderdrukken van de vrouwen.
Het is, filosofisch gezien, zo met alles: de ontwikkelingen moeten nog kunnen
ook! Er moet een factor in het verschijnsel aanwezig zijn die tot bepaalde
ontwikkelingen en toestanden leidt. In dit geval is dit dus deze factor dat de
werkelijkheid als een netwerk van relaties een mannelijk geaarde zaak is.
Zolang en voorzover die zaak een essentieel element in een ontwikkelingsfase
uitmaakt vertoont hij zich in de mensheid noodzakelijk als een machtsfactor. In
de huidige mensheid gaat het om de uitwikkeling van de mensen tot individu, tot
de volledig ontplooide enkeling. Dus is de werkelijkheid als verzameling aan de
orde en daarmee is de basis gelegd voor de mannelijke suprematie. Verhalen over
'het sterke geslacht' en het 'jachtinstinct' van de man zijn volslagen
onzinnig. Ze worden trouwens ook door de antropologie weerlegd, want er is
menig voorbeeld van vrouwen die juist het zware werk doen. En medische
ervaringen en onderzoekingen schijnen aan te tonen dat vrouwen zoniet in
spierkracht, dan toch in algemeen fysieke kracht de mannen overtreffen. Zij
leven langer en hebben een grotere weerstand onder barre omstandigheden!
Kortom: al deze argumenten en verklaringen zeggen in feite niets. Mannelijke
dominantie berust op het begrip verzameling zoals dat voor de werkelijkheid als
man geldt. En voor de vrouw geldt dat begrip niet. Voor haar geldt het geheel,
waarbij opgemerkt moet worden dat de verzameling wel haar inhoud is, maar
beslist niet haar wezen. Gezien in het licht van het bovenstaande is er dus
eigenlijk alleen maar van 'mannenrechten' te spreken. Ook waar het gaat over
rechten die de vrouwen terecht willen verwerven zijn die rechten welbeschouwd
die van een mannelijke werkelijkheid. Het is inderdaad een feit dat tot op
heden de meeste van die rechten nog stevig in handen van de mannen zijn en dat
er geen enkel argument aan te voeren is op grond waarvan de vrouwen geen
aanspraak zouden mogen maken op die rechten. In de praktijk vormen zij immers
wel degelijk ook een verzameling waarvan de leden hun onderlinge betrekkingen
moeten regelen.
37.
Gezien vanuit het wezen van het recht zouden er in de
moderne tijd geen verschillen kunnen en mogen bestaan tussen de zogenaamde rechten
van vrouwen en van mannen. En eigenlijk is dat dan ook de mening van allen die
over dit soort zaken hun gedachten laten gaan. Zij vinden die rechtsgelijkheid
een vanzelfsprekendheid. Maar intussen is deze helemaal niet vanzelfsprekend.
Wat dit betreft moet trouwens opgemerkt worden dat er over dit fenomeen heel
wat opvattingen en speculaties de ronde doen. Die worden doorgaans dermate
fanatiek verdedigd en verguisd dat je met recht kunt veronderstellen dat er een
stevig taboe aan ten grondslag moet liggen. Dat is dan ook zo! Dat taboe berust
op het bezit van het 'recht op de rechten' van de zijde van de mannen en op het
diepverborgen besef dat de vrouwen daar letterlijk buiten moeten blijven. In de
diepte van het mannelijke zelfbewustzijn liggen aldus de verhoudingen. En de
waarnemingen van de psychoanalyticus Carl Gustav Jung, dat in de diepte van het
zelfbewustzijn van vrouwen een zekere minachting ligt voor dat gedoe van de
mannen met die rechten en plichten, zijn wat dit alles betreft bijzonder tekenend!
Blijkbaar hebben vrouwen het gevoel boven dat mannelijke gescharrel te staan en
doet zich in hen gelden dat er een rechtvaardigheid mogelijk is die veel verder
gaat dan de, al of niet afgedwongen en geformuleerde, regelingen van het
mannelijke recht.
Mensenrechten-1 ; Mensenrechten-2 ;
In een onvolwassen wereld hebben vrouwen het extra
moeilijk om 'tot hun recht' te komen. De bestaande verworven rechten zijn
immers mannenrechten! Dat betekent niet alleen dat er een mannelijke
mentaliteit uit spreekt, maar het betekent vooral dat in de praktijk de mannen
het voor het zeggen hebben. Zij zijn het die het wereldbeeld bepalen en
eigenlijk staan de vrouwen daarbuiten als waren zij afkomstig van een andere
planeet. Alleen wanneer onder omstandigheden dat wereldbeeld ineenstort kan het
soms gebeuren dat de rol van de vrouwen aan belang wint en dat hen een grotere
waardering ten deel valt. Tijdens oorlogen en natuurrampen kun je dat verschijnsel
waarnemen, maar ook dan is het meestal zo dat de vrouwen, tezamen met de
kinderen en ouderen, het slachtoffer worden van het mannengeweld. Hoe dan ook,
de vrouwen zijn eigenlijk vreemden in de wereld en dat maakt het niet
gemakkelijk er een plaatsje te vinden. Zoals al eerder gezegd komt dat doordat
de mannen hun macht niet gaarne afstaan en natuurlijk vooral ook doordat die
mannenrechten strijdig zijn met het wezen van de vrouw, enerzijds omdat het
rechten zijn en anderzijds omdat zij mannelijk van aard zijn.
Een aardig voorbeeld van mannelijk geaarde waardering
voor vrouwen kan men vinden ten tijde van de 'troubadours' zoals die in de 11e
t/m 13e eeuw vooral in Frankrijk optraden. Zij vereerden de vrouw en zagen in
haar zelfs een onbereikbare meesteres. De vrouw was voor hen de essentie van de
wereld en de werkelijkheid en zij zongen dan ook met grote toewijding hun
minneliederen. Maar intussen moesten die hoog gewaardeerde vrouwen wel
letterlijk onbereikbaar blijven, hetgeen wil zeggen dat zij zich van de wereld
moesten afzonderen, zodat zij eigenlijk de gevangenen van die troubadours en
ridders waren. Het was dus niet de vrouw zelve die tot haar recht mocht komen.
Het was daarentegen de mannelijke voorstelling van de vrouw die vereerd werd.
Dergelijke volkomen valse voorstellingen vanuit de mannenwereld komen vaker voor, maar lang niet altijd zijn
zij in de praktijk even duidelijk herkenbaar. Zo was er ook in het, toch
uiterst militaristisch mannelijke, Nationaal Socialisme grote waardering voor
de vrouw, vooral de vrouw als moeder. Uiteraard was zij al helemaal boven alle
banaliteiten verheven als zij blond en blauwogig was! Andere typen vrouwen
vielen bijgevolg volstrekt buiten die begeesterde aanbidding en dat betekende
in de praktijk dat die vrouwen als vanzelfsprekend tot de sletten en hoeren
gerekend moesten worden. Bijzonder morbide zijn in dit verband de voortdurende
associaties met de menstruatie die als het toppunt van onreinheid werd
beschouwd. Overigens is dat lang niet alleen het geval bij de Nazi's. Men moet
er dus erg in hebben dat allerlei staaltjes van vrouwenverering beslist niet de
vrouw als object hebben, maar een overspannen, vergoddelijkte voorstelling van
in wezen zeer patriarchale mannen. En dan gaan je gedachten onmiddellijk
ook uit naar de Roomse Kerk waarin onmiskenbaar perverse mannen een bijna
seksuele Mariacultus praktiseren.
40.
In een alsnog onvolwassen wereld draait het, wat de
onderlinge betrekkingen betreft om de rechten die de mensen zich verworven
hebben. Eigenlijk behoef je het niet over de plichten te hebben, want die zijn in feite niets anders dan
omgekeerde rechten. Als ik namelijk een bepaald recht bezit staat daar een
plicht van iemand of iets anders tegenover. Het recht om je een burger van een
bepaalde staat te noemen is niet denkbaar zonder bepaalde plichten om die staat van dienst te
zijn, bijvoorbeeld tegen indringers te beschermen. Het gaat dus over rechten.
En, vrouwen willen in die rechten delen, hoewel ze er eigenlijk 'boven staan'.
Zij moeten zich natuurlijk ook in een maatschappij staande kunnen houden en zij
hebben er terecht steeds minder zin in als een verlengstuk van de een of andere
man gezien te worden. En dat alles is, binnen de context van een onvolwassen
wereld, niet alleen begrijpelijk - en dus 'redelijk' - maar ook noodzakelijk in
het licht van de mens die zich als individu waarmaakt.
41.
Ondanks die noodzakelijkheid en begrijpelijkheid echter
moet je je wel afvragen of die rechten nu wel zo begerenswaardig zijn! Men
vindt bijvoorbeeld dat een mens recht heeft op arbeid. Dat betekent in de
praktijk dat men recht heeft op sloven en sjouwen ten behoeve van anderen wier
geringeloor men ook nog eens zonder morren heeft te aanvaarden. En het betekent
ook dat men in de armoede geworpen kan worden met het valse argument dat het de
'eigen schuld' zou zijn als men werkloos geworden is. Een redelijke kans op
persoonlijke ontplooiing is er niet, althans niet als men tot de zogenaamd
lagere regionen van de arbeidsmarkt behoort. Zo blijft de te verrichten arbeid
wezenlijk een onpersoonlijke, vreemde en vervreemdende zaak die nog nauwelijks
iets heeft van datgene dat arbeid werkelijk is. Weliswaar wordt het voorhanden
verschijnsel omgezet tot een menselijk verschijnsel, maar waarom het daarbij
gaat is de winst en niet het product. En bij de economische bedrijvigheid zijn
de groei van de omzetten en de winst de maat en dus alweer niet de
levensbehoeften van de mensen.
Onverdraagzaamheid ; Onverdraagzaam-1
; Onverdraagzaam-2
;
Eigenlijk is het
verwerven van rechten althans inhoudelijk niet zo'n aantrekkelijke zaak, waar
dan tot overmaat van ramp ook nog eens bijkomt dat een en ander zich afspeelt
temidden van het gewoel, de haat en nijd, de agressie en de onverdraagzaamheid
van een mannelijk bepaalde, op zichzelf vruchteloze, maatschappij. Vruchteloos
doordat dit alles zich niet als inhoud van de werkelijkheid als geheel kan
laten gelden en dus in alle opzichten een slag in de lucht is. Een product dat
niet om zichzelfs wille, maar om een andere reden, zoals het maken van maximale
winst, gemaakt is komt nimmer tot zijn recht en blijft ergens in een luchtledig
hangen. In feite is het dan verspilde energie en zijn het weggegooide
grondstoffen. Het mag dan ook geen wonder heten dat de moderne wereld in
toenemende mate vervuild geraakt en dat er inderdaad een gigantische
verspilling aan energie en grondstoffen plaats vindt. Er is geen mogelijkheid
om uit deze treurige toestand te geraken zolang de cultuur mannelijk
geďnspireerd is. Het ligt zelfs in de logica dat het voorlopig alleen maar
erger wordt, ondanks de toenemende kritiek en het almaar sterker wordende
verzet ertegen. Deze kritiek en dat verzet blijven namelijk noodzakelijkerwijze
ook in het mannelijke bevangen, met als gevolg dat de bij herhaling
uitgevaardigde tegenmaatregelen er alleen maar toe leiden dat de problemen
verplaatst worden, bijvoorbeeld naar de zogenaamde 'Derde Wereld'. In feite
verergeren zij daardoor, maar daar blijkt dan niemand meer wakker van te
liggen. Een atoomproef bijvoorbeeld doet men het liefst ver van huis...dat
schijnt dan plotseling niet gevaarlijk meer te zijn!
Onverdraagzaamheid ; Onverdraagzaam-1
; Onverdraagzaam-2
;
Er bestaat een bepaalde verhouding tussen drie
vrouwenfiguren, namelijk de Magna Mater, de vrouw als Eva die bij het paradijsverhaal behoort en tenslotte
de vrouw als Maria, en deze laatste wordt ook gedacht als hemelkoningin. Als
zodanig is zij vergelijkbaar met Afrodite en tot op zekere hoogte ook met de
Egyptische godin Isis. Er komen trouwens vele hemelkoninginnen voor. De
verhouding tussen genoemde drie is als volgt te beschrijven: de Magna Mater
houdt letterlijk alles in, maar die inhoud heeft op zichzelf nog geen
betekenis. Het ligt bij haar nog zo dat 'het een en het ander' naamloos in haar
verzonken zijn. In feite gaat het dus alleen maar om die Oermoeder die als
enige werkelijk bestaat. Bij de vrouw als Eva echter ligt de zaak anders omdat
bij haar de inhoud gaat meetellen. De 'inhoud' namelijk voorzover die
'vluchtig' is en niet echt binnen in haar vertoeft. Het gaat dan namelijk om de
man, om Adam. Die staat als verschijnsel buiten haar, maar voorzover hij zich
werkelijk als man gelden laat is hij haar inhoud. Zou hij dat niet zijn, dan is
zijn hele bestaan een slag in de lucht, hetgeen zich inderdaad later in de
westerse man zal realiseren. Tenslotte is daar Maria de hemelkoningin. De naam
'Maria' is eigenlijk niet goed, maar voor de westerse mens in de christelijke
traditie is zij het meest herkenbaar vanwege het feit dat het om de 'moeder'
van Jezus zou gaan. Zij is 'de moeder van het kind'. Waar het in dit geval
werkelijk om gaat is het kind van de maagd.
Dat kind is niet haar inhoud voorzover die 'vluchtig' is, maar haar inhoud
voorzover die reëel is. Het is een 'wordende' inhoud, want dat kind zal eens,
in de toekomst, de ware
mens zijn. Die mens is geen heilige, want van een heilige is
feitelijk het leven afgedacht, maar het is de mens die bij zichzelf terecht is
gekomen en bij wie dus alles tot zijn recht komt. De werkelijk levende mens
dus!
44.
Het opmerkelijke van die zogenaamde Maria is dat alles om
haar draait vanwege het feit dat zij de voortbrengster van het kind is, maar
dat tegelijkertijd alles gericht is op het kind omdat dat de uiteindelijke, de
voltooide, werkelijkheid zal zijn. Alles is er op gericht als op een doel en er
bestaat een groot verlangen naar die schone, rechtvaardige en gezellige
toekomst. In de 'Evangelische' tijd, zo rond het begin van onze jaartelling,
was er een groot verlangen naar een wereld waarin de beloften van het kind van
de maagd waargemaakt zouden
zijn. Men sprak over 'Het Koninkrijk Gods' en over 'Het Land van de Idee' en
dergelijke. En eigenlijk zette in die tijd de cultuur van het verlangen in,
die, zij het op de achtergrond van de psyche, tot op de dag van vandaag
voortduurt. Met de komst van het kind kondigt zich een gespleten werkelijkheid
aan.
Het 'geheel' heeft haar inhoud voortgebracht en die
inhoud is nu op zichzelf komen te staan als een verzameling van aparte
elementen, de ‘ditten en de datten', oftewel, meer filosofisch gesproken 'het
een en het ander'. Maar, tenslotte zullen die aparte elementen weer 'verenigd'
worden. Dat wil zeggen: zij zullen zich gaan laten gelden als een samenhangend
geheel. Dat is de 'belofte' van het kind. De mensheid spreekt hierin dus uit
wat haar eigen ultieme mogelijkheden zijn!
Het kind van de maagd
staat voor de uiteindelijke mens. Dat is de mens die bij zichzelf terecht is
gekomen en die nu is zoals hij behoort te zijn. Hij behoort op en top het
laatste verschijnsel te zijn, materieel en niet-materieel tegelijkertijd,
verzameling en geheel tegelijkertijd, zeg maar: het verschijnsel waarvoor alles
geldt alsof het een samenhangend geheel was. In die zin stelt de ware mens
alles in het licht der liefde, want voor hem is alles ineen. Het kind van de maagd is dus vooral, voorzover je het
alsnog als kind beschouwt, een zinnebeeld van liefde. Als zodanig kenden de
oude Grieken het dan ook, namelijk als Amor en dat knaapje staat voor het
liefdesverlangen. Niet in de eerste plaats die tussen man en vrouw -wat de
Romeinen er later van gemaakt hebben- maar voor het verlangen de werkelijkheid
met zichzelf te 'verzoenen' en er dus een geheel van te maken. Nu echter rijst
er een schier onoverkomelijke moeilijkheid! De ware mens is de mens in wie alles
terechtgekomen is. Dat betekent dat alles, de mensen, de natuur, het heelal,
tenvolle uitgewikkeld is en onvoorwaardelijk naar eigen aard kan, ja zelfs
moet, gelden. Voor het alsnog onvolwassen denken echter staat juist die eigen
aard het 'ineenzijn' in de weg. De eigen aard van de verschijnselen verhindert
het opgaan in het geheel, aldus dat onvolwassen denken. Voor dat denken bestaan
wel de aparte elementen en er bestaat daarnaast ook het besef van een
samenhangende werkelijkheid waarin alles op zou moeten gaan, maar onvermijdelijk
is daar de bittere conclusie dat het volstrekt onmogelijk is dat het een en het
ander ineen zullen kunnen geraken. Tenzij beide zich gaan opofferen door zich
te ontdoen van die 'eigen aard' die almaar in de weg staat.
46.
Op een zeker moment in de ontwikkelingsgang van de
mensheid krijgen de mensen in de gaten dat de werkelijkheid niet een gesloten
en ondeelbaar geheel is, maar daarentegen een verzameling van op zichzelf
staande verschijnselen. Tussen die verschijnselen blijken wel allerlei verbanden
te bestaan, maar die verschijnselen zelf zijn en blijven strikt van elkaar
gescheiden. Er ontstaat dus een besef van 'verbrokenheid' en al spoedig
verkeert dit besef in een onontkoombare zekerheid. Dat evenwel is voor de
mensen uit die overgangsperiode een bron van onrust en wanhoop, vooral doordat
men terecht constateerde dat men volstrekt op zichzelf teruggeworpen was. In
het licht van het verleden kwam dat over als een ramp en men ging verlangen
naar redding en verzoening. Uit die tijd dateren talloze ideeën die betrekking
hebben op de verlossing van de mens. Niet alleen het vroege christendom kwam
daarmee. Ook bijvoorbeeld bij Plato vind je die hang naar verlossing. Men zou
graag willen dat 'de twee een worden' en dat betekent in feite dat van nu af
aan het begrip liefde een wezenlijke rol gaat spelen in de cultuurontwikkeling
van de mensheid.
47.
Het begrip liefde vooronderstelt dat de zaak verbroken
is, uiteen is komen te liggen. Het begrip liefde kan in zijn betekenis van
'ineenzijn' alleen maar dan zin hebben als er een realiteit is die door de
tegenstelling, namelijk het 'uiteenzijn', gekenmerkt wordt. Met andere woorden:
het begrip liefde komt in de mensheid op als het uiteen-zijn van de
werkelijkheid voor de mensen een feit is geworden. En dat was het geval aan het
einde van de oudheid toen het Romeinse denken zich definitief door ging zetten.
Toen het uiteenzijn van de dingen voor de mensen nog geen essentieel feit was
bestond er uiteraard nog geen verlangen om 'van de twee een te maken'. Voor het
besef van de mensen was er alleen maar het ongebroken geheel! Dat aan dit besef
van 'eenzijn' een sterke en hartstochtelijke erotiek meekwam is iets anders dan
hetgeen waarom het in de liefde gaat. Het is niet iets lagers of iets minders,
zoals men vanuit de traditie van de westerse cultuur onwillekeurig zou denken,
maar het was iets dat op een geheel andere zaak betrekking had. De erotiek van
de oudheid stond in het teken van het beleven van de harmonische samenhang van
het geheel dat de werkelijkheid, als een door en door vrouwelijke zaak, is. Je
kunt dat onder andere vaststellen bij het bekijken van erotische
kunstvoorwerpen uit de oudheid. Al spoedig wordt dan duidelijk dat het daarbij
vrijwel uitsluitend om de vrouw ging. De fallus bijvoorbeeld was geen
uitdrukking van mannelijke potentie, kracht of dominantie, maar van een op het
vrouwelijke gerichte zaak. Hij was er uitdrukking van dat de gehele
werkelijkheid slechts in de sfeer van het vrouwelijke begrepen en beleefd kan
worden. Een inzicht dat zonder meer juist was.
Het is opmerkelijk dat in de oudheid en hier en daar nog
lang daarna, bijvoorbeeld in India, de religie samengaat met en vaak culmineert
in de erotiek Voorzover de religie uitdrukking is van het inzicht dat de
werkelijkheid een samenhangend harmonieus en vrouwelijk geheel is en de mensen
voor zichzelf de absolute zekerheid hebben dat zij inhoud van dat geheel zijn,
beleven zij die situatie op een erotische wijze. De erotiek is namelijk
geworteld in het gevoel dat men onvermijdelijk ‘binnen’ het vrouwelijke
vertoeft. Het vertoeven binnen het vrouwelijke gaat gepaard met wellust. Zo is
het te begrijpen dat het religieuze besef van de mensen uit de oudheid een zaak
van erotiek en wellust was. Maar voor de
westerse mens is dat geheel en al verloren gegaan, niet alleen qua persoonlijke beleving, maar zelfs en
vooral qua inzicht in en begrijpen van de gesteldheid van de mens uit de
oudheid. Men begrijpt daar volstrekt niets meer van en het gevolg is dat
die wellust en erotiek slechts beschouwd worden als vormen van min of meer
primitieve uitspattingen. Ook beschouwt men het wel als bewust ingestelde
feestelijkheden om de mensen een uitlaatklep voor hun, door de beschaving
noodzakelijk ingetoomde, hartstochten. Het uitleven daarvan zou de rust in de
samenleving bevorderen. Die, overigens volkomen onjuiste, opvatting wordt vaak
naar voren gebracht als het gaat over de Dionysische feesten van vroeger en
over het thans nog steeds gevierde Carnaval.
49.
Het begrip liefde is een 'universeel' begrip. Het zegt
iets wezenlijks over de werkelijkheid zelve, namelijk dat deze bestaat uit een
grote hoeveelheid van elkaar gescheiden verschijnselen en dat het er eigenlijk
om gaat deze verzameling als een ongebroken geheel te zien en te beleven. Omdat
het een universeel begrip is geldt het onvoorwaardelijk voor elke mens, of deze
hiervan nu op de hoogte is of niet. Hoewel aan het gelden van dit begrip
voorondersteld is dat de werkelijkheid uit van elkaar gescheiden dingen
bestaat, slaat dit begrip liefde toch niet op de relatie tussen die dingen,
maar op het geheel van al die dingen tezamen. En in elk van die dingen spiegelt
zich de sfeer van dat geheel af. Eigenlijk is dus elk van die dingen 'op zijn
eigen specifieke wijze het geheel'. Voorzover het over de mensen gaat is
bijgevolg te stellen dat ieder mens voor zichzelf het begrip liefde is. Dat
geldt dus ongeacht de omstandigheid of iemand al of niet een partner heeft voor
wie zij of hij 'liefde' voelt.
Naar
bladwijzers: geven en nemen-1
; geven en nemen-2
; geven en nemen-3
Is de ontwikkeling van de mensheid eenmaal zover
gevorderd dat het zich waarmaken als individu een aanvang neemt, hetgeen begint
met de Romeinse cultuur, kan het begrip liefde zich niet langer als een
universele zaak laten gelden. Het wordt een begrip dat betrekking heeft op de
relatie tussen twee mensen. Dat kunnen er natuurlijk ook meer zijn, maar ook
dan gaat het om twee mensen, namelijk zoveel maal twee. Met het verschralen tot
een relatie wordt de liefde tot een kwestie van overeenkomsten, tot een kwestie
van gelijkgestemd-zijn en uiteindelijk tot een huwelijkszaak. Liefde kan dan
alleen bestaan als mensen overeenkomstige belangen en interesses hebben. Zaken
die niet binnen het kader van het gemeenschappelijke vallen moeten op de een of
andere manier buiten spel gezet worden. Men moet 'geven en nemen', 'compromissen sluiten', 'wat voor elkaar over
hebben' en 'eigen belangen opzij zetten'. Maar dat betekent in feite dat iedere
partner in een relatie een groot deel van zichzelf niet kan laten gelden, met
als gevolg dat niemand echt tot ontplooiing kan komen. Iedereen blijft
onvermijdelijk ver beneden zijn mogelijkheden. Dat is voor de samenleving een
bron van ellende, eigenlijk is het 'de'
bron van alle onvrede, huiselijke twisten, ontrouw en bedrog, vernedering en
machtsmisbruik. Niet alleen echter dat het tussen de partners een en al armoede
is, maar, zoals gezegd, de gehele samenleving verwordt tot een neurotische,
agressieve, onverdraagzame, kille en liefdeloze zaak. Uiteraard zal men bij
nader onderzoek een groot aantal voorbeelden vinden van relaties die wel tot in
hoge mate bevredigend zijn, juist ook doordat iedereen onbewust daarnaar op zoek
is, maar het gaat nu om het algemene beeld van onze moderne wereld en daarvoor
gelden zonder enige twijfel bovengenoemde kwalificaties.
Naar
bladwijzers: geven en nemen-1
; geven en nemen-2
; geven en nemen-3
Als je eens uitzoekt waarmee de mensen doorgaans komen
als het begrip liefde ter sprake komt, dan valt alras op dat men het niet over
liefde heeft, maar over houden van. Dit begrip heeft uitsluitend betrekking op
verlangens en het bevredigen daarvan. Houdt men van spinazie, dan hoopt men het
verlangen daarnaar te bevredigen, houdt men van elkaar, dan hoopt men het
verlangen naar elkaar te bevredigen. In dit laatste geval is bij de
individualistisch ingestelde mens het streven er op gericht het 'houden van'
wederzijds te doen zijn. Het begrip ‘houden van’ is in genen dele een negatief
begrip. Het komt aan de mens en diens eigenheid mee dat hij van bepaalde dingen
houdt en van andere niet. Omdat het hierbij maar net is hoe het valt kun je van
smaak spreken. De smaken van de mensen verschillen en dat is niet anders
denkbaar. Zou je dat als een verwerpelijke zaak beschouwen, de specifieke
menselijke mogelijkheden tot ontwikkeling zouden daarmee tekort gedaan worden.
Het zijn immers juist de persoonlijke eigenaardigheden die aansporen tot het
uitwerken van nieuwe mogelijkheden, zowel tussen de mensen onderling als voor
het individu zelf. Dus: waar de mens als individu is, zijn ook de 'smaak' en
het 'houden van'. Deze spelen in de relaties tussen de mensen een essentiële
rol en dat is in geen enkel opzicht kwalijk. Op dit laatste leg ik extra de
nadruk omdat het in de godsdiensten en helaas ook in de filosofie gebruikelijk
is het 'houden van' en de 'smaak' te veroordelen als platvloerse zaken die de
ware mens niet zouden sieren. Allicht: men denkt het persoonlijke er af
omdat men in zijn gebrekkige denken geen kans ziet tot een samenhang te komen
met inachtneming van het feit dat aan mensen de begrippen houden van en smaak
meekomen, ja zelfs specifiek ‘menselijk’ zijn...
Maar, als het over liefde gaat, is er heel wat anders aan
de orde, iets wat inderdaad de grenzen van het persoonlijke doorbreekt!
52.
Het begrip liefde is, evenals de begrippen het geheel en
samenhang, een 'abstractie'. Het liefst spreek ik in dit verband van een
'virtuele realiteit', een werkelijkheid namelijk die zich voordoet als
aanwezig, maar die in feite een afspiegeling is aan iets anders dat er de
voorwaarde van is. Genoemde begrippen zijn evenzo niet-bestaande zaken die op
geen enkele manier aangetroffen kunnen worden, maar die ondanks dat toch
onmiskenbare realiteiten zijn. Voor het zogenaamde positivistische en
rationalistische denken zijn zij evenwel een volstrekt taboe. Men mag er niet
over nadenken en er al helemaal geen uitspraken over doen. En in het beste
geval mag men het gelden ervan wel erkennen, maar nimmer is het toegestaan om
er, binnen het kader van het denken, een logisch houdbare verklaring van te
geven. Het niet-weten is de absolute maat en dus vindt men dat het getuigt van
intellectuele zwakte als men er toch achter wil komen hoe het zit met die
merkwaardige begrippen. Het zij zo..! Het bestaan van dit taboe heeft er
overigens ook wel mee te maken dat de moderne mens geen weet heeft van de
werkelijkheid als bewustzijn, die op zichzelf geen 'virtuele realiteit' is,
maar een echt bestaande verhouding binnen de tot leven gekomen materie. Dit
bewustzijn echter veroorzaakt wel die 'virtuele realiteiten' door aan datgene
dat er de voorwaarde toe is iets af te spiegelen. Wat zich afspiegelt is voor
de mensen de volmaakte werkelijkheid.
53.
De virtuele realiteit bestaat niet! Nimmer zal men ernaar
kunnen wijzen en zeggen: "Ziedaar de volmaakte wereld, ziedaar het
Koninkrijk Gods, ziedaar de echt bestaande Hemel". Waarop men echter wel
kan wijzen zijn de verschijnselen, de dingen die alle van elkaar gescheiden
zijn en die nimmer met elkaar een eenheid kunnen vormen. Dingen waarvan het
opmerkelijke is dat zij ieder een eigen ruimte innemen, zodat daar waar het ene
ding is het andere niet zijn kan. Dingen dus die noodzakelijk buiten elkaar
bestaan. Uitsluitend die wereld kan men als een realiteit aantreffen. Nooit zal
men de werkelijkheid als geheel tegenkomen en ineenzijn en samenhang zijn al
even onbestaanbaar. Toch draait het in de filosofie voortdurend om deze
begrippen, ook al worden zij bijna altijd anders genoemd. Spinoza bijvoorbeeld
had het in feite over niets anders en omdat hij begreep dat het hierbij ging om
een ideale werkelijkheid, die bepalend is voor de redelijkheid en het normbesef
van de mensen, noemde hij zijn filosofie De Ethica (1677). Dat wil niet zeggen
dat hij de mensen ging voorschrijven wat zij te doen en te laten hadden, maar
het ging hem er om duidelijk te maken dat er voor de mens een volmaakte wereld
in het verschiet ligt. Een wereld die, op grond van die volmaaktheid, een baken
kan zijn waarop hij zich in zijn leven kan richten. Om dat te leren zou de mens
zijn verstand moeten zuiveren en het gevolg daarvan is zonder mankeren dat de
werkelijkheid onmiddellijk in orde is. Wat echter steeds maar weer vergeten of
niet begrepen wordt is dat die ideale werkelijkheid uitsluitend en alleen voor
de mens geldt. Daarmee bedoel ik te zeggen dat het gaat over de werkelijkheid
zoals die zich in laatste instantie aan de mens voordoet, om zo te zeggen als
een 'intellectuele' zaak, een zaak dus waarvan de mens zich steeds meer
'zelfbewust' wordt. De werkelijkheid zoals die voor hem verschijnt als een
realiteit.
54.
Vrijwel zonder uitzondering wordt gedacht dat er voor de
kosmos werkelijk 'ineenzijn' en volkomen 'samenhang' geldt zodat je zou kunnen
stellen dat het inderdaad over een ‘geheel' gaat. Vooral in allerlei varianten
van de New Age Beweging en in ecologische theorieën vormt deze gedachte, al of
niet nadrukkelijk uitgesproken, de kern van de wereldbeschouwing. Eigenlijk is
deze gedachte ook voor het Christendom essentieel, namelijk daar waar men min
of meer reikhalzend uitziet naar het 'Koninkrijk Gods' dat zich eenmaal op
aarde zal vestigen. Deze voorstelling van een volmaakte wereld komt ook neer op
de mening dat de wereld straks echt een vredig samenhangend geheel zal zijn.
Maar deze gedachte, met al zijn varianten van Plato tot en met New Age, is
volstrekt fout..!
Een en ander is niet zonder ingrijpende consequenties.
Het is bij het koesteren van dergelijke gedachten namelijk onmiddellijk
onmogelijk geworden de reëel bestaande mensen naar hun werkelijke geaardheid te
begrijpen en te waarderen. Dat kan logisch ook niet anders, want er wordt nu
iets van de mensen verwacht dat absoluut onmogelijk is, namelijk dat zij zich
als een bepaald verschijnsel, met een volkomen eigen persoonlijkheid, zullen
opheffen. Zelden hebben de denkers dat in de gaten, reden waarom de reëel
bestaande mens nog steeds niet in hun denken voorkomt en er zelfs strijdig mee
is, terwijl die echte mensen zelf geen enkele boodschap aan de door die denkers
uitgedachte filosofie hebben, evenmin trouwens aan de door hen aangeprezen
ethiek. Je treft allerlei geconstrueerde mensen aan, als regel keurig
beantwoordend aan de verlangens van diegene die ze bedacht heeft, maar nimmer
ontmoet je het verschijnsel mens in zijn alledaagse gedaante. Steeds is de wens
de vader van de gedachte. Dat blijkt bijvoorbeeld overduidelijk uit het nog
steeds hanteren van begrippen als zelfverloochening, opoffering, dienstbaarheid
en vele varianten daarvan. De mening dus dat die volmaakte werkelijkheid echt
kan bestaan en eens zal bestaan is er de oorzaak van dat men de mensen verguist
omdat men die mensen nu eenmaal niet kan inpassen in die volmaakte wereld. Dat
echter komt dus niet doordat de mensen niet zouden deugen - wat steeds als
gevolgtrekking naar voren gebracht wordt - maar doordat de voorstelling van een
concreet bestaanbare, volmaakt in zichzelf samenhangende wereld onhoudbaar is.
55.
Het fantaseren over een volmaakte wereld is kenmerkend
voor een mannelijke cultuur. Dat is een cultuur waarin de analyse hoogtij
viert, en wel op een zodanige manier dat de door analyse verkregen kennis de
plaats van het oorspronkelijke verschijnsel inneemt. Men ziet dus de kennis
over een bepaald verschijnsel aan voor dat verschijnsel zelf. Zo is
bijvoorbeeld het verschijnsel mens verworden tot een hoeveelheid
wetenschappelijke kennis en ten gevolge daarvan meent men een mens, jou of mij,
te begrijpen als men de over de mens bestaande literatuur bestudeerd heeft en naar
jou of mij allerlei onderzoeken gepleegd heeft. De wetenschappelijke literatuur
en de door analyse verkregen resultaten van onderzoek zijn de realiteit
geworden en hebben de reëel bestaande levende mens, jou of mij, verdrongen.
Deze ontwikkeling is een typisch mannelijk cultuurverschijnsel. Dat wat er echt
is heeft plaats gemaakt voor een fictie. Weliswaar een aan alle kanten
wetenschappelijk verantwoorde fictie, maar desalniettemin toch: een fictie. Ook
een op juiste kennis gebaseerde voorstelling van de werkelijkheid kan een waan,
een fictie, zijn.
56.
Op zichzelf is het juist van een 'analytische' cultuur te
spreken, of van een 'positivistische' of 'rationalistische' als het over de
modern westerse cultuur gaat. En er zijn nog meer mogelijkheden om die cultuur
te typeren, maar als al die typeringen in aan de wetenschap ontleende termen
verwoord zijn laten ze een ieder koud. Je neemt de zaak voor kennisgeving aan
en in het beste geval leer je er op een professionele wijze mee omgaan. Er
ontstaat echter nauwelijks de behoefte eens na te gaan of er misschien iets aan
het verschijnsel mens meekomt, hetzij het vrouwelijke, hetzij het mannelijke
verschijnsel, dat overeenstemt met de eigenaardigheden die de mensen op het
culturele en intellectuele vlak vertonen. Je moet de vraag stellen of de
eigenaardigheden van onze huidige cultuur wellicht corresponderen met de vrouw
of de man. Indien er een bevestigend antwoord gevonden wordt is het aan te
raden de wetenschappelijke termen, althans in de filosofie, te vervangen door
'associatieve termen' die zo direct mogelijk verwijzen naar de een of de ander.
Van belang is namelijk dat de zaak gevoelswaarde krijgt en daardoor een veel
geringere kans loopt tot een, op wetenschappelijke kennis berustende, waan of
fictie te verworden. Je voelt je er dan zogezegd bij betrokken.
57.
De cultuur van de moderne, aanvankelijk uitsluitend
westerse, wereld is mannelijk van aard. De kenmerken die die cultuur vertoont
zijn onlosmakelijk verbonden met 'het verschijnsel man'. Voor hem geldt een
aantal eigenaardigheden die ten volle overeenstemmen met het verschijnsel dat
hij is, het verschijnsel dus zoals het in de kosmos opgekomen is. Te voorschijn
kwam een verschijnsel dat in alles manifestatie is van 'de veelheid'. Dat
brengt eigenaardigheden met zich mee als het uitwendige, de hoekigheid, het
dynamische en het veranderlijke. Moderne wetenschappers willen ons wijsmaken
dat genoemde eigenaardigheden geheel toevallig aan de man op te merken zijn en
dat men ook genoeg vrouwen kan vinden op wie dergelijke kwalificaties van
toepassing zijn. Dat evenwel toont nog weer eens duidelijk aan hoe slonzig de
hedendaagse mens denkt - ondanks de intellectuele vorming die hij in ruime mate
genoten heeft. Het gaat immers niet om statistisch significante hoeveelheden en
ook niet om uitzonderingen. Het gaat om het karakter van bepaalde
verschijnselen, in dit geval de man. Bij hem behoren enkele eigenaardigheden
die niet van hem afgedacht kunnen worden. Zo heeft elk verschijnsel, ook de
vrouw, allerlei kenmerkende eigenaardigheden en dat is bepaald niet toevallig
zo! Als het levende verschijnsel op de planeet te voorschijn komt gaat er voor
dat verschijnsel een tweetal nieuwe begrippen gelden, namelijk het begrip het
inhoudende en het begrip inhoud. Die begrippen komen voort uit het gegeven dat
de werkelijkheid als zodanig noodzakelijk beschouwd moet worden als een
'eenheid van alles wat er is' en tegelijkertijd als een 'veelheid van ditten en
datten'. Uiteraard gaan het inhoudende en de inhoud zich noodzakelijk in de
evolutie van het leven manifesteren en wel als respectievelijk het vrouwelijke
leven en het mannelijke, uitlopend in de vrouw en de man. Houden wij ons voor
het gemak bij de mens, dan is te zeggen dat de vrouw de ‘eenheid' is die van
alles inhoudt en dat de man de 'veelheid' is die inhoud is van die ‘eenheid'.
Die verhoudingen zijn onvermijdelijk aan de vrouw en de man af te lezen. Van
toeval kan alleen gesproken worden door diegenen die in de eerder genoemde
fictie bevangen zijn: zij beschikken wel over een grote hoeveelheid kennis,
maar zij hebben nog niet ontdekt dat in en voor hun denken het echte
verschijnsel verloren is gegaan...
58.
Het verschijnsel man wordt gekenmerkt door het
uitwendige. Dat wil zeggen dat voor dat verschijnsel alles buitenwereld is.
Alle andere verschijnselen staan er buiten en het kan die dan ook slechts van
buitenaf benaderen. In de moderne wetenschappen spreekt men van een 'objectieve
benadering' en er zijn hier en daar zelfs nog denkers die deze benadering
alleen letterlijk bij de man voor mogelijk houden, wat aperte onzin is. Men
verwart een mannelijk verschijnsel met de concreet bestaande mannen. Of deze
mannen al of niet objectief de buitenwereld benaderen hangt af van hun
ontwikkeling, hun aanleg en hun cultuur. Maar, voor het verschijnsel man geldt
inderdaad het begrip objectiviteit. Ook de vrouwelijke ‘eenheid' wordt door het
mannelijke verschijnsel van buitenaf benaderd. De mannen gaan in de normale
seksualiteit van buitenaf naar de vrouwen om zich als haar inhoud te laten
gelden tijdens de coďtus. De mannen gaan in de vrouwen en niet andersom. Ook is
nog op te merken dat het alternatief van de mannen, namelijk hun zaadcellen,
zich in de buitenwereld begeven op weg naar de eicel van de vrouwen. Zij treden
uit de mannen. Vooral uit een aantal 'natuurlijke' en 'biologische'
eigenaardigheden van de mannen blijkt dat zij manifestaties van het
verschijnsel man zijn.
59.
Het verschijnsel man is een uitgesproken hoekig
verschijnsel. Dat wil zeggen dat er van allerlei uitsteekt. Dat zijn
verschillende bijzondere verhoudingen die ergens op toegespitst zijn, dus
verhoudingen die 'dit' zijn of 'dat’, maar nimmer de eenheid of de overgang van
die twee. Er blijft een scheiding tussen 'dit' en 'dat' bestaan. Bij de mannen
kun je bijvoorbeeld opmerken dat hun geslachtsorgaan ‘er uitsteekt',
toegespitst is en ook qua biologische ontwikkeling eenzijdig een penis schijnt
te zijn. Een rudimentaire vagina is door de wetenschap niet ontdekt, behalve
uiteraard in biologisch afwijkende gevallen. Bij de vrouw echter is wel een
rudimentaire penis aanwezig. Dat voor het verschijnsel man 'dit' ten enen male
niet 'dat' kan zijn is ook de grond voor de analyse. Alles is in principe uit
elkaar. Hoewel men in het moderne denken graag wil dat mannen en vrouwen
precies eender zijn staat het toch statistisch vast dat een puur analytische
gesteldheid vooral bij mannen voorkomt. Dat is geen toeval en ook geen gevolg
van bepaalde 'rollenpatronen binnen een cultuur', maar gewoon een
fenomenologisch feit. Wijzen op vrouwen die ook analytisch ingesteld zijn
bevestigt alleen maar dat mannen het in principe vanzelfsprekend zijn. En dat
is nu precies de clou: bij mannen is het analytische iets vanzelfsprekends,
maar bij vrouwen is het, op grond van bepaalde cultuurinvloeden, iets
bijzonders.
60.
Als voor het mannelijke verschijnsel alles buitenwereld
is valt er niet aan te ontkomen dat ten opzichte van dat verschijnsel alles wat
zich erbuiten bevindt altijd en noodzakelijk ‘ergens heen' gaat. Steeds is het
een op weg naar het ander, steeds is er het benaderen. Van buitenaf benadert
het mannelijke verschijnsel datgene dat het zelf niet is en om te beginnen
wordt het daarbij geconfronteerd met de uiterlijke verschijning van ‘het
andere', om pas later, na onderzoek, de samenstellende delen te leren kennen.
Maar ook die worden van de buitenkant beschouwd. Doordringen in ‘het andere'
betekent dat het uit elkaar gehaald wordt. Dat voor het mannelijke verschijnsel
alles iets uitwendigs is leidt tot de noodzaak het andere te benaderen en dat
is een dynamische zaak. Voortdurend is alles in beweging in een voortdurend
benaderen van het andere en het zich ervan verwijderen en nimmer is er rust.
Ook het mannelijke sperma is toonbeeld van een dynamische zaak: de zaadcellen
begeven zich niet alleen op weg naar de vrouwelijke eicel, maar moeten het ook
nog eens hebben van hun dynamiek. Hoe dynamischer, hoe meer kans dat zij de
reis halen. Een mannelijke cultuur, zoals de westerse, wordt gekenmerkt door
een grote dynamiek. Voortdurend is alles in beweging, veranderen alle dingen,
en in de wetenschappen dringt men almaar dieper door in de materie. Dat ergens
in doordringen is de mensen in de oudheid al opgevallen. De Griekse godheid
Apollo bijvoorbeeld was een zonnegod die zijn stralen in de aarde, het
vrouwelijke, liet doordringen. Bovendien was hij een boogschutter en de stralen
van de zon waren zijn pijlen. Hij schoot altijd raak, reden voor Homerus om hem
'de treffer van verre' te noemen. Merkwaardig helder was echter toentertijd al
het inzicht dat die pijlen van Apollo absoluut dodelijk zijn. Dus: het
mannelijke op zichzelf is dodelijk en bijgevolg is ook de analyse dodelijk! De
westerse mannen zijn onmiskenbare vertegenwoordigers van het dynamische: de
gehele westerse geschiedenis getuigt van de ondernemingslust van de mannen, of
dat zich nu openbaart als ontdekkingsreizen naar vreemde streken of
onderzoekingen naar de samenstelling van de materie Steeds gaan de mannen op
weg naar het vreemde, het onbekende. En steeds zijn zij erop uit de
werkelijkheid in de vorm van kennis in bezit te nemen. Maar ook ondernemen zij
allerlei organisatorische, technologische en economische activiteiten. Daarvan
denken zij dat zij het doen om voor zich rijkdom te verwerven, en van de
buitenkant beschouwd is dat ook zo, maar in feite laten zij gelden dat het
heelal voor hen niet onbekend kan blijven en dat dit op de wijze van kennis hun
eigendom moet worden.
61.
Als je almaar in beweging bent ben je aan verandering
onderhevig. Niet alleen echter dat dit voor jezelf geldt, ook het andere is
geen moment hetzelfde. Alles is bevangen in een voortdurende stroom van
veranderingen. Niets blijkt bij zichzelf te blijven. Dat is namelijk wat het
begrip veranderen inhoudt: dat iets wel 'zichzelf blijft' maar niet 'bij
zichzelf blijft'. Daarmee bedoel ik te zeggen dat iets bepaalds weliswaar niet
iets anders wordt - een boom blijft ten allen tijde een boom - maar dat
tegelijkertijd toch steeds afscheid genomen wordt van de situatie 'nu' om te
geraken in de situatie 'straks'. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor iets
levends, zoals die boom, maar ook voor 'dode' materie zoals een steen. In het
algemeen is van dit laatste te zeggen dat de vergankelijkheid hier zijn rol
speelt. Maar bij de levende materie gaat het om het leven: dat wil zeggen het
telkens anders zijn, het telkens nieuw zijn.
Het mannelijke verschijnsel staat in het teken van de
verandering. Dat geldt uiteraard voor dat verschijnsel zelf, maar het geldt
vanuit dat mannelijke verschijnsel ook voor de buitenwereld. Die wordt als
veranderlijk ervaren enerzijds, maar die moet ook veranderd worden anderzijds.
Het mannelijke verschijnsel kan ook de buitenwereld niet 'bij zichzelf' laten,
er moet bijwijze van spreken aan gesleuteld worden, wat overigens op den duur
die buitenwereld tot een voor de mensen leefbare wereld maakt. Maar wat dit
betreft raken wij nu aan een ander proces dat nog even buiten beschouwing
gelaten moet worden. In ieder geval komt die behoefte aan veranderen, zowel van
zichzelf als van de buitenwereld, volop voor de dag bij de moderne westerse man
die zo langzamerhand nergens meer rust en stabiliteit bij vindt.
62.
De techniek stelt ons straks in staat om ook levende
wezens te veranderen. Men is al een heel eind op weg met het ingrijpen in de
erfelijke grondslagen van mensen, planten en dieren. Zo is het bijvoorbeeld
denkbaar dat men in een menselijk embryo ingrijpt en het zodanig verandert dat
een jongetje een meisje wordt en andersom. Maar, hoever men straks ook gaan kan
met dit soort technieken, onvermijdelijk zal blijven gelden dat het 'nieuwe’
een omgebouwd 'oude' is en noodzakelijk het grondpatroon van dat 'oude' zal
handhaven. Dus, als men door ingrijpen een meisje gemaakt heeft zal dit meisje
altijd en noodzakelijk een 'tot meisje gemaakt jongetje' zijn. Onder
omstandigheden kan men dit een goede oplossing voor bepaalde problemen vinden,
maar het feit dat het eigenlijk een jongetje was is nimmer weg te poetsen.
Volgens sommige verdwaasde feministen kan men doormiddel van bepaalde
chirurgische ingrepen een man ombouwen tot een vrouw, zodat deze in staat wordt
een kind te dragen en te baren. We hebben nu eens niet te doen met De roof van
het vrouwengeheim, zoals Fokke Sierksma dat destijds beschreven heeft en wat
een mannenzaak was, maar met een duidelijk geval van roven van het
Mannengeheim! Er blijkt uit, dat die feministen, en met hen vele anderen die
hen niet tegenspreken, geen flauw idee hebben van de verhoudingen zoals die
vanuit de evolutie van het leven voor de verschijnselen vrouw en man gelden.
Dat een vrouw kinderen kan baren komt doordat voor haar het begrip Het Geheel
geldt met als onafwendbare logische consequentie dat zij Het Inhoudende is en
bijgevolg een inhoud heeft. Een inhoud die zich moet manifesteren en die
zodoende voor de dag komt. En ook vermoedt men zelfs niet eens dat een man hier
buiten staat terwijl hij om te beginnen, in de moederschoot, nog De Inhoud was.
Beide begrippen, Geheel en Inhoud behoren wel bij elkaar, maar zijn ieder voor
zich volstrekt iets anders, en het een zal nooit het ander worden, hoe men ook
knutselt.
De mensen van vandaag zijn, hoezeer ook intellectueel
ontwikkeld, enorm ver van zichzelf verwijderd. Hun analytische denken heeft
hen, zeker wat hun vrouw- en manzijn betreft, bijna volledig op een dwaalspoor
gezet zodat men meent dat de verschillen tussen de geslachten toevallige
fenomenen zijn die, zij het met enige moeite en met behulp van
wetenschappelijke kennis, gemakkelijk te elimineren of te veranderen zijn. In
die waan wordt men dan ook nog versterkt door de waarneming dat het soms
voorkomt dat iemand, naar eigen gevoelen, in een verkeerd lichaam geboren is,
alsof het leven ergens een keuze maakt tussen het ene of het andere lichaam!
Die verkeerde situatie mag dan op een toeval berusten, maar het feit dat het
ene lichaam dat van een man is en het andere dat van een vrouw berust in het
geheel niet op enig toeval.
63.
Voor het verschijnsel man geldt het begrip hoeveelheid
Daaraan valt onder meer te bedenken dat er 'het een' is en ook 'het ander'; dat
'het een' beslist 'het ander' niet is; dat die twee , echter onvermijdelijk
'naast elkaar' aanwezig zijn; dat ze met elkaar een 'totaliteit' vormen en dat
het hele stel inhoud is van het vrouwelijke. Aanvankelijk wisten de mensen nog
nauwelijks van iets. Zij leefden voornamelijk op hun gevoelens en instincten,
zo ongeveer als pasgeborenen dat doen. Doordat hun zelfbewustzijn, hoewel
volledig en effectief aanwezig, nog vrijwel geen kennis inhield kon dit nog
niet als een sturende en regulerende instantie optreden. De gevoelens en
instincten van de mensen waren nog geheel en al ingebed in het vrouwelijke
Geheel. Dat betekent dat alle eerder genoemde mannelijke eigenaardigheden, hoewel
vanzelfsprekend aanwezig, zich niet of nauwelijks konden laten gelden.
Uiteraard was er wat dat betreft al spoedig enige onrust onder de toenmalige
mannen, hetgeen bijvoorbeeld tot allerlei vreemde gedragingen leidde, zoals die
door Fokke Sieksma in De roof van het vrouwengeheim beschreven zijn. Het feit
dat het groeiproces van het zich realiseren naar het begrip hoeveelheid
onmiddellijk ingezet is kan niet anders dan onrust, vervolgens agressie en
daarna veroveren van de macht opleveren. Hetgeen dan ook uit de geschiedenis
blijkt.
Werd het verschijnsel man gedurende de oudheid nog
ervaren als een zaak binnen het geheel van een vrouwelijke werkelijkheid, al
spoedig traden de mannen naar buiten, ten gevolge van de ervaring dat zij, in
de kwaliteit van het verschijnsel man, zelfstandige grootheden zijn. Het
evenwel niet uit te schakelen begrip Het Geheel leidde tot het vormen van
collectieven waarin de mannen zich moesten onderwerpen aan de hogere normen en
wetten daarvan. En dat gold uiteraard ook voor de vrouwen omdat die nu als aan
de man meekomend werden ervaren. Het vormen van collectieven maakt voor een
belangrijk deel de ontwikkeling van de westerse mens uit. Pas in onze 20ste
eeuw breekt het oplossen daarvan definitief door.
64.
Aan de hoeveelheid is voorondersteld dat het 'een' het
'ander' niet is. Op grond daarvan kan het niet uitblijven dat ook het, tijdens
de ontwikkeling van de westerse mens, tot collectief verworden geheel uiteen
zal gaan vallen. Dat wordt gerealiseerd door de door mij genoemde 'Moderne
Mens'. Hij treedt op gedurende de gehele 20ste eeuw, om tegen het einde daarvan
onmiskenbaar aanwezig te zijn. Het mag dan ook geen wonder heten dat vandaag de
dag alle collectieven hun betekenis verliezen en de een na de ander instorten.
Daarbij zijn tenminste twee merkwaardige verschijnselen te constateren. Ten
eerste ziet men dat de inhoud van die collectieven dermate gefragmenteerd wordt
dat niemand de zaak meer kan overzien en hij dus onhandelbaar is geworden en
ten tweede kan men aan de mensen ervaren dat zij geen verwantschap meer voelen
met het begrip collectief. De betekenis
daarvan ontgaat hen steeds meer. Zo is bijvoorbeeld het begrip openbaar tot een
lege kreet geworden, evenals de begrippen gemeenschap, saamhorigheid, publieke
werken en zo meer. Tegelijkertijd ziet men dus het diffuus worden en het
verlies van betekenis. Zoals altijd leidt deze ontwikkeling tot een ramp voor
'het volk' voorzover men daaronder de maatschappelijk onderste lagen van de
bevolking moet verstaan. Het is daarentegen een regelrechte goudmijn voor het
toenemende aantal bevoorrechte enkelingen voor wie het uitgeholde collectief,
dat de maatschappij inmiddels is geworden, fungeert als een bron van inkomsten
- grove winsten, mag men wel zeggen...
65.
Voor de werkelijkheid naar haar laatste oftewel
'volmaakte' verschijningsvorm gelden twee essentiële begrippen. Het begrip
namelijk Het Geheel en het begrip Het Totaal. Uiteraard slaat het eerstgenoemde
begrip op de zaak zelve en het tweede op alles waaruit die zaak bestaat. Dit
laatste is dus de inhoud van het eerste. Je kunt aan beide essentiële begrippen
een reeks vervolgbegrippen bedenken, afhankelijk van het thema dat voor
overdenking aan de orde is. Maar altijd hebben die begrippen met elkaar te
maken. Ga je bijvoorbeeld de werkelijkheid eenzijdig beschouwen als een
hoeveelheid verschillende dingen, dan wordt het begrip Het Geheel tot het
begrip verzameling of collectief. Dit
laatste is vooral van toepassing op de mensheid. Dus: als de nadruk is komen te
liggen op de afzonderlijke mensen, de individuen, wordt het automatisch Het
Collectief dat als 'bindend element' op gaat treden. De mensen gaan dat
collectief als het overkoepelende, het boven zichzelf uitgaande en het hogere
zien en waarderen. Zo krijg je dan de oppermachtige staat, de verenigingen, de
partijen, de vakbonden, enzovoort.
Onvermijdelijk zijn daar dan ook de vertegenwoordigers
van die collectieven, die er in zoverre buiten vallen dat zij de regels en de
normen voor hun eigen collectieven bepalen. Maar, als 'regelaars', managers,
bestuurders en dergelijke behoren zij op hun beurt ook weer tot collectieven.
Dat is de situatie die in de 20ste eeuw tot regel wordt, maar die ook, tegen
het einde van die eeuw, gaat vervliegen en in het niets verdwijnt. Daarmee zijn
de laatste herinneringen aan de werkelijkheid als Geheel verdwenen, tenminste,
herinneringen aan een zaak waarin de afzonderlijke mensen bij voorbaat al
opgenomen zijn. Cultureel gezien is dat het tijdperk waarin de afzonderlijke
mens, het individu, afgeleid wordt uit het geheel alsof het het kleinste
element van dat geheel zou zijn: het individu als kleinst mogelijke deel van de
samenleving. Die individu wordt wel op zichzelf gesteld en hij wil zich ook als
een afzonderlijke entiteit waarmaken, maar steeds is dat een zich losmaken uit
het geheel, in casu het collectief. Pas als de mensen door dat 'losmaken' heen
gegroeid zijn kan 'het' individu, de afzonderlijke mens dus, zich gaan laten
gelden als 'de' individu en dat is de mens die zijn eigen bestaan in samenhang
met dat van de anderen weet.
Betrouwbaarheid-1 ; Betrouwbaarheid-2 ; Betrouwbaar ; Onbetrouwbaar ;
Het zichzelf uithollen en
diffuus worden van de menselijke collectieven staat niet op zichzelf. Het hangt
ten nauwste samen met het versnipperen van het wereldbeeld door de
voortschrijdende analyse der verschijnselen. Die analyse levert kennis op en
dat is kennis die steeds een maximum aan betrouwbaarheid geniet. Langzaam maar zeker wordt het wereldbeeld
van de mens ingevuld door die hoogst betrouwbare kennis. Hoe verder men
teruggaat in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid, hoe meer het
wereldbeeld van de mensen bestaat uit ervaringsfeiten, kennis dus die men in de
loop der tijden, met vallen en opstaan, verworven heeft. En men heeft die
kennis opgedaan aan de realiteit zelf, dat wil zeggen: aan de dingen waarmee
men bezig was met een bepaalde bedoeling. Men was bijvoorbeeld bezig wind te
vangen om de schepen beter en sneller te laten varen. Na verloop van tijd kreeg
men, door almaar schepen met zeilen te bouwen, in de gaten hoe zoiets aangepakt
moest worden. De daaraan ten grondslag liggende kennis bestaat uit een
hoeveelheid ervaringsfeiten. Het aan die feiten meekomende wereldbeeld wijkt
niet af van de realiteit, welke verklaringen men er ook aan gaf. Dacht men dat
het goden waren die de winden deden waaien, dan deed een dergelijke verklaring
niets af aan het realiteitsgehalte van de kennis omtrent het gebruik van de
wind. Men kende de seizoenen, het weer, het waaien van de winden, de
golfstromingen en dergelijke op zijn duimpje, ondanks het feit dat men dacht
dat er de hand van een god achter stak.
Voor de moderne mens is dat alles verloren gegaan. Hij
ontleent zijn kennis niet aan ervaringen, aan vallen en opstaan, maar aan
wetenschappelijk onderzoek. Doordat dit onderzoek zich betrekt op een steeds
kleiner deel van de werkelijkheid ontstaat er tenslotte een wereldbeeld dat
geen verband meer houdt met de realiteit. Het wordt een wetenschappelijk
geconstrueerd wereldbeeld. Het kan dan niet uitblijven dat juist dat
wereldbeeld voor de realiteit gehouden gaat worden. Men gaat steeds meer in de
waan verkeren dat de wetenschappelijke voorstelling van de werkelijkheid de
echte werkelijkheid is. En daarmee is men in de meest hardnekkige waan
verzonken die maar mogelijk is...
Betrouwbaarheid-1 ; Betrouwbaarheid-2 ; Betrouwbaar ; Onbetrouwbaar ;
67.
De mensheid heeft door de eeuwen heen in allerlei wanen
verkeerd. Maar steeds bleken die na verloop van tijd aan de hand van de feiten
onhoudbaar te zijn. Ook als men hardnekkig en onder dreiging met geweld de
mensen verbood na te denken en te onderzoeken, zoals dat in de godsdiensten het
geval is, konden de mensen op de lange duur toch niet langs de feiten heen en
zo werden die godsdiensten letterlijk diensten aan bepaalde ideologische
machten die geen onderzoek en toetsing kunnen verdragen. Men zou de zaak willen
onderzoeken en toetsen, maar het mag helaas niet. In de wetenschap echter moet
men het juist van onderzoek en toetsing hebben en de dingen moeten juist
onderzocht worden. En de verkregen resultaten moeten gecontroleerd worden zodat
men van de betrouwbaarheid ervan
overtuigd raakt. Gevolg is een wereldbeeld dat in alle opzichten betrouwbaar is. Een wereldbeeld waarop
je je kunt verlaten. Het feit dat het na enige tijd bijgesteld moet worden doet
er niets aan af neen, het bevordert juist de betrouwbaarheid ervan! Op grond van deze bijna absolute betrouwbaarheid is het voor de moderne
mensen in principe onmogelijk de waan, waarin zij bevangen zijn, te doorbreken.
De waan namelijk dat dit betrouwbare, getoetste en juiste wereldbeeld de echte
werkelijkheid zou zijn. Maar, het is slechts de wetenschappelijke voorstelling
ervan. Het is een constructie van uiterst betrouwbare kennisdata en formules,
maar het is ten enen male niet de realiteit. Gevolg hiervan is onder andere dat
de mensen zo langzamerhand niet meer weten waarover het gaat als het over de
echte werkelijkheid, de realiteit, gaat. En dat leidt er op zijn beurt toe dat,
ondanks alle geraffineerde wetenschappelijke theorieën, steeds minder gelukt
aan wat de mensen op alle mogelijke gebieden ondernemen. Hun vat op de
realiteit verdwijnt nagenoeg geheel en alles wordt een slag in de lucht. Zo ontstaat
de schizofrene situatie dat er naast een buitengewoon hoog ontwikkeld
technologisch denken en fantastische technische voorzieningen tegelijkertijd
een afschuwelijke hulpeloosheid bezit neemt van de mensen. Gaandeweg gelukt er
steeds minder..
Het kan geen kwaad er nog eens op te wijzen dat er een
belangrijk onderscheid is tussen 'het verschijnsel man' of 'het verschijnsel
vrouw' en 'de man' en 'de vrouw' zoals men die in het dagelijkse leven
tegenkomt. Als het over het verschijnsel gaat zijn het algemeen geldige
begrippen die van toepassing zijn en daarbij komt ook het feit voor de dag dat
het verschijnsel man van een geheel andere grondstructuur is dan het
verschijnsel vrouw. Het is van groot belang dit te begrijpen omdat er anders
alleen maar onzin over de mens op tafel kan komen. Zoals overigens vandaag de
dag ook gebruikelijk is! Volgens veel moderne filosofen en andere lieden die
zich verbeelden 'denker' te zijn is het volstrekt fout om over de mensen te
spreken in termen van fundamentele structuren die bij de man anders zijn dan
bij de vrouw. Zo er al verschillen te constateren zijn berusten die op
vooroordelen die volgens die 'denkers' voortkomen uit cultuurvoorstellingen die
van tijd tot tijd veranderen en die bovendien plaatselijk gebonden zijn. En dat
zijn dan uiteraard geen wezenlijke verschillen. Dat is op zichzelf zeker juist,
maar dat wil niet zeggen dat er geen structuren zijn die dieper liggen en die
op dat niveau wel degelijk verschillen vertonen. Die verschillen echter zijn
niet analytisch denkend op te sporen en aan te tonen en dus ontgaan ze de
modern denkende mensen.
De modern denkende mensen zijn, ondanks hun grote
intellectuele bagage, net als die Romeinen die absoluut niet in staat waren de
cultuur van de Germanen te herkennen doordat zij, vanuit hun eigen
cultuurwaarden, zochten naar de hun bekende manifestaties van beschaving. Er
moesten dus tempels aangetroffen worden en aquaducten. Literatuur moest er zijn
en een gestructureerde staat alsmede een oppermachtige caesar, steunend op een
absolute staatsgodsdienst. Bovendien moest er een individueel rechtsbesef zijn.
Van al die zaken konden de Romeinen niets vinden en dus was er daar geen
cultuur. De Germanen waren onbehouwen barbaren. Maar dat de Germanen veel
betere schepen konden bouwen dan de Romeinen, aanzienlijk efficiëntere
boerderijen hadden evenals betere landbouwmethoden, dat herkenden die verblinde
Romeinen niet. De Germanen waren uiterst bedreven in de siersmeedkunst en ook
het smeden van wapenen was bij hen een onovertroffen kunst. Voor de Romeinen
telde dat allemaal niet, niet zozeer omdat zij daarvoor te arrogant waren, maar
vooral omdat het volstrekt buiten hun gezichtsveld viel. Iets dergelijks komt
in elke cultuur voor. Ook de onze gaat er in ernstige mate mank aan, ondanks de
pretentie voor alles 'open te staan'. Voor datgene dat niet onmiddellijk
tastbaar aanwezig is kan de moderne mens niet openstaan omdat het er
eenvoudigweg niet voor hem is. Zo vallen ook de fundamentele onderscheidingen
tussen het verschijnsel vrouw en het verschijnsel man buiten de voorstelling
van deze moderne mensen. En voorzover er toch wel verschillen geconstateerd
worden zijn die volgens hun toevallig ontstaan.
70.
Het spreekt vanzelf dat ook de oppervlakkige, tijd- en
plaatsgebonden, eigenaardigheden van vrouwen en mannen er niet toevallig zijn!
Ten eerste ligt er de basis zoals die bepaald wordt door de fundamentele
eigenaardigheden van het verschijnsel dat de vrouw is en dat de man is. En
daarna komt de vraag op hoe die eigenaardigheden op een bepaalde plaats en in
een bepaalde tijd terechtkomen, hetgeen dus ook niet echt toevallig is. Het
begrip toeval is in feite slechts op het persoonlijke vlak geldig omdat het
maar net de vraag is hoe het met de aanleg van de een gesteld is en met die van
de ander. De zaak komt in een ieder weer enigszins anders te voorschijn. Het
heeft weinig zin al deze toevallige eigenaardigheden te onderzoeken en in kaart
te brengen en dat geldt vooral voor de filosofie. Het is niet alleen verspilde
energie, maar zelfs een filosofische dwaalweg zich met dat soort van details
bezig te houden.
71.
Kenmerkend voor het verschijnsel man is dat 'het andere'
zich altijd en noodzakelijk buiten hem bevindt. Voorzover de mannen zich op
grond daarvan op een dynamische manier laten gelden staat bovendien dat andere
voortdurend in de weg. Het moet dus voor hen wijken. Het mag er eigenlijk niet
zijn. Hier ligt de grond voor de mannelijke agressiviteit, hun nimmer aflatend
voeren van oorlogen en het uitleven van moordlust. Het is een absoluut niet te
ontkennen feit dat het almaar de mannen zijn die verreweg het grootste deel van
hun 'levensenergie' steken in het elkaar het leven zuur maken. Wat op dat
gebied door de mannen is bereikt tart welbeschouwd elke beschrijving. Men moet
er niet aan denken hoever de mensheid gevorderd zou zijn als al die energie
eens aan haar welzijn ware besteed...
Anderzijds geldt voor de man, op grond van de
eigenaardigheden van het verschijnsel man, dat hij geruime tijd zijn
werkelijkheid alleen maar kan begrijpen juist als de dingen buiten hem zijn.
Daar behoren zij zich volgens hem te bevinden, dat is hun plaats in het aan
zijn voorstelling beantwoordende kosmische bestel. Daarop berust dan ook zijn
niet te stillen honger naar analyse, het uit elkaar halen van de
verschijnselen. Vervolgens moeten die buiten hem gestelde dingen aan zijn macht
onderworpen worden want alleen op die manier kan hij zich ermee verbonden
voelen. En tenslotte loopt al zijn gedoe, in de kwaliteit van 'moderne mens',
uit in culturele krankzinnigheid vanwege de omstandigheid dat alle
'natuurlijke' en dus werkelijke verbanden verloren zijn gegaan.
72.
Al met al schijnt het geen rooskleurig beeld dat van het
verschijnsel man is te tekenen. Maar dit berust op gezichtsbedrog: het
bovenstaande slaat immers op de mannen voorzover die ondergeschikt zijn aan een
cultuur die in het teken van het verschijnsel man staat, een mannelijke cultuur
dus. In zo een cultuur kunnen de verhoudingen van het buiten elkaar zijn van de
verschijnselen zich, optimaal versterkt, eenzijdig en ongeremd laten gelden.
Het erbij behorende verschijnsel vrouw kan dan niet meer uit de voeten en het
is zelfs zo dat de vrouwen geheel en al onderworpen zijn aan de normen en
waarden van die cultuur, die in het teken van het verschijnsel man staat, die
'mannelijke' cultuur dus. In feite denken ook die moderne vrouwen mannelijk en
dat is er de reden van dat zij, bijvoorbeeld in hun doorgaans goedbedoelde
feminisme, ontstellend veel onzin uitkramen, zoals onder andere de
veronderstelling dat mannen straks langs operatieve weg voorzien zullen worden
van baarmoeders teneinde, in gelijkwaardigheid met de vrouwen, vrucht te kunnen
dragen en kinderen te baren.
73. Vervreemding-1,
Vervreemding-2,
Vervreemding-3,
Vervreemding-4
en Vervreemding-5
De in het teken van het verschijnsel man staande cultuur
is de laatste fase van de cultuurontwikkeling van de mensheid. Tegelijk met een
tomeloze destructiviteit is er een enorme toename van getoetste kennis. Die zal
het de mensen op den duur mogelijk maken de werkelijkheid als voorstelling,
noem dat eventueel de levens- en wereldbeschouwing, te zuiveren van allerhande
onzin, zoals onder andere het geloof in onbestaanbare verschijnselen. Dit
laatste echter kan alleen maar dan effectief worden als intussen ook het
verschijnsel vrouw herontdekt is. Voorlopig echter gaat het mannelijke proces
door en neemt tengevolge daarvan de verwarring almaar toe, evenals trouwens de vervreemding
die berust op de 'schijngestalten’ van de op wetenschappelijke analyse
gebaseerde voorstellingen van de werkelijkheid. De wetenschappelijke
voorstelling van de werkelijkheid valt immers niet samen met de werkelijkheid
zelf !
Vervreemding-1, Vervreemding-2, Vervreemding-3, Vervreemding-4 en Vervreemding-5
Volgens de meeste hedendaagse filosofen valt de
werkelijkheid uiteen in een aantal zogenaamde deelgebieden Die opvatting stamt
rechtstreeks van de filosoof Immanuel Kant ( 1724-1804) die zich in zijn
filosofische denken richtte op de verschijnselen en terecht daaraan bedacht dat
alle dingen van elkaar gescheiden zijn en dus ook in rubrieken ingedeeld zouden
kunnen worden. Hoe dan ook, voor Kant waren er alleen maar de feitelijke
verschijnselen en was 'Das Ding an sich' noodzakelijk onkenbaar. Uiteraard is
deze Kantiaanse filosofie door en door mannelijk en tenvolle behorend tot de
moderne westerse cultuur. Geen wonder dat die hedendaagse filosofen niet op het
idee komen dat de werkelijkheid volstrekt niet in van elkaar gescheiden
gebieden te verdelen is. Het 'een' en het 'ander' zijn weliswaar van elkaar
gescheiden, maar zij zijn nimmer ‘los' van elkaar, dat wil zeggen dat het ‘een'
nooit gedacht kan worden zonder ook op de een of andere manier 'het ander' te
denken. Het bestaan van allerlei fraaie disciplines als 'cultuurfilosofie', ‘
godsdienstfilosofie', 'wetenschapsfilosofie' en dergelijke slaat dus nergens
op. Zoiets kan, sterker nog, onmogelijk tot inzicht leiden. Hoogstens komt het
tot enige wetenschappelijke betekenis...
Betrouwbaarheid-1 ; Betrouwbaarheid-2 ; Betrouwbaar ; Onbetrouwbaar ;
Omdat in de filosofie,
door het voor de mens als ondeelbaar verschijnen van de werkelijkheid, geen
mogelijkheid bestaat die werkelijkheid in stukjes te verdelen kan er eigenlijk
uitsluitend over de gehele werkelijkheid gedacht en gesproken worden. Door de
oneindigheid echter van de zich in alle richtingen uitstrekkende verbanden kan
de filosoof niet anders dan thema's kiezen en belichten. Dat zijn wegen
waarlangs het denken gaat. Het zijn 'gedachtegangen'. Die echter blijven te
allen tijde verbonden met de rest van de werkelijkheid en komen, hoewel in het
filosofische betoog belicht als op zichzelf staande thema's, nimmer werkelijk
op zichzelf voor. Overigens moet in dit verband opgemerkt worden dat juist het
inzicht dat het 'een' niet zonder het 'ander' te denken is de basis is van de
toetssteen voor de waarheid van de filosofie. Niet analytisch onderzoek bepaalt
de betrouwbaarheid, maar
voortdurend in alle richtingen toetsen van de veelzijdige verbanden. Wanneer
daarin nergens een breuk optreedt en het denken nergens blijft steken is de
zaak in orde. In feite is deze procedure precies tegengesteld aan die van de
wetenschappen: haalt men hierbij de werkelijkheid uit elkaar om tot betrouwbare
en juiste kennis te komen, in de filosofie zoekt men juist in de veelzijdige
samenhang de waarheid, Maar dit laatste criterium zal voorlopig nog niet door
de moderne intelligentsia erkend worden!
Betrouwbaarheid-1 ; Betrouwbaarheid-2 ; Betrouwbaar ; Onbetrouwbaar ;
76. Naar bladwijzers: Vervreemding-1, Vervreemding-2, Vervreemding-3, Vervreemding-4 en Vervreemding-5 ; Onverdraagzaamheid
; Onverdraagzaam-1
; Onverdraagzaam-2
; Eenzijdigheid-1
; Eenzijdigheid-2
Je kunt elke cultuur als 'negatief ' kwalificeren omdat
er noodzakelijk een grote en ernstige mate van vervreemding optreedt.
Het gaat in een cultuur immers om het bewustworden en ontwikkelen van een
bepaald thema zoals dat zich afleiden laat uit de werkelijkheid als zelfbewustzijn.
Dat bepaalde thema is in een dergelijke cultuur de absolute maat voor alles,
een maat waaraan niet alleen het denken, maar vooral ook de gehele maatschappij
afgemeten wordt. Alles wat zich niet met die maat meten laat en er op de een of
andere manier buiten valt, bestaat eenvoudigweg niet. Omdat zoiets echter een
onmisbaar onderdeel van de werkelijkheid als zelfbewustzijn uitmaakt treedt er
een 'menselijk tekort' op dat onder omstandigheden grote psychische en
maatschappelijke verwarring tot gevolg kan hebben. Hoewel dus de ontplooiing
van zo een zelfbewust thema op zichzelf een noodzakelijk en verhelderend proces
is, waaraan op den duur de mensheid haar praktische volwassenheid te danken
heeft, is het in zijn actuele stadium allesbehalve volwassen, maar juist
bekrompen, eenzijdig, onverdraagzaam en traumatisch. Dat zou op zichzelf nog
niet zo kwalijk zijn ware het niet dat juist de, op zichzelf 'positieve',
verworvenheden zonder mankeren aangewend worden om alle kleinzieligheden en
bekrompen opvattingen als hogere waarden door te zetten en onverbiddelijk af te
dwingen. Er is dus een paradoxaal samengaan van, zeg maar, schitterende
menselijke kwaliteiten met gruwelijke praktijken. Naast Michelangelo en
dominerend over de humaniteit daarvan is er de onderlinge moordlust van de zich
individu wanende leden van de culturele bovenlaag. De eenzijdigheid van een cultuur gaat dus noodzakelijk samen met een
grote mate van agressiviteit en, in feite, moordlust. Iets wat buiten het
zelfbewustzijn valt mag zonder meer niet bestaan.
Naar bladwijzers: Vervreemding-1,
Vervreemding-2,
Vervreemding-3,
Vervreemding-4
en Vervreemding-5
; Onverdraagzaamheid
; Onverdraagzaam-1
; Onverdraagzaam-2
; Eenzijdigheid-1
; Eenzijdigheid-2
Naar
bladwijzers: Eenzijdigheid-1
; Eenzijdigheid-2
In onze moderne cultuur is gemakkelijk waar te nemen dat
de gigantische wetenschappelijke verworvenheden steeds op de een of andere
manier door de mensen aangewend worden om elkaar dwars te zitten. Het gaat
daarbij eigenlijk allang niet meer om aan de moderne cultuur vreemde andere
cultuuruitingen, maar nadrukkelijk om de medemensen als zodanig. Je kunt dan
ook zeggen dat het 'culturele agressiviteits-criterium' vervallen is en plaats
heeft gemaakt voor een 'individueel' criterium voor agressiviteit, voor haat en
nijd, hoogmoed en onverschilligheid. Het gaat er om dat 'jij' er niet mag zijn
als 'ik' er ben en aangezien 'ik' er altijd en onvermijdelijk ben moet ‘jij'
altijd uit mijn buurt blijven.
Het feit dat het wezenlijk niet langer om culturele zaken
gaat maar om existentiële waarden, namelijk het bestaan van jou en van mij,
duidt op het ten einde lopen van de culturele ontwikkeling van de mensheid, dus
die ontwikkeling waarbij telkens een bepaald en op zichzelf staand thema
centraal stond. Je kunt derhalve zeggen dat de ‘gefaseerde' ontplooiing op zijn
eind loopt. Je zou dat best wel toe kunnen juichen omdat nu in principe de
hoogmoedige culturele eenzijdigheid
gaandeweg geen kans meer krijgt, maar zo prettig blijkt het allemaal beslist
niet te zijn als het proces nu zover gevorderd is dat ons particuliere bestaan
in het geding komt. Deze laatste cultuurfase laat de mannelijke werkelijkheid
ten voeten uit zien. Ik bedoel te zeggen: de werkelijkheid als zelfbewustzijn
die effectief in het teken van 'het verschijnsel man' is komen te staan. Het is
dus de opvatting dat 'het een het ander niet is' en dat deze beide grootheden
fundamenteel onverzoenlijk zijn die allesbepalend is geworden.
Naar
bladwijzers: Eenzijdigheid-1
; Eenzijdigheid-2
78.
Over de karakteristieken van het verschijnsel man heb ik
al veel gezegd, maar ik wil er nog eens met nadruk op wijzen dat de
'cultuurgeschiedenis' eindigt met het verschijnsel man als cultuurthema. Als
absoluut maatgevend en overheersend proces dat in de praktijk van het dagelijks
leven noodzakelijk niet alleen betrekking heeft op de mannen, maar ook en niet
in het minst op de vrouwen. Dat laatste wordt nogal eens vergeten als het gaat
over de rol die vrouwen in onze maatschappij zouden kunnen en moeten spelen. In
onze maatschappij kunnen de vrouwen niet anders dan mannelijke rollen spelen,
als het tenminste gaat om maatschappelijk gewaardeerde functies. Daarbuiten
ligt onvermijdelijk een groot schemergebied waarin menige vrouw tot op zekere
hoogte aan de mannelijke cultuurdwang ontkomen kan, maar daarover gaat het nu
niet, hoewel het stellig in de logica ligt dat steeds meer aspecten van genoemd
schemergebied in het licht geraken en daarmee tot zelfbewustzijn komen.
Eigenlijk heb je wat dit betreft te doen met het gloren van de 'dageraad' van
een volwassen wereld waarin zich volstrekt andere ontwikkelingen zullen
voordoen dan wij tot nu toe, inderdaad met een zekere mate van afgrijzen,
aanschouwd hebben.
79.
Zonder inzicht in de karakteristieken van het
verschijnsel man en van het verschijnsel vrouw is het onmogelijk iets van de
cultuurgeschiedenis van de mensheid te begrijpen. En zelfs de 'gewone'
geschiedenis - al dan niet gericht op het dagelijkse leven van de mensen of
daarentegen op de officiële wederwaardigheden - is eigenlijk niet te
doorgronden als men bedoelde karakteristieken niet tenvolle begrijpt. De
geschiedenis van de mensheid is niet een aaneenschakeling van toevalligheden,
zoals veel hedendaagse denkers ons willen doen geloven, maar een logische,
noodzakelijke en onvermijdelijke opeenvolging van momenten van zelfbewuste
verheldering. Dit heeft op zichzelf niets met toevalligheden te maken. Het is
bijvoorbeeld beslist niet toevallig dat de geschiedenis van de mensheid begon
met het zien en ondergaan van de werkelijkheid als zelfbewustzijn als een
moederlijke en vrouwelijke zaak, uitlopend in de 'geboorte' van de individuele
mens, die zich op zijn beurt, via velerlei stadia, ontwikkelt tot de mens van
thans. Kortom, het inzicht dat een filosoof als Hegel had in een zich
ontwikkelende mensheid is wel degelijk juist. Maar natuurlijk heeft de
mannelijk ingestelde moderne mens dat niet willen verstaan en dus van Hegel een
idioot gemaakt die allerlei 'duistere' dingen gezegd zou hebben. En dat klopt
eigenlijk ook wel: voor die moderne mens is Hegel niet te begrijpen omdat deze
de werkelijkheid niet analyseert, maar nagaat hoe het ermee zit. De
karakteristieken van de werkelijkheid komen bij analyse niet voor de dag. Wat
wel op tafel komt zijn statistische gegevens over, inderdaad: toevalligheden.
De culturele onvermijdelijkheid van die toevalligheden echter blijft verborgen
voor dat analytische, modern wetenschappelijke denken en omdat dit het geval is
kan en mag die onvermijdelijkheid dan ook niet bestaan. Gevolg is dat men
elkaar voortdurend in de haren vliegt over zaken waarvan men zelf ook niets
begrijpt, overigens zonder dat in de gaten te hebben! Men heeft de beschikking
over lange reeksen cijfers die tot statistieken gerubriceerd zijn en daaruit
meent men af te kunnen leiden wat regel is en wat uitzondering. Maar deze
gekwantificeerde voorstelling van zaken zegt volstrekt niets over de werkelijke
verhoudingen. Iets wat volgens de cijfers een grote uitzondering lijkt kan
gemakkelijk een manifestatie van een universele waarheid zijn. En omgekeerd is
iets dat vaak voorkomt als regel door en door tijdelijk en plaatselijk en dus
wezenlijk onwaar.
80.
De werkelijkheid als het verschijnsel man kan uiteraard
niet anders dan, evenzeer als bijvoorbeeld de werkelijkheid als het
verschijnsel vrouw, een reële zaak zijn die welbeschouwd op zijn eigen
specifieke wijze zich gelden laat in het geheel van de werkelijkheid. Of,
anders gezegd: het verschijnsel man kan niet wezenlijk negatief zijn, ondanks
alle schijn van het tegendeel. Slechts de cultuurfase waarin de werkelijkheid
als het verschijnsel man het dominante zelfbewuste thema is kan beschouwd
worden als negatief, in die zin dat dan de werkelijkheid als het verschijnsel
mens als zodanig niet in ontwikkeling is, zoals bijvoorbeeld in de oudheid op
een bepaalde manier wel het geval was, maar slechts een karakteristiek ervan.
Op zichzelf een letterlijk broodnodige karakteristiek, want de mens moet ook de
feiten grondig leren kennen, maar desondanks toch een bijzonder onaangename.
Die rampzalige ontwikkeling vindt zijn eind als die uiteengehaalde mannelijke
wereld inhoud wordt van de werkelijkheid als mens. Dus, inhoud van het
verschijnsel mens.
Kortgeleden was er een discussie gaande over 'het einde
der geschiedenis', een moment dat thans aangebroken zou zijn. Men beweert dat
men de gedachte van het einde der geschiedenis van Hegel heeft die daarover het
een en ander gezegd zou hebben. Maar het is natuurlijk absurd om te menen dat
wij tegenwoordig het einde der geschiedenis zouden naderen. Je kunt namelijk
met meer recht en reden stellen dat wij het punt naderen dat de mensheid op
deze planeet eindelijk werkelijk eens 'geschiedenis gaat maken', dat wil zeggen:
aanvangt zich als het wezenlijke verschijnsel mens te ontplooien. En, los
daarvan, zolang er leven is is er een werkelijkheid die 'geschied is'. Dus, wat
zit men toch te zeuren? Ik denk dat men, zoals zo vaak, de klok heeft horen
luiden ! Als Hegel al over het 'einde' der geschiedenis gesproken heeft kan dat
niet anders dan in culturele zin geweest zijn. Inderdaad heeft Hegel begrepen
dat er aan de logische opeenvolging der bepaalde, op een enkel thema betrekking
hebbende, cultuurfasen eens een eind zal komen en ook lijkt het er op dat hij
voorzien heeft dat dit bij het zich realiseren van de moderne mens het geval
zou zijn. In die zin kan hij dus over het einde der geschiedenis gesproken
hebben. Dat einde vertoont een liberale
democratie, gebaseerd op vrije, niet aan collectieven onderworpen,
individuen die juist door hun individu-zijn tot onvoorwaardelijke erkenning van
de medemens zijn gekomen. Maar het einde van de ontwikkeling van de gefaseerde
cultuur, die in genen dele een toevallige ontwikkeling is, is heel iets anders
dan de warwinkel van politieke, economische en persoonlijke gebeurtenissen die
wij met de term 'geschiedenis' plegen aan te duiden.
82.
Zoals al eerder opgemerkt staat het verschijnsel man in
het teken van het buiten elkaar zijn van de dingen. Gezien vanuit deze
karakteristiek kan de werkelijkheid alleen maar een verzameling zijn zodat men,
sprekende over de werkelijkheid, tot termen van 'totaliteit' moet vervallen.
Die totaliteit gaat door alles heen, zodat de mensen, als hun cultuur zoals in
de westerse wereld die van 'het verschijnsel man' is, niet in staat zijn hun
wereld anders te zien dan als een verzameling van allerhande afzonderlijke
dingen. Zelfs als zij een poging wagen er anders over te denken verzandt dat
pogen toch in begrippen als 'verbanden en wisselwerkingen tussen de dingen',
'het totaal van de dingen' en zo meer. Steeds dus kwantitatieve termen die
wezenlijk behoren bij een in zichzelf gescheiden werkelijkheid. De cultuur van
het verschijnsel man is bijgevolg een destructieve cultuur waarin uiteindelijk
alles kapot gaat. En dat niet door verval of decadentie of onderwerping door
andere culturen, kortom niet op de tot dan toe gebruikelijke wijze, maar juist
door de volledige ontplooiing ervan. Die ontplooiing is juist dat het 'buiten
elkaar zijn' tenvolle gerealiseerd wordt. Op zichzelf zou dat tot de ondergang
van onze planeet leiden als er niet een verzelfstandiging van elk afzonderlijk
individu optrad en zich dan, paradoxaal genoeg, een nieuw besef van de dan
ontstane mens als individu meester maakte: het besef dat de medemens ook en
onvoorwaardelijk 'individu' is en dus ook een volledig bestaansrecht heeft. En
natuurlijk eveneens het daarbij behorende inzicht dat wij 'met zijn allen'
zijn.
83.
Het denken dat bij het verschijnsel man behoort, het
mannelijke denken dus, is een 'vervreemdend' denken. Doordat namelijk al het
andere als buiten het verschijnsel man zelf wordt ervaren is het in wezen iets
dat vreemd aan hem is. Gaat hij nu die buitenwereld onderzoeken en analyseren,
dan verkrijgt hij kennis die noodzakelijk vervreemdend werkt. Die kennis
verschaft hem namelijk een voorstelling van de werkelijkheid die niet met
hemzelf samenvalt en waar hij dan ook geen vat op kan krijgen. Je kunt aan de
moderne mensen constateren dat zij, intellectueel gezien, nauwelijks nog weten
waarover het gaat als het over het leven van alledag gaat. Vooral de bovenlaag
tast wat dit betreft in het duister en dat is het geval omdat in de moderne
wereld de bovenlaag zijn status ontleent aan zijn intellectuele ontwikkeling,
in feite zijn academische vorming. Die bovenlaag is tegenwoordig al bijna
geheel verzonken in een 'doen alsof', een leven van 'Spielerei' dat, hoe
werelds en realistisch het ook lijkt, in ernstige mate buiten het werkelijke
leven staat Dit leidt er overigens ook toe dat de wereld op een afschuwelijke
manier verarmt, juist doordat steeds meer en tenslotte alles in het spel en de
Spielerei vervluchtigt zonder in feite ook maar iemand tot nut te zijn. Je kunt
vaststellen dat er bijvoorbeeld steeds meer winkels met modieuze prullaria
komen en ook is het duidelijk dat de arbeid meer en meer een sfeer van een
soort aangenaam vermaak krijgt, althans als het gaat over de arbeid van de
bovenlaag, die academisch georiënteerd is. Het is al met al en met recht een
'wezenloze' zaak te noemen.
84.
Vervreemding-1,
Vervreemding-2,
Vervreemding-3,
Vervreemding-4
en Vervreemding-5
Vaak al heb ik erop gewezen dat er tegenwoordig bijna
niets meer lukken wil, zeker als het gaat over de organisatie van de
maatschappij. Oppervlakkig beschouwd is dat een vreemde paradox: nog nooit werd
er zo wetenschappelijk tegen de maatschappij aan gekeken, nog nooit werd de
wetenschap zozeer als de maat voor alle dingen gesteld en daarbij moet in acht
worden genomen dat diezelfde wetenschap nog nooit zo effectief is geweest.
Maar, tegelijk met die hoge status van de wetenschap mislukt er steeds meer en
verliezen de mensen hun vat op de werkelijkheid. Dat komt dus door de vervreemding
en die is in onze huidige moderne cultuur groter dan ooit in vorige culturen
mogelijk is geweest. Het is nu immers de wetenschap die die vervreemding
teweeg brengt. Dus: dat wat terecht beschouwd moet worden als de enige bron van
betrouwbare kennis omtrent de werkelijkheid is in zijn resultaten de meest
doordringende bron van vervreemding en dus ook de meest effectieve
producent van waandenkbeelden. En dat zijn dan noodzakelijk denkbeelden die,
getoetst naar criteria van betrouwbare kennis, desondanks bijna volmaakt
kloppen. Als men dus bepaalde berekeningen maakt die betrekking hebben op
toekomstige ontwikkelingen in de wereld, dan zijn die berekeningen - als er
geen politiek gescharrel gepleegd wordt - in principe foutloos en uitermate
terzake doende. En toch deugen zij niet, want de academische 'waarheid' is ver
verwijderd van 'de' waarheid. En 'de' waarheid is logischerwijs alleen maar
temidden van de mensen, in de samenleving, te vinden, overigens zonder dat
gewoonlijk ook maar iemand er erg in heeft.
De processen van vooruitgang spelen zich, min of meer verborgen, tussen
de mensen van alledag en temidden van de samenleving af en zij hebben op
zichzelf geen enkele boodschap aan datgene dat men op academisch niveau meent
te weten.
Vervreemding-1, Vervreemding-2, Vervreemding-3, Vervreemding-4 en Vervreemding-5
Tot voor kort werd er enthousiast gemoord in het
voormalige Joegoslavië en natuurlijk
is dat op het ogenblik, zij het wat meer in het verborgene, nog aan de gang. En
nu is het de academische waarheid dat daar een eind aan moet komen en dat dit
geschieden moet door besprekingen, door onderling overleg van topfiguren, of
die nu moordenaars zijn of niet. Komen die figuren tot bepaalde besluiten dan
houdt, academisch gezien, het moorden op, maar: houdt het in werkelijkheid op?
Neen dus! Want, hoe treurig het ook is, het moorden is, in samenhang met
allerlei ontwikkelingen en manipulaties in de rest van de wereld, een fase in
het proces van individualisering van de mensen ter plaatse. Dat proces gaat
zijn eigen gang, kent zijn eigen regels en wetten en natuurlijk ook zijn eigen
misdadigheid en dat alles is volkomen vreemd aan de academische voorstelling
van zaken. Is er nu te zeggen dat die academische voorstelling 'fout' is? Neen,
die voorstelling deugt, uiteraard afgezien van een aantal onvermijdelijke
fouten op lagere niveaus. Die academische voorstelling klopt, is uitvoerig
gecontroleerd, gewikt en gewogen. Maar die voorstelling is niet meer dan een
voorstelling en zo een plaatselijke momentopname is nog lang de realiteit niet.
Als je de zaak goed en consequent doordenkt blijken de academische
voorstellingen van de werkelijkheid volstrekt zinloos, nutteloos en bedrieglijk
te zijn, terwijl zij tegelijkertijd toch het beste en betrouwbaarste zijn wat op het gebied van kennis opgeléverd kan
worden.
86.
Als de mensen qua cultuur in het teken van het
verschijnsel man staan heb je logischerwijs van doen met een destructieve
menselijke werkelijkheid. Het versnipperen en tenslotte vernietigen van de
werkelijkheid is hetgeen waar alles om draait. Niet dat men nu zo zelfbewust op
vernietiging uit is! De intuďtie van de individuele mensen laat zich nog altijd
in zoverre gelden dat zij heus wel goed aanvoelen dat het eigenlijk gaat om het
verwerkelijken van een 'gezellige' wereld, een wereld waarin een ieder
onvoorwaardelijk veilig kan leven. En men zal nimmer op het idee komen dat het
qua ontwikkeling over destructie gaat. Men zal dus steeds en bij herhaling
zeggen dat men het beste met de wereld voor heeft en dat men er op uit is het
welzijn van de mensen te bevorderen. En zelfs zal men dat in een groot aantal
gevallen nog menen ook! Maar intussen gaan alle processen hun eigen gang en dat
betreft in de moderne wereld, die in het teken van het verschijnsel man staat,
een onafwendbare vernietiging. Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat onze
planeet op zichzelf vernietigd zal worden, maar wel dat het denken daar op
uitdraait.
Verantwoordelijkheden
nrs.33 en 34 ; Verantwoordelijkheid nr.87 ; Verantwoording nr.128
; Verantwoordelijkheid
nr.134
Niet alleen dat we met een vernietigend denken van doen
hebben, maar, zoals gezegd, is er ook dat vervreemdende denken. Zo kun je
opmerken dat geen enkele maatschappelijke verbetering werkelijk als verbetering
bedoeld is. Het feit dat wij in de Atlantische wereld een betrekkelijk hoge
graad van existentiële veiligheid bereikt hebben is geen gevolg van een
welgemeend verbeteren van de maatschappij terwille van de verbetering van die
maatschappij zelve, zoals steeds met overtuiging beweerd wordt, maar het is een
gevolg van een onontkoombaar streven van de onvolwassen mens naar het
overheersen en in bezit nemen van de totale werkelijkheid. Aan die
'veroveringszucht' danken de mensen van de Atlantische wereld hun welstand, en
omgekeerd kan zonder het verschaffen van zo'n welstand het proces van
verovering geen doorgang vinden omdat je voor zo een project niets hebt aan
verpauperde asociale armoedzaaiers. Je hebt de lijfelijke en intellectuele
medewerking van zoveel mogelijk mensen bitter hard nodig! Dus: alle
voorzieningen die intussen voor de mensen getroffen zijn zijn er terwille van
iets anders, namelijk van het zich breed maken van bepaalde, vaak anonieme,
enkelingen. En daaraan komen onafwendbaar allerlei voordelen voor de gewone
mensen mee en uiteraard hebben die daar plezier van. Maar, als het werkelijk om
het welzijn van de wereld en de mensen te doen was geweest bestond er nu geen
verpauperde derde wereld en was het ook niet mogelijk dat de zaak, zoals thans
het geval is, bij stukjes en beetjes en met alle mogelijke smoezen weer van de
mensen afgenomen wordt. Nu de zaak zover gevorderd is dat de zich breed makende
individuele mens geen collectief meer van node heeft om zijn gang te kunnen
gaan, kunnen de aanvankelijk noodzakelijke en nuttige collectieve voorzieningen
hem ook niets meer schelen. Sterker nog: zij zijn hem een blok aan het been
want zij kosten hem teveel geld. Dus moeten zij afgeschaft worden.
Uiteraard verdoezelt men ook dat weer met fraaie termen
zoals 'reorganisatie' , 'zorg op maat', 'eigen verantwoordelijkheid van de
mensen', 'de overheid op afstand', enzovoort. Maar tegelijkertijd zegt men ook
onverbloemd waar het op staat en maakt men gewag van 'bezuinigingen', hetgeen
nooit iets anders kan betekenen dan 'afschaffen die handel' !
Verantwoordelijkheden
nrs.33 en 34 ; Verantwoordelijkheid nr.87 ; Verantwoording nr.128
; Verantwoordelijkheid
nr.134
88.
Dat er voor de mensheid voordeel zit in het particuliere
streven van enkelingen om de wereld in bezit te nemen is een noodzakelijk
gevolg van het feit dat het een nimmer zonder het ander gedacht en gesteld kan
worden. Het op zichzelf gerichte gedrag van die enkelingen hangt automatisch
samen met de overige mensen, en wel naar twee kanten: enerzijds zijn die
overige mensen in menig opzicht de dupe van dat gedrag van die enkelingen en
anderzijds plukken zij de vruchten ervan. Maar in geen enkel geval was het de
bedoeling van zulke zich breed makende enkelingen om hun medemensen van dienst
te zijn in de zin van het verschaffen van onvoorwaardelijke welstand. Het is
dan ook opvallend dat die zogenaamde welstand nimmer los gedacht wordt van de
arbeid. Altijd berusten de verworven rechten op een 'arbeidsverleden' of op
andere ontwikkelingen op de 'arbeidsmarkt'. De vragen die iemand met een
uitkering maandelijks moet beantwoorden hebben allemaal op arbeid en banen
betrekking. In die spaarzame gevallen dat iemand toch 'goed' was voor zijn
medemensen is er toch altijd wel de een of andere verborgen voorwaarde gesteld
in de vorm van economische, ideële, godsdienstige, morele, juridische of
politieke onderdanigheid of gelijkgestemdheid. Men mag immers niet uit de toon
vallen en beslist geen grenzen overschrijden ! Men moet uiteindelijk toch zijn
plaats weten!
Rechten van de Mens-1
; Rechten
van de Mens-2 ;
Je kunt natuurlijk vinden dat mijn voorstelling van zaken
niet bepaald optimistisch is, maar zo'n opinie is toch niet helemaal terecht.
Onder al dat gescharrel en onverantwoord gedoe door gaat toch de ontwikkeling
van de mensheid gestaag zijn gang en het feit dat in een alsnog onvolwassen
wereld de sociale verbeteringen meekomen aan particulier winstbejag doet toch
dat andere feit niet teniet dat er gaandeweg allerlei noodzakelijke dingen ter
beschikking komen en dat er toch in toenemende mate humane regelingen getroffen
worden. Dat men bijvoorbeeld niet schroomt om bestaande sociale voorzieningen
af te breken betekent niet dat het sociale bewustzijn van de mensen terugloopt.
Er manifesteert zich thans slechts wat er vanaf het begin al in zat, namelijk
dat die voorzieningen slechts meekomende zaken waren en geen onvoorwaardelijke
'rechten van de mens'. Zij waren
tijdelijk nodig om bepaalde particuliere belangen te dienen, zoals het winstgevend
functioneren van grootschalige industrieën. Tekenend is evenwel dat de
oplossingen die men zocht steeds onbedoeld in de richting van een grotere
humaniteit gingen. Waarom het derhalve gaat is dat er toch van een onmiskenbaar
groeiend sociaal bewustzijn gesproken kan worden. Een bewustzijn dat, voor de
meesten geheel onverwacht, geen gevolg blijkt te zijn van een collectief
bewustzijn, maar daarentegen juist van een ontwakend individualisme. In de
grond van de zaak is dat immers een ontwakende humaniteit. Maar daarvan willen
de collectief ingestelde mensen nog steeds niets weten...
Rechten van de Mens-1
; Rechten
van de Mens-2 ;
90.
Vervreemding-1,
Vervreemding-2,
Vervreemding-3,
Vervreemding-4
en Vervreemding-5
Er is een onderscheid tussen de vraag 'hoe zit het met de
dingen' en de vraag 'hoe zit het met de werkelijkheid'. Op het eerste gezicht
lijken beide vragen hetzelfde te zijn, maar dat is gezichtsbedrog. De vraag
'hoe zit het met de werkelijkheid' heeft betrekking op algemeenheden en
verhoudingen zonder het geheel van de werkelijkheid analytisch te verbreken,
maar het leren kennen van de dingen heeft betrekking op het plegen van
onderzoek van bepaaldheden, van 'ditten en datten' en van betrekkingen. Ook als
het erom te doen is zekere algemene kennis omtrent dingen te vergaren is het
nog steeds een feit dat die kennis weliswaar een algemeen karakter heeft, maar
dat de objecten van onderzoek alleszins bepaald zijn. Het was de filosoof Kant
die zichzelf fundamentele vragen over de dingen stelde. Daarmee samenhangend
vroeg hij zich ook af of men kennis omtrent de dingen kon verkrijgen en hoe men
dit, bij een bevestigend antwoord, dan zou moeten aanpakken. Op meesterlijke
wijze ging hij alle mogelijkheden na om tenslotte met een bepaald systeem voor
de dag te komen. Het loont de moeite hiermee nader kennis te maken, maar uit
het oog mag nooit worden verloren dat het, zoals gezegd, bij Kant om de dingen
gaat en dat zijn filosofie dus eigenlijk neerkomt op een kennistheorie en als
zodanig tot de wetenschappen gerekend moet worden. Geheel in overeenstemming
met de wetenschappelijkheid van zijn filosofie is de conclusie van Kant dat het
'wezen' van de dingen niet te kennen is. Voor hem is en blijft 'das Ding an
sich' een onbekende. Dat spijt hem niet en hij treurt daar niet over, hij
aanvaardt het als een gegeven! Aardig is in dit verband de conclusie van de
moderne natuurkunde dat de elementaire materie, door haar beweeglijke en
vluchtige karakter, niet te kennen is, maar dat het bestaan ervan slechts aan
iets anders afgelezen kan worden. Uit bepaalde gedragingen van kenbare materie
kan men onder gecontroleerde omstandigheden afleiden dat er 'iets' is dat een
bepaalde reactie teweeg gebracht heeft. Welbeschouwd behoort de filosofie van
Kant tot het aanvankelijke wetenschappelijke denken van de moderne wereld, een
denken dat zich inmiddels al zover ontwikkeld heeft dat het al steeds meer de
grenzen van zijn mogelijkheden benadert. En met het naderen van die grenzen
komen ook de gevaren voor de dag, met als ernstigste bedreiging de toenemende vervreemding
van de mens, doordat hij zijn wetenschappelijke wereld voor de echte is gaan
houden.
Vervreemding-1, Vervreemding-2, Vervreemding-3, Vervreemding-4 en Vervreemding-5
91.
Voor het mannelijke denken, het denken dus dat in het
teken van het verschijnsel man staat, is al het bestaande verzameld onder het
begrip buitenwereld. Alles, wat dan ook, is het andere, het op afstand staande,
het slechts van buitenaf benaderbare. En er wordt in principe geen verwantschap
tussen 'ik' en de dingen beseft. Wel een relatie maar geen verwantschap ! Het
een is er en het ander is er ook en, hoewel er over zowel het een als het ander
van allerlei aan de weet is te komen, zullen beide verschijnselen wezenlijk
toch aan elkaar vreemd blijven. Je kunt ook zeggen dat het begrippenpaar
objectief en subjectief allesbepalend is. Het zogenaamde subject beschouwt het
object en doet dat expres op 'objectieve' wijze, hetgeen wil zeggen: zonder bij
die beschouwing zichzelf in aanmerking te nemen. In de beschouwing,
beoordeling, beschrijving, speelt het subject, dus de 'ik', niet mee, mag
althans niet meespelen. Dat alles is wetenschappelijk denken, dat overigens
eigenlijk helemaal niet klopt want de werkelijkheid zelve logenstraft deze idee
over de verhouding subject - object. Inmiddels heeft namelijk de natuurkunde
laten zien dat het onmogelijk is kennis te verwerven en te bezitten van het
'ander' zonder daarbij tegelijkertijd kennis omtrent het teen' in te
calculeren. Anders gezegd: mijn kennis omtrent de dingen is noodzakelijk beďnvloed
door mijn karakter van kennisvergarende instantie. Ik beďnvloed mijn eigen
kennis, namelijk door de wijze waarop ik naar de dingen kijk. In dit licht
bezien is objectiviteit dus een waan.
Maar intussen vormt de scheiding tussen 'ik' en het
andere toch nog steeds de kern van het moderne denken. En het is nog steeds het
Kantiaanse denken dat de boventoon voert, ondanks allerlei pogingen van de
moderne academische filosofen om ons van het tegendeel te overtuigen.
92.
Omdat er een scheiding wordt beseft tussen het een en het
ander kan de mening postvatten dat het een het ander zou kunnen overheersen en
veranderen. Om hiertoe namelijk bij machte te zijn moet iets van buitenaf
benaderd kunnen worden teneinde te gaan beantwoorden aan de van buitenaf
opgelegde en afgedwongen normen. Het ligt dan ook in de logica dat men er in
het moderne denken steeds meer toe komt de dingen te overheersen en te
veranderen. Het gehele moderne denken staat in het teken daarvan en al het
wetenschappelijke streven is daarop gericht. Je kunt zelfs zover gaan te
stellen dat al het zoeken naar kennis geen andere betekenis heeft dan het
willen overheersen van de werkelijkheid. Het is een denken dat er op uit is
alles naar zijn hand te zetten. In dit licht is het ook te begrijpen dat destijds
Karl Marx van de filosofen verlangde dat zij er toe over zouden gaan de wereld
te verbeteren in plaats van haar almaar te interpreteren. In tegenstelling tot
wat bijna iedereen meent wordt het denken van Marx getypeerd door het
kantianisme en helemaal niet door het hegelse denken. Het is inderdaad een feit
dat Marx een leerling van Hegel was en dat hij formeel nimmer afstand van het
denken van Hegel genomen heeft, maar zijn zogenaamd materialistische denken en
zijn bemoeienis met de economie en de daarmee samenhangende socialistische
politiek, gevoegd bij bovengenoemde eis aan de filosofen, wijzen onmiskenbaar
in de richting van het Kantiaanse denken. Als je dan ook nog bedenkt dat men
tegenwoordig wel aandacht besteedt aan het denken van Marx, eventueel door het
te bestrijden, en tegelijkertijd dat van Hegel zonder enige interesse verwerpt
als zijnde het denken van een 'idioot in de filosofie', dan wordt het eens
temeer duidelijk hoe het met Marx zit.
93.
Na het optreden van Hegel (1770-1831) vinden de, bijna
zonder uitzondering academische, filosofen al spoedig dat er met diens denken
weinig of niets aan te vangen is, en zij hebben daarin in zoverre gelijk dat
het ook helemaal niet de bedoeling is er iets mee te doen. Je kunt er de wereld
niet mee verbeteren noch bruggen mee bouwen en ook maatschappelijk schiet je er
niet veel mee op omdat een dergelijk denken zich nu eenmaal niet leent voor een
politieke vertaling, ondanks het feit dat Hegel zich wel degelijk verstout
heeft een visie op de maatschappij te geven. Maar daarin liep hij in dezelfde
val die, zeker in zijn tijd, bijna elke denker noodlottig werd, namelijk door
het dagelijkse leven van de gewone mensen van bovenaf te beschouwen in plaats
van die mensen zelf als uitgangspunt te nemen. Het puur filosofische denken van
Hegel echter is volstrekt Onbruikbaar - en zo hoort het ook! Filosofie behoort
onafhankelijk te zijn en nergens vastgelegd aan een bepaalde zaak. Als de
filosofie al enig nut heeft kan het niet anders dan dit zijn dat het de mens als
individu licht verschaft in de aanvankelijke duisternis van zijn persoonlijke
er-zijn. Maar dat kan alleen maar als die individu in wezen zelf in staat is
zichzelf helderheid te verschaffen. Er is dus intellectueel ook niet veel van
de filosofie te verwachten, in die zin dat men de zaak niet kan overdragen en
aan anderen leren. Filosofie op school is dan ook iets idioots evenals het aan
de universiteiten doceren ervan. Het is echter anderzijds wel een feit dat
bedoelde mens als individu onvermijdelijk, vanuit de door haar of hem verworven
inzichten, een wereld om zich heen schept waarin de bij de mensen gebruikelijke
schurkenstreken geen doorgang kunnen vinden, en dat kan eventueel voor andere,
ervoor gevoelige mensen, een min of meer onbedoeld voorbeeld zijn.
Wat is het praktische nut van Rembrandt, van Beethoven?
Wat moet je ermee? Inderdaad, tegenwoordig kan Rembrandt uitstekend als
geldbelegging dienen en, als je goed viool of piano kunt spelen, kun je onder
omstandigheden veel geld met de muziek van Beethoven verdienen. Maar daarom
gaat het nu natuurlijk niet. Het gaat nu om datgene wat het kunstwerk en de
filosofie werkelijk zijn: uitdrukking van de werkelijkheid als beeld en als
zodanig 'het verhaal van de waarheid'. Maar dat is nu precies een verhaal
waaraan de moderne wereld voorlopig lange tijd geen enkele behoefte heeft. Men
wil in die wereld desnoods helemaal geen waarheid als men maar naar believen
kan manipuleren met de dingen. En men houdt het dus ook op het denken van Kant
en zijn talloze navolgers. Alleen een idioot kan nog naar de waarheid vragen.
94
De wereld is niet te verbeteren, wat overigens niet wil
zeggen dat zij 'Onverbeterlijk' is. Maar: zelfs daar waar het ogenschijnlijk
wel kan, uiteraard met behulp van allerlei wetenschappelijk uitgedokterde
technieken, blijkt na enige tijd dat het toch een fiasco is. Juist in onze
moderne tijd, nu zo langzamerhand geen enkel proces meer zijn eigen natuurlijke
gang kan gaan, blijken alle wetenschappelijk aangepakte projecten steevast te
mislukken, niet doordat het aan kennis zou ontbreken, maar daarentegen juist
doordat al die kennis betrekking heeft op en bevangen is in het academische
wereldbeeld dat op zichzelf schitterend en logisch verantwoord is, maar dat zo
langzamerhand onvermijdelijk geen verband meer houdt met de realiteit. Het is
de wereld volgens de academici en daarvoor geldt, zoals noodzakelijk bij de
werkelijkheid als voorstelling, het tijdelijke en het plaatselijke. Die
onvermijdelijke beperking wordt steeds over het hoofd gezien, maar hij is wel
de oorzaak van het falen van alle verbeterings-projecten.
De blauwdrukken die aan dergelijke projecten ten
grondslag liggen zijn bij voorbaat al verouderd en vastgelopen. De wereld - die
van de alledaagse mensen - verbetert intussen toch langzaam maar zeker. Hij
wordt gaandeweg meer leefbaar en dus ook veiliger en gezelliger. Maar dat is
volstrekt niet te danken aan volgens een blauwdruk, op gezag van een politieke
of- wetenschappelijke bovenlaag, uitgevoerde projecten. Het is te danken aan
het feit dat de in de werkelijkheid optredende processen niet te stuiten zijn.
Dat zijn namelijk geen door die of gene manager gewenste processen maar
daarentegen bewegingen van de werkelijkheid zelf die zich weliswaar in de
mensen manifesteren maar in feite als het ware 'boven de mensen, tijden en
plaatsen uitgaan'. Uiteraard is er tegenwoordig geen oog meer voor dergelijke
zaken want zij vallen geheel en al buiten het op de dingen gerichte analytische
denken.
95.
Als het gaat over het bij de werkelijkheid als het
verschijnsel vrouw behorende denken krijgt men met heel andere zaken te maken
dan bij het verschijnsel man het geval is. Het 'uitwendige' kan nu immers niet
meer gelden omdat het 'vrouwelijke denken' alles in zichzelf besloten houdt. Er
is dan geen afstand tussen het een en het ander en dus is er ook geen grens die
het een van het ander scheidt. Beide gaan wederkerig in elkaar over. Alles is
in feite een zaak en alle verschillende ditten en datten zijn
verschijningsvormen van die ene zaak. In een dergelijke toestand kan het denken
niet gericht zijn op die ditten en datten, de dingen dus, want zij zijn geen
van elkaar gescheiden objecten. Er is maar een enkele mogelijkheid, namelijk
deze dat het uitsluitend om de zaak van dat ene geheel zelve gaat, weliswaar in
het besef dat die zaak in zichzelf eindeloos gevarieerd is, maar toch: die ene
zaak, dat ene geheel. Als het verschijnsel vrouw in het teken van genoemd ene
geheel staat kan men er niet omheen te erkennen dat dan begrippen als
eeuwigheid, oneindigheid, onveranderlijkheid gaan gelden. Dat betekent onder
andere dat de zaak altijd zichzelf gelijk blijft en niet ontvankelijk is voor
manipulatie, verbetering en ontwikkeling. En het zogenaamde verbeteren op grond
van wetenschappelijk uitgedachte blauwdrukken is al helemaal niet aan de orde.
Elke zelfbewuste ingreep stuit op dat vrouwelijke geheel af ! Maar, dat
betekent niet dat we met een ‘domme' toestand te maken hebben, zoals men vanuit
het gebruikelijke modern mannelijke denken zou concluderen, maar daarentegen
juist met een volmaakte en wijze zaak. Het niet gelden van verbetering en
ontwikkeling houdt dus niet in dat een soort van primitieve oertoestand
gehandhaafd blijft' maar juist dat alle mogelijkheden tenvolle aanwezig en
geldig zijn.
96. Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
Eigenlijk is er over de werkelijkheid naar het
verschijnsel 'vrouw' weinig te vertellen. Dat komt doordat het steeds maar over
een zaak gaat, waarbinnen zich weliswaar alles bevindt wat bestaat, maar dan
toch op zo een manier dat het ene verschijnsel zich niet als verschillend van
het andere laat gelden, maar daarentegen juist als een variatie van een en
dezelfde oorspronkelijke werkelijkheid. Anders gezegd: alle afzonderlijke
dingen staan niet in het teken van 'het verschil', maar in het teken van 'het
geheel'. De zin van elk ding is niet gelegen in de concurrentie met de
andere dingen, in het zich afzetten tegen de andere dingen, maar juist in het
functioneren binnen die ene zaak, die vrouwelijke zaak van het geheel. Als dat
de zin van een ding is kun je zeggen dat dit ding 'betekenis' heeft. Elk
afzonderlijk ding is dan op zijn wijze afspiegeling van het geheel. Dat is dan
ook de inhoud van het begrip betekenis, namelijk dat een 'deel' variatie en
afspiegeling van de gehele zaak is. In een dergelijke situatie is van de dingen
op zichzelf weinig te vertellen omdat elke vertelling over een bepaald ding
onmiddellijk en onvermijdelijk een verhaal wordt. Van het 'verhaal' is het
kenmerk dat er eigenlijk maar een is: het verhaal van het geheel. En zo wordt
elke vertelling over een bepaald ding een 'verhaal' omdat dit ding niet anders
dan in het licht van de gehele werkelijkheid kan verschijnen en dus
tegelijkertijd iets van 'betekenis' is. Zou je dus iets over de dingen willen
vertellen, dan wordt elke vertelling in feite eender, zij het met een ander
thema, een ander onderwerp zo je wil.
97.
Hoe groter de tegenstellingen zijn, hoe meer er over een
zaak te vertellen valt. Over de wereld van de verschijnselen is dan ook
onvoorstelbaar veel te vertellen. Dat is de vertelling van de wetenschappen
waarvan de bronnen nooit uitgeput zullen raken. Om echter die vertellingen te
kunnen doen moet de mens zich als 'mannelijk' opstellen en dat wil zeggen dat
hij de werkelijkheid niet als een in zichzelf genuanceerd geheel gaat
beschouwen, maar als een totaliteit, een optelsom van afzonderlijke dingen. In
de oneindige uitgestrektheid van het heelal komt men steeds dingen tegen
waarover weer iets nieuws verteld kan worden. Aan die vertellingen komt nimmer
een einde, maar eigenlijk komt het er wel op neer dat er almaar meer van
hetzelfde te voorschijn komt. Voor iemand met enige 'wijsheid', en dat wil
zeggen iemand die zijn blik gericht houdt op het geheel, voor zo iemand is de
vertelling van de wetenschap onverdraaglijk saai en vervelend, juist omdat alle
nieuws noodzakelijk 'oud nieuws' blijkt te zijn. Natuurlijk is het anderzijds
waar dat het reuze spannend is om van de avonturen van de wetenschap kennis te
nemen, maar dan heb je eigenlijk niet met de wetenschap zelf te doen. Iemand
heeft er een interessante vertelling van gemaakt. De wetenschap zelf is een
zaak van meten, wegen en controleren en dat vele, vele malen achtereen. Op
zichzelf zijn al die 'data' stierlijk vervelend!
98.
Het in het teken van het verschijnsel vrouw staan van de
cultuur komt tijdens het 1even op aarde tweemaal voor, in tegenstelling tot de
in het teken van het verschijnsel man staande cultuur: die komt maar een maal
voor en wel als een buitengewoon vruchtbare en nuttige, maar tegelijkertijd
kille, dodelijk vervelende, levensgevaarlijke, agressieve en verwoestende
periode, de periode namelijk van de aldus door mij genoemde moderne cultuur.
Die begint met de 'westerse’ cultuur, voorzover zij namelijk nog plaatselijk
bepaald is, met name door West-Europa. Daarna krijgt die cultuur een 'mondiaal'
karakter doordat het analyserende denken zich richt op de totale
verschijnselenwereld en dus ook op alle windstreken van de planeet. Alle
plaatselijke culturen gaan aan die analyse ten gronde. Dat heeft alles met
agressie en verwoesting te maken, maar tegelijkertijd legt het de noodzakelijke
materiële basis voor een toekomstig ‘gezellig’ leven van de mensheid op aarde.
Grondslag voor die ‘gezelligheid' is de veiligheid die het leven mogelijk en
zinvol maakt. Die materiële basis komt aan de analyse voor de dag, als gevolg
namelijk van het dan vrijkomende menselijke vermogen om het voorhandene om te
zetten in het menselijke. Dat is wat wij de techniek plegen te noemen. Vanaf
halverwege de 19e eeuw begint het met de wetenschap en de techniek een succes
te worden. Tegelijk daarmee zet het mondiale karakter van de westerse cultuur
zich effectief door zodat we dan over de moderne cultuur moeten gaan spreken.
99.
De moderne cultuur gaat ten gronde aan haar eigen succes.
Doordat namelijk alles wetenschappelijk onderzocht en geanalyseerd wordt
verandert het allemaal in een collectie, overigens op zichzelf volkomen juiste,
wetenschappelijk verantwoorde feiten. Zoals ik al zo vaak heb betoogd leidt dit
ertoe dat men die wetenschappelijke wereld meer en meer gaat zien als 'de'
werkelijkheid, hetgeen zonder meer een ernstige waan te noemen is. Dat is
allemaal heel paradoxaal want je hebt hier te doen met een juiste voorstelling
van de werkelijkheid zonder dat men zicht heeft op de werkelijkheid als beeld.
Door de afstand tussen die voorstelling en dat beeld raakt de moderne mens
tenslotte in de knoop en dat gaat zelfs zover dat hem ook in de praktijk steeds
minder gelukt, totdat zijn gehele wereld instort. Dat is natuurlijk niet zo
prettig, maar het is wel noodzakelijk om de basis voor genoemde gezellige
wereld bloot te leggen.
Mensenrechten-1 ; Mensenrechten-2 – t/m105;
In een gezellige wereld gaat het niet om winnaars, maar
om de talenten en de vermogens van de individuen opdat de wereld optimaal kan
functioneren. In zo een optimale wereld streven de winnaars de verliezers niet
voorbij, maar slepen deze mee omdat niemand iets tekort mag komen. Wat voor de
een geldt, geldt vanzelfsprekend ook voor de ander: mijn rechten zijn zonder
meer ook de jouwe. Dat is overigens het ware socialisme ! Als men binnen die
wereld toestaat dat medemensen tekortkomen is met die verwaarlozing de gehele
wereld verwaarloosd. Het weten 'met zijn allen' te zijn houdt automatisch in
dat de kwaliteit van een wereld uiteindelijk niet door de bovenkant bepaald
wordt, maar daarentegen juist door de onderkant. De veiligheid van de zwakken
en de voortdurende onbaatzuchtige zorg voor deze medemensen is essentieel voor
de kwaliteit van het geheel. Voorlopig echter stort de moderne wereld in om
over te gaan in de tweede vrouwelijke periode. En dat instorten is
noodzakelijk, want het is inderdaad waar dat , geen enkele steen op de andere
mag blijven staan' en dat 'alles nieuw' moet worden !
101.
De eerste vrouwelijke periode wordt gekenmerkt door een
'lege vrouwelijkheid'. Dat wil zeggen dat de inhoud van dat vrouwelijke nog
niet in tel is. Uiteraard bestaat die inhoud wel, maar hij geldt niet als een
zaak met een geheel eigen betekenis. De Magna Mater is de enige bestaande en
alles wat er is ligt in die oneindig grote 'baarmoeder' verzonken. Buiten en
naast die enige bestaande is niets mogelijk. Alles moet binnen die realiteit
gevonden worden. Onderscheid tussen het een en het ander speelt geen rol,
hoewel het er natuurlijk wel degelijk is, want het een is nu eenmaal het ander
niet en dat geldt niet alleen voor de dingen maar uiteraard ook voor de
afzonderlijke mensen. En er was destijds ook kennis omtrent de
verschijningsvormen van de werkelijkheid, maar die kennis was niet door analyse
en theorievorming verkregen. Het was allemaal ervaringskennis, hetgeen wil
zeggen dat door 'vallen en opstaan', door 'trial and error' tot bepaalde
vaardigheden werd gekomen zonder dat er daarvoor een theoretische basis
aanwezig was. En als men al probeerde zo'n theoretische basis te leggen kwam
men onvermijdelijk met een of ander religieus verhaal, zoals de mythe dat de
goden de mensen het vuur en de gereedschappen zouden hebben gegeven. Het zou
een grote vergissing zijn die 'lege vrouwelijkheid' als een armoedige zaak te
kwalificeren. Dat is overigens, vanuit de optiek van de westerse en moderne
cultuur, wel lange tijd gebeurd. Nog steeds zijn er wetenschappers die,
enigszins laatdunkend, spreken van een 'voorwetenschappelijke periode' en een
'primitieve intellectualiteit'. Maar, dergelijke opvattingen zeggen veel meer
over diegenen die ze verkondigen dan over diegenen waarop ze slaan. De mensen
van destijds waren noch het een noch het ander. Het waren net zoveel en net zo
weinig intelligente mensen als de tegenwoordige, evenwel met dit, eigenlijk
meer praktische, verschil dat zij een heel andersoortige kennis ter beschikking
hadden en, kwantitatief gesproken, uiteraard ook veel minder. Maar bijzonder
positief zou je het kunnen waarderen dat die mensen van toen een open oog
hadden voor de samenhang in de werkelijkheid, hetgeen er onder andere in
resulteerde dat zij er zorg voor droegen de natuur niet leeg te plunderen en te
vernietigen. Zij onttrokken aan de natuur, bijvoorbeeld door de jacht of de
landbouw, niet meer dan strikt voor het dagelijkse leven noodzakelijk was en
vaak vroegen zij moeder natuur dan ook nog om vergeving. Wij kunnen dat dwaas
vinden, maar het getuigt van een veel grotere gevoeligheid voor de
werkelijkheid dan in de tweede, mannelijke, cultuur het geval is. Toch zit er
noodzakelijk niet veel toekomst in die vrouwelijke oercultuur want het is een
conservatieve wereld die door tradities bij elkaar gehouden wordt. Door het
niet gelden van de tegenstelling tussen het een en het ander is er in principe
geen wisselwerking en daardoor blijft technische vooruitgang uit. Dat wil niet
zeggen dat de ervaringen niet in kwaliteit en aantal toenemen en zodoende een
bepaalde vooruitgang bewerkstelligen, maar dat verandert de wereld en het leven
niet wezenlijk. Het brengt er hoogstens wat meer nuances in aan. Over het
algemeen moet echter toch van een 'onveranderlijke', een statische wereld
gesproken worden en dat wordt ook nog eens bevorderd door het besef dat het
grote 'geheel' altijd en eeuwig zichzelf gelijk blijft' om de op zichzelf
eenvoudige reden dat er buiten dat geheel absoluut niets is of zijn kan. Het
eeuwige en onveranderlijke is kenmerkend voor de eerste periode van de mens
voor wie de cultuur in het teken van het verschijnsel vrouw staat.
Mannelijkheid-1 ; Mannelijkheid-2(nrs.29 en30) ; Mannelijkheid-3 ;
Als derde cultuurperiode van de mensheid treedt wederom
het vrouwelijke op de voorgrond, maar nu is het toch in belangrijke mate
verschillend van de oorspronkelijke vrouwelijke wereld die je met de term Magna
Mater kunt benoemen. Je kunt nu namelijk niet meer spreken van een 'lege'
vrouwelijkheid, maar je zou de wat ouderwetse term van 'volmaaktheid' kunnen
gebruiken. Je zou dan van een 'volmaakte vrouwelijkheid' kunnen spreken en
daarbij denken aan zoiets als 'volgemaakt'. Uiteraard slaat dat op het feit dat
het nu een inhoud heeft gekregen, een inhoud die in alle opzichten in tel is.
Enige voorzichtigheid is echter bij het nadenken hierover geboden. Er zijn
namelijk denkers die zo ongeveer hetzelfde beeld voor ogen staat, maar die
nader beschouwd toch blijken te menen dat je in die derde periode van doen
krijgt met vrouwelijkheid en mannelijkheid
die als gelijkwaardige grootheden naast elkaar bestaan. En dan voegt men daar
nog aan toe dat het een iets van het ander in zich heeft en andersom. Gedacht
vanuit die gelijkwaardigheid is dat alleszins plausibel, maar belangrijker is
het te beseffen dat het in deze kwestie niet gaat om de gelijkwaardigheid, maar
om gelijksoortigheid. En die is er ten enen male niet! Kan er ook niet zijn. In
die laatste fase is het vrouwelijke aspect van een heel andere orde dan het
mannelijke. Dat eerste is immers het inhoudende en het tweede de inhoud. Het
mannelijke is dus geen zelfstandige grootheid naast het vrouwelijke, maar
daarentegen juist een afhankelijke binnen het vrouwelijke. En dat vrouwelijke
is het enige dat zelfstandig en absoluut op zichzelf bestaat en bestaan kan -
een voor het mannelijke en moderne denken bijna onverdraaglijke gedachte,
waarvan men soms wel een vermoeden heeft maar die men in zo'n geval zover als
mogelijk van zich werpt.
Mannelijkheid-1 ; Mannelijkheid-2(nrs.29 en30) ; Mannelijkheid-3 ;
103.
Zonder de vrouwelijke omhulling is het mannelijke
hoegenaamd nergens. Het heeft geen thuis, geen doel en vooral: geen zin en
samenhang. Het is letterlijk een rommeltje waaraan, door het uiteenvallen van
de dingen, geen betekenis is te geven. Eigenlijk ligt deze zaak nog wranger:
dat uiteenvallen leidt op den duur tot volstrekte vernietiging van al het
bestaande. Het mannelijke is op zichzelf destructief en daaraan veranderen de
fraaie verhalen over het organiseren van een goede wereld, het eerbiedigen van mensenrechten en het bestreven van de
vrede absoluut niets. Dat blijft noodzakelijk steken in een intellectuele waan
die niets met de realiteit te maken heeft. Een ieder die ogen in het hoofd
heeft, zonder het gebruikelijke zand, kan ook vandaag al zonder mankeren
vaststellen dat het mannelijke gedoe in niets anders dan loze praatjes
uitloopt. Als inhoud van het vrouwelijke echter is het mannelijke letterlijk
bij zichzelf terecht en daarmee is het betekenis- en zinvol geworden. De
werkelijkheid als beeld is nu voorhanden zodat men kan zien hoe de
werkelijkheid is en vervolgens daar uit af kan leiden waar alle betrouwbare,
door de analyse verkregen, wetenschappelijke kennis geplaatst moet worden.
Eerst dan kan de mens werkelijk zijn voordeel doen met de hem ter beschikking
staande kennis.
104.
Vaak hoor je de opmerking dat het in de moderne staten
nog steeds niet om de 'gewone' mensen blijkt te gaan, maar om het in stand
houden van allerlei hogere instellingen. Dat is terecht opgemerkt, maar wat men
doorgaans niet weet is dat van die moderne wereld eigenlijk ook niets anders te
verwachten is. Uiteraard is dat geen excuus. Wat niet deugt, deugt niet, ook al
ligt het in de rede dat de mens nog niet tot iets beters in staat is. Het laten
gelden van verzachtende omstandigheden is onzin, maar geen onzin, en zelfs
bittere noodzaak, is het om te achterhalen en te laten gelden wat men te weten
is gekomen over de vraag hoe de verhoudingen op een bepaald moment in de wereld
liggen. Dat weten leidt, ondanks de onmogelijkheid om op grond van een besluit
de wereld in de goede richting te veranderen, toch tot een individueel gedrag dat
afwijkt van het gangbare en dat daardoor in de praktijk inderdaad enige goede
invloed in de eigen kleine kring uitoefent. Er is dus nooit een excuus om het
verzet tegen ondeugdelijke en misdadige toestanden achterwege te laten. Zo
moeten we er, zeker vanuit de filosofie, blijvend op wijzen dat ook de moderne
maatschappij niet draait om het welzijn van de bevolking, maar om alles wat
beschouwd wordt als een zaak van een hogere orde. Het gaat dus om instellingen
die boven de gewone mensen uit heten te gaan. Hoezeer, vooral in de Atlantische
wereld, de leefomstandigheden verbeterd zijn, vergeleken bij een eeuw geleden,
toch zijn de grondprincipes van die wereld nog dezelfde als in alle voorgaande
eeuwen het geval was. En de oorzaak daarvan is gelegen in het feit dat we nog
steeds met een bepaalde fase van een Onvolwassen wereld van doen hebben.
105.
Ik heb erop gewezen dat het leven van de mensen op aarde
in een drietal perioden ingedeeld kan worden. Je kunt daar van allerlei namen
aan geven, maar waarom het wezenlijk gaat zijn natuurlijk de verhoudingen
waaronder de mensen in die perioden leefden en straks leven zullen. Als we,
terwille van een beter begrip, toch namen willen geven blijkt het redelijk
verantwoord om de periode van de oudheid met de term ‘moederlijk' te benoemen, hoewel het dan wel
een moederlijkheid zonder concrete inhoud is. De Magna Mater heeft haar inhoud
nog niet op zichzelf gesteld, dus nog niet 'geopenbaard'. Daarna komt de
'vaderlijke' periode, te beginnen met de Romeinse wereld, waarin de mens als
individu zich af begint te tekenen. Het is de tijd van het patriarchale
denken, een denken overigens dat zich al veel eerder hier en daar
manifesteerde, maar dat eerst nu tot een cultuur is ontwikkeld. In deze tijd
van het patriarchaat is de inhoud van de Magna Mater wel voor de dag gekomen en
in het centrum van de cultuur komen te staan. Het gaat nu alleen nog maar om
die inhoud. Tenslotte zal de periode van 'het kind' aanbreken. Dat wil zeggen
dat de inhoud er is, maar dat die tegelijkertijd als een concrete inhoud van
het moederlijke geldt. Zoals gezegd zijn dit allemaal slechts namen die
hopelijk enigszins verhelderend werken. Maar, namen of niet, zij geven wel de
werkelijke verhoudingen aan. In die derde periode, als de mensheid bijwijze van
spreken 'kind' geworden is, is alles terecht gekomen. De dingen staan niet meer
op zichzelf, maar vormen de in zichzelf samenhangende inhoud van een groot
ongebroken geheel. Binnen dat geheel zijn zij thuis.
Mensenrechten-1 ; Mensenrechten-2 ;
106.
Pas in de derde periode is de mensheid volwassen en pas
dan gaat het werkelijk om de mensen. De mens is dan bij zichzelf terecht
gekomen en het ligt in de logica dat hij dan geen ander object van zorg meer
kan hebben dan uitsluitend zichzelf. Vanaf het moment dat dit is gaan gelden
vervalt datgene dat de alsnog Onvolwassen mens kenmerkt, namelijk dat het hem
alleen maar om 'het hogere' gaat, hoe dit hogere ook gedefinieerd wordt. Of het
nu een goddelijk karakter heeft of een wetenschappelijk, het is steeds verheven
boven het gewone, het alledaagse. En het wordt almaar gesteld als het enige dat
werkelijk belangrijk is. Vanuit dit al of niet bewust gehanteerde principe
tellen de 'gewone' mensen niet mee, althans niet als de elementen die werkelijk
met elkaar de mensheid vormen. De mens die bij zichzelf terecht is gekomen kan
er geen hogere principes meer op na houden. Het kan hem uitsluitend nog om
zichzelf gaan en dan gaat het enerzijds niet meer om een als lager gedacht
materieel of 'dierlijk' verschijnsel en anderzijds ook niet om iets geestelijks
dat zich boven de werkelijkheid verheven weet. Eigenlijk gaat het volstrekt
nergens om en pas als dat het geval is kan de wereld voor de mens in orde zijn.
Dat is onder andere de strekking van het voor de volwassen mens geldende begrip
nihilisme. Elke beoordeling omtrent de mens die iets inhoudt waarom het gaan
zou leidt de mens van zichzelf af en stelt hem als iets onzelfstandigs dat er
is terwille van iets anders, dat zich buiten en boven hem bevindt en dat hem in
belang en macht overstijgt. Dit houdt echter geen stand in de derde periode,
die van 'het kind' of 'de zoon'.
107.
Aardig is het om op te merken dat de evangelische mensen
destijds al het beeld van het kind of de zoon gebruikten om uitdrukking te
geven aan de werkelijkheid als volwassen mens. Zoals bekend waren die
evangelische mensen in feite geen exponenten van een godsdienstige cultuur - al
zullen zij daar wellicht wel aan gedaan hebben, al was het alleen maar uit
lijfsbehoud. Maar in hen kwam een bepaald inzicht tot uitdrukking en wel
omtrent een toekomstige patriarchale mens, de onbetrouwbare Romein, maar
vooral omtrent de toekomstige volwassen mens, uitgebeeld in 'de zoon van de
mens'. Deze laatste figuur herinneren wij ons nog als Jezus of Christus, maar
doorgaans ontgaat ons de betekenis daarvan doordat hij als zodanig is
gecorrumpeerd door de christelijke kerken. Hoe dan ook, er is wel degelijk door
de mensen beseft dat het tenslotte nergens om zou gaan en dat die
'nihilistische' gesteldheid bij de toekomstige volwassen mens behoort.
108.
Dat het in de eerste twee perioden steeds om iets hogers
gaat laat zich verklaren uit de positie die de daarin betrokken mens in de
werkelijkheid inneemt. Er is namelijk nog steeds iets dat de mens te wachten
staat, iets waarbij hij op den duur terecht zal zijn en dat op de een of andere
manier de vervulling van alle, op hemzelf betrekking hebbende, beloften is.
Zowel de matriarchale als de patriarchale mens moet nog ergens naartoe
zodat het hem inderdaad om iets gaan kan. Er zijn voor hem doelen en
bedoelingen. Dat is echter niet zomaar het geval: het doel is ook iets hogers
voor zijn besef, iets dat grotelijks boven hem uitgaat.
Genoemde intuďtie, genoemd besef, werkt in alles door en
wel op een zodanige wijze dat er in de praktijk steeds iets hogers is dat als
enige bestaansrecht heeft en dat dus eigenlijk het enige werkelijk bestaande
is. Zo waren in de matriarchale periode de vorsten de enig bestaande mensen en
die mensen konden niet anders dan als hogere wezens gezien worden. In feite
waren zij de enig bestaande individuen. Alle anderen waren van een lagere orde.
Als zodanig behoorden zij er natuurlijk ook bij, maar dan wel als voorwaarden
voor het bestaan van die unieke individuen. Zij vormden daarvan de materiële
ondergrond en het spreekt vanzelf dat dit maar een stoffelijke en stoffige
aangelegenheid is. Minderwaardig in alle opzichten! In feite gaat het nu om de
werkelijkheid als slaaf de mens die bestaat terwille van iets of iemand anders.
Als met de Romeinse cultuur de mens als aanvankelijke individu door gaat breken
komen er steeds meer van zulke individuen die op een hogere status aanspraak
maken. Maar dat is in feite slechts een kwantitatieve zaak: er komen er meer
van dezelfde hogere status. Wezenlijk verandert er niets want de gewone mensen
verkeren nog steeds in de positie van de slaaf die in alle opzichten te doen
heeft wat hem van hogerhand bevolen wordt. Voor de hedendaagse moderne mens
liggen de kaarten nog precies zo. Het lijkt alleen maar anders doordat het
systeem zich gewijzigd heeft van autoritair naar democratisch, oftewel van een
stelsel van wetten naar een stelsel van rechten. Daardoor lijkt de gewone mens
vrij te zijn en deelgenoot van zijn eigen maatschappij. Het lijkt echter alleen
maar zo, want de belangen van zijn wereld liggen nog steeds bij het hogere: de
voor de mens van de moderne cultuur aanbiddelijke goden, zoals de wetenschap,
de economie en de politieke macht. En voor dat hogere heeft ook de moderne mens
te buigen. Zo heeft hij bijvoorbeeld geen enkele invloed op de keuze van zijn
leiders. Dezen stellen immers zichzelf en hun bentgenoten kandidaat! En de
gewone mensen kunnen daaraan slechts hun toestemming verlenen terwijl de
werkelijke leiders, de leden van een regering dus, helemaal niet gekozen
worden. Voorts heeft ook die moderne democratische mens te doen wat er bevolen
wordt.
109
Omdat het vooralsnog om het hogere gaat is er ook op te
merken dat alle instellingen automatisch bezig zijn zichzelf te versterken en
te handhaven. Of het nu om het bestuur van een onbeduidende vereniging gaat of
de regering van een staat, onveranderlijk is er de rechtvaardig geachte behoefte
om macht uit te oefenen en het daarmee samenhangende recht zichzelf als de maat
te nemen en in stand te houden. Vooral tegenwoordig neemt dit euvel hand over
hand toe, maar dat behoeft niet te verbazen omdat het gewoon in de aard van het
onvolwassen patriarchaat ligt om zich zodanig te laten gelden. Het spreekt
vanzelf dat aan het eind van een ontwikkeling de ware aard van een zaak helder
te voorschijn komt en zo ligt het voor de hand dat de vrijwel onbeperkte macht
van de instellingen meer en meer realiteit wordt, met daartegenover een
toenemende slavernij van de gewone mensen. Een slavernij die, zoals gezegd, op
vrijheid lijkt doordat de moderne machtsmiddelen een abstract karakter hebben
gekregen. Men bemerkt het niet zo erg dat men aan alle kanten door de hogere
instellingen geleefd en gemanipuleerd wordt. Maar, als men bij gelegenheid eens
iets wil dat niet in de reglementen van die instellingen beschreven is, dan
blijkt overduidelijk dat er voor de gewone mensen eigenlijk nauwelijks nog iets
mogelijk is.
110. Trouw-1
; Trouw-2 ;
Trouw-3
; Trouw-4 ;
De macht van het hogere is
inmiddels zo wijd vertakt dat het wel op een complot lijkt! Toch is dat niet
het geval, althans niet in de gebruikelijke betekenis van het woord. Men
ervaart op een bepaalde manier de werkelijkheid en daaraan komt onvermijdelijk
een zekere manier van denken mee. Dat leidt tot bepaalde systemen die voor het
leven en de maatschappij allesbepalend zijn. Dat wordt door niemand speciaal
uitgedacht of ingesteld, zoals dat bij voorbeeld wel bij de maffia het geval
zou zijn. De zaken gaan daarentegen eenvoudigweg zo en worden door een ieder
vanzelfsprekend gevonden. Men staat er niet bij stil - uitzonderingen
natuurlijk daargelaten. Het heeft dan ook geen pas om de leiders van de
instellingen van misdaad te beschuldigen, want over het algemeen is er niet van
kwade trouw te spreken. Als
regel heeft men met integere mensen te doen, maar wat wel gezegd moet worden is
dat dezen zich onnozel en vaak zelfs lafhartig lenen voor systemen die, gezien
in het licht van de waarheid en dus ook de humaniteit, niet deugen.
Systemen met doelen, doelstellingen en bedoelingen zijn,
menselijk gedacht, volstrekt uit den boze. Zij zijn niet toegesneden op de
gewone mensen die zij zeggen te dienen, maar louter op eigen status en behoud.
Daardoor lijkt alles anders dan het in feite is.
Tenslotte, tegen het einde van zijn cultuurweg, leeft de
alsnog onvolwassen patriarchale mens in een schijnwereld die in alle
opzichten bedrieglijk is en waarin elke rechtvaardiging van het bestaan en de
noodzaak van een instelling een leugen is. Bijvoorbeeld: ondérwijs en
gezondheidszorg zijn er niet voor het welzijn van de gewone mensen, maar voor
het profijtelijk functioneren van de belangrijkste pijler van de moderne staat,
de economie. Maar men spreekt wel voortdurend menslievend over dat welzijn en
bijna iedereen meent, onnadenkend als altijd, dat dit de ware rechtvaardiging
van het bestaan van allerlei instellingen is. Zou dit echter werkelijk het
geval zijn, dan kon het niet gebeuren dat zulke voorzieningen zonder schaamte
of wroeging beknot en zelfs afgeschaft worden als de economische wetenschappen
zeggen dat daar aanleiding toe bestaat. Op zichzelf is dat niet verwonderlijk:
het ligt namelijk in de rede dat de patriarchale mens tenslotte in een
schijnwereld leeft.
Trouw-1 ;
Trouw-2
; Trouw-3 ;
Trouw-4 ;
111.
Men zou kunnen vinden dat er toch een optimistischer kijk
op de wereld mogelijk moet zijn. Er is immers ook te wijzen op een groot aantal
positieve zaken, zoals grote verbeteringen in de leefomstandigheden van veel
mensen. En ook kan niet ontkend worden dat er meer oog komt voor de ongelukkige
medemens die nog onder achterlijke omstandigheden leven moet. De toenemende
communicatie brengt de mensen niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk,
dichter bij elkaar. En zo is er nog veel meer op te noemen. Het gaat er echter
niet om onze wereld eenzijdig zwart af te schilderen zoals een cynicus dat zou
doen. Maar het gaat er anderzijds wel om tot het inzicht te komen dat alle
goede zaken er niet zijn gekomen om zichzelfs wil, maar vanwege andere belangen
en bedoelingen. In het kort is te zeggen dat de goede dingen gevolg zijn van
het feit dat iemand een kans zag zijn voordeel ermee te doen. Als er niet het
vooruitzicht van profijt is komt er niets tot stand. Dit en dergelijke zaken te
herkennen is geen zaak van cynisme, maar van een reële kijk op de groei van de
mens naar volwassenheid. Wat echter praktisch van belang is, is het feit dat al
die goede zaken er toch gekomen zijn en daarbij is het goed en nodig te
bedenken dat in een alsnog Onvolwassen wereld het tot stand komen ervan
uitsluitend langs de weg van het profijt gerealiseerd kan worden. Was er van
een keuze te spreken geweest, dan had men vol cynisme op de zaak kunnen en
mogen reageren, maar de mens heeft hierin volstrekt geen keuze: de tweede fase
kan niet anders dan zo verlopen. De individuele mens moet zich als 'de'
individu waarmaken en dat is een mannelijke, patriarchale zaak waarbij
het opzien naar iets hogers onvermijdelijk is.
112.
Het is merkwaardig dat de liefde tegenwoordig zo een
centrale plaats inneemt, althans in de moderne westerse cultuur. Er is
bijvoorbeeld een gigantische muziekcultus ontstaan die vrijwel geheel in het
teken van de liefde staat. Zo ongeveer elk liedje gaat er over en dan is het
ook nog zo dat- hoofdzakelijk geklaagd wordt over ongelukkige liefdes. Het
lijkt erop of de liefde voor de moderne mensen een probleem is geworden, dat is
te zeggen: de met seksualiteit verbonden liefde tussen partners. In de kerken
wordt zo af en toe nog over een algemener soort van liefde gesproken, een
sekseloze liefde die al het bestaande omvat. En dat heet dan een liefde te zijn
die van een vaderlijke god uitgaat en die bijgevolg een uitgesproken
patriarchaal karakter heeft.
Dat patriarchale leidt steevast tot
gewelddadigheid die geduid wordt als een uiting van ware en onbaatzuchtige
liefde. Die men lief heeft kastijdt men immers! Maar, buiten die kerken is de
liefde nooit zonder seksuele inhoud en van die liefde is te zeggen dat men er
een probleem aan heeft en er tegelijkertijd een intens verlangen naar voelt.
Dat verlangen naar liefde is onlosmakelijk verbonden met het hunkeren naar een
geliefde die in staat is bevrediging en rust te geven...Helaas blijkt het
allemaal maar schijn te zijn, althans dat is na een poosje van hemelse
zaligheid steeds het oordeel van de mensen. Om de een of andere reden blijkt de
liefde nooit aan de verwachtingen te voldoen en dat oordeel wordt al s
vanzelfsprekend ook van toepassing gebracht op de partner die jammer genoeg
eveneens steeds in gebreke blijft. Kortom, men hunkert naar liefde om
tegelijkertijd almaar te falen.
113.
Het begrip liefde duidt op het ineenzijn van twee
grootheden, namelijk het een en het ander en dus ook, als het over de mens
gaat, de een en de ander. Dat ineenzijn is niet tot twee grootheden beperkt,
maar, hoe omvangrijk dit ineenzijn ook is, het is noodzakelijk een aantal malen
het ineenzijn van de een en de ander en dus van 'twee'. Deze betekenis van het
begrip liefde is in de cultuurgeschiedenis der mensheid voortdurend naar voren
gekomen. Er zijn schitterende verhalen over verteld, maar steeds is de tragiek
van de liefde nadrukkelijk op de voorgrond gezet. De tragiek namelijk dat een
werkelijk ineenzijn in de zin van in elkaar versmelten in de praktijk niet
mogelijk is. Dat wil zeggen dat twee mensen nimmer echt in elkaar kunnen
overgaan en versmelten. Het kan inderdaad in de seksualiteit wel een beetje,
maar dat is in zekere zin plaatselijk en tijdelijk en dus uiteindelijk niet
bevredigend. In het oude Oosten, ik meen in India in het Hindoeďsme, deden
verhalen de ronde dat twee geliefden bij hun ontmoeting, overweldigd door de
intensiteit en de grootsheid van hun liefde voor elkaar, ter plaatse de geest
gaven en dood neervielen. Dat wil zeggen: alleen in de dood, als het
lichamelijke vervallen is, kunnen geliefden in elkaar opgaan. Dat thema keert
telkens terug, ook in de westerse cultuur, waar overigens ook pogingen
ondernomen zijn het lichamelijke door onthouding uit te schakelen. Maar in alle
gevallen werd het niets en dat is de tragiek van de zaak. Het meest tragische
is echter dat niet de liefde Onmogelijk is, maar louter en alleen de
voorstelling die men ervan heeft. Zoals men zich voorstelt dat de liefde is, zo
is ze niet en dus moet de zaak almaar en onvermijdelijk in een fiasco uitlopen.
Zo heeft het ook geen zin dat partners elkaar de schuld van de mislukking
geven, hoewel niet ontkend kan worden dat veel mensen er een behagen in
schijnen te scheppen elkaar dwars te zitten en het leven zuur te maken.
114.
Het begrip liefde, oftewel ineenzijn heeft geen
betrekking op de werkelijkheid als voorstelling, maar op de werkelijkheid als
beeld. En, deze laatste werkelijkheid is onmiddellijk gevolg van het bewustzijn
zoals dat in elke mens aanwezig is als een beweeglijke, volledig samenhangende
algemene werkelijkheid. Een werkelijkheid dus waarin het niet gaat om
bepaaldheden, dus 'dit of dat', maar om essenties. Dus niet deze boom, maar
'de' boom naar zijn algemeenheid en dus ook naar zijn wezenskenmerken. Deze
onbepaalde, samenhangende en beweeglijke werkelijkheid is in ieder mens naar
zijn volle waarheid aanwezig, zij het lang niet voor een ieder even helder
zichtbaar. In onze cultuur bijvoorbeeld is dit bewustzijn nagenoeg geheel
weggedrukt achter een enorme hoeveelheid ingeprente kennis en formules. Hoe dan
ook, de liefde hoort thuis in de werkelijkheid als bewustzijn. Zij behoort dus
ten volle bij de 'waarheid', de 'schoonheid' en de 'harmonie'. En dat is het
geval omdat zij staat voor het begrip ineenzijn, welk begrip als hoofdkenmerk
van de werkelijkheid als bewustzijn geldt. Je kunt dus zeggen dat de liefde een
'bewustzijns aangelegenheid' is. De mens ervaart deze 'bewustzijns
aangelegenheid' als een zaak van de werkelijkheid als beeld en dat verklaart
waarom de liefde zich niet analyseren en berekenen laat. Het is een kwestie van
ondergaan en zien. Analyse en berekening zouden daarentegen wel plaats kunnen
vinden als de liefde een zaak van de werkelijkheid als voorstelling geweest zou
zijn, want dan is er geen ineenzijn maar een uiteenzijn dat natuurlijk de
juiste voorwaarde voor analyse, berekening en verklaring zou zijn. Maar, dat is
een 'als' dat op een onmogelijkheid betrekking heeft. Omdat de liefde een zaak
van het bewustzijn is treedt zij niet incidenteel op, maar juist permanent.
Waar een mens is, is liefde, want daar is 'het beeld' werkzaam op grond van het
gelden van het bewustzijn. Deze toestand kan niet afwezig zijn want dan is er
geen sprake van een mens.
115
Hoewel de liefde een zaak van het bewustzijn is en niet
van de voorstelling moet toch tegelijkertijd begrepen worden dat de liefde in
zoverre zelfbewust is dat de mens er weet van heeft. Men zou namelijk kunnen
stellen dat de liefde, een zaak van het bewustzijn zijnde, tenvolle voor de
dieren en de planten zou moeten gelden en wel omdat deze in bewustzijn
uitlopen. Dit echter is bij hen een soort van automatisme: voor plant en dier
'is' de werkelijkheid ineenzijn en dus een, als het ware buiten hen omgaand,
programma. Dat is bij plant en dier actief zonder dat het niet-actief kan zijn.
Zij hebben zogezegd geen 'keuze'. Dat alles uit zich in de samenhang van alle
verschijnselen in de natuur. Voor de mens, als laatste verschijnsel, is de
liefde te typeren als een 'zelfbewust laten gelden van het ineenzijn'. Hij
heeft namelijk de mogelijkheid om de liefde voor zichzelf niet te laten gelden.
Hij heeft dus wel een keuze. Dat blijkt dan ook, want hij kan volslagen
liefdeloos zijn. Voor hem is het begrip haten een reële mogelijkheid geworden.
Dat is bij plant en dier niet het geval. Zij kunnen niet haten, want zij kunnen
het ineenzijn niet ontkennen - wat de mens dus wel kan. Hoewel de liefde een
permanente toestand van het verschijnsel mens is, moet het gelden ervan
eigenlijk beschreven worden als een 'laten gelden'. De mens kan de liefde
'laten gelden', maar hij kan daar ook van afzien. In onze cultuur bijvoorbeeld
is er veel te doen over de liefde, maar er wordt in feite niet voor 'gekozen'.
Men is geheel niet van zins de liefde in onze wereld te laten gelden, alleen al
vanwege het feit dat alle waarden er aan verloren gaan...
116.
Wanneer de liefde werkelijk geldt is alles ineen. Dan is
er niets meer dat zich van het andere kan afzonderen en er aanspraak op maken
van meer waarde te zijn. In het samenhangende geheel is het een wel qua nuance
van het ander te onderscheiden, maar het is onmogelijk het er los van te maken.
Daarom is het 'alles of niets', dat wil zeggen: alles is van waarde of niets is
van waarde. Maar aangezien het onlogisch is alles van waarde te schatten kun je
dit als zinloos achterwege laten. Waartegen moet de waarde van 'alles' afgezet
worden? Er is daarvoor geen norm te stellen en dus is het verantwoord te
stellen dat er niets is dat van waarde is. Aan het gelden van de liefde
vervallen dus noodzakelijk alle waarden, maar dat is voor de onvolwassen mens,
en dus ook voor de moderne mens, niet iets om naar uit te kijken! Deze mens
ontleent de betekenis van zijn bestaan immers aan zij n vermeende meerwaarde
ten opzichte van zijn medemensen. Hij is zogezegd datgene dat zijn meerwaarde
is; hij is zichzelf meerwaarde...
Dat alles kan nimmer samengaan met de liefde.
117.
Eigenlijk bestaat er helemaal geen werkelijk ineenzijn.
De verschijnselen zijn allemaal buiten elkaar. Waar het ene ding zich bevindt
kan het andere niet zijn en dus is het volstrekt onmogelijk dat er hier of daar
twee of meer verschijnselen met elkaar versmolten zijn. Zelfs tijdens het
zogenaamde versmelten van eicel en zaadcel is het zo dat de eicel volhardt in
haar zelfstandige bestaan en dat de zaadcel restloos in haar verdwijnt.
Welbeschouwd kun je dan niet van 'ineenzijn' spreken en zoals gezegd is een werkelijk
ineenzijn ondenkbaar en onmogelijk. Als ik dan ook over het ineenzijn spreek
dan gaat het om het teken waarin plant, dier en mens verschijnen. Men kan ook
zeggen dat het datgene is waarom het bij zo een levend wezen gaat. In de
vroegere idealistische filosofie sprak men dan van de 'idealiteit' van dat
leven. Bijvoorbeeld Hegel kwam steeds met dat begrip. De planten en de dieren
staan in het teken van het ineenzijn. Daardoor kunnen zij op elkaar en op hun
omgeving reageren zoals zij reageren. Maar zoals gezegd functioneert dat
noodzakelijk als een programma waaraan niet te ontkomen valt. Bij de mens is
het een zelfbewuste zaak en dat betekent dat het bij hem als een 'besef' voor
de dag komt. Naarmate de mens meer zichzelf wordt en zijn volwassenheid benadert
versterkt zich in hem het besef dat voor hem als mens de werkelijkheid een zaak
van ineenzijn, van liefde, is. Hij ziet dan de totaliteit van op zichzelf
staande verschijnselen als samenhangend, ongebroken: hij ziet de totaliteit dan
als een geheel. Wanneer dat het geval is staat de mens 'in het teken van de
liefde'. Voor zijn zelfbewustzijn is de werkelijkheid dan een ongebroken
geheel.
118.
Het verschijnsel vrouw wordt gekenmerkt door het begrip
bewustzijn en het verschijnsel man door het begrip zelfbewustzijn. Uiteraard
gaat het hierbij om een kenmerk dat bij de een op de voorgrond staat, terwijl
bij de ander het andere kenmerk op de voorgrond staat. In de grond van de zaak
zijn beiden hetzelfde verschijnsel en dan is de vrouw het verschijnsel mens
naar het vrouwelijke kenmerk, bewustzijn, en de man is het verschijnsel mens
naar het mannelijke kenmerk, zelfbewustzijn. Nu doet zich iets eigenaardigs
voor: de vrouw, gekenmerkt door het bewustzijn, wordt dus wezenlijk getypeerd
door het begrip ineenzijn, oftewel liefde. En de man met zijn zelfbewustzijn
door het begrip uiteenzijn, oftewel relatie. Dat heeft voor de cultuur
verstrekkende gevolgen!
Men kan gemakkelijk constateren dat door alle eeuwen heen
de vrouw geassocieerd werd met de liefde en ook met een soort van natuurlijk
aanvoelen van situaties, doorgaans 'intuďtie' genoemd. Daarbij had men vaak ook
in de gaten dat het een logische consequentie van het gelden van het begrip
ineenzijn is dat de inhoud ervan niet als een verzameling bepaaldheden
optreedt, maar als een harmonisch, in zichzelf genuanceerd, allesomvattend
geheel. Gevolg van dit inzicht was dat men de geliefde van de vrouw, de man
dus, als een onbepaalde inhoud stelde. De man was onbekend, niet bij name
genoemd, kortom: de vreemdeling! En in die situatie stond de vrouw open voor
een ieder. Zij was onvoorwaardelijke ontvankelijkheid. Dat kwam behoorlijk zuiver voor de dag in de
zogenaamde religieuze prostitutie die in de oudheid veelvuldig voorkwam en die
in allerlei meer versluierde vormen nog lange tijd in de westerse cultuur aan
te wijzen is. Een enkele keer, zoals bijvoorbeeld in Charles de Costers
meesterwerk Tijl Uilenspiegel, wordt er openlijk naar verwezen: de 'heks'
Katelijne heeft de duivel als minnaar. De heks staat in dit verband voor het
liefdevol ontvankelijk vrouwelijke en de duivel voor het onbepaalde mannelijke.
Tijl Uilenspiegel zelf is zinnebeeld van de werkelijke man die door het voor
hem gelden van het begrip totaliteit ook weer buiten elke bepaling is komen te
staan en die als zodanig de geliefde van Nele kan zijn. De Coster heeft die
verhouding tussen de vrouw en de man met een bijna onwesterse helderheid
getekend...
Voor de oude Grieken was het zuivere vrouwelijke ook
onmiddellijk identiek aan de liefde. Deze identiteit kan uitgedrukt worden in
de uitspraak: 'de vrouw is liefde', waarbij de term 'vrouw' eigenlijk vervangen
zou moeten worden door 'het verschijnsel vrouw'.
120.
Bij het verschijnsel man liggen de zaken totaal anders
dan bij het verschijnsel vrouw. Nu geldt dat de dingen uiteen zijn en in de
grond van de zaak niets met elkaar te maken hebben. Er gaapt een kloof tussen
het een en het ander. Die kloof kan niet gedicht worden. De enige mogelijkheid
is het slaan van een brug, het maken van een verbinding, tussen het een en het
ander. Dit wordt uitgedrukt door het begrip relatie. Gold voor het verschijnsel
vrouw dat er altijd liefde is omdat zij zelf in het teken van dit begrip staat,
voor het verschijnsel man is er pas zoiets als liefde als er een relatie is.
Daarvan is de zaak dus afhankelijk. Anders gezegd: bij het verschijnsel man is
de liefde een voorwaardelijke zaak, maar voor het verschijnsel vrouw geldt de
liefde onvoorwaardelijk. Gezien vanuit het verschijnsel man is de liefde een
verhouding tussen twee partners, precies zoals er een brug kan liggen tussen
twee wanden van een kloof. Is er onder omstandigheden geen partner, dan is er
ook geen relatie en bijgevolg ook geen liefde. Eerst moet de relatie er zijn en
dan pas kan de liefde komen. Daar komt nog bij dat de partner er blijk van moet
geven ‘ontvankelijk' te zijn want anders is er nog niets aan de hand. Het
gelden van het begrip liefde is dus voor het verschijnsel man een door en door
afhankelijke en voorwaardelijke aangelegenheid. Op en voor zichzelf kan dat
verschijnsel er niets van terecht brengen. Omdat onze hedendaagse moderne
cultuur de verwerkelijking van het verschijnsel man is komen bovenstaande
eigenaardigheden vrijwel zonder mankeren ook in de praktijk voor. Niet alleen
echter in het gedrag van de mannen, maar ook in dat van de vrouwen. Deze
laatsten vallen immers ook onder diezelfde cultuur !
Dat in de moderne cultuur de liefde afhankelijk wordt
gesteld van het al of niet aanwezig zijn van een relatie heeft naar twee kanten
een catastrofale uitwerking. Ten eerste wordt iets als de maat gesteld wat
volstrekt niet als zodanig kan gelden, namelijk de relatie tussen de mensen. Zo
een relatie is onvermijdelijk beperkt van karakter. Daardoor kan hij onmogelijk
tot ineenzijn leiden. Juist doordat hij niet alles kan omvatten gaat al hetgeen
er buiten valt de zaak dramatisch verstoren. Wat er nog mogelijk was komt dan
ook nog ten einde. Maar, ten tweede, wordt het voor de vrouw en het vrouwelijke
een hopeloze zaak om zich naar eigen aard te laten gelden. Daarmee echter sluit
de wereld zich af voor al zijn wezenlijke mogelijkheden, met als voornaamste de
mogelijkheid om het versnipperde zelfbewustzijn tot een samenhangende eenheid
te brengen. En zolang dat uitgesloten is valt de mensheid meer en meer aan een culturele schizofrenie ten prooi...
122. Burqa zie ook: patriarchale tirannie van de man
Gezien vanuit de moderne cultuur geldt de vrouw als
gelijkwaardig aan de man, en dat is natuurlijk terecht. Gezien vanuit de
filosofie is er eigenlijk niet van waarden te spreken zodat er tussen het
verschijnsel vrouw en het verschijnsel man zonder meer een volstrekte
gelijkheid heerst. Maar, er is ook nog het
begrip gelijksoortigheid. Getoetst aan dat begrip verschillen beide genoemde verschijnselen hemelsbreed
van elkaar. Het verschijnsel vrouw is van een geheel andere soort als het
verschijnsel man. Dat blijkt, zoals eerder gezegd, uit de andere kwaliteit van
het begrip liefde dat bij de vrouw onvoorwaardelijk is maar bij de man door en
door afhankelijk en voorwaardelijk. Ik spreek nu van 'de vrouw' en 'de man' in
de zin van beide verschijnselen. Hoe beiden in de praktijk van onze cultuur
voor de dag komen is een andere zaak. Hoe dan ook, je kunt inzake die
ongelijksoortigheid ook zeggen dat de man 'op zoek' gaat naar de liefde terwijl de vrouw de liefde
alleen maar behoeft te laten gelden, want zij 'is' het reeds tenvolle. Westerse denkers kunnen zich oprecht
ergeren aan het feit dat Islamitische
vrouwen geen gelijke rechten genieten zoals dat met westerse vrouwen wel
het geval schijnt te zijn. Ik
gebruik in dit verband het woord 'schijnt'
omdat het nog maar de vraag is of westerse vrouwen inderdaad gelijke rechten
hebben. Maar, dit terzijde! In ieder geval is het duidelijk dat de vrouwen van de Islam zich in niets
de gelijken van hun mannen mogen tonen. Het is natuurlijk terecht dat zoiets
afgekeurd wordt. Het individualistische rechtsbeginsel laat volstrekt geen
verschillen toe. Maar toch moet er nog wel het een en ander aan bedacht worden.
De status van de Islamitische
vrouw vertoont sterke overeenkomsten met die van de Griekse vrouwen van
destijds. Dat heeft alles te maken met oeroude beseffen omtrent het
verschijnsel vrouw. Hoewel de praktische toepassing van deze oude intuďties op
zijn minst bedenkelijk genoemd moet worden is de grondslag ervan volkomen juist. De vrouw staat
namelijk voor het 'in zichzelf afgeslotene', in die zin dat er voor haar, als
zijnde het allesomvattende geheel, geen
buitenwereld is. Zij behoort zich bij gevolg niet in de maatschappij, die de
buitenwereld is, te begeven. De
afwezigheid van een buitenwereld
blijkt ook uit het dragen van bedekkende
kleding en een sluier. Zij heeft zich als het ware achter die omhulling
teruggetrokken. Daarmee in verband staat de opvatting dat de vrouw nimmer van
buitenaf benaderbaar mag zijn en ook dat uit zich in de kleding en het dragen van de sluier. Deze
voorzieningen beschermen haar tegen het van buitenaf opdringende mannelijke principe. Ook het huis, als de beslotenheid
waarbinnen geleefd wordt, en de verzorgende taak zijn afgeleid uit het begrip
allesomvattend geheel zoals dat voor het verschijnsel vrouw geldt. Zo zijn er
stellig nog meer zaken aan te wijzen die refereren aan oeroude inzichten
omtrent de werkelijkheid. Hoezeer het ook terecht is dat men zich in Het Westen
ergert aan het handhaven van die merkwaardige positie van genoemde vrouwen, het
zou toch goed zijn als er eindelijk eens wat begrip kwam voor de onderliggende
intuďties, juist ten voordele van de zich emanciperende moderne vrouw.
Deze kan zich immers alleen maar op de manier van het
verschijnsel man laten gelden! Deelnemen aan het maatschappelijk leven is nog
steeds volstrekt onmogelijk vanuit haar wezenlijke vrouw-zijn. Zij is verplicht
zich als een man aan te gaan stellen. Bijgevolg worden kinderen als een meer of
minder lastige bijkomstigheid ervaren waarvan men vindt dat de mannen er ook
maar eens iets voor moeten doen. En er moeten van Overheidswege, dus vanuit anonieme
hogere machten, regelingen voor de zogenaamde 'kinderopvang' getroffen worden, want de vrouw kan niet met
haar kinderen op het werk verschijnen. Ze mogen niet tussen de bureaus of
werktafels spelen en ze in hun bedjes op de werkvloer laten slapen kan al
helemaal niet. Niemand weet werkelijk waarom dit niet zou kunnen, uiteraard met
bepaalde voorzieningen en aanpassingen. En niemand heeft er echt over nagedacht,
maar iedereen zegt toch dat het niet kan! Kortom, de gehele moderne wereld is
in strijd met de vrouwelijke beginselen. Nog steeds kan de vrouw niet uit de
voeten, zelfs niet als zij eindelijk als een volwaardig lid van de maatschappij
erkend is. Zij is dan slechts erkend als een 'kloon' van het verschijnsel man
en eigenlijk is zij dan nog verder van huis dan toen zij nog teruggedrongen was
in de afgeslotenheid van het alles omhullende, het huis. Daar kon zij tenminste
nog haar eigen basale realiteit scheppen. Dat liet wel geen maatschappelijke
ontplooiing toe, maar het was in ieder geval niet in strijd met haar eigen
wezen.
Burqa zie ook: patriarchale tirannie van de man
123.
Al vaker heb ik er op gewezen dat er onderscheid gemaakt
moet worden tussen 'het verschijnsel mens', de 'verschijnselen vrouw en man' en
'de vrouwen en mannen'. Dit laatste betreft uiteraard de vrouwen en mannen van
het dagelijkse leven, de bestaande mensen. De 'verschijnselen vrouw en man'
bestaan uit het complex van factoren en verhoudingen zoals die onder alle
omstandigheden gelden, ongeacht vervormingen vanuit de cultuur, de erfelijke
aanleg van de persoon en zo meer. Hetzelfde kan natuurlijk gezegd worden van
'het verschijnsel mens' , hoewel het daarbij weer wat meer gaat over de
algemene kenmerken van het laatste verschijnsel, zonder dat speciaal het
mannelijke of het vrouwelijke bekeken wordt. Het is noodzakelijk het begrip het
verschijnsel mens nader te bekijken en hierbij is het inderdaad van minder
belang of het over het vrouwelijke dan wel het mannelijke aspect van de zaak
gaat. Het gaat om de verhoudingen die het karakter van het verschijnsel mens
bepalen. Vanzelfsprekend zijn dat verhoudingen die voortvloeien uit de unieke
positie van de mens in de kosmos. Zij vloeien voort uit de positie van laatste
verschijnsel, het sluitstuk van het wordingsproces. Dat sluitstuk is een
grensgeval en daarvoor geldt noodzakelijkerwijs dat het een dubbelfiguur is.
Over de eigenaardigheden van deze dubbelfiguur zijn nogal wat misverstanden in
omloop, enerzijds veroorzaakt door het feit dat men doorgaans hieromtrent
onwetend is en anderzijds doordat men er met het gebruikelijke denken almaar
geen vat op kan krijgen.
De meeste moderne denkers besteden nauwelijks aandacht
aan de merkwaardige verschijnselen die uit de dubbelfiguur voortkomen. Zij
beschouwen het verschijnsel mens domweg als een hogere diersoort die alleen
maar een wat meer ingewikkelde variatie is op het gangbare dierlijke patroon.
Anderen daarentegen hebben de klok horen luiden en zijn nu tot de overtuiging
gekomen dat de mens een 'geestelijk wezen' is. Een wezen dat alles wat tot de
werkelijkheid als verschijnsel behoort dient af te zweren en dat vervolgens een
aantal fraaie abstracties als de maat moet nemen. Beide opvattingen zijn
ernstige dwalingen die het menselijk leven veel schade berokkenen. Men zou het
zo zonder meer niet zo vlug verwachten, maar vooral de 'geestelijke' leidt tot
enorme frustraties, alleen al vanwege het feit dat vanuit deze optiek iedereen
bij voorbaat en onvermijdelijk een schuldige mislukkeling is. Het 'zuiver
geestelijke', ook het 'zuiver begrip' van onder anderen Kant en Hegel, is immers
niet te bereiken. Het is per definitie een utopie! Maar, de gehele moderne
cultuur staat helaas nog steeds in het teken hiervan. Een van de gevolgen is
dat nog altijd bepaalde lieden, die beslist niet tot de besten behoren, de kans
krijgen de baas te gaan spelen en voor anderen de dienst uit te maken, door hen
zogenaamd de weg naar 'het goede' te wijzen. Daarbij is dat 'goede' steevast
uitsluitend in het belang van die voorbeeldige voorgangers zelf..
Noch de dierlijke, noch de geestelijke benadering van het
verschijnsel mens is juist. In beide gevallen is de mens zelf het slachtoffer
Als dierlijk verschijnsel worden hem tal van onbedwingbare, negatieve en
onverklaarbare driften toegeschreven en als geestelijk wezen is er de nimmer
aflatende dwang vanuit de een of andere onwaarschijnlijke hogere instantie om
van zichzelf een heilige te maken. In het eerste geval geldt het oeroude begrip
zonde dat te maken heeft met het besef dat de mens niet deugen zou en in het
tweede geval het al even morbide begrip schuld hetgeen betrekking heeft op het
voortdurende tekortschieten van de mens. Al met al een weinig frisse kijk van
de huidige mens op zichzelf en zijn medemensen - vooral deze laatsten! Maar,
als eindpunt van de wording is het verschijnsel mens noch het een noch het
ander. Het verschijnsel mens is voor zichzelf de absolute ontkenning. Het heeft
de natuurlijke dwangmatigheden achter zich gelaten zonder feitelijk over te
gaan naar iets anders dat daaraan tegengesteld is. Dat wil dus zeggen dat voor
de mens geen enkel criterium geldt. Hij is een volkomen 'vrijzwevend'
verschijnsel dat nergens iets mee te maken heeft, zelfs niet met zijn
medemensen. Elk individu is volslagen vrij en onafhankelijk. Dit echter is niet
alles: het natuurlijke op zichzelf is voor het verschijnsel mens niet
vervallen. Het is er nog steeds! Biologisch gezien is de mens een dier, een
'hoger' weliswaar, maar toch een dier. En de mens is tegelijkertijd ook
'geestelijk'. In wat meer filosofische termen uitgedrukt heet het dat de mens
'niet-materie' is. Ook dat is niet vervallen. Wat er precies op dat eindpunt
van de wording geschiedt is niet het vervallen van de zaken, maar het vervallen
van de absolute geldigheid ervan. Het ligt dus aan het verschijnsel mens zelf
wat hij al of niet gelden laat en daarin is hij volstrekt onafhankelijk. Omdat
de meeste mensen niet gewend zijn echt na te denken sputteren zij onmiddellijk
tegen bij confrontatie met de gedachte van die onafhankelijkheid. Dan sommen
zij hele reeksen van factoren op die de mensen tot Onvrije, aan hun lot
overgeleverde, sukkels maken. Dat zijn in hoofdzaak psychologische factoren,
maar ook wel sociale en ethische. Die slordige denkers hebben evenwel niet in
de gaten dat al die factoren, die zij opsommen met de bedoeling aan te tonen
dat de mens in alle opzichten onvrij is, juist evenzovele argumenten voor mijn
stelling zijn! Het zijn immers stuk voor stuk factoren die de mens in zijn
vrijheid belemmeren ! Het fundamentele gegeven is dus vrijheid! En vervolgens
kun je dan eens nagaan wat daarvan in de praktijk terecht komt, waarbij je als
eerste moet incalculeren dat de mensheid alsnog Onvolwassen is en dat bijgevolg
de mensen gemakkelijk van zichzelf afgehouden kunnen worden.
De Zonde-1 ; De Zonde-2 ; De Zonde-3 ; Paradijsverhaal
125.
Als ik me even bepaal tot het verschijnsel vrouw, dan
moet ik als eerste vaststellen dat het de vrouw vrij staat te bepalen hoe zij
zich, enerzijds vanuit de natuur (materie) en anderzijds vanuit het geestelijke
(niet-materie), wil laten gelden. Dus, op welke wijze zij dat wenst te doen.
Tot op heden vindt zijzelf, maar in de eerste plaats de man vanwege de druk van
de mannelijke cultuur, dat uitsluitend het natuurlijke maatgevend is. Dat komt
er dan in het kort op neer dat zij zich als moeder, als zorgzame minnares en
als bestierster van het huishouden manifesteert. De vraag of zij dat eigenlijk
zo wil is niet aan de orde, maar als zij dat eventueel afwijst vervalt voor
haar prompt elke keuze: zij is dan verplicht zich in een mannelijk patroon te
voegen. Slechts enkele bevoorrechte vrouwen zien kans inderdaad een eigen vrije
keuze te maken en op een geheel eigen wijze de materiële en niet-materiële
begrippen concreet te laten gelden. Het vertegenwoordigen van de werkelijkheid
als geheel krijgt daarbij een geheel andere gestalte dan, enerzijds, de op de
materie berustende traditionele en, anderzijds, de op een misplaatste 'geestelijkheid'
berustende modern mannelijke. Hoe de zaak er dan uit ziet is nooit van tevoren
te zeggen, juist omdat het de vrouw zelf is die zich op eigen persoonlijke
wijze manifesteert. En zeggenschap van anderen is al bij voorbaat uitgesloten!
Het vrijzwevend zijn, het nergens bij behoren is, zoals
al eerder opgemerkt, voor de moderne mens bijna niet te begrijpen. Volgens de
voorstelling, die de moderne mens heeft van de werkelijkheid, zijn alle mensen
en dingen van elkaar afhankelijk. Maar, niet alleen dat: alles moet ook van
bovenaf geleid worden omdat het anders een chaos zou worden. Afhankelijkheid en
ondergeschiktheid zijn in de voorstelling van de moderne mensen essentiële
grootheden met betrekking tot de individuele mens, de maatschappij en de samenleving.
Dus, wat hij als de realiteit beschouwt is volstrekt in strijd met de idee dat
er voor de mens absoluut geen afhankelijkheden gelden. Als je daarbij dan ook
nog bedenkt dat vandaag de dag het collectivistische denken nog steeds hoogtij
viert, dan zal het duidelijk zijn dat het zelfs in principe voor de moderne
mens onmogelijk is die vrijzwevendheid in volle omvang te verstaan. Een
belangrijke factor daarbij is dat men al gauw gaat denken dat bij die
vrijzwevendheid alle bindende verhoudingen vervallen zijn. Maar dat is een
foute gedachte. Het is het onontkoombaar programmatisch gelden ervan, het
bindende, dat niet langer van kracht is bij het laatste verschijnsel dat de
mens is. Wat eerst een vaste evolutionair ingeboren zaak was, bijvoorbeeld een
instinct, is bij de mens een zaak van keuze en dat betekent dat het hem
volslagen vrij staat te bepalen hoe hij of zij de zaak zal laten gelden, dus:
op welke manier hij of zij een en ander zal realiseren. Dat gaat zover dat de
mens zelfs kan besluiten of en wanneer hij dat zal doen. Het wezenlijk
kenmerkende is daarbij het besluit.
127.
De belangrijkste consequentie van het feit dat de mens
het laatste resultaat van het wordingsproces is is diens 'vrijzwevendheid' en
dat leidt er op zijn beurt toe dat al het gedoe van de levende verschijnselen
bij de mens verandert in handelen. Essentieel bij het handelen is het nemen van
besluiten. Zonder een voorafgaand besluit is er geen handelen en zonder het
handelen is er niet van een 'mens' te spreken. In de dieren- en plantenwereld
wordt er niet gehandeld. Ik zeg dan dat er daar alleen maar 'gedoe' gaande is,
maar natuurlijk kan dat ook anders genoemd worden, bijvoorbeeld 'reflexmatig
reageren' of iets dergelijks. In ieder geval is het van belang in te zien dat
de mens wel reflexen kent, maar er niet door beheerst wordt. Hij kan er in
principe ten allen tijde 'nee' op zeggen. Het is uitgesloten dat een mens een
activiteit vertoont die reflexmatig is, zuiver biologische processen
vanzelfsprekend daargelaten. Maar ook die zijn welbeschouwd afhankelijk van
besluiten die de mens neemt. Kan hij die processen op zichzelf wellicht niet
sturen - denk aan het kloppen van het hart - toch kan hij zo een proces
stopzetten en langs medische weg kan hij er ook heel wat invloed op uitoefenen.
Werkelijk alles wordt voorafgegaan door een besluit, hoewel het daarbij
inderdaad zo is dat men zich daarvan in veel gevallen in het geheel niet bewust
is. Er zijn tal van handelingen die automatisch gebeuren. Men denkt er niet
meer bij na, maar altijd kan men er wel bij nadenken en besluiten iets niet te
doen of anders te doen. Het staat de mens vrij, en daarom gaat het bij die
vrijzwevendheid. Voor de goede orde wijs ik er nogmaals op dat de mens wat
betreft die vrijzwevendheid zelf geen keuze heeft. Het behoort onlosmakelijk
bij zijn mens-zijn. Dat betekent ook dat de consequenties ervan, namelijk de
keuze, het besluit en het handelen onmiddellijk, onvermijdelijk en noodzakelijk
zijn.
Verantwoordelijkheden
nrs.33 en 34 ; Verantwoordelijkheid nr.87 ; Verantwoording nr.128
; Verantwoordelijkheid
nr.134
Het gelden van het begrip keuze en bijgevolg de noodzaak
om besluiten te nemen leidt tot een geheel ander denken over thema's als euthanasie, abortus
en alle mogelijke andere levensvragen. De mogelijkheid om smoezen te verzinnen
teneinde bepaalde verantwoordelijkheden
te ontlopen komt geheel en al te vervallen. Als bijvoorbeeld een arts of een
andere buitenstaander ertoe overgaat in een uitzichtloze situatie af te zien
van verder medisch handelen is dat net zo goed een besluit als wanneer hij
actieve euthanasie toepast. En wanneer
iemand voor zichzelf zijn of haar stervensuur zelf wil bepalen of dat op
zijn eigen natuurlijke beloop wil laten geldt voor beide gevallen dat het
keuzes zijn en dat er besluiten genomen worden. Consequent is derhalve deze
gedachte dat, als men van 'verantwoordelijkheid'
wil spreken, absoluut iedereen verantwoording
draagt. Of men nu het een wil of het ander, of men links wil of rechts, aan het
maken van een keuze en het nemen van een besluit is nimmer te ontkomen. Altijd
is er sprake van een besluit. De enige toestanden die volstrekt buiten het
begrip handelen vallen en die dus ook geen keuze, noch een besluit, toelaten,
zijn die van geboorte en dood. Men wordt buiten zijn eigen wil om geboren en
men zal sterven, of men wil of niet. Maar zelfs deze toestanden zijn niet
geheel los van keuzes en besluiten, zij het op een indirecte wijze: vrouwen
kunnen, geheel buiten de wil van het toekomstige kind om, besluiten of zij een
zwangerschap doorzetten of niet en met betrekking tot het sterven zijn er ook
tal van mogelijkheden, behalve die ene dat er ondanks alles 'gestorven moet
worden'. Overigens blijkt uit het feit dat er telkens weer mensen blijken te
zijn die zich willen laten conserveren, om veel later wederom tot leven te
kunnen komen, dat er toch een soort besef is dat de mens alles in eigen hand
kan hebben. Heeft men het sterven op zichzelf dan niet in eigen hand, de wijze
waarop en zelfs het tijdstip kunnen inderdaad door de mens besloten worden.
Verantwoordelijkheden
nrs.33 en 34 ; Verantwoordelijkheid nr.87 ; Verantwoording nr.128
; Verantwoordelijkheid
nr.134
Moederschap-1 ; Moederschap-2 ;
De vrouw kan altijd voor zichzelf beslissen hoe zij haar
vrouw-zijn wil realiseren. Uiteraard geldt die vrijheid voor de man ook, maar
voor de vrouw zijn er in de moderne wereld toch ernstige belemmeringen, doordat
zij zich in feite alleen maar op een mannelijke manier kan ontplooien. Er zijn
wat de vrouw betreft betrekkelijkerwijs twee mogelijkheden. Ten eerste dat zij
kiest voor het realiseren van werkelijk vrouwelijke verhoudingen en ten tweede
dat haar keuze neerkomt op het cultureel bovenliggende mannelijke programma. En
vervolgens gaat het er natuurlijk om op welke wijze zij verkiest het een of het
ander te realiseren. Dit laatste is heel belangrijk omdat in die mannelijke,
onvolwassen, wereld de weerstanden bijna onoverkomelijk groot zijn. Zij kan
bijvoorbeeld niet echt uit de voeten met haar moederschap. Wil zij in de maatschappij meedoen zal zij haar
functioneren als moeder achterwege moeten laten. Zij kan niet met haar kinderen
op het werk verschijnen. Dus zal zij daar oplossingen voor moeten verzinnen. Al
is zo een oplossing nog zo 'kind-vriendelijk', het is toch een noodgedwongen
zaak die in strijd is met het wezen van de vrouw. Maar, zij kan er ook voor
kiezen helemaal geen kinderen te nemen.
Uiteraard staat haar dat volstrekt vrij. Maar als zij dit
moet doen omdat er anders geen plaats voor haar in de maatschappij is, zit er
iets fout. Zij moet zich dan tegen zichzelf laten gelden, niet omdat zij voor
'geen kinderen' kiest, maar omdat haar in feite geen keuze gelaten wordt. Het
is overigens opmerkelijk dat niemand kan uitleggen waarom een moeder niet met
de kinderen op het werk kan verschijnen. Men komt met allerlei onwaarschijnlijke
verhalen die geen andere inhoud hebben dan: men doet dat nu eenmaal niet. In
ieder geval is gemakkelijk te constateren dat de maatschappij in geen enkel
opzicht op de vrouw is ingesteld. Waarlijk vrouwelijk kan zij niet zijn en als
zij zich voegt naar het mannelijke is zij tegen zichzelf. Ook als zij besluit
thuis te blijven met de kinderen is het allemaal getob doordat zij alleen maar
een 'onder-afdeling' van de man kan zijn.
Moederschap-1 ; Moederschap-2 ;
130.
Hoezeer het ook toe te juichen is dat er
emancipatiebewegingen zijn en dat vrouwen zich sterk maken binnen het
feminisme, toch blijft het een feit dat het alles bevangen blijft in het
culturele kader van een wereld die in het teken van het verschijnsel man staat.
Voorzover sommige geëmancipeerde vrouwen zich van hun ware identiteit bewust
zijn blijken zij steevast een diepe minachting voor die wereld te hebben. Zij
vinden alles even kinderachtig, onpraktisch, doods en zwaarwichtig. Bovendien
knaagt er almaar onvrede in hen. Psychoanalytische onderzoekingen van de
psychiater Carl Gustav Jung (1875-1961) getuigen ondubbelzinnig van het
bovenstaande. Het alles omvattende vrouwelijke kan zichzelf niet zijn en kan
zich bovendien geen inhoud verwerven. Onvrede en leegte zijn het
onvermijdelijke gevolg. In dit verband moet opgemerkt worden dat genoemde Jung
een veel helderder kijk op de vrouw en het vrouwelijke had dan een alom gevierd
man als Sigmund Freud (1856-1939), die bij nauwkeurige beschouwing zelfs een
eenzijdig autoritair mannelijke opvatting omtrent de vrouw blijkt te koesteren.
Wat deze 'geleerde' de vrouwen in de schoenen meende te mogen schuiven grenst
werkelijk aan het ongelooflijke! Hij dichtte hen de meest vreemde frustraties
toe, uiteraard vrijwel allemaal op het terrein van het seksuele. Zelfs als hij
enigszins op het spoor van de waarheid was, zoals inzake de incestproblematiek,
leidde deze kennis bij hem niet tot een poging de vrouwen te begrijpen, maar
tot een beoordeling van de vrouw als een ziektegeval. Als hij bijvoorbeeld een
enkele maal bij toeval genoemde fundamentele onvrede opmerkte duidde hij dat
niet als een reactie op de culturele Onmogelijkheid van de vrouw om zichzelf te
zijn, maar daarentegen als een ziekelijke afwijking. Jung evenwel had er alle
begrip voor, daargelaten dat het de vraag is of hij raad wist met de zaak.
Niet onvermeld mag blijven dat de grote Russische
schrijver Feodor Dostojewski (1821-1881) er blijk van heeft gegeven de positie
van de vrouw als laatste verschijnsel helder voor ogen gehad te hebben. In zijn
beroemde roman Misdaad en Straf uit 1866 vertelt hij over Sonja die, om haar
familie te onderhouden, prostitué is geworden. Om zich staande te houden moet
zij zichzelf als hoer verkopen. Zij kan dus niet zichzelf zijn, hoewel zij een
en al liefelijkheid, goedheid en zorgzaamheid is. Zij is dus de vrouw die in
deze wereld geen vrouw kan zijn. Dostojewski tekent dat als tragisch en
tegelijkertijd als iets dat voor deze Sonja vanzelfsprekend is: zij weet en
aanvaardt dat het niet anders zou kunnen. Uiteraard zit er ook een element van
zelfopoffering in, maar dat is niet hetgeen voor Dostojewski op de eerste
plaats komt. Een dergelijke opoffering is namelijk een volkomen leeg begrip omdat
het altijd en noodzakelijk het individu zelf is dat besluit te doen wat naar
eigen inzicht gedaan moet worden. Het is dan fout om van een opoffering te
spreken! Het is in feite een zo zinvol mogelijke ontplooiing van zichzelf, zij
het onder tragische omstandigheden. Opvallend is dat westerse denkers, met het
verhaal van Sonja geconfronteerd, alle nadruk leggen op die vermeende
zelfopoffering. Dat ligt geheel in de lijn van het westerse denken: de mens die
anders moet zijn dan hij is en die ook graag anders wil zijn. De mens dus die
niet zelf iets is, maar slechts betekenis krijgt in zijn betrekking tot de
anderen. Dat is dus eigenlijk een door en door collectivistische gedachte. Bij
Dostojewski gaat het om de tragiek van het verschijnsel dat in een onvolwassen
mannelijke wereld de vrouw, om zichzelf te zijn, genoodzaakt is zichzelf uit te
leveren aan anderen. Deze tragiek stoelt helemaal niet op een leeg begrip omdat
het er, in tegenstelling tot de zelfopoffering, juist om gaat zo getrouw
mogelijk zichzelf te zijn.
132.
Over Dostojewski is nog wel het een en ander te zeggen,
natuurlijk vooral vanwege het feit dat hij een kunstenaar is van buitengewoon
groot belang voor de filosofie. Doorgaans waardeert men hem vanwege zijn
psychologisch inzicht in de mens, maar dat is in zoverre kortzichtig dat de
moderne, westerse, intellectuelen niet kunnen begrijpen dat het psychologisch
inzicht van Dostojewski een logisch en onvermijdelijk voortvloeisel is van zijn
filosofisch begrijpen van de mens in het algemeen en de Russische mens in het
bijzonder. Dat begrip heeft hij op de wijze van verhalen verwoord. Ook over
zijn godsdienstigheid heerst grote verwarring want vrijwel zonder uitzondering
beschouwt men dit zonder meer als een exponent van de Russisch Orthodoxe Kerk.
Maar, dat is slechts de buitenkant: Dostojewski had helder in de gaten dat die
kerk slechts de oppervlakkige manifestatie was van iets veel diepers dat zozeer
aan het wezenlijk menselijke raakte dat het eigenlijk helemaal geen
godsdienstigheid was maar zelfs wel met meer recht atheisme genoemd kan worden.
De inhoud van een echt en zuiver 'geloof' kan op velerlei wijzen voor de dag
komen, maar de essentie ervan heeft met een geloof, in de gebruikelijke
godsdienstige zin van het woord, niets te maken. Die essentie geeft namelijk
aan wat en wie de mens is en vanzelfsprekend, tegelijk daarmee, wat de
werkelijkheid is. Het was Dostojewski die, helderder dan welke schrijver ter
wereld ook, in al zijn werken over deze wezenlijke mens verteld heeft.
De hoer Sonja staat eigenlijk niet zozeer voor het begrip
opoffering alswel voor de tragiek van het verschijnsel vrouw dat, tot aan de
volwassenheid van de mensheid, niet zichzelf kan zijn. Die tragiek komt bij
Sonja in volle omvang tot uitdrukking. In de bestaande wereld kan zij slechts
'iets anders' zijn en dat is een zaak die logischerwijs inhoudt dat zij
dienstbaar moet zijn, uiteraard aan de man en zijn wereld. Pas wanneer die man,
in de figuur van haar vriend, de student Raskolnikow, uit die wereld gestoten
wordt vanwege de moorden die hij gepleegd heeft, kan zij voor hem en zijn
lotgenoten in het barre Siberië 'het verschijnsel vrouw' zijn. Dan is zij de
werkelijkheid waarin men thuis kan zijn, waarin men veilig is en alle
uiterlijke schijn en gewichtigheid van zich afgeschud heeft. De mens kan zich
louteren binnen de sfeer van die vrouw die Sonja heet. Dat louteren is nodig
want het gaat om de mens als misdadiger, als verbreker van de werkelijkheid.
Het gaat beslist niet om het inboeten van een schuld, want dat is westers
denken waarin het een tegenover het ander moet staan en daarmee in evenwicht
moet zien te komen. Louteren is daaraan volstrekt tegengesteld omdat het juist
elk van elkaar gescheiden 'een en ander' tot een eenheid opheft. In de
Russische cultuur betekent louteren dan ook dat de misdadiger, die de
werkelijkheid met zijn daden verbroken heeft, het geheel wederom herstelt. Dat
gebeurt in Siberië, althans zo ligt het in het culturele besef van de Russen.
In feite is dat verbanningsoord natuurlijk een banaal strafkamp waarin het heel
slecht toeven is, niet alleen vanwege het onmenselijke regime, maar vooral ook
vanwege het lage allooi van de misdadigers.
Verantwoordelijkheden
nrs.33 en 34 ; Verantwoordelijkheid nr.87 ; Verantwoording nr.128
; Verantwoordelijkheid
nr.134
Raskolnikow was een student, hetgeen bij Dostojewski niet
betekent dat hij colleges volgde op een universiteit om straks een hoge positie
te kunnen bekleden, maar het wil zeggen dat hij iemand in ontwikkeling was, de
'lerende mens'. En het was juist deze lerende mens die op een zeker moment
stuitte op een belangrijke essentie van de westerse cultuur, namelijk de mens
als woekeraar; hij die uit alles voordeel wil halen. In het verhaal gaat het
over een oude vrouw die geld op onderpand uitleent en op die manier de mensen
uitzuigt en de mensheid benadeelt. Volgens Raskolnikow moest deze 'armzalige
luis' van de aardbodem verdwijnen. Hij meende dat hij het recht had dit zaakje
te regelen. Dat recht berustte bij hem op een ziekelijke obsessie, een soort
van 'Napoleongedachte', hetgeen wil zeggen dat men van zichzelf vindt dat men
boven de wet staat. Dat is tot op zekere hoogte een besef dat vooruitloopt op
een latere volwassenheid. De volwassen mens staat namelijk boven de wet, niet
omdat hij zo deftig is, maar omdat voor hem de wet niet langer geldt. De wet
heeft namelijk plaats gemaakt voor helder inzicht. Raskolnikow, als de in
principe 'ware' mens, zou dus straffeloos die oude woekeraarster uit de weg
kunnen ruimen en daarmee de mensheid een grote dienst bewijzen. Hij pleegde die
moord dan ook - alleen bleek dat bepaald niet straffeloos te kunnen! Boven de
wet staan betekent in westers denken inderdaad dat men geen verantwoording
behoeft af te leggen en dus maar zijn gang kan gaan. Maar in het denken van de
Russische mens legt het de individu juist een grote verantwoordelijkheid op en daaruit volgt onmiddellijk dat men
bepaald niet zijn gang kan gaan! Dat heeft dan niets met wetten en
voorschriften te maken en dus vervalt ook het begrip gehoorzaamheid, om plaats
te maken voor een volwassen ethiek die uitsluitend negatief gedefinieerd kan
worden: de mens heeft een aantal dingen te laten. Het gaat erom bepaalde
handelingen achterwege te laten die de mens, als het vrijzwevende verschijnsel,
bij machte is te doen.
Verantwoordelijkheden
nrs.33 en 34 ; Verantwoordelijkheid nr.87 ; Verantwoording nr.128
; Verantwoordelijkheid
nr.134
135.
Onvermijdelijk kwam aan de moord op de oude vrouw, in
feite dus het vermoorden van de westerse cultuur, mee dat onschuldigen ook het
slachtoffer zouden worden. De dochter van die oude vrouw namelijk was op het
verkeerde moment op de verkeerde plaats en dat kostte ook haar het leven. De
onvolwassen westerse mens is niet uit te roeien zonder ook het goede in zijn
val mee te slepen. En bovendien heeft niemand het recht om, op al of niet
gewelddadige wijze, culturen om zeep te helpen. Het spreekt vanzelf dat er nog
veel meer te bedenken valt aan de kunst van Dostojewski. Zoals gezegd vindt dat
alles zijn weerga niet in de kunsten dezer wereld, maar toch horen we niet veel
meer van en over Dostojewski. Hoogstens zo af en toe iets over zijn zogenaamde
psychologie, want dat is iets dat volgens het westerse denken tot de
wetenschappen gerekend moet worden en dat dus analyseerbaar, kwantificeerbaar
en berekenbaar is. Daarmee meent de westerse intellectueel raad te weten! Maar,
deze moderne intellectueel mist vrijwel elke reële kijk op de werkelijkheid.
Zijn voorstelling is hetgeen voor hem essentieel is, dat is een door de mens
zelf gevormde werkelijkheid. Doordat dit een wetenschappelijke zaak is geworden
valt nauwelijks nog iets anders op dan het wetenschappelijk benaderbare en
begrijpelijke. Dus valt aan de werken van Dostojewski alleen nog het
psychologische op - als er al iets opvalt.
Ook in de westerse literatuur zijn enkele kunstwerken aan
te wijzen die tot op grote hoogte filosofisch interessant zijn vanwege hun
betrekkelijk zuivere tekening van de werkelijkheid. Als eerste moet genoemd
worden Tijl Uilenspiegel ( 1867) van Charles de Coster. De luchthartige,
lichtvoetige, vrije mens Tijl Uilenspiegel zag kans de gehele wereld voor gek
te zetten, vooral natuurlijk de gewichtige machthebbers. Nimmer wist die wereld
een antwoord op het gedrag van Tijl en het is dan ook niet gelukt hem in te
kapselen, noch uit de weg te ruimen. Getekend wordt dus hoe de vrijheid in een
onvolwassen wereld tegen alle verdrukking in toch tot haar recht kan komen,
mits de betreffende vrijheidsheld zelfbewust is en daarenboven zijn wereld door
en door kent, wat overigens bij elkaar behoort. Een ander buitengewoon helder
voorbeeld is het befaamde werk Don Ouichotte (1606) van Miguel de Cervantes
Saavedra. Het was met die dolende ridder Don Quichotte prima in orde, maar in
de wereld liep hij compleet voor gek! Eigenlijk was de gehele werkelijkheid
voor hem een droom, een soort van zinsbegoocheling. Het ging over een wereld
die terecht als iets niet-bestaands wordt getekend. Toch moet opgemerkt worden
dat deze dolende ridder tegenwoordig alle kans zou lopen buiten spel gezet te
worden want de huidige managers dezer wereld weten inmiddels uitstekend raad
met dit soort dromers. Natuurlijk moet ook Hamlet (1603) van William
Shakespeare genoemd worden. Dat is in alle opzichten een treurig drama waarin
beschreven wordt hoe de waarheidszoeker Hamlet almaar in twijfel verkeert, niet
in het minst door de verraderlijke leugenachtigheid van de mensen om hem heen.
Dat waren niet zomaar alledaagse mensen, maar edelen. Het puikje van de natie
dus! Voor de waarheid was er daar echter geen plaats en dus moest Hamlet door verraad sterven. Uiteraard door verraad,
want hooggeplaatste bandieten strijden nooit met open vizier. Zij doen het
steevast anders voorkomen dan het is en dat is tot op de dag van vandaag zo..!
Tenslotte is ook nog het verhaal van De Brave Soldaat Sjweik (1920) van de
Tsjechische schrijver Haek waard om genoemd te worden. Deze voor de oorlog van
zijn keizer opgeroepen soldaat zag op zijn onnavolgbare wijze ook kans de
overheden belachelijk te maken. Maar hij kwam er niet helemaal zonder
kleerscheuren af, vooral vanwege het feit dat hij zelf ook niet helemaal
eerlijk was als dat zo uitkwam. Zo zijn er natuurlijk nog meer voorbeelden,
maar die zijn allemaal minder universeel en dus meer gericht op tijdelijke en
plaatselijke omstandigheden. Daardoor komt de waarheid veel minder uit de verf,
terwijl de humor meer op de voorgrond treedt. Dat is heel vaak het geval bij
het moderne cabaret. Maar voor het overige zijn eigenlijk alle verhalen treurig
van aard, doordat het almaar niet gelukt met de waarheid en het volwassen-zijn,
hetgeen uiteraard mede bepaald wordt door het feit dat de betreffende schrijvers
veel te weinig inzicht in de werkelijkheid hebben. Zonder een helder beeld van
de waarheid kan geen enkele kunstenaar een behoorlijk verhaal over de
werkelijkheid schrijven, reden waarom het tegenwoordig niet veel zaaks is met
de literatuur...
137.
Het verschijnsel vrouw is, zoal s al eerder betoogd,
volkomen 'vrijzwevend'. Net als het verschijnsel man trouwens. Je hebt dus te
doen met een verschijnsel naar zijn ultieme mogelijkheden, en dat 'volmaakte'
verschijnsel bestaat altijd en noodzakelijk op een niet-bestaande wijze. Dat is
de inhoud van de genoemde vrijzwevendheid. Het is een bepaalde 'bestaanswijze'
die elders in de levende werkelijkheid volstrekt afwezig is. En die
bestaanswijze houdt in dat elk gedoe veranderd is in handelen, met derhalve als
voornaamste eigenaardigheid dat er keuzen gemaakt kunnen en moeten worden. Dat
komt natuurlijk door het feit dat alles, werkelijk alles, ontkend kan worden.
Het verschijnsel vrouw, evenals het verschijnsel man, staat in het teken van de
absolute ontkenning. Dat betekent ook dat beide verschijnselen in zichzelf
absoluut ‘eenzaam' zijn. Zij bestaan alleen maar en uitsluitend voor zichzelf.
En het is vanuit deze eenzaamheid dat beide verschijnselen op elkaar aangewezen
zijn, bijvoorbeeld in de seksualiteit. Voor de goede orde en voordat het
misverstaan kan worden: het bovenstaande over de seksualiteit geldt ook voor
homoseksuele mensen. Ook onder die omstandigheden is er het op elkaar
aangewezen zijn van het verschijnsel vrouw en het verschijnsel man. De
homoseksualiteit zelve heeft slechts betrekking op vrouwen en mannen, dus de
tijdelijke en plaatselijke manifestaties van deze verschijnselen. Het op elkaar
aangewezen zijn is onverbrekelijk verbonden met het begrip eenzaamheid. Zonder
het gelden van dat begrip kunnen genoemde verschijnselen niet op elkaar
aangewezen zijn. In dat geval namelijk is het slechts mogelijk dat zij voor een
deel in elkaar overgaan. Die verhouding is dan echter alleen maar te
kwalificeren als een relatie en dat is fundamenteel een beperkte, en doorgaans
ook benauwde, aangelegenheid. Hoe paradoxaal het ook lijkt, in het begrip
seksualiteit, dat overigens uitsluitend voor de mens geldt, is alleen maar
inzicht in te verkrijgen als we vanuit die eenzaamheid denken en van daaruit begrijpen
wat het op elkaar aangewezen zijn betekent. De paradox is dus deze dat niet het
begrijpen van de relatie inzicht verschaft in de seksualiteit - hetgeen voor de
hand zou liggen - maar daarentegen juist het helder stellen van de fundamentele
eenzaamheid. Overigens: bij de dieren spreek ik liever niet over
'seksualiteit', juist omdat er geen sprake is van die absolute eenzaamheid en
het daarbij behorende op elkaar aangewezen zijn. Bij de dieren kun je van
geslacht en geslachtelijkheid spreken en uiteraard van voortplanting.
138.
De basis van de seksualiteit is de voortplanting. Alle
levende wezens vertonen twee basale behoeften, namelijk het in stand houden van
zichzelf als bijzonderheid en tegelijkertijd het in stand houden van de soort
als algemeenheid. Dit laatste geschiedt doormiddel van de voortplanting, zijnde
een cluster van processen die, in allerlei variaties, onlosmakelijk verbonden
zijn met het tot leven gekomen verschijnsel. Die processen zijn dus ook niet
van de mens af te denken. Zij gelden ook voor hem, uiteraard op de wijze die
bij dat laatste verschijnsel, dat de mens is, past. Het meest eigenaardige is
natuurlijk het volslagen ongebonden optreden van die, bij de 'biologische' mens
behorende processen. Die ongebondenheid wordt gekenmerkt door de voor het
verschijnsel mens geldende 'eenzaamheid', dus het volstrekt op zichzelf staan.
De voortplanting is bij de mens niet meer een onontkoombaar programma dat
volgens bepaalde stadia verlopen moet, maar een soort van spel dat op alle
mogelijke manieren gespeeld kan worden. In dit verband spreek ik niet langer
van voortplanting, maar van seksualiteit en daaraan komen in ieder geval de
volgende eigenaardigheden mee: het is niet aan iets of iemand gebonden en dus
bijvoorbeeld ook niet aan de voortplanting:
- de gang van
zaken berust op al of niet bewust genomen besluiten
- het is een
spel waarbij het verschijnsel vrouw en het verschijnsel man de op elkaar
aangewezen spelers zijn. Terwille van het goede verstaan moet hierbij
onmiddellijk aangetekend worden dat mannen kunnen gelden als 'het verschijnsel
vrouw' en dat vrouwen kunnen gelden als 'het verschijnsel man' . Wij hebben dan
te doen met de grondslagen van de homoseksualiteit.
139.
De seksualiteit is natuurlijk niet zonder de
voortplanting. Waarom het gaat is immers dat het erbij behorende onontkoombare
programma is komen te vervallen. Maar een niet-programmatisch proces is nog
altijd een proces en dat doet zich bij de mens voor als de immer aanwezige
mogelijkheid van de vrouw om zwanger te worden. Sterker nog: als geliefden er
niets tegen doen treedt er onvermijdelijk zwangerschap op, aangenomen
natuurlijk dat er bij beide partners geen afwijkingen voorkomen. Het
voortplanten blijft dus wel degelijk actief ! Maar mensen kunnen 'nee' tegen het
zich doorzetten van die activiteit zeggen. Verhalen van godsdienstige zijde als
zouden mensen het recht niet hebben om zelf over al of niet zwanger worden te
beslissen berusten in alle opzichten op onzinnige ideeën over de mens en de
werkelijkheid. Zij getuigen van een totaal gebrek aan inzicht in de
werkelijkheid en tegelijkertijd een afschuwelijk teveel aan bedilzucht.
Gelukkig kunnen die verblinde godsdienstigen er niet omheen dat ook hun leven
een aaneenschakeling van autonoom genomen besluiten is, zonder enige leiding of
ingreep van de goden die zij menen te vereren.
140.
De seksualiteit is een volslagen lichtvoetige,
vreugdevolle en bevrijdende zaak. Het elkaar benaderen en het zich verenigen
van de twee manifestaties van het verschijnsel mens zijn nergens aan gebonden
en daardoor kan het een spel worden. Nu moet je evenwel erg voorzichtig met dit
begrip zijn, want tegenwoordig wordt het spel min of meer automatisch verbonden
met iets wat niet serieus is, niet als blijvend en ernstig is bedoeld en eigenlijk
afgekeurd moet worden. Men denkt al vlug aan 'een spelletje met iemand spelen'.
Zou dat het geval zijn, het zou inderdaad niet deugen. Maar het gaat om het
belangeloze, onbaatzuchtige en in feite zelfs doelloze, zoal s je dat nog
enigszins terug kunt vinden in het spel van jonge kinderen. Oorspronkelijk
werden ook de sporten in dat licht gezien en van daaruit beoefend. In de
zogenoemde sportiviteit kwam het belangeloze duidelijk tot uitdrukking: het
gaat immers nergens om ! De oude Grieken waren er nog vertrouwd mee en je kunt
bij Homerus lezen dat twee strijders na het tweegevecht elkaar lof toe zwaaiden
vanwege elkaars kwaliteiten en edelmoedigheid. Helaas is tegenwoordig
gemakkelijk vast te stellen dat de sporten al helemaal niets meer met het spel
te maken hebben. Zij zijn verworden tot commerciële ondernemingen die juist bol
staan van de belangen, egoďsme en baatzucht. Dus is het ook niet goed om bij
het filosofische begrip spel aan enigerlei sport te denken. De moderne
begrippen sport en spel hebben niets meer gemeen met de oorspronkelijke.
141.
Netzomin als er in de moderne wereld niets terecht
gekomen is van het spel in de verschillende sporten is er in de seksualiteit
van de moderne mens iets terecht gekomen van het spel. Bij gelegenheid speelt
men wel spelletjes, maar die hebben alles met macht en in bezit nemen te maken.
Hierbij spelen dus belangen een rol, belangen gegrond op vermeende lichamelijke
behoeften, maar vaak ook maatschappelijke belangen, zoals bijvoorbeeld in de
prostitutie het geval is. Het spelen van spelletjes is een door en door
Onoprechte aangelegenheid: men doet het voorkomen alsof men geheel iemand
anders is dan diegene die men in feite is en men wekt ook de suggestie
belangeloos en onbaatzuchtig bezig te zijn, terwijl men dat nu juist absoluut
niet is! Het mag dan ook geen wonder heten dat zovele mensen bitter in de
zogenaamde liefde teleurgesteld zijn. Nergens wordt zoveel gelogen en zoveel
bedrog gepleegd als juist als het om seksualiteit gaat. Het werkelijke spel
verdraagt absoluut geen leugen en bedrog. Het gaat immers niet om belangen die
gediend moeten worden. Het vrijzwevende karakter van de mens sluit zoiets
volkomen uit. Het kan en mag dus nergens om gaan! Zelfs het feit dat de
verschijnsel en vrouw en man op elkaar aangewezen zijn mag geen zaak van
belangen worden. Het is namelijk een verhouding die onmiddellijk aan de
'eenzaamheden' meekomt. Maakt men daar een belang van dan verdwijnt dat
karakter van onmiddellijkheid. Dat wil zeggen dat iets vanzelfsprekends degenereert
tot een voorwaardelijke zaak waarin allerlei factoren als middel dienen om
bepaalde doelen te bereiken. Zelfs het zich willen voortplanten maakt van het
op elkaar aangewezen zijn een middel tot een doel. Men dient dan elkaar tot
voortplanting, een afschuwelijke zaak die in de Roomse Kerk nog altijd als gode
welgevallig wordt beschouwd. Leugen en bedrog worden dus aanbevolen als men een
goed leven wil leiden..!
142.
De seksualiteit kan alleen maar dan tot haar recht komen
als de partners volkomen oprecht zichzelf zijn zonder ergens op uit te zijn.
Dat betekent echter niet dat het naar elkaar verlangen uit den boze zou zijn.
Dit verlangen is de psychische vertaling van de eerder genoemde verhouding dat
de geliefden op elkaar aangewezen zijn. Omdat deze verhouding er onmiddellijk
is geldt ook voor dat verlangen dat het er 'zomaar' is. Het is een belangeloos
verlangen dat zijn blijheid en lichtvoetigheid juist aan zijn onbaatzuchtigheid
dankt. Alweer: zou het ergens om gaan, zou er een bedoeling achter steken, dan
degenereert het onvermijdelijk tot pragmatisme en een gewetenloos intrigeren om
de macht. Daaraan komt mee dat het van de een helemaal de bedoeling niet is dat
de ander oprecht zichzelf is. De ander moet daarentegen juist zichzelf
verloochenen en worden tot iemand anders die beantwoordt aan bepaalde eisen die
gesteld zijn. Het kan zijn dat de oude Grieken de zuiverheid van het verlangen
begrepen hebben, zoals zij in zoveel zaken - een helder inzicht hadden. Zij
kenden namelijk het verlangen in de vorm van de god Eros die als een onschuldig
speels knaapje werd voorgesteld. Plato ging zelfs zover dat hij het streven van
de mens naar het goede en schone uitdrukte in de figuur van Eros. Er zijn
overigens ook oudere vormen van Eros bekend waarbij nog een associatie met de
scheppingsdrang aanwezig is, kennelijk dus een herinnering aan de
voortplanting. Waarom het nu echter gaat is dat de filosofie de zuiverheid van
het verlangen ook herkent in oude voorstellingen van Eros.
Het vrouwelijke verschijnsel en het mannelijke
verschijnsel zijn tenvolle op elkaar aangewezen als het over de seksualiteit
gaat. Maar, zoals ik al eerder betoogd heb: dat kan alleen maar het geval zijn
omdat beiden absolute 'eenzaamheden’ zijn. Juist als dezen zichzelf hebben
leren kennen kan gaan gelden dat zij zich temidden van de andere 'eenzaamheden'
bevinden en dan zijn de voorwaarden vervuld om elkaar te gaan benaderen en zich
met elkaar te verenigen. Als en voorzover de mens zichzelf nog niet als die
'eenzaamheid' heeft herkend kan hij noodzakelijk niet iets anders zijn dan een
onderdeel van een of ander collectief.
Het is dan dat collectief dat een verbinding legt tussen de ene mens en
de andere en het zich verenigen houdt daarbij niet meer in dan een zich
wederzijds aan elkaar vastleggen. De mens zelf is dan niet de maat, maar het
collectief. Dat stelt dan ook terdege
vast wat de belangen zijn en waarom het allemaal gaan moet. De huwelijkswetten,
de zeden en gewoonten en de maatschappelijke doelstellingen worden onmiddellijk
van het grootste belang en van de volwassen vrije mens blijft niets over,
behalve zo af en toe een vaag verlangen naar een ander leven. Zo een verlangen
kwam destijds bijvoorbeeld tot uitdrukking in de Religieuze Prostitutie. Als
een vrouw een huwelijk aanging verloochende zij daarmee de ware aard van het
verschijnsel vrouw, namelijk door zich over te leveren aan het bindende
collectief met zijn waarden en normen. Voor die wandaad moest een zoenoffer
gebracht worden en dat deed zij door enige tijd als hoer in de tempel van de
godin der liefde te vertoeven. Zo boette zij voor haar misstap! Tot nog ver in
de westerse Middeleeuwen zijn sporen te vinden van dit ritueel, dat dus
inderdaad zijn grond vindt in oude en juiste intuďties omtrent het mens-zijn en
de seksualiteit.
144.
Ook tijdens de periode van culturele onvolwassenheid laat
zich in de mensen gelden dat zij het vrijzwevende verschijnsel zijn. Weliswaar
komt alles op een verwrongen manier voor de dag, maar dat neemt niet weg dat
het zich toch gelden laat. De onvolwassen mens is tenvolle het verschijnsel
mens, hij kan onmogelijk wat anders zijn. De kennis van de voor hem geldende
essentiële begrippen en verhoudingen is derhalve onmisbaar als het er om gaat
inzicht te krijgen in zijn doen en laten. Dat is een filosofische opgave. Op
een andere dan de filosofisch nadenkende manier zijn die basale essenties niet
te vinden. Bij de in onze cultuur gebruikelijke analytische benadering
verdwijnen zij namelijk zonder een spoor na te laten. Filosofisch nadenken
leidt tot het inzicht dat er steevast maar enkele essenties zijn en die blijken
dan ook nog terug te brengen tot een enkel gegeven. Voor het verschijnsel mens,
uiteenvallende in de verschijnselen vrouw en man, is dat enkele gegeven
uiteraard de vrijzwevendheid. Nu is het over het algemeen de mening van
hedendaagse academische filosofen dat dit terugbrengen tot een enkele basale
essentie gezien moet worden als een ongeoorloofde 'versimpeling' van de
werkelijkheid. Dat is natuurlijk onzin, maar zelfs onzin is te begrijpen ! De
beoefenaren van de filosofische wetenschappen richten zich in hun onderzoek op
de verschijnselen en dus op samenstellingen en daarvan leggen zij op
analytische wijze de delen uiteen. Hoe klein die samenstellingen ook zijn,
altijd levert dat uiteenleggen bepaalde clusters van onderdelen op. Nooit
enkelvoudige basale essenties. Bovendien zijn de door hen te onderzoeken
samenstellingen zelf ook weer onderdeel van grotere totalen. Genoemde
academische filosofen kunnen dus niet ontsnappen aan de werkelijkheid als
totaal, als kwantiteit, en bijgevolg gelden eenvoudige basale essenties voor
hen als onmogelijke grootheden en is het zoeken daarnaar een ongeoorloofde
filosofische bezigheid. Terecht beschouwen zij dit als volstrekt Ongeoorloofd,
maar hun fout zal duidelijk zijn: zij verwarren wetenschappelijke analyse met
filosofisch nadenken !Er is geen touw aan de werkelijkheid vast te knopen als
we de basale essenties niet kennen. Men komt dan niet verder dan het opsommen en
rubriceren van een hoeveelheid kennis zonder echt te weten waarover het gaat.
Maar, als je die essenties wel kent worden op den duur alle eigenaardigheden
begrijpelijk en dat maakt de werkelijkheid tot een vertrouwde aangelegenheid!
145.
De vrijzwevendheid is er oorzaak van dat de mens bij
alles voor een keuze staat. Hij kan zelf beslissen hoe hij de dingen zal doen
of laten. Dat betekent onder meer dat hij ook alle gelegenheid heeft om
verkeerde beslissingen te nemen. Wat betreft de seksualiteit vertoont de
menselijke geschiedenis een ongelooflijk rijk scala aan onzinnige praktijken.
Bijna altijd zijn die door mannen verzonnen en uitgeoefend en steeds zijn de
vrouwen en vaak ook de kinderen het slachtoffer. De argumentaties om voor zulke
praktijken te kiezen hebben onvermijdelijk een godsdienstig karakter want juist
op dat terrein vindt de man altijd rechtvaardiging voor zijn morbide
fantasieën. Elke behoorlijke beschrijving van de zedengeschiedenis van de
mensheid staat bol van de voorbeelden. Het is bijna niet voor te stellen hoe
smerig de seksuele praktijken zijn, tot op de dag van vandaag. In het licht van
mijn filosofische gedachtegang doet een uitvoerige opsomming van de excessen
niet terzake. Bovendien behoort zoiets tot een ander vakgebied. Wel echter moet
ik op een tweetal mogelijkheden van keuzen wijzen, namelijk enerzijds het als
de maat nemen van de werkelijkheid als materie en anderzijds van de
werkelijkheid als niet-materie. Of, anders gezegd, de vraag of men de
seksualiteit waardeert als een zogenaamd natuurlijke zaak of daarentegen als
een geestelijke aangelegenheid. Doorgaans lopen beide mogelijkheden door elkaar
heen en zijn het natuurlijke en het geestelijke slechts de accenten die het
karakter van de voorstellingen over de seksualiteit bepalen. Echter, in beide
gevallen ontkent men de volslagen onafhankelijkheid van de seksualiteit. Van de
vrijzwevendheid komt door de associatie met een en ander niets terecht en dat
betekent natuurlijk ook dat de mensen in het dagelijks leven bitter weinig kans
hebben om qua seksualiteit gelukkig te worden, dat wil zeggen: vrede en
bevrediging te vinden. Als het accent op het natuurlijke ligt staat de
voortplanting op de voorgrond. De seksualiteit dient dan uitsluitend die
voortplanting en mag onder geen voorwaarde als iets prettigs en gezonds
beschouwd worden. Volgens de theologen van de Roomse Kerk, die deze natuurlijke
opvatting huldigen, is het beleven van vreugde aan het vrijen een duivelse
zaak. In dat geval is het dan ook steeds de duivel die in hoogst eigen persoon
de vrouwen verleidt en met hen de 'zonde' bedrijft. Het spreekt vanzelf dat die
vrouwen meestal geen weerstand aan de duivelse verleidingskunsten kunnen bieden
want zij hebben immers al sinds het paradij s een verbond met de duivel! Ontelbaar
zijn de quasi wetenschappelijke verhalen over duivels die 'het' met vrouwen
doen. Bij het lezen daarvan is slechts een conclusie gewettigd: de theologische
geschriften over de seksualiteit zijn de meest schaamteloze pornografie aller
tijden! Zij getuigen van de onvoorstelbaar morbide geest van de Roomse
geestelijken. En dat uit de hele zaak een agressieve haat tegen vrouwen spreekt
behoeft welhaast geen betoog. Het accent kan ook op het geestelijke liggen en
ook dan zijn het de vrouwen die in het verdomhoekje zitten. De nog altijd zeer
gewaardeerde Sigmund Freud kan als het meest sprekende voorbeeld genoemd
worden. Hij was van mening - uiteraard ook bij hem terdege wetenschappelijk
gefundeerd - dat de mens zijn seksualiteit op een hoger plan zou moeten tillen,
opdat het een zuiver geestelijke zaak zou worden. Natuurlijk gold dit
'sublimeren' voornamelijk voor de mannen! De vrouwen moesten maar zien hoe zij
zich redden, gefrustreerd als zij doorgaans waren. In ieder geval moet die
gesublimeerde seksualiteit gezien worden als een rijke bron van inspiratie voor
's mans geestelijk leven. Althans volgens Freud!
146.
Er is het sublimeren waarbij de seksualiteit boven
zichzelf uitgetild wordt en logischerwijze ten gevolge daarvan op zichzelf een
banale, onzindelijke en onwaardige aangelegenheid is. Men vindt: omdat de mens
van dierlijke oorsprong is moet het vrijen ook wel iets dierlijks zijn, zodat
aan de mens de opgave gesteld is daar bovenuit te komen en dus te
vergeestelijken. In zekere zin wordt in deze Freudiaanse optiek de seksualiteit
positief gewaardeerd, zij het dan dat er serieus aan gewerkt moet worden om er
iets beters van te maken. Het zou van Freud ook niet logisch geweest zijn de
zaak af te wijzen omdat hij zelf had vastgesteld dat de mens 'door en door'
seksueel is. Eigenlijk een vaststelling van niets omdat het elkaar zoeken van
vrouwelijke en mannelijke verschijnselen een essentie van de gehele levende
werkelijkheid is. Freud heeft dus met zijn uitspraak niet anders gedaan dan een
open deur intrappen, waarbij eerlijkheidshalve opgemerkt moet worden dat dit in
zijn dagen stellig een moedige daad was. Binnen het Christelijke denken wordt
de seksualiteit volstrekt niet positief gewaardeerd. Het seksuele staat de
geestelijke ontplooiing van de mens in de weg, althans het zich waarmaken als
'een kind van God' want dat is wat het Christendom onder iets geestelijks
verstaat. Men erkent bijgevolg alleen maar de functie van voortplanting. De
daartoe vereiste handelingen dienen met zo weinig mogelijk genot gepaard te
gaan, zeker niet waar het de vrouw betreft. Op weg gaan naar het geestelijke
betekent dus zonder meer het afwijzen en afschaffen van de seksualiteit.
Tegelijk daarmee echter wordt het zich voortplanten in alle toonaarden
geprezen, en dat niet alleen omdat dit 'zieltjes' oplevert. De voortplanting is
immers door God ingesteld! Het is een goddelijke wet dat de mens zich
voortplant. Niet voor niets luidt de kreet: "Gaat heen en vermenigvuldigt
u". Maar dat de mens hierin een keuze zou hebben en er tot overmaat van
ramp ook nog plezier aan kan beleven, dat is zonder meer 'des duivels'.
Trouwens, in het algemeen is het standpunt van alle geestelijken van alle
godsdiensten dat het leven er niet is om van te genieten. Het is er om Gods
geboden en plannen waar te maken, uiteraard ten genoege van diens
vertegenwoordigers...
147.
Al vrij spoedig na het verschijnen van het leven op de
planeet, aanvankelijk in de vorm van de enkelvoudige oercel, gaat het organisme
zich splitsen in een tweetal verschijningsvormen, namelijk de vrouwelijke en de
mannelijke. Hoewel er nu dus twee exemplaren van elke soort zijn gaat het in
feite eigenlijk om een enkel exemplaar. Maar die splitsing is niet van een
zodanige aard dat die twee aparte vormen elkaars gespiegelde zijn, in die zin
dat je met twee eendere exemplaren van doen hebt. Integendeel, zij zijn
fundamenteel verschillend. Het vrouwelijke exemplaar vertegenwoordigt die
enkelvoudige eenheid zelf en dat leidt ertoe dat voor haar begrippen gelden als
het geheel zijn, ontvankelijk zijn, leven voortbrengen, inhoud hebben, bij
zichzelf blijven, en zo meer. Maar het mannelijke exemplaar staat voor de
inhoud van die enkelvoudige eenheid, en daaruit volgen: de totaliteit zijn,
thuisloos zijn, leven verwekken, inhoud zijn, van zichzelf afgaan, naar iets op
weg zijn, enzovoort. Die twee exemplaren zijn dus volstrekt niet eender,
hetgeen overigens niet betekent dat de een meer waard zou zijn dan de ander en
dus op de een of andere manier als belangrijker beschouwd zou moeten worden. Het
almaar verheffen van de man boven de vrouw getuigt dan ook van een buitengewone
zelfoverschatting van de zijde van de man en in het algemeen van bitter weinig
inzicht in de werkelijkheid. Maar zij zijn dus wel ongelijksoortig. De twee
verschillende manifestaties vormen onmiddellijk een eenheid met elkaar. Dat is
er de reden van dat de voortplanting uit het voortdurend elkaar opzoeken,
benaderen en bevruchten bestaat. Dit echter is in de planten- en dierenwereld
een onontkoombaar programma en wel omdat het een onmiddellijke zaak is. Een
zaak dus die zomaar zonder meer actief is en daarbij niet iets anders nodig
heeft als voorwaarde om actief te kunnen zijn. Het is een door de evolutie
ontwikkeld programma dat altijd actief is en dat er niet niet kan zijn. Behalve
als het over de mens gaat, want dan wordt het meteen een zaak waarin besluiten
genomen kunnen worden, die zelfs zover kunnen gaan dat hij er niets mee te
maken wil hebben. Een mens kan besluiten zich van dat voortplanten te
onthouden. Seksualiteit kan bij de mens volkomen los staan van voortplanting,
juist omdat het als seksualiteit een zaak van 'handelen' is geworden. Zelfs kan
een mens besluiten zich ook verre van de seksualiteit zelf te houden. Of hij
daar nu zo van opknapt is een andere zaak. Bovendien kan men zich afvragen of
het ooit iemand gelukt is ook alle seksuele associaties, dromen en gevoelens
uit te bannen. Gebleken is namelijk dat juist dat afzweren van seksualiteit
doorgaans een behoorlijk ernstige psychische frustratie tot gevolg heeft. Het
is zeer waarschijnlijk dat dit ook het geval zal zijn als men het advies van
Freud opvolgt om wat betreft de seksualiteit tot 'sublimeren' over te gaan..
148.
Berusten de voortplanting en de seksualiteit op de
omstandigheid dat het vrouwelijke en het mannelijke exemplaar eigenlijk een
enkel verschijnsel zijn, waardoor in het eerste geval beide exemplaren niet
buiten elkaar kunnen en in het tweede geval beiden 'op elkaar aangewezen’ zijn,
de liefde berust op het voor de mens essentiële feit dat voor hem, als het
vrijzwevende laatste verschijnsel, de werkelijkheid als een in alle richtingen
samenhangend geheel verschijnt. In dat geheel is alles op een genuanceerde
wijze ineen en dat is nu precies wat 'liefde' genoemd wordt. Deze liefde is dus
eigenlijk niet alleen maar aan de verhouding vrouw-man voorbehouden, in welke
vorm die ook optreedt. Zij geldt in haar algemeenheid voor het gehele
menselijke leven, want het is de mens voor wie het geheel en dus het ineen-zijn
en dus de liefde geldt. Dit is altijd en onder alle omstandigheden het geval:
ieder individu is onmiddellijk dat begrip liefde. Er is niets voor nodig om het
van kracht te laten zijn. Er is dus ook geen speciale partner voor nodig. Ieder
mens is zelf liefde omdat voor ieder individu de werkelijkheid verschijnt als
een samenhangend geheel. Maar er is wel te vragen of en in hoeverre mensen
zich, al of niet afhankelijk van hun cultuur, bewust zijn van dit feit opdat
zij dienovereenkomstig zouden kunnen handelen. In onze westers-moderne cultuur bijvoorbeeld
heeft men er nauwelijks enige notie van en als er al iets daarvan tot de mensen
doordringt zij n de oorspronkelijke verhoudingen dermate verfrommeld dat er
nauwelijks nog een touw aan vast te knopen valt. Dat blijkt dan ook
overduidelijk uit de merkwaardige theorieën die men over dit onderwerp het
licht heeft doen zien. Maar bovendien kan men in het algemeen aan de
maatschappelijke toestand aflezen dat het ook met het intuďtief laten gelden
van de verhouding 'ineenzijn' treurig gesteld is. Je kunt zelfs wel zeggen
"dat er geen liefde in deze wereld te vinden is".
149.
Het woord 'liefde' duidt op het begrip ineenzijn. Dat
begrip krijgt betekenis wanneer het verschijnsel mens op de planeet is
verschenen. Voordien, in de planten- en dierenwereld, is er inderdaad ook van
'ineenzijn' te spreken, en wel omdat ineenzijn een fundamenteel kenmerk van het
organische verschijnsel is, maar het is daar uitsluitend als een onontkoombaar
programma werkzaam. Dat programma is gebaseerd op de omstandigheid dat in het
organisme alle mogelijke kosmische verhoudingen in een enkele grote,
allesomvattende, trilling verenigd zijn. In stoffelijke zin is dat het 'in
zichzelf beweeglijk zijn', oftewel levendzijn en in abstracto is daar dan het
bewustzijn zoals dat voor alles wat leeft geldig is. Dank zij dit bewustzijn
kunnen de organismen samenleven in en met hun omgeving, maar ook is het er de
reden van dat de cellen, waaruit de zogenaamd 'hogere' organismen samengesteld
zijn, onderling allemaal met elkaar communiceren. Hoe dan ook, het vooralsnog
biologische ineenzijn, zich manifesterend als levendzijn en bewustzijn, is een
programma dat geheel en al autonoom uitgevoerd wordt, bij elke soort van
organisme op een volstrekt eigen wijze. Dat echter is bij de mens niet het geval.
Dat is te zeggen: het bewustzijn op zichzelf is ook bij het verschijnsel mens
een autonome zaak die niet ontvankelijk is voor door hem genomen besluiten. De
mens kan er niets mee aanvangen, het bewustzijn is er gewoon en doet zich
gelden. Echter, het is maar de vraag of en in hoeverre de mens hier weet van
wil hebben! Het herkennen en erkennen ervan is namelijk van essentiële
betekenis voor de persoonlijke levenshouding van een mens en dat is het doordat
het de mens mogelijk is er 'nee' op te zeggen.
150.
De mens is zoals bekend ook een dier, maar wel een
bijzonder dier. De werkelijkheid als bewustzijn is ook bij hem autonoom en
ongrijpbaar, in die zin dat hij er geen veranderingen in aan kan brengen. Maar
hij kan desgewenst wel aan de zaak ontkomen door er namelijk geen acht op te
slaan en er geen betekenis aan toe te kennen. En het is hem natuurlijk ook
mogelijk naar willekeur een eigen interpretatie aan het bewustzijn te geven. De
mens kan immers geheel naar eigen goeddunken opvattingen koesteren en besluiten
nemen met betrekking tot de gehele werkelijkheid! Zo hadden de mensen al in de
grijze oudheid in de gaten dat de werkelijkheid als ineenzijn in alle opzichten
tegengesteld is aan de materiële wereld van de verschijnselen. Deze laatste
werkelijkheid wordt namelijk gekenmerkt door het begrip uiteenzijn, waarbij het
ene ding onmogelijk op hetzelfde tijdstip op dezelfde plaats als het andere
ding kan zijn. Ineenzijn lijkt dus praktisch en logisch onmogelijk. Hoe innig
bij gelegenheid de relatie tussen twee of meer verschijnselen ook kan zijn, het
kwam de mensen van de oudheid voor als volstrekt onmogelijk om van 'ineenzijn’
te spreken. Bijgevolg kon ook het begrip liefde niet geldig zijn: aan
werkelijke liefde bij de mensen stond voor dat oude besef het verschijnsel, en
dus de materie, in de weg. De enige mogelijkheid om werkelijk liefde waar te
maken was gelegen in de dood. Dan immers was het materiële tenvolle vervallen!
Het behoeft dan ook geen verbazing te wekken dat men elkaar verhalen vertelde
over ‘koninklijke geliefden' die dankzij hun menselijke adel tot werkelijke
liefde in staat waren, maar die op het ogenblik van hun ontmoeting en
vereniging onmiddellijk in elkaars armen de dood vonden. In de oudheid werd de
liefde samengedacht met de dood, het opheffen namelijk van het stoffelijke. De
mens moest eerst zijn lichaam afgelegd hebben om ‘in de liefde verenigd' te
kunnen zijn.
151. Trouw-1
; Trouw-2 ;
Trouw-3
; Trouw-4 ;
In de christelijke wereld is, met betrekking tot de menselijke en goddelijke liefde,
de gedachte van het afleggen van het lichaam in principe gehandhaafd.
Christelijke geestelijke fanaten hebben bij herhaling geprobeerd zichzelf van
hun lichamelijkheid te verlossen, wat overigens onvermijdelijk uitdraaide op
juist een uitermate morbide lichamelijkheid, vol van Psychische dagdromen en
hallucinaties die wij tegenwoordig met recht tot de smerigste en hardste pornografie
zouden rekenen! Gewoonlijk gingen de gewone monniken niet zover. Zelfs was het
een veel voorkomende praktijk van monniken en andere lagere geestelijken om
zich aan seks te buiten te gaan, hetgeen niet tot kerkelijke sancties leidde
als zij maar aan het celibaat trouw bleven en geen enkele vorm van
huwelijk of samenleven nastreefden. En de nonnen werden verheven tot 'bruiden
van Christus', hetgeen natuurlijk ook een volledige verzaking van het
lichamelijke inhield. In de Russische orthodox Christelijke cultuur kwamen
figuren als Raspoetin voor, die paradoxaal genoeg juist in het 'zondigen' een
weg zagen om op den duur genoeg te krijgen van het lichamelijke en zo de ware
liefde te realiseren. In ieder geval was het cruciale punt het los komen van de
materie om het daardoor mogelijk te maken te 'vergeestelijken', hetgeen
overigens niets met de werkelijkheid als geest te maken had omdat het om het
ineenzijn, de liefde en dus de werkelijkheid als bewustzijn gaat.
Trouw-1 ;
Trouw-2
; Trouw-3 ;
Trouw-4 ;
152.
In de westerse cultuur staat de ontwikkeling van de mens
tot individu centraal. Daaraan is voorondersteld dat het bestaan van het verschijnsel
mens herkend en erkend wordt, zodat het in principe niet mogelijk is deze
stoffelijke zaak te ontkennen en op te heffen. De dood is zogezegd overwonnen!
In verband met de liefde betekent dit dat er een andere houding aangenomen gaat
worden. Er is niet langer het verlangen en het streven verlost te worden van
het lichamelijke want juist dit lichamelijke is nu erkend. Wat er dan nog aan
mogelijkheden overblijft is dat er voortaan bepaalde eisen gesteld gaan worden.
Die eisen komen hierop neer dat men zich terwille van de liefde zal moeten
opofferen. Die opoffering maakt het mogelijk 'in elkaar op te gaan', zij het
uiteraard niet tenvolle. Men constateert dan ook dat er, naast dit in elkaar
opgaan, helaas nog iets anders is, een deel van de persoonlijkheid dat buiten
het ineenzijn valt. Dit buitengesloten gedeelte van de persoon moet op de
achtergrond blijven en zelfs onderdrukt worden. Maar telkens weer blijkt dat
het zich toch gelden laat: "Ik ben er zelf ook nog", zegt men dan!
Dat is vooral het geval als er in de liefdesrelatie moeilijkheden zijn
ontstaan. Moderne therapeuten proberen in zo'n geval hun cliënten ervan te
overtuigen dat men de effecten van die buitengesloten delen van de
persoonlijkheid kan neutraliseren door 'eerlijk tegenover elkaar te zijn' en
vooral door 'elkaar alles te vertellen', geen 'geheimen voor elkaar te hebben'.
En over het geheel genomen is het zaak 'redelijk' te zijn en zich aan de
gemaakte afspraken te houden. De liefde wordt afhankelijk gemaakt van een
aantal protocollen die als onmisbaar worden beschouwd om de onderneming te
laten slagen.
Naar
bladwijzers: geven en nemen-1
; geven en nemen-2
; geven en nemen-3
Hoe verder het individualisme zich in de moderne mens
ontwikkelt, hoe belangrijker de protocollen worden. Tegenwoordig treft men die
aan in tal van theorieën over houdbare liefdes en het oplossen van de
onvermijdelijke conflicten. Maar, hoe verlicht die theorieën en de daarin
verwerkte protocollen soms ook zijn, steeds is er de noodzaak van opoffering.
Steeds moet er van allerlei buiten de liefdesverhouding gehouden worden.
Uiteraard tracht men het naar Christendom riekende woord 'opoffering' te
vermijden door het bijvoorbeeld te hebben over 'kameraadschap' of over 'geven en nemen’. De
individualistische mens offert zich niet graag op, maar tegen compromissen die
van hem- of haarzelf uitgaan heeft deze moderne mens geen bezwaar. Sterker nog:
hij vindt dat het vermogen compromissen te sluiten hem siert omdat hij daarbij
blijk geeft van verdraagzaamheid, tolerantie en tenslotte zelfs van
redelijkheid. Intussen ontgaat het de mensen van zowel de oudheid, de
'afschaffers', als die van de moderne tijd, de 'compromissen sluiters', dat het
almaar niet over het begrip liefde gaat, maar in het eerste geval over de dood
en in het tweede geval over de opoffering.
Naar
bladwijzers: geven en nemen-1
; geven en nemen-2
; geven en nemen-3
154.
Wat de liefde betreft hebben de meeste filosofen het ook
weer behoorlijk bont gemaakt! Min of meer onder invloed van de erfenis van de
godsdienst zijn zij tot de slotsom gekomen dat het niet gaat om eenwording in
de dood en ook niet om opoffering, maar om het overwinnen van onhebbelijkheden.
Als de mensen zichzelf en elkaar zodanig zouden kunnen 'beschaven' dat het
redelijke denken de dwingende maat voor hun levenshouding zou worden, dan zou
alles goed komen en de liefde tot de mogelijkheden gaan behoren. De mens zou
dan niet meer in de eerste plaats aan zichzelf denken, maar aan de ander. Hij
zou zijn egoďsme overwonnen hebben! Nog meer van dat fraais hebben de filosofen
bedacht. Steeds komt het er op neer dat er allerlei, in feite essentiële maar
binnen een bepaalde cultuurvoorstelling ongewenste, eigenaardigheden van de
mens afgedacht worden. Het onkruid wordt zogezegd uitgeroeid! Hierop door
filosoferende komt men onafwendbaar tot een eindresultaat waarbij het
verschijnsel mens totaal uitgekleed is en er een 'zombie' is over gebleven. Dat
is dan eigenlijk het prototype van wat men vroeger in de godsdienst als een
heilige voor ogen had. Bedoelde filosofen hebben zich er gemakkelijk van
afgemaakt bij het filosoferen over de mens en zijn toekomst. In werkelijkheid
gaat het er natuurlijk om inzicht te verkrijgen in het verschijnsel mens en
vervolgens na te gaan hoe dat uiterst gecompliceerde geval ooit nog eens
terechtkomt, als het althans zijn bestemming is op den duur terecht te komen...
Naar
bladwijzers: geven en nemen-1
; geven en nemen-2
; geven en nemen-3
Omdat de moderne mens van mening is dat er verschillende
persoonlijke eigenaardigheden zijn die een bevredigende liefde in de weg staan
verwacht hij de beste resultaten van een liefdesrelatie waarin de interesses
van de partners zoveel mogelijk met elkaar overeenstemmen. Men moet goed met
elkaar kunnen praten, samen aan bepaalde hobby's en sporten kunnen doen, samen
in een huis kunnen wonen, enzovoort. Enerzijds is er dus de allesbepalende
overeenstemming en anderzijds het wegwerken van de verschillen voorzover die
onoverkomelijk zijn. Dit programma van 'geven
en nemen' wordt, zeker door de moderne mens, in al of niet zwart op wit
staande protocollen vastgelegd. Welbeschouwd hebben wij te doen met een nadere
uitwerking van het begrip relatie. Voor het maatschappelijk leven van de mens
is zulks een noodzakelijke en uitermate zinvolle aangelegenheid, maar als het
over de liefde gaat moet de conclusie zijn dat het moderne leven in dit opzicht
een grote leugen is...
Het begrip ineenzijn en dus de liefde heeft geen enkele
betekenis als niet alles ingecalculeerd is en volstrekt niets buitengesloten,
hetgeen alleen maar mogelijk is als de liefde niet gezien wordt als een
verhouding tussen mensen, maar daarentegen als een gesteldheid van de mens als
individu. Anders gezegd: een ieder zal zich voor zich als liefde moeten laten
gelden, Ongeacht het al of niet aanwezig zijn van een geliefde.
Naar
bladwijzers: geven en nemen-1
; geven en nemen-2
; geven en nemen-3
156. God
is liefde-1 God is liefde-2
; Onverdraagzaamheid
; Onverdraagzaam-1
; Onverdraagzaam-2
;
Vanzelfsprekend zijn er verschillende definities of
beschrijvingen te geven van het begrip liefde. Maar filosofisch blijkt het
begrip ineenzijn toch steeds weer de beste vertaling te zijn. Dat neemt niet
weg dat enige toelichting noodzakelijk is, vooral vanwege het feit dat men in
de analytische westerse cultuur moeilijk met dergelijke begrippen overweg kan.
Men komt niet verder dan de idee dat met 'ineenzijn' een collectief bedoeld zou
zijn. Dat betekent dus met betrekking tot het begrip liefde dat er een hogere
instantie is waarin zowel de ene mens als de andere op zouden gaan, met
verloochening van alle persoonlijke kwaliteiten en eigenaardigheden. Het
huwelijk is, althans volgens de geldende regels, een manifestatie van zulk een
collectief, zeker als we het huwelijk naar zijn Christelijke inhoud nemen.
Naast de liefde als een naamloos opgaan in een hoger collectief is er ook nog
een betrekkelijk vaag idee omtrent een soort van universele liefde zoals die verwoord
is in de bijbelse uitdrukking: "God is Liefde”. Doorgaans wordt dit
geďnterpreteerd als zou die God een uitermate liefdevol persoon zijn, hetgeen
eigenlijk zeer merkwaardig is want hij treedt bij alle mogelijke gelegenheden
uitermate hardvochtig op en, afgaande zijn meest getrouwe dienstknechten, moet
hij ook buitengewoon eenkennig, onverdraagzaam, kortzichtig, conservatief en
patriarchaal zijn! Er is echter nog een andere mogelijkheid, namelijk dat de
term 'God' vereenzelvigd wordt met de werkelijkheid zelf, zodat er dus in feite
beweerd wordt: "De werkelijkheid is Liefde". Het zou dan niet
onmogelijk zijn dat men destijds, aan het einde van de oudheid, gepoogd heeft
duidelijk te maken dat het begrip ineenzijn op de werkelijkheid als geheel van
toepassing is. Echter, als men dat inderdaad bedoelde moet geconcludeerd worden
dat men het, hoewel men er heel dicht bij zat, toch fout gezien heeft.
Onverdraagzaamheid ; Onverdraagzaam-1
; Onverdraagzaam-2
;
De cultuurgeschiedenis laat een drietal verschillende
pogingen zien om het dilemma op te lossen dat de materie, en dus ook het
lichaam, in de weg lijkt te staan aan de ware liefde. Zoals eerder besproken is
daar als eerste de idee dat slechts in de dood ware liefde bereikt kan worden.
Het lichaam is dan geheel en al uitgeschakeld. Dit betekent in de Christelijke
leer overigens ook dat men verlost is van schuld en zonde, twee begrippen die
centraal staan in de theologie. Nadat het de mensen, bij het inzetten van de
individualisering, duidelijk was geworden dat het lichamelijke zich niet laat
wegwerken en dus ingecalculeerd moet worden, is de gedachte opgekomen dat
partners in de liefde zouden moeten proberen elkaars storende eigenaardigheden
niet te laten gelden. Zo kwam het begrip opoffering in zwang, uiteraard in
talloze varianten. Ook hierin spelen de godsdiensten een maatgevende rol. Maar,
er is nog een derde mogelijkheid. Tegenwoordig is die vooral op te merken bij
hulpverleners, zoals daar zijn sociaal-psychologen, huwelijkstherapeuten en
New-Age adepten. In navolging van Freud zou men in dit verband van sublimering
kunnen spreken. Het gaat er dan om elkaars storende eigenaardigheden via
gesprekken en oefeningen, dus via een therapie, op een hoger plan te brengen.
Daarmee wordt bereikt dat die meer abstract worden en het zodoende mogelijk
maken er gesprekken over te voeren, 'bespreekbaar maken' heet dat! Men meent
dat bespreekbare conflicten ophouden conflicten te zijn. Die mening kan niet
anders dan onjuist zijn, zoals trouwens met alledrie de opvattingen het geval
is. De reden hiervoor ligt in feite voor de hand: systematisch worden bepaalde
aspecten van het persoonlijke mens-zijn afgekeurd en zo goed als mogelijk
weggewerkt. Hoe men ook, in het licht van bepaalde heersende cultuur
opvattingen, over die aspecten wenst te denken, het afkeuren en wegwerken ervan
kan niet tot iets anders leiden dan dat het verschijnsel mens dramatisch beneden
zijn mogelijkheden gehouden wordt. Hierop doordenkende is namelijk de
noodzakelijke eindconclusie dat dit verschijnsel geheel ontdaan wordt van zijn
specifieke kwaliteiten en tot ‘zombie' verschrompelt.
De
Zonde-1 ; De
Zonde-2 ; De
Zonde-3 ; Paradijsverhaal
158.
Het is op zichzelf terecht dat de mensen constateren dat
de liefde iets onmogelijks is. Eveneens klopt het dat de materie hiervan de
schuldige is. Dat betekent anderzijds dat de veelgehoorde verzuchting dat de
mensen te egoďstisch en te individualistisch zouden zijn om elkaar lief te
hebben alle grond mist. De mensen zijn wat dit betreft niet schuldig en zij
schieten niet tekort, want op het feit dat de materie aan de zaak in de weg
staat kan de mens geen invloed uitoefenen. Dat gaat volkomen buiten hem om en
kan hem dus niet verweten worden.
In dit licht gezien is het probleem dus onoplosbaar! Bij
dit soort problemen is het de filosoof geraden als eerste na te gaan of er
eventueel verborgen vooronderstellingen zijn die stiekem een rol in zijn denken
spel en. Dergelijke vooronderstellingen worden maar al te vaak over het hoofd
gezien en dat is vooral voor de filosofie fnuikend. Zo is op te merken dat
vrijwel alle filosofen proberen dat onoplosbare probleem toch op te lossen,
denkende dat er wel degelijk iets op verzonnen moet kunnen worden. Resultaat is
dan dat telkens weer nieuwe intellectuele varianten op de eerder genoemde
mogelijkheden worden bedacht, er allemaal van uitgaande dat de mens wezenlijk
tekortschiet en zich derhalve maar eens wat beter moet gaan gedragen...Bij het
denken over de liefde blijft in de westerse cultuur steeds deze
vooronderstelling verborgen dat het over een verhouding tussen twee of meer
mensen zou gaan. Dat dit in de diepte een cruciale rol speelt is in feite geen
wonder: in de westerse cultuur ziet men het ene verschijnsel los van het andere
en dus ziet men ook de mensen als strikt van elkaar afgezonderde grootheden.
Automatisch blijft het denken dan steken in het begrip relatie, de betrekking,
de verbinding tussen twee mensen. Daarmee zijn de liefde en het denken daarover
onherroepelijk tot mislukken gedoemd.
159.
De liefde is natuurlijk niet zonder het begrip relatie.
Vanaf het moment dat twee of meer mensen elkaar ontmoet hebben en op de een of
andere manier iets voor elkaar blijken te voelen is er sprake van een
'relatie'. Er kan trouwens ook een relatie zijn zonder dat de mensen iets voor
elkaar voelen, bijvoorbeeld in het bedrijfsleven, maar dit terzijde. De voor de
thans bedoelde relatie geldende bijzonderheden, zoals daar zijn de
noodzakelijke aanwezigheid van bepaalde zaken waarin men met elkaar
overeenstemt en ook dat men met elkaar kan communiceren, gelden natuurlijk ook
tenvolle voor de relatie binnen de liefde, of deze nu als een persoonlijke of
als een universele notie wordt opgevat. Het is dan ook niet zo dat het
benadrukken van de relatie op zichzelf fnuikend voor de liefde zou zijn. Het is
immers een feit dat een grote mate van overeenstemming de kans op conflicten
aanzienlijk vermindert. Waarom het echter wel gaat is de typisch westerse idee
dat het in de liefde om de onderlinge relatie tussen de partners zou gaan. Die
idee is, hoewel begrijpelijk, volstrekt fout en aanleiding tot een voortdurend
getob van mensen die in alle oprechtheid van mening zijn elkaar lief te hebben.
Vooral de tijdelijk alles overheersende verliefdheid
versterkt op dramatische wijze deze mening. Tijdens de periode van verliefdheid
immers worden alle verschillen en geschillen verdoezeld door de aangename
werking van het seksuele verlangen! Het enige waartoe die foute idee eventueel
een mogelijkheid opent is het houden van. Dat is een zaak die berust op en
behoort bij de eindeloos gevarieerde relaties tussen mensen, toestanden en
dingen.
In de 17e eeuw was het de ongewoon heldere filosoof
Baruch de Spinoza (1632-1677) die te kennen gaf dat alle verschijnselen niet
anders dan verschijningsvormen van een en dezelfde fundamentele werkelijkheid
zijn. Hij noemde die werkelijkheid 'substantie', maar hij liet, met het oog op
gevaarlijke orthodoxe godsdienstige vijanden, in het midden of hij daarmee God
of de Natuur bedoelde. Hij merkte echter wel voorzichtig op dat die twee in
wezen hetzelfde zijn, hetgeen het nog
moeilijker maakte hem op zijn denken te pakken. Voor de goede verstaander zegt
de term 'substantie' echter genoeg! Voor Spinoza was het dus duidelijk dat er
geen wezenlijk verschil bestaat tussen de verschijnselen. Dat betekent
noodzakelijk ook dat hij de werkelijkheid niet beschouwde als een verzameling
van losstaande elementen, althans niet in de eerste plaats, maar als een geheel
dat in zichzelf alle verschijnselen voortbrengt. Dit geeft aanleiding tot een
tweetal, min of meer met elkaar samenhangende, overwegingen. Ten aanzien van
Spinoza is relevant dat de werkelijkheid inderdaad resultaat is van de
zelfwerkzaamheid van een soort van elementen die, in de kwaliteit van
'oerbegin', op geen enkele wijze bepaald kunnen zijn, behalve dat er
noodzakelijk van te zeggen blijkt dat er absolute beweeglijkheid aan
toegeschreven moet worden. Als de verschijnselen allemaal hieruit voortgekomen
zijn is te stellen dat er in wezen ineenzijn voor geldt. Dat betekent dus dat in de grond van de zaak de werkelijkheid met het
begrip liefde benoemd kan worden. Dit echter is géén verhouding tussen
verschijnselen en mensen, maar een eigenaardigheid van mensen en dingen. Ieder
voor zich is een authentieke samenstelling van die absolute beweeglijkheden die
door Spinoza met het begrip substantie werden aangeduid. En voor een ieder
geldt eveneens het begrip Liefde, ongeacht het al of niet aanwezig
zijn van een relatie.
161.
Er is nog een tweede overweging. Al is het namelijk een
feit dat alle dingen uit een enkele gemeenschappelijke 'bron' voortkomen is het
tevens toch ook onloochenbaar dat alle verschijnselen uiteindelijk op zichzelf
in de tijd en in de ruimte zijn komen te staan. Het is natuurlijk wel zo dat er
velerlei betrekkingen tussen bestaan, maar het is en blijft een feit dat 'het
een en het ander' zich niet tegelijkertijd op dezelfde plaats kunnen bevinden
en dus in feite nimmer 'ineen' kunnen zijn. Dat is dus de materiële factor die
er oorzaak van is dat de mensen de 'ware liefde' als iets onmogelijks zijn gaan
beschouwen. Bovendien biedt de 'Spinozistische' opvatting geen wezenlijke
uitkomst, juist omdat het een voor de mens ongrijpbare zaak is waarop hij geen
enkele invloed kan uitoefenen. Al is de oerwerkelijkheid er een van ineenzijn,
namelijk vanwege het ontbreken van verschillen, blijft het toch een keihard
feit dat de uiteindelijke menselijke realiteit er een is van afzonderlijke
verschijnselen. En daarmee is vanuit dat 'oer-ineenzijn’ niets aan te
vangen...Wat de mensen er overigens wel mee gedaan hebben is het verzinnen van
godheden die, behalve bestuurders, ook scheppers van het heelal zouden zijn.
Dit is duidelijk een intuďtieve associatie met dat 'oer-ineenzijn', waar
immers, door zelfwerkzaamheid, alles uit voortgekomen is. Wat ook nog opgemerkt
moet worden is, dat er in dit verband eigenlijk niet van liefde te spreken is.
Pas wanneer de werkelijkheid zichzelf, in de persoon van de mens, als een
kwestie van ineenzijn gaat beschouwen - en dat is dus niet aan het begin maar
aan het eind - is het begrip liefde zinvol te gebruiken. Voor de mens is de
situatie dan deze dat hij, ten gevolge van het feit dat nu de werkelijkheid als
bewustzijn tenvolle helder en effectief geworden is, behalve de voorstelling
ook het beeld herkent, ervaart en erkent. Dat betekent echter dat hij de
afzonderlijke dingen, zoals die in de voorstelling aanwezig zijn, onmiddellijk
ook als een in zichzelf genuanceerde eenheid ondergaat. Nu is voor de mens de
werkelijkheid inderdaad met het begrip liefde te benoemen. Omdat het de mens
zelf is voor wie dit geldt komt de zaak in de praktijk voor de dag als een puur
individuele aangelegenheid die door elke mens 'op zichzelf en voor zichzelf'
waargemaakt wordt. De eventuele aanwezigheid van een partner maakt voor het gel
den van deze liefde absoluut geen verschil, maar wel is het zo dat een
dergelijke relatie er een 'manifestatie' van kan zijn. In dat geval is die
relatie als het ware boven zichzelf uitgetild, in die zin dat er een eeuwige en
oneindige dimensie aan toegevoegd is. Uiteraard typeert deze dimensie dan de
relatie zodat deze in de praktijk een geheel andere omgang van de geliefden te
zien geeft.
162.
Er zijn dus, als het over het begrip ineenzijn gaat, twee
verschillende mogelijkheden binnen het kader van het denken van de mens. De
eerste gedachte behoort bij de werkelijkheid als 'het begin' en de tweede bij
de werkelijkheid als 'het einde'. Over 'het begin' is op te merken dat er op
geen enkele wijze aan iets bepaalds gedacht kan worden. Er zijn geen
verschijnsel en, er zij n slechts de beweeglijkheden, die met elkaar een
homogene zaak vormen. Spinoza, die overigens niet dacht in termen van 'beweeglijkheden',
herkende die homogene zaak en noemde haar de werkelijkheid als substantie. Het
'kinderlijke ineenzijn' van het begin komt in het zelfbewustzijn van de mens
voor de dag als een moederlijke aangelegenheid. Uiteraard was dat het geval in
de oudheid. Het moederlijke manifesteert zich in de gedachte van de Magna Mater
die alles, zonder een enkele uitzondering, voortgebracht heeft. Dat is in feite
een statische zaak, in die zin dat er geen veranderingen in de toestand
optreden. De verhoudingen liggen zoals ze liggen, nu en in alle eeuwigheid. Het
mannelijke bevindt zich binnen de vrouwelijke 'baarmoeder' en daar kan het niet
aan ontsnappen. Van liefde is wezenlijk nog geen sprake, wel echter van een
behoorlijk geprononceerde erotiek. Dat laat zich gemakkelijk begrijpen vanuit
de gedachte dat het vrouwelijke en het mannelijke in elkaar opgegaan zijn,
zoals dat onmiddellijk aan het moederlijke bedacht moet worden. Oude erotische
voorstellingen, op tempels bijvoorbeeld, en denkbeelden over liefdesgodinnen,
zoals Afrodite, hebben dan ook niets met het ons bekende begrip liefde te
maken, maar uitsluitend met dat in elkaar zijn van het vrouwelijke en het
mannelijke. Aan dat 'in elkaar zijn' is noodzakelijk het, elkaar benaderen' te
bedenken zodat ook de seksualiteit nadrukkelijk op de voorgrond treedt. De
veronderstellingen van oppervlakkige westerse geleerden, dat men in de oudheid
heel onbevangen was inzake de seksualiteit en dat men nogal genotzuchtig was,
slaan nergens op: de seksualiteit en de erotiek golden als uitingen van een
goddelijke werkelijkheid waaraan het benauwde, tijdelijke en plaatselijke van
de wereld van de dingen nog niet kleefde.
163 God
is liefde-1 God is liefde-2
Was in de oudheid het 'ineenzijn' moederlijk en erotisch
getint, met het intreden van de nieuwe tijd, in feite de westerse beschaving,
wordt het 'ineenzijn' getypeerd door het begrip liefde in de zin van een
feitelijk ineenzijn van de afzonderlijke dingen. Het liefdesbegrip neemt de
plaats in van het erotische en tegelijkertijd krijgt het een normatieve
betekenis: de liefde zou nagestreefd moeten worden. Naast die normatieve
betekenis is er onvermijdelijk ook het dynamische element dat op de voorgrond treedt.
Er moet gedacht worden aan een beweging, namelijk van het uiteen zijnde naar
het ineenzijn. Dat komt doordat de liefde geworteld was in een uiteen liggende
werkelijkheid, namelijk die der verschijnselen, en nu bij het optreden van het
verschijnsel mens uitloopt in ineenzijn. Dat is een proces, een voortgang, dus
een veranderende situatie. Dit verklaart waarom er nu een liefdesverlangen
ontstaat, getypeerd door de figuur van Eros. Een verlangen namelijk naar
vroeger toen alles nog moederlijk ineen was. Maar eveneens verklaart het waarom
het, uit de oudheid daterende, erotisch religieuze beleven van de zaak naar de
achtergrond gedrongen en langzamerhand zelfs afgekeurd wordt. De liefde krijgt
in de westerse wereld enerzijds een universele betekenis, uitgedrukt in de
bewering 'God is liefde', en anderzijds een zogenaamd 'Platonische’. In feite
is de Platonische liefde namelijk een afwijzende reactie op de schone,
warmbloedige erotiek van vroeger dagen.
164.
Een van de redenen waarom de westerse filosofen niet
voortgeborduurd hebben op de ideeën van Spinoza is deze dat hij zich wat
betreft de 'substantie' oriënteerde op de denkbeelden van de oudheid. Hij had
het immers over het universele principe waaruit alles voortkomt. Dat was ten
tijde van Spinoza nagenoeg geheel en al in de vergetelheid geraakt. Het was
geen thema meer voor het westerse zelfbewustzijn zodat het zich niet meer in
het denken liet gelden. Als men daarbij ook nog bedenkt dat onze wijsgeer er in
zijn denken niet op terugkeek maar er juist cruciale criteria voor de toekomst
van de mensheid uit afleidde, bijvoorbeeld in zijn Politieke verhandeling van
ongeveer 1677, dan wordt het eens temeer duidelijk dat de moderne filosofen er
geen zin in hebben en het dan maar laten bij een beleefde kennisname van zijn
werken. Zo gelukkig niet Hegel (1770-1831) die meer dan eens met nadruk heeft
verklaard dat Spinoza verreweg de helderste filosoof van de westerse wereld is
geweest. In het denken van Hegel is het denken van Spinoza dan ook volledig
geďntegreerd.
165.
Volgens sommige denkers is er aan het einde van de
oudheid en het begin van de moderne tijd iets mis gegaan met de mensheid. De
mensen hebben zich van elkaar losgemaakt. Dostojewski zei dat het westen de
werkelijkheid heeft verbroken!
Maar niet alleen dat: de mensen zijn zich ook ten bate
van zichzelf op de dingen gaan richten en hebben gaandeweg de liefde uit hun
leven gebannen - reden waarom zij het er almaar in smachtende, maar ook
cynische, zin over hebben. Bedoelde denkers menen dat de mensen terug zouden
moeten keren naar het eenheidsgevoel van het verleden en dat zij, als zij
daartoe onverhoopt niet bereid zijn, een wisse ondergang tegemoet gaan. Dat
evenwel is ook weer een voorbeeld van slordig denken!
Als het namelijk zo is dat het liefdesbegrip inderdaad
aan het einde van de wording, met het verschijnen van de mens, een concrete
betekenis krijgt, en als het bovendien zo is dat het dan gaat over de totale
werkelijkheid die, in de vorm van het 'beeld', in zichzelf op genuanceerde
wijze alles inhoudt, dan kan het niet uitblijven dat de mensheid een periode
kent van het in bezit nemen van alle dingen, vergezeld van het zich laten
gelden als absolute individu. Al die dingen moeten namelijk eerst onvoorwaardelijk
ter beschikking zijn gekomen om als inhoud van het ineenzijn te kunnen gaan
gelden. Bedoelde denkers willen in hun ondoordachtheid een hele ontwikkeling
overslaan, namelijk die van het, uiteindelijk in de vorm van kennis, zich eigen
maken door elke individu van alle dingen. Zonder die zich eigen gemaakte inhoud
is het liefdesbegrip een holle frase, althans, let wel, het ware ineenzijn kan
dan onmogelijk gelden. Wat is ineenzijn zonder dat wat ineen is?
166.
Het bij de mens voorkomende besef omtrent het ineenzijn
van alle dingen, gewoonlijk kortweg 'liefde' genoemd, is een individuele zaak.
Dat geldt naar een tweetal aspecten. Ten eerste geldt dat het een zaak van een
ieder voor zich is, ongeacht het al of niet aanwezig zijn van iemand anders. Die
liefde is een onvoorwaardelijk geldende verhouding binnen het individu. Dus,
hij geldt zonder meer voor een ieder! Maar, ten tweede is het een zaak die pas
dan realiteit kan zijn als de mens zich tenslotte tot 'de mens als individu',
oftewel de individu heeft ontwikkeld. Dat is de waarlijk zelfstandige mens, het
'vrijzwevende verschijnsel' dat als ultieme mogelijkheid van de wording te
voorschijn is gekomen. Voor die mens geldt dat, uiteraard in principe, alles
als inhoud van zijn zelfbewustzijn aanwezig is. Men kan ook zeggen: hij heeft
in principe alles leren kennen, hetgeen natuurlijk voornamelijk geldt ten
opzichte van zijn medemensen. Voor die tot volwassenheid uitgegroeide mens, te
typeren als de individu, is de werkelijkheid als bewustzijn, zoals die zich
bijwijze van beeld aan die complete inhoud van het zelfbewustzijn afspiegelt,
tenvolle effectief geworden. Dat wil zeggen dat hij er zich iets aan gelegen
laat liggen, omdat het voor hem een vanzelfsprekend aanwezige werkelijkheid is
die, als enige, aan de door hem gekende wereld der dingen zin en betekenis kan
geven. Zonder dit 'betekenen' en ‘zin geven' zijn de wereld en het leven in
wezen een mysterie voor de mensen. Het geloof in goden, ideologieën en
wetenschappen lost dit mysterie in genen dele op. Sterker nog: zo een geloof
leidt de mensen af van de vragen die, zeker in onze moderne tijden, werkelijk
gesteld zouden moeten worden...Hoe dan ook, in het kort is te zeggen: de liefde
is uitsluitend een zaak van het individu als deze tenslotte in staat is zich
als de individu te laten gelden. Maar tussen de ene mens en de andere kan niets
anders bestaan dan een, meer of minder bevredigende, relatie.
Betrouwbaarheid-1 ; Betrouwbaarheid-2 ; Betrouwbaar ; Onbetrouwbaar ;
In de praktijk van het dagelijkse leven is de
kwaliteit van de relatie tussen geliefden natuurlijk van cruciale betekenis.
Hoe meer overeenkomsten er zijn, hoe beter het is, zeker in een alsnog
onvolwassen wereld. Maar de allerbeste, en in feite echt volwassen,
overeenkomst is deze dat geliefden ieder voor zich volstrekt geen belang
hechten aan eventuele overeenkomsten. Wat wederzijds overeen blijkt te stemmen
is goed en wat dat niet doet is ook goed. Bij deze 'belangeloze' vorm van
overeenstemming kan de liefde psychisch mooi tot haar recht komen. De geliefden
gevoelen dan over en weer een warm ineenzijn dat door geen persoonlijke eigenaardigheden
- volgens Spinoza 'aandoeningen' - verstoord kan worden. Uiteraard zijn die
aandoeningen er wel, want leven zonder meer of minder prettige aandoeningen is
ondenkbaar. Het gevoel - want daarover gaat het dan - is immers niet alleen
maar 'incidenteel bepaald', maar ook en vooral 'universeel'. Het is de
werkelijkheid zelf die zich als beeld manifesteert. Het contact daarmee
geschiedt via het psychische, en dat is dat 'universele gevoel'. Dit gevoelen,
dit ondergaan van het ineenzijn, geeft aan de relatie rust en vrede. Zo wordt
het mogelijk dat persoonlijke aandoeningen, ondanks hun verschillen en de
betrekkelijk onverbloemde aanwezigheid ervan, toch geen verstorende rol spelen.
Dank zij het volwassen-zijn van de geliefden krijgt ook het begrip trouw zin en betekenis. Het gaat er
dan namelijk om dat eenieder onvoorwaardelijk zichzelf blijft. Men is dan trouw aan zichzelf. Men is betrouwbaar! De inhoud van dit begrip trouw verschilt hemelsbreed van die van
het gangbare begrip. Bij dit laatste betreft het een relatie tussen twee of
meer partners. Die zaak heeft een incidenteel karakter en de draagwijdte ervan
is niet groter dan de verhouding tot uitsluitend die partners. Men kan dan
bijvoorbeeld tegenover zijn partners trouw
en betrouwbaar zijn en
tegelijkertijd buiten die verhouding een en al misdadige schurkachtigheid
vertonen. Met betrekking tot machthebbers en in het algemeen politici ziet men
dit verschijnsel regelmatig: mensen blijven trouw aan hun leiders ongeacht de evidente misdadigheid ervan.
Maar het op de volwassen mens van toepassing zijnde begrip trouw heeft geen betrekking op een
relatie tussen bepaalde mensen, maar op een persoonlijke gesteldheid van de
mens zelf. Het is dan ook een gesteldheid van de mens als werkelijk individu.
Betrouwbaarheid-1 ; Betrouwbaarheid-2 ; Betrouwbaar ; Onbetrouwbaar ;
168
Aan het zich realiseren van de mens naar het begrip
liefde staat gedurende de groei van de mensheid naar volwassenheid heel wat in
de weg. Uiteraard zijn daar de asociale en misdadige opvattingen en gedragingen
die in directe zin de zaak van de liefde tegenhouden. Deze verbrekende
toestanden zijn volstrekt strijdig met het ineenzijn dat voor de liefde geldt.
Maar, paradoxaal genoeg zijn het juist de nobele bedoelingen en strevingen van
de mensen die het grootste struikelblok vormen. Dat komt doordat zij
consequenties zijn van bepaalde stevig gewortelde voorstellingen die als een
absoluut ideaal hun werking uitoefenen. Die voorstellingen bevatten geen enkele
mogelijkheid tot verandering en ontwikkeling zodat zij vrijwel onmiddellijk een
normerende rol gaan spelen. Men moet aan de criteria en normen van zo'n
voorstelling gaan beantwoorden! Dat betekent - zoals ik al zo vaak heb laten
zien - dat de mensen zich moeten gaan 'beschaven'. Zij moeten de volgens die
voorstelling ongewenste eigenaardigheden en onhebbelijkheden van zich
afschudden en samen gaan vallen met een bepaald, als absoluut maatgevend
gesteld, model. Daarmee vervreemden zij zich van zichzelf en de weg naar
volwassenheid wordt bijgevolg totaal afgesloten.
169.
Als we te doen hebben met asociale en misdadige
opvattingen en toestanden is er geen of nauwelijks sprake van een aan genoemde
starre voorstelling ontleende norm. Als er al van normen gesproken kan worden
betreft het normen op het terrein van de macht, die onvermijdelijk de drijfveer
tot inhalig eigenbelang en tirannie vormen. Natuurlijk kunnen ook deze zaken
voorgesteld worden als iets nobels, iets dat overeen komt met het een of andere
hoge ideaal. Het is zelfs handig om dit te doen want als de zaak op deze manier
voorgesteld wordt zijn er altijd heel wat mensen die er intrappen. Maar toch,
het gaat steeds over een bedrieglijk voorgespiegelde voorstelling die op
zichzelf weinig of geen verwantschap vertoont met de voorstelling die men zich
van een waarachtig volwassen mens kan maken. Het bedrog komt dan ook na enige
tijd uit en dan kan de volgende oplichter het spelletje opnieuw gaan spelen.
Over het algemeen is te zeggen dat dit het gebruikelijke gedoe van
machthebbers, politici en geestelijken betreft..Met dit gedoe vallen zij gelukkig
telkens na verloop van tijd door de mand. De mensen herkennen intuďtief het
onware, zij het met moeite en nooit voor lange tijd.
170.
Hebben asociale en misdadige toestanden nauwelijks enige
verwantschap met de ware verhoudingen die voor het verschijnsel mens gelden,
zodat ook de daarbij behorende voorstellingen in feite qua waarheid nergens op
slaan en bijgevolg niet anders dan 'waanvoorstellingen' genoemd moeten worden,
de voorstellingen die op een ideaal berusten zijn van een geheel andere aard.
Feitelijk vormen zij voor de persoonlijkheid van de mensen een veel ernstiger
en ook een veel langduriger doorwerkend gevaar. Natuurlijk komt dit vooral door
de goede bedoelingen en de sfeer van waarheid en menselijkheid die er aan
meekomt. Die sfeer doet de mensen ernaar streven zich te 'beteren', zich
'fatsoenlijk’ en 'redelijk' te gedragen. Het is zonder meer goed en zinvol dat
de mensen aldus reageren. Want die sfeer werkt als een rem op alle mogelijke
uitspattingen en naar vernietiging strevende impulsen. Het is een geduchte rem
op het egoďstische, het asociale en het misdadige. Maar, tegelijkertijd
verduistert die goede bedoeling het zicht op de werkelijk volwassen mens. Niet
alleen dat in het leven van alledag een misleidende werking uitgaat van
idealistische voorstellingen omtrent menselijke deugdzaamheid, maar vooral ook
dat het filosofische en wetenschappelijke denken over het verschijnsel mens
volkomen op een dwaalspoor gebracht wordt. Op zichzelf is het al fout om als
filosoof van een bepaalde vooronderstelling uit te gaan, maar als die ook nog
gegrond is op een voorstelling die vertekend is door zijn eigen idealistische
karakter, dan kunnen de resultaten al bij voorbaat als onwaar worden beschouwd.
In dat geval is het uitgesloten dat het denken tot zinnige conclusies over de
werkelijkheid als liefde komt.
171.
Iedere als maatgevend geldende voorstelling over de
'deugdzame' mens leidt tot een model dat noodzakelijkerwijs volledig vastgelegd
is. Het wordt een starre zaak, ondanks het feit dat het idealistisch bedoeld
was. Zo'n starre voorstelling is natuurlijk een fundamentele ontkenning van het
vrijzwevende karakter van het verschijnsel mens. Eigenlijk heeft de mens nu
'zichzelf aan zichzelf bepaald'. Dat is in strijd met zijn wezenlijke situatie.
Vanuit deze Onwerkelijke opvatting omtrent zichzelf komt hij, al nadenkende
over zichzelf en de wereld, tot verkeerde conclusies. Het meest opvallende
daarbij is dat die conclusies steevast veroordelend en corrigerend van aard
zijn. De mensen zouden op alle mogelijke manieren fout zitten. Zij zouden
hopeloos verloren zijn als zij zichzelf niet bijtijds grondig zouden herzien.
Het vervelende daarbij is dat deze conclusies voortdurend en onder alle
omstandigheden getrokken moeten worden, omdat het zichzelf vastleggen aan een
model noodzakelijk leidt tot een conflict met het niet vast te leggen
vrijzwevende verschijnsel. Doordat de mens niet aan een model, een reglement,
een gezag of een ideologie gebonden kan worden is hij onvermijdelijk altijd en
tenvolle schuldig!
Opgemerkt moet worden dat het besef van het onafwendbaar
schuldig zijn van de mens geen specialiteit van de Christelijke en Islamitische
godsdiensten is. Bijna steeds wordt er door vrijdenkers gedacht dat de
begrippen schuld en zonde door de godsdienst zijn geďntroduceerd teneinde de
mensen klein en nederig te houden. Dat zou immers een buitengewoon efficiënte
basis zijn voor het onderwerpen van mensen en vervolgens het uitoefenen van
macht! Inderdaad komt de godsdienst daar nadrukkelijk mee, maar het is niet zo
dat zij het zelf verzonnen heeft: de godsdienstige leiders en de theologen
hebben heel geraffineerd ingespeeld op een cultuurbesef dat al vanaf het
vroegste begin in de westerse cultuur aanwezig was. Het ligt in de westerse
cultuur besloten om aan het besef van een deugdzame mens vorm te geven en
telkens opnieuw een vastgelegd maatgevend model van die ideale mens te
ontwerpen. Dat hangt natuurlijk ten nauwste samen met het voor de moderne westerse
cultuur kenmerkende 'naar boven projecteren' van de concrete realiteit. Zo is
die deugdzame mens tegen de hemel geprojecteerd. Uiteraard hebben de
godsdienstige leiders dat besef in zoverre omgebogen dat nu de mens niet zozeer
schuldig en zondig was ten opzichte van zichzelf maar daarentegen vooral ten
opzichte van god. Die ombuiging was de westerse mens gemakkelijk op te dringen.
Maar, hiermee heeft de zaak een absoluut karakter
gekregen, met als gevolg dat het voor het denken vrijwel onmogelijk is geworden
de bedrieglijke waan van de bij voorbaat als de maat gestelde 'deugdzame' mens
te doorgronden en aan anderen duidelijk te maken. Gevolg van het heersen van de
waan van de ideale deugdzame mens is ten eerste dat elk begrip dat samenhangt
met het vrijzwevende verschijnsel verborgen moet blijven, en ten tweede dat
onder andere het liefdesbegrip verwordt tot een incidentele verhouding tussen
twee of meer partners en daarmee zijn universele geldigheid verliest. Die
beperkte opvatting van het liefdesbegrip is bijna niet te doorbreken. Ook de
filosofen lopen hier op te pletter, zodat zij, in gezelschap van de
seksuologen, niet verder komen dan het schoorvoetend aanvaarden van de
mogelijkheid om tegelijkertijd meerdere geliefden te beminnen. Dit echter stelt
niets voor omdat, ten eerste, die mogelijkheid er ook is zonder toestemming van
de denkers en deskundigen en, ten tweede, omdat het aantal relaties niets met
het waarachtige liefdesbegrip te maken heeft!
De
Zonde-1 ; De
Zonde-2 ; De
Zonde-3 ; Paradijsverhaal
173 Trouw-1
; Trouw-2 ;
Trouw-3
; Trouw-4 ;
Het is te begrijpen dat de liefde vrijwel altijd vergezeld gaat van een soort van
eeuwigheidsbesef. Ware liefde duurt eeuwig, kan niet voorbijgaan, is
onaantastbaar! Want het begrip liefde behoort, in de kwaliteit van ineenzijn,
tot de werkelijkheid als bewustzijn en daarom is het een zaak die eeuwig
zichzelf gelijk blijft. Vergankelijkheid geldt er niet voor.
Aan dit laatste moet toegevoegd worden dat dit 'zichzelf
gelijk blijven' niet anders denkbaar is dan als een in zichzelf volkomen
beweeglijke zaak. Binnen het bewustzijn is alles beweeglijk. Zou dit niet het
geval zijn, er was niet van 'ineenzijn' te spreken en ook het feit dat de ene
verhouding genuanceerd overgaat in de andere zou onmogelijk zijn. Juist doordat deze werkelijkheid voortdurend een
'onmiddellijk in elkaar overgaan' aan de mens vertoont kan zij zichzelf gelijk
blijven. Zou deze absolute beweeglijkheid niet gelden, dan zou alles vaststaan,
statisch zijn. Maar juist dan valt de zaak uiteen, en wel doordat het wezen van
de werkelijkheid 'beweeglijk-zijn' is. Daardoor wordt dat statische op een
zeker moment noodzakelijkerwijs aangetast. Overigens zou een in zichzelf
onbeweeglijk bewustzijn ook geen universeel beeld van de werkelijkheid op
kunnen leveren zodat het onmogelijk zou worden in de realiteit te leven. De
liefde heeft dus een sfeer van eeuwigheid aan zich en ook, op grond van dat
zichzelf gelijk blijven, een sfeer van getrouw zijn en trouw. Maar, van het besef hieromtrent komt voorlopig niet veel
terecht, juist doordat de alsnog onvolwassen mens iets hogers voor ogen heeft.
Dat heeft allerlei onmogelijke fantasieën tot gevolg.
Trouw-1 ;
Trouw-2
; Trouw-3 ;
Trouw-4 ;
Het streven naar iets hogers beďnvloedt niet alleen het
denken op een nadelige wijze, maar vooral ook de praktijk van de
liefdesverhoudingen. Nog steeds dromen vele jonge vrouwen over een beeldschone
blonde prins op een wit paard. Deze prins is een en al goedheid en zijn liefde
is edel, onbaatzuchtig, getrouw en onvergankelijk! En de mannen fantaseren over
een kuise maagd die volkomen
onbevlekt is en die zich zonder voorbehoud voor eeuwig aan hen bindt. Een soort
van persoonlijke madonna! Natuurlijk koesteren zij niet allemaal dezelfde
beelden, maar qua grondtoon komt de zaak zonder twijfel neer op de blonde prins
en de kuise jonkvrouw. Tijdens de aanvankelijke verliefdheid ondergaan de
geliefden elkaar min of meer als zodanig en dat lijkt het sprookje waar te
maken...Maar na enige tijd gaat het leven van alledag zijn tol opeisen en dan
blijven er alleen nog maar banaliteiten over. Dat wil zeggen: in de ogen van de
geliefden zijn het banaliteiten en vaak zelfs bittere teleurstellingen.
Uiteraard zijn die teleurstellingen in veel gevallen niet zonder reden. Over
het algemeen gaan de mensen binnen hun liefdesverhoudingen niet bijzonder
aardig met elkaar om. De nauwe relatie tussen de partners is een vruchtbare bodem
voor wrijvingen en ergernissen. Maar ook in die betrekkelijk zeldzame gevallen
dat de relatie bevredigend is steekt de teleurstelling de kop op. Men zegt dan:
"Liefde is allemaal schijn, je kunt beter eens een keer hartstikke dronken
zijn…". En daar is dan ook nog het beroemde Franse chanson: "Plaisir
d'amour ne dure qu'un moment, chagrin d'amour dure toute la vie...".Het
dagelijkse leven wordt dus kennelijk ervaren als een domper op die schone,
eeuwigdurende liefde. Onvermijdelijk dooft het ook de hartstocht, met als
tragisch resultaat dat de vroegere geliefden ontvankelijk worden voor andere
relaties, hetgeen vervolgens ook weer op een teleurstelling uitloopt!
De gehele westerse cultuur is doortrokken van de idee dat
de materie, dus het alledaagse, aan de liefde in de weg staat. In principe
klopt die idee, zoals ik heb laten zien, maar uitgerekend voor de mens is dat
niet het geval. Het alledaagse is juist de enige realiteit waarbinnen de liefde
tot haar recht kan komen.
175.
Liefde heeft niets met verhevenheid te maken. Eigenlijk
gaat het zelfs over iets materieels omdat de werkelijkheid als bewustzijn,
waarvoor zoals gezegd het begrip liefde van kracht is, een verhouding is binnen
het stoffelijke verschijnsel dat beweeglijk en dus levend is geworden. Voor
alle levende wezens geldt dat zij bewustzijn inhouden en speciaal voor de mens
geldt dat dit bewustzijn de gehele werkelijkheid omvat. Het is universeel. Dat
komt doordat de mens het laatste verschijnsel is. Het voert thans te ver uiteen
te zetten hoe het zit met dat beweeglijk worden van het verschijnsel. In ieder
geval manifesteert het beweeglijke zich op twee wijzen, namelijk als
'bewust-zijn' en als 'levend-zijn'. Beide manifestaties behoren onlosmakelijk
bij elkaar omdat zij twee verschijningsvormen van hetzelfde zijn, namelijk van
de innerlijke beweeglijkheid van het verschijnsel. Die innerlijke
beweeglijkheid berust in feite op een onbelemmerde verwisselbaarheid van
systemen van beweeglijkheden. Dit betekent dat een bepaald systeem zowel 'dit'
kan zijn en tegelijkertijd 'dat'. Qua voorstelling is het voor de mens
onmogelijk iets tegelijkertijd met 'dit' en met 'dat' te denken en benoemen,
maar qua beeld is het geen enkel probleem. Dit alles doet er echter op dit
moment niet zo erg toe. Van belang is dat de werkelijkheid als bewustzijn, en
dus ook de liefde, inhoud van het verschijnsel is en beslist geen hogere zaak
buiten en boven het verschijnsel. Wat, overigens geheel ten onrechte, als een
zaak buiten en boven het stoffelijke verschijnsel gezien wordt is de
werkelijkheid als 'geest'. Hierbij speelt echter geen verwisselbaarheid omdat
hierbij de genoemde systemen in een verhouding zijn komen te verkeren waarin de
beweeglijkheden gelden als wederom geheel en al op zichzelf en voor zichzelf In
zo'n situatie kan natuurlijk geen verwisselbaarheid optreden.
176.
Het projecteren van het menselijke tegen de hemel, dus
tegen het onvergankelijke, is kenmerkend voor een mannelijke en tegelijk
individualistische cultuur. Voor het besef van de mensen binnen een dergelijke
cultuur is er een scheiding tussen het een en het ander en die scheiding houdt
ook een waardeverschil in. Dat verschil in waarde is in wezen gebaseerd op de
overtuiging dat er hogere zaken zijn en lagere. Tegelijkertijd herkent men de
reëel bestaande mens als een speler op het toneel van de waardeverschillen. Dus
is de ene mens meer waard dan de andere. De mensheid als totaal valt in eerste
instantie uiteen in de groep van de lagere vrouwen en in de groep van de hogere
mannen. Zo zijn er natuurlijk meerdere groepen. De Joden en de Zigeuners
bijvoorbeeld behoren ook tot een lagere groep. En in laatste instantie is daar
het kleinste element: het individu. In de mannelijke cultuur bestaat
noodzakelijk een streven naar het hogere - wat dit overigens ook betekenen
moge: de meest vreemde, wrede, tirannieke en machtswellustige praktijken komen
uit dat streven voort. De huidige moordpartijen door fundamentalistische
Islamieten bijvoorbeeld en de afschuwelijke middeleeuwse vervolgingen van
zogenaamde ketters en heksen door gefrustreerde Christelijke geestelijken zijn
bepaald geen zeldzame uitwassen van dat verbeten streven naar iets hogers. Maar
niet over het hoofd gezien mag worden dat het streven naar het hogere, in
samenhang met de analyse van de dingen, onafwendbaar tot een diepgewortelde
haat tegen het vrouwelijke leidt. Daarvan wordt op alle mogelijke manieren de
vrouw het slachtoffer, enerzijds doordat zij door mannen gedwongen wordt zich
naar hun voorstellingen van de werkelijkheid te voegen en anderzijds doordat
zij zichzelf leed aandoet vanwege de in haarzelf levende behoefte zich
overeenkomstig de mannelijke normen waar te maken. Vooral deze laatste behoefte
doet veel kwaad doordat hij in de vrouw een ernstig conflict oproept. Zij kan
namelijk, als concrete variatie op het verschijnsel vrouw, niet straffeloos
ontkennen dat zij in het teken van de werkelijkheid als geheel staat. De vanuit
de cultuur ongemerkt ingeprente behoefte om iets hogers te bereiken verplicht
haar tot een wezensvreemd gedoe: het verbreken van de inhoud van haar
bewustzijn, dus de werkelijkheid als een ondeelbaar, in zichzelf samenhangend
geheel. Zij verbreekt in feite dus ook het ineenzijn en dat betekent dat zij
zichzelf als liefde te niet doet! Als representante van die werkelijkheid - het
bewustzijn - behoeft zij eigenlijk niets te bereiken omdat zij al het
bereikbare reeds van nature is. Het gaat er bij haar niet om iets te bereiken,
maar om zichzelf te laten gelden en dus om iets te zijn, namelijk het geheel!
177.
Als je zegt dat de vrouw niets behoeft te bereiken wordt
dat door de moderne mensen opgevat als een ontkenning van haar humane recht om
zich in de wereld te laten gelden. Want volgens die moderne mensen is zichzelf
laten gelden hetzelfde als iets bereiken. Dat is echter duidelijk een
vertekening van de werkelijkheid. Het zou daarbij gaan om een bepaald 'op weg
gaan naar een hoger doel'. Vanuit het eenzijdig mannelijke denken is dat een
begrijpelijke kijk op de zaak, maar in feite behoeft de vrouw niet op weg te
gaan naar een hoger doel. Ten eerste omdat er geen hoger doel is. Het streven
naar een hoger doel verklaart het fictieve, zinloze en kinderachtige gedoe in
een mannenwereld. Ten tweede omdat de waarachtige werkelijkheid reeds tenvolle
voor het verschijnsel vrouw geldt. Zij moet dan ook niet op weg gaan maar
daarentegen bij zichzelf blijven. Uiteraard betekent juist dat een onmiskenbaar
zichzelf laten gelden in de wereld. In tegenstelling tot het gedoe van de man
is dit geen fictieve aangelegenheid! Het gaat nu echt om de realiteit en niet
om een verzonnen, theoretische wereld die nooit is wat hij lijkt. De gedachte
dat een vrouw niets behoeft te bereiken is dus geen discriminatie van de
vrouw, zoals vanuit de mannelijke optiek onmiddellijk gedacht wordt, maar
daarentegen juist een rechtvaardiging van haar vrouw-zijn. Als 'zuiver vrouw'
is zij waarachtig aanwezig in de wereld en er is geen sprake van dat zij in het
kader van deze gedachte zogezegd terugverwezen wordt naar de kinderkamer en het
fornuis!
178.
Het is beslist noodzakelijk de begrippen houden van en
liefde goed uit elkaar te houden. Het eerste heeft namelijk te maken met de
relatie tussen mensen en tussen mensen en dingen, maar het tweede daarentegen
met een kwaliteit van de mens als individu. Anders gezegd: houden van heeft
betrekking op 'ons' en liefde heeft betrekking op 'mij'. Een mens houdt van
allerlei zaken en mensen. Men kan van boerenkool houden en van dieren. Men kan
van zeilen houden en van Beethoven. En natuurlijk zijn daar andere mensen van
wie men, in meer of minder hevige mate, kan houden. Hoe dan ook, steeds gaat
het over een betrekking tussen een mens en iets of iemand anders. Dus gaat het
over een relatie. Dat houdt in dat ertussen een mens en iets of iemand anders
overeenkomsten zijn. Die liggen op een bepaald gebied en op dat speciale gebied
kunnen de onvermijdelijke verschillen overbrugd worden. Bij mensen onderling
zijn dat overeenkomstige eigenschappen en kwaliteiten die over en weer
ondergaan en beleefd worden als bepaalde vormen van eenheid. Daar gaat het
begrip houden van gelden. Het betreft dus gebieden waarop mensen met elkaar
samen-kunnen gaan. In de relatie speelt derhalve een of andere vorm van
samengaan een rol, maar dat is dan een beperkt, een tijdelijk en plaatselijk,
samengaan. Dat is natuurlijk helemaal geen 'ineenzijn', oftewel ‘liefde'. Het
wordt echter wel vaak zo genoemd!
179.
Het zou thans te ver voeren het 'ineenzijn' en de
'relatie' te beschrijven in termen van de oorspronkelijke beweeglijkheden, maar
wel moet er op gewezen worden dat systemen van beweeglijkheden kunnen
'aaneengroeien' enerzijds en zich met elkaar kunnen 'verbinden' anderzijds. Bij
het, aaneengroeien' gaat elk van de systemen over in de andere systemen, zodat
het begrip ineenzijn van toepassing is. Dat geschiedt overigens zonder zichzelf
en elkaar als zelfstandig geval op te heffen. Bij het 'verbinden' is er niet
van een in elkaar overgaan te spreken, maar daarentegen van een zich aan elkaar
binden door het wederzijds neutraliseren van bepaalde, op elkaar gerichte,
bewegingen. De onderhavige systemen gaan 'aan elkaar vastzitten' en vormen zo,
op den duur uiterst ingewikkelde, samenstellingen: verschijnselen. Hier geldt
dus het begrip relatie. De begrippen ineenzijn en relatie komen inderdaad al
direct aan het begin van de denkweg over de werkelijkheid als beweeglijkheid
voor de dag. Bij de mensen hebben we het dan gewoonlijk over 'liefde' en
'houden van'. Maar het verschil daartussen en de betekenis van een en ander
wordt nauwelijks herkend, hetgeen onvermijdelijk vroeg of laat tot problemen
leidt.
180.
Het begrip houden van behoort dus bij de relatie. Daaraan
is voorondersteld dat het een volstrekt en blijvend van het ander gescheiden
is,en dat er in het beste geval slechts een brug tussen beide geslagen kan
worden. Het besef van een scheiding tussen grootheden behoort typisch tot de
modern-westerse cultuur. De werkelijkheid is voor modern-westers besef
wezenlijk niet meer dan een verzameling van afzonderlijke dingen, weliswaar op
velerlei wijzen met elkaar verbonden, maar toch: afzonderlijk. Op grond hiervan
is het gemakkelijk in te zien dat het daarbij behorende begrip ‘houden van’
allesoverheersend is en dat er op geen enkele manier van een werkelijk
'ineenzijn' gesproken kan worden. De verhouding vrouw-man gaat uiteraard
eveneens op in een grote hoeveelheid variaties op het thema 'houden van’. Dat
nu is in de praktijk oorzaak van de labiliteit en kortstondigheid van die
verhouding, want de levende realiteit, die zowel de vrouw als dé man is, blijft
onvermijdelijk niet bij zichzelf stilstaan: de toestand verandert voortdurend.
Dat betekent dat ook de overeenkomsten tussen de partners aan verandering
onderhevig zijn. Die overeenkomsten worden dus labiel, de brug wordt wankel!
Doordat ook die verandering steeds weer verandert komt het al spoedig zover dat
er wezenlijk geen overeenkomsten meer zijn. Dan heet het dat de relatie mislukt
is, het huwelijk, partnership of samenlevingsverband is gestrand en de partners
zijn van elkaar gescheiden.
181 Trouw-1
; Trouw-2 ;
Trouw-3
; Trouw-4 ;
Vaak probeert men de breuk tussen de partners te lijmen. Binnen het kader van het gezin
misbruikt men er vaak de kinderen voor. Die moeten dan als brug tussen die
partners gaan fungeren, hetgeen onherroepelijk tot ernstige psychische
beschadigingen bij die kinderen leidt. Zij kunnen er dan niet meer 'zomaar' en
dus onvoorwaardelijk zijn, maar hun leven moet ten dienste staan van anderen
die, tot overmaat van ramp, ook nog eens te dom en te onvolwassen zijn zelf
iets van hun leven en hun relaties te maken. En dan zijn er tegenwoordig de
modieuze praattherapieën. Die zijn op de misvatting gegrond dat een goed en
eerlijk gesprek volstaat om de zaak weer in orde te krijgen. Men vindt: de
dingen moeten 'uitgepraat' worden! Men zal elkaar dan beter gaan begrijpen. De
moderne mens heeft niet in de gaten dat 'elkaar begrijpen' heel iets anders is
dan 'van elkaar houden', dat zoals gezegd op overeenkomsten berust. Bovendien
moet men het op seksueel gebied weer spannend maken, de erotiek aanwakkeren en
de wederzijdse interesses wekken. Maar, helaas heeft dat allemaal geen enkele
zin. De mensen zijn, in hun kwaliteit van levende realiteit, na verloop van
tijd uit elkaar gegroeid tijdens een onvermijdelijk proces. Dikwijls probeert
men ook, op grond van de een of andere godsdienstige moraal, de relatie met
psychisch geweld in stand te houden. Men vindt dan dat men elkaar moet leren
verdragen, want 'wat God verbonden heeft zal de mens niet scheiden'. Liefde en trouw behoren immers
'eeuwig' te zijn! God heeft het zo bevolen! Maar, Gods gebod of niet, het
resultaat kan noodzakelijkerwijs niets anders dan een verschrikkelijke ramp
zijn. Dat is trouwens in het algemeen het resultaat van goddelijke
voorschriften en raadgevingen. Intussen wemelt het in de moderne wereld dan ook
van ongelukkige mensen en er is vrijwel niets aan te doen, omdat de oorzaak in
de analytische modern-westerse cultuur gelegen is.
Trouw-1 ;
Trouw-2
; Trouw-3 ;
Trouw-4 ;
182.
Zoals gezegd gaat het bij de liefde niet om een relatie
tussen twee of meer mensen, maar om een gesteldheid van de mens persoonlijk.
Jij bent liefde en ik ben liefde en nu is het maar de vraag of en in hoeverre
wij in staat Zijn om dat te laten gelden. Hoewel deze liefde in de praktijk
niet denkbaar is zonder een onderliggende relatie is het toch in geen geval de
overbruggende inhoud van deze relatie die de essentie van de liefde is. Het
komt er op neer dat die inhoud, te weten de wederzijdse overeenkomst, er wel is
en zijn rol speelt, maar volstrekt niet de maat is. Hij is in het licht van het
onvoorwaardelijke ineenzijn komen te staan. Dat betekent dat het
'overeenkomstige' voortaan vergezeld gaat van het 'verschillende'. Beide zijn
er tegelijkertijd en beide gelden tenvolle. Het gevolg is dat de totale
persoonlijkheid tot gelding kan komen. Wat eerst angstvallig buiten beschouwing
gelaten werd telt nu vanzelfsprekend en volwaardig mee. Onmogelijk is het nu
geworden dat de veranderingen in de levende realiteit van een ieder aanleiding
zijn voor een scheiding. Integendeel : die veranderingen geven de liefde inhoud
en maken haar voortdurend levendig en inspirerend. Zoals het behoort kan alles
tot zijn recht komen. Het leven en de liefde zijn nu met recht een 'avontuur'
te noemen...
183
Deze liefde heeft niets te maken met de liefde uit de
sprookjes waarin het om mensen gaat die geen mensen kunnen zijn omdat alles om
het hogere, het verhevene draait. Alleen in de fantasie van de mensen kunnen
dergelijke 'heilige zombies' bestaan en, zoals gewoonlijk met zombies het geval
is: zij zijn uiterst destructief. Enerzijds is dat het geval omdat het
natuurlijk toch weer over de relatie gaat, nu zelfs als absoluut maatgevend
gesteld, en anderzijds omdat elke individualiteit aan de mens ontzegd is. De
relatie is, hoewel maatgevend, volkomen leeg! Sterker nog, juist omdat hij
maatgevend is kan hij niet anders dan leeg zijn. Dat betekent in feite dat we
met een gewetenloze zaak van doen hebben, in die zin dat nu het vernietigen van
alles niet alleen geoorloofd is, maar zelfs noodzakelijk. De 'heilige zombie'
is de negatieve nihilist ten voeten uit, namelijk de nihilist bij wie het niet
om de ontwaarding gaat, maar om de vernietiging van het bestaande. Deze
nihilist meent alle recht te hebben zijn destructieve plannen ten uitvoer te
brengen. Hij verbeeldt zich namelijk goddelijk te zijn, of Napoleon, of de
Duivel of een scherprechter uit de hemel. Het zichzelf waarderen als iets
verhevens, dat ver boven het alledaagse en banale gedoe van de mensen uitgaat,
is de meest vruchtbare bodem voor afschuwelijke ideologische misdaden.
184.
Het begrip liefde geldt onmiddellijk voor de mens. Dat
wil zeggen dat we altijd met dit begrip van doen hebben als we met een mens van
doen hebben. Zoals al eerder gezegd heeft dit begrip geen betrekking op iets of
iemand anders, maar is daarentegen uitdrukking van een verhouding die binnen de
grenzen van ieder afzonderlijk exemplaar van het verschijnsel mens geldt. Elk
exemplaar is liefde, iedere mens is liefde. Het is goed hierbij toch nog even
op te merken dat, in tegenstelling tot wat veelal gemeend wordt, dit begrip
liefde, oftewel ineenzijn, niet voor de concrete werkelijkheid van kracht is.
Dus niet van kracht voor, zeg maar, de 'kosmos'. Voor die werkelijkheid geldt
geen ineenzijn, zij is een 'verzameling' van afzonderlijke dingen. Die dingen
zijn opgenomen in een uitermate verfijnd netwerk van relaties, maar dat is heel
wat anders dan ineenzijn. Ook is het heel wat anders dat elk afzonderlijk
levend verschijnsel op zichzelf wel onder de rubriek 'ineenzijn' valt. Een
levend verschijnsel is inderdaad een geheel waarbinnen het ineenzijn van
gelding is. Het bewustzijn is daarvan een onmiddellijk gevolg. Maar, dat leidt
niet tot een of ander ineenzijn van de werkelijkheid zelf Toch is het voor de
mens zo dat de werkelijkheid, naast een netwerk van relaties, een ondeelbaar
geheel is. Hij beleeft de zaak als zodanig en dat kan zo voor hem zijn doordat
hij het laatste verschijnsel is. Zijn besef van ineenzijn, oftewel liefde,
omvat bijgevolg de totale kosmische werkelijkheid, zonder dat er iets
buitengesloten is.
185.
Het onvoorwaardelijk gelden van het begrip liefde moge
bij de mens dan een feit zijn, het is eveneens een feit dat er van het
realiseren van dit feit nauwelijks iets terecht komt. Men kan met recht zeggen
dat 'de liefde in de verdrukking zit'. In onze modern-westerse cultuur komt dat
door het zich volledig concentreren op de werkelijkheid als zelfbewustzijn. De
werkelijkheid als bewustzijn, waar het begrip ineenzijn thuishoort, is ten
gevolge daarvan een verdrongen en verwrongen zaak terwijl het berekenbare
zelfbewustzijn, met de voorstelling als inhoud, vrijwel onaantastbaar op de
voorgrond staat. Daardoor is er onder andere veel, zowel positieve als
negatieve, aandacht voor de relaties tussen mensen en dingen. Op zichzelf is
dat natuurlijk in orde, want zonder het begrijpen en tot zijn recht laten komen
van die relaties wordt het niets met de mensheid. Maar zonder de liefde wordt
het ook niets!
186.
De twee voor de mens geldende begrippen relatie en
ineenzijn laten zich naar het dagelijkse leven vertalen als 'houden van' en
'liefhebben'. Dat houden van kan op van alles betrekking hebben, in ieder geval
op andere mensen maar ook op andere dingen. Men houdt zowel van iets als van
iemand. Als partners van elkaar houden zijn er over en weer overeenkomsten,
dingen dus die zij in elkaar waarderen en als prettig en bevredigend ervaren.
Dit echter is volstrekt afhankelijk van de incidentele toestand waarin deze
partners zich bevinden. Het is maar net hoe het in een bepaalde periode van
iemands leven valt. De hoop van verliefde mensen dat zij hun leven lang van
elkaar zullen blijven houden is dan ook in principe ijdel: ieder mens verandert
voortdurend zodat ook de relaties met andere mensen zich wijzigen. In feite
houden die dus geen stand. Dat is echter welbeschouwd geen ramp !
Waar leven is, is verandering, dat ligt volkomen in de
rede. Maar het is wel degelijk een ramp voor de mensen van onze cultuur die
doorgaans niet verder komen dan van elkaar te houden. Zij staan immers in het
teken van de werkelijkheid als relatie en daardoor is het voor hen noodzakelijk
om op zoveel mogelijk gebieden met elkaar overeen te stemmen. Die gezamenlijke
interesses worden dan ook krampachtig vastgehouden terwijl de verschillen, die
overigens onvermijdelijk steeds prominenter worden, verbeten, doch vergeefs,
ontkend worden. De tegenwoordige modern-westerse mens bevindt zich in de fase
van een aanvankelijk en dus nog infantiel individualisme. Op grond van dit
individualisme komen de persoonlijke eigenaardigheden steeds meer op de
voorgrond te staan. Dat leidt er logischerwijs toe dat de verschillen de
relaties in toenemende mate gaan verstoren. Het 'houden van' verwordt tot een
dubieuze zaak die angst inboezemt vanwege zijn ongewisse toekomst. Om hieraan
nog enigszins het hoofd te bieden gaat men er enerzijds toe over de
liefdesrelaties niet al te zeer bindend te maken en anderzijds trekt men,
doormiddel van hernieuwde waarde-toekenning aan huwelijkse relaties, de banden
nauwer aan.
187.
De moderne liefdesverhouding komt nauwelijks boven het
niveau van 'houden van' uit. Maar eigenlijk zou dit wel het geval moeten zijn.
Hij zou eigenlijk een realisatie van het begrip liefde moeten zijn. Niet alleen
echter dat men daar geen kans toe ziet vanwege de verdrongen werkelijkheid als
bewustzijn, waardoor men helemaal geen raad met de liefde kan weten, maar
vooral ook vanwege het feit dat men over zijn eigen individualiteit een volstrekt
verkeerde voorstelling heeft. Die voorstelling namelijk berust op buitengewoon
ouderwetse ideeën over de verhouding tussen houden van en liefde. Al in het
oude Oosten dachten de denkers dat de persoonlijke eigenaardigheden van
geliefden geen stand zouden kunnen houden in het licht van werkelijke liefde.
De geliefden zouden volkomen in elkaar opgaan en zodoende ‘zichzelf verliezen'.
Dit laatste kon volgens die oude Oosterse denkers niets anders betekenen dan de
dood. Bij het zich realiseren van de liefde behoorde onmiddellijk de dood en
andersom konden geliefden elkaar niet op een andere manier dan in de dood
vinden. Niet alleen de ouden dachten op die wijze: Ook nu nog weet men geen
filosofische oplossing voor het probleem van de tegenstelling tussen het
individuele en de liefde, zodat men er ook maar toe over gaat in termen van 'in
elkaar opgaan' en 'zichzelf verliezen' te denken. Romantisch is dat wel, maar
filosofisch deugt er niets van!
188.
Dan is er ook nog de zogenaamde Platonische liefde! Volgens
het westerse denken gaat het hierbij om de liefde tussen partners zonder dat er
seksualiteit aan te pas komt. Men vindt dat eigenlijk wel wat omdat men meent
dat de liefde op die manier een vergeestelijkt karakter krijgt en dat zij dan
mooi boven het natuurlijke uitgaat. Zij verheft zich zodoende boven het
minderwaardige, namelijk de hartstochten en de vleselijke lusten. Een
dergelijke liefde, verheven boven het morbide stoffelijke, wordt als een ideaal
gezien. Daarin speelt ook een rol dat men veel waarde hecht aan de onthouding,
een idee dat nog stamt uit de oudheid, toen men nog dacht dat het geestelijke
een onthouden van het aardse veronderstelde. Dat was overigens ook de mening
van Sigmund Freud... In feite heeft die Platonische liefde niets met het al of
niet seksueel met elkaar omgaan van partners te maken. Zij heeft zelfs niet met
partners te maken! Het gaat om het begrip liefde in de zin van ineenzijn en dat
is een zaak van de mens als enkeling, dus de op zichzelf staande individu.
Daarbij gaat de liefde in genen dele boven de seksualiteit uit. Zij wordt
daarentegen begrepen als een volstrekt andere kwaliteit van de werkelijkheid
als mens.
189.
Het is de mens als werkelijk individu die de mogelijkheid
heeft zichzelf als de werkelijkheid als liefde te ontdekken. Die mens immers is
volstrekt zichzelf geworden en als dat een feit is, is het onmiddellijk ook een
feit dat er niet alleen maar de werkelijkheid als relatie is, maar ook de
werkelijkheid als ineenzijn. Met andere woorden: beide gelden, zowel het houden
van als het liefhebben. In deze situatie kan de verhouding tussen beide
begrippen niet anders liggen dan zodanig dat het houden van inhoud is van het
liefhebben. Dat leidt tot enkele constateringen die van groot belang zijn voor
het welzijn van de mensen en hun liefdes. Ten eerste moet geconstateerd worden
dat het houden van zo authentiek mogelijk moet zijn, dus zo helder en eerlijk
mogelijk. En het spreekt vanzelf dat een zo breed mogelijk overeenstemmen
bevorderlijk is voor de ‘gezelligheid' van het dagelijkse leven. Maar het
betekent, ten tweede, ook dat het gezamenlijke niet datgene is waarom het
wezenlijk gaat. Essentieel is niet de vraag of en in hoeverre er
overeenstemmingen zijn tussen de geliefden, maar essentieel is dat de geliefden
zo oprecht mogelijk het gehele complex van hun eigenaardigheden laten gel den
en er vooral niets van verdringen of verbergen. En dat uiteraard zonder dat de
een zijn of haar persoonlijke eigenaardigheden als de maat wil stellen voor de
ander en dus voor de verhouding als zodanig. Van elk der geliefden wordt een zo
eerlijk mogelijk zichzelf-zijn verwacht.
Ten derde is het evident dat er geen strijdigheid bestaat
tussen het individuele en de liefde, maar dat het juist zo is dat de liefde
inhoud en betekenis krijgt aan en door het individuele.
190.
Het voor de werkelijkheid als mens geldende begrip
liefde, oftewel ineenzijn, is een universeel begrip. Dat wil zeggen dat het
volstrekt Onvoorwaardelijk van kracht is. Je kunt zeggen: het is er gewoon,
ongeacht wat dan ook. Wat anders is het als het over de vraag gaat wat er,
onder het regime van de verschillende culturen en van de individuele dispositie
van de mensen, in de praktijk van dat gelden van de liefde terechtkomt. Daarbij
is het evenwel uitsluitend de vraag wat er aan de zaak in de weg staat en niet
of men gaat proberen te formuleren hoe de liefde onder de mensen bevorderd kan
worden. Toch is dat laatste in een alsnog Onvolwassen mensheid het
gebruikelijke gedoe, met als gevolg het ontstaan van allerlei vormen van ethiek
die tegenwoordig zelfs op academisch niveau uitgebroed en beoefend worden. Dat
kan er zo nu en dan toe leiden dat men de mensen met geweld probeert af te
dwingen zich aan bepaalde ethische waarden en normen te houden, overigens
noodzakelijkerwijs steeds met een negatief resultaat. Een universele kwaliteit
laat zich nu eenmaal niet afdwingen. Het is slechts mogelijk belemmeringen op
te heffen. Dat komt doordat elke formulering van een universeel principe
uitloopt in een verschraling ervan. De zaak wordt immers vastgelegd! Daarmee
verliest hij zijn geldigheid omdat hij nu, hoewel in wezen volstrekt
Onvoorwaardelijk van karakter, van iets absoluuts in iets bepaalds veranderd
is. Je kunt dus stellen 'dat geformuleerde ethiek onmogelijk ethisch kan zijn'.
Zoals gezegd houdt het begrip liefde in dat alles ineen
is. Voor het besef van de mens is het een derhalve niet van het ander
gescheiden, maar op zijn eigen specifieke wijze dezelfde werkelijkheid als het
ander. Dat maakt het mogelijk en begrijpelijk dat de grens tussen beide een
overgang is en niet een afscheiding. Verder geldt de liefde op universele wijze
zodat zij volstrekt onvoorwaardelijk is. Het is dan ook niet terecht dat mensen
iets of iemand buitensluiten, want er zijn geen redelijke criteria op grond
waarvan een dergelijke uitsluiting verdedigd kan worden. Dat betekent dus in de
praktijk dat ook discriminatie geheel en al buiten het universele begrip
liefde valt. Terecht zijn de moderne mensen tot het inzicht gekomen dat discriminatie
geen pas heeft. In het kort is te zeggen dat dit alles bij elkaar leidt tot het
inzicht dat elke individuele mens onder alle omstandigheden onaantastbaar is.
Zijn bestaan is zogezegd 'in zichzelf gerechtvaardigd'. Niemand kan daar een
oordeel over vellen. Iemand mag er zijn en moet er kunnen zijn, louter op grond
van het feit dat zij of hij er nu eenmaal is. Dat betekent uiteraard ook dat
iemand er op eigen wijze moet kunnen zijn, zonder dat anderen macht over hem of
haar uitoefenen met de bedoeling genoemd 'op eigen wijze' naar eigen goeddunken
in te vullen en af te dwingen. Niemand heeft dus het recht zijn medemens naar
zijn hand te zetten. Hoezeer een bepaalde persoon ook onaangenaam kan zijn en
zelfs wel een uitgesproken misdadig gedrag kan vertonen, het is een nog grotere
misdaad hem of haar buiten te sluiten. De uiterste consequentie hiervan,
namelijk het veroordelen tot en voltrekken van de doodstraf is bijgevolg al
helemaal uit den boze! Waar het in feite op aan komt is de door de misdadiger
verbroken werkelijkheid weer tot een eenheid te brengen, hetgeen onder andere
betekent dat de misdadiger weer in het geheel opgenomen moet worden, inderdaad
het tegenovergestelde van het buitensluiten. Dat is een genezingsproces dat
niets met bestraffing te maken heeft. Hier zijn 'heelmeesters' nodig en geen
wrede bestraffende autoriteiten. Overigens betekent dit in genen dele dat de
gepleegde misdaden nu vergoelijkt gaan worden. Omdat zij voortkomen uit een
ernstige verstoring van het 'ineenzijn’ zal men daarentegen juist met grote
zorg tewerk gaan. Dat is heel iets anders dan de tot op heden bij misdadigheid
gevolgde procedure. Na de veroordeling door de rechter spelen die misdrijven
immers als zodanig nog nauwelijks een rol. Het gaat dan alleen nog maar om
vergelding doormiddel van het ondergaan van straffen. Als tenslotte, na de
uitgezeten straftijd, aan die behoefte tot vergelding voldaan is beschouwt men
de misdaad ook als verzoend, maar dat is onjuist, zoals maar al te vaak blijkt
als misdadigers tot recidive overgaan. Een vergolden misdaad is immers nog lang
geen 'geheeld ineenzijn'.
( Doe uzelf een plezier en
bestudeer deze bundel in zijn geheel.)
192.
Er is een bepaalde sequens: het begrip liefde wordt
opgevolgd door het begrip houden van en dat begrip gaat over naar het begrip
seksualiteit om tenslotte in het begrip voortplanting uit te lopen. Van deze
vier begrippen is alleen het eerstgenoemde universeel en dus onvoorwaardelijk
geldend. De andere drie begrippen kunnen door de mens al dan niet aanvaard worden
en ook bepaalt het individu er zelf de inhoud en aard van. Hoewél deze drie
begrippen een zekere volgorde vertonen is het de mens mogelijk ook daar
onverschillig voor te zijn. Dat wil zeggen: de voortplanting is eigenlijk
onmogelijk zonder de vooronderstelde seksualiteit, maar zoals bekend kan die
seksualiteit omzeild worden, bijvoorbeeld door kunstmatige inseminatie.
Andersom kan de mens de seksualiteit zo inkleden dat het natuurlijke gevolg
ervan, namelijk de voortplanting, niet optreedt. En ook kan het houden van
vrij zijn van elke vorm van seksualiteit
en voortplanting.
Al deze mogelijkheden gelden voor de mens omdat hij, in
de kwaliteit van laatste evolutionaire mogelijkheid, overal 'nee' op kan zeggen
en aan alles een eigen betekenis kan geven. In principe geldt, dat er geen
voortplanting kan zijn zonder seksualiteit en geen seksualiteit zonder houden
van. Dat wil zeggen dat er aan de voortplanting een 'door het mannelijke
benaderen van het vrouwelijke' voorondersteld is en dat dit benaderen gebaseerd
is op een zoveel mogelijk met elkaar overeenstemmen van de partners. Gewoonlijk
gebeurt dit benaderen immers niet in het wilde weg, zelfs niet als er sprake is
van prostitutie. In feite zijn er tal van variaties mogelijk, maar het zijn
natuurlijk wel variaties op de sequens 'houden van', 'seksualiteit' en
'voortplanting'. En nogmaals zij er op gewezen dat het begrip liefde wel kan
doorklinken in genoemde sequens van begrippen, en soms op een buitengewoon mooie
en zuivere manier, maar dat het er op zichzelf niets mee te maken heeft.
193.
In principe gaat het in de seksualiteit om het door het
mannelijke benaderen van het vrouwelijke en in de voortplanting om het door het
vrouwelijke als haar inhoud opnemen van het mannelijke. Wat dit laatste betreft
is het gewoonlijk wel voor een ieder duidelijk dat het over een spel tussen het
vrouwelijke en het mannelijke gaat, maar er wordt lang niet altijd ingezien dat
hierin het vrouwelijke, in de vorm van de eicel, de bepalende is. Zij maakt uit
welke zaadcel in haar door mag dringen. Aan het 'opdringerige' gedoe van de
haar benaderende zaadcellen heeft zij in feite geen boodschap! Maar, als het
over de seksualiteit gaat denkt men maar al te vaak dat het spel tussen het vrouwelijke
en het mannelijke betekent dat de partners uit een vrouw en een man moeten
bestaan en dat homoseksuele verhoudingen er, als zouden die onmogelijk zijn,
buiten moeten vallen. Vooral in godsdienstige kringen wil men er graag zo over
denken, in samenhang overigens met de gedachte dat seksualiteit op zichzelf
verkeerd is omdat het een zaak van voortplanting behoort te zijn. Men baseert
zich hierbij op de natuurlijke gang van zaken en heeft niet in de gaten dat dit
voor de mens een gepasseerd station is. Het gaat wel om het vrouwelijke en het
mannelijke, maar beide kwaliteiten kunnen gemakkelijk in zowel de ene als de
andere sekse voorkomen. Zelfs kunnen zij in een individu voorkomen, zoals bij
de hermafrodiet het, doorgaans toch wel tragische, geval is.
Moederschap-1 ; Moederschap-2 ;
Op den duur zullen de mensen cultureel volwassen worden.
Het is natuurlijk met geen mogelijkheid te voorspellen hoe lang dat nog zal
duren. In ieder geval zal de mens als individu volledig uitgewikkeld moeten
zijn, niet alleen hier of daar op bepaalde plaatsen, maar overal op de planeet.
Tot in de verste uithoeken. Onder 'uitgewikkeld' moet in dit verband verstaan
worden dat niet alleen het, vaak alleen maar op idealisme berustende,
besef van individualisme wakker geworden moet zijn, maar vooral de praktijk die
daar onvermijdelijk uit volgt. Dat is een praktijk waarin de ene mens de
aanwezigheid van de andere mens onvoorwaardelijk erkent, niet alleen in
theorie, zoals thans op de beste momenten van de moderne westerse wereld het
geval is, maar vooral ook psychisch. Men zal het dus helemaal niet meer 'over
zijn hart kunnen verkrijgen' een medemens op enigerlei wijze te benadelen of te
hinderen in haar of zijn individuele bestaan. Hoe die medemens is, een doener
of een dromer, een kunstenaar of een technicus, een manager of een uitvoerder
en in al die hoedanigheden als vrouw of als man, is al bij voorbaat tenvolle
erkend en gerespecteerd. Dat is iets zo vanzelfsprekendst geworden dat men er
niet eens meer bij stil staat.
Bovenal echter zal het een vrouwelijke wereld zijn.
Eigenlijk zelfs een moederlijke wereld, in die zin dat het vrouwelijke haar
wezenlijke inhoud heeft gekregen. Het mannelijke is dan immers een volwassen
zaak geworden, een zaak die niet langer tegenover het vrouwelijke staat maar
daarin geheel en al opgaat en op die manier eindelijk zinvol is geworden. Dat
houdt vanzelfsprekend ook het einde van de destructie in, zoals die tot aan de
volwassenheid telkens weer het resultaat van de mannelijke activiteiten blijkt
te zijn. En ook is er dan een einde gekomen aan het geschipper waartoe vrouwen
in een alsnog onvolwassen wereld veroordeeld zijn omdat zij, als zij dat
wensen, geen moeder kunnen zijn zonder zich in de idiootste bochten te moeten
wringen om maatschappelijk mee te kunnen komen. In genoemde 'moederlijke'
wereld kan zij zonder problemen het moederschap
uitoefenen. Er is dan geen sprake meer van dat het moederschap gebaseerd is op en voor het kind en voor de moeder
fnuikende lichamelijke en psychische noodoplossingen. Dit betekent uiteraard
niet dat het over een soort van moedercultus gaat.
Zo'n cultus is in een volwassen wereld onmogelijk omdat
een moedercultus een eenzijdig mannelijke zaak is, zelfs een uitgesproken patriarchale
zaak. Dat was duidelijk bij het Fascisme en het Nationaal-socialisme. De
vrouwen waren toen gedwongen om zoveel mogelijk kinderen te baren. Dat was hun
'dienst' aan het vaderland! Patriarchaler kan het welhaast niet! Eigenlijk
kende het Rooms-katholicisme ook een moedercultus, want haar priesters drongen
ook aan op het stichten van kinderrijke gezinnen, met geen andere bedoeling dan
het vergroten van de kerkelijke macht over de mensen. Deze moedercultus is wat
anders dan de verering van Maria als 'Moeder Gods'. Hierbij gaat het namelijk
om een maagdelijkheidscultus die
in een kuisheidstrauma culmineerde, maar de bedoelde moedercultus was gewoon
pragmatisch van aard. Er moesten zieltjes gewonnen worden.
Moederschap-1 ; Moederschap-2 ;
De toekomstige volwassen wereld zal een vrouwelijke
wereld zijn. Dat wil evenwel niet zeggen dat het dan een wereld van vrouwen is.
Als dat het geval zou zijn hadden wij in feite weer met een mannelijke zaak van
doen. Het ging dan over vrouwen die zich op mannelijke wijze lieten gelden. In
het grijze verleden schijnt er het rijk van de Amazones geweest te zijn, ergens
bij de Zwarte Zee, enige eeuwen voor onze jaartelling. Deze Amazones waren
uitermate krijgslustige, zelfs wel agressieve, dames. Zij gingen veelvuldig op
veroveringstocht. Mannen uit de omgeving moesten al of niet onder dwang
kinderen bij hen verwekken. De jongetjes werden terstond ter dood gebracht of
weggegeven, maar de meisjes werden opgevoed tot nieuwe krijgers, die grondig
geoefend werden in het hanteren van de boog. Er was een koningin en dus ook een
autoritaire maatschappelijke structuur. Al met al een typisch mannelijke
aangelegenheid! Dan waren er, zo omstreeks 600 voor onze jaartelling, ook nog
de dames van het eiland Lesbos, met als de meest beroemde vertegenwoordigster
de Griekse dichteres Sapfo. Zij dichtte liederen die tot de toppen van de
wereldliteratuur behoren. Het was daar op Lesbos een gemeenschap van
homoseksuele vrouwen, die naar verteld wordt, een heel vredige en liefdevolle
samenleving vormden. Dat was op zichzelf dan wel geen mannelijke zaak, maar
uiteraard ook geen vrouwelijke, zoals die de volwassen wereld typeert.
Tenslotte kan nog gedacht worden aan matriarchale samenlevingen. Die waren in
de oudheid niet ongewoon. Maar ook daar was sprake van bepaalde
machtsstructuren, die evenwel in zoverre bijzonder waren dat zij zich langs de
vrouwelijke lijn bewogen. Eigenlijk was dat net zoiets als bij de genoemde
Amazones het geval was en ook schijnt bijvoorbeeld de huidige Surinaamse
samenleving nog sterke matriarchale trekken te vertonen. Maar, van volwassen
samenlevingen is nog steeds niet te spreken. De volwassen wereld is vrouwelijk.
Zij staat in het teken van de werkelijkheid als geheel. Dat betekent dat het
vrouwelijke eindelijk een concrete inhoud heeft gekregen en dat die inhoud, het
mannelijke, geen slag in de lucht meer is, maar tenvolle reëel en zinvol. Het
mannelijke is als het ware 'thuis gekomen'. Voor die wereld zijn de begrippen
van De Grote Vierslag werkelijkheid geworden. Dat wil zeggen dat het een noch
het ander enige waarde heeft (nihilisme), dat de mens zichzelf bestuurt
(anarchisme), dat de ene mens zonder voorbehoud het bestaan van de andere mens
erkent (socialisme) en dat de mensen leven volgens het inzicht dat zij met zijn
allen zijn (communisme).
Het zal nog lang duren vooraleer dit allemaal
werkelijkheid is geworden, maar dat mag geen excuus zijn om het in ons eigen
kleine wereldje niet ernstig te proberen...
Rotterdam, juli 1998.
Naar artikelen: Kunnen moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37, ;
Abortus, de christelijke
praktijken ; Godsdienst en Geloof ; God bestaat niet ; De verdedigers van de
Godsdienst ; Evolutie of Creatie ; het zelfbeschikkingsrecht. ; Een korte schets van de
“Menselijke Seksualiteit” ; De verloedering van de
seksualiteit ; Briefwisseling -Incest ; Het toenemend belang van het
Atheďsme ; De fundamentele intolerantie van
de Godsdienst ; Bedreiging van het vrijdenken en
het atheďsme ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse
Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ; Ongewenst atheďsme- zie
afl. 32 ; Een grens te ver (Israël) ; Verbieden van de
godsdienst..?-zie afl. 21 ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie
aflevering 60 / 61 ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse
Wereld ..? zie no. 27 ; De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer ; Kunnen moslims zich
invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37 ; Het zelfbeschikkingrecht ; Is er dan toch nog een
GOD..? Hoe zit dat..? ; Individualisering ; Individualisering-Tomeloze verwarring-Collectieve
krankzinnigheid_zie nr. 12 ; De Islam is met
groot succes in opmars.-afl.18 ; Waar gaat het in de mensheid nu wezenlijk
om..? ; Een dodelijke oorlogsverklaring aan de mens-afl.65 ; Geen GOD, wat dan..! ; Hoe zit het nou met God, Allah,
Jahweh, Religies, etc. ; Bestaat GOD toch..? ; Jodendom en het Christendom hebben een
heldere intuďtieve basis, die teruggaat tot diep in de grijze oudheid. Hoe zit
dat met de Islam..?-zie nr. 64 ; AGRESSIE
; Hoe herstel je “ HET GEZAG ” ; GEMOEDELIJKHEID/vriendelijkheid
-zie A-afl.22 , B -De Filosoof en de
Politiek en C -scroll naar
54 en 59 ; Nihilisme en Anarchisme als basis
van het Atheďsme ; Discussie over Atheďsme - zie nr. 20 ;
Moskeeën; de
Islam is met groot succes in opmars-zie afl.18 ; Proces
v/d Eeuw tegen alle
ingezetenen van Nederland..! ; Celibaat(1) - zie bladwijzers ;
Terug
naar: de
Startpagina
|
|