Genealogie van een familie die van Holland naar de veenkoloniën verhuisde

Periode  1500-2000

 

 

 

INHOUD                                                                                                                   Pagina

 

1.     Inleiding.. 5

2.     Familie Gravelaar.. 6

2.1.       Matthijs Claeszn. Gravelaar  (circa 1550) 9

2.2.       Claes Thijszn Gravelaar  (circa 1575) 18

2.3.       Jacob van Offwegen (circa 1575) 32

2.4.       Matthijs Claeszn Gravelaar   (circa 1600) 33

2.5.       Cornelis Claeszn. van de Burgh  (circa 1600) 36

2.6.       Willem Gravelaar  (circa 1645) 37

2.7.       Attevoort   (circa 1660) 38

2.8.       Cornelis Gravelaar  (1676) 40

2.9.       Jan van Roijen  (circa 1670) 45

2.10.     Matthijs Gravelaar  (1712) 47

2.11.     Willem Gravelaar  (1745) 50

2.12.     Matthijs Gravelaar  (1785) 55

2.13.     Matthijs Gravelaar  (1821) 62

3.     Familie Cassa.. 64

3.1.       Jean Cassat    (circa 1465) 65

3.2.       Jaques Cassat   (circa 1490) 66

3.3.       Benoit Cassat   (circa 1515) 67

3.4.       Michel Cassat   (circa 1540) 68

3.5.       Antoine Cassat   (circa 1565) 69

3.6.       Francois Cassat   (circa 1590) 70

3.7.       Benoit Cassat  (circa 1615) 71

3.8.       Anthony Cassa  (1640) 73

3.9.       Hendrik Janszn. Pook  (circa 1600) 77

3.10.     Anthony Isaac Cassa  (1675) 80

3.11.     Frederik Abraham Cassa  (1696) 90

3.12.     Johannes Samuel Cassa  (1731) 109

3.13.     Anthony Willem Cassa  (circa 1765) 121

4.     Famile van der Hoeven.. 124

4.1.       Overzicht 125

4.2.       Jan Janszn. van der Hoeven  (circa 1580) 126

4.3.       Jan Janszn. (circa 1600) 127

4.4.       Dirk van der Hoeven (1649) 129

4.5.       Johannes van der Hoeven  (circa 1685) 132

4.6.       Theodorus van der Hoeven  (1714) 133

5.     Familie de Reus.. 134

5.1.       Abraham Janszn. de Reus (1570) 135

5.2.       Abraham de Reus  (1683) 136

5.3.       Cornelis de Reus  (1674) 137

6.     Familie Croiset.. 138

6.1.       Daniel Croizet (circa 1575) 139

6.2.       Henri Croiset   (circa 1610) 140

6.3.       Paul Croiset  (1652) 141

6.4.       Pieter Jacque Croiset  (1702) 142

7.     Familie Lillie. 143

7.1.       John Lillie  (circa 1660) 144

7.2.       Johan Lillie   (1709) 146

8.     Familie GoTske. 147

8.1.       Jan (van) Gotske  (circa 1600) 149

8.2.       Pieter Gotske (circa 1635) 154

8.3.       Jan Goske  (circa 1670) 156

9.     Familie Bleijswijk.. 159

9.1.       van Bleijswijk (circa 1610) 160

9.2.       mr. Adriaan van Bleijswijk (1644) 161

 


1.                                Inleiding

Het boekwerkje behandelt de stamboom van enkele families afkomstig uit het Zuid-Holland die zich in de 19e eeuw in Nederland in de Veenkoloniën gevestigd hebben.


2.                                Familie Gravelaar

 

Gravelaar, de enige echte Hollanders in de familie. De familie Gravelaar is altijd aangezien voor een echte Duitse familie. Typisch is echter dat deze familie Gravelaar als enige een Hollandse achtergrond heeft en zich in omgekeerde richting in Duitsland gevestigd heeft .

De familie is, zoals hierna wordt aangegeven, afkomstig uit het Zuid-Holland. Daarna hebben enkele generaties in Utrecht doorgebracht om vervolgens in oost Groningen terecht te komen en van hieruit naar een boerderij in Lindloh in Duitsland. Aan het einde van de 20ste eeuw zijn er enkel nog Gravelaars bekend in Duitsland (o.a. Haren). In Nederland zijn geen Gravelaars meer bekend.

 

Voor zover we kunnen nagaan is de familie Gravelaar afkomstig uit het gebied Delft en Rijswijk. We komen hier rond de eeuwwisseling van de 16e naar de 17e eeuw twee families Gravelaar tegen. In Delft een familie waarvan de leden zich ‘s-Gravelaar noemen. Later wordt dit verbasterd wordt tot Schravelaar. De oudste vertegenwoordiger van deze tak is ene Cornelis Vincenten, een schoenmaker die aan het einde van de 16e eeuw in Delft leeft. Later verhuist deze Cornelis Vincenten naar Den Haag. De tak uit Delft waaiert later uit naar Delfshaven, Rotterdam en Gouda.

Cornelis Vincenten wordt later in Den Haag in een transportakte ook genoemd als “alias van Mamerstein”. Daarnaast wordt Cornelis Vincenten van Mamerstein, gezegd ‘s-Gravelaer in “Die Haghe” jaargang 44 in een artikel over het Leprooshuis in Den Haag in de 16e eeuw (lit 1) genoemd. De schrijver vermeldt over hem dat hij in Delft woonachtig is en vermoedelijk medisch doctor is[1], en getrouwd is met Jacomijnt Pieters.

 

Onze tak is vermoedelijk afkomstig uit Rijswijk. Als eerste Gravelaars komen we drie tegen met een vader die Matthijs Gravelaar heet: Claes Thijsz, Doe Thijszn en Cornelis Thijszn. We vermoeden dat het broers zijn. Zij zijn geboren rond de periode 1575-1585. Waarschijnlijk hebben zij ook nog een zus. Incidenteel wordt deze tak in de 17e eeuw aangeduid als ‘s-Gravelaar, Schravelaar of Van Gravelaar.

 

De relatie tussen de Delftse en onze tak van het geslacht kennen we niet. Mogelijk zijn Cornelis Vincenten uit Delft en de drie vermoedelijke broers uit Rijswijk, neven of achterneven. In Delft gebruikt de familie de achternaam reeds in de 16e eeuw. Onze tak gebruikt aanvankelijk alleen het patroniem. De geslachtsnaam komen we in onze tak in de dertiger jaren van de 17e eeuw voor het eerst tegen. De naam Gravelaar verwijst wellicht naar de afkomst van een buurtschap of hofstede, alhoewel bij het uiteinde ‘aar’ ook valt te denken aan een beroepsaanduiding (zoals bijvoorbeeld ketelaar, bedelaar).

 

Over het algemeen oefenen de leden van de familie een ambacht uit om in hun bestaan te voorzien. Van een aantal is het beroep niet bekend. We vermoeden dat de Gravelaars in Rijswijk tuinder van beroep zijn. Het gaat niet om rijke personen Ze bezitten voldoende middelen en mogelijkheden om een redelijk bestaan te hebben of op te bouwen. Een opvallend punt is dat onze tak Rooms-katholiek is. Opvallend, omdat de meerderheid van de bevolking ten tijde van de reformatie overgegaan is op het calvinistische geloof. Daarbij komt dat het niet aantrekkelijk is om in de republiek der zeven provinciën in plaats van de Nederduits gereformeerde staatsgodsdienst de katholieke kerk aan te hangen. Openlijke uitoefening van de katholieke godsdienst is verboden.

 

 

Katholiek

In deze tijd zijn katholieke burgers minder dan gereformeerde. Zo moeten katholieken voor de wet apart trouwen, gereformeerden kunnen volstaan met de kerk. Veel katholieke kerken zijn er niet. Rondtrekkende pastoors houden doopboeken vaak bij zich, waarop deze boeken dan vaak verdwijnen. De katholieke kinderen worden gedoopt in de Neder-duits gereformeerde kerk. Kerkdiensten worden stiekem gehouden. Er zijn gereformeerde verklikkers die dit aangeven. Katholieke kinderen genieten over het algemeen ook minder onderwijs.

Wat beweegt deze mensen om toch katholiek te blijven? Wellicht is de situatie in Rijswijk in de eerste decennia van de tachtigjarige oorlog hiervan de reden. In de nadere beschrijving van Rijswijk zullen we dit aangeven.[2]

 

Of ook de Delftse familie ‘s-Gravelaar katholiek is, weten we niet. Wel zijn we ene Andreas Schravelaar tegengekomen, Rooms-Katholiek priester te Utrecht, overleden in 1790 in Den Haag 57 jaar oud. Indien deze Andreas van de Delftse tak is zou dit kunnen duiden op een band tussen de Delftse ‘s-Gravelaars en onze familie Gravelaar.

 

Op het moment dat we met de stamboom van onze de familie Gravelaar beginnen, rond de eeuwwisseling, is de tachtigjarige oorlog nog gaande. De tachtigjarige oorlog heeft het hele leven in het gebied op zijn kop gezet. De vroegst bekende Gravelaars van onze tak zijn geboren in de tijd dat de grootste ellende van deze oorlog voor de inwonens van het gebied net voorbij is. Ook buiten de ommuurde steden kunnen de inwoners hun achtergelaten huizen weer opzoeken en hun bestaan opbouwen. Hierna volgt eerst een korte beschrijving van de tachtigjarige oorlog in de periode waarin het gebied het meest te lijden heeft gehad van deze oorlog.

 

 

De tachtigjarige[3] oorlog

 In de beginjaren van de oorlog zijn het vooral de rondzwervende soldaten die de inwoners van het gebied waarin Den Haag en Rijswijk liggen overlast bezorgen. Bezittingen van burgers in niet ommuurde dorpen en steden als Rijswijk en Den Haag zijn een gemakkelijke prooi. Voor een klein dorp als Rijswijk geldt dit in nog grotere mate dan een grotere plaats als Den Haag. De inwoners van dit gebied hebben echter nog meer van de oorlog te lijden in de periode van het beleg van Leiden. In 1573, op weg naar het beleg van Leiden verschijnen de Spaanse soldaten in het zuiden van Holland en trekken door Den Haag en Rijswijk. Eind oktober slaan de Spanjaarden daadwerkelijk het beleg voor de stad Leiden. De predikant van Rijswijk zoekt een veilig heenkomen binnen de muren van Delft. In het jaar daarop trekt een Spaanse eenheid via Rijswijk op tegen Delft. Deze eenheid boekt geen succes. Het dorp Rijswijk krijgt wel te maken met de inkwartiering van Spaanse soldaten. Ook buiten deze inkwartiering zullen de inwoners in het gebied van de oorlog te lijden hebben. Voor het overgrote deel zullen deze Spaanse soldaten en huurlingen in hun voedsel en andere behoeften voorzien door strooptochten in de omgeving. Daarbij komt dat voor het overgrote deel dit Spaanse leger bestaat uit huurlingen, vaak slecht betaald, voor wie geweld de normaalste zaak van de wereld is. Alles wat deze soldaten in de omgeving aantreffen dat van waarde is of van pas komt bij het oorlog voeren, zullen zij afnemen of vorderen.

Tussendoor vindt de slag bij Mook plaats. Na deze slag betrekken de Spanjaarden opnieuw hun stellingen voor de stad Leiden. Zij bezetten Rijswijk weer voor het uitvoeren van enkele aanslagen op Delft. De oorlogsschade in Rijswijk is groot. Veel inwoners hebben een veilig heenkomen gezocht. Rond het midden van de zestiende eeuw telt het dorp Rijswijk 650 tot 700 inwoners. In deze periode van de tachtigjarige oorlog, in 1574 daalt het aantal inwoners tot zo’n 250. De Spaanse troepen verwoesten boerderijen en woonhuizen en vernielen de vier molens. Het huis “Den Burch” van de ambachtsheer Cornelis Suys gaat in vlammen op. Daar komt nog eens bij dat het hele Delfland onder water wordt gezet om de Spanjaarden te verdrijven. Voor de oorlog heeft de inundatie een gunstig resultaat. De Spanjaarden breken het beleg van Leiden op en vertrekken uit het gebied. Een jaar na het ontzet van Leiden wordt het Delfland weer drooggemaakt en kan het normale leven weer aanvangen. Enige overlast is er nog door uitvallen die Spaanse ruiters vanuit Haarlem uitvoeren. Vanwege deze uitvallen legeren de Staten van Holland nog wel troepen in het gebied. Rijswijk draagt dan nog de inkwartiering van deze Staatse soldaten. Als Amsterdam en Haarlem zich in 1578 bij de opstand aansluiten keert de rust in het gebied terug. De Staten van Holland en de Staten-Generaal vestigen zich weer in Den Haag.

 

 


2.1.                          Matthijs Claeszn. Gravelaar  (circa 1550)

 

Matthijs (Claeszn.?)[4] Gravelaar                    x                 Dirkje Doenen?

=================================================================

          ?)Adriana                                          x                 Lenert Maertens

            +Rijswijk                                                            +Rijswijk

          2)Claes Thijszn.                                 x                 Barbara ?Leenderts?

            +Rijswijk                                circa 1600             +Rijswijk

          3)Doe Thijszn.                                   x                 Claertje Ewouts

                                                         circa 1610

          4)Cornelis Thijszn                               x                 a)Jannetje Gerrits

            *                                            circa 1610               *

            + <166x Den Haag (Haagambacht)                       + <1637 Den Haag (Haagambacht)

            kuiper                                                                 b)Brechtje Gerrits

 

 

Zoon Doe Thijszn.

Doe Thijszn. trouwt met Claertje Ewouts. Zij wonen in Delft en er zijn twee kinderen bekend, Adriaan en Dirkje. Deze twee kinderen, Adriaan Doenen en Dirkje Doenen, laten in 1635 in een notariële akte vastleggen dat ene Johan Hendriks Grand hun een bedrag van vijftig gulden schuldig is wegens geleend geld van hun overleden vader Doe Thijszn. Gravelaar.

Adriaan woont op dat moment “even buijten Leijden”. Dirkje blijkt op dat moment in “Sertogenbosch” te wonen, maar woont later, als ze is getrouwd, in Delft.

 

Kleindochter Dirkje Doenen

Dirkje Doenen trouwt met Olivier Jans van Cleeff. Deze Olivier Jans is bleker van beroep. Zij wonen in Delft “buijten de schoolpoort deser stad”. Uit dit huwelijk zijn weer twee kinderen bekend: Doe (*Delft 7-12-1642) en Jan. Op 30-9-1652 laat het echtpaar de notaris een testament opstellen. Een bijzondere bepaling in dit testament is het volgende over het voogdijschap. De langstlevende van hen zal voogt over hun kinderen zijn en geen ander, “als deselve de opsichte en regering, geseijd ten vollen toe vertrouwende, niet willende dat eenige vrunden, geregte ofte weesmannen met heurluijden kinderen, goederen, ofte naergelaeten boedel sullen hebben te bemoeijen ofte eenich gesag daer over hebben, maer worden alle vrunden, gerechten en weesmannen daer van uijtgesloten”, “dit voor sooveel heure dispositie aengaet”.

 

Adriaan Doenen is mogelijk tuinman (tuinder) van beroep. Zijn vestiging “even buijten Leijden” kan hier op duiden (voedselvoorziening van de grote stad).


Zoon Cornelis Thijszn

Cornelis Matthijszn. Gravelaar                      x                 a)Jannetje Gerrits

+ <166x Den Haag (Haagambacht)                                 + <1637 Den Haag (Haagambacht)

kuiper                                                         x                 b)Brechtje Gerrits

                                                         6-9-1637                 *

                                                         Den Haag               +Den Haag

                                                                                       Weduwe van Isaacq Huijbrechts uit

                                                                                      Vlaardingen

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

          a1)Machteld Cornelisdr.                     x                 Jacob Jacobs van den Broek

                                                         30-3-1631              meester bakker

                                                         Den Haag

          a2)Matthijs Corneliszn.                       x                 a)Leentje Jacobs van Aerdenburg

            *                                            12-12-1634                wonende Haeghambacht

            +1665 Rijswijk                        Den Haag               +Rijswijk

            kuiper te Rijswijk                              x                 b)Lijsbeth Dircx van Gravenbrouck

                                                         20-1-1654                *

                                                         Den Haag?             +circa 1658 Rijswijk

                                                                  x                 c)Jannetje Pieters van Rinsen

                                                         4-10-1659                *

                                                         Rijswijk                   +Rijswijk

          a3)Dirkje Cornelisdr.                          x                 Jan Gijsen Lambrechts

                                                         19-12-1640            *Maastricht

                                                         Den Haag

          a4)Cornelia Cornelisdr.                       x                 Balthasar Adolphs Stuijckerij

                                                                                     van Ovenhuizen

                                                         25-4-1645              *Groeningen

                                                         Den Haag             ‘backer’

          a5)Ariaantje Cornelisdr.                      x                 Gerrit Gijsbrechts onder de Linden

            *                                            3-2-1647               * <1657

            +                                           Den Haag             + 22-7-1695[5]

               (Aryaantje)                                                      timmerman

                                                        

          a6)Maritje Cornelisdr.                         x                 Pieter Arents Colijn

                                                         20-2-1647              metselaar

                                                         Den Haag

          a7)Aaltje Cornelisdr.                          x                 Arend in Chor

                                                         voor 1648

          b1)Gerrit Corneliszn.                          x                 Claasje Corsse

            metselaar en later                   11-3-1663              *Bleiswijk

              grossier/commenij-houder      Den Haag

 

 

Het gezin woont aan de Dennenweg (zie kaart enkele pagina’s verder) buiten Den Haag (Haagambacht).

 

In 8-11-1613 koopt vader Cornelis van Maarten Lambrechts van Kenniphoven[6] een stuk land vrij patronaal goed. Het land ligt aan de Dennenweg, belending noord en west de Heerweg, oost de nieuw gedolven vaarten, zuid een stuk weiland van het Sacraments gasthuis. De koopsom bedraagt 225 gulden.

 

In 1636 verkoopt Cornelis Thijszn een ‘stuckje lant’ aan de Dennenweg bij de Slijpmolen in Haagambacht belending noord het huis en erf van de verkoper, oost de nieuw gedolven vaart, zuid een stukje land van het Sacraments gasthuis en west de Heerweg. De verkoopprijs is 100 gulden met een rentebrief van 175 gulden. Deze Jan Laurens verkoopt het perceel overigens vervolgens weer door aan Dirk Jacobs voor eveneens 100 gulden en belast met een kapitaal van 175 gulden toekomende aan Cornelis Thijszn.

 

Op 20 februari 1641, 4 jaar na het tweede huwelijk maken Cornelis Thijszn. en zijn tweede vrouw Brechtje Gerritsdr. een testament. Cornelis Thijszn. bepaalt dat zijn kinderen uit het eerste huwelijk met Jannetje een derde deel van zijn huis en erf aan de Dennenweg erven. In het bijzonder bepaalt hij dat het gaat om achterste deel “belent sijnde ten oosten de vaart, ten noorden de Heerweg ende ten zuijden de muijr vant selve huijs”. Deze zuidmuur moet blind worden gemaakt. Het gebruik en het inkomen van dit erfdeel mogen de kinderen niet eerder genieten dan dat het jongste kind of van de jongste kinderen uit het tweede huwelijk twintig jaar is geworden.

Tevens zullen de kinderen mede erfgenamen zijn van de overige "vaderlijke" goederen.

Allereerst echter komt de erfenis toe aan de langstlevende van de testateuren. Deze langstlevende mag met de erfenis doen alsof het zijn of haar eigendom is. Hieruit verbinden zij echter één voorwaarde, namelijk dat de langstlevende hun kind of kinderen onderhoudt totdat deze mondig is (zijn) geworden of trouw(t)(en). Tevens ontvangt ieder kind uit hun huwelijk op dat moment zes gulden. Tevens komt dit kind of deze kinderen de legitieme portie toe van hun vader of moeders goederen.

In het geval dat Brechtje Gerrits kinderloos sterft komt de erfenis toe aan de kinderen uit het eerste huwelijk. Echter haar “naaste vrunden[7]” zullen dan 200 gulden ontvangen, evenals haar "klederen" van linnen en wol. Het lijkt er op dat Brechtje Gerrits weinig familie heeft.

Met dit testament zijn alle huwelijkse voorwaarden vervallen.

 

In 16-12-1641 verkoopt Cornelis Thijszn. aan Leendert Jans van Waerden een stuk erf gelegen aan de Dennenweg ten zuiden van het huis van de verkoper. De koopprijs is een rentebrief van 10 gulden jaarlijks.

 

In 1643 verkoopt Leendert Jans van Waerden een huis met erf aan de Dennenweg. Belending aan de noordzijde is het huis van Cornelis Thijszn. Het verkochte huis blijkt belast met een kapitaal van 200 gulden toekomende aan Cornelis Thijszn. De koopprijs van het huis bedraagt 100 gulden en een schuld van 450 gulden.

 

Ondanks het bepaalde in het testament uit 1641 verkopen de kinderen reeds op 23 mei 1648 het door hun geërfde derde deel. De kinderen verkopen dan een huis met erf en een "ledich" erf gelegen aan de Dennenweg. Het huis en erf, strikt gezien vanaf het huis van Cornelis Thijszn. tot achter de vaart. De koper is verplicht om een "heijning" aan te brengen met daarin een poort. "omme bij gelegenheijt en ongelegenheijt door Cornelis Thijszn. gebruikt te worden omme begrenzelijk tot den andere te komen zonder dat de poort gemeen is". In de zuid muur mag "nu nog in eeuwigendage gene het allerminste licht gemaakt worden".

Daarnaast wordt bij de verkoop van het stuk grond bepaald dat de poort in de heijning niet langer gebruikt mag worden dan bij zijn leven (van Cornelis Thijszn.) om de "swermen van zijn bijen naar believen over te halen".

De verkoopprijs van het huis en erf bedraagt 500 gulden. Voor het stuk grond ontvangen de kinderen ene rentebrief van 13 gulden en 15 stuivers per jaar.

Jan Gijsen vertegenwoordigt bij de verkoop zijn zwager Pieter Arents Colijn.

 

Behalve dat de kinderen een erfenis ontvangen van hun moeder Jannetje Gerrits, krijgen ze ook een erfenis van de zus van hun moeder. Deze zus genaamd Pietertje woont in Maasijk. De kinderen machtigen op 13 juni 1650 Jan Gijssen om ter plaatse in Maaseijk de boedelscheiding en te gelde te maken. Het ligt voor de hand dat zij deze taak aan Jan Gijssen hebben toebedacht vanwege zijn afkomst uit Maastricht. Hij zal het meest bekend zijn met de “costuijmen van Maaseik”.

 

Voor 1650 leent Cornelis Thijszn. aan een zekere Theunis Gijssen 75 gulden. Deze Theunis overlijdt voordat hij dit bedrag heeft terug betaald. Goutje Sijmonts is de rechtsopvolger van deze schulden van Theunis inclusief “de onaengetelde gelden” (rente). Als zekerstelling aan Cornelis Thijszn. stelt Goutje Sijmonts in april 1650 een gelijk bedrag van 75 gulden dat zij van Johan Cornelis van Boeckhorst zal ontvangen als rentevergoeding uit de verkoop van een aantal woningen uit de boedel van Theunis Gijssen.

 

Vader Cornelis leeft nog in 1653 bij doop van kleinkind Martijntje Colijn.

 

Het huis aan de Dennenweg met erf en tuin wordt in 1673 nog als belending genoemd bij de verkoop van een huis met tuin door Willem Leendertszn. aan Philips Corsen voor 300 gulden. Als de weduwe van Philip Corsen het huis in 1692 weer verkoopt, maar dan voor 100 gulden minder, staat Cornelis Matthijszn Gravelaar nog steeds genoemd als eigenaar van het belendende huis aan de zuid- en westzijde. Blijkbaar is men niet erg zorgvuldig bij het opstellen van de transporten.

 

Het gedeelte van de Dennenweg “omtrent de slijpmolen” heet nu (anno 2000) Mallemolen.


Text Box:
 

 


         

Plattegrond omgeving Dennenweg te Den Haag. Helemaal aan de rechterkant, iets boven het midden is de slijpmolen en het huis van C. Thijszoon.


Kleinzoon Matthijs Corneliszn.

Matthijs is evenals zijn vader kuiper van beroep. Hij trouwt 3 keer. Zijn 2de vrouw is Lijsbeth Dircx van Gravenbrouck. Zij is vroedvrouw in Rijswijk.

Op 21 mei 1658 laat Lijsbeth Dircx de notaris komen om een testament op te stellen. Ze ligt op bed en is dusdanig ziek dat men blijkbaar verwacht dat ze sterft. Er zijn geen kinderen. Matthijs Cornelis Gravelaar komt de helft toe. Haar kleren en linnengoed komen toe aan haar nicht Aeltgen Cornelisdr. van Cornelis Dircx van Gravenbrouck die ook bij haar in huis woont. Haar 2 broers Matthijs en Cornelis Dircx van Gravenbrouck krijgen haar overige bezittingen, dat wil zeggen de munten, goud en zilverwerk.

 

Matthijs Corneliszn. koopt na de dood van Lijsbeth Dicks de helft van het huis dat de twee broers van van zijn overleden vrouw hebben geërfd, terug. Het huis ligt aan de zuidzijde in het Pastoorskrocht, belending zuid de stenen weg, west de werve van Albrecht Schonende? en oost Maerten Jacobs van Velsen. Het huis met “soodanige vrijdomme, securiteite van waterloosinge, lichten en woningenbrieff en brieffsrecht”. Het huis is belast met een rente van 30 stuivers per jaar aan het kapittel in Den Haag en is verder vrij van lasten behoudens “den heer sijn recht”. De broer Cornelis Dirx van Gravenbrouck woont op dat moment in Duesburg.

 

Matthijs Corneliszn. sterft kinderloos. Op 14 mei 1665 verkoopt Jacob Jacobs van den Broek mede namens de andere erfgenamen van Matthijs Cornliszn. het huis met erf aan het Pastoorskrocht. De koper, Leendert Jacobs van Velsen, betaalt 400 gulden voor het huis en neemt de rentebrief die op het pand rust ter grootte van 400 gulden over. Verkoopprijs dus 800 gulden.

 

 

Kleindochter Maritje Cornelisdr.

In 1674 is haar echtgenoot Pieter Arents Colijn al overleden en wordt voor het afdragen van de 200e penning haar vermogen vastgesteld op 1.000 gulden. Ze woont dan aan de westzijde van de Brouwersstraat.

 

 

Kleinzoon Gerrit Corneliszn:

Gerrit Corneliszn. krijgt met Claasje Corsse 4 kinderen: Anna (*1665), Cornelis (*1666 +1729), Corstiaan (*1669), Corstiaan (*1671)

Vlak na zijn trouwen, op 21-4-1665 koopt Gerrit een huis voor 4.600 gulden van Jacob Thijssenbeek uit Leiden. Dit huis bestaat uit meerdere huizen die hij enkele jaren later apart zal verkopen of verhuren. Het huis en erf is gelegen aan de west zijde van de hoek van de Schoolstraat belending oost en zuid de Heerstraten, noord-oost Anthony de Bonier blickslager. De verkoper heeft het huis geërfd van zijn vader. De verkoopprijs bedraagt 1.000 gulden en een rentebrief van 3.600 gulden. Jacob Thijssenbeek woont dan nog in het pand.

 

Gerrit Gravelaer geeft gedurende zijn leven verschillende beroepen op. Aanvankelijk is hij metselaar, later commenij-houder, grossier en verhuurder.

 

Op een gegeven moment neemt Gerrit Corneliszn. werk aan van de grafelijke domeinen van Holland en West Friesland. Het werk betreft het onderhouden van het werk van riemtael[8], waar te nemen en de onderhouden voor een periode van 5 jaar.

Na één jaar blijkt echter dat “om nootwendige oorsaecken voor een tijt ’t selve werck niet wel naer behoren is waergenomen ofte onderhouden”. “daerover den controleur Van Swieten clachten is gevallen”. Gerrit Corneliszn. moet “meer arbeijtsluijden op sijn eijgen costen gebruicken om ’t selve werck in corten alles op te maecken en de onderhouden”. Gerrit Corneliszn. belooft beterschap en “twee arbeijtsluijden bij hem Van Swieten gestelt hen verdiendeloos aen sijne supplts tractement te laeten corten”.

 

In juni 1665 verklaart ene Dirck Efdre deurwaarder van de gemene landtsmiddelen op verzoek van de pachters van de impost[9] van het “sout over Den Haegh en de de ambacht van dien” het volgende: Aangekomen bij het huis van Gerrit Corneliszn. grossier van zout, ziet hij “gernaetsfrou” (garnalenvrouw) uit Scheveningen naar buiten komen met een zak met zout. Onenigheid ontstaat over de impost. De .. wil het zout van de gernaetsfrou in beslag nemen maar de vrouw van Gerrit Corneliszn. “stelt daer over groot misbaar soo datte al eenich volck begonnen te vergaderen oversulcx”. . . . besluit dan het zout daar te laten en de gebeurtenis te arresteren.

In dat zelfde jaar op 23-10-1665 verklaart Gerrit Corneliszn. dat Maerten Dircx van de Bilt, karssemaker en wonende in Delft hem 12 tonnen met smeer wilde verkopen zonder impost af te dragen. Gerrit Corneliszn. zegt vervolgens dat hij Maarten Dircx geantwoord heeft dat hij als hij “sulcx” doet dit aan de pachters van de impost[10] bekend zal maken.

 

In 1668 verhuurt Gerrit Corneliszn. een woning aan Harmen Faes, meester schoenmaker. Op 1-5-1669 kan de nieuwe huurder de “huisinge met erve staende en gelegen aen de Laan” betrekken. De huurprijs is 65 gulden per jaar, per half jaar te betalen. De duur van het contract is 2 jaar. De verhuurder is verplicht tot het verhuurde te leveren “in behoorlijke reparatie van glas, dack @ vloerdicht”.

 

In 1669 verkoopt Gerrit Corneliszn. één van de huizen die hij in 1665 heeft gekocht. Namelijk hij verkoopt het huis met erf gelegen op de zuidhoek van de Oude Schoolstraat aan Johannes Monsoy. Het huis en erf is belast met 3.600 gulden toekomende aan Jacob Thijssenbeek. De verkoopprijs bedraagt 550 gulden. Belending oost en west de Heerstraat, noord en zuid zijde Anthony Bonier en Joost van Darthuizen. Gerrit Corneliszn. woont op dat moment zelf in dit huis. Johannes Monsoy verhuurt het huis voor 140 gulden per jaar aan Jacob van den Burgh, meesterschrijnwerker.

 

Op 1-2-1675 machtigt Gerrit Corneliszn. de procureur bij het gerecht, om zijn huis met erf aan de Dennenweg openbaar te verkopen. Deze verkoop vindt echter pas plaats in september 1680. Wellicht door de verlate verkoop is Gerrit Corneliszn. niet in staat om zijn schulden af te lossen want hij blijkt gevlucht te zijn, zoals blijkt uit het volgende: - De diakonie van de nederduits gereformeerde gemeente treft op 20-3-1676 een regeling voor de zorg van de kinderen van Gerrit Corneliszn. De diakonie neemt de zorg op zich voor de minderjarige zoon Cornelis Gerritzn. Cornelis Dircx en Maertje Corsse (Corsten), oom en moeij, doen dit voor Annitje Gerritsdr. Annnitje woont op dat moment al bij haar oom en tante.-

Gerrit Corneliszn. is op dat moment “gewesen schutter en burger en tegenwoordig fugitijst[11]

 

Op 3-2-1680 wordt de verkoop notarieel vastgelegd. Wellicht zijn door deze verkoop de financiële problemen opgelost. Hij keert in ieder geval terug naar Den Haag. Bij de doop van zijn kleinkind is hij getuige.

 

Op 16-9-1680 verkoopt Matthijs van Berckelo, procureur bij het gerecht en procuratie hebbende van Gerrit Cornelis Gravelaar, aan Cornelis van Engelen een huis en erf met een tuin aan de oost zijde van de Dennenweg bij de slijpmolen. Belending ten dele de vaart en ten dele een huis en erf waarschijnlijk van Philip Corse Duinmeier. Belending west en noord de Heerweg, zuid een huis vroeger behoord hebbende aan Claes Pieterszn. van Rijn en nu aan de kinderen erfgenaam van Hendrikje Tielemans. Verkoopprijs is 725 gulden en 36 centen en 5 stuivers over rantsoen-penningen.

Vervolgens verkoopt Cornelis Engelen Vinckesteijn een erf of tuin gelegen aan de Dennenweg bij de Slijpmolen aan Jan Leenders Ruighrok belending oost de vaart west de Heerweg en noord de verkoper.

 

 

Kleindochter Ariaantje

Krijgt op 11-1-1658 een kind Gijsbrecht Gerrits Onderdelinde.

 


2.2.                          Claes Thijszn Gravelaar  (circa 1575)

 

Claes Thijszn Gravelaar                               x                 Barbara (Leendertzn?)

+Rijswijk                                                                        +Rijswijk

=================================================================

          1)Matthijs Claeszn.                             x                 Lijsbeth Jacobs van Offwegen

            *Rijswijk                                                            *

            +Rijswijk                                                            +Rijswijk

          2)Leendert Claeszn.                           x                 Maritje Cornelisse

            *Rijswijk                                7-8-1622               *Den Haag

            +Rijswijk                                Den Haag             +Rijswijk

 

 

In 1603 wordt Claes Thijszoon genoemd als belending bij de verkoop van een huis. Het te verkopen huis ligt aan de westzijde van de kerklaan te Rijswijk, belending zuid Claes Thijszn., west Renstgen … de weduwe van mr. Anthony van Dijck en noord Jan den Kapper?.

 

In 12-12-1604 koopt Claes Thijszn. van de Heilige geest van Rijswijk (de armenzorg) een klein huisken met erve. Het huis ligt aan de westzijde van de kerklaan, belending oost Dirck Corneliszn. Thuijtgen? en Cornelis Willemszn. Cloonen, west de erfgenamen van mr. Anthony van Dijck en noord Theunis Harmanszn. Het huis is belast met vijf stuivers jaarlijks “eeuwige @ onlosbare rente in t jaer competerende den kercke van de Heilige geest sonder meer behoudens den heer sijn gerechtigheijt als aen de buijrhuijsen ende erven”. Hij betaalt het huisje met een lening van 160 gulden van de Heilige Geest van Rijswijk met het “huisken met erve” als onderpand.

De kerklaan is de zijstraat van de Herenstraat. (zie de pentekening uit 1756 enkele pagina’s verder)

 

 

 

Zoon Leendert Claeszn.

Leendert Claeszoon                                     x                 Maritje Cornelisse

                                                         7-8-1622

                                                         Den Haag

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

          1)Claes Leendertzn.                           x                 Maritje Cornelisse van Offwegen

            mr. timmerman in Voorburg    22-5-1667             

            *Rijswijk                                Voorburg              *Voorburg

          2)Barbara Leenderts                          x                 Jacob van der Wiel

            *Rijswijk                                5-4-1663               *Delft

                                                         Voorburg?

 

De vader van Maritje Cornelisse van Offwegen is Cornelis Jacobs van Offwegen en is vermoedelijk een broer van Lijsbeth Jacobs van Offwegen, getrouwd met Matthijs Claeszn. Gravelaar.

 

In 22-6-1661 leent Leendert Claeszn. vijftig gulden van Leendert Pouwels van der Speck. Zijn zoon Claes Leenderts uit Voorburg en Jacob Stevens van Outshoorn zijn borgen en mede-principalen. De rente bedraagt 5%, af te lossen over een jaar. Dat aflossen blijkt niet zo eenvoudig. In juni van de jaren 1669 en 1670 vernieuwt Leendert Claeszn. de lening. Jacob van Outshoorn haakt af als borg.

 

In 1664 wordt Leendert Claeszn. in een notariële akte genoemd als crediteur van de overleden Robbert Pade, in zijn leven hovenier van zijne hoogheid in Rijswijk. Leendert Claeszn., drie “coopvrouwen” en nog enkele andere mannen, allen crediteuren van de naergelaeten boedel van deze Robbert Pade, machtigen in deze akte een persoon om “te procederen omme te comen tot effect van hen comparanten achterwesen op de boedel”.

 

Kleinzoon Claes Leenderts

Claes Leenderts trouwt op 22-5-1667 te Voorburg met Maritje Cornelisse van Ofwegen. Zij krijgen 3 kinderen, namelijk: Adriana (Adriaantje *1673), Cornelis (*1668) en Geertruid (*1671). Zoon Cornelis vestigt zich in Voorburg als timmerman, later mr. timmerman. Mogelijk werkt hij voor zijn schoonvader Cornelis Jacobs van Ofwegen, mr. timmerman in Voorburg. Deze schoonvader is een vermogend man. Voor de heffing van de impost[12] op het gemaal[13] wordt hij in de klasse kapitalist[14] ingedeeld.

Claes Leenderts treedt in 1687 als weduwnaar in Den Haag voor de tweede keer in het huwelijk met Femmetje de Roos uit Den Haag.

 

In zijn testament worden de bezittingen van deze Cornelis van Ofwegen genoemd:

Aan zijn tweede vrouw geeft hij het vruchtgebruik een huis met erf in de Kerklaen aan de sloot in Voorburg en drie huizen met erven waaronder het huis waar de testateuren zelf in wonen. Daarnaast geeft hij haar het vruchtgebruik van 6.000 carolus gulden en legateert hij haar zijn meubelen, geld, zilver, goud, gemunt ongemunt, linnen, wollen, klederen en huisraad en alle het hout.

Zijn dochter Maria is erfgename van het huis met winkel en alle gereedschappen “sonder eenich hout daer onder te mogen rekenen” en van een “huijsinge staende aen de kerklaen sijnde het meest zuidwaertste”.

Zijn dochter Aegje erft het huis in Voorburg waar zij zelf in woont “staende naest de huijsinge daer uithangt den Hoorn” en het middelste huis aan de Kerklaan.

De vier huizen waarvan zijn tweede vrouw het vruchtgebruik heeft verdeelt hij bij haar dood als volgt: 1) Aan zijn dochter Maria het huis naast het huis waar de testateuren zelf wonen. 2) Aan kleinzoon Cornelis Claeszn. het huis daar tegenover staat. 3) Aan dochter Aagje het huis dat “van haar grootvader gecoomen is” en het huis aan de Kerklaan aan de sloot. Maar bepaalt hij, gedurende de lijftocht van zijn tweede vrouw “sullen de erfgenamen helpen dragen voor de helft van de tweehondertste penning dat op sijne testateuren boedel is getaxeert alsmede de helft van het sout @ zeepgelt daer hij testateur op is gestelt”.

 

In 16-10-1676 verkoopt Claes Leenderts enige “naergelaeten soon”, het huis van zijn vader aan Pieter Corneliszn. van Heerstraten. Het huis ligt in het Pastoorskrocht, belending oost het slop, west Wijnand Heemskerck, noord Jacob van Vloet[15] en zuid Pieter Dircx van Mir?. De koper betaalt bij de overdracht een bedrag van 450 gulden van de totale verkoopprijs van 800 gulden.

 

Tenslotte nog de volgende gebeurtenis.

Pieter Corneliszn. van Seestraten is door de bode van Rijswijk gegijzeld, dit uijt cracght van seeckere vonnisse jegens mij (Pieter Corneliszn.) toegewesen ende ten voordele van Claes Leenderts Gravelaer.

 

 

 

Achterkleinzoon Cornelis Gravelaar

De achterkleinzoon van onze voorvader Claes Thijszn Gravelaar. Vermoedelijk trouwt deze Cornelis Gravelaar in november 1719 in Voorburg met Cornelia Walings van Veen. Zij gaan in Zoeterwoude/Hazerswoude wonen en krijgen vier kinderen, namelijk: Walericus, Nicolaes, Maria Johanna en Magtildis. Een beetje typisch is dat achterkleinzoon Cornelis al een eind in de veertig is als hij trouwt en kinderen krijgt.

 

In 5-3-1704 verkoopt Cornelis Claeszn. het huis van zijn ouders aan de Kerklaan in Voorburg. Hij verkoopt dit huis “mede caveerende voor sijne susters” voor 340 gulden en een ducaton speldegeld aan Jacob Vinckesteijn. Deze laatste verkoopt het huis in 1707 weer voor 475 gulden.

 

Over Cornelis is van de volgende gebeurtenis een akte opgesteld:

In 12-5-1719 getuigt Cornelis Gravelaar bij een ruzie op straat op verzoek van Jan de Lis. Deze Jan van der Lis is vleeshouwer en woont bij de Geestbrug in Voorburg. Er zijn 2 getuigen, elk met een eigen versie:

- Cornelis Gravelaar getuigt dat een onbekende persoon te paard zittende en gekleed in een blauwe rok met rode opslagen “aen binnen is comen rijden” met Jan de Lis. Zij hadden enige woorden met elkaar. Daarna ziet hij dat de verzoeker van zijn paard is gevallen en dat de onbekende ruiter “als doen sijne blanke houwer uijt hadde” zonder dat hij heeft gezien dat de verzoeker de andere persoon heeft “gehouwen of gehackt”.

- In de andere versie is de verzoeker met de onbekende ruiter in blauwe rok met rode opslagen “aen binnen comen rijden” en heeft tegen de onbekende persoon “geseijt, kom, laeten wij een sooptie[16] drinken, wat hebben wij aen een ruijsing[17]”. Waarop de onbekende persoon antwoordde “ik drink met geen schelmen ofte hondsvotten”. Jan de Lis gaat zijn huis in. De onbekende ruiter met “sijn blote houwer in sijn handt” staat voor het huis en gaf met “grote scheltwoorden” te kennen dat hij de vleeshouwer daar uit wilde hebben. De voorbijgangers zeggen de onbekende ruiter weer te vertrekken daar “sijn vrouw in de kraam leijt maer een dag of 4 out is”. De ruiter luistert niet en zij zien daarna dat de andere partij in zijn deuropening ligt en de onbekende persoon zijn houwer trekt en hem dreigt “te hacken”.


Het dorp en de ambacht van Rijswijk

Text Box:

 


          Schilderij 1850: aangezicht op Rijswijk

 

Rijswijk[18] ligt op een oude strandwal, en wordt in de 11e en 12e eeuw in cultuur gebracht. De eerste pastoor is er rond 1400.

Rond 1550 wonen er in het dorp zelf zo’n 650 tot 700 inwoners. Het aantal geschatte inwoners in het hele ambacht is rond 1100. Een eeuw later, in 1632 staan er “144 huisen soo int dorp als daer buijten omtrent het dorp” met “16 stuck boomgaarden en speelhoven, een wintmolen, een olijmolen met de wint” en een steenoven. Op het platteland nog eens 53 “huisen en speelhuisen met eene cruijtmolen daerin begreepen”.

 

De economie bestaat tot circa 1.500 uit akkerbouw op laagveen. In deze tijd wordt de bodem steeds natter en wordt er over gegaan op de veeteelt. De nijverheid bestaat dan voornamelijk uit steenproduktie en turfwinning.

 

Rijswijk heeft in de 17e eeuw tijd rond de 180 huizen, waarvan circa de helft binnen de dorpskern. Omdat Rijswijk op comfortabele afstand van het regeringscentrum Den Haag ligt, hebben veel voorname Nederlanders in Rijswijk een buitenhuis. Zo wordt het rijkspaleis van Willem III in Rijswijk gebruikt in 1697 gebruikt voor het tekenen van de vrede tussen Frankrijk, Engeland, de Republiek en Spanje.

 

 

Rijswijk na de reformatie

Een familie uit Holland die Katholiek is. Hoe kan dat nu? Dat blijkt als we zien hoe de reformatie in Rijswijk verloopt.

 

In 1557 krijgt Cornelis Suys de (lagere) heerlijke rechten van het ambacht van Rijswijk in bezit. In het jaar daarop volgend verwerft hij ook de hogere ambachtsheerlijkheid door een betaling van 600 pond aan de in geldnood verkerende Filips II. Deze ambachtsheer Cornelis Suys houdt vast aan de katholieke leer. Zijn dochter Margaretha trouwt zelfs met de Spaansgezinde ridder Adam van der Duijn.

 

In het begin van de zeventiger jaren van de zestiende eeuw keren de kansen in de tachtigjarige oorlog ten gunste van de Staten en de prins van Oranje. De ambachtsheer Cornelis Suys moet zijn positie in Rijswijk opgeven. In 1572 is er in het dorp “eene groote beroerte”. Een kleine groep gereformeerden neemt de parochiekerk over. Volgens de secretaris De Bije handelen deze mensen vooral met het oog op politiek en persoonlijk gewin en niet zozeer vanuit geloofsovertuiging. Op het huis “De Werve” stelt de eigenaar de huiskapel beschikbaar voor de clandestiene katholieke erediensten.

 

Dan komt in 1576 de pacificatie van Gent. Dankzij dit verdrag kan Cornelis Suys weer naar Rijswijk terugkeren en zijn postie als ambachtsheer weer innemen. Hij ontslaat de in de tussentijd aangestelde gererformeerde schout, baljuw en heilige-geestmeesters. In hun plaats benoemt hij mannen “staende ten goede name ende fame” aan, katholieken dus.

 

Ondanks dat de kerk in Rijswijk in gereformeerde handen blijft, lopen de dorpelingen zelf niet erg warm voor het nieuwe geloof. De gereformeerde predikant klaagt in 1578 dat vrijwel niemand naar zijn preek komt luisteren. De meeste inwoners volgen vermoedelijk de clandestiene erediensten in de huiskapellen van de huizen Den Burch van Cornelis Suys en De Werve van Jacob van der Wiele. De katholiek gebleven secretaris drijft de spot met de predikanten in zijn memoriaelen.

 

Dan komt er even een moment dat de Rijswijkse gereformeerde kerk zich mag verheugen in de belangstelling van een groter aantal gelovigen. Niet door een grote toename van het aantal gereformeerden in Rijswijk maar door een grote toeloop voor de zondagse kerkgang vanuit Den Haag. Er is onenigheid binnen de gereformeerde kerk: De remonstranten versus de contra-remonstranten. De Haagse contra-remonstranten zoeken hun heil bij de Rijswijkse predikant. Wederom een gelegenheid voor enkele katholieke dienaren van de lokale overheid in Rijswijk om de spot met de gereformeerden te drijven. De Rijswijkse predikant dient een klacht in omdat de katholieke Rijswijkse schout Jacob van Offwegen (*circa 1575, schoonvader van Matthijs Claeszn. Gravelaar) en consorten luidkeels de voorbijkomende kerkgangers uit het Haagsche uitlachen.

 

De ambachtsheer Conelis Suys overlijdt in 1580. De ambachtsheerlijkheid komt via het huwelijk van zijn dochter Margaretha aan de eveneens katholiek gebleven familie Van der Duijn. Deze gaat niet erg in op de klachten van de predikant,. Ook niet op de missives van de Staten van Holland om op te treden tegen de uitoefening van het katholicisme. Nieuwe klachten van de predikant. Nu dat de schout, tevens herbergier op zondagen tapt. Ook ziet deze gerechtsdienaar van katholieke gezindte door de vingers dat er regelmatig Roomse geestelijken in de gemeente komen om de mis te lezen. De katholieke secretaris de Bije zou zelfs het psalmboek van David in het vuur gegooid hebben. Op een gegeven moment lijken de gereformeerden de overwinning te behalen. In 1621 ontslaan de Staten van Holland de katholieke schout en secretaris en met hen 29 andere schouten en secretarissen in Holland.

 

Echter niet voor lang. In 1627 moet de predikant al weer protesteren tegen het aanstellen van een katholieke secretaris. De ambachtsheer heeft De Bije weer als secretaris aangesteld.

Ook de Heilige-geestmeesters zijn nog katholiek. In 1623 volgt de klacht dat deze Heilige-geestmeesters armen met hogere uitkeringen bij de diaconie weglokken door ze te laten beloven niet naar de gereformeerde kerk te gaan.

 

Al met al, de nederduits gereformeerde gemeente floreert niet in Rijswijk. In 1655 kent de gereformeerde kerk slechts drie-endertig inwoners, namelijk: 33 “inwoonders des ambachts ende dorpe van Rijswijk, alle ofte gegoet ofte gehuijst aldaer, sijnde meest litmaten van de ware gereformeerde religie ende deselve seer toegedaen”. Uit een opgave van 1658 blijkt dat de bovenlaag van Rijswijk nog steeds katholiek is. De ambachtsheer, zes welgeboren mannen, zes schepenen en de twee weesmannen zijn katholiek. In 1809 is net iets meer dan 50% van de inwoners van Rijswijk nog katholiek.

 

Over de vraag “wat bewoog nu deze mensen om katholiek te blijven” lijkt het vooral het gevolg van het katholiek blijven van de bovenlaag en wel in het bijzonder van de ambachtsheer. Verder wordt in de beschrijving van de gebeurtenissen in die tijd door de secretaris De Bije zou je kunnen opmaken dat een enkeling op het nieuwe geloof overgaat dit niet zozeer doet uit geloofsovertuiging maar meer uit politike of persoonlijk gewin. Daarenboven schept deze secretaris De Bije een beeld dat het niet de meest hoogstaande personen zijn. Dit beeld is mogelijk wel wat gekleurd door de schrijver De Bije die als katholiek zijn functie als secretaris alleen nog kan uitoefenen als gevolg van de aanwezigheid van een eveneens katholieke ambachtsheer.

 

 

Onderwijs

Het onderwijs wordt in de 17e en 18e eeuw betaald door de overheid en door schoolgeld van de ouders. Het schoolgeld bedraagt 4 gulden per jaar. De gereformeerde diaconie en de Heilige Geest betalen 12 gulden voor onderwijs aan arme kinderen.

In de 17e eeuw leren de kinderen al schrijven. De ambachtheer stelt Cornelis van Harlaar in 1647 aan “omme de jonge jeught in goede geregeltheijt ende discipline te onderwijsen met leeren lesen en de schrijven”.

Echter ook in de eeuw daarvoor is al onderwijs aanwezig in Rijswijk. De baljuw vraagt in 1580 ene Jan Jansz. om de kinderen te onderrichten in de catechismus, de psalmen of andere boeken om zondags met hen in de kerk de psalmen te komen zingen.

In 1725 stellen de Staten Generaal een schoolregelement vast voor steden, platteland, dorpen en heerlijkheden. Op de eerste plaats moeten de kinderen leren lezen en de 12 geloofsartikelen, de 10 geboden, het Onze Vader en enige andere gebeden op kunnen zeggen. Oudere kinderen krijgen les in de catechismus en oefenen psalmen voor de kerk. Katholieke kinderen is het verboden om roomse boeken, beelden, crucifixen, schilderijen en dergelijk mee naar school te nemen of de gereformeerde kinderen “te quellen, lasteren, verdoemen of eenige paperijen in te planten”.

Rekenen maakt lange tijd geen vast onderdeel uit van het leerprogramma. Rekenen is ter onderhandeling tussen de schoolmeester en ouders. De schooldagen volgens het regelement van 1725, beginnen om 8 uur en eindigen om 11 uur. ’s Middags gaan de kinderen van 1 tot 4 uur naar school. De kinderen zijn vrij op woensdag- en zaterdagmiddag en 2 dagen per jaar “tot speeldagen en vacantiedagen”.

 

Onze familie Gravelaar is in de 17e eeuw de schrijfkunst machtig. Opvallend is echter dat Willem Thijszn. (*circa 1645) als enige niet kan schrijven en met een kruis ondertekent.

 

 

Gezondheidszorg

In het begin van 1667 klaagt Nicolaes Wintercamp dat hij nauwelijks aan de kost kan komen als chirurgijn in Rijswijk. Er zijn er naar zijn mening teveel. Hij verzoekt daarom aan de voogden van de ambachtsheer (de ambachtsheer Nicolaes van den Duijn is nog minderjarig) om de vrije vestiging van chirurgijns te beperken. Een chirurgijn is in die tijd een door de praktijk gevormde ambachtsman. Naast chirurgijns zijn er ook medisch doctoren. Deze medisch doctoren zouden hun kennis ontlenen aan de wetenschappelijk georiënteerde en vrijwel uitsluitend in het latijn geschreven medische literatuur. Of de in het geval van Nicolaas Matthijszn.[19] genoemde “doctor “ Helvetius een echte medich doctor is weten we niet. Op zijn minst suggereert hij dit door zijn Latijnse naamsaanduiding.

In 1680 zijn er 4 chirurgijns. Hun voornaamste taak is barbier, aderlating, en behandeling van wonden en botbreuken. Bij lichamelijke klachten worden zalfjes en drankjes voorgeschreven.

De opleiding van de chirurgijn bestaat uit 4 jaar praktische ervaring bij de meester-chirurgijn. Om tot het chirurgijnsgilde toe te kunnen treden legt de asprirant-chirurgijn de meesterproef af. De gilde meesters toetsen zijn kennis over de anatomie, de uitwendige geneesmiddelen en de toepassing van de heelkundige instrumenten. Dat lijkt heel wat. In de praktijk staat de chirurgijn tegenover echte zieken machteloos. De uitrusting van een chirurgijn bestaat uit: Een zaag, brandijzers, messen, perskastje, koperen bekkens, kruidendozen, potten, flessen, schalen, trechters, zalfdozen, ivoren spuitjes, scharen, tinnen maten, schalen, destilleerpijpen en kokers met lancetten.

Zo’n chirurgijn is niet goedkoop. Ter illustratie de behandeling van Annetje van Schravenmade door de chirurgijn Wouter van Brakel: De eerste twee visites van de chirurgijn tijdens ‘sieckte en swaar kolijck’ kosten de patiënt Annetje 12 stuivers. Het purgeerdrankje dat de chirurgijn voorschrijft kost nog eens 8 stuivers, een flesje spiritus 12 stuivers en zes poeders 18 stuivers, anijs 1 stuivers en een tijdens de nacht met de lepel in te nemen mengsel 1 gulden en 4 stuivers. De volgende visite een dag later kost 6 stuivers. Tussendoor snijdt hij het haar van zoon Job voor 2 stuivers. Twee dagen later komt de chirurgijn weer ter visite, kosten weer 6 stuivers. Dit keer gaat het om het been van dochter Cornelia. Hij smeert het been in met een zalf en dekt de plek af met een schoenpleister, kosten nog eens 18 stuivers. Drie keer hierop volgend herhaalt hij de behandeling, per keer 12 stuivers. Enige dagen later schrijft hij een conserveer middel voor, voor 8 stuivers, 2 dagen later gevolgd door een purgeermiddel voor 8 stuivers. Tenslotte sluit van Brakel af met een laatste visite voor wederom 6 stuivers met een fles met “laegement” voor 12 stuivers.

 

 

Armenzorg

Rond een vijfde deel van Rijswijk is in de 16e eeuw arm. Gereformeerde armen worden bijgestaan door de diaconie. De overige armen door de Heilige Geest. De katholiek armen pas vanaf 1786 door de rooms-katholieke parochie. De hulp bestaat uit brood en geld, turf in de winter, gratis onderwijs, en uitbesteding bij particulieren eventueel met de mogelijkheid om een vak te leren.

 

 

De economische positie

In de zeventiende eeuw verkrijgen de overheden hun middelen uit diverse belastingen en heffingen.

De diverse belastingen en de daarbij gebruikte classificaties geven een beeld van de financiële positie. Voor een groot deel halen de Staten van Holland de inkomsten uit allerlei heffingen op de consumptie en het gebruik van goederen en diensten. Deze heffingen worden aangeduid als impost. Bekende imposten zijn onder andere die op wijn, bier, zout, vis, tabak, boter, kolen en zeep. De Staten van Holland en West-Friesland besluiten in 1680 om de impost op het gemaal (is het gemalene, granen en bonen) te verhogen. De hoogte van de heffing is gebaseerd op de welstand van het hoofd van het huishouden en het aantal personen in het huishouden ouder dan vier jaar. De Staten hebben voor de inschaling van de welstand van het hoofd van het huishouden de volgende welstandscategorieën opgezet:

-        kapitalist

-        half-kapitalist

-        geen nadere aanduiding

-        onvermogend

-        last van armen

De waarderingsgrondslag is niet bekend. In 1680 wordt de inventarisatie van de huishoudens om de heffing te kunnen innen, afgerond. Van iedere huishouden wordt het aantal personen vermeld, het beroep van het hoofd van het huishouden en de welstandsklasse.

 

Overwegend vallen de in dit hoofdstuk genoemde gezinshoofden (en uiteraard in 1680 in leven) in de middencategorie. De categorieën half- en kapitalist samengevoegd bestaat voor tweederde uit “boumannen” (boeren). In de categorie kapitalist vinden we vooral boeren. Ook arbeiders kunnen tot de middencategorie behoren. Willem Thijszn. Gravelaar en zijn zwager Engel Crijns van der Kleij zijn arbeider en vallen beide in de middencategorie. Met arbeider lijkt dan meer aangeduid te worden dat zij niet als zelfstandige werkzaam zijn. Nog enkele bijzonderheden.

-        Cornelis Jacobs van Offwegen uit Voorburg, broer van Lijsbeth Jacobs en schoonvader van Claes Leenderts Gravelaar is timmerman en kapitalist.

-        ambachtslieden vallen overwegend in de middencategorie

-        het beroep bakker kan lonend zijn, Cornelis van der Speck, backer is kapitalist

-        Jan Heemskerk, boekbindergezel is kapitalist

-        Claes Thijszn.Gravelaar wordt niet genoemd, voor deze heffing wordt zijn moeder als gezinshoofd aangemerkt

-        Cornelis Meesen Witteman, bouwman is half-kapitalist

 

 

De lokale belasting, de kapitale omslag

Om de collectieve lasten te dekken heft het ambacht van Rijswijk een lokale belasting, de kapitale omslag. In de 16e en 17e eeuw kent men geen inkomstenbelasting. In de 16e eeuw kende men de vermogensaanslag. Het Gerecht slaat het totaal aan benodigde financiële middelen, om de schout, de secretaris, de gerechtsbode, de schoolmeester en de vroedvrouw te kunnen betalen om, over de gezinshoofden in het ambacht. Het woord kapitale in de aanduiding van de heffing kan erop duiden dat het Gerecht de hoogte van de heffing vaststelt op grond van het bezit van onroerend goed, geld of waardepapieren.

 

In 1674 worden 57 Rijswijkse gezinnen met een bezit van 1.000 gulden of meer een belasting opgelegd van 0,5% van hun vermogen. (de tweehonderste penning)

 

Voor de meeste van onze familieleden is de kapitale omslag over de periode 1650 tot 1679 in de onderstaande tabel te vinden. Niet genoemd in de tabel betekent dat zij niet voor hoofdelijke omslag in aanmerking komen. Behalve onvoldoende vermogen kan een reden kan zijn dat zij niet als zelfstandige werkzaam zijn. Een aantal keren wordt bijvoorbeeld genoemd “de tuinman van …….”, zonder verdere naamsaanduiding van de persoon of heffing. Zo komt bijvoorbeeld ook Willem Thijszn. Gravelaar niet in omslag voor. In het kohier op de impost is hij aangeduid als arbeider en ingedeeld in de middenklasse. Ook uit deze tabel blijkt, onze familie is niet rijk maar ook niet arm. Ambachtslieden betalen overwegend het bedrag van 1 gulden.

Opvallend is de halvering van de heffing voor Matthijs Corneliszn. Gravelaar (Matthijs de kuiper) rond 1660. Mogelijk heeft dit te maken met het overlijden van zijn vrouw Lijsbeth Dircx en het vervallen van de heftt van hun bezittingen aan haar broers.

De heffing voor Claes Thijszoon Gravelaar met zijn moeder is de helft van heffing die vader Matthijs Claszzn. in zijn leven krijgt opgelegd. Wellicht door verdeling van het erfdeel.

De waarderingsgrondslag van deze heffing wijkt af van die voor de impost op het gemaal. [20] Zo is Boon Jans van Berckel goed voor een van de hoogste bijdragen in de kapitale omslag. Voor de impost op het gemaal valt hij in de middencategorie.

 

Hieronder volgt voor personen genoemd in dit hoofdstuk de kapitale omslag in Rijswijk. De aangegeven jaren zijn geselekteerd uit de jaarlijkse kapitale omslag uit de periode 1650-1679. Achter de namen wordt de heffing voor de omslag genoemd in de volgorde guldens-stuivers-penningen.

 

Jaar   Naam                                      Omslag (guldens-stuivers-penningen)

1650   Thijs Claeszn.                           2-10-0

          Matthijs Corneliszn.                  2-0-0

          Mees Jochems                         6-0-0

          Totaal                                      ?-?-? (186 aangeslagen personen)

 

1659   Cornelis Claeszn. van de Burch 5-0-0

          Thijs Claeszn.                           2-10-0

          Jochem Meesen Witteman        3-0-0

          Leendert Claeszn.                     1-0-0

          Matthijs de kuiper                     1-10-0

          Totaal                                      472-0-0 (? aangeslagen personen)

 

1660   Cornelis Claeszn. van de Burch 5-0-0

          Thijs Claeszn.                           2-10-0

          Jochem Meesen Witteman        3-10-0

          Leendert Claeszn.                     1-0-0

          Matthijs de kuiper                     1-0-0

          Totaal                                      ?-0-0 (? aangeslagen personen)

 

1675   de weduwe van Cornelis Claeszn. van de Burch

 

1679   Claes Thijszn. Gravelaer           1-0-0

met sijn moeder

          Pieter Joriszn. van Noorden       1-0-0

          Joris Hendricx. van Noorden     1-0-0

          Engel Jans van der Cleij            1-0-0

          Dirk Pouwels Roscam              4-10-0                   (marktschipper, broer van Cornelia Pouwels Roscam)

          Jacob Thijsse Gravelaer            1-0-0

          Boon Jans van Berckel             7-0-0                     (borg voor de lening van Willem Thijszn. Gravelaar in 1680)

          Claes Cornelis van de Burgh     1-0-0

          Totaal                                      ?-0-0 (? aangeslagen personen)

 

1680

          Totaal                                      ?-0-0 (161 aangeslagen personen)

 


Text Box:

 

 


          Tekening 1756; Aan het begin van de Herenstraat in Rijswijk, Een inwoonster van de lagere sociale klasse brengt een nederige groet aan een beter gesitueerd echtpaar.

 

 

Text Box:

 

 

Tekening 1757; “Gezigt van de zeeve huisjes, bij de Geesbrug van Rijswijk afkoomende te zien”. Voor de huisjes staan hoefslagpaaltjes, ter afbakening van de door de bewoners te onderhouden weggedeelten.

 

 

 

 


 

Text Box:

 


          Plattegrond 1639 van Rijswijk

 


2.3.                          Jacob van Offwegen (circa 1575)

 

Jacob van Offwegen                                    x                 ?

Schout van het ambacht van Rijswijk

=================================================================

          1)Lijsbeth Jacobs                               x                 Matthijs Claeszn Gravelaar

            *                                            30-9-1625              *

            +Rijswijk                                Rijswijk                 + <1669 Rijswijk

          2)Cornelis Jacobs                               x                 1)

            *

            +Voorburg                                                          2)Petronella Vermeulen

 

Zie tevens in de paragraaf ‘Rijswijk na de reformatie’ in het hoofdstuk ‘Het dorp en de ambacht van Rijswijk’ als Jacob van Offwegen de Haagsche kerkgangers uitlacht.

 

 


2.4.                          Matthijs Claeszn Gravelaar   (circa 1600)

 

Matthijs Claeszn                                          x                 Lijsbeth Jacobs van Offwegen

*Rijswijk                                            30-9-1625

+ <1669 Rijswijk                                Rijswijk                 +Rijswijk

=================================================================

          1)Nicolaas Matthijszn.

            *Rijswijk

            +Rijswijk

          2)Barbara Matthijsdr.                         x                 Michiel Corneliszn. van der Speck

            *Rijswijk                                13-2-1656              *Rijswijk

            +Rijswijk                                Rijswijk                 + <1677 Rijswijk

          3)Jacob Matthijszn.                            x                 Cornelia Paulussen Roscam

            *1640 Rijswijk                        17-4-1667              *Rijswijk

            +22-4-1712 Rijswijk                Rijswijk                 +14-2-1723 Rijswijk

            tuinman

          4)Cornelia Matthijsdr.                         x                 Peter Joriszn. van Noorden

            *Rijswijk                                18-11-1663            *Rijswijk

            +Rijswijk                                Rijswijk                 +10-2-1723 Rijswijk

          5)Willem Matthijszn.                           x                 Maria Cornelisse van de Burgh

            *Rijswijk                                18-11-1670            *

            +Haarlem                               Rijswijk                 +30-1-1704 Rijswijk

 

Matthijs Claeszn. is vermoedelijk tuinder van beroep. Waarbij we met tuinder niet bedoelen het hedendaagse begrip voor tuinman.

 

In 1-1-1669 draagt Lijsbeth Jacobs 12 “koeijen die met kalff staen” in eigendom over aan Peter Jorisse van Noorden. “Omme daer aen bij hem verhaelt te worden seeckere acte van borchtogte daer vooren de voornoemde Van Noorden hem voor de voorn. Thijs Claeszn. Gravelaer ten behoeve van de Heere Arent Adam baron van Wassenaar Heere vande Bosch samen @ als borge ende principael onder behoorlijkcke renunciatie[21] heeft geinterponeert volgens de huijrcedulle daer van sijnde van dato den seste … 1667 sonder aende twaelff koebeesten eenich recht ofte actie meer te reserveren”. De intrepretatie van deze akte is lastig. Of Peter van Noorden kan zijn schuld aan de heer van Wassenaar niet terugbetalen. Vanwege borgstelling door Claes Thijszn. draagt Lijsbeth Jacobs deze koeien over aan Peter van Noorden. Of Claes Thijszoon is de schuldenaar en Peter Jorisse de borg. In dat laaste geval zal Lijsbeth Jacobs door het overlijden van Claes Thijszn. de schuld niet kunnen aflossen. Reden waarom zij de koeien aan de borg en mede principaal van Noorden overdraagt. Een koe vertegenwoordigt in deze tijd een behoorlijk kapitaal.

Matthijs Claeszn. als borg voor een lening aan Peter van Noorden ligt gezien de leeftijd en welstand (aanslag kapitaalsomslag) van Matthijs het meest voor de hand

 

In 4-5-1670 verkoopt de weduwe Lijsbeth Jacobs met missive[22] van haar zwager (naam niet ingevuld) aan Jochem, Maria, Ariaantje en Trijntje Meesen en de weeskinderen van Cornelis Meesen Witteman een huis met erf aan de westzijde van de kerklaan, belending zuid Cornelis Corn. Valck, west Jan Nicolaas van Duijn en noord Abraham van Dijck. De kinderen zijn de erfgenamen van Mees Jochems Witteman, “haar luijden vader”. Het huis is belast met een jaarlijkse rente van 50 stuivers aan de Heilige geest “behoudens den heer sijn rechten als andere buijrhuijsen ende erven”.

 

 

Zoon Jacob

Jacob Matthijszn. en Cornelia Paulussen Roscam krijgen 3 kinderen, Matthijs Jacobi, Maria Jacobi (+2-6-1761 Rijswijk) en Lijsbeth (of Elisabeth) Jacobi[23].

Dochter Maria Jacobi trouwt met Jacob Oudshoorn. Dochter Lijsbeth wordt gedoopt op 26-2-1684 met als getuige haar oma Lijsbeth Jacobs.

In 12-5-1719 verkoopt Maria Jacobi, dan genoemd als Maritje Japiks, met procaratie van haar moeder Cornelia Pouwels Roscam, hun ouderlijk huis aan Jan van der Seijde. Deze Jan is bakker te Rijswijk. Het huis ligt aan de noordzijde van de Heerstraat, belending oost de koper en west en noord Cornelis Oudshoorn. Het huis is belast met een rente van 15 stuivers per jaar toekomende aan de grafelijkheid van Holland en een hypotheekbrief van 300 gulden van 9 september 1681 ten gunste van de diaconie. Jan van der Seijde betaalt 70 gulden contant en neemt de hypotheekbrief van 300 gulden over.

 

 

Dochter Cornelia Matthijsdr.

Zij krijgt 4 kinderen namelijk: Matthijs, Michael, Apollonia, Aleijdis, allen geboren te Rijswijk.

Op 12 mei 1692 benoemen Cornelia Thijsdr. en haar echtgenoot Pieter Joriszn. in hun testament Jan Joriszn. van Noorden en Michiel Sian tot voogden van hun kinderen. Jan Joriszn. woont in Dieneburg, Michiel Sian is herbergier in Rijswijk.

In de klassificatie voor de impost op het gemaal[24] wordt vermeld dat “een kint van armen bij hun is besteet”.

 

 

 

Dochter Barbara Matthijsdr

Dochter Barbara trouwt met Michiel Corneliszn. van der Speck. Deze Michiel Corneliszn heeft een zus Adriana van der Speck. In het testament van deze zus worden de “drije naergelaeten kinderen” van Michiel Corneliszn genoemd.

De nalatenschap van zus Adriana van de Speck is wel aardig. Aan de twee dochters (Anna *1169) en ? laat ze haar “clederen soo linnen als wollen te haeren rugge en lijve gedijent hebbende” na. Ook bedeelt zij haar nichten met haar “eijcken cas en een vueren cas mits een eijcken tafelken met een pultuzum daer op“ evenals haar “twee grootste schilderijen ongelijst sijnde”. Aan de zoon laat ze “haer coffer met twee van haer grootste schilderijen met lijsten” en “vijftig gulden aen gelt eerst en in alle na te laeten goederen” na. Verder prelegateert[25] Adriana aan de drie kinderen een obligatie van 400 gulden tot last van de Generaliteit uit november 1649 en 22 januari 1650 ten name van Maertgen Engelbrechts Gevegin?.

Adriana benoemt haar broer Johan van der Speck en haar zwager Claes Matthijszn. Gravelaar tot voogden over haar onmondige erfgenamen en legatarissen.

 

 

Zoon Nicolaas Matthijszn.

In 1668 laat Nicolaas bij de notaris een verklaring optekenen van zijn wonderbaarlijke genezing.

Voor de akte die de notaris opstelt op 28-7-1668, zie in het boek akten en testamenten’. Voordat dokter Helvetius hem behandelde was hij krom, lam, verslapt en uitgevallen nagels. Een jaar later, als hij is behandeld, is hij weer tot zijn ‘vorige gezondheid gekomen’.

We krijgen hier de indruk dat er sprake is van kwakzalverij dat de kwakzalver graag notarieel vastgelegd ziet, maar waarschijnlijker heeft dit te maken met het feit dat er teveel chirurgijns waren in Rijswijk. Zie tevens hiervoor in de paragraaf ‘Gezondheidszorg te Rijswijk’.


 

2.5.                          Cornelis Claeszn. van de Burgh  (circa 1600)

 

Cornelis Claeszn. van de Burgh                    x                 Aaltje Gerrits

+ <1680 Rijswijk                                                             + >1680Rijswijk

‘Bouman’

=================================================================

          1)Maria Cornelisse                             x                 Willem Matthijszn. Gravelaar

            *Rijswijk                                18-11-1670            *Rijswijk

            +30-1-1704 Rijswijk?              Rijswijk                 +Rijswijk

          2)Claes Cornelisse                             x                 ?

            *1631 Rijswijk

            +1711 Rijswijk

          4)Jacoba Cornelisse                           x                 Engel Crijns van der Kleij

            * Rijswijk                               Rijswijk                 *1754

                                                                                     +21-2-1713 Rijswijk

                                                                                     arbeider

          3)Willem Cornelisse                           x                 ?

            *1639  (1649?) Rijswijk                   

            +1717 Rijswijk

 

Aaltje Gerrits wordt in de inventarisatie voor de impost op het gemaal genoemd als weduwe van Cornelis Claeszn. Van de Burgh en als onderhoudvoorziening “bouneringe[26] doende”.

 

Het geslacht Van den Burch is vermoedelijk afkomstig uit Voorburg. In de tweede helft van de 13e eeuw krijgt ene Jan van den Burch de ambachtsheerlijkheid van Rijswijk in leen van graaf Floris V van Holland. Deze Jan van den Burch woont op het versterkte huis Den Burch te Rijswijk. Dit kasteel, gebouwd als chateau a motte dateert uit de 12e eeuw. Het leengoed blijft niet in het geslacht. In 1307 heeft Simon Simonszn. van den Burch nog wel het landgoed Den Burch in leen maar niet de ambachtsheerlijkheid. In 1484 verkoopt de kinderloze Jan van den Burch het versterkte huis Den Burch aan de schout van Rijswijk Pieter Suys[27].


2.6.                          Willem Gravelaar  (circa 1645)

 

Willem Matthijszn.                                       x                 Maria Cornelisse van de Burgh

*Rijswijk                                            18-11-1670            *

+Rijswijk                                           Rijswijk                 +30-1-1704 Rijswijk

=================================================================

          1)Cornelis

            ~22-6-1674 Rijswijk

          2)Cornelis                                          ?                 Adriana Attevoort

            ~16-10-1676 Rijswijk                                           *Den Haag

            +2-3-1730 Zeist                                                  +27-9-1755 Utrecht

          3)Aleidis (Aaltje)

            ~22-2-1679 Rijswijk

          4)Michael

            ~14-5-1681 Rijswijk

 

Willem Gravelaar is volgens de klassificatie voor de impost op het gemaal[28] in 1680 arbeider van beroep. We vermoeden dat hij tuinman is, waarbij we met tuinman niet het hedendaagse beroep tuinman bedoelen. In de streken rond Driehuis en Santpoort neemt de tuinbouw een belangrijke plaats in.

 

Tijdens de begravenis van moeder Maria Cornelisse van de Burgh wordt “een poos geluid met de grote klok” en wordt het middelste kleed gebruikt.

 

Het gezin verhuist in 1681 richting Haarlem.

 

 

In 30-12-1681 leent Willem Thijszn. van Gravelaar 150 gulden van jonkheer Floris Bam uit Rijswijk. Willem woont dan “even buiten Haerlem”. Boon Jans van Berckel is borg en mede-principaal. Mogelijk is Willem tot dan bij deze Boon Jans van Berckel in dienst geweest. Boon Jans van Berckel is tuinman van beroep en beschikt blijkens zijn bijdrage aan de kapitale omslag in Rijswijk over behoorlijk wat geld. In Haarlem hebben we in de archieven tot nog toe geen spoor van Willem Gravelaar teruggevonden.


2.7.                          Attevoort   (circa 1660)

 

Attevoort                                                    x                 ?

=================================================================

          1)Maria (marijtje)                               x                 Maurits Overvest

            *Den Haag                            1700                     *Beverweerd

                                                         Den Haag             kastelein slot Zeist

                                                         Zeist

          2)Adriana                                          x                 Cornelis Gravelaar

            *Den Haag                            26-12-1707            *1676 Rijswijk

            +27-9-1755 Utrecht                Zeist                     +2-3-1730 Zeist

 

Marijtje Attevoort en Maurits Overvest trouwen in 1700 in Zeist op vertoon van een huwelijks-proclamatie in ‘s Gravenhage.

 

 


Zeist

 

De volgende generatie Gravelaar komen we in Zeist tegen. In 1709 trouwt Cornelis Gravelaar in Zeist met Adriana Attevoort. Het is niet geheel zeker dat deze Cornelis de zoon is van Willem Thijszn. Gravelaar en Maria Cornelisse van de Burch. De naamsgeving van de kinderen past redelijk. Verder is dit de enige verbinding die we hebben kunnen construeren uit de verschillende Cornelissen Gravelaars.

Het dorp Zeist bestaat op dat moment uit een achtentwintigtal huizen aan de … straat en maakt deel uit van de heerlijkheid Zeist. De heerlijkheid Zeist is in deze tijd in het bezit van .. van Nassau Odijck, een nazaat van de bastaardkinderen van prins Maurits van Oranje Nassau met zijn vriendin Margaretha van Mechelen. Het slot Zeist is het belangrijkste gebouw in de heerlijkheid.

 


2.8.                          Cornelis Gravelaar  (1676)

 

Cornelis Gravelaar                                       x                 Adriana (Ariaantje) Attevoort

~16-10-1676 Rijswijk                          26-12-1707            *Den Haag

+2-3-1730 Zeist                                  Zeist                     +27-9-1755 Utrecht

=================================================================

          1)Maria                                             x                 Otto van Beek

            * 9-9-1708 Zeist                     27-6-1734              *

            +                                           Zeist                     +

          2)Willem[29]

            *ca -1-1710[30] Zeist

            +17-2-1729 Zeist

          3)Matthijs                                          x                 a)Anna Bushof

            *ca -3-1712? Zeist                                                *

            +19-11-1753 Utrecht                                             +8-9-1742 Utrecht

                                                                  x                 b)Sophia van Roijen

                                                                                       *23-2-1703 Utrecht

                                                                                       +15-12-1750 Utrecht

                                                                  x                 c)Johanna van IJsendoorn

                                                                                       +10-10-1759 Utrecht

          4)Agatha (Aagje)                               x                 Huibert Vermeulen

            *23-7-1713 Zeist                     1746                     *

            +18-5-1776 Zeist                    Zeist                     +10-11-1769 Zeist

          5)Helena

            *14-7-1715 Zeist

            +5-10-1798 Utrecht

          6)Jannigje                                          x                 Jacobus Hoeflaken

            *20-2-1718 Zeist                     28-7-1753              *

            +28-12-1758 Zeist                   Zeist                     +1-12-1789 Zeist

          7)Jacobus                                          x                 Adriana Jacoba van Vreningh

            *3-4-1719 Zeist                      13-5-1753             

            +                                           Utrecht

            Vaandrig in dienst van landen

          8)Adriana                                          x                 Albertus van Malsum

            *30-11-1721 Zeist                   31-7-1753              *

            +1-10-1776 Utrecht                Utrecht                 (uit de Brigittestraat)

 

Bij het huwelijk van Cornelis Gravelaar met Adriana Attevoort wordt aangegeven dat beiden op dat moment in Zeist wonen.

 

In 1697 getuigen vader Cornelis Gravelaar en zijn moeder Maria Cornelisse bij de doop van zijn neefje Claes van de Burgh te Rijswijk. Aangezien een kind in deze tijd de volgende dag wordt gedoopt., is het waarschijnlijk dat Cornelis Gravelaar dan weer in Rijswijk woont, of zijn Cornelis en zijn moeder vanuit Haarlem naar Rijswijk gegaan voor de doop.

 

In 2-2-1729 koopt Cornelis Gravelaar te Zeist een grafsteen waarin Willem Gravelaar wordt begraven op 7-2-1729, zoon van Cornelis Gravelaar, in de kerk van zijn vader in eigen graf nr. 53.

 

Vader Cornelis Gravelaar overlijdt vrij vroeg. Vijf van de zeven kinderen van het gezin zijn dan nog jonger dan achttien jaar. Het ligt voor de hand dat met zijn dood ook het inkomen voor het gezin is komen te vervallen. Mogelijk trekt het gezin naar Utrecht omdat daar meer mogelijkheden zijn om in het levensonderhoud te voorzien. Andere mogelijkheid is dat zoon Matthijs Gravelaar als eerste naar Utrecht vertrekt en moeder Adriana en haar twee dochters later volgen.

 

Moeder Adriana Attevoort overlijdt in het Bartolomeus gasthuis. Er wordt opgeschreven dat zij bij haar overlijden behalve 4 mondige ook 1 onmondig kind nalaat. Dit laatste is waarschijnlijk fout genoteerd, of is haar ongetrouwde dochter Helena bedoeld.

 

 

Dochter Maria

Maria en Otto van Beek krijgen 6 kinderen. (o.a. Anthonia *1736). Het gezin woont in Zeist.

 

 

Dochter Agatha

Aagje en Huijbert Vermeulen krijgen 7 kinderen.

 

 

Dochter Helena

Helena woont 17.. in de Korte Nieuwstraat als dienstpersoneel. Ze overlijdt in het Kruis gasthuis op hoge leeftijd. Ze is dan ongehuwd en er is geen familie bekend. Blijkbaar kijkt onze voorvader Willem (*1745) en haar neef, niet naar haar om.

Text Box:

 

Kruisgasthuis aan de Biltstraat. (J. de Beijer)

(het heilige Kruisgasthuis had een wonderdadig kruisbeeld dat voor grote toeloop van vrome mensen zorgde)

(tekening 1744)

 

 

 

 

 

Dochter Adriana

Adriana woont in 17.. aan de straat ‘Achter het Sint Pieter’ te Utrecht als dienstpersoneel. Ze trouwt met Albertus van Malsum. Als Adriana overlijdt wonen zij in het huis genaamd Jaffa. Ze is dan 54 jaar oud en laat 1 mondige en 4 onmondige kinderen na. Ze wordt gratis begraven.

Text Box:

 


           Herberg Jaffa aan de Vleutense weg buiten de Catharijnepoort in Utrecht (tekening anno 1782)

 

 

 

Zoon Jacobus

De geboorte van Jacobus blijkt uit het doopboek van Bunnik. in Wijk bij Duurstede, de overige kinderen doopboeken gereformeerden in het archief Utrecht. Meter bij de geboorte van Jacobus is Marijt jd van Oort. (verbastering van Attevoort?, jd is jongedochter). Voor 1710 zijn er geen archieven van Bunnik, en tussen 1710 en 1717 is er ook niets.

 

 

 

 


Utrecht

 

Text Box:
De familie Gravelaar verplaatst zich in de nu volgende generatie naar Utrecht.

 

 


          Utrecht met ommuring met talrijke torens. Er waren 4 poorten om de stad binnen te gaan en de Dom toren was op afstand te herkennen. ‘s Avonds gingen de poorten dicht. (lit. IX) (tekening 1669)

 

In 1672 werd Utrecht bezet door de Franse zonnekoning Lodewijk. Er vallen geen doden maar wel veel armoede. De stad herstelt zich spoedig en er ontstaan steenfabrieken en textielbedrijven.

Vervoer naar andere steden is goed geregeld. Twee maal per dag is er per trekschuit vervoer naar Leiden hetgeen 8 uur duurt.

 

Gasthuizen

(lit. IX) Utrecht had 20 gasthuizen. Het Bartholomeusgasthuis in Utrecht is gebouwd in 1367 en bedoeld voor arme bedlegerige en invalide stadsgenoten. De chirurgijn komt twee maal per dag langs. De zieken worden verzorgd op kosten van de stad. Overigens worden ook mensen tegen betaling opgenomen die er hun van hun oude dag konden genieten. In de ‘beyert’, de gasthuisslaapzaal, kregen zwervers, ballingen en berooide passanten gratis onderdak. O.a. het Kruisgasthuis had zo’n beyert.

Gebruikelijk was dat zieken thuis verpleegd werden. Kleine operaties werden ook thuis uitgevoerd. Alleen armen werden in gasthuizen verpleegd.

 


Het leven in Utrecht

In de Donkerstraat, de Buurkerkhof en Teerlingstraaten zijn veel tapperijen. In deze tapperijen bieden vrouwen hun liefdesdiensten aan.

Text Box:

 

 

 

 

Interieur met gewone mensen in de 17de eeuw in een herberg (schilderij 1650)

 

 

 

Text Box:

 

Rechts een hoerenmadam. Het stel is uitgedost met struisveren; ‘de Sinnen sich soo licht bewegen als pluymen door een kleyn eindeken’.

De luit geldt als symbool van onkuisheid. De man heeft zijn zinnen gezet op ‘hoeren en snaren’.Schilder Gerard Honthorst  (schilderij 1625)

 

 

 

Text Box:

 

 

 

 

De stadswal

 (schilderij 1757 ) (de toren de Vos en de Plompetoren)

 

 


2.9.                          Jan van Roijen  (circa 1670)

 

Jan van Roijen                                             x                 Maria Kantelberg

*                                                       25-12-1684            *

+30-5-1737 Utrecht                            Utrecht                 +17-9-1750 Utrecht

=================================================================

          1)Wessel

            *19-11-1693 Utrecht

          2)Adrianus

            *1-1-1696 Utrecht

          3)Hendrik

            *1-1-1698 Utrecht

          4)Jan

            *21-2-1700 Utrecht

          5)Abraham

            *14-3-1702 Utrecht

          6)Sophia van Roijen                            x                 Matthijs (Mathias) Gravelaar

            *23-2-1703 Utrecht                                             * ca -3-1712 Zeist

            +15-12-1750 Utrecht               2-2-1743               +19-11-1753 Utrecht

          7)Jan

            *30-4-1705 Utrecht

Uit het boek geformeerde geboorten in Bunnik te Wijk bij Duurstede blijkt:

Wouter van Roijen x Anne van der Leede

  1)Neeltje *21-3-1717

  2)Nicolaas *25-8-1720

Deze Wouter is mogelijk 2x getrouwd (als Cornelis Wouters van Roijen), zie dorpsgerechten Bunnik 1705 en 1707.

 

De getuigen bij het huwelijk zijn Jan Jacobs van Roijen en Annigje Jans Steenhuijsen.

Voor zijn trouwen woont vader Jan van Roijen in de Twijgstraat en moeder Maria Kantelberg in de Nieuwstraat, beide te Utrecht. Na het trouwen gaan ze wonen bij de Gaardbrug aan de donkere Gaard. Bij de geboorte van zoon Jan wordt geschreven dat ze bij de Hamburgerbrug wonen. Dit is vlak bij de Gaardbrug en waarschijnlijk wonen ze dan nog op dezelfde plaats.

 

Opvallend is dat het echtpaar pas 9 jaren na het huwelijk het eerste kind krijgt.


Text Box:

Als vader Jan overlijdt woont het gezin aan de Lange Nieuwstraat omtrent de Wal. Hij overlijdt in het Catharijne of ziekengasthuis en wordt gratis begraven.

 


                              Lange Nieuwstraat. (foto rond 1900)

                             (aan de linkerzijde staan de huisjes voor ouderen met weinig geld)

Text Box:

 

 

 


          Zo zag het Catharijnegasthuis er van binnen uit. Aan weerszijden de alkoven met tweepersoonsbedden. Mannen en vrouwen lagen tot deze tijd op dezelfde zaal. (schilderij 1635)

 

 


2.10.                      Matthijs Gravelaar  (1712)

 

Matthijs (Mathias) Gravelaar                        x                 a)Anna Bushof

*ca -3-1712                                       16-2-1737                *

+19-11-1753                                       Utrecht                   +8-9-1742 Utrecht

pasteibakker en kok                                     x                 b)Sophia van Roijen

                                                         2-2-1743                 *23-2-1703 Utrecht

                                                         Utrecht                   +15-12-1750 Utrecht

                                                                  x                 c) Johanna van IJsendoorn

                                                         16-6-1751                *

                                                         Utrecht                   +10-10-1759

=================================================================

          a1)nn

            +3-6-1738 Utrecht

          a2)Cornelis

            *15-4-1738 Utrecht

            +20-6-1738 Utrecht

          b3)Cornelia                                        x                 Henricus Heerman

            ~16-11-1743 Utrecht               9-5-1761

            +28-11-1777 Utrecht               Utrecht

          b4)Willem                                          x                 Maria Elisabeth Daub

            ~4-9-1745 Utrecht                                              *Laan (in Nassau Duitsland)

            +27-6-1804 Utrecht                                             +16-3-1828 Utrecht

          b5)Albertus

            ~12-11-1746 Utrecht

          b6)Theodorus

            ~9-6-1748 Utrecht

 

Matthijs is pasteibakker en kok en heeft één personeelslid.

 

Moeder Anna Bushof overlijdt in 1742. Zij laat geen kinderen na. Matthijs trouwt nog geen 5 maanden later met Sophia van Roijen. Sophia is dan al 40 jaar oud. Zij krijgen toch nog 4 kinderen. Als ook Sophia al kort daarna overlijdt, trouwt Matthijs al na 6 maanden opnieuw met Johanna van IJsendoorn.

 

Het gezin Matthijs Gravelaar woont aanvankelijk in de Catharijnesteeg. In 1742 geeft vader Matthijs als woonadres de Steenweg (over de Buurkerk of Donkerstraat) op. Het lijkt erop dat hij dan 2 huizen huurt. Na 1742 geeft Matthijs ook nog enkele keren de Catharijnesteeg als woonadres op.

In 1749 koopt Matthijs een pand aan de Steenweg. Het pand ligt aan de noordzijde van de Steenweg nabij de Buurkerkstraat en de Donkerstraat. Naast het pand zit bakker Van de Bern en de schoenmaker v. Doorn.

In 17?? staat het gezin Gravelaar-v.Roijen geregistreerd als wonend in de wijk Turkije (de Steenweg) met 3 kinderen en 1 personeelslid.

 

Het nalatenschap van vader Matthijs (+1753) komt toe aan de nog in leven zijnde kinderen Cornelia en Willem. De waarde van de erfenis in geld bedraagt voor elk 1897 gulden. Daarnaast worden zij eigenaar van van het pand aan de Steenweg. In 1785 woont het gezin Willem Gravelaar hier .

 

Johanna van IJsendoorn laat 2 onmondige broederkinderen na. Haar ouders (Johannes van IJsendoorn en Cornelia Monix) bezitten veel onroerend goed. (Zie volgende pagina). Bij hun overlijden laten zij 11 huizen, een groot aantal kamers[31] en een tuin de Hortus Medicus na. Matthijs en Johanna van IJsendoorn houden bij de boedelscheiding van de erfenis 4 panden in eigendom.

 

Text Box:

Matthijs en Johanna van IJsendoorn krijgen geen kinderen. Als Johanna van IJsendoorn overlijdt komt haar erfdeel toe aan haar eigen familie, aan haar broer Frederik en haar zus Cornelia.

 


          Aan de singel tussen de Catharijne- en de Weerdpoort. Wellicht heeft het personeel van onze overgrootmoeder Gravelaar-Daub ook nog op deze wijze in open water de was gedaan toen ze in de Catharijnesteeg woonden.  (schilderij 1830)


Overzicht bezittingen familie IJsendoorn. Johannes van IJsendoorn was blijkbaar een soort projektontwikkelaar:

 

1        5 Kamers O.Z. Nieuwe gracht bij de Plompetoren

2        Huis met kamers (14 woningen) met tuin erachter in de Watersteeg achter de Jacobikerk, uitgang Jan Meierpoortje

3        2 kamersen Z.Z. Korte Watersteeg belending O.W. ’t huis genaamd de stad Groll

4        Huis (4 woningen) N.Z. strooijesteeg

5        Kamer (2 woningen) Z.Z. strooijesteeg

6        Kamer (2 woningen) O.Z. strooijesteeg

7        Huis in de vrouw Juttensteeg

8        2 kameren (onder één dak) N.Z. Klaassesteeg Hendrik Hiene is eigenaar van 1 kelder onder één der woningen met een ingang ertussen.

9        Kamer W.Z. Lange Nieuwestraat bij het Koningssteegje

10      3 Kameren bij de vismarkt in een gang genaamd Domsteegje (coffijhuijssteegje)

11      2 Kameren (3 woningen) O.Z. oude gracht tussen de Jacobikerk en de Weerdbrug in het Vossepoortje.

12      Huis N.Z. oude kerkhof

13      Huis (2 woningen) plecht 2.000 gulden ŕ 5% t.b.v. Gerrit van Abbeville, W.Z. Nieuwe gracht bij het Catharijnesteegje.                                               (hoek verkregen uit nalatenschap fam. Monix)

14      Kamer in de Catharijnesteeg.

15      Huis N.Z. oude kerkstraat belending W.W. huis genaamd den Hollandschen tuin.

16      Tuin, in huur bij de edelen grootachtbaren heren gecommiteerden ter directie van stadsfinanctie t.b.v. de Hortus Medicus.

17      Huis N.Z. van het oude Kerkhof cussting 1.500 gulden t.b.v. juffr. Van Everdingen.

18      Kamer perceel Annastraat of Vuylsteeg.

19      Huis met kelder en kluis bewoond door Frederik van IJzendoorn. Perceel tegenover de Waag N.Z. ganzenmarkt. Last op dit huis 2.500 gulden ŕ 4% t.g.v. Johannes Versteeg.

20      Kamer Westhoek van het Jan meijerpoortje aan de N.Z. in de Watersteeg achter de Jacobikerk.

21      Huis, perceel Z.Z. in het Lang Rosendaal.

22      Huis, staande op het bolwerk Morgenster perceel W.Z. van de Weerdpoort bij de wal, erfpacht met canon 10 gulden.

23      3 Kameren Z.Z. van de Bergstraat opgehouden voor 336 gulden.

24      Huis tot verschillende woningen ge-approprieerd met 5 kamers en stallingen daarbij kelders, kluis, gemeengebruik van een poort weg en pomp. W.Z. Nieuwe gracht over ’t vanouds Servaasklooster. Opgehouden 1.548 gulden, belast 500 gulden ŕ 5%.

25      2 Kamers perceel W.Z. Galecopper of Alendorpensteegje, ingang Boterstraat, belending ene zijde kamers van ’t Hoft, opgehouden 225 gulden.

26      Kamer perceel op de Nieuwe Kamp achter ’t Fraterhuis N.W. stadstimmerhuis, opgehouden voor 189 gulden.

27     

 


2.11.                      Willem Gravelaar  (1745)

 

Willem Gravelaar                                         x                 Maria Elisabeth Daub

~4-9-1745 Utrecht                                                          *Laan te Nassau (Duitsland)

+27-6-1804 Utrecht                                                        +16-3-1828 Utrecht

pasteibakker

=================================================================

          1)Matthijs                                          x                 a)Johanna Maria Cassa

           *2‑4‑1785 Utrecht                   2-4-1809                 *D24-2-1793 Den Haag

           +26‑4‑1865 Sappemeer            Utrecht                   +23‑10‑1854 Den Haag

                                                                  x                 b)Anna Barbara Borgers

                                                         16-8-1855                *10-6-1794 Coevorden

                                                         Sappemeer

          2)Maria

            +21-10-1784

          3)Anna Catharina Sophia

            +7-12-1788

          4)meisje

            +

 

Willem Gravelaar is, net zoals zijn vader, pasteibakker in Utrecht.

Kinderen worden zoals gebruikelijk in die tijd gedoopt in de gereformeerde kerk, ook als ze Katholiek zijn.

 

Maria Elisabeth Daub woont in de ‘Donkere Gaard’ als ze overlijdt in 1828 in Utrecht.

Anno 1980 is er in de buurkerksteeg overigens een bakkerij.

 

Op 5-1-1780 koopt Willem Gravelaar een pand van Willem Campagne (wed v. Henrica Jacoba van Beck) in de noord-zuid kant van de Geertesteeg. Dit huis was gelast met 1/2 onderigen voor 3 stuks per jaar ten goede van de Geertekerk.

 

In 1785 woont Willem aan de Steenweg.

 

In 19-1-1786 koopt Willem een pand in de Buurkerksteeg van Jan Vereem voor een bedrag van 1.000 gulden. Een deel van de koopsom voldoet Willem in de vorm van een plecht van 1.000 gulden aan Jan Vereem tegen een rente van 3% jaarlijks. De naam van het huis is ‘De Venezoen Pastij’ en ligt aan de zuid-west kant naast Hendrik Spruit en aan de noord-west kant naast Jan Vereem. Dit huis is jaarlijks belast met een vergoeding aan de Buurkerk.

Tijdens deze verhuizing van de Steenweg naar de Buurkerksteeg ontstaat er onenigheid tussen Willem en Henricus Heerman. De reden hiervan is dat de helft van pand aan de Steenweg in eigendom is van de erfgenamen van zijn reeds overleden zus Cornelia. Cornelia en Henricus Heerman hebben dit bezit als onderpand gegeven voor een lening. Willem handelt zodanig dat hij “schadelijke procedures” voorkomt. Als tegenprestatie verkoopt Henricus Heerman namens zijn 2 minderjarige kinderen de helft van het pand in augustus 1786 aan Willem. De waarde van het pand schatten zij op 2.500 gulden. De twee minderjarige kinderen ontvangen de koopsom (1250 gulden) niet in kontanten, maar omgezet in een plecht met een rentevergoeding van 3ľ %
Text Box:

jaarlijks.

 


          De gotische Buurkerk is uit de 14 en 15de eeuw en is gebouwd op resten van een 13de eeuwse kerk. De kortste weg naar de buurkerkhof was door de kerk. Kerkgangers of niet, men ging er met zijn kruiwagen of mekkerende schapen gewoon doorheen. In 1612 werd dit tijdens de preek verboden. (tekening 1744)

 

Waarschijnlijk zijn de Buurkerksteeg en de Donkerstraat straten met veel horeca. In 1813 wonen in Utrecht 50 publieke vrouwen, waarvan de meesten in de Donkerstraat, de Buurkerkhof en Teerlingstraat. Deze vrouwen bieden hun liefdesdiensten in tapperrijen aan.

 

 

In 16-6-1792 koopt Willem op een pand in de Donkerstraat aan de oostzijde op de noordhoek met het kleine Kerksteegje. Het koopt het huis met erven en grond met zijn annexe kamer. (de kamer in het steegje).

 

Willem Gravelaar en zijn vrouw Maria Elisabeth Daub hebben in 1793 als dienstboden Chris Esseler (inwonend), Louis Utsent, Willemina Schut en Elisabeth van Os. Dit blijkt uit een verklaring van Willem Gravelaar op 21-8-1793. Hij verklaart beide termijnen van de 100en penning voor hem en zijn echtgenote te hebben betaald. Uit deze verklaring blijkt tevens dat hij Roomsch is, en in de Buurkerkhoff in wijk E (zwarte knechten) woont.

 

In 1798 verkoopt Willem het pand aan de Geertesteeg. In het jaar daarop, in januari 1799, verkoopt hij ook het pand aan de Steenweg. Tevens vernieuwt hij in dit jaar, in mei 1799, de plecht van 1.000 gulden op het pand in de Buurkerksteeg tegen een rente van 5% ten gunste van Maria van Scherpenzeel.

Deze verkopen doet Willem waarschijnlijk met het oog op een groot projekt dat hij als ondernemende middenstander gaat starten, namelijk de aanschaf van het bekende Paushuis[32] in Utrecht.

 

bron: http://www.rgl.ruu.nl/rt/asp200/bladz/blad1.htm t/m blad1.htm

Op 31 december 1800 koopt Willem Gravelaar, kok en pasteibakker, voor de som van 32.500 gulden, Paushuize. Hij verandert Paushuize in een logement met restaurant. Ook vinden er notariële verkopingen plaats vinden. Bij aankoop van Paushuize rust er op het pand een plecht[33] van 12.000 gulden ten gunste van wijlen Jacob Landsman.

 

 

In 1804 overlijdt vader Willem. Dit wordt met de volgende tekst in de krant aangekondigd:[34]

Text Box: *** In den afgelopen nacht, ten half 3 uren, trof my en mynen eenigen Zoon, den zwaarften Dag, door het fubiet Overlyden van mynen Man, WILLEM GRAVELAAR, in den ouderdom van ruim 62 Jaren; een gevolg van een onverwacht Toeval, maakten in eenen goeden welftsand, een einde aan zyn leven. Ik ben daar door, met mynen Zoon, in een treurige omftandigheid en rouwe gedompeld, en hoope door de onderfteuning van God, my in myne droefheid te zullen aan onderwerpen.
    Utrecht,			MARIA ELISABETH DAUB,
den 27 juny 1804.			      wed. Willem Gravelaar
NB. Het logement en verdere Affaire, zal worden gecontinueerd door en onder de Firma van de Weduwe W. Gravelaar en Zoon; wordende eene voortduurende prompte en civiele bediening verzekerd.

 

 


In 1806 lost Maria Daub 2 plechten af ter grootte 1.000 gulden aan de weduwe van den Heuvel geboren landsman en de andere ter grootte van 5.000 gulden aan mr. de Wit Hoevenaar. Tevens sluit ze een nieuwe plecht af van 10.000 gulden tegen 5% ten gunste van de erven Koenraad Willem baron van Haersholte in leven heer van Staveren.

 

In 1807 verkoopt Maria Daub de ‘De Venezoen Pastei’ aan de Buurtkerksteeg, voor een bedrag van 1.700 gulden. Op dit pand rust dan nog de plecht van 1.000 gulden.

 

In 1810 verkopen Maria Daub en zoon Matthijs, Groot Paushuize aan het Rijk, wellicht enigszins gedwongen door de Frans overheersing.

Text Box:

 


          Paushuis. Koning Willem III logeert enkele dagen in het Paushuis. (tekening anno 1853)

 

Paushuis

In de balzaal en in de tuin worden exclusieve feesten gegeven voor de Utrechtse bovenlaag. In de Utrechtsche Courant van 24 april 1799 somt Gravelaar alle mogelijkheden van Paushuize uitvoerig op: 'Willem Gravelaar......adverteert hier mede, dat hij die Huizinge cum annexis heeft doen approprieeren, zoo tot het houden van Logement, als tot het geeven van allerhande Maaltijden, zoo ter gelegenheid van Promotien als van alle andere Dinées en Soupées, alsmede omme in de daar toe expres ingerigte groote en brillanta zaal te geeven Dans- en andere Partijen, met verdere kennisgeving, dat hij in een daartoe geschikte en ruime Zaal zal houden Publicque Tafel, dat daar ook hij is een zeer geschikte kamer tot het houden van Publicque Verkoopingen.....', en hij eindigt met 'reccomandeerende zig derhalven jegens primo May 1799, wanneer het een en ander aanvang bij hem neemen zal, in ieder gunst en recommandatie....'. In een schetsboek uit 1800 (in privé bezit) van de gebroeders G.Th.F. en F.H.J. van Utenhove komt een kostelijke schets voor van Paushuize als uitgaansgelegenheid: brave(?) burgers hangen uit de open ramen van Paushuize aan Achter Sint Pieter met het glas in de hand, terwijl hun vrienden in de straat ook geen overdreven ingetogen indruk maken. Ons Wed is niet ver weg.

 

Paushuize heeft een goede naam: in februari 1807 logeert koningin Hortense de Beauharnais, de vrouw van Lodewijk Napoleon, er. De vrouw van Willem Gravelaar, inmiddels weduwe, krijgt toestemming Paushuize officieel aan te duiden als 'het hotel van de koningin van Holland'. ( .... ) Een half jaar later koopt Lodewijk Napoleon Paushuize voor 88.000 gulden en verblijft er vier weken alvorens zijn intrek te nemen aan de Wittevrouwenstraat. Gedurende die periode spelen 's middags grenadiers een uur lang muziek voor de deur van het nieuwe 'paleis'. Na het vertrek van de koning woont er eerst een hoveling, en vervolgens dient het korte tijd als het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Holland. In 1813 doet het Franse Bewind Paushuize over aan de stad, om er een kazerne van te maken. Dit gebeurt niet, maar het huis wordt verhuurd als 'koffiehuis' aan Werner van Schoonhoven, die ter ondersteuning de weduwe Gravelaar in huis haalt. Uit deze jaren weten we, dat Van Schoonhoven in Paushuize concerten liet geven door het "stadsmuziekcollege', een en ander tegen hoge entreeprijzen, zodat ook hier vermoed wordt dat de huurder op het betere publiek mikte.


2.12.                      Matthijs Gravelaar  (1785)

 

Matthijs Gravelaar                                       x                 a)Johanna Maria Cassa

*2‑4‑1785 Utrecht                              2-4-1809                 ~24-2-1793 Den Haag

+26‑4‑1865 Sappemeer                       Utrecht                   +23‑10‑1854 Den Haag

Commies te paard 1ste Klasse                      x                 b)Anna Barbara Borgers

  onverharde terreinen, van                 16-8-1855                *10-6-1794 Coevorden

  ‘s Rijks Belastingen                          Sappemeer

=================================================================

          a1)?

            *18-5-1810 Amsterdam

            +20-?-1810

          a2)Maria Wilhelmina

            *sept-ok 1811

            +2-3-1812 Moordrecht

          a3)Johanna Maria                              x                 Cornelis de Ruiter

            *4-4-1813 Moordrecht                                         *

            +Amsterdam                                                      + <1868 Naarden

          a4)Elisabeth                                       x                 Johannes Leendert Kok

            *7-4-1815 Moordrecht            19-11-1848            *22-12-1803 Oude Pekela

            +Roswinkel                            Oude Pekela         ~1-1-1804 Oude Pekela

                                                                                     koopvaardijschipper

          a5)Theodora Benjamina

            *15‑7‑1817 Hardenberg

            +2‑1‑1838 Sellingen

          a6)Willem Antonie                             x                 Wilhelmina Catharina v.d.Vlist

            *8‑11‑1819 Emmen                 24-8-1845              *Sappemeer

                                                         Groningen

          a7)Matthijs                                        x                 a)Wendeline Muller

            *22‑12‑1821 Termunten          17‑4‑1858              *17‑12‑1825 Roswinkel

            +1900 Rütenbrock                  Emmen                 +31‑5‑1861 Roswinkel

                                                                  x                 b)Anna Dina Nussen

                                                         8-8-1862               *24‑3‑1837 Lindloh

                                                         Emmen                 +1878 Lindloh

          a8)Jacoba Paulina                              x                 Hendrik Albert Paap

            *21-3-1824 Zandeweer           5-4-1848               boerenknecht

                                                         Winschoten             en later korenmolenknecht

          b1)Henderica

            *5-2-1828 Bellingwolde

            +

          b2)Catharina                                      x                 Heike Hanekamp

            *20‑2‑1832 Sellingen                                           spekslager

            +24‑9‑1867 Sappemeer

Text Box:

 

 


          Zo gingen mensen in die tijd in Utrecht gekleed. Kinderen vaak nog op blote voeten. (schilderij anno 1817)

 

Als de vader van Matthijs (Willem) in 1804 is overleden zetten Matthijs en zijn moeder Maria Elisabeth Daub het Paushuis nog enige tijd voort. Een jaar nadat Willem en Maria Cassa zijn getrouwd, in 1810, verkoopt Maria Elisabeth Daub het Paushuis echter alsnog. Maria Elisabeth blijft nog wel bij het Paushuis betrokken.

 

Tijdens zijn huwelijk woont Matthijs in Amsterdam.

 

Text Box: *** Heden avond circa half agt uuren. Verloste zeer voorfpoedig van eene welgefchapene DOCHTER, JOHANNA MARIA CASSA, hartelijk geliefde Echtgenoote van 
   Amsterdam			M. G R A V E L A A R
den 18. Mey 1810

De geboorte van de eerste dochter wordt in een advertentie in de krant als volgt aangekondigd:[35]

Het overlijden van dit kindje wordt enige tijd later aangekondigd met de woorden: Het KINDJE, waarvan myne hartelyk geliefde Echtgenoote op Vrydag den 18den van  Bloeimaand verloste, werd ons heden door den dood ontrukt.  M. GRAVELAAR.  Amsterdam, den 20ften van ? 1820”

 

De 2de dochter Maria Wilhelmina sterft eveneens een half jaar na de geboorte. Ze wordt begraven in het choor van de (gereformeerde) kerk, in stilte. Kosten 5.41 gulden. (tarief jonger dan 4 jaar), In november 1812 is er een verbod ingesteld op het begraven van doden in de kerken. In Moordrecht gaat men er tot 1829 mee door omdat men de grond te drassig vindt. Zowel het overlijden als de dood wordt net zoals bij het eerste dochtertje middels een advertentie in de krant bekend gemaakt.

 

Rond 1811 wordt Matthijs aangesteld in Moordrecht als Commies te paard der Vereenigde Regten. In 1815 is hij controleur van de indirectie belastingen. Zij wonen dan in het huis no 180 te Moordrecht.

 

Vader Matthijs wordt op 21-11-1816 aangesteld als Commies te paard der 2de klasse provincie Overijssel, standplaatsen Losser, Den Ham en Collendoorn bij Hardenberg. Op 27-1-1817 maakt hij promotie tot Commies te paard 1ste Klasse onverharde terreinen, van ‘s Rijks Belastingen. (indirecte belastingen). Hij verdient in die tijd als commies 2de klasse 990 gulden per jaar, als commies 1ste klasse 1.050 gulden per jaar. (een commies te voet 2de klasse verdiende 500 gulden per jaar, een arrondissementsinspecteur 2.100 gulden per jaar)

Op 29-9-1817 wordt hij overgeplaatst naar de provincie Groningen.

 

Mathijs Gravelaar doet pas op zaterdag een volle week later aangifte van de geboorte van zijn zoon Mathijs. Is hij de hele week als Commies te paard op stap geweest, of spelen hier al problemen in het huwelijk?

 

Het gaat niet goed met het huwelijk tussen Mathijs Gravelaar en Johanna Maria Cassa. Op 21-3-1824 krijgt Johanna Maria Cassa een kind in onecht in Zandeweer (gemeente Kantens). Het kind krijgt de namen Jacoba Paulina Wetselaar. De aangifte van de geboorte gebeurt in tegenwoordigheid van Jacobus Paulus Wetselaar, commies der derde klasse van ‘s Rijks Belastingen, wonende te Zandeweer.

 

Matthijs en Johanna Maria scheiden van tafel en bed en gaan beiden hun eigen weg.

 

Johanna Maria Cassa keert terug naar Den Haag. In het bevolkingsregister van 1845 woont zij in wijk V op no. 260 als huisvrouw van Pieter Schilp. Op 11-4-1848 wonen zij op nr. 297, en in 1850 aan het Hoogzandt op huisnr. 293e (achter de Prinsegracht, uitkomende op de Brouwersgracht). Pieter Schilp is geboren in 1806 te Zaandijk en is sjouwer van beroep.

 

Johanna Maria blijkt uit de gratie te zijn bij haar eigen familie. Haar vermogende oom Pieter Adriaan Cassa (+26-11-1842 Den Haag) neemt haar niet op in zijn testament. Was er geen testament geweest dan had zij een vierde deel van zijn vermogen van meer dan 300.000 gulden geërfd (zie tevens bij het gezin Johannes Samuel Cassa *1731). Haar broer Cornelis Anthony is milder. Hij laat zijn neven en nichten Gravelaar elk een legaat na. Jacoba Paulina neemt hij echter niet op in zijn testament, alsof zij er wat aan kan doen.

 

Op 18-2-1828 doet Cornelis van der Tuuk, heel- en vroedmeester in Bellingwolde aangifte van de geboorte van Henderika Borgers dochter van Anna Barbara Borgers. Het kind is dan reeds twee weken oud. Later gaat zij als Henderika Gravelaar door het leven.

Matthijs Gravelaar blijkt te gaan samenwonen met deze Anna Barbara Borgers. In 1836 wonen zij in Sellingen en krijgen nog een dochter, Catharina. Ze kunnen niet trouwen omdat Mathijs formeel nog getrouwd is. Deze Anna Barbara Borgers is geboren in Coevorden als dochter van Johannes Borgers en Henrica Verhoeven en is weduwe van Jocobus Nicolaas Richie (+31‑10‑1826 Bourtange).

Als Johanna Maria Cassa dan uiteindelijk in 1854 overlijdt, kan Matthijs Gravelaar trouwen, hetgeen dan in het jaar daarop gebeurt. Matthijs is dan inmiddels 70 jaar.

 

Plaatsen waar Matthijs Gravelaar is aangesteld en woont:

          1812-1815 in Moordrecht in huis no 91 en 180.

          1817 Hardenberg

          1819 Roswinkel

          1821 Termunten

          1824 Zandeweer, huis no 66 ? (of Gravelaar of Wetselaar woont hier?)

          1832 Sellingen met Anna Barbara Borgers in huis no 10

          1836 Sellingen in huis no 6

          1838 Sellingen

          1842 Oude Pekela

          1855 Sappemeer

          1865 Sappemeer

 

In 1857 is Matthijs Gravelaar gepensioneerd.

 

Geloof

Volgens de registratie bij de burgelijke stand is vader Matthijs gereformeerd en is Anna Barbara Burgers Rooms Katholiek. Zoon Willem Antonie staat geregistreerd als Nederlands Hervormd en zijn vrouw als Rooms Katholiek.

 

 

Dochter Johanna Maria

Johanna Maria krijgt op 1‑8‑1836 in Sellingen een kind. In de geboorte-akte wordt dan vermeld geboren ‘in onecht’. De naam van het kind is Jan.

 

 

Zoon Willem Antonie

Willem Antonie trouwt op 24-8-1845 in Groningen met Wilhelmina Cath. vd. Vlist uit Sappemeer. Zij krijgen 3 kinderen namelijk:

1)Catharina Wilhelmina Theodora Benjamina (*19-8-1848 Andel, gemeente Baflo), ze trouwt op 16 jarige leeftijd op 18-1-1865 in Leek met Dirk Poort, hulponderwijzer.

2)Antony Willem (*2‑5‑1856 Sappemeer)

3)Nicolaas Lambertus Willem Anthony (*Groningen 29-11-1851, +18-2-1913 Deventer). plotseling overleden te Text Box:  Deventer. In 1878 gaat hij lesgeven aan de Rijkskweekschool voor onderwijzers te Deventer. Later is hij ook nog directeur geworden van de Rijkskweekschool. Hier geeft hij 34 jaar lang lesgegeven in rekenen en wiskunde. Gravelaar wordt hoog geschat als docent en geleerde, maar hij is ook voor iedereen een goede vriend. Als docent wordt hij gewaardeerd om zijn helderheid en degelijkheid. Hij verstaat de kunst, een onderwerp zo aan te vatten, dat het na de les eigendom is geworden van de aandachtige leerlingen. Als geleerde stond hij zeker nog hoger. Gravelaar heeft in ook nog een leerboek geschreven: "Leerboek der Rekenkunde". De 2e en 3e druk hiervan zijn in te zien in de Stads- en Athenaeumbibliotheek te Deventer.

Nicolaas schrijft de volgende boeken:

-        Leerboek der rekenkunde, Deel1: 2e1896, 3e1904,

-        Leerboek der rekenkunde, Deel2: 2e1897, 3e1907

-        Opgaven ter toepassing van de theorie der rekenkunde,  Eerste st: 1e(incl.antw.)1896, Tweede st: 1e(id)1898

en artikelen:

-        Over de oorsprong van den naam sinus, Wiskundig Tijdschrift 2 (1906), pp. 12-15.

-        N.L.W.H. Gravelaar, De leerwijze van Ferrari voor de oplossing der vergelijkingen van den vierden graad, Wiskundig tijdschrift 1 (1904), pp. 62-71, 167-171.

-        Cardano's transmutatiemethoden, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 8 (1909), pp. 408-444.

-        Stevin's Problemata geometrica, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 5 (1902), 106-191.

-        De notatie der decimale breuken, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 4 (1900), pp. 54-73.

-        Over de logarithmen van Neper, Supplement op de Vriend der Wiskunde 4 (1892), pp. 103-116.

-        John Napier's werken. Verhandelingen der Koninklijke Academie der Wetenschappen Amsterdam (1e sectie), 6, no. 6 (1899). 159 pp.

-        Pitiscus Trigonometria, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 3 (1898), pp. 253-278.

-        Over de oorsprong van ons maalteken (x), Wiskundig Tijdschrift 6 (1909), pp. 1-25.

-        Euclides 6 (1929-30), p. 205.

 

 

Dochter Elisabeth

Op ‑1‑1842 krijgt zij in Utrecht een onwettige zoon genaamd Matthijs. De baby overlijdt kort daarop op 20‑8‑1842 in Oude Pekela. Zij woont dan weer bij haar vader in huis.

In de overlijdensakte wordt dan vermeld over Elisabeth Gravelaar: laatst gewoond hebbende te Moordrecht. Bedoeld zal zijn geboren in Moordrecht.

Ten tijde van haar huwelijk met Johannes Kok woont zij (zonder beroep) in Oude Pekela bij haar vader Matthijs Gravelaar.

 

Dochter Jacoba Paulina

Op 19-7-1847 eist Jacoba Paulina Wetselaar bij de arrondisements rechtbank van Winschoten erkenning als wettig kind van Matthijs Gravelaar en Johanna Maria Cassa. Zij zou ten onrechte Wetselaar genoemd zijn. Jacoba Paulina trouwt op 5-4-1848 te Winschoten als Jacoba Paulina Gravelaar met Hendrik Albert Paap, boerenknecht te Winschoten. Jacoba Paulina Gravelaar woont dan in Bellingwolde.

 

Dochter Catharina

Haar dochter Catharina Maria overlijdt op 13-02-1868 te Hoogezand. Zij is dan 20 weken oud.

 

Text Box:

 

 


Kleding zoals gebruik in de 2de helft van de 19de eeuw in Nederland. Schilderij “De hofmakerij” door Bernardus J. Blommers

 


Johan Nussen  (circa 1810)

 

Johan Nussen                                              x                 Gerhardina Temmen

                                                                                     *circa 1803 (59 j in 1862)

+29-1-1862 Lindloh                                                         + Lindloh  (Altenschloot)

=================================================================

          1)Anna Dina                                      x                 Matthijs Gravelaar

            *24-3-1837 Lindloh                 8‑8‑1862               *22‑12‑1821 Termunten

                                                                                     +1900 Lindloh

 

 

 

 


2.13.                      Matthijs Gravelaar  (1821)

 

Matthijs Gravelaar                                       x                 a)Wendeline Muller

*22‑12‑1821 Termunten                      17‑4‑1858              *17‑12‑1825 Emmen

+1900 Lindloh                                    Emmen                 +31‑5‑1861

landbouwer                                                 x                 b)Anna Dina Nussen

                                                         8-8-1862               *24‑3‑1837 Lindloh

                                                         Emmen                 +1878 Lindloh

=================================================================

          a1)Johanna

            *24‑5‑1861 Roswinkel

            +2-11-1861 Roswinkel

          a2)Geertruida

            *24‑5‑1861 Roswinkel

            +25‑4‑1862 Roswinkel

          b3)Anna Dina                                    x                 Johannes Stahl

            *24‑3‑1863 Roswinkel                                         *19‑7‑1857 Maten

            +10‑10‑1944 Barnflair                                         +13‑7‑1929 Barnflair

          b4)Matthijs                                        x                 ?

            *3‑1‑1866 Roswinkel

            +3-5-1931 Lindloh

          b5)Rudolf                                          x                 ?

            *24‑5‑1868 Roswinkel

 

In 1840-1844 is Matthijs, blijkens de inschrijving voor de dienstplicht, boerenknecht in Nieuwe Pekela. Hij is dan rond de 20 jaar oud (zijn vader woont op dat moment in de Oude Pekela). Matthijs woont circa 10 jaar later in Veldhuis (Groningen). In 1857 is er een uittreksel voor de dienstplichtige staat. Als hij Wendeline Muller uit Roswinkel leert kennen verhuist hij vermoedelijk om die reden naar de omgeving waar zij vandaan komt. Als hij in 1858 op 36-jarige leeftijd met haar trouwt, geeft hij als beroep dienstknecht op en woont dan in Roswinkel. Wendeline is dan 32 jaar oud. Haar moeder is logementhoudster.

 

Wendeline Müller, de echtgenote van Matthijs Gravelaar overlijdt bij de geboorte van een tweeling. De tweeling zelf blijft ook slechts korte tijd in leven. Mathijs Gravelaar trouwt dan in 1862 opnieuw, namelijk met Anna Dina Nüssen. Matthijs is dan 41 jaar oud en inmiddels landbouwer van beroep.

Anna Dina Nüssen is dienstmeisje. Of zij dienstmeisje is in het huishouden van Mathijs Gravelaar is bij ons niet bekend. De vader van Anna Dina is bij hun huwelijk al reeds overleden. Na 1868 woont het gezin Gravelaar in Lindloh. Hebben zij bij de dood van de moeder van Anna Dina (Gerhardina Temmen) de boerderij in Lindloh overgenomen?


 

In 1910 bezit Matthias Gravelaar een deel van de oorspronkelijke plaats nr. 88 te Lindloh (Altenschloot).

 

 

Zonen van Matthijs[36]

Rudolf (*16-12-1912, zie grafsteen te Rütenbrock). Deze wordt als vermist opgegeven in het einde van de tweede wereld oorlog (+1945)

 

Volgens de mondelinge overlevering (verteld door Margaretha Adelheid Sandker-Stahl (*1890) aan haar schoonzoon Anton) is Matthijs textielhandelaar. Met Matthijs is niet de zoon bedoeld, Volgens Theo Sandker (*1960) is echter verteld over de opa van oma Margaretha Adelheid Sandker-Stahl, dus Matthijs (*1821).

 

 

Kleinzoon Wilhelm

Wilhelm is getrouwd met ene Lidy. (verteld door Tini Börger-Sandker *1924)

Text Box:  Deze Wilhelm Gravelaar heeft een grote textielzaak te Elberfeld-Barmen (bij Wuppertal). In de oorlog komt hij plotseling vaak op bezoek bij familie Jan Willem Sandker-Stahl te Musselkanaal. Zie aldaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

          1931: Bidprentje van zoon Matthijs

 

 

 

 


3.                                Familie Cassa

 

Een dochter van deze familie trouwt met de Gravelaar waarvan de zoon uiteindelijk in het Emsland in Duitsland terecht kwam.

 

 

Volgens het Livre d'Or des familles Vaudoises komt de familie oorspronkelijk uit Lombardije Italie. Aanknopingspunten in Italie zijn nog niet gevonden. Hr. Roel Corzaan vermeld anno 2001 het volgende: “Volgens een oud oom van mij wiens broer een volledige genealogie van de familie heeft laten uitzoeken in verband met een hernieuwde registratie van het familiewapen in Duitsland, gaat de familie terug tot een oud grafelijk geslacht in Italië waarvan de latere familie is uitgewaaierd over Zwitserland en Spanje. Helaas heb ik tot op heden geen inzage kunnen hebben in deze genealogie”

 

In circa 1375 komt er een Chassa voor in Frankrijk (www.familysearch.org)

 

In 1475 wordt ene Chassa genoemd in een lijst van militairen in dienst van Karel de Stoute. Deze vocht toen tegen koning Lodelijk de 4e in Henegouwen in Bourgondië.

Op de een of andere wijze zou een voorouder Cassa uitgeweken zijn naar Zwitserland, waarbij wordt gedacht vanwege een van de vele geloofsoorlogen in die tijd. Vandaar is een afstammeling omstreeks 1650 naar Den Haag gekomen. Een zus Susanna van deze afstammeling blijft achter in Zwitserland

 

Voor een verklaring van de naam kan aan het volgende worden gedacht:

kas = mnl. kasse uit het Noord-Frans casse

koopmansterm uit het Italiaans cassa

 

 


3.1.                          Jean Cassat    (circa 1465)

 

Jean Cassat                                                 x                 ?

=================================================================

          1)Jaques                                            x                 ?

 

 

Woonplaats Henegouwen in Bourgondië. Hij wordt genoemd in Trčve de Soleme 1475 (Bron: Dossier Cassa CBG)

 


3.2.                          Jaques Cassat   (circa 1490)

 

Jaques Cassat                                             x                 ?

=================================================================

          1)Benoit                                            x                 Francoise Bollomey

          *<1577

          2)Rengnyer                                        x                 ?

          *<1588                                     ----------------

                                                         1)Baptiste

                                                         2)Henri

          3)Pierre                                             x                 ?

          *<1588                                     ----------------

                                                         1) Claude

          3)François

          *<1589

 

Jaques Cassat (ook wel Cassaz) du Chatelard is afkomstig uit Lombardije (bron: ACV: Livre d'Or des familles Vaudoises).

Jaques koopt op 17-6-1535 het burgerschap van Lutry (Zwitserland).

 

In 1571 bezit hij een wijngaard in Grandchamps.

 

 

 


3.3.                          Benoit Cassat   (circa 1515)

 

Benoit Cassat                                              x                 Francoise Bollomey

*<1577

=================================================================

          1)Michel                                            x                 ?

 

 

Benoit de Pully wordt genoemd in 1542 (Bron: ACV Jqs Bergier Dg 13 / 2, 133).

 

 


3.4.                          Michel Cassat   (circa 1540)

 

Michel Cassat                                             x                 ?

=================================================================

          1)Antoine                                          x                 ?

 

Michel wordt in 1542 "Fils de Benoit, de Pully" genoemd. Pully is een ander klein plaatsje in de buurt van Lutry.

 

 

 


3.5.                          Antoine Cassat   (circa 1565)

 

Antoine Cassat                                            x                 ?

+Lutry

hospitalier

=================================================================

          1)Francois                                         x                 Marie Bodmer

 

 

In 1589 is vader Antoine hospitalier van Lutry.

 

Antoine wordt genoemd in notariële acten in 1578,1581 en 1588.

 

 


3.6.                          Francois Cassat   (circa 1590)

 

Francois Cassat                                           x                 Marie Bodmer

*Lutry

+Lutry

=================================================================

          1)Benoit                                            x                 Pernette Reimontin

 

 

Francois wordt "fils de Antoine" genoemd en wordt als ‘bourgois de Lutry’ vermeld in notariële acten in 1592, 1596 en 1601 (bron: Dossier Cassa CBG).

 

 


3.7.                          Benoit Cassat  (circa 1615)

 

Benoit Cassat                                              x                 Pernette Reimontin

                                                         10-4-1636

                                                         Lutry

=================================================================

          1)Anthony                                         x                 Maria Jonasdr. de Wolt

            ~27-5-1640 Lutry Zwitserland 1-7-1671               *

            +23-6-1698 Den Haag            Loosduinse            +26-6-1699 Den Haag

                                                         geref. Kerk

          2)Pernette

            ~21-5-1642 Lutry

          3)Suzanna                                          x                 ?

            ~ Lutry

 

Listry (Lutry) ligt aan het Lac Leman nabij Lausanne. In het midden van de 16e eeuw woont hier een Jacob Cassa(t).

 

(Bron doopgegevens: Film Eb78/1-3 I-pag 94 Archives Cantonales Vaudoises.)

 

In de Registratiën in het Memoriaal wordt nog ene Susanna Cassa gevonden die op 2-5-1693 in Zwitserland woont en, volgens haar zeggen, reeds lange jaren armoede lijdende en zuster is van Antoine Cassa, kamerbewaarder van H. Mn. van Groot Brittanje[37]. Die armoe zou wel eens relatieve armoede geweest kunnen zijn.

 

Als Antoine Cassa al 12 jaar in Holland is, heeft hij nog steeds kontakt met Suzanne. Dit blijk als Antoine geld leent aan een zekere Piere. Deze Pierre verplicht zich de lening terug te betalen aan Suzanne in Lutry. (zie verder)

 


Jonas de Wolt  (circa 1610)

 

Jonas de Wolt                                              x                 Annitje Ariens van Dallem

* Bettesbach, hertogdom Zweibrugge 20-4-1636

+                                                       Den Haag

Stalhouder Den Haag

=================================================================

          1)Maria                                             x                 Anthoine Cassa

            ~8-3-1644 Kloosterkerk                                       *27-5-1640 Listry Zwitserland

            +26-6-1699 De Haag                                          +21-6-1698 Den Haag

          2)Jacob                                             x                 Anna Cornelia van de Kerckhoven

            +8-1-1709 (Jacob du Val)

            kapitein reformes

          3)Arnout

          4)Catharina                                        x                 David le Francoys?

 

Jonas de Wolt is afkomstig uit Bettesbach in het hertogdom Zweibrugge.

De komst van Jonas de Wolt naar Den Haag heeft mogelijk te maken met de tachtigjarige oorlog, als stalhouder van een of andere belangrijke aanvoerder van een door de Oranjes gerecruteerd leger. Op 20-2-1637 koopt hij een pand met koetshuizen en stallen aan de Sterlingstraat (nu Casuaristraat ) in Den Haag.

 

Op 1 juli 1671 stemt moeder Annitje de Wolt officieel in met het huwelijk van haar dochter Maria de Wolt met Anthony Cassa. Annitje ondertekent met een kruisje.

Het kerkelijk huwelijk is dan al twee maal geproclameert.

 

Zoon Jacob

Jacob noemt zich in notariële akten du Wault in plaats van de Wolt. Wellicht is du Wault de juiste naam en noteert de schrijver de naam zoals uitgesproken: de Wolt. maar konden de anderen niet schrijven en spraken het uit als de Wolt, wat dan werd opgeschreven.

 


3.8.                          Anthony Cassa  (1640)

 

Anthony Cassa                                            x                 Maria Jonasdr. de Wolt

*27-5-1640 Listry Zwitserland             1-7-1671               *

+21-6-1698 Den Haag                        Loosduinse            +26-6-1699 Den Haag

Kamerhellebaardier, in dienst              geref. kerk

van de prinses Douaričre van Oranje

=================================================================

          1)Anthony Isaac                                x                 Maria Pook

            ~28-6-1675 Waalsche Kerk                                 *1671 Delft

            +12-12-1723 Den Haag                                       +12-12-1752 Voorburg

          2)Anne

            ~15-8-1673 Den Haag Waalse Kerk

          3)Jeane Elisabeth

            ~12-10-1679 Waalse Kerk

          4)Willem Francois

            ~6-6-1672 Waalse Kerk

 

Lidmaten Waalse hervormde gemeente (1637-1710):

- Anthony Cassa

- Marie Cassa

- Anne Cassa

 

Anthony en Maria Jonasdr. de Wolt gaan op 21-6-1671 voor de kerk in ondertrouw.

 

Anthony wordt 23-6-1698 begraven. Op 23-6-1698 wordt 3 gulden ontvangen voor het recht op begraven te worden te Den Haag.

 

Hoe en wanneer Anthony Cassa in Holland is terecht gekomen is niet bekend.

In 7-1-1663 schrijft hij zich in als lidmaat van de Waalsche[38] gemeente in Den Haag.

 

De familie Cassa raakt snel ingeburgerd. In enkele generaties verwerven de leden van de familie zich een uitstekende maatschappelijke positie. Zijn toegang tot de hofhouding van de Oranjes heeft mogelijk bijgedragen aan de snelle stijging op de maatschappelijke ladder.

 

Antoine Cassa maakt deel uit van een garde Zwitserse hellebaardiers. Dit blijkt uit een notariële akte voor Antoine Cassa waarin als getuige twee “corporaux de la compagnie des Suisses hellebardiers de Sr. A:” optreden. (Met Sr. A: wordt bedoeld seigneur Anthoine)

 

In 1669 en 1673 is Anthony hellebaardier bij Hare Hoogheit de princesse douarričre van Oranje Mary Stuart.

 

In 1672 is hij getuige bij een notariële akte die in de Engelse taal wordt opgesteld. Beheerste hij de Engelse taal reeds of heeft hij dat geleerd voor zijn positie als kamerhellebaardier van Hare Hoogheit Mary Stuart.

 

Op 13-2-1673 maakt Maria de Wolt, huisvrouw van Anthony Cassa een testament. Ze is dan “Sieck te bedde leggende doch haere memorie rede verstant ende sinnen wel hebbende ende geen uijtgesondert als uitwendig bleeck d’ welcke overdijncken de seeckerheijt des doods ende de onseeckere wijze vandien willende deselve voorcoomen met testamentaire dispositie van de goederen bij haer testatrice metterdood te ontruijmen ende naer te laeten beveelende eerst ende alvoorens haere ziele inde genade ende barmartigheid Gods”.

Anthony Cassa krijgt het vruchtgebruik over de hele erfenis, met uitzondering van 1.000 carolus gulden die zullen toekomen aan haar twee broers Aernout ende Jacobus de Wolt. Eveneens zijn haar twee broers de uiteindelijke universele erfgenamen.

Blijkbaar is ze op dat moment erg ziek. Ze overlijdt echter niet.

 

In 1674 is Anthony hellebaardier bij Sijne Hoogheit prins Willem II.

 

Op 28-12-1677 wordt Antoine middels de volgende acte aangesteld als griffier:

Nr. 181: Acte voor Anthony Cassa als griffier van de presentie Camer van Hare Hoogheyt. 28 december 1677: “Sijne Hoogheyt heeft tot griffier van de presentie Camer van Hare Hoogheyt; mevrouw de Princesse van Orange en gemalinne, aangenomen en gesteld de persoon van Anthony Cassa (woongemeente 's-G) nu lange jaars getrouw gediend hebbend. Ordonnerende hiermede dat IJsbrand van Noortwijk aan Anthony Cassa dient te betalen een gagie van 300 guldens/jaars ingang genomen hebbbende met de 19e november en tot anders zal worden geordonneerd. Acte Den Haag 28 December 1677”

 

In 1678 is Anthony kamerhellebaardier bij Hare Hoogheijt Mary Stuart.

 

Op 25-1-1679 wordt Anthony d.m.v. de volgende acte aangesteld als hellebaardier in dienst van Willem III:

Nr. 151: Acte voor Anthony Cassa als Hellebaardier van Sijne Hoogheyt in date 25 January 1679: “Sijne Hoogheyt heeft in plaetse van Alexander Prewool nu onlangs overleden tot sijnen Hellebaardier aangenomen bij desen Anthony Cassa gevoegene Hellebaardier van Hare Hogheyt ende dat op gelijke gagie van honderd gulden jaars en vijftig stuyvers daags voor costgeld als bij den voornoemde Alexander Prewool tot sijnen overlijden is genoten”.

 

In 1679 wordt Antoine nog genoemd op een lijst van Hare Hoogheyts (Mary Stuart) bedienden:

Nr. 603/38 Lijste van Tractementen van Hare Hoogheyts bedienden in dato 2e Meij 1679:          Sijne Hoogheyt ordonneert hiermede Sijnen thesaurier ende Rentmeester Generaal Dirck Verhaagen jaerlijcks te betalen aen de volgende personen hetgeen achter ieders naam is uitgedrukt: “Aen Anthony Cassa pagie van de presentie Camer 300//0//0”.

Hiermee was Antoine met een aantal anderen de laagst betaalde van de lijst. De hofmeester kreeg b.v. 666 gulden en de opperstalmeester 1.066 gulden[39].

 

 

Antoine Cassa is niet onbemiddeld. Hij treedt op als geldschieter. Hij leent hierbij behoorlijke bedragen uit. Vermoedelijk bezit ook Maria de Wolt behoorlijk wat geld. Na zijn huwelijk in 1671 met Maria de Wolt leent Antoine aanzienlijk hogere bedragen uit. Maria lijkt hier duidelijk de hand in te hebben. Een enkele maal treedt zij zelf op als verstrekker van een geldlening of tekent zij voor de aflossing van de lening. De hieronder genoemde geldleningen zijn bekend.

1) Op 4-9-1668 leent Anthony 207 francs hollands geld “ŕ 20 sol le franc” aan baron F.L.N. Bonstettin. Dit wordt bij notariële akte vastgelegd in de Franse taal. (zie voor de akte in het boek “Akten en testamenten” bij de datum 28-5-1665).

De baron kan het bedrag zowel in Holland als in Zwitserland terugbetalen. Op 28-5-1669 heeft Anthony het geld echter weer nodig. Hij cedeert dan de schuldbekentenis aan Jean Poincet, koopman en burger in Den Haag.

2) Op 6-9-1674 leent Maria de Wolt een bedrag van 400 gulden aan J.D. Camps, wapenbewaarder van zijn hoogheid de prins van Oranje en meesterpistoolmaker te Den Haag. Terug te betalen over 1 jaar precies met een rente van 5%.

3) Op 25-7-1678 leent Anthony een bedrag van 300 gulden aan Jacob du Wault. Als onderpand een erfenis die zijn vrouw Anna Cornelia van de Kerckhove toekomt.

4) In april 1679 leent Anthony Cassa een bedrag van 2.400 gulden aan Matthijs Haseur, klerk ter secretarie van de Heeren Raden van State. De rente wordt vastgesteld op 6% per jaar. Haseur stelt als onderpand een schuldbekentenis van Johan Camphuijsen, Capn van een compagnie artillerie van 3.893 gulden.

5) Op 4-4-1680 leent Anthony een bedrag ter grootte van 2.400 gulden aan Johan Dimer solliciteur[40] in Den Haag, tegen een rente van 4,5% terug te betalen over 6 maanden. Als onderpand cedeert Johan Dimer zijn soldij aan Anthony Cassa. Johan Dimer lost zijn schuld in januari 1681 af zoals aangetoond met een kwitantie van Maria de Wolt.

6) Op 31-3-1681 leent Anthony een bedrag van 2.600 gulden aan de heren Wilbrennick en Gerard Groenewegen, postmeesters te Den Haag. Als onderpand ontvangt Anthony 2 obligaties. Maria de Wolt tekent voor de aflossing in juni 1682.

7) Op 21-6-1682 leent Anthony een bedrag ter grootte van 2.000 gulden aan zijn zwager Jacob en schoonzuster Anna van de Kerckhove. De rente is 4% en terug te betalen over 1 jaar precies.

8) Op 21-6-1682 leent Anthony een bedrag ter grootte van 2.000 gulden aan Jacob de Wault. De rente is 4% en eveneens terug te betalen over 1 jaar precies. Dit terugbetalen is lastig voor Jacob, op 11-8-1684 cedeert hij 3 obligaties aan Anthony: Namelijk een schuldbekentenis ter grootte van 387 gulden, een schuldbekentenis van 1.817 gulden en 50 cent en een derde schuldbekentenis van 200 gulden voor huisvesting, drank, vordering en geleend geld. Deze schuldbekentenissen zijn van Rombout Rombouts, inwonend bij Jacob du Wault.

9) Op 12-7-1683 leent Anthony een bedrag van 70 franc ŕ 20 sol in hollandse geldstukken aan Pierre Blanchet. Pierre Blanchet is van geboorte uit Listry bij of in de buurt van Lausanne. De vader van Pierre Blanchet zal dit bedrag terugbetalen in “escus blancs” aan Suzanna Cassa zuster van Anthony wonend in Zwitserland. Dit wordt bij notariële akte vastgelegd in de franse taal.

 

 

Moeder Maria en haar broers Aernout en Jacob de Wolt erven van hun ouders een huis met erf en 3 koetshuizen en 2 stallen. Het pand ligt aan de zuidzijde in de Sterlingstraat (in 2000 de Casuariestraat), tussen het Bleijenburg en de Prinsessegracht. Op 19-2-1684 koopt Anthony (*Listry) het aandeel van Aernout en Jacob voor respectievelijk 1.700 en 1.800 gulden. Het resterende deel is reeds in bezit van Anthony Cassa en zijn minderjarige zoon. Belending oost de heer Vossius, belending zuid de burgemeester Van Beuningen. Dit belendende huis van mr. Coenraad van Beuningen, groot van beslag en hebbende een groot aantal kamers vertoont zich van de zuidzijde als een groot paleis. Dit huis ligt achter enkele huisjes aan het Bleijenburg en is te bereiken via een nauw steegje. De tuin loopt tot aan de Prinsessegracht.

 

 

Zoon Anthony Isaac

Antoine Isaac is de enige zoon. Hij wordt solliciteur[41] militaire. Dit ambt kan aanzienlijke voordelen met zich meebrengen. Een goed betaalde baan die contacten met zich meebrengt met personen op invloedrijke postites.

In 1685 ontvangt Anthony Isaac 30 francs uit een erfenis zoals vastgelegd in het testament van Jean du Commun, citoijen de Genčve en chef d’office de S:A: Monseigneur le prince d’Oranje.

 

 

Dochter Jeanne Elisabeth

Ze wordt gedoopt in de Waalse Kerk.


3.9.                          Hendrik Janszn. Pook  (circa 1600)

 

Hendrik Janszn. Pook                                  x                 ?

=================================================================

          1)Nicolaas                                         x                 a)Catharina van der Maes

            *14-8-1630 Leiden                  19-9-1653              *4-11-1646 Leiden

            +17-6-1702 Leiden                  Leiden                  +23-12-1668 Leiden

                                                                  x                 b)Maria van Campen

                                                         16-4-1670              *

                                                         Leiden                  +

                                                                  x                 c)Johanna van der Marck, weduwe

                                                         18-5-1690                van Cornelis van Goten, greinreder

                                                         Leiden

 

De familie Pook is een familie in Leiden waarvan enkele leden het ambt van schepen of andere belangrijke stedelijke ambten vervullen.

 

 

Adriaan van der Maes (circa 1615)

 

Adriaan van der Maes                                 x                 Bersbaba Bernaets

=================================================================

          1)Catharina                                        x                 Nicolaas Pook

            *4-11-1646 Leiden                  19-9-1653              *14-8-1630 Leiden

            +                                           Leiden                  +

          2)Jacob                                             x                 Dorothea Vliethoorn

            *Leiden                                  24-3-1655             

            +Leiden 1696                         Leiden

            Lid van de vroedschap van Leiden

            en schout van Leiden.

          3)Agatha                                           x                 Cornelis van Groenevelt

                                                         1-3-1669

          4)Maria                                             x                 Pieter van Dorp

                                                         23-6-1682              Huiszitter-meester, lid van de

                                                                                     vroedschap, weesmeester.

                                                                                     Thesaurier extraordinairis gecom-

                                                                                     miteerde de raad.

 

Zoon Jacob

Jacob treedt enkele jaren op als rechterhand van Willem III in de Leidse vroedschap.

Hij zorgt voor een plaats in de vroedschap voor zijn neef Hendrik Pook.

Een andere neef van Jacob is Nicolaas van der Maes. Deze Nicolaas is getrouwd met Haesje van

Assendelft en zij hebben dochter Maria.


Nicolaas Pook (1630)

 

Nicolaas Pook                                             x                 a)Catharina van der Maes

*14-8-1630 Leiden                             19-9-1653              *4-11-1646 Leiden

+17-6-1702 Leiden                             Leiden                  +23-12-1668 Leiden

boelhuismeester                                           x                 b)Maria van Campen

                                                         16-4-1670              *

                                                         Leiden                  +

                                                                  x                 c)Johanna van der Marck, weduwe

                                                         18-5-1690                van Cornelis van Goten, greinreder

=================================================================

          1)mr. Hendrik                                    x                 Jacoba Walkiek

            ~20-10-1658 Leiden                8-7-1681               ~31-7-1661

            +12-2-1707 Leiden                  Leiden                  +16-4-1736 Leiden

          2)Maria                                             x                 Anthony Isaac Cassa

            ~3-3-1666 Leiden                   6-9-1693               ~28-6-1675 Waalsche Kerk

            +11-12-1752 Voorburg            ondertrouw            +12-12-1723 Den Haag

                                                         Delft

 

Nicolaas Pook is boelhuismeester, regent van het Catharina en Cecilia-gasthuis.

Benoeming tot gasthuisregent is weggelegd voor burgers die al een zekere sociale positie hebben opgebouwd. Deze positie biedt mogelijkheden voor stijging op de sociale ladder tot in de vroedschap, o.a. door de bereikte positie steeds de juiste familiebanden aan te knopen. Zoon Hendrik wordt, gebruikmakende van de door zijn vaders huwelijk verkregen opstappen, lid van de vroedschap.

Zijn derde vrouw Johanna van der Marck is eveneens zuster van een lid van de vroedschap.

 

Zoon Hendrik

Mr. Hendrik is advocaat en huiszittenmeester[42] in 1687-1689, regent van het weeshuis 1690-1695, lid van de vroedschap 1694-1707, ontvanger van de gemene landsmiddelen 1700-1707, weesmeester van 1701-1706, schepen van 1702-1705 en 1707.

 


3.10.                      Anthony Isaac Cassa  (1675)

 

Anthony Isaac Cassa                                   x                 Maria Pook

~28-6-1675 Waalsche Kerk                6-9-1693               ~3-3-1666 Leiden

+12-12-1723 Den Haag                      ondertrouw            +11-12-1752 Voorburg

Solliciteur militaire                              Delft                     (wonende te Den Haag)

=================================================================

          1)Elisabeth Marie

            ~13-6-1694 Waalsche kerk Den Haag

            +14-5-1716 Den Haag

          2)Frederik Abraham                           x                 Cornelia de Reus

            ~25-7-1696 Groote kerk Den Haag                      ~5-9-1706 Den Haag

            +4-11-1776 Den Haag                                         +27-12-1783 Den Haag

          3)Anthony Johannes

            ~23-5-1698 Kloosterkerk

          4)Marie Anne

            ~4-6-1699 Waalsche kerk Den Haag

            +26-6-1699 Den Haag

          5)Maria Suzanna                                x                 mr. Jan van der Gort

            ~6-3-1701 Voorburg               26-3-1725

          6)Anthony Jacobus

            ~27-3-1703 Voorburg

          7)Elisabeth Maria

            ~23-1-1707 Voorburg

            +14-5-1716 Den Haag

          8)Jacoba Cornelia

            ~20-10-1709 Voorburg

          9)Anthony Isaac                                x                 Catharina de Neder

            ~26-8-1711 Voorburg

            +19-1-1762 Voorburg

          10)Anna Anthonia

 

Anthony trouwt met Maria Pook uit Leiden. De afkomst van zijn vrouw uit Leiden zou er op kunnen duiden dat hij haar ontmoet heeft tijdens zijn studie rechten op de universteit in Leiden.

De afkomst van Maria Pook is mogelijk fout. Maria heeft een broer Anthony Pook. Het geboortejaar van Maria moet zijn, uitgaande van 81 jaar oud in 1752, 1671. Dit scheelt 4 jaar met de gevonden datum van 1666. De vraag is of zij afkomstig is uit Leiden of Rotterdam.

 

Bij het overlijden van Anthony Isaac wordt er 15 gulden betaald voor de impost voor het begraven van Anthony Isaac. Voor de begravenis van dochter Marie Anne wordt 3 gulden betaald aan impost.

 

Het huis met erf, stallen en koetshuizen aan de Sterlingstraat erft Anthony Isaac van zijn ouders.

Hij verkoopt in mei 1700 dit huis incl. erf en koetshuis mitsgaders[43] nog een stal en een grootkoetshuis voor 5.000 gulden aan mr. Laurens Ravens, advocaat aan het hof van Justitie.

 

Vermoedelijk koopt Anthony Isaac rond 1700 een buitenplaats in Voorburg[44] en gaat het gezin daar wonen.

 

Op 11-9-171? cedeert Anthony Isaac twee obligaties van Gaspar Masclarij uit Den Haag. Eén obligatie ten comptoire van de Unie ten laste van de heren ontvangers generale comptoir de Jonge Ellemeet en Gijsbert van Hogendorp, de ene ter grootte van 2.500 gulden dato 27-11-1656, en de andere ter grootte van 2.500 gulden dato 3-12-1685.

 

In februari 1723 koopt Anthony Isaac voor 600 gulden een huis met erf van Johan Ernst Stieffels medisch doctor. Anthony Isaac is zelf niet aanwezig bij het transport. Zijn schoonzoon Jan van der Gort compareert namens hem. Het huis met erf is gelegen aan de westzijde van de Boekhorststraat, belending noord is de weduwe Houwerts, zuid Willem Mansvelt en west de gemene gang.

Wat hij met dit huis voor heeft is niet bekend. Dat hij vertegenwoordigd werd door zijn schoonzoon kan er op duiden dat hij lichamelijk al zwakker is.

 

In de loop van 1723 blijkt Anthony namelijk ziek te zijn. Hij is dan 48 jaar oud. In september 1723 verzoekt Anthony Isaac om ontslag uit de schutterij wegens indispositie, blijkende uit de attestatie van J. Cuyper medisch Doctor. Verzoek toegewezen 27-9-1723. Wellicht is het vanwege zijn “indispostie” dat Anthonie Isaac het huis in Den Haag koopt, omdat hij het reizen vanuit Voorburg naar zijn werkzaamheden te zwaar vindt:

- In september 1723 koopt Anthony Isaac in de nabijheid van zijn nieuwe huis een tuin met tuinhuis voor 600 gulden. Deze tuin komt uit op een “gemene gang uitkomende op de westzijde van de Breestraat of Beestenmarkt”. Belending zuid de verkoper, noord de weduwe van Pieter van Dobben, oost Jan Veelen en west Hendrik le Sage.

Anthony overlijdt in december van dat jaar.

Zoon Anthony Isaac erft waarschijnlijk de buitenplaats in Voorburg.

 

In 1740 geeft Maria Pook opdracht aan Hendrik Willem Pranger, notaris en makelaar, de tuin aan de Beestenmarkt te verkopen. Cornelis van Gelderen koopt de tuin in september 1740 voor 700 gulden

 

Als moeder Maria Pook in 1752 overlijdt verblijft zij op de buitenplaats te Voorburg. Er wordt vermeldt dat zij dan 81 jaar oud is.

 

 

Zoon Anthony Isaac

 

mr. Anthony Isaac Cassa                             x                 Catharina de Needer

~26-8-1711 Den Haag                        26-2-1746              *4-10-1726 Kaapstad

+16-1-1762 Den Haag                        Kaapstad              +23-1-1795 Den Haag

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

          1)Maria Beatrix                                 x                 mr. Willem Anna Cava

            ~20-11-1746 Den Haag           27-1-1771

            +20-1-1782 Batavia                Breda

          1)Catharina Cornelia                          x                 Arman Hardy

            ~3-11-1748 Wassenaar           Breda

            +23-6-1796 Den Haag ‘aan water’

          2)Anthonia Frederika Johanna

            ~20-6-1751 Voorburg

            +6-5-1752 Voorburg

          3)ongedoopt

            +16-5-1752 Voorburg

          4)Elisabeth Catharina                         x                 Willem Daniel Vignon

            ~29-6-1753 Voorburg              9-4-1772               *18-11-1751

            +                                           Maastricht             +2-9-1790 Batavia

                                                                                     burgemeester van Maastricht

          5)Adriana Catharina                           x                 Francois Emanuel de Wetteville

            ~23-6-1756 Den Haag            19-9-1779              *Den Haag

            +                                           Breda                   +

          6)Anthony Abraham                           x                 a)Anna van de Haer

            ~8-1-1760 Nieuwe kerk          27-10-1782            *12-9-1753 Leeuwarden

            +23-9-1817 Batavia                Harlingen              +<1802

                                                                                     b)Anna Maria Frederica von Liebeherr

                                                                                     *circa 1787 Utrecht

                                                                                     +26-11-1848 Rijswijk

 

In de verbalen van verbeterhuizen wordt vermeld dat Anthony Isaac Cassa in 1732 wordt opgesloten in het verbeterhuis[45] "De Drie Taarlingen" in Delft. De reden voor de opname is niet duidelijk. Er zijn twee mogelijkheden om uit deze verbetertehuizen te komen: of op verzoek van de naaste familie of door naar Indië te gaan. Anthony Isaac blijkt te kiezen voor Indië. Hij vertrekt op 2-2-1734 naar Indië en wordt daar procureur. Vanaf 19-1-1741 is hij secretaris van de schepenbank te Batavia. In 1745 wordt hij oppercoopman. Hij repatrieert in 1746. Voor een verslag van Anthony Isaac in het verbeterhuis zie verder.

 

Request aan de Magistraat: verzoek van Anthony Isaac Cassa om een “brieve van voorschrijvinge tot het obtineren van het notarisambt”. Toegestaan 30-1-1733.

 

In 1748 wordt Anthony Isaac genoemd als oud-opperkoopman bij de Oost-Indische Compagnie en gewezen secretaris van de Agtbaren heren/schepenen van de stad Batavia.

 

Anthony Isaac woont later op de buitenplaats Overburg te Voorburg. Deze buitenplaats met boerenwoning en 4 morgen land ligt aan de Vliet, in Tedingerbroek. (Tedingerbroek ligt tussen Voorburg en Stompwijk). In beschrijvingen van buitenplaatsen in Voorburg is deze niet opgenomen. Op de kaart van Cruquius uit ... is een buitenplaatst Overburg ingetekend naast de bekende buitenplaats[46] Zuiderburch aan de Vliet (noordoostzijde).[47]

 

Anthony Isaac bezit eveneens een huis aan de Prinsegracht en een huis in de Herderstraat in Den Haag. Het huis aan de Prinsegracht (adres anno 2001 is Prinsegracht 32) ligt vlak naast het huis van zijn broer en onze voorvader Frederik Abraham Cassa (*1696).

 

Hij maakt zijn testament op 22-12-1761. In dit testament stelt hij Fredrik Abraham Cassa, Mr. Anthony Isaac Cassa en Mr. Johannes Samuel Cassa aan als voogden over de minderjarige kinderen.

 

Als hij in 1762 overlijdt verblijft hij in Den Haag. Als doodsoorzaak wordt opgegeven: “verval van krachten”. Hij wordt vervoerd naar Voorburg en 1ste klasse begraven.

 

Catharina de Neder woont na het overlijden van Anthony Isaac in Breda. Zij wil in 1767 hertrouwen met mr. Willem Anna Cava. Volgens het testament moet zij in het geval zij zou hertrouwen, alles wat zij heeft geërfd, afstaan aan de kinderen. Frederik Abraham (*1696), Johannes Samuel (*1731) en Anthony Isaac (*1724) zijn de voogden van de 5 minderjarige kinderen. Op 21-12-1773 vindt de scheiding van de boedel plaats. De buitenplaats met boerenwoning te Tedingerbroek gaat dan in de verkoop. Cornelis Nicolaas Schuylenburg is de koper van de buitenplaats.

 

Het verblijf van Anthony Isaac in het verbeterhuis de "Drie Taarlingen" te Delft

Een verslag in 1732 van de Commissarissen van het Verbeterhuis de Drie Taarlingen.

“Verders hebben wij Commissarissen ons uyt het gemelde Beterhuys vervoegt naar een tweede Beterhuys binnen de stad Delft, genaamt de Drie Taarlingen, alwaar wij Commissarissen aan de Casteleyn en dessels huysvrouw ons hebben geďnformeerd op de personen aldaar geconfineert en haar afge.....(onleesbaar) de Actens van den Hove uijt kragte van dewelke dezelve aldaar waren geplaatst en uijt dezelve verstaan, dat aldaer waren geconfinieerd eenen Teaxelius geweesene Predikant op Ooltgensplaat, dogh alsnu Emeritus, en eenen Antoni Isaac Cassa, en dat de getuyygenisse die zij ten opsigte van de geconfineerdens konden geeven, voordeligh waren en dat haar gedragh hun ordentelijk was voorgekomen, dat alle weeken voor de geconfineerdens een predicatie door een Cattechiseermeester wierde gedaan, en andere Godvrugtige oeffeningen, en zijn wij Commissarissen door de geconfineerden geďnformeert geworden dat zij betuygden omtrent de behandelingen van de Casteleyn en desselfs vrouw alsmede omtrent hun gemak en voedsel te zijn voldaan en de uyterste redenen te hebben van vergenoegt te zijn.”

“Verders hebben wij Commissarissen voor ons doen komen Anthony Isacq Cassa en aan deselve in generale termen voorgehouden sijn voorgaande onbehoorlijk gedrag met de redenen van zijn confinement en de verders afgevraagd wat reedenen van zijn beterschap en berouw hij aan ons Commissarissen soude konnen suppetiteren. Waarop favorable reflectie omtrent het obtineren van ontslag uyt zijn confinement bij zijn moeder soude konnen te werden gemaakt en wat hij in soo een cas soude konnen bij der hand nemen, om als een eerlijk man door de Wereld te geraaken, ende heeft de voornoemde Cassa aan ons Commissarissen moeten erkennen volkomen reeden aan zijn moeder en aan zijn voogt te hebben gegeven omme hem te confineeren als was geschiedt, dat hij wegens zijn jonkheid, als maar omtrent de twintig jaren oud zijnde, door quaad geselschap was verleyd gewerden, dogh dat hij aan ons Commissarissen verklaren een waar berouw en leetwesen van zijn vorig quaad gedragh te hebben en ook beloofde blijken van beterschap te sullen geven en indien zijn moeder hem geliefde te bestellen op een Comptoir (als wel ter penne zijnde) het zij als boekhouder of anders, of indien zij hem (als het anders niet weesen konde) wilde laaten vaaren naar Oost-Indië (hoewel hij sigh tot het eerste veel liever bequaam wilde maaken) hij zijn voorige conduites sodanig soude veranderen en verbeteren dat zij reedenen soude hebben van over zijn gedrag content te zijn”. (Bron: ARA; Verbalen Hof van Holland, toegangscode 3.03.01.01, archiefnr. 6087).

 

 

Kleindochter Maria Beatrix

In de lijst met burgemeesters van de gemeente Oudenbosch wordt het volgende vermeld: Willem Ceva, krachtens behaald diploma op 3 juli 1756 te Leiden, wordt in de jaren 1775 binnen Oudenbosch als practiserend advocaat toegelaten. In 't najaar 1780 vertrekt hij naar Indië als "Raad van Justitie". Van 28-5-1776 tot en met 1780 wordt hij genoemd als burgemeester van Oudenbosch en van 1778 t/m 1780 als "President-Schepen" van Oudenbosch.

 

 

Kleindochter Elisabeth Catharina

Zij laat zich op 1 maart 1770 inschrijven als lid van de Waalse kerk in Breda van waar zij zich op 5 juni 1772 liet uitschrijven. Zij trouwt gereformeerd met attest van de Waalse kerkeraad.

Mr. Willem Daniël Vignon is heer van Meyssenbroek, advocaat, schepen (1774), gezworene, schepen en burgemeester van Maastricht (nov. 1773 - 1776), hoogdrossaard van land van Valkenburg en 's-Hertogenrade (1774-1786), vertrekt naar Oost Indië in 1789, op 28 augustus 1789 in patria aangesteld tot advocaat-fiscaal te Batavia (1789 - 1790).

In 1789 draagt Willem Daniël Vignon het leengoed Meyssenbroek over aan zijn zwager Jan Willem Heldewier.

 

 

Kleindochter Adriana Catharina

Op 19-3-1772 laat zij zich inschrijven in de Waalse kerk te Breda. Op 4-4-1795 laat zij zich inschrijven bij de Waalse kerk in Oosterhout van waar ze op 7-4-1797 is vertrokken naar Bern (Zwitserland).

Adriana trouwt te Breda op 19 september 1779 voor de kerk, op 23-jarige leeftijd met  Francois Emanuel de Watteville, geboren te Loins.

Het geslacht de Watteville behoorde tot de oude adel uit Zwitserland. Zij werden ingelijfd in de Nederlandse adel met de titel van Baron op 4 november 1858. Het familiewapen wordt als volgt omschreven: In rood drie zilveren vleugels, 2 en 1. Half aanziende gekroonde helm. Helmteken: een uitkomende, goud gekroonde, rood geklede, zilver omgorde vrouw in natuurlijke kleur, de armen vervangen door twee zilveren vleugels. Dekkleden: zilver en rood. Schildhouders: Twee zilveren griffioenen. Wapenspreuk: SUB UMBRA ALARUM TAURUM PROTEGE ME, DOMINE.

 

 

Kleinzoon Anthony Abraham

Anthony Abraham wordt gedoopt in de Nieuwe kerk. Getuigen bij de doop zijn Frederik Abraham Cassa en Cornelia de Reus. Van vader Anthony Isaac wordt hier nog vermeld dat hij oud opper Coopman en gewesen secretaris van de Hoogmogende Heren scheepenen der stad Batavia is geweest.

Zelf vetrekt Anthony Abraham in 1794 naar Indië. Er wordt vermeld dat hij als Onderkoopman buiten emplooi op 18-7-1794 in afwachting van emplooi naar Java gaat, waar hij eerst kassier en ontvanger der domeinen wordt en op 26-10-1795 wordt hij eerste pakhuismeester te Semarang.

In de tijd van de inbezitneming van Java door de Engelsen in 1811 wordt hij in 1813 door de Engelse Gouverneur Thomas Stamford Raffles naar Japan gezonden, om er het kantoor voor de Engelsen in bezit te nemen en tevens als Opperhoofd aldaar in funktie te treden. Door de vastberadenheid en Vaderlandsliefde van het Nederlandse Opperhoofd Hendrik Doeff worden de maatregelen van de Engelsen verijdeld en blijft de Nederlandse vlag op Decima waaien. Hendrik Doeff zelf beschrijft de situatie als volgt:

"Eindelijk, o vreugde! in Hooimaand 1813 kwamen twee Hollandsche schepen in het gezigt. Geen twijfel kon er bestaan, want die schepen gaven het in 1809 bepaalde geheime sein, en de afgegeven verpraaibrieven waren in orde. Het voormalige Opperhoofd Wardenaar, Raad van Indië, was als Commissaris aan boord, alsmede het nieuwe Opperhoofd Cassa. En toch, het bleek dat het eiland Java den Engelschen in handen was gevallen, en dat Wardenaar met eenen Engelschman, vanwege den Engelschen Luitenant-Gouverneur over Java en ondehoorigheden, naar Japan kwam, om van het Nederlandsche Opperhoofd het eilandje Dezima met de Faktorij, voor de Engelschen over te nemen. Moeijlijk, ja verpletterend was deze toestand voor al de in Japan zijnde Nederlanders, maar bovenal voor Hendrik Doeff. Hij liet zich evenmin bevreesd maken, als omkopen. Doeff en Blomhoff (de pakhuismeester) deden de beide Britsche Commissarissen gevoelen, hoe eensdeels hun leven en dat van alle opvarenden steeds in het dringendst gevaar verkeerde; en hoe anderdeels, op het zachts genomen, als te onregt van de Nederlandsche vlag hebbende gebruik gemaakt, de schepen en lading van regtswege verbeurd, en zij met de hunnen als krijgsgevangenen te beschouwen waren. Zodra zij daarvan overtuigd waren, moesten zij zich elk voorstel laten welgevallen. Met de Commissarissen Wardenaar en Ainslie sloot het Opperhoofd eene overeenkomst tot afbetaling der schuld van de Faktorij aan de Nagasakische geldkamer, ten bedrage van ruim 112.000 thails, tot aan het einde van 1813, uit de aangebragte goederen. In dier voege werden de zaken geschikt. De schepen met beide Commissarissen en het medegekomen Opperhoofd Cassa vertrokken".

Dit eerste verblijf van Anthony Abraham Cassa in Japan duurde ongeveer 4 maanden. De Nederlandsche gemachtigde Cock Blomhoff was eveneens met deze reis naar Java gegaan om met de Luitenant Gouverneur van Java de overeenkomsten af te sluiten. Het enige struikelblok hierin bleef de onafhankelijkheid van de Nederlanders. Hij werd verzocht zich aan het hoofd te stellen van een nieuwe zending naar Japan. Ondanks een aanbieding van Rx 15.000 bleef hij weigeren.

 

Voor de tweede maal wordt Anthony Abraham Cassa als Opperhoofd naar Japan gestuurd. Deze tweede tocht wordt als volgt beschreven:

"Het van Batavia afgezonden schip kwam den 8sten van de Oogstmaand 1814 ter reede van Nagasaki. Het stormachtige weder strekte ten voorwendsel der niet-vertoning van het geheime sein, terwijl Cassa en Voorman zorg  droegen zich te vertoonen. De waakzaamheid der Japanners, die met eene boot ter verkenning waren uitgezonden, was dusdoende verschalkt geworden. Alhoewel Cassa aan Doeff kennis gaf van de heugelijke omkeering in Nederland ten vorigen jare, eischte hij evenwel de overgave der Faktorij aan de Engelschen. Het Opperhoofd had thans, en uit hoofde dier omwenteling, en vanwege het stilzwijgen van den gemachtigde Cock Blomhoff, geen meerdere redenen, om zich aan de bevelen der Engelschen te onderwerpen, dan toen hem, het jaar tevoren, dat voorstel door zijnen vriend Wardenaar werd gedaan. De brief van Raffles, door Cassa medegebragt, getuigde van sluwheid. De handelwijze van Cassa getuigde daarvan niet minder. Twee der oppertolken had hij in zijne belangen weten over te halen. Hij werd nogtans door Doeff vergaauwd; en deze deed hem niet enkel eene overeenkomst teekenen, gelijk aan die, welke het vorige jaar door Wardenaar en Ainslie was geteekend, maar verklaarde bovendien, in zijn bijwezen, aan alle de Japansche hoofdambtenaren, dat gewigtige gebeurtenissen, welke in Europa hadden plaats gegrepen, waarschijnlijk aan den oorlog een einde zou maken, en alle zaken herstellen zoo als ze geweest waren, waarom ook door zijne meesters noodzakelijk werd geoordeeld, dat hij, tot op dat tijdstip, als Opperhoofd in Japan zoude blijven. Hagchelijk bleef nogtans Doeff's toestand tot op het oogenblik van Cassa's vetrek, dewijl hij steeds moest vreezen diens streken te zullen zien gelukken. In het volgende jaar had Doeff het genoegen zich te zien ontslaan van de beide tolken, die met Cassa hadden samengespannen".

 

In Teenstra's "Nederland en Overzeesche Bezittingen" wordt deze episode als volgt beschreven:

"In Julij 1813 verschenen eindelijk twee schepen, die niet alleen de Nederlandsche vlag, maar ook het secrete sein lieten waaijen, dat men in den jare 1809 had ingesteld. Doch hoe verwonderde de heer Doeff zich, toen hij uit de hem ter hand gestelde stukken zag, dat Java in handen van de Engelschen was en de Luitenant-Gouverneur Sir Thomas Stamford Raffles hem gelastte, zich onder de orders van den heer commissaris Wardenaar te stellen (dezelfde die van het jaar 1800 tot 1804 opperhoofd geweest was), hebbende bij den heer A.A. Cassa tot opperhoofd en opvolger van den heer Doeff benoemd. Doeff vermeende hier aan geen gehoor te moeten geven, zoo lang de Japansche regering toestond, dat de Nederlandsche vlag op Decima bleef waaijen. Men hield de zaak voor de Japansche regering geheim en gaf voor, dat het ingehuurde schepen waren. Doeff bleef in zijne betrekking en, om alles te bemantelen, liet hij de beide schepen met een kleine lading naar Batavia vertrekken.

Raffles, hier over gebelgd, zond andermaal kapitein Voorman met een schip naar Japan, aan boord waarvan de genoemde Cassa was als opvolgend opperhoofd, komende de 8sten Augustus 1814 in de baai van Nagasaki ten anker; doch zijn doel niet kunnende bereiken, keerde hij onder eene voorgewende ziekte, ten einde bij den Gouverneur van Nagasaki geen argwaan te verwekken, onverrigter zake naar Java terug".

In een Engelse registratie[48] van personen op Batavia te Java van 1815 komen we een Mr. Abraham Anthony Cassa tegen. Zijn functie is ‘Magistrate’ en ‘Acting Ballieu of the Town and Suburbs’. Hij is dan woonachtig te Molenvliet.

Op 15-1-1815 verzoekt hij vergunning tot verblijf aldaar. Tot zijn dood in 1817 is hij dan nog Baljuw van Batavia. Tevens geeft hij nog voor 21.000 gulden wissels af op H.M. de Kock doch hij betaalt niet.

Hij wordt op 23-9-1817 begraven als Baljuw van Batavia in kelder no. 32. De scheiding courant van zijn boedel door een curator vindt plaats van november 1817 tot 1821.

 

Ten tijde van het huwelijk van Anthony Abraham Cassa en Anna van der Haer is Anthony kapitein in het regiment mariniers onder Generaal Majoor Douglas.

 

????? Hij woont in 1827 met zijn tweede vrouw in Terwagne bij Luik.

Mogelijk ondervindt zij nog de gevolgen van de financiële perikelen waarin haar echtegnoot verkeert want op haar pensioen worden verschillende malen de navolgende kortingen verleend:

-        op 21-10-1841 aan de Vries Robbé voor 5.470 gulden

-        op 1-4-1842 aan M.S. Catz voor 990 gulden

-        op 28-4-1842 wordt de korting aan de Vries Robbé ingetrokken en tot een bedrag van 7.193,05 gulden verleend t.b.v. C.H.Carl.

-        op 11-5-1842 wordt besloten geen kortingen meer te verlenen, voor dat blijkt dat de weduwe Cassa met de Solliciteur Van Foorn heeft afgerekend.

Op 21-9-1843 wordt haar 6 maanden buitenlands verlof verleend.

Voorts zijn over het pensioen nog de volgende aantekeningen gevonden:

-        "De uitbetaling van het pensioen tot Ultimo Juni 1844 zonder overlegging eener attestatie de vita, geautoriseerd. De weduwe Cassa gewaarschuwd tegen het niet opvolgen der bestaande reglementaire bepalingen 12-7-1844".

 

 

Dochter Anna Anthonia

Zij is mogelijk een dochter van Anthony Isaac en Maria Poock. Zij wordt als schoonzuster van Catharina de Neder genoemd in dossier Bruggeling (CBG). Ze zou bejaard geworden zijn en is ongehuwd gebleven.

 


De commiezen ter Finantie van Holland in de achttiende eeuw

 

Rondom de overgang van de 17e naar de 18e eeuw blijkt de organisatie van de financiën van Holland nog in de kinderschoenen te staan. Bij de Finantie van Holland is er aanvankelijk een commies die als vraagbaak fungeert voor alle praktische aangelegenheden van de Dienst. Alle lopende zaken worden aan deze commies opdragen. De gecommiteerde Raden steunen bij alle maatregelen op hun advies van de commies. Aanvankelijk was deze adviestaak toebedacht aan de Thesaurier generaal, maar bij ontstentenis van deze door de commies vervuld.

Aan het einde van de 17e eeuw zijn er twee commiezen: Willen van Neck en Jacob Lens (+ 1690). Bij het overlijden van Willem van Neck in 1712 zijn er twee vacatures. Isaac lens (+1722) en Willem Vos bezetten deze. In 1719 volgt Francois Laurentius, tot dan boekhouder, Willem Vos op en in 1722 volgt Cornelis van Neck, voorheen klerk, Isaac Lens op.

 

Aan de achternamen te zien worden de kandidaten voor de functie commies ter Finantie dus uit kleine kring gerecruteerd. Als Cornelis van Neck in 1739 overlijdt, promoveert mr. Gerard van Berkel, boekhouder ter Finantie tot commies.

 

Op 28 juni 1743 wordt Frederik Abraham Cassa aangesteld als commies bij de Finantie van Holland. Tot die tijd is hij commies ten kantore van de Generaliteitsfinantie. Zijn zoon mr. Gerard Cornelis Cassa treedt ook in dienst bij de Finantie van Holland. Aanvankelijk is hij effectief boekhouder bij de Finantie en titulair commies. Op 13 maart 1788 doet hij zelf een voorstel om ook commies te worden. Dit voorstel wordt gehonoreerd. Gerard Cornelis Cassa weet de stormen van de Bataafse revolutie te doorstaan.[49] In 1797 wordt hij wegens geheugenzwakte ontheven uit zijn functie.

 


3.11.                      Frederik Abraham Cassa  (1696)

 

Frederik Abraham Cassa                             x                 Cornelia de Reus

~25-7-1696 Groote kerk Den Haag     20-4-1723              ~5-9-1706 Den Haag

+4-11-1776 Den Haag                        Hoogduitse kerk    +27-12-1783 Den Haag

clercq secretarie van de Raad van State (1731), 

  1e commies der Financiën van Holland[50]

=================================================================

          1)mr. Anthony Isaac                          x                 Catharina Wilhelmina de Lormier

            ~26-11-1724                           16-11-1745            ~31-12-1724 Den Haag

            +5-12-1800 Den Haag            Kloosterkerk         +29-12-1788 Den Haag

          2)Cornelis Abraham

            ~22-9-1726 Groote kerk Den Haag

            +6-4-1731 Den Haag

          3)Marie Susanna

            ~26-11-1727 Groote kerk Den Haag

            +17-1-1728 Den Haag

          4)Maria Johanna

            ~8-2-1730 Groote kerk Den Haag

            +31-12-1759 Den Haag

          5)mr. Johannes Samuel                       x                 Johanna Lillie

            ~14-8-1731 Nieuwe kerk Den Haag                     ~2-9-1738 Nieuwe Kerk Den Haag

            +10-2-1814 Den Haag                                         +Den Haag

          6) mr. Daniel                                     x                 a)Frederika Staak

            ~18-3-1733                             11-6-1775             

            +14-7-1794 Den Haag (prodeo)        x                 b)Sophia Regina Spangenberg

                                                         31-12-1775

            Clercq comptoire ter onderzoek van

            ‘s lands middelen

          7)Jacobus Johannes

            ~30-6-1734 Groote kerk Den Haag

            +11-12-1734 Den Haag

          8)mr. Gerard Cornelis                         x                 Maria Elisabeth Gousset

            ~4-2-1739 Groote kerk            1-11-1763              ~2-10-1746 Den Haag

            +19-11-1805 Den Haag           Kloosterkerk         +23-1-1805 Loenen, begr. Den Haag

            getransporteerd vanaf Loenen,

            aan “verval van krachten”

          9)mr. Hendrik                                    x                 Clasina Geertruida Maria Jacobi

            ~30-7-1741 Den Haag            10-10-1762            ~24-1-1742 Den Haag

          +16-1-1778 Malacca                 Scheveningse kerk +21-12-1812 Den Haag


 

Text Box:  Text Box:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cornelia de Reus is pas 16 jaar als ze trouwt met Frederik. Ze gaan op 4-4-1723 in ondertrouw.

 

Frederik Abraham weet zich reeds op jeugdige leeftijd een positie te verwerven binnen de in deze tijd vrij besloten kring van ambtenaren. Op jonge leeftijd is hij als klerk bij het bureau van de Raad van State voor een salaris van 600 gulden. In 1737 reeds maakt hij promotie tot commies ter Thesaurie van de generaliteit met een bijbehorende salaris van 3.600 gulden

Wellicht heeft hij deze functie mede verkregen via zijn schoonvader. Zijn schoonfamilie is verwant met de families Hogheboom, Luijken, Van Hardenbroek, Pels, Van Leeuwen en Van Neck, invloedrijke families in het Haagse.

In 1743 wordt hij aangesteld als commies van de financiën (Ned.). Een ambt dat hij tot zijn dood blijft waarnemen voor een jaarinkomen van 6.000 gulden.

 

Vanaf 1743 tot aan zijn dood werkt hij als commies bij de Finantie van Holland. Zijn positie blijkt ook uit de personen die als getuige bij de doop van zijn kinderen optreden. Frederik Abraham laat de thesaurier-generaal van de Generaliteit, mr. Gerard Hardenbroek, met zijn vrouw Anna van Leeuwen getuigen bij de doop van de derde zoon Gererd Cornelis. Hendrik Fagel[51], de griffier van de Raad van State en zijn vrouw Catharina Huijsken zijn getuige bij de doop van de vierde zoon Hendrik. Bij de doop van Daniel komt mr. Daniel Luijken niet zelf maar laat zich representeren door mr. Cornelis van Rosevelt en Maria Luijken. De tweede zoon Johan Samuel noemt het echtpaar naar Samuel Hogheboom, een vermogende notaris die aan het Westeinde in Den Haag woont. Uiteraard is deze Samuel Hogheboom ook getuige bij de doop.

Verder blijkt de welstand uit de 3 dienstboden die ze in 1747 in huis hebben als Frederik Abraham wordt aangeslagen voor zijn inkomen en eigen huis.

 

Frederik Abraham ziet het belang van een goede opleiding voor zijn zoons in. Alle vijf volgen de studie Rechten aan de Universiteit van Leiden en verwerven de meestertitel.

Ook zal hij zijn contacten aanwenden om ervoor de zorgen dat zijn zonen op een goede positie terechtkomen. Omstreeks 1762 zijn er zes Cassa’s waaronder Frederik Abraham, werkzaam op de overheidskantoren op het Binnenhof. De oudste en de jongste zoon werken bij de Thesaurie en de Griffie van de Generaliteit. De andere drie hebben betrekkingen op het bureau van de Raadspensionaris, het bureu van de collectieve middelen en de Finantie van Holland.

Van zijn vijf zonen zullen twee zelfs aanzienlijke betrekkingen als ambtenaar gaan bekleden: Anthonie Isaac als commies ter thesaurie der Generaliteit, Johan Samuel als commies van de raadspensionaris Pieter Steyn.

 

Het gezin Frederik Abraham woont aan de Prinsegracht in Den Haag (huidige adres Prinsegracht 38).

Frederik heeft drie dienstboden in huis dat hij bewoond aan de zuid-zijde van de Vlamingstraat. Verder woont Anthonius Isaac Cassa enige tijd bij hem in.

 

Op 8-1-1731 koopt Frederik Abraham voor 5.500 gulden een huis met erf aan de Prinsegracht van Magdalena van Neck, weduwe van Jacob Hage burgermeester van Den Briel en van Johan Anthonius van Normandië. Het huis ligt aan de zuidwijde. Het perceel heeft een uitgang en vrije “waterloosinge” in de gang die uitkomt in de Brouwersgracht. Belending oostzijde de president Binckershouck, westzijde Otto de Roo, zuidzijde de Heerstraat. De verkoper wordt vertegen-woordigd door mr. Pieter Buchemius, advocaat aan het hof van justitie. Magdalena van Neck[52] is getuige bij de doop van het oudste kind van Frederik Abraham.

 

In 1731 verzoekt vader Frederik Abraham voor dit huis aan de Prinsegracht tot het mogen maken van een in- en uitgang één voet in de straat uitkomende. Toegestaan 6-7-1731.

 

In 1737 verzoekt Frederik Abraham commies ter comptoire van de generaliteitsfinanciën aan zijn huis aan de Prinsegracht een riool te mogen maken uitkomende op de gemelde gracht. Toegestaan 9 november 1737.

 

In 1747 wordt Frederik Abraham Cassa aangeslagen voor een inkomen van 6.000 gulden. Het aandeel van zijn salaris hierin is slechts 2.400 gulden. Het huis aan de Prinsegracht wordt aangeslagen voor een huurwaarde van 450 gulden.

 

Frederik Abraham regelt zoals gebruikelijk in die tijd al tijdens zijn leven zijn grafstede:

Frederik Abraham verkrijgt een gedeelte van een grafstede in de Kloosterkerk. Op 13-7-1770 gaat de grafstede in zijn geheel aan Cassa over. De grafstede wordt op 2-3-1784 overgeschreven op naam van de door hem nagelaten kinderen: Mr. Johannes Samuel, Mr. Anthony Isaac, Daniel en Mr. Gerard Cornelis en van een kleinzoon Frederik Abraham.

Frederik Abraham Cassa wordt in 1776 begraven in de Kloosterkerk, 1ste klasse. Als doodsoorzaak wordt opgegeven “verval van krachten”. Hij wordt ‘bij avond’ op de dag volgend op zijn overlijden begraven in de Kloosterkerk te Den Haag[53].

 

 

Zoon Anthony Isaac

mr. Anthony Isaac Cassa trouwt in 16-11-1745 in de Kloosterkerk met Catharina Wilhelmina de Lormier. Ze krijgen geen kinderen.

Anthonie Isaac III treedt in de voetsporen van zijn vader. Op achttienjarige leeftijd is hij reeds klerk bij de Raad van State. Later is hij eerste commies bij de Thesaurie van de Generaliteit en promoveert verder tot functionerend commisaris.

Anthonie Isaac wordt als een invloedrijk ambtenaar van de thesaurier-generaal Gilles genoemd. (Lit1 Gijsbert van Hardenbroek, Gedenkschriften, Werken Historisch Genootschap Utrecht)

Zijn vrouw Catharina Wilhelmina de Lormier komt uit een ook niet onbemiddelde familie. Ze is dochter van Francois Lornier en Brigitte Steenlock. Een familielid is burgermeester van Rotterdam. Een andere Lormier is kunstverzamelaar met een grote collectie.

 

Voor het seizoen 1776 wordt aan Anthony Isaac een jachtvergunning verleend met de volgende strekking: "Binnen en buiten de klingen en in de Madepolder agter Loosduinen, te mogen jagen en schieten op klein lopend en vliegend wildt, mits blijvende buiten de gewezen vrijheid van jagt van Zorgvliet, niet schietende op Faisanten".[54]

 

Anthony Isaac Cassa overlijdt aan “verstopping water”. De rekening van de begrafenis gaat naar de Prinsegracht. Op 5-12-1800 wordt ontvangen voor het recht op begraven 30 gulden voor het lijk van Anthoni Cassa, oud 76 jaar. Hij wordt op 6-12-1800 ‘s morgens begraven in de Kloosterkerk.

 

Uit het testament d.d. 25-7-1768 van Anthony Isaac (*1724) blijkt dat zij de nalatenschap als volgt verdelen:

-        aan zijn broeder Johannes Samuel 6.000 gulden;

-        aan zijn broers Daniel, Gerard Cornelis, en Hendrik elk 3.000 gulden;

-        aan de oudste zoon van zijn broer Johannes Samuel, genaamd Anthony Willem waarover de testateuren peter en meter zijn, 2.000 gulden;

-        aan Nicolaas Gijselaars, raad en burgemeester van Gorichem 1.000 gulden;

-        indien vader Frederik nog in leven is een uitkering van 350 gulden jaarlijks.

In het testament blijkt verder Anthony Isaac en Catharina de Lormier op huwelijkse voorwaarden (gepasseerd op 22-10-1745) zijn getrouwd.

 

 


Zoon Daniel

Daniel Cassa                                               x                 a)Frederika Staak

~18-3-1733 Den Haag                        11-6-1775              ~4-2-1743 Den Haag

+14-7-1794 Den Haag                        Hoog Duitse          +7-11-1775 Den Haag  ‘kwade kraam’

                                                         kerk

                                                                   x                 b)Sophia Regina Spangenberg

klerk ter comptoire van                       31-12-1775            ~16-6-1751 Den Haag

’s lands middelen                                Den Haag             +8-2-1838 Den Haag

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

          1)Cornelia Sophia

            ~25-12-1776 Groote Kerk

            +18-3-1777, ‘stuipen’ [55]

          2)Daniel

            ~5-4-1778 Groote Kerk

            +2-3-1815 Den Haag Groote Kerk

          3)Cornelia Sophia

            ~8-10-1779 Groote Kerk

            +25-4-1783 ‘borstziekte’

          4)Johanna Maria

            ~15-7-1781 Den Haag Groote Kerk

            +

          5)Johannes Frederik                           x                 Elisabeth Maria de Jongh

            *27-8-1783 Den Haag             27-12-1801            *circa 1783 Dordrecht

            +8-9-1835 Heesch                  Grave                   +1-5-1834 Hees

            Lieutenant van de artillerie

          6)Sophia Regina

            ~16-2-1785 Groote Kerk

            +17-7-1787 slijmziekte

          7)Anthony Isaac

            ~26-3-1786 Groote Kerk

            +17-2-1787, aan ‘t zuur 1e kl, 30 gulden

          8)Lucia Margaretha

            *27-5-1787 Den Haag

            ~30-5-1787 Groote Kerk

          9)Gerardus Cornelis

            *13-7-1788 Den Haag

            ~16-7-1788 de Grote Kerk

            +9-9-1789, begraven de volgende dag Kloosterkerk

            overleden aan ‘tanden’

          10)Johannes Lodewijk                        x                 a)Maria Johanna Bremer

            *24-4-1790 Den Haag             29-5-1816              *3-7-1792 Hellevoetsluis

            +2-1-1860 Den Haag              Den Haag             +2-10-1835 Delft

            sjouwer aan 's rijks                           x                 b) Guurtje Hoogland

              magazijnen en winkelier        12-10-1836            *circa 1786 Hoorn

                                                         Den Haag             +

                                                                                     dienstbode

                                                                  x                 c)Maria van Deutekom

                                                         1846                     *

            oppasser                                Den Haag             +

          11)Johannes Theodorus

            *31-12-1793 Den Haag

            ~2-1-1793 Groote Kerk

            +12-1-1798, volgende dag prodeo begraven op het Noorder Kerkhof,

            overleden aan ‘t water,

 

Daniel is klerk ten kantore van de gemene middelen van Holland en Westfriesland.

 

Daniël wordt in 1765 opgesloten in het verbeterhuis[56] de "Drie Taarlingen" in Delft. Hij is dan 32 jaar oud. Deze opsluiting vindt plaats op verzoek van zijn vader Frederik Abraham aan het Hof van Holland. Voor een beschrijving van dit verblijf zie aan het einde van dit hoofdstuk.

 

Het lijkt tegen het einde van de 18e eeuw achteruit te gaan met de welstand van het gezin Daniel Cassa en zijn nazaten.

Daniel trouwt pas op zijn veertigste.

 

Daniel huwt twee maal in een periode van zes en een halve maand en hertrouwt zeven en een halve week na het overlijden van zijn eerste vrouw, hoewel volgens de huwelijksplaccaten van 1666 een weduwnaar een annum luctis van drie maanden in acht moest nemen.

 

Daniel trouwt met Sophia Regina Spangenberg. De familie Spangenberg is afkomstig uit Hannover en Luthers.

 

Daniel Cassa en zijn bruid Sophia Regina Spangenberg maken op 30-12-1775 huwelijksvoorwaarden. Hierin wordt o.m. gesteld, dat de partners wederzijds niet aansprakelijk zijn voor schulden die voor het huwelijk werden gemaakt. De bruidegom staat dan reeds onder een gedecerneerde curatele en moet 600 gulden per jaar aan de crediteuren betalen. (Een gedecerneerde curatele is een curatele, gevorderd door het Openbaar Ministerie). Daniel Cassa heeft het in financieel opzicht kennelijk heel moeilijk gehad.

 

Op 13-7-1777 geeft zijn schoonvader Johan Coenraad Spangenberg een promesse af om 166 gulden te betalen voor Daniel Cassa, die in totaal 600 gulden heeft geleend van Joseph Hartogh. Deze promesse wordt verlengd tot 22-4-1778.

Op 17-1-1778 geven Daniel en zijn vrouw een obligatie, groot 1.200 gulden, af voor geld dat zij hebben opgenomen bij Sr Isaack Joghems te 's-Gravenhage en nog in datzelfde jaar, namelijk op 2-10-1778, lenen zij 1.030 gulden van Ezechiel Goldschmidt Michielsz te 's-Gravenhage.

 

Als hij in 1794 overlijdt aan “koortsen” wordt hij prodeo begraven. De oudste dochter van Daniel is bij zijn overlijden pas 10 jaar oud. De kinderen moeten dan wegens geldgebrek worden opgenomen in het burgerweeshuis. Vier jaar later wordt het kind Joh. Theodorus eveneens pro deo begraven.

 

Zoon Johannes Lodewijk Cassa is handelaar en Elisabeth Cassa blijkt naaister te zijn. Op 6-9-1834 overlijdt Willem Cassa, 9 maanden oud, kind van Johannes Lodewijk Cassa en Maria Bremer. Johannes Lodewijk is dan van beroep sjouwer

 

De weesmeesters verplichten zoon Johannes Frederik militair te worden om in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Afstammelingen van deze Johannes Frederik worden wegens hun moed onderscheiden met de militaire Willemsorde door de Nederlands regering.

Johannes Frederik Laurens Cassa, geboren op 9-2-1844 te Paramaribo, getrouwd op 17-6-1870 Amboina met Johanna Wilhelmina Rijkschroeff, overlijdt op 13-08-1878 bij een conflict in Atjeh in Oost Indie. Hem wordt postuum de Willemsorde toegekend. Zie brief Hans Cassa 5-1-2000, en zie  http://home.sprintmail.com/~vela92/famall/fam00224.htm

 

Weduwe Spangenberg woont tussen 1823 en 1837 in wijk W op no. 147 en wijk K op no. 110 als rentenierster.

Lucia Margaretha woont tussen 1823 en 1837 in wijk O op no. 292.

 

 

Anthony Isaac Cassa, een broeder van Daniel, legateert op 1-7-1797 duizend gulden aan elk van diens vijf jongste kinderen, te weten Johanna Frederica, Jan Frederik, Lucia Margaretha, Hendrik Lodewijk en Johannes Theodorus (NB. alleen in dit legaat wordt Johan Lodewijk vermeld als Hendrik Lodewijk; alle andere vermeldingen zijn ten name van Johan Lodewijk). Jan Frederik, dan cadet bij de artillerie, krijgt 1.000 gulden extra.

Deze gelden zullen door de weeskamer worden beheerd totdat de kinderen trouwen of 25 jaar oud zijn. De weesmeesteren ontvangen dit kapitaal op 29-4-1801 en beleggen het op 5-5-1801 in elf nationale los-renten ten laste van de Bataafse Republiek.

Sophia Regina Spangenberg, inmiddels verhuisd naar 's Hertogenbosch, machtigt op 28-9-1801 Roelof Wijmans, beurtschipper van de stad 's Hertogenbosch op ‘s Gravenhage, om uit haar naam van weesmeesteren te ‘s Gravenhage de revenuen van de legaten van haar minderjarige kinderen Johanna Frederika, Lucia Margaretha en Johannes Theodorus in ontvangst te nemen. Dit invorderen heeft vermoedelijk geen vlot verloop, want 9-4-1802 machtigt de moeder iemand anders, namelijk Petrus van Brussel te ’s Gravenhage. In deze machtiging worden speciaal de klerk Day en zijn opvolgers genoemd als degenen die de rente van de kapitalen van de minderjarigen behartigen. Op 2-2-1808 geeft de weduwe Cassa aan Petrus van Brussel een schuldbekentenis groot 450 gulden, waarbij zij zich verbindt om per kwartaal 50 gulden af te lossen, het eerste kwartaal in te gaan op 1-10-1807. Haar dochter Lucia Margaretha, dan 21 jaar oud, verbindt zich met haar portie uit de erfenis van haar oom Anthony Isaac Cassa. Op 23-12-1805 verzoekt Lucia de weeskamer te 's Gravenhage om 350 gulden te mogen opnemen. Op 3-7-1809 verleent zij kwijting voor nog eens 150 gulden, waarbij de eindafrekening plaats vindt op 8-6-1812.

Johanna Frederica Cassa krijgt op 23-4-1802 300 gulden uitgekeerd om kleren te kopen. Op 28-6-1802 neemt zij 150 gulden op en op 23-5-1804 wordt haar wederom 300 gulden uitbetaald. Tot slot machtigt zij op 28-7-1806 Petrus van Brussel om het restant op te nemen, waarvoor zij op 25-8-1806 kwijting verleent.

Jan Frederik Cassa vordert op 19-1-1802 zijn bezit op (eindafrekening 10-2-1802), terwijl hij in Grave in garnizoen ligt.

Johan Lodewijk vraagt op 28-7-1808 om uitkering van 350 gulden. De afrekening met de weesmeesters vindt plaats op 28-2-1813.

Johannes Theodorus overlijdt op 12-1-1798; zijn erfportie wordt pas op 26-8-1836 verdeeld.

 

 

Het verblijf van Daniel in het verbeterhuis de "Drie Taarlingen" te Delft

“Alzo Frederik Abraham Cassa, commies van de Financie van Holland, vader van Daniël Cassa, Clercq ten Comptoire van 's-Lands gemeene middelen, den Hove van Holland bij requeste heeft te kennen gegeven, dat tot des suppliants groote droefheid den voornoemde Daniël Cassa, het ongeluk hadde gehad, om van tijd tot tijd te vervallen in handen van eenige vuylgewin zoekende Jooden, welke denzelve eyndelijk op hunne bedrieglijke wijze hadden debiteur gemaakt van eene merkelijke somme van penningen, waardoor aan de voornoemde Daniël Cassa occasie hadden gegeven om daarvan groot misbruik te maken en die te employeren tot verregaande excessen.

Dat de suppliant tot voorkoming van alle verdere onheylen, na rijp overleg, geen ander middel hadde weten uyt te denken, als den voornoemde Daniël Cassa met goedvinden van 't Hof te loogeren op eene versekerde plaats waar om de supplient zig keerde tot dezen Hove ootmoedig verzoekende, dat het Hof de suppliant gelieve te authoriseren, om den voornoemde Daniël Cassa te confineeren in eene der verbeterhuysen binnen deze provintie. Zo is het dat het Hof geexamineert hebbende den inhoud van de vorenstaande requeste, mitsgaders gezien het Declaratoir van Frederik Abraham Cassa, Anthony Isaac Cassa, Cornelia Cassa, geboren de Reus en Johan Samuel Cassa, waarbij dezelve verklaren, dat betreffende de woorden van verregaande excessen in de requeste aan den Hove den 19e (maart) deezer gepresenteerd, uitgedrukt, dezelve daarin bestaan, dat Daniël Cassa weinig jaren geleden een grote schuld door onderhandelingen met Jooden gecontracteerd hebbende, die eerst onlangs ten volle afbetaald is, na menigvuldige getrouwe en hartelijke vermaningen en door hen op de stelligste wijze gedane beloften, zig nu wederom op nieuw in importante schulden, insgelijks als voren door onderhandelingen met Jooden etc. heeft ingewikkeld, die hij self erkend niet regt te weten dog veele duyzenden te bedragen; dat hij wijders geheele dagen uithuyzig is geweest, 's avonds laat dronken buiten staat is thuis gekomen, waardoor gedurige alteratiero en gegronde vrees voor brand als andersints veroorsaakt zijn; alsmeede dat hij door het gedurig bezoeken van slegte huyzen zijn lichaam en gezondheid grotelijks benadeeld heeft; dat deze en verdere gevallen die met geen mogelijkheid kunnen gespecificeerd worden, gevolgd bij zijn sorgelijke humeur van die dangereuse gevolgen zijn, dat men uit ware affectie voor zijn persoon bedugt is, dat hij indien niet zodra mogelijk op een versekerde plaats bezorgt wordende, tot verdere uiterste zal overslaan, waardoor hij of zelf in een onherstelbaar ongeluk vervallen of anderen ongelukkig maken zal, tot verder chagrijn van ouders en nabestaanden.

De suppliant geauthoriseert heeft en authoriseert hem mits dezen, om den voornoemde Daniël Cassa te confineeren in eene der verbeterhuysen binnen deze provintie tot nader dispositie van den Hove”.

Gedaan in den Raade den 20 Maart 1765.

Een verslag van de Commissarissen op hun jaarlijkse ronde van de verbeterhuizen geeft een beeld van de situatie rond Daniël: “Verder hebben wij voor ons doen komen Daniël Cassa op authorisatie van den Hove in dat 20 maart 1765 aldaar geconfineert, dewelke seer ontstelt en met seer veel aandoening heeft betuigt gevoelig te zijn aan het ongeluk waarin hij zich bevond; dat hij zeer tevreden was over de behandelingen van de Casteleyn; geen ander verzoek aan ons Commissaarissen had te doen als dat hij niet kunnende zijn sonder occupatiën, aan hem mogte werden geaccordeerd enige boeken en schrijfbehoeftens om zich te kunnen besig houden alsmede de wandelinge in de thuyn. Waarop de Casteleyn gehoord zijnde sig heeft gerefereerd ter dispositie van den Hove nopens beide de verzoeken, mits dat aan hem wierden geaccordeerd, schrijfbehoeftens ook gelijk aan hem een lessenaar of bureau mogt werden gezonden om deselve te kunnen opsluyten.

Is na deliberatie goet gevonden op het verzoek van Daniël Cassa, geconfineert bij Halder aen de Oostpoort te Delft, teneinde aan hem geaccordeerd werden enige boeken en schrijfbehoeften om sig te kunnen besig houden alsmede de wandelinge in de thuyn. Heren Commissarissen te versoeken om met zijn vader daer over te spreken”.

Op de jaarlijkse rondgang van de Commissarissen in 1766 wordt Daniël aangetroffen "komende uit een zware ziekte in een zeer zwakke toestand hebben bevonden". De Casteleyn heeft gezegd zeer wel tevreden te zijn over zijn gedrag. Ook vraagt Daniël enig werk te mogen verrichten. Op dit verzoek volgt het volgende besluit:

“1766 Met het oog op het verzoek van Daniël Cassa dat aan hem eenig werk mogt worden gegeven, om daardoor gelegenheid te hebben zo om zich besig te houden als om door die weg te kunnen verdienen om te strekken tot zijne recreatie: goedgevonden dat daarover zal worden gesproken met de procureur De Bije om zijn familie van dat verzoek kennis te geven”.

Danbiel verzoekt in 1767 de commissarissen zijn familie te vragen om weer in "dezelver gunst ter geraken". Daarnaast verzoekt hij "om protectie in geval enige van zijn crediteuren verzoeken mogten komen doen om hem op een min kostelijke plaatse te logeren". Ook wordt gemeld door de commissarissen "dat Daniël Cassa ondertussen door zijne crediteuren ter executie van eenen sententie van den Hove in gijzeling is gebragt op de voorpoorte van dezen Hove". Tijdens datzelfde bezoek meldt de Casteleijn dat Daniël "melancholiek van humeur was maar over zijn gedrag zeer te spreken was". (Bron: ARA; Verbalen Hof van Holland; toegangnummer 3.03.01.01 archiefnr. 6086).

(Op grond waarvan en op welk moment Daniël het verbeterhuis heeft verlaten moet nog verder onderzocht worden. In het verslag van 1768 komt hij in dat verbeterhuis niet meer voor). Een oom van Daniël, Anthony Isaaq Cassa, de broer van zijn vader, heeft eveneens in de Drie Taarlingen opgesloten gezeten in 1732. Een verslag daarover is opgenomen bij Anthony Isaaq.

 

 

Kleinzoon Johannes Frederik

Johannes Frederik wordt gedoopt in de Kloosterkerk, door ds. Haringa.

Hij begint zijn loopbaan als cadet bij het tweede battilion artillerie op 2-8-1794, wordt tweede luitenant bij het derde battaljon artillerie op 4-4-1800; eerste luitenant bij het zelfde onderdeel op 24-8-1808; kapitein bij het 9e regiment artillerie op 31-12-1810 en wordt kapitein bij het 8e battaljon infanterie op 15-4-1814. Bij besluit van Zijne Majesteit de Koning in dato 16 april 1815 wordt hij gepensioneerd en uit de sterkte van het korps gebracht op de 30e april 1815. Opmerkelijk hierbij is dat Johannes Frederik op dat moment pas 32 jaar is. Mogelijk dat zijn rol in het Bataafse (=Franse) leger, hetwelk op dat moment niet Oranje gezind is, hierbij meegespeeld heeft. Koning Willem I was immers in maart 1815 terug gekomen uit Engeland en in april wordt Johannes Frederik bij Koninklijk besluit uit de sterkte van het korps gebracht.

Johannes Frederik heeft aan de volgende veldtochten deel genomen:

-        In 1799 bij de Hollandse armee in Noord Holland bij Castricum tegen de Engelsen;

-        in 1806 en 1807 in Zwitserland;

-        in 1808 bij de Hollandse armee in Zeeland;

-        in 1813 en 1814 in Duitsland bij het 6e Corps van de Franse armee van waaruit hij deserteerde om naar Holland terug te keren;

-        in 1814 was hij gelegerd voor Bergen op Zoom, Antwerpen en Rijssel.

In de veldtocht bij Castricum in 1799 wordt hij verwond door een sabelhouw aan zijn linker hand.

Hij overlijd te Hees bij Nijmegen in oktober 1835 en is dan kapitein. Bij zijn vrouw, die 1-5-1834 overleed, heeft hij 13 kinderen. Bij zijn dood zijn daarvan slechts nog 3 in leven:

1. Marietje Cassa, wonende te Nijmegen;

2. Gerrit Cassa, oud 20 jaar, in dienst bij de artillerie.

3. Johannes Frederik Cassa, 29 jaar; deze onderscheidde zich zodanig tijdens de tiendaagse veldtocht, dat hij gedecoreerd wordt met het Croix d'honneur. Aangesteld als luitenant bij de artillerie, is hij in 1835 gestationeerd in Suriname.

 

 

Kleindochter Lucia Margaretha

Zij is muzikant en vertrekt op 3-7-1855 vanuit Den Haag naar Amsterdam. In Den Haag woont zij aan de Hofsingel 10[57].

 


Zoon Hendrik

mr. Hendrik Cassa trouwt in 10-10-1762 in de Scheveningse kerk met Clasina Geertruida Maria Jacobi. Ze krijgen twee zonen, namelijk: Frederik Abraham (~21-9-1763) en Johannes Petrus (~13-2-1765). Johannes Petrus overlijdt echter al op 10-11-1766 aan “stuipen en heete koortsen”.

 

Hendrik is aanvankelijk klerk ter griffie van de Raad van State.

 

Het huwelijk van Hendrik en Clasina wordt ontbonden bij vonnis van het Hof van Holland van 2-10-1767. Eerder al, in mei van dat jaar vertrekt hij naar Indië. In mei 1767 vaart mr. Hendrik Cassa dan als onderkoopman van de Oost Indische Compagnie uit naar de Oost. In Indië is hij onderkoopman. Later, op 14-6-1768 wordt hij soldijboekhouder en winkelier te Malakka.

Op 19-10-1774 laat hij het volgende testament opmaken: “Heden den 19 october 1774 des namiddags de klocke half vijf uren compareerde voor mij Nicolaas Hermanus de Wind, eerste gezwore clercq van politie deses gouvernements present de nagenoemde getuygen de Mr Hendrik Cassa ondercoopman en guarnisoen boekhouder, alhier ziek en zwak te bedde liggende hebbende egter zijn verstand redenen ende memorie welmatig ende ten vollen gebruykende naar het mij en de getuygen volkomentlijk gebleeken is dewelke verklaarde ende bekende bij desen uyt eigen vrije wille te donateeren al en zoodanige penningen als na aftrek van alle ongelden mogt komen over te schieten uytgesonderd zijne bij de Comp. te goed hebbende en te behoudene maandgelden, aan de vrije Inlands Christene vrouw Regina van tHoff ende zulks voor de getrouwe diensten die zij de Comparant in zijne ziektens bewesen heeft, begeerende  den Comparant dat deese donatie zal stand grijpen en effect sorteren als donatie in ter .......(niet leesbaar), ofte zoo als het best na regten zal kunnen ofte mogen bestaan. Aldus gedaan en gepasseerd binnen de fortesse Malacca ter presentie van Carel Godlieb Rojus en Hendrik Jacobus van der Wall, als getuygen die de minute deses op een Zegu's(?) van vier en twintig stuyvers neevens de Comparant en mij eerste gezworene clercq hebben onderteekent”.

 

Hendrik overlijdt in 1778 op Malacca.

Op 17-3-1784 treden Johannes Samuel Cassa en Anthony Isaac Cassa op ter requisitie van zijn enige zoon Frederik Abraham.

 

Zijn vrouw Clasina hertrouwt later te Voorburg op 30-10-1769, op 27-jarige leeftijd met Gerrit Jacobus de Milly, geboren te Den Haag.

 

 

Kleinzoon Frederik Abraham

Op 4 november 1783 schrijft Frederik Abraham een brief aan Hendrik Fagel, de peetvader van zijn vader, met de volgende inhoud:

 

Hoog Edele Gebooren Heere!

De natuurlijke zugt die U Hoog Edele Geboore heeft om 't lot aen ongelukkigen hun van hunnen Schepper opgelegt, draaglijk te maken, doet mij hoopen op mij die reeds sedert mijne eersten jeugd de droevigsten momenten en gevoeligste slagen van het fortuyn heeft ondervonden; Mijne ongelukken zijn de oorzaak mijner stoutmoedigheid, daarom bid ik Hoog Edele Gebooren Heer, wijgert mij dog uwe bijstand niet, maar wilt de goedheid hebben mij goedgunstelijk aan Zijne Hoogheid voor te dragen, met verzoek 't Schoutsambt van Zundert en Rijsbergen, dat sedert verscheidene maanden vacant is, en  nu eerst daags op Jaarlijkse Recognitie staat uitgegeven te worden, aan mij te willen gunnen op zodanige recognitie als Zijne Hoogheid of U, Hoog Edele Gebooren redelijk zullen oordelen, van eene somma van 13 ŕ 1400 Gld 't welk dat ambt het eene Jaer door het andere gerekend Jaarlijks opbrengt.

Het geluk dat mijn vader gehad heeft U Hoog Edele Gebooren tot Peeter te hebben, doet mij hopen U Hoog Edele Gebooren mij ten besten zal duyden dat ik mij als zijn eenige ongelukkige overgebleven zoon aen U Hoog Edele Gebooren opdragen.

Ik hebbe de eere met de diepste Eerbied te blijven, Hoog Edele Gebooren Heere!

Zundert, den 4e November 1783

             U Hoog Edele Gebooren Onderdaanigste en gehoorzaamste dienaar,

             F.A. Cassa

 

De plaats Zundert is niet verwonderlijk in dit verband omdat zijn moeder Clasina Geertruy Maria Jacobi samen met haar tweede echtgenoot Gerrit Jacobus de Milly, hier woont of gewoond heeft.

Frederik Abraham heeft het beroep van Schout niet gekregen heeft want op 20 januari 1784 wordt Frederik Abraham aangesteld als Vaandrig:

          ZYNE HOOGHEID heeft goedgevonden, by deeze, aan te stellen en te committeeren tot Vaandrig effectief in de Lijf Compagnie van het Regiment van den Generaal Lewe, in plaatse van de tot Lieutenant effectief aangestelden Lieutenant titulair en Vaandrig effectief R.F. van Kruijssen, den persoon van Frederik Abraham Cassa.

          Latende alle, en een iegelyk, dien het aangaat, hem daar voor te houden en te erkennen.

          Gegeeven in 's-Gravenhage den 20en Jan. 1784. W. Pr.v. Orange.

 

In 1787 is hij vaandrig onder het eerste battaljon van generaal Lewe in het garnizoen te Coevorden. Op 17 november 1787 vat hij opnieuw de moed op om Hendrik Fagel te schrijven met het verzoek hem voor te dragen voor een bevordering. De brief luidt als volgt:

Hoog Welgeboren Heer!

Terwijl ik gedurende vier jaren den Lande als een getrouw officier betaamd, onder het Regiment Lewe als vaandrig gedient hebbe, en mijn conduite, zo ik durve vertrouwen irreprochabel is, heeft mijn familie, zig wel voor mij gelieve te interesseren, en voor mij Request aan Zijne Doorlugtige Hoogheid doen presenteren, ten einde het Zijne Hoogheid goedgunstiglijk behagen mogte, mij als Capitain - Commandant van een Compagnie te avanceren, zo neeme ik ootmoedig de vrijheid mij te bevelen in U Hoog Wel Gebooren hooggunstige protectie, met eerbiedig verzoek dat U Hoog Wel Gebooren tot aandrang deeser sollicitatie mijn Persoon aan Hooggemelde Zijne Doorlugtige Hoogheid gelieve voor te dragen en te recommanderen:- in hoope U Hoog Wel Gebooren, deeze mijne beede met een gunstig oog zal gelieven te beschouwen en mijne vrijpostigheid niet kwalijk zal nemen, heb ik de eere met alle respect te zijn Hoog Wel Gebooren Heer!

          Meppelt in den Landschap Drenthe den 17 November 1787

            Hoog Wel Gebooren zeer onderdanige dienaar,

            F.A. Cassa

Of hij op basis van deze brief bevorderd is geworden is niet duidelijk. Wel heeft Frederik Abraham de Republiek der Verenigde Nederlanden gediend als luitenant, werd in 1793 in den veldtocht tegen de Fransen krijgsgevangen gemaakt en leed in zijn krijgsgevangenschap zo, dat hij na een langdurige ziekte op 35-jarige leeftijd uiteindelijk overlijd. Intussen was hij in 1794 nog gelegerd in de citadel van Antwerpen. Tevens is hij commandant van de vesting Hulst geweest.

Drost en gedeputeerden hadden hem op grond der resolutie van Ridderschap en Eigenerfden, Staten der Landschap Drenthe, d.d. 29 september 1787, nevens zijn compagnie's commandant, kapitein R.F. van Kruissen en zijne medeofficieren in 't regiment van den generaal baron Lewe van Aduard, E. Woldringh, H. Bulthuis en C.P. de Groot, in 1789 begiftigd met eene gedistingeerde gouden medaille, waarop het borstbeeld van den Erfstadhouder, decoratiën en inscriptiën "om te strekken tot een blijvend gedenkteken van het bijzonder genoegen der Landschapsregering wegens zijn prijzenswaardig gedrag in het herstellen der openbare rust".

Zijn laatste rang is luitenant en hij wordt in de kerk te Dalen begraven.

 

Tijdens één van zijn veldtochten schrijft hij zijn vrouw Johanna Lamina Kymmel een zeer aandoenlijke brief met de volgende inhoud:

Mijn waarde! 't is niet zonder aandoening dat ik de pen opvat om U deeze letteren te schrijven, wijl het, zo deeze U toegezonden word de laatste zal wesen, die gij van mijne hand ontvangen sult. Wij zijn van eene Armée fransche vagabonden omringt, die ons ieder ogenblik met eenen aanval dreigen. Bovendien ben ik, nevens anderen van tijd tot tijd verpligt om diverse verlooren posten waar te moeten nemen, waarvan men op sijn best genomen in cas van attaque als krijgsgevangen af kan komen. Ik mag mij thans met dergelijke aanmerkingen niet beesig houden, daar mij 't hart gedurig verscheurd word. Onuitsprekelijk veel kost het mij, mijnen dierbare, u door deze een Eeuwig vaarwel te moeten zeggen, en nogtans zijn de omstandigheden zo gesteld, dat niemand onser (ofschoon in dit leeven nimmer) een ogenblik van zijn leeven zeeker is.

   Hoe zeer herinner ik mij met vermaak die blijde dag waarin wij ons met de plegtigste banden mogten vereenigen. Gij weet tog mijn dierbare dat enkele geneegenheid ons tot dien staat geroepen heeft, met terzijde stellen van alle belangens. Ten minsten daardoor is onse Egtverbintenis gezegend geworden. Wij hebben in Eendragt en liefde gedurende ruijm vijf jaren mogen doorbrengen. Waarlijk eene te korten tijd om voor Eeuwig te moeten scheiden. Hoe naar hoe aaklig is het niet voor mij mijn dierbare om mijn leeven mogelijk binnen weinige tijd te moeten verlaten, zonder het beste pand dat ik op aarde heb, en kinders, die gij weet dat ik zo zeer bemin, te mogen omhelzen. O! ijsselijke toestand, de vale dood zal mij mogelijk in 't besten mijner jaren wegrukken.

   Vaar dan wel mijn waarde, geniet met mijn kinders al dien voorspoed, en dat geluk dat u een hart toewenscht dat alleen wenschte te leeven, om U zo gelukkig te maken als dit onvolmaakte leeven kan toelaten.

   Vergeef mijn dierbare zo ik U beleedigt hebben mogt. Deze hoop zal ik stervende ten minsten van uwen goedheid en liefde verwagten, terwijl ik U van mijne agting en zuijvere toegenegenheid verseekere.

   Hopende U hier namaals in een volmaakter staat weder te mogen kennen en dan met U deel te hebben aan een volmaakter geluk. Omhelst mijne kinderen voor mij, onderwijst hun vroeg in de Vreeze des Heeren en om deugdzaam te zijn en tragt hunne altijd van den dienst af te houden so het mogelijk is.

   Nu kan ik niet meer, deze weinige letteren hebben mij veele tranen gekost, uit het een en ander zult gij de gesteldheid van mijn gemoed kunnen opnemen. Vaart nogmaals wel mijn waarde, ik vlij mij tenminste dat na dat ik gesneuveld ben, U deze laatsten brief nog aangenaam sal weesen.

   Ik heb reeds verscheidene dagen geaarseld om U te schrijven, wijl het mij onmooglijk was U dit laatste vaarwel te moeten zeggen, die hatelijke toestand! Nogtans wijl 't gevaar vermeerdert, vind ik er mij toe gedwongen, groet meede Uwe ouders voor Eeuwig van mij en verseeker haar van mijn eerbied en agting, ook uwe naastbestaanden.

   Zo ik sterven moet of in wat geval, hoop ik door Gods goedheid in staat gesteld te mogen worden, om mijn pligt met eere waar te nemen. Nog eens vaarwel mijn lieve, hoe zeer zou ik mij verblijden als ik U met mijn kinders nog weder mogt zien, dan dit is hachelijk en onzeker. Adieu mijn dierbare dan voor Eeuwig, gedenk tog aan een man die U altoos oprecht bemind heeft en die altoos in 't leven is Uwe liefhebbende

          Cassa                     10 februari 1793.

 

   Den 13e heb ik U geschreven maar de post heeft niet kunnen passeren, dus is de brief mij weder ter hand gesteld. De post is den 14e ook niet aangekomen dus is mij 't eenige genoegen om tijding van mijn liefde te bekoomen ook ontnomen. Heden moet ik weder naar de pallissaden en wijl een ieders lot onseeker is, zo kan dit het laatste zijn, dat ik aan U zal mogen schrijven. Ik neem dus afscheid van U voor altoos, geniet bestendig dat geluk dat ik U toewensche, dan zult gij Uwe dagen met een onafgebroken genoegen doorbrengen. Ik hoop mij in alle omstandigheden zo te gedragen dat mijn dierbare nog mijn kinders zig over mij zullen kunnen beklagen.

                      15 februari.

 

   Heden nagt heeft men begonnen de stad te bombarderen. Die nagt is ijselijk geweest mijn dierbare, er is hier bijna nergens een veilig plaatsje over om wat te rusten. Nu wij hebben nog erger te wagten. Ik geloof niet dat ik U zal mogen wederzien. God gaave dat ik mij hier in mooge bedriegen. Het hart is mij te vol om te schrijven, vaarwel, voor Eeuwig wel mijn dierbare, omhelst voor het laatst mijn lieve kinderen. Ik omhelze U duizendmaal in gedagten en ben eeuwig uwe liefhebbende       Cassa.

               Maastricht den 25 febr. 1793.

 

   In deeze eene nagt ligt de stad al voor een gedeelte in puijnhoopen, 't ziet er zeer akelig uit. Hier nevens nog ingesloten een brief die ik den 13 met de post had versonden, maar heb ze weder teruggekregen. Hier nevens ook mijn Testament.

 

Het testament is op 9-12-1793 opgemaakt in Zundert in de  Baronie van Breda.

 

 

Zoon Gerard Kornelis

Gerard en Elisabeth gaan op 16-10-1763 voor de kerk in ondertrouw.

Maria Elisabeth Gousset is dochter van Mattheus Hermannes Gousset. Deze Mattheus Hermannes is solliciteur[58] militaire van beroep en koopt in 1783 het landhuis Marlot in Wassenaar voor 186.000 gulden. Als hij kort daarna overlijdt verkoopt zijn dochter Maria Elisabeth het landhuis weer. In de 20ste eeuw heet een villawijk in Den Haag, in de buurt van Wassenaar, Marlot.

 

Op 6-4-1781 wordt Gerard Cornelis als lid genoemd op de ledenlijst van het dichtgenootschap "Kunstliefde spaart geen vlijt". Dit genootschap is opgericht in 1772. Op de 6e van de grasmaand (april) 1782 wordt hij tot honorair lid verkoren. Op 20-4-1782 is hij tegenwoordig bij een buitengewone vergadering van het genootschap. Een ingekomen brief van hem wordt voorgelezen waarin hij betuigt de benoeming tot honorair lid "volwaardig zich te laaten welgevallen". De notulen van de vergadering van het genootschap van 5-7-1797 vermelden: "En eindelijk rapporteert de penningmeester dat de oud commies van Hollands finantie Mr. G.C. Cassa, voor zijn honorair lidmaatschap heeft bedankt".[59]

Bij zijn overlijden wordt een advertentie gezet in de Utrechtsche Courant van woensdag 20-11-1805: “Heden is, op den Huize Loenen, aan een verval van kragten en daarbij komende beroerte, in den ouderdom van bijna 68 jaaren, overleden de Wel. Ed. Geb. Heer MR. Gerard Cornelis Cassa, oud commies der Finantie van Holland, waarvan bij deze aan Vrienden en Bekenden word kennis gegeven, door Corn. Hoogeveen, executeur testam. Loenen, den 16 Nov. 1805”.

 

Op 22-3-1786 wordt een grafstede in de Kloosterkerk overgeboekt ten name van Maria Elisabeth Cassa geboren Gousset ingevolge de akte van verzoek door haarzelf getekend als erfgenaam van wijlen haar overleden vader de heer Mr. Mattheus Hermanus Gousset. Bij het overlijden wordt aangetekend dat het lijk overgebracht is van Loenen.

Text Box:

 

 

 


Elegant gezelschap en vissersvolk op het strand van Scheveningen; schilderij van Andreas Schelfhout 1787-1870


3.12.                      Johannes Samuel Cassa  (1731)

 

mr. Johannes Samuel Cassa                         x                 Johanna Lillie

~14-8-1731 Nieuwe kerk Den Haag    9-3-1760               ~2-9-1738 Nieuwe Kerk Den Haag

+10-2-1814 Den Haag                        Hoogduitse kerk

Commies ter vergadering van Hare Hoog Mogenden

Commies ter comptoire (financiën) van de raadspensionaris van Holland

Commies ter provinciaal bestuur van Holland

=================================================================

          1)Cornelia Frederica

            ~21-1-1761 Kloosterkerk Den Haag

            +13-7-1815 Den Haag

          2)Johanna Elisabeth

            ~30-7-1762 Kloosterkerk Den Haag

            +16-5-1829 Den Haag

          3)Anthony Willem                              x                 Maria Sybilla van der Hoeven

            ~2-11-1763 Den Haag            6-5-1792               *14-4-1764 Delft

            +20-1-1840 Rotterdam            Rotterdam             +30-8-1822 Rotterdam

          4)Maria Elisabeth                               x                 Petrus Lambertus Landt

            ~21-10-1764 Kloosterkerk       24-5-1791

                                                         Den Haag

                                                         Kloosterkerk

          5)Johannes

            ~18-5-1766

            +13-3-1767

          6)Johannes Adriaan

            *5-9-1767 Den Haag

            ~6-9-1767 Kloosterkerk Den Haag

            +4-2-1823 Den Haag

            klerk bij gewestelijk bestuur

          7)Hermina Christina

            ~15-3-1769 Groote Kerk Den Haag

            +3-3-1770 Den Haag

          8)Pieter Adriaan

            ~20-11-1771 Kloosterkerk Den Haag

            +26-11-1842 Den Haag

            secretaris van de commissie van Binnenlandse Correspondentie

 

 


Text Box:

 
 

 

 


Vader Johannes Samuel

Vader Johannes Samuel is een invloedrijke topambtenaar bij de Nederlandse regering in de 18e eeuw.

Uit een aantekening die aan zijn dagboek ontleend is, weten wij, dat hij reeds vroeg als "pennist" - d.w.z. als departementsambtenaar - opgeleid werd. Het is ongetwijfeld aan zijn vader Frederik Abraham geweest, die deze opleiding bepaald heeft: zelf geslaagd in zijn ambtenaarsloopbaan, vertrouwde hij erop met zijn relaties zijn zonen langs deze weg het spoedigst hetzelfde te bereiken. De oudste zoon, Anthony Isaac, heeft door deze opleiding het succes in 1742 op achttienjarige leeftijd reeds een plaats te verkrijgen als klerk bij de Raad van State, er was na dit succes voor de vader alle reden voor zijn andere zonen dezelfde loopbaan te kiezen.

Wat deze opleiding van pennist precies omvat heeft is niet bekend. Bepaalde nauw omschreven eisen zullen niet bestaan hebben. De schrijfkunst, waaraan men het eerst zou denken, heeft daarbij zeker niet op de voorgrond gestaan; Johan Samuel had later een vrij duidelijke, maar geenszins fraaie hand. Het blijkt dat Frederik Abraham deze opleiding voor zijn zonen in elk geval niet al te eng heeft genomen. Behalve Frans, heeft hij hen Latijn laten leren en waarschijnlijk ook reeds vroeg voor de rechtenstudie laten voorbereiden. Hij mocht de practische opleiding boven de academische voor zijn zonen verkiezen, van de voordelen welke een academische titel gaf, is hij overtuigd geweest; zijn zonen zouden zonder de academie te bezoeken de titel van meester in de rechten moeten verwerven.

Terwijl Johan Samuel als 17-jarige op reis gaat met graaf Bentink naar het congres van Aken en een jaar later naar Parijs met Lestevenon van Berkenrode, gazant bij het Hof van Frankrijk, kijkt vader Frederik Abraham uit naar een baan voor zijn zoon en vindt die bij de inrichting van het nieuwe bureau van de collectieve middelen in Holland dat als ten gevolge van de hervormingen van 1749 wordt ingesteld. Op 19-jarige leeftijd verkrijgt Johan Samuel een vaste positie als klerk op dit kantoor.

 

Johan Samuel heeft een dagboek geschreven. Dit boek ligt nu (anno 2000) in het gemeentearchief in Den Haag. Hierin beschrijft hij zestienjarige leeftijd zijn reis als secretaris in het gezantschap van graaf Bentink naar de vredesbesprekingen in Aken. Ook beschrijft hij een tochtje met de familie naar Alphen aan de Rijn. Zie verder.

 

Op 21-jarige leeftijd heeft Johan Samuel Cassa, althans in vergelijking met zijn tijdgenoten, reeds een en ander gepresteerd en bovendien vrij wat van de wereld gezien. Het opmerkelijke van hem is, dat hij zich van dit alles rekenschap heeft willen geven. Reeds tijdens zijn verblijf in Aken en Parijs heeft hij dagboek gehouden van zijn belevingen en indrukken (vgl. over dit dagboek Oude Tijd 1870 blz. 323). Volgens J.G. Frederiks, die het dagboek nog gekend heeft, spreekt uit dit werk heel sterk een "gevoel van afstand, welke tussen hem en de doorluchtigheden en exellentiën" bestond, verder een "zucht tot bewonderen". Echter kun je van een 17-jarige jongeman, voor het eerst in den vreemde, anders verwachten. Frederiks merkte verder op "een zekere eenvoudigheid in het waarnemen en denken....., een niet rijke gave der opmerking". In het dagboek schijnen verder dichterlijke ontboezemingen gestaan te hebben, een neiging waaraan hij zich inderdaad bij allerlei gelegenheden te buiten ging.

Na zijn promotie neemt Johan Samuel onder de klerken van het kantoor een eerste plaats in. Zijn verplaatsing in 1754 als klerk naar de Finantie van Holland, waar hij onder zijn vader komt te staan, is ongetwijfeld een promotie geweest. De grote sprong wordt echter in 1759 gedaan, als de raadpensionaris Pieter Steyn hem tot zijn commies aansteld, en de gecommitteerde Raden deze benoeming goedkeurden.

Johan Samuel is thans door zijn ambt de rechterhand van de raadspensionaris. Hij krijgt toegang tot de vergadering van de Staten van Holland, waar hij korte notities maakte, welke hij onmiddelijk te extenderen had, opdat deze de volgende dag in de Staten-vergadering konden worden geresumeerd en gearresteerd. Hij had toegang tot alle commissievergaderingen (de zogenaamde besognes), en verving hierin soms de raadpensionaris; hij stond verder de raadspensionaris in alles bij, o.a. door het samenstellen van recueils betreffende bepaalde onderwerpen, hield verder ondermeer de index op de statenresoluties bij, welke van tijd tot tijd onder zijn toezicht gedrukt werden.

Hij was op zijn 28e jaar vrij hoog ambtenaar met een tamelijk ruim salaris van 4.000 gulden doch zonder veel vooruitzichten op verdere promotie. Een opklimming, zoals b.v. zijn voorganger Clotterboke door zijn benoeming tot secretaris van de Staten van Holland gemaakt had, was uitzondering.

 

Kort na zijn benoeming treedt hij in het huwelijk met Johanna Lillie, dochter van een ambtenaar. Zij vestigden zich op de Prinsengracht, dicht bij zijn ouders, bij wie hij tot dusverre ingewoond heeft.

 

Johan Samuel’s ambtswerk, bestaande uit een lange serie minuut-resolutiën en recueils, welke thans nog in het Statenarchief bewaard zijn, dragen uiteraard een vrij onpersoonlijk karakter.

Zijn buitenambtelijk werk is voor ons merkwaardiger. In de eerste plaats het werk, dat hij onmiddelijk na zijn ambtsaanvaarding aanlegde, en dat karakteristiek is voor zijn ordelijke geest. In dit werk legt hij vast de plichten, welke hij als commies van de raadspensionaris na te komen heeft, de gebruiken en werkzaamheden bij het bureau van de raadspensionarisen de secretarie van Holland, en tal van andere punten, waarmee hij in zijn ambt te maken heeft. Het werk is een soort vademecum, dat bij voorkomende gelegenheden opgeslagen zou kunnen worden, en waarin alle onderwerpen in alfabetische volgorde opgenomen waren. Het geschrift is nauwelijks bekend. Toch is het voor de kennis van de organisatie van de secretarie, de besognes, het gebruikelijke ceremonieel, kortom voor de interne gang van zaken bij de vergadering der Staten en de bureaus van Holland belangrijk.

Bekender is het tweede buitenambtelijk werk, dat hem jaren bezig houdt: de samenstelling van de indices op de resolutiën van de Staten van Holland van 1525 tot 1653 en van de Gecommiteerde Raden van 1621 tot 1756. De ambtstaak van de commies bracht mede indices te vervaardigen op de resolutiën van zijn eigen tijd, en voor het drukken van deze zorgen. In de jaren tussen 1760 en 1770 is aldus de index op de resoluitën van 1747 tot 1760 onder zijn toezicht gedrukt. In de rij van de oudere indices ontbraken echter destijds die over de tijd van 1525-1653, zodat de resolutiën over deze jaren praktisch niet te gebruiken waren. Is het de telkens gevoelde behoefte ook over deze jaren een index bij de hand te hebben, welke Cassa in 1768 bewogen heeft bij de Gecommitteerde Raden een plan in te dienen over deze jaren indices samen te laten stellen en te drukken? Waarschijnlijkder is het dat het plan van zijn chef de Raadspensionaris Steyn is uitgegaan. Steyn had grote belangstelling voor de geschiedenis van zijn gewest, en de leemte in de indices moet hij sterk gevoeld hebben. Enige jaren te voren, in 1757, heeft hij als registermeester van de lenen de bekende griffier van de lenen, mr. Martinus Gousset, bewogen tot het vervaardigen van de reusachtige index op de registers welke in de leenkamer berusten (Th. van Riemsdijk. De thesorie en kanselarij van de graven van Holland en Zeeland, blz 703) het is niet onwaarschijnlijk dat hij de aanzet tot dit plan. Johan Samuel Cassa heeft in elk geval bij de indiening van zijn voorstel op de steun van Steyn kunnen rekenen. Toen Gecommitteerde Raden het advies van Steyn vroegen, ontwierp deze met eigen hand een besluit, waarbij Cassa's voorstel aangenomen werd en een beloning van 25 gulden voor elke honderd bladzijden van de gedrukte registers der resolutiën, welke in de generale index verwerkt zouden worden, toegezegd werd. De Gecommitteerde Raden hebben overeenkomstig dit advies besloten. Johan Samuel is onmiddelijk aan het werk gegaan en het is ongelooflijk in welke korte tijd de 68 delen gedrukte resolutiën van 1525 tot 1653 door hem van indices voorzien zijn, en wat meer zegt, op welk een voortreffelijke wijze deze indices gemaakt zijn. Het is waar dat, dat hij de indices van 1653-1747 als voorbeeld had, en dat hem misschien het verwijt gemaakt kan worden, dat hij zich bij de keuze van de respecten voor de oudere tijd teveel aan het voorbeeld van de latere jaren gehouden heeft, een ieder die de uitvoerige indices regelmatig gebruikt, weet hoe bruikbaar ze zijn en hoe zelden men bij hun raadpleging teleurgesteld wordt. Het zevende deel, over de jaren 1644 tot 1652 (Cassa werkte van achteren naar voren) is nog in het jaar 1768 verschenen, en liep over 3.846 bladzijden folio druks; het volgende deel verschijnt in 1769, het vijfde en vierde deel in 1770, het derde en tweede in 1771, het laatste in 1772. Het gehele werk is in vier jaar tijd tot stand gekomen. De beloning, welke naar schatting 7.000 ŕ 8.000 gulden bedragen moet hebben, mag vrij ruim geweest zijn. De arbeid is dan ook ontzagwekkend geweest.

 

Het werk moet niet weinig van Cassa's volharding gevraagd hebben en er zullen ogenblikken van lichte wanhoop bestaan hebben. Hebben de zinspreuken en aanhalingen uit de Latijnse auteurs, welke Cassa vóór in de delen plaatste, zijn gemoedsgesteldheid tijdens het verschijnen van zijn werk weergegeven? Getuigen de woorden "publica privatis anteponenda bonis" vóór in het derde deel, dat Cassa private belangen voor dit werk heeft moeten opofferen, de woorden "Labore et constantia" in het vijfde deel, de aanhaling van Cat's beroemde woorden "Rum tibi quam nosces aptam, dimiterre noli Fronte capillata, post est occasio calva" in het tweede deel, van de grote inspanning, welke het werk hem kostte en van zijn bezwaren, overwonnen door zelfvermaan?

Wanneer Cassa in 1772 het grote werk voltooid heeft, is hij bepaalt uitbundig in zijn Latijnse aanhalingen, enerzijds hierbij vertoon van bescheidenheid: "Spes tamen in dubio est, sed quid tentare nocebit", en de woorden van Propertius: "Quod si deficiant vire, audacia certe Laus erit; in magnis et voluisse sat est", anderzijds uiting van trots over het tot stand gebrachte:

"Omnia siam fiunt, fieri quae posse negabam"en "Perseverando".

Had Cassa het bij deze aanhalingen gelaten! Hij kan echter niet nalaten produkten van zijn dichtkunst in de officiële statenuitgave in te voegen. Het vijfde deel, bevattende de indices over 1610 tot 1627, een vierregelig vers:

Dat Neerlands vrijen Staet, door Heldenbloed verkregen

En schatten vrijgemaeckt, door kloeckheid bleev' in stand

Getuigen ook dit stuk en twee van d'eigen hand

Reeds voorgegaan, tot roem van Gods onschatbare zegen".

En in het eerste deel een vers in de meer pretentieuze vorm van een sonnet:

"Wat nijvre landman, staag gewoon zijn vlijt en kragten

In 't akkerbouwen of beplanten te besteen

Zal niet van al zijn zweet en noeste bezigheen

Door 's hemels gunst eerlang gewenschte vrugten wachten?

Terwijl de vreugd in 't eynd zijn dankbare gedachten

Komt op te wekken om d'Aartsgoedheid die alleen

Zijn moeite zeeg'nen kon, te erkennen als degeen

Die door een milden oogst zijn zwoegen wou verzachten.

Zoo is 't tot 's Heeren roem mijn arbeid ook gelukt

Om 't geen mijn Vaderland gestreelt heeft of gedrukt

Den tijd van tien maal tien, acht, een en twintig jaren

In zeven deele kort te saam te voegen om

Te strekken ten compas voor Hollands Statendom

Dat God wil in zijn gunst tot 's waerelds einde sparen.

 

Wij doen aan Johan Samuel’s dichtkunst waarschijnlijk de meeste eer er geen woord verder aan te wijden. Zijn voldoening over zijn werk is overigens volkomen begrijpelijk. Meer dan 68 delen waren in korte beschrijvingen wezenlijk samengevat en deze in alfabetische volgorde gerangschikt, dit alles terwijl hij zijn ambtstaak, welke zeker geen sinecure was, te vervullen had.

Wie zou na deze prestatie niet gaarne voor goed van een dergelijke arbeid afscheid genomen hebben? Johan Samuel Cassa denkt er anders over. Hoewel de drukproeven van de indices op de resolutiën weldra te verwachten ware, onderneemt hij spoedig een nieuw indiceringswerk. Het nieuwe werk betreft de resolutiën van de Gecommitteerde Raden van 1621 - 1756, welke niet minder dan 125 foliodelen omvatten. De prikkel van een ruime geldelijke beloning, die bij de vorige arbeid ongetwijfeld bestaan heeft, is hierbij waarschijnlijk afwezig geweest. Een besluit van Gecommitteerde Raden, waarbij zij een beloning voor dit werk in vooruitzicht stelden, is thans nog niet aangetroffen. Ook deze indices kwamen snel tot stand. In 1776 was de index op de eerste serie der delen voltooid, een zwaar foliodeel; in 1777, 1778 en 1779 verschenen de volgende drie delen. Dan wordt het werk plotseling afgebroken. Het is Cassa te druk geworden. In de woelige tijden, welke nu in de Republiek aanbreken, worden de vergaderingen der Staten frequenter en langduriger, waarop b.v. de zware delen der resolutiën dezer jaren inmiskenbaar wijzen. Maar bovendien heeft Johan Samuel een tweede ambt naast zijn hoofdambt aangenomen.

In 1781 was het ambt van commies ter correctie van de gedrukte depeches door de dood van Albrecht Bosch opengekomen. Johan Samuel’s, die met De Riemer naar deze betrekking solliciteerde, werd hiervoor uitverkoren.

Zijn tijd is nu wel geheel in beslag genomen; de verzuchting welke hij in zijn dagboek bij de aantekeningen van zijn rechtenstudie in 1751 neerschreef, dat men in de jeugd nog tijd voor een dergelijke studie beschikbaar had en dan ook behoorde te gebruiken, doch later de mens geheel door ambtelijke beslommeringen in beslag genomen werd, past in deze tijd van zijn leven.

Na de overwinning van de Prinsgezinde partij, werden de Statenvergaderingen minder veelvuldig, en Johan Samuel krijgt meer vrije tijd. De indices op de resolutiën van de Gecommitteerde Raden worden weer voortgezet, en reeds in 1790 en 1791 verschenen het vijfde en zesde deel. Ook dit werk is hiermee voltooid.

Nog eens wijdt Johan Samuel zich aan een bijzonder opdracht. In september 1792 wordt P.L. van de Spiegel, de tweede raadspensionaris met bijzondere historische belangstelling, onder wie Johan Samuel heeft mogen dienen, getroffen door de slordige staat van de archieven van de Hollandse Staten en de lokalen, waar deze geborgen waren. Van de Spiegel richtte zich tot Johan Samuel om orde in deze chaos te brengen. Deze was daartoe bereid, en Gecommitteerde Raden geven hem op 17 oktober 1792 opdracht de boeken en deelen in behoorlijke orde te plaatsen en een inventaris samen te stellen. Het werk, dat door Johan Samuel in de korte tijd van ruim vijf maanden wordt voltooid, heeft nu voornamelijk uit een archivalisch oogpunt betekenis, en is uit dat oogpunt dan ook belangrijk. Alleen met behulp van Johan Samuel's beschrijving kan een duidelijke voorstelling van de berging en omvang van het oude Staten-archief gemaakt worden. De beschrijving van Johan Samuel kan, zoals te verwachten is, geenszins als model van inventaris beschouw worden. Het was zijn taak alleen de series en delen naar de orde, waarin hij deze in de verschillende lokalen vond, te beschrijven en de voornaamste respecten van de loketkast te noemen; aan een minitieuze beschrijving b.v. van de oude grafelijke charters, welke sedert 1645 bij het Staten-archief geplaatst waren, is hij niet kunnen toekomen; zijn beschrijving houdt het midden tussen een inventaris en een rapport.

Johan Samuel's aard verlochent zich ook in dit werk niet. Tussen droge opsommingen, persoonlijke opmerkingen en ontboezemingen, ten slotte zelfs weer een vers. Na eerst de woorden "Fronte capillata, post est occasio calva" weer vooropgesteld te hebben, begint hij zijn verslag aldus: "De oppervlakkige desolate gesteldheid van de charterkamer van Holland is aan de heren Raadspensionaris van de Spiegel en de twee secretarissen Royer en Emants bij oculaire inspectie op de 12e september 1792 gebleken, maar deszelfs innerlijke situatie was zo verward, dat er vrij wat overleg nodig is geweest, hoe het werk aan te vatten om op een goede uitslag van de onderneming te kunnen hopen; dan met de zinspreuk festina lente de zaak begonnen, is het voorgekomen - en de verwachting heeft het beantwoord - dat met de meeste spoed en de vruchtbaarste arbeid in een meestal gelijktijdige continuele werkzaamheid met de clerq de Fouw en de kamerbewaarder Trotsenburg, de voortgang heeft kunnen worden voortgezet en voltooid". Hierop volgt de beschrijving van de resolutiën, waarvan verschillende exemplaren in het zogenaamd magazijn en aangrenzende vertrekken geborgen waren; vervolgens van de kasten C, D, E, F, G, H van de charterkamer, en het bekende Bruine Kastje aldaar, dat sinds 1773 ter berging van de beroemdste staatsstukken diende. Dit laatste wordt zelfs vrij minitieus beschreven. Nadat dan de kasten A en B behandeld waren, komt Johan Samuel voor de kasten I en K te staan, waar de grafelijke charters verborgen waren, welke tijdens de bewaring in het kasteel te Gouda zo deerlijk geleden hadden. Hij is hier van verbazing geslagen: "Nu overgaande tot kast Litterae I en K zoude men voor dezelve staande, zig kunnen verbeelden een kruidenierswinkel te zien met 50 laden kruidenierswaren opgevuld om derzelver gedaante en uitwendige vertoning: het oppervlakkig inzien derzelve moest grote hoop geven van een loffelijke antiquiteit in dezelve te vinden. Dog hier zal de schijn merkelijk bedriegen, want het grootste gedeelte derzelve is zo vervuurd, verteerd en verrot, dat men zig heeft moeten vergenoegen deszelfsoudheid enkel te conserveren in een uitwendige nieuwe rok van schoon papier en daarom is het ook niet raadzaam geoordeeld den kostelijken tijd te misbruiken en de attentie te vervelen met een stukswijze opnoeming derzelve in dezen inventaris". Johan Samuel Cassa volstaat inderdaad met de opsomming van enkele stukken uit verschillende laden.

Hij gaat dan over tot de beschrijving van de geseponeerde stukken in de zogenaamde loketkasten A, B, AA, BB, welke zeer belangrijk is.

Hij besluit dit gedeelte met een nieuwe ontboezeming: "Welk een uitbreiding? dunkt mij te horen vragen. Het zoude mij aangenaam geweest zijn, als dit gedeelte van de arbeid korter had kunnen vallen, maar ik moest het oogmerk in het oog houden - en ik durf gerust aan een onpartijdig oordeel overlaten of iemand die de ontmoedigende verwarring gezien heeft, de attentie, moeite en aanhoudendheid, die tot het in orde brengen van dit alles onvermoeid nodig is geweest, niet veragten wil, niet zal moeten overtuigd zijn, dat alle de aangewende pogingen vrugteloos zullen zijn zonder dadelijke voorziening

(1) dat onbevoegden van de charterkamer geweerd blijven

(2) dat niets daarvan afgegeven wort als onder een getekend recepis....".

De ordening zal eerst dan blijvend effect hebben: "vaerdigheid en trouw in den arbeid strijden tegen gemak en lafheid in pligt".

Johan Samuel Cassa gaat dan verder met de beschrijving van de kasten L en M., enige kisten en koffers en eindelijk van de liasborden aan de zolder. Hij besluit met de woorden "Zonder ophef van enen zo lastigen arbeid is het bij de voltooiď genoeg gezegt: Übi rerum testimonia adsunt, non opus est verbis". "De gestadige jager vangt het wild" en eindelijk het vers:

"Heb dank ontfermend God voor uw verleende kragten

Om ijver, lust en tijd tot d' uitkomst te betragten

Zo dat niet slegts beproefd, Maar 't reeds is afgedaen

Door zegen op de vlijt, hoe ruim 't vak mogt gaan".

 

In april 1793 leverde hij zijn inventaris over. Het moet Johan Samuel voldoening gegeven hebben, dat de Gecommitteerde Raden hem in juni 1793 tot officiële bewaarder van de charterkamer gemaakt hebben, en dat zij een reglement op 't beheer der charterkamer vastgesteld hebben, waarin zijn wensen omtrent de toegang tot de archieven en het gebruik der stukken verhoord zijn.

 

Ruim een jaar later komt er de algemene omwenteling. Johan Samuel 's positie wordt op dit moment zeer wankel. Wat kan zijn taak zijn, nu het raadspensionariaat is afgeschaft? Voorlopig blijft hij gehandhaafd als commies van het Provinciaal Bestuur, speciaal ter beschikking van de president der gewestelijke vergadering. Bij de bezuinigingen, die in 1798 door het Intermediair Administratief Bewind ingevoerd worden, wordt zijn ambt naast dat van secretaris van het gewestelijk bestuur als onnodig geoordeeld. Een commissie tracht nog voor Cassa het ambt van archiefbeheerder te behouden, maar ook dit kan geen genade vinden in de ogen van het Bestuur. In februari 1798 valt het besluit tot opheffing en wordt hij op 66-jarige leeftijd tot ambteloos burger gemaakt.

 

Is hij bijzonder gedupeerd geweest? Uit de jaren 1797 of 1798 dateren waarschijnlijk twee verzen, welke gevonden zijn in een exemplaar van Van Beverwijk's Werken der Geneeskonste (Navorscher VI blz 74), en beide van Johan Samuel Cassa's hand. Voelde hij zich niet gezond, dat hij in dit geneeskundig werk bladerde? Uit de verzen spreekt een berusting in een scheiden uit dit leven. In het eerste vers is een vroom sonnet met de titel: "Mijn offer". Hiermee belijdt hij zijn geloof in Christus. In het tweede vers geeft hij een bespiegeling over de broosheid van het leven:

Die heden lachend bloeit, wordt morgen reeds begraven

Een winter knakt de steel van onze levensbloem

Geloofd zij God! Hij toont mij 's hemels rede en haven

'k Zeil met mijn Heiland in, met hem dien 'k dankend roem.

Evenwel; zijn einde is nog niet gekomen. Nog 16 jaren leeft hij in Den Haag aan het Westeinde, waar hij sedert 1783 woont. Hij heeft de verschillende staatvormen beleefd, waarin de Republiek nog heeft voortbestaan, hij heeft het Koninkrijk Holland, de Inlijving en zelfs nog even het herstel der onafhankelijkheid meegemaakt.

 

Johan Samuel Cassa heeft ook enige belangstelling voor de schilderkunst gehad. Hij komt o.a. voor onder de leden van het Haagsch schildergenootschap.

Hij overlijdt op hoge leeftijd.


Het gezin Johan Samuel Cassa

De familie Johannes Samuel Cassa, rentenier, woonde in wijk D nummer 038 aan het westeinde in Den Haag. Inwonend is Jan Adriaan, ongehuwd en klerk van het departementaal bestuur van de Amstel. (buurtboek buurt D)

 

 

Zoon Johannes

Johannes overlijdt als hij nog geen jaar oud is aan een ‘borstziekte’ en wordt 1ste klasse begraven voor 30 gulden.

 

 

Johan Adriaan

Johan bekleedt sinds 1803 een ondergeschikte klerkbetrekking bij het gewestelijk bestuur. Hij is ongehuwd en als hij op 55 jarige leeftijd overlijdt is hij zonder beroep. Hij woont dan samen met zijn broer Pieter Goske Cassa in het Hooge Westeinde op nr. 42.

Jan wijzigt in de Franse tijd zijn achternaam. Hij neemt mede de achternaam van zijn moeder aan: J.A. Lillie Cassa.

 

 

Dochter Hermina Christina

Hermina Christina overlijdt als zij nog geen jaar oud is aan ‘borstziekte en een stuip’ en wordt eveneens 1ste klasse begraven voor 30 gulden.

 

 

Zoon Pieter Adriaan

In 1797 is mr. Pieter Adriaan Cassa secretaris van de commissie van Binnenlandse correspondentie. Hij is dan ongehuwd en woont samen met zijn broer Johannes Adriaan Lillie Cassa in het Hooge Westeinde op nr. 42.

Pieter wijzigt tegelijk met zijn inwondende broer Jan in de Franse tijd zijn achternaam. Pieter neemt de achternaam van zijn grootmoeder aan; P.A. Goske Cassa.

 

Bij de volkstelling van 1840 wordt Pieter Adriaan Goske Cassa vermeld als rentenier, wonende in wijk V no. 207 (Brouwersgracht).

Deze Pieter Adriaan is een vermogend man. Bij zijn overlijden laat hij een vermogen na van 321.000 gulden. Zie hiervoor zijn nalatenschap in het boek “akten en testamenten”

Pieter Adriaan laat zijn bezittingen na aan zijn neven en nichten, de kinderen van zijn broer Anthony Willem en zus Maria Elisabeth. Cornelis Anthony erft aldus een vierde deel. Zijn nicht Johanna Maria heeft hij uitgesloten van de erfenis.

Pieter Adriaan houdt van het buitenleven. Hij bezit naast zijn woning in Den Haag ook een boerderij, boerenland en enkele warmoestuinen gelegen in de West-Escamp onder Loosduinen. De hofstede “Zigtenburg” heeft hij als buitenverblijf in gebruik. Eveneens heeft hij het achterste deel van één van zijn warmoestuinen dat met hout is beplant voor eigen gebruik.

Text Box:

 


           Boerderij Zichtenburg te Loosduinen (foto 1925)

          De boerderij is in de 17e eeuw gekocht door IJsbrandt Goske en door vererving in bezit gekomen van Pieter Adriaan Goske en later Cornelis Anthony Cassa.

          Uit de omschrijvingen uit het testament van IJbrandt Goske en huurcontracten leiden we af dat Zichtenburg bestaan heeft uit het huis Zichtenburg met boerenwoning. Gezien de huurprijs in 1697 (436 gulden voor de boerenwoning en het land) ligt het voor de hand dat het huis op de foto de boerenwoning is.

          De schuren lijken van vrij recente datum (2de helft 19e eeuw).


Dagboek van Johannes Samuel Cassa:

 

Johan Samuel beschrijft een buitenlandse reis:

In 1748 gaat hij als secretaris mee in het gezelschap van graaf Bentinck naar de vredesbesprekingen in Aken[60]. Het vertrek vindt plaats op 12-3-1748 ’s ochtends. In de eerste koets, met zes paarden bespannen zit zijn Ho: mo: graaf Bentinck met zijn secretaris de la Fosse. De tweede koets eveneens met zes paarden bespannen vertrekt ene half uur later. In deze koets zitten de heren secretaris d’ Ambassade De Verdun, solliciteur[61] van Zijn hoogheid de Heere prince van Oranje erfstadhouder van de Unie, secretaris De Bruijn en Johan Samuel. Daarachjter volgt een derde koets met 4 paarden bespannen. Hierin zitten de kamerdienaars van de Heeren ministers die ’t saamen ene menage zullen uitmaaken. Op 13 maart om 20 uur komen zij op het kasteel Doorwerth aan. Op 17 maart gaat de tocht verder, met een overnachting in Xanten, naar Aken.

Het garnizoen van de stad Maastricht heeft de stad op 10-5-1748 verlaten met alle krijgseer en wordt de stad “aan den Franschen ingeruimd”. Daags tevoren is een wapenstilstand geproclameerd.

In augustus maakt Johan Samuel vanuit Aken nog een reis naar Luik.

In oktober komt het verblijf in Aken ten einde. Op 18 oktober “sag Europa dien dag gebooren op welke de vreede geteekend werd door de ministers van Engeland, Vrankrijk en de Stadt”. De terugreis is op 27 december 1748.

Via Maastricht, Bree, Eijndhoven, Vught, Heusden, Gorcum en Papendrecht komt Johan Samuel op 31 december weer thuis. Onderdeel van de thuiskomst is een begroeting aan zijn inwonende grootmoeder.

 

Vervolgens maakt Johan Samuel een tweetal reizen naar Parijs

Op 13-3-1750 vertrekt hij als secretaris van de heer ambassadeur Lestevenon van Berkenrode voor zijn eerste reis naar Parijs. In mei 1850 komen zij in Parijs aan. De tocht gaat via Antwerpen, Brussel en Mons. Bij de grensovergang van België naar Frankrijk mogen zij geen geld in de beurzen hebben.

 

In 1750, op negentienjarige leeftijd krijgt Johan Samuel een positie als klerk op het nieuw ingestelde bureau van de collectieve middelen in Holland. Tegelijkertijd studeert hij nu ook rechten. “Bij nagt en ontijden” moet de studie voltooid worden. Op 1, 7 en 8 mei 1751 legt hij in Leiden zijn examens af en op 11 mei krijgt hij zijn bul na het houden van een disputie “De Commodato”. Vrijwel direct daaropvolgend, op 14 mei, laat hij zich inschijven als advocaat bij het Hof van Holland en wordt als zodanig beëdigd.

Op jonge leeftijd, hij is dan 28 jaar oud, bereikt hij vervolgens als de positie van secretaris van de raadspensionaris met een salaris van 4.000 gulden.

 

Ook nu beschrijft Johan Samuel de volgende twee uitstapjes.

Op 19-8-1759 ’s morgens om half zes wordt hij met een wagen van Westmeer ŕ drie personen gegoeverneerd door Van de Maijerije geboortig van Hees afgehaald. De tocht gaat via het Haagse Bos, de Haagse Schouw, Haarlem, Halfweg, Amsterdam, Buiksloot naar Broek in Waterland. In Broek in Waterland moet het gezelschap lopend verder, de wagen kan er niet komen. Broek in Waterland bestaat uit eenvoudige huizen. De inwoners hebben veel geld maar besteden het niet. Na de wandeling gaat de tocht naar Utrecht, via Diemermeer, Weesp, Muiden, Naarden, Graveland, Loenen, Breukelen en Nieuwersluis. In Utrecht logeren zij in het logement “In de stad Groningen” aan het Vreeburg. De volgende dag keert het gezelschap via Harmelen, Woerden en Alphen terug naar Den Haag. Het uitstapje kost per persoon 35 gulden.

Op 24-8-1759 neemt Johan Samuel zijn ouders, broeders en zusters en nichtje Hogheboom mee voor een dagje uit. Zij “doen zich conduiseren met een wagen met fargon na Alphen”. In alphen in de “coepel bij la Fleur” en St. Joris “doen zij zich lekker spijzen”. Vooraf roeien zij met “een roeijschuitje” de Rijn op. “op het dessert musicq verschaft” en op de reis terug “de nodige opversingen besorgt en gedefroijeert en tout pour 43,10 gulden”.

 

In 1781 solliciteren Johan Samuel en ene De Riemer naar het ambt van commies ter correctie van de gedrukte depeches. Johan Samuel krijgt de baan, een tweede ambt naast zijn hoofdambt. Dan in 1794 volgt de omwenteling in de republiek. De prins en de raadspensionaris vertrekken naar Engeland. De patriotten komen aan de macht. Voor Johan Samuel heeft dit gevolgen. Het raadspensionariaat is afgeschaft. Hij blijft nog wel commies van het provinciaal bestuur, met name voor de president der gewestelijke vergadering. Echter het Intermediair Administratief Bewind voert in 1798 een aantal bezuinigingen door. Zijn ambt valt aan de bezuinigingen ten prooi. Ook zijn positie als archiefbeheerder moet Johan Samuel opgeven. In februari 1798 valt dit besluit. Johan Samuel is nu 66 jaar oud.

 


3.13.                      Anthony Willem Cassa  (circa 1765)

 

Anthony Willem Cassa                                 x                 Maria Sybilla van der Hoeven

~2-11-1763 Den Haag                        6-5-1792               *14-9-1764 Delft

+20-1-1840 Rotterdam                        Rotterdam             ~16-9-1764 Oude kerk

secretaris/Commies van het                                            +30-8-1822 Rotterdam

departement financiën van het agent- 

schap van de Marine, later bij de directie der marine in het hoofddepartement op den Maze.

=================================================================

          1)Johanna Maria                                x                 Matthijs Gravelaar

            ~24-2-1793 Den Haag                                         *2‑4‑1785 Utrecht

            +23‑10‑1854 Den Haag                                       +26‑4‑1865 Sappemeer

          2)Theodora Benjamina

            *10-2-1796 Den Haag

            +2-7-1815 Rotterdam

          3)Cornelis Anthony

            *7-9-1798 Den Haag

            +13-2-1868 Den Haag?

          4)Willem Maria Johannes

            ~9-2-1806 Groote kerk Den Haag

 
Text Box:

            +20-1-1823 Rotterdam

 

 


Anthony Willem Cassa treedt in dienst bij de marine, ressort van de admiraliteit op de Maze.

Op 2 maart 1780 is hij cadet. Vervolgens wordt hij op 26-11-1781 benoemd tot ordinaris luitenant. Zijn laatste dienst is op het schip Jason (1784).

Diensten:

- als cadet op het schip Mars gedurende 10 maanden en 14 dagen.

- op het schip Orangezaal gedurende 5 maanden.

- op het schip Jason gedurende 30 maanden en 27 dagen als luitenant.

 

De schepen Mars en Jason met kapitein Story nemen in 17.. deel aan de slag bij Kamperduin.

 

Successieve rapporten:

Omdat S.B.N. Crul is gesneuveld doet Van Halen rapport. Deze rapporteert dat Anthony Willem Cassa “zig wel heeft gecomporteert en geappliceert”.

Capitein Story (Jason) doet geen rapport: “Wegens korte dienst voor de afdanking gedimitteert zijnde is hij ondertekend rapport niet begrepen”.

In 1791 treedt Anthony Willem Cassa aan als extra ordinaris clercq van den heer raadspensionaris. (bron: lijst van capiteinen en lieutenants onder het ressort van de admiraliteit op den Maze). Zijn vader zal wel enige invloed op het verkrijgen van deze functie hebben gehad.

 

Maria Sybilla is geboren in Delft en woont in Rotterdam als ze trouwt.

De kerkelijke trouwinschrijving vindt plaats op 21-4-1792 in de Oude Kerk te Delft. Op 22-4-1792 gaan ze in Den Haag in ondertrouw en op 6-5-1792 trouwen ze in Rotterdam.

 

De familie Anthony Willem Cassa woont in wijk D met 4 kinderen in Den Haag. Later verhuist het gezin naar Rotterdam aan de Hoge Zeedijk, wijk N no 16.

 

Het echtpaar bezit geen onroerend goed. Bij zijn overlijden woont Anthony Willem bij zijn zoon Cornelis Anthony aan de noordzijde van de Nieuwe Haven wijk M no 334.

 

 

Dochter Theodora Benjamina

Zij overlijdt in een huis aan 's Landswerf buiten de Oostpoort.

 

 

Zoon Cornelis Anthony

Cornelis Anthony volgt zijn vader. Hij is in 1822 klerk bij de Directie der Marine op den Maze. Cornelis Anthony gaat op hogere leeftijd weer in Den Haag wonen, aan de Heerengracht op no 44 (sectie T no 633). Het ligt voor de hand dat hij dit mede doet om van de erfenis van zijn oom Pieter Adriaan Goske Cassa te genieten. In zijn testament geeft hij als beroep op grondeigenaar.

 

Op 30-4-1856 wordt Cornelis in Den Haag ingeschreven komend van Rotterdam. Hij woont dan aan de Brouwersgracht 232. Inwonende zijn twee diensboden namelijk: Maria Ruijtenhek en Johanna Helena Hulshof

 

Uit de erfenis van zijn oom Pieter Adriaan verkrijgt hij o.a. de hofstede Zigtenburg. In zijn testament neemt Cornelis Anthony zijn neven en nichten, kinderen van zus Johanna Maria op. Aan hen laat hij de volgende legaten na:

-     aan Anthony Willem 10.800 gulden

-     aan Matthijs 5.400 gulden

-     aan Johanna Maria 8.600 gulden

-     aan Elisabeth 10.800 gulden

-     aan Maria Sophia, achter-achternicht van zijn oud-oom Daniel Cassa 500 gulden.

De erfenis zelf komt toe aan zijn achterneven en -nichten Landt uit het huwelijk van zijn tante Maria Elisabeth Cassa, zuster van Anthony Willem, en Petrus Lambertus Landt.

 

Indien Cornelis Anthony geen testament had gemaakt had de hele erfenis toegekomen aan zijn neven en nichten Gravelaar, inclusief Jacoba Paulina Gravelaar.

Of de huwelijksperikelen (tussen Johanna Maria en Matthijs Gravelaar, zie bij Gravelaar) nog met de verdeling van de erfenis te maken hebben of dat het meer een kwestie van afstand is, is niet bekend. De achterneven en -nichten Landt wonen eveneens in Rotterdam. Het ligt voor de hand dat Cornelis Anthony meer contact had met hen dan met de kinderen van zijn tafel en bed gescheiden zus Johanna Maria in het ver weg gelegen Groningen.

 


4.                                Famile van der Hoeven

 

 

Dit geslacht begint bij Gerrit Andrieszn. geboren omstreeks 1530. Deze Gerrit Andrieszn. koopt moergronden te Capelle in Noord-Brabant.


4.1.                          Overzicht

 

 

 

   |

Jan Jansz.-----x----Neeltje    Johan                     Daniel----x—Marie Vuillaster

v.d. Hoeven         Willemdr.  de Meij                   Croiset

   |                             |                         |

Jan Janzn.-----x----Alide      Johan                     Henry-----x----Rachelle

v.d. Hoeven         Claer      de Meij                   Croiset

   |                             |                         |

Dirk-----------x----Maria      Willem----x--- Weijmans   Paul

v.d. Hoeven         Hennequin  de Meij                   Croiset

   |                             |                         |

Jean-------------------x-------Johanna Wilhelmina        Pierre Jacques

v.d. Hoeven                    de Meij                   Coiset

   |                                                       |

Theodorus ------------------x----------------------------Benjamina Bartha

v.d.Hoeven                                               Croiset

   |

Maria Sybilla

v.d. Hoeven

   X

Anthony Willem Cassa

   |

Matthijs Gravelaar  x Johanna Maria Cassa

 

 

 

 

 

 


4.2.                          Jan Janszn. van der Hoeven  (circa 1580)

 

Jan Janszn. van der Hoeven                         x                 Neeltje Willemsdr.

*Dorsten                                           24-4-1605

+>1621  <1628 Rotterdam                  Rotterdam

kuiper

=================================================================

          1)Jan Janszn.                                     x                 a)Adriaantje Hendricxdr.

            *9-3-160? Rotterdam                                          b)Neeltje Dirksdr. Claer

                                                                                     +>1675 Rotterdam

          2)Willem Jansz.                                  x                 Grietje Adriaansdr.

                                                                                     +<1675 Rotterdam

          3)Jacob Janszn.

          4)Trijntje Janszn.

 

Vader Jan Janszn. is kuiper in de brouwerij “de Roode Leeuw” te Rotterdam. Deze brouwerij ligt aan de Nieuwe haven zuidzijde en het Haringvliet noordzijde.

 

Op 5-7-1608 koopt Jan Janszn. een huis aan de Hoogstraat.

Op 14-5-1612 koopt hij nog een huis in deze straat.

 

Jan Janszn. trouwt met Neeltje Willemsdr., weduwe van brouwer Jacobszn. Jan Jansz. overlijdt voor 1628.

Op 7-2-1628 koopt Neeltje Willemsdr., weduwnaar van Jan Jansz. een huis aan de Nieuwe Haven.

Op 23-5-1628 verkoopt zij dit huis weer.

Vervolgens verkoopt zij op 5-5-1632 het eerste huis aan de Hoogstraat en op 29-4-1648 het tweede huis aan de Hoogstraat.

 

 

Schoondochter Grietje Adriaensdr.

Grietje Adriaensdr. noemt in haar testament op 9-2-1668 haar schoonbroeder Jacob Jansz. van der Hoeven, vlasverkoper, haar schoonzuster Trijntje van der Hoeven en Jan en Dirk, beide kinderen van haar overleden schoonbroeder Jan Janszn. van der Hoeven.

 


4.3.                          Jan Janszn. (circa 1600)

 

Jan Janszn.                                                  x                 a)Adriaantje Hendricxdr.

*9-3-160? Rotterdam                                                      b)Neeltje Dirksdr. Claer

kuiper                                                                            +>1675 Rotterdam

=================================================================

          b1)Jan Janszn.                                   x                 Alida Leendertsdr. Cloens

            *Rotterdam                            19-1-1670

            +4-9-1698 Dordrecht              Rotterdam

          b2)Dirk                                              x                 a)Maria de Hulter

            *7-6-1649 Dordrecht                                           *1651 Amsterdam

            +25-7-1714                                                         +15-7-1677 Rotterdam

                                                                  x                 b)Maria Hennequin

                                                                                     *26-8-1657

                                                                                     +9-8-1723 Rotterdam

 

Vader Jan Janszn. is net als zijn vader kuiper in de brouwerij “De Rooder Leeuw” te Rotterdam. Hij wordt op 1633 lid van het kuipersgilde genaamd “Groote Gilde”

 

In 1633 koopt Jan Janszn. een huis genaamd ’t Arme Schaap, aan de zuidzijde van het Haringvliet.

 

In 1640 verkoopt hij dit huis weer en koopt een ander huis gelegen aan de Hooimarkt tussen de noordzijde van het Haringvliet en de zuidzijde van de Nieuwe Haven.

Zijn weduwe verkoopt dit huis in 1668.

 

 

Zoon Jan Janszn.

Jan Janszn. vertrekt rond 1648 naar Dordrecht waar hij zich vestigt als brandewijnstoker.

De beide zonen Jan en Dirk staan vermeld in een giftbrief gepasseerd voor de schepenen van Rotterdam. Jan Janszn. is dan koopman de Dordrecht en broeder van het “Groote Gilde”.

 

Jan Janszn.                                                  x                 Alida Leendertsdr. Cloens

*Rotterdam                                        19-1-1670

+4-9-1698 Dordrecht                          Rotterdam

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

          1)Cornelia                                          x                 Willem Janszn. Clermont

 

Jan Janszn. overlijdt in Dordrecht maar wordt begraven in een graf in de Grote Kerk

 


 

Jean Hennequin                                           x                 Catharina van der Graaff (van Grave)

*Herly?

=================================================================

          1)Maria                                             x                 Dirk van der Hoeven

            *26-8-1657                             1-10-1675              *7-6-1649 Dordrecht

            +9-8-1723 Rotterdam              Amsterdam           +25-7-1714

 

 

Mogelijk is onze grootmoeder Maria Hennequin een zuster van de volgende familie Jacques Hennequin. Dit zou betekent dat ten tijde van de vlucht er reeds familieleden in Holland wonen:

 

Jacques Hennequin en Maria le Leu vluchten met hun 6 kinderen (4 zonen en 2 dochters) “onder het gebied van de koning van Frankrijk” naar deze landen om de vrijheid van religie op 31-8-1698. Volgens het plan zou het gezin op 14-8-1698 vertrekken. Echter omdat zij “van hunne gekochte vaste goederen geen gelt konden ontvangen soo hebben sij moeten tarderen tot den 31 augustus en wanneer sij met grote benauwdheid des nagts van daar sijn getrokkenm het gout dat sij hadden heeft haar moederen eenigen tijd van te vooren in een broot gebakken”

Bovenstaande schrijft Jacques Hennequin, een van de 4 zonen, van Jacques en Maria de Leu.

Het gezin vlucht vanwege de geloofsovertuiging naar Sluis in Zeeuws Vlaanderen.

 

 


4.4.                          Dirk van der Hoeven (1649)

 

Dirk van der Hoeven                                   x                 a)Maria de Hulter

*7-6-1649 Dordrecht                                                      *1651 Amsterdam

+25-7-1714                                                                    +15-7-1677 Rotterdam

                                                                  x                 b)Maria Hennequin

                                                         1-10-1675              *26-8-1657

                                                         Amsterdam           +9-8-1723 Rotterdam

=================================================================

          b1)Catharina                                      x                

          b2)Jean                                             x                 Johanna Wilhelmina de Meij

          b3)Cornelia

            ~9-9-1682 Rotterdam

            +<18-3-1692 Rotterdam

          b4)Theodore

            ~17-9-1683 Rotterdam

            +24-10-1687 Rotterdam

          b5)mr. Francois                                  x                 Johanna Leers

            ~31-8-1685 Rotterdam                                        ~6-2-1697 Rotterdam

            +2-12-1765 Rotterdam                                        +13-12-1765 Rotterdam

          b6)ds. Theodore                                 x                 Jacoba van der Wallen

            ~31-10-1687 Rotterdam                                       ~4-10-1695 Rotterdam

            +12-5-1748 Rotterdam                                        +

 

Dirk van de Hoeven is aanvankelijk koopman te Dordrecht en later te Rotterdam

 

In 1676 is hij ook brouwer in “de Vos”. Het gezin woont aan de Leuve haven te Rotterdam. In Moerkapelle bezit Dirk een buitengoed. Ook is hij penningmeester van de “De Honderd morgen of Wilde Veenen”.

 

Docher Catharina

Catharina woont op de Singel onder Cool.

 

Zoon Theodore

Theodore wordt predikant aan de Remonstrante Gemeente te Gouda in 1713. In 1714 is hij predikant te Utrecht en in 1718 te Rotterdam.

 

Zoon Francois

Mr. Francois van der Hoeven is Heer van Tienhoven. Hij is advocaat voor den Hove van Holland. Directeur van de Mij van Assurantie, Discontering en Beleening (1750-1765) en kassier van de wisselbank.

Zijn zoon Dirk Jan van der Hoeven is eveneens Heer van Tienhoven.

 

De kinderen van Dirk worden allen in de Waalse kerk te Rotterdam gedoopt.


 

 

Johan de Meij                                              x                 Margaretha Bartels

*1610                                                                            *1610

+1659                                                         +1784

=================================================================

          1)Johan                                             x                 Maria Eva Backer

            *1672                                                                 *1674

            +1711                                                                 +1734

 

 

 

Johan de Meij                                              x                 Maria Eva Backer

*1672                                                                            *1674

+1711                                                         +1734

=================================================================

          1)Willem                                            x                 Sebilla Weijmans

 

Johan de Meij is Heer van IJsselmonde en burgemeester van Rotterdam. Hij koopt  in 1700 een landhuis in Voorburg en geeft het de naam Meivliet (aan de Vliet op gemeentegrond van Stompwijk). Zijn zoon Willem erft het buiten in 1734. Johanna Wilhelmina de Meij erft het op haar beurt van haar vader Willem.

 

 

 

Willem de Meij                                            x                 Sebilla Weijmans

=================================================================

          1)Johanna Wilhelmina                         x                 Jean van de Hoeven

            ~28-9-1685 Rotterdam            9-5-1712               *2-5-1681 Rotterdam

            +22-3-1763 Rotterdam            Rotterdam             +28-4-1745 Rotterdam

 


4.5.                          Johannes van der Hoeven  (circa 1685)

 

Jean van der Hoeven                                   x                 Johanna Wilhelmina van der Meij

*2-5-1681 Rotterdam                          9-5-1712               ~28-9-1685 Rotterdam

+28-4-1745 Rotterdam                        Rotterdam             +22-3-1763 Rotterdam

=================================================================

          1) Maria Johanna                               x                 Jean de Loche

            ~31-3-1714 Rotterdam            1-2-1756               * Bergerac

            +Delft                                    Den Haag             +1794 Voorburg

                                                                                     kapitein (militair)

          2)mr. Theodorus                                x                 Benjamina Bartha Croiset

            ~31-3-1714 Rotterdam                                        *2-6-1736 Princenhage

            +16-12-1782 Oudekerk Delft                               +15-6-1821 Den Haag

 

Familie van de Meij woont op de buitenplaats Meijvliet te Voorburg aan de Vliet (gemeente Stompwijk). Johanna Wilhelmina erft deze buitenplaats van haar ouders. Later woont haar dochter Johanna Maria  met haar man Jean de Loche op de buitenplaats.

 

Vader Jean (Johannes) ven der Hoeve is schepen van Cool van 1710 tot 1711, secretaris van de vredemakerskamer van 1731 tot 1745 en comissaris van Kleine Zaken.

Hij overlijdt te Rotterdam en wordt begraven in de Groote Kerk te Dordrecht.

 


4.6.                          Theodorus van der Hoeven  (1714)

 

Theodorus van der Hoeven                          x                 Benjamina Bartha Croiset

~31-3-1714 Rotterdam                        22-6-1760 ondertr. *2-6-1736 Princenhage

+16-12-1782 Oudekerk Delft              Voorburg              +15-6-1821 Den Haag

Commies op de Finantiën van Holland

en opziener van de zegel

=================================================================

          1)Jacob Lodewijk                               x                 Catharina Servaas

            ~24-4-1763 Delft                    Delft

          2)Maria Sybilla                                   x                 Anthony Willem Cassa

            ~16-9-1764 oude kerk Delft     21-4-1792              *2-11-1763 Den Haag

            +30-8-1822 Rotterdam            Delft                     +20-1-1840 Rotterdam

          3)Johanna Maria Theodora                 x                 mr. Pieter Simon Maurisse

            ~29-12-1765 Delft                  4-11-1798              ~5-3-1769 Leiden

            +1-5-1823 Batavia                  Leiden                  +1833-1835 Batavia

          4)Robert Valerius

            ~15-9-1767 Delft

          5)Maria Martina

            ~20-12-1768 Delft

          6)Jacoba Francoisa

            ~13-5-1770 Delft

            +17-12-1773 Delft

          7)Isaac

            ~18-4-1773 Delft

            +29-9-1773 Delft

 

 

Vader mr. Theodorus van der Hoeven is commies op de Finantiën van Holland en opziener van het zegel.

 

Dochter Johanna Maria Theodora

Johanna Maria Theodora vertrekt met mr. Pieter Simon Maurisse in april 1802 naar Batavia.

 

 


5.                                Familie de Reus

 


5.1.                          Abraham Janszn. de Reus (1570)

 

Abraham Janszn. de Reus                            x                 Margrieta Cornelisdr. de Haes

*1570 Rotterdam                                3-3-1591               *Leiden

+24-10-1637 Rotterdam                      Leiden

 

=================================================================

          1)Abraham

            *

            +10-3-1683 Rotterdam

          2)Johannes

 

Zoon Johannes

Johannes de Reus wordt vice-admiraal. Zijn portret hangt in het Rijksmuseum. De familie De Reus is verwant aan Piet Hein. Piet Hein trouwt met Anna Nicolaasdr. de Reus, de weduwe van Johan de Wit.

 


5.2.                          Abraham de Reus  (1683)

 

dr. Abraham de Reus                                   x                 ?

*

+10-3-1683 Rotterdam

=================================================================

          1)Cornelis                                          x                 Magdalena Lense

           ~15-11-1674 Rotterdam           4-3-1696               ~13-11-1678 Den Haag

          +13-3-1715 Den Haag              Den Haag             +

 

 

Isaac Lense                                                x                 Cornelia Donk

=================================================================

          1)Magdalena                                      x                 Cornelis de Reus

            ~13-11-1678 Den Haag                                       ~15-11-1674 Rotterdam

            +                                                                        +13-3-1715 Den Haag

 

 

 


5.3.                          Cornelis de Reus  (1674)

 

Cornelis de Reus                                         x                 Magdalena Lense

 ~15-11-1674 Rotterdam                     4-3-1696               ~13-11-1678 Den Haag

+13-3-1715 Den Haag                        Den Haag             +

ambtenaar bij de Finantie van Holland

=================================================================

          1)Cornelia                                          x                 Frederik Abraham

            ~5-9-1706 Den Haag                                          ~25-7-1696 Groote kerk Den Haag

            +27-12-1783 Den Haag                                       +4-11-1776 Den Haag

          2)Anthoni Jacob

            ~30-9-1708 Den Haag

 


6.                                Familie Croiset

 

 


6.1.                          Daniel Croizet (circa 1575)

 

Daniel Croizet                                             x                 Marie Vuillaster

*circa 1570 Sedan                              1593                    

+<1634 Sedan

=================================================================

          1)Samuel                                           x                 Catharina Peslot

            ~21-8-1603 Sedan

          2)?Daniel                                           x                 Marie Barteil

            *circa 1608

          3)Henri                                              x                 Rachelle le Blanc dite Piernay

            *circa 1610                                                         *

            +<1677 Sedan                                                     +>1677

 

Daniel Croizet is burger van Sedan en kapitein van de schutterij. Hij is “marchand mercier” van beroep.

Moeder Marie Vuillaster is een dochter van Reynout Vuillaster.

 

Zoon Samuel

Van Samuel en Catharina Peslot is 1 kind bekend: Jean. Deze Jean wordt gedoopt op 29-8-1633 en trouwt voor 1676 met Anna du Bois en vestigt zich daarbij in Delft.

 

Zoon Daniel

Daniel vestigt zich in Amsterdam. Het echtpaar krijgt hier een kind; Bartholomeus dat wordt gedoopt op 5-1-1636.


6.2.                          Henri Croiset   (circa 1610)

 

Henri Croiset                                               x                 Rachelle le Blanc dite Piernay

*circa 1610                                        <1635 *

+<1677 Sedan                                                                +>1677

garenhandelaar (maître aiguilleur[62])

=================================================================

          1)Paul                                               x                 Anna Elisabeth (le) Boucher

            ~26-3-1652 Sedan                                               ~22-4-1666 Maastricht

            +13-10-1711 Maastricht                                      +16-11-1717 Maastricht

 

Moeder Rachelle is een dochter van Pierre le Blanc.


6.3.                          Paul Croiset  (1652)

 

Paul Croiset                                                x                 Anna Elisabeth (le) Boucher

~26-3-1652 Sedan                              5-2-1686               ~22-4-1666 Maastricht

+13-10-1711 Maastricht                      Maastricht             +16-11-1717 Maastricht

=================================================================

          1)Samuel                                           x                 Anna Catharina Rascart

            ~15-9-1692 Maastricht            7-2-1766               ~14-1-1686

            +7-2-1766 Grave                                                 +21-4-1773 Grave

          2)Pierre Jacque                                  x                 Louise Budding

            ~26-11-1702 Maastricht                                      *28-9-1704 Den Haag

            +14-12-1740 ’s Hertogenbosch                            +29-3-1767 Delft

 

Vader Paul Croiset is aanvankelijk predikant te Villers (bij Méličres). Hij wordt aangewezen als eerste predikant van de nieuw opgerichte Waalse gemeente te Maastricht in 1680, bevestigd aldaar in 1685.

 

Zoon Samuel

Samuel trouwt waarschijnlijk in Chenée (bij Luik) met de Rooms-Katholieke Anna Catharina Rascart, dochter van Pierre Rascart en Agatha N.

Samuel is luitenant-kolonel bij de infanterie te Grave.

 


6.4.                          Pieter Jacque Croiset  (1702)

 

Pieter Jacque Croiset                                   x                 Louisa Buddingh

*22-11-1702                                       13-4-1729              *28-9-1704 Den Haag

~26-11-1702 Maastricht                      Maastricht             +29-3-1767 Delft

+14-12-1740 ’s Hertogenbosch                                       

koopman

=================================================================

          1)Henrieth Elisabeth                           x                 Simon Mesch

            *7-4-1731 Breda                     4-6-1753               *circa 1720 Delft

            +                                           Pijnacker               +17-9-1776 Delft

                                                                                     plateelbakker

          2)mr. Samuel Egbert                          x                 Catharina Sara Evertsen Eckhard

            *10-7-1734 Breda                                               *17-6-1726 Varel

            +3-6-1816 Den Haag                                          +

          secretaris generaal

          3)Benjamina Bartha                           x                 Theodorus van der Hoeven

            ~2-6-1736 Princenhage                                       *5-2-1713 Rotterdam

            +15-6-1821 Den Haag                                         +16-12-1782 Oudekerk Delft

          4)Paulina Jacqueline                           x                 mr. Johan van Nispen

            *28-10-1739 ’s Hertogenbosch          11-6-1770    *13-8-1728 Den Haag

            +11-3-1825 Gouda                  Den Haag             +16-10-1804 Den Haag

                                                                                     raadsheer bij het Hof vanHolland

 

Vader Pierre Jacques (Pieter Jacob) is koopman te ’s Hertogenbosch.

Moeder Louisa is een dochter van Adrianus Buddingh en Bartha van der Stende.

 

Zoon Samuel Egbert

Samuel Egbert wordt  secretaris generaal der Posterijen van Holland en secretaris der cijfers van H.Ho.Mo te Den Haag.

Zijn vrouw Catharina Sara Evertsen Eckhard is een dochter van Wouter Eckhard en Catharina Sara Evertsen van Lodycken.

 

Docher Paulina Jacqueline

Mr. Johan van Nispen is een zoon van mr. Johan van Nispen en Petronella Susanna Cabeljou. Mr. Johan van Nispen is raadsheer bij het Hof van Holland.


7.                                Familie Lillie

 

De familie Lillie is afkomstig uit Schotland.

 

(volgens een huwelijks?acte is John Lillie afkomstig uit Schotland, in die tijd werden schotse soldaten gerecruteerd)

 

John Lillie 1540 Engeland:

http://www.pastracks.com/mcf/lilly/d0/i0000320.htm#i317b

 

 

 


7.1.                          John Lillie  (circa 1660)

 

John Lillie                                                    x                 a)Aeltje van de Vorst

* uit Schotland                                   20-10-1686            *  uit de Meierij van den Bosch

+ >=1721                                                                       +

mr. kleermaker                                            x                 b)Petronella Goske

Solliciteur[63] militaire                            12-2-1709              *

                                                                                     + >=1764

=================================================================

          b1)Johan                                            x                 Elisabeth Goske

            ~28-4-1709 Groote Kerk         1-5-1736               ~20-12-1705

            +21-2-1786 Kloosterkerk         Kloosterkerk

          b2)Willem Daniel

            ~15-8-1717 Groote Kerk

          b3)Pieter John

            ~26-9-1717 Groote Kerk

 

Zoon Johan wordt al 2 maanden na het 2de huwelijk van John geboren. Vader John is al enigszins op leeftijd als hij hertrouwt.

 

John Lillie en Petronella Goske stellen de volgende huwelijkse voorwaarden vast.

John Lillie “sal in en aan het huijwelijck tot onderstant brengen alle sijne goederen die hij is hebbende en possederende, gelijck mede alle winsten die hij jaarlijcks met sijn sollicitatien sal komen te … en te hebben“,

“De bruijd aan haar sijde insgelijks tot onderstant van het huijwelijck sal in en aanbrengen de jaarlijkse interest en rente van soodanig capitaal als haar bij testament van wijlen haar oom IJsbrand Goske zaliger gemaakt en besprooken is”, “met het accrescement tsedert de dood van haar voorschr. oom daar op gevallen alsmede tgeen haar van haar moeder zaliger is opgestorven”.

Er is geen gemeenschap van goederen. Bij overlijden van de bruidegom mag de bruid uit het bezit van haar man een “donarie trekken mitsgaders profiteren en genieten de somme van 10.000 gulden. Als de bruidegom de langslevende is mag deze van zijn kant een “donarie” van 3.000 gulden trekken.

 

In 1717 verhuurt John Lillie een woning gelegen in de Nobelstraat aan Michiel te Hoven, secretaris van ’s Hage voor 700 gulden per jaar.

 

John Lillie en Petronella maken op 2-7-1721 hun testament. De testateur laat in het testament de bepaling opnemen dat “de kinderen die hij testateur in levende lijve nalaten sal bij sijne gemelte huijsvrouwe in de gereformeerde religie sullen werden opgevoedt, gelijck de voorschr. testatrice sulcks oock wel expesselijck belooft en aanneemt bij dese”. De eerwaarde Robbert Mellingh, predikant aan de Engelse gemeente in Den Haag en Pieter Goske moeten hierop toezien, “desnoots met assistentie van de magistraat of de hoge overicheijt”. Verder sluiten zij in het geval zij beide voortijdig overlijden de heren weesmeesters en de weeskamer van het voogdijschap over de minderjarige kinderen uit.

John Lillie overlijdt niet lang daarna.

 

Op 12-10-1722 benoemt Petronella Goske haar broer Leendert tot voogd over de kinderen, mocht zij ook komen te overlijden “alles met uitsluitinge van de weesmeesters en de weeskamer”, “desnoots over de minderjarige kinderen een ander bequaam en eerlijck persoon die het hem (Leendert) gelieven sal in deselfs plaatse te surrogeren om na sijn mede-overlijden de voogdije over de kinderen waar te nemen. Alles met uytsluytinge van de Heeren Weesmeesters en Weeskamer deser Stede etcetera”.

 

In 1757 verhuurt Petronella Goske een pand aan de Domeinenraad.

 

In 1761 verkoopt Petronella Goske het pand aan C.Pantekoek voor 5.000 gulden. Later koopt Willem V[64] dit pand. Het pand wordt dan gesloopt en bestemd voor de huisvesting van de Raad en Rekenkamer en voor het bureau der Griffie.

 

Petronella overlijdt in 1767 op 87 jarige leeftijd aan een borstziekte en wordt eerste klasse begraven voor 30 gulden.

 


7.2.                          Johan Lillie   (1709)

 

mr. Johan Lillie                                            x                 Elisabeth Goske

~28-4-1709 Groote Kerk                     1-5-1736               ~20-12-1705

+21-2-1786 Kloosterkerk                    Kloosterkerk         +29-1-1798 Den Haag

advocaat

=================================================================

          1)Adriana

            ~11-11-1744

          2)Johanna                                          x                 Johan Samuel Cassa

            ~28-9-1738 Nieuwe Kerk                                    ~14-8-1731 Den Haag

            + >1778                                                              +10-2-1814 Den Haag

          3)Jan Pieter

            ~ Groote Kerk

          4)Johan Adriaan

            ~11-12-1739 Kloosterkerk

            +1777 of 1778

          5)Maria Elisabeth

            ~20-8-1741 Nieuwe Kerk

 

Moeder Elisabeth overlijdt aan verval van krachten. Ze wordt voor 30 gulden begraven in de kloosterkerk

 

Op 16-1-1778 machtigt dochter Johanna haar echtgenoot Johan Samuel Cassa om de successie van haar broer Johan Adriaan Lillie te regelen.


8.                                Familie GoTske

 

De naam Gotske[65] wordt vanaf de 18de eeuw gewijzigd in Goske.

 

De familie komt in de 17e eeuw vanuit het land van Holstein naar Holland en vestigd zich daar als wapenbewaarder en hellebaardier van “Sijne Hoogheid”.

 

Verder blijkt uit het volgende dat er meerdere takken van Goske in Nederland zijn. In onze familie Goske is er geen Carel Goske bekend of te verwachten, namelijk: “Belonged to the Chamber of Amsterdam, Captain Carel Goske. Left Texel on 27 July, 1688 and arrived at the Cape on 27 January, 1689”

 


IJbrant ??  (circa 1575)

 

a)IJsbrant ??                                               x                 Trijn Claesdr. Kuijten

b) Vechter Theunisse

=================================================================

          a1)Aeffgen                                        x                 Jan Gotske

          b1)Grietje                                          x                 Aelbrecht Hendriks van Katshuizen

                                                                                     biervaarder

          b2)Cornelia                                        x                 Matthijs van Winden

          b3)Annitje                                          x                 Cornelis Joosten Hogheboom

 

Moeder Trijn trouwt 2x.

 

 

Dochter Grietje

Grietje en haar man Aelbrecht Hendriks van katshuizen hebben een huis aan de zuidzijde van de Binkade op de Groene Weg. Ze verhuren dit in 1678 voor 110 gulden per jaar.

 

Het testament van Aelbrecht Hendriks van Katshuizen en Grietje Vechters omschrijft het volgende: De testateur prelegateert aan zijn vrouw de inboedel en huisraat en grond en zilverwerk en 7.500 gulden die de testateur van zijn zus Aeltje heeft geërfd. Overige erfenis de ene geregte helft voor zijn vrouw, de andere geregte helft voor zijn zoon Hendrik Aelbrechts van Kathuizen.

Grietje Vechters benoemt haar man tot erfgenaam en legateert aan haar zussen en halfzussen tezamen 3.000 gulden.

Echter de zoon Hendrik overlijden blijkbaar want het testament wordt aangepast en gunste van de kinderen van haar zus Aeffgen IJsbrants, namelijk Frederik en Pieter Gotske. Ook het huis aan de Binkade komt zo in eigendom van Frederik en Pieter.

 

Gezien de verdeling is Hendrik geboren in een eerder huwelijk van Aelbrecht Hendriks van Katshuizen.

 

 


8.1.                          Jan (van) Gotske  (circa 1600)

 

Jan (van) Gotske                                         x                 Aeffgen IJsbrants

* Uit ’t land van Holstein                    15-3-1626              uit Den Haag

+ <=1662                                           Den Haag

Wapenbewaarder en hellebaardier     

  van “Sijne Hoogheid”

=================================================================

          1)IJsbrant

            *circa 1630

            29-9-1691 Den Haag

          2)Frederik                                          x                 Maria Damen

                                                         25-12-1661            uit Leiden

                                                                                     wed. van Jan van (He?)ijst

          3)Pieter                                             x                 Cornelia van de Linde

            *1637 Den Haag                    8-7-1663               uit Den Haag

                                                         Den Haag

 

 

Jan van Gotske is afkomstig uit het land van Holstein. Hij is wapenbewaarder en hellebaardier van “Sijne Hoogheid”, prins Frederik Hendrik van Oranje Nassau.

De naam Gotske wordt ook wel als Goske geschreven. Zoon IJsbrant schrijft in de naam in deze generatie al als Goske, echter in alle officiële stukken, zoals van de VOC wordt de naam als Gotske geschreven. In de volgende generatie wordt echt overgegaan op de naam Goske.

 

Johan du Montier, trompetter van sijn Hoogheijt, benoemt in 1646 in zijn testament Johan Gotske tot voogt over de kinderen van zijn zus.

 

Jan Goske maakt op 21-7-1653 zijn testament. Zijn drie zoons benoemt hij tot zijn erfgenamen. Aan de kerk of de armen van de Lutherse gemeente in Den Haag geeft hij 400 gulden. Zijn zwagers Cornelis Joosten Hogheboom, Matthijs van Winden en Aelbrecht Hendriks van Katshuizen, benoemt hij tot voogden over zijn kinderen, “mitsgaders die van de kerkevaders van de Luijtherse gemeente met uitsluitinge van de weesmeesters deser stad”.

Op 1-11-1656 verdelen de voogden de erfenis onder de kinderen. IJsbrant is inmiddels meerderjarig geworden en ontslaat de voogden van hun taak en wil dat de verdeling plaats vindt. IJsbrant verblijft op dat moment in Oost-Indië, Pieter in Frankrijk en Frederik in Den Haag.

Pieter ontvangt drie obligaties van in totaal 2.800 gulden en 200 gulden. Totaal 3.000 gulden.

Uit de eerstkomende rente over Pieters gedeelte kennen de voogden aan Frederik 100 gulden toe, om hem daar van te kleden. Pieter heeft “in de laetste jaeren al vrij wat meer getrocken”.

Frederik is in de kaveling ten dele gevallen het huis met erf aan de oostzijde de van der Wagenstraat. “alwaer de vader en de moeder overleden zijn”. Aangekavelt voor 1.000 gulden.

Verder ontvangt Frederik twee obligaties en 1.000 gulden elk en het bedrag van 157 gulden dat nog in kas is.

Op 6-2-1662 ontvangen Pieter en Frederik hun erfdeel. Pieter is dus meerderjarig, en Frederik is in de huwelijkse staete getreden en dus hierdoor meerderjarig.

 

 

Zoon IJsbrant

IJsbrand Goske maakt carričre in dienst van de Oost-Indische Compagnie. Hij bekleedt in deze dienst verschillende hoge functies. Van 1656 tot 1662 is IJsbrand Goske commandeur[66] van Gale[67]. Op 2-11-1662 vertrekt hij met de retourvloot naar Holland. In november 1665 is hij weer in Batavia en wordt dan benoemd tot commandeur van Malabar (Cochlin?).

Kort daarna vertrekt hij naar Malakka[68] met “cargasoen f 1.376.066.7.7 uit Japan[69]” voornamelijk schuitzilver en staafkoper. Op 4-12-1665 komt aan op Malakka. Hij vertrekt op de 12de met tien schepen carg. f 1. 662.166.10.6 van daar, namelijk vier voor Coromandel[70] f 746.441.-.1, drie voor Bengalen f 620.467.5.8, één voor Surath f 165.532.18.12, één voor Perzië[71] f 52.089.19.13, voorts voor Ceylon f 42.754.7.14 en Wingurla f 33.909.18.6 (De bezending naar UdJung Selang had weinig succes).

 

Hij is commandeur op Malabar tot 1667. Vanwege een meningsverschil met Rijcklof van Goens verzoekt hij om ontslag uit deze functie. Hij wordt dan benoemd tot directeur van Perzië. In deze functie blijft hij drie jaar. Op 19-11-1670 vaart IJsbrand als commandant van de retourvloot terug naar Holland. In het begin van 1672 stellen de Heren XVII IJsbrand Goske aan als Raad-extraordinaris en goeverneur van de kaap De Goede Hoop. In 1676 keert IJsbrand dan weer terug naar Holland. Hij is dan vice-commandant op de retourvloot onder de commandant Verburgh. Deze Verburgh overlijdt op deze reis. Verburgh wordt door de Heren XVII “niet vereert” voor deze tocht. De heren XVII nemen het Verburgh kwalijk dat hij bij het passeren van het eiland Ascencion enkele Franse schepen “onaengetast heeft gelaten”. Deze Franse schepen, eveneens op terugtocht uit Oost-Indië liggen voor het eiland om water en proviand in te nemen. De Oost-Indische compagnie vereert IJsbrand Goske daarentegen wel voor zijn goede diensten in zijn functie als gouverneur van de kaap De Goede Hoop. Hij ontvangt een gouden ketting en 800 gulden.[72]

 

Als commandant vaart hij o.a. op de volgende schepen:

-        De Jonge Prins (1663)

-        … van Amsterdam (1665)

-        Nieuw Middelburg (1668)

 

In zijn jaren bij de Oost-Indische Compagnie vergaart deze IJsbrand een aardig vermogen. Zijn neven en nichten, kinderen van zijn broers Pieter en Frederik Goske plukken hier de vruchten van. In totaal verdeelt IJsbrand Goske in zijn testament een bedrag van zo’n 190.000 gulden met daarnaast het landhuis Zichtenburg met de bijbehorende landerijen, de woning in de Vlamingstraat in Den Haag en de St. Pieterschoorsteeg in Leiden en de landerijen in Zoeterwoude. Hij verbindt hier echter wel voorwaarden aan.

 

De verdeling van de erfenis bepaalt IJsbrand Goske op 12-10-1691 als volgt:

-                 aan Jan Goske 60.000 gulden, zijn woning Zichtenburg (gelegen onder Loosduinen) met de annexe landen en twee gouden kettingen “met haare medalien, d’eene gekomen van de koning van Candy (Kandi), d’andere van de Oost-Indische Compagnie”.

-                 aan Leendert Goske 10.000 gulden en het huis aan de Vlamingstraat in Den Haag waar IJsbrant zelf in woont en een gouden ketting “met een medalie daar de Oostindische retourvloot op staat”;

-                 aan Maria Goske 7.000 gulden en het land in Zoeterwoude gelegen;

-                 aan Aafje Pietersdochter, Cecilia, Catharina en Petronella elk 20.000 gulden;

-                 aan Aafje Frederiksdochter een gelijke som van 20.000 gulden met daarin begrepen het huis in de st. Pieterschoorsteeg in de Leiden “daar waar de muskadet tros uithangt” dat IJsbrand Goske uit de boedel van wijlen haar vader Frederik heeft gekocht, gewaardeerd op 2.000 gulden.

Al het overschietende na de verdeling zal aan Jan Goske toekomen.

 

Nu echter de voorwaarden voor de kinderen van Pieter Goske. Zij mogen niets van het toegekende erfdeel bezwaren, belasten of alieneren. Het erfdeel zal in zijn geheel moeten overgaan op hun kinderen die mede van de gereformeerde religie zullen zijn, of bij gebreke op die van hun broeders of zusters. Indien de kinderen van zijn broer Pieter in de Roomsche gemeenschap blijven mogen zij slechts het tweederde deel van de vruchten of renten voor zichzelf houden waarbij het resterende derde deel aan het kapitaal wordt toegevoegd. Als de kinderen “door Godes genade ende de kracht der waarheijt tot het waare licht van de waare gereformeerde christelijke religie bekeert werden” dan zullen zij de vrije dispositie hebben over het gehele aan hen toegekende erfdeel. Bovendien zal aan hen het erfdeel toekomen van hun broer of zuster die “het waare licht van de gereformeerde religie niet sal hebben aangenomen”.

 

Voor Aafje Frederiksdochter heeft IJsbrant een andere voorwaarde bedacht. Indien zij trouwt “sonder expresse bewillinge en consent” van de door IJsbrant benoemde executeurs zal het erfdeel aan haar voorbij gaan en komt het toe aan de andere erfgenamen, uiteraard mits deze van de ware christelijke religie zijn. Als de kinderen van Pieter Goske geen van allen het licht zien, komt de gehele erfenis toe aan Aafje Frederiksdochter.

 

Verder stelt IJsbrant Goske de volgende legaten vast:

-                 aan zijn neef Salomon de Leeuw een obligatie ter waarde van 3.000 gulden, “spreekende tot laste van Salomon” en “tot een gedachtenis een vergulde zilveren kelk aan mij testateur vanwege de Oost-Indische Compagnie vereert”;

-                 aan zijn nicht Aagje de Leeuw 2.000 gulden en een gouden ring “daar IJsbrand (Goske?) op geschreven staat”;

-                 aan zijn dienstmeid Maria van IJsendoorn 1.000 gulden.

 

Om er voor te zorgen dat hij een bij zijn positie passende begrafenis krijgt, bepaalt hij dat zijn begrafenis “binnen de Kloosterkerk met soodanig fatsoen als geacht sal werden de overledene met desselfs diensten in sijn leven ten gemeene besten toegebragt, te meriteren sonder daar voor eenige onkosten te ontsien, bespreekende tot die sijnde aan de gemene buijren en de dragers van het lijk de somme van 100 car. guldens”, aan de armen van de gereformeerde kerk 500 gulden.

 

IJsbrant ligt begraven onder een grafsteen in de Kloosterkerk onder de planken vloer. Zijn grafschrift in de kloosterkerk luidt als volgt: “Hieronder rust de Ed. Manhaften Heere Isbrand Goske. In sijn leven Raet van Indië en gouverneur van de Caap de Bonne Esperance sterft den 29en september a0 1691”.

 

Jan Goske erft dus het huis Zichtenburg met zijn tuinen, vijvers, singels, landen, bepotingen en beplantingen. De stallingen, wagenhuizen, tuinmanshuis, het duivenkot, alsmede het boeren en bouwhuis met wagenschuur, hooibergen alsmede 40 meteren wei-, hooi-, teel- en warmoeslanden.

Leendert erft het huis, waar IJbrand zelft heeft gewoont, aan de zuidzijde van de Vlamingstraat met stal en koetshuis plus nog een stal en koesthuis gelegen in de Kleine Raamstraat verhuurd aan …

 

 

Zoon Frederik

Frederik trouwt op 25-12-1661 met Maria Damen uit Leiden. Ze krijgen ten minste 1 dochter Aafje (Eva). Deze dochter Eva trouwt op 14-4-1697 in de Hoogduitse kerk met Jacob Creeft. Ze overlijdt op 29-5-1713  in Den Haag aan de pest en wordt begraven voor 15 gulden.

 

De kinderen van Frederik en Pieter erven ook van de halfzussen van hun moeder Aeffgen IJsbrants, o.a. Grietje Vechters. Deze halfzus van de moeder van Frederik en Pieter Goske  is getrouwd met Aelbrecht Hendrick van Katshuizen en biervoerder van beroep. Het echtpaar  maakt op 14-7-1648 hun testament. Hun zoon Hendrik is erfgenaam. Deze zoon overlijdt blijkbaar en het testament wordt aangepast ten gunste van de familie Goske. De kinderen van Frederik en Pieter Goske komen in het bezit van het huis van Grietje Vechters en Aelbrecht van Katshuizen, gelegen aan de zuidzijde van de Binkade op de groene weg. Ze verhuren dit in 1687 voor 110 gulden per jaar.

Johan du Mondier, trompetter van sijn Hoogheijt benoemt in 1646 in zijn testament Johan Goske tot voogt over de kinderen van zijn zuster.

 

 


8.2.                          Pieter Gotske (circa 1635)

 

Pieter Gotske                                              x                 Cornelia van de Linde

*                                                       8-7-1663               * uit Den Haag

+ <1692                                             Den Haag             + Den haag

advocaat,

ontvanger gemene middelen van het

    Kempenland en de Meierij van Den Bosch

=================================================================

          1)Jan                                                 x                 Maria van Bleijswijk

            *                                            15-2-1696              ~8-11-1671 den Haag

            +14-10-1734 den Haag            Grote Kerk            +7-4-1750 den Haag

          2)Leendert

            *1672

            +2-4-1744 den Haag

          3)Maria                                             x                 Dirck Outhof

            *1666                                     8-11-1694

            +23-7-1754 den Haag             R.K. Idastraat

          4)Eva (Aafje)                                    x                 Johan Ruijter ?

            *1666                                     7-12-1698              uit Rotterdam

            +7-8-1749 den Haag                                           mr. chirurgijn

          5)Catharina                                        x                 Johan Baartman

                                                         23-7-1697              coopman in engelse waren

                                                         Kloosterkerk

          6)Cecilia                                            x                 Johannes Sebel

                                                         22-4-1697              wonende in Rotterdam

                                                         Stadhuis

                                                         Den Haag

          7)Petronella                                       x                 John Lillie

            *1680                                     12-2-1709              * uit Schotland

            +1-7-1767                              Kloosterkerk         + >=1721

 

De naam Gotske wordt nu in deze generatie als Goske geschreven.

 

Er ontstaan hier 2 takken, namelijk: zoon Jan en dochter Petronella zijn beide rechtstreekse voorouders.

 

Moeder

Cornelia van de Linde “bodelhouster” van Pieter Goske, verkoopt op 17-3-1692 een “seker erft geappropieert tot een Loeijeris[73] mette lootse”. Het erf ligt aan der zuidsingel van de stad. De verkoopprijs bedraagt 2.000 gulden, te betalen als 600 gulden contant en 1.400 gulden met een custingbrief en een rente van 4%.

 

Cornelia van de Linde wordt voor 30 gulden begraven.

 

 

Zoon Leendert

Leendert overlijdt in 1744 op 72 jarige leeftijd. Hij is dan ongehuwd. Hij wordt eerste klasse begraven voor 60 gulden.

 

 

Dochter Maria

Maria overlijdt in 1744 op 88 jarige leeftijd en wordt eerste klasse begraven voor 30 gulden.

 

 

Dochter Aafje

Aafje wordt 4e klasse begraven voor drie gulden. Ze is dan 83 jaar oud.

 

 


8.3.                          Jan Goske  (circa 1670)

 

Jan Goske                                                   x                 Maria van Bleijswijk

*                                                       15-2-1696              ~8-11-1671 Den Haag

+14-10-1734 Den Haag                      Grote Kerk            `+17-4-1750 Den Haag

=================================================================

          1)mr. Pieter Adriaan

            ~10-3-1697

            +22-12-1777 Den Haag

          2)Adriaan

            ~10-11-1699

            +28-12-1699 Den Haag

          3)Gerardus

            ~6-12-1701

            +15-4-1710 Den Haag

          4)Johanna Cornelia

            ~24-10-1703

            +28-5-1705 Den Haag

          5)Elisabeth                                         x                 Johan Lillie

            ~20-12-1705                           1-5-1736               ~28-4-1709 Groote Kerk

            +29-1-1798                             Kloosterkerk         +21-2-1786 Kloosterkerk

          6)Adriaan

            ~11-4-1707

            +1-8-1710 Den Haag

 

Jan Goske erft Zichtenburg.

In maart 1697 verhuurt Jan Goske “sekere woninge en landerijen gelegen aan het huis Sigtenburg aan Hendrik Ariens van der Drift voor 436 gulden per jaar.

Voor zichzelf en zijn eigen gezin huurt Jan Goske in 1697 aan de zuidzijde van de Prinsegracht “waarinne de heere huijrder tegenwoordig is wonenede”, van Willem van Hall. De huurprijs bedraagt 325 gulden per jaar, per half jaar te betalen. Willem van Hall wordt bij de verhuur vertegenwoordigt door Bartolomeus van der Spijk, mr. Blikslager. Deze Willem van Hall is adjudant generaal van Sijn Koninklijke majesteit van Groot Brittanië.

Gezien de huurprijs een riante woning.

De looptijd van het contract is 2 jaar met de mogelijkheid de huur te continueren onder dezelfde condities, “waarinne de hure huijrder tegenwoordig is wonende”.

 

Enkele bijzonderheden uit het huurcontract zijn interessant om te lezen:

-        de huurder betaalt het molen-, morgen en sluisgeld voor de woning en de landerijen, ook voor de gehuurde moestuinen.

-        het land “uijtte schouwe te houden”, “verpandingen en ofte belastingen komende daaromtrent sullen werden gevolgt de heure van de gemeene lande ofte andere soals dordere van de heere dijckgraaf en hoge heemraden van Delflant mede brengt”.

-        huurder mag geen wei- of hooiland “tot teellant insteeken”.

-        het houtgewas op de landerijen “allesints noch in de groeij sijnde” en “dat noch gestelt sal worden” blijft voor de verhuurder, evenals het naar zijn believen kappen, uitroeijen maar ook nieuwe aanpotingen op plaatsen waar deze “het best sal gelegen agten” namentlijck langs de kanten van de slooterijen wateringen sodanig als gebruikelijk is.

-        huurder mag zoveel hout sprokkelen als takkebossen snoeijen “als matigerwijse tot sijne eijgen gerieft van noden sal hebben”.

-        huurder mag het land niet aan anderen overdoen, evenmin gehele akkers of stukken landen met radijs of turkse bonen bezitten, echter mag deze wel driehondt teeland naar eigen kunde voor zichzelf (met peen te besaijen of aan anderen overdoen of verhuren op dezelfde conditie.

-        als de huurder bij het verstrijken van de huurperiode vertrekt zal hij niet “vermogen enige herfste knollen te saaijen, maar gehouden sijn na de inkalinge van de somervrughten de teellanden te laten braak liggen en ter vrije dispositie aan de verhuyrder laten”…. behoudens dat de koebeesten en paarden tot half december toe op de weg en hooylanden sullen mogen uitgevoert worden en langer niet maar als dan ter stalle moeten komen”.

-        het land jaarlijks na vereijsen te misten, en te bestroijen niet allen met de mest van de koeien en paarden maar bovendien ieder jaar voor zestig gulden voor bemesting te kopen “hetzij pootaarde, koemest of te beer”, … bij quitantie aan te tonen.

-        bij vertrek van de huurder gehouden alle mest die bij deselfs koebeesten en paarden gemaakt te rekenen van de tijd dat de beesten op stal komen tot het voorjaar als ze naar gewoonte “int nieuwe gras gebragt worden” niet te verplaatsen “als met toestaan van de verhuijrder en dat in vergelijkinge met de mest die deselve huijrder als ingangh op de voorschr. woninge gevonden heeft”.

-        kleine reparaties aan de opstallen, geen rijksdaalder te boven gaande zijn voor rekening huurder, evenals het onderhoud van het gewone bermwerk, het schoonmaken van de sloten en wateringen en het aanhogen van de dammen zoals de keuze van de landen meebrengen, en alle jaren de bruggen over de houten wegen liggende om door het op en afrijden het breken derselve te verhinderen, ook de wagensporen en slagen van de laan te vereffenen met “sant uijt de hoge kroft”.

-        geen sints gedogen enig overpad aan de nagebuijren t eenigertijdt, t sij om te gaan melken of eenig gewasch van haare landen over de landen of laanen van de heere verhuijrder met wagens en rijtuijgen af te voeren.

 

Vader en moeder Goske-Bleijswijk benoemen elkaar tot voogd van de kinderen. Voor het geval ze beiden overlijden benoemen ze mr. Adriaan van Bleijswijk en mr. Arnoldus Westerhuis tot voogd over de kinderen.

 

 

Zoon Pieter Adriaan

Pieter Adriaan studeert aan de Rijks Universiteit van Leiden (Juridische faculteit)

Hij blijft ongehuwd en overlijdt op 80 jarige leeftijd. Hij wordt eerste klasse begraven voor 60 gulden.

 

 

Zoon Adriaan

Hij overlijdt als baby en wordt begraven voor 30 gulden.

 

 

Zoon Gerardus

Wordt begraven voor 30 gulden.

 

 

Dochter Johanna Cornelia

Wordt begraven voor 30 gulden.

 

 

Dochter Elisabeth

Ze overlijdt op 92 jarige leeftijd aan verval van krachten en wordt begraven voor 30 gulden.

 

 

Zoon Adriaan

Hij overlijdt als peuter en wordt begraven voor 30 gulden.

 

 


9.                                Familie Bleijswijk

 

 

Familie van Bleijswijk is een schepen- en burgemeestersfamilie die reeds in 1445 wordt genoemd in Delft.

 

 

 


9.1.                          van Bleijswijk (circa 1610)

 

Hugo of Adriaan van Bleijswijk                    x                 Maria ?? Anna Dricx van Meermans

                                                         17-10-1632

                                                         Den Haag

=================================================================

          1)Adriaan                                          x                 Pierina van der Well

          ~25-3-1644 Den Haag

          ?)Clara

            ~9-12-1639 Den Haag

          ?)Elisabeth

            ~25-7-1642 Den Haag

          ?)Genidt

            ~31-8-1636 Den Haag

          ?)Yda

            ~6-1-1638 Den Haag

          ?)Claesgen

            ~31-8-1633 Den Haag

 

 

 

 

? van der Well (circa 1600)

 

? van der Well                                             x                 Maria

=================================================================

          1)Pierina                                            x                 Adriaan

                                                                                     ~25-3-1644 Den Haag

 

 


9.2.                          mr. Adriaan van Bleijswijk (1644)

 

mr. Adriaan van Bleijswijk                           x                 Pierina van der Well

~25-3-1644 Den Haag                                                    *

+30-11-1708 Den Haag                                                  +7-1-1727 Den Haag

secretaris van de rekenkamer van Holland

en scheper van Schiedam

=================================================================

          1)Maria                                             x                 Jan Goske

            ~8-11-1671 Den Haag            15-2-1696

          2)Hugo                                              x                 a)Anna Velsenaar

            ~ Den Haag                                                       b)Cristina Houting

            +7-4-1677 Den Haag

            secretaris ter Rekenkamer van Holland

          3)Adriaan                                          x                

            ~29-3-1675 Den Haag

            secretaris van de Rekenkamer van Holland

                 en schepen van Schiedam

          4)Elisabeth                                         x                 Theodorus Sismus (Dirk)

                                                                                     scheper van de stad Rotterdam

 

Adriaan van Bleijswijk koopt in 1676 het prachtige buiten ‘Noordervliet’ te Voorburg. Hij woont hier tot 1683.

Adriaan bezit ook nog panden in Den Haag. Op 31-1-1681 verhuurt hij aan Francis Verbolt, vanwegede provincie Gelderland gecommiteert ter vergadering van Ho: Mo: Heren Raden Generaal der Vereenigde Nederlanden, een koesthuis met stallingen, gelegen aan de Varkensmarkt. Het koetshuis ligt achter de “huysinge en erve van de heer verhuijrder, staende aan de Breestraat”. De huurprijs bedraagt 100 gulden per jaar, verhuurd voor een periode van 3 jaar. Met de conditiedat als verhuurder het huis wil verkopen dan expireert de huur in dat jaar, of als “verhuijrder aftlijvigen te werden”

 

Zowel Adriaan van Bleijswijk als zijn vrouw Pierina van der Well worden, nadat ze zijn oveleden, vervoert naar Delft en voor 30 gulden begraven.

 

 

Dochter Maria

Maria van Bleiswijk deelt ook mede in de erfenis van ene mr. Johan Hamdors, advocaat voor de Hove van Justitie in Holland. Deze Johan Hamdors benoemt tot zijn erfgenaam:

-        mr. Boudewijn Vergeyl, Bailliu van Alckema,

-        juffr. Bestrice Vergeyl, gehuwd met Carolus de Mars, professor in de Medicine te Leijden.

-        Maria van Bleiswijk, dochter van mr. Adriaan van Bleiswijk.

 

 

Zoon Hugo

Hufo trouwt met Cristina Houting. Cristina is een dochter van mr. Pieter Houting en Eva van Somer. Pieter is secretaris van de admiraliteit van Noord-Holland en burgemeester van Monnickendam.

Dit huwelijk levert goede connecties op. Bij de doop van dochter Eva Cristina is de heer mr. Simon Admiraal, raadsmeester in de Ho:Mo: Raade in Holland, getuige.

Hugo overlijdt  in 1677 aan verval van levensgeesten en wordt begraven voor 30 gulden.

 


Laatste pagina



[1] De familie van zijn vrouw zijn allen Spaans gezind. Wellicht is ook de familie Gravelaar Spaansgezind en erg nauw verwanT met onze tak Gravelaar. Dit verklaart mogelijk waarom ze katholiek zijn gebleven.

[2] Zie bij gezin Claes Thijszn Gravelaar (circa 1575)

[3] De oorlog tussen 1568 (Slag bij Heiligerlee) en 1648 (Vrede van Münster), omvattende de strijd tussen steden en gewesten van de (na ca. 1585 uitsluitend Noordelijke) Nederlanden en Spanje.

 

[4] Deze Matthijs is nog niet gevonden in de archieven. Hij moet Matthijs heten aangezien zijn zoon Thijszn. heet. Zijn 2de naam is mogelijk Clasezn. omdat zijn vermoedelijke oudste zoon Claes Matthijszn heet. Evenzo is de naam van zijn vrouw Dirkje Doenen uit de naamgeving van de kinderen afgeleid.

[5] Van Internet gehaald

[6] deze Maarten Lambrechts is een bekend huizen en grond speculant met veel bezittingen in dit gebied. In 1595 laat hij een kaart maken van zijn nieuw bezittingen A.R.A. nr. 86

[7] Met vrunden bedoelen we tegenwoordig vrienden. Vroeger duidde men familie echter ook met ‘vrunden’ aan.

[8] Zie bijlage ‘verklarende woordenlijst’

[9] Zie bijlage ‘verklarende woordenlijst’

[10] Zie bijlage ‘verklarende woordenlijst’

[11] Zie bijlage ‘verklarende woordenlijst’

[12] Zie bijlage ‘verklarende woordenlijst’

[13] Impost, ofwel accijns, op het gemalene, granen en bonen

[14] Voor kapitalist zie de paragraaf ‘De economische positie’ in het hoofdstuk ‘Het dorp en de ambacht van Rijswijk

[15] Deze Jacob van der Vloet is in 1678 “uit het land gebannen”

[16] Zopie

[17] Ruzie

[18] (lit. X)

[19] Zie verder bij de wonderbaarlijke genezing die Nicolaes Matthijszn. (*circa 1627) door de notaris laat vastleggen.

[20] Impost, ofwel accijns, op het gemalene, granen en bonen

[21] Zie bijlage ‘verklarende woordenlijst’

[22] Zie bijlage ‘verklarende woordenlijst’

[23] Er overlijdt Elisabeth Jacobi op 5-11-1684, of het de oma is of de kleindochter is niet duidelijk

[24] Impost, ofwel accijns, op het gemalene; granen en bonen

[25] Zie bijlage ‘verklarende woordenlijst’

[26] Boerenbedrijf doende

[27] Voor Pieter Suys zie tevens in het hoofdstuk “Het dorp en de ambacht van Rijswijk”

[28] Impost, ofwel accijns op het gemalene, granen en bonen

[29] Mogelijk zijn zoon Willem en Matthijs uit een eerder huwelijk.

[30] Waarschijnlijk is Willem rond 1710 geboren, en waarschijnlijk in januari omdat dit past tussen de geboorte van zijn broer Matthijs en zus Maria. De oudste zoon is genoemd naar zijn opa. De tweede zoon moet gezien de datum van zijn huwelijk ook in deze tijd geboren zijn. Hij zal dan wellicht genoemd naar overgrootvader

[31] Met kamer werd vroeger een klein huisje in een stad bedoeld. De grootte was dan een kamer van 4x4 m, met daarin een eenvoudig aanrecht als keuken daarin, eventueel de keuken in een uitbouw aan de achterkant. De bovenverdieping is beperkt tot een zolder. Het toilet staat in de achtertuin. Via de voordeur aan straatzijde stapt men direct in de woonkamer.

[32] Voor informatie over het Paushuis zie volgende pagina’s.

[33] Zie bijlage ‘verklarende woordenlijst’

[34] Een advertentie begon destijds blijkbaar met: ***

[35] Een advertentie begon destijds altijd blijkbaar met: ***.

[36] Kan ook Rudolf zijn. Gröninger schrijft in zijn boek dat er iets op het erf van Gravelaar in Rütenbrock is gevonden.

[37] waarmee Koning-Stadhouder Willem III en zijn Gemalin (Mary Stuart) bedoeld zijn

[38] Zie in de bijlage ‘Kerken in Den Haag’

[39] bron: ARA, Nassause domeinraad toegangsnr. 1.08.11, Inv.nr 602 periode 1664 -1682, fol. 151 en 181 en 603 fol. 38

[40] Zie verklarende woordenlijst.

[41] Zie verklarende woordenlijst.

[42] Zie verklarende woordenlijst

[43] Zie verklarende woordenlijst

[44] Waarschijnlijk is dit de buitenplaats waar zijn later zijn zoon Anthony Isaac woont. Het ligt aan de Vliet in Tedingerbroek. (Tedingerbroek ligt tussen Voorburg en Stompwijk). De buitenplaats heeft de naam Overburg.

[45] In het "Beterhuis" konden zwakzinnigen, gekken alsmede 'dronkaards en jongelui die een losbandig leven leidden', op verzoek van hun familieleden of het gerecht op kosten van de verzoeker opgesloten worden om hun slechte gedrag te verbeteren.

[46] Behalve deze buitenplaats Overburg aan de Vliet is er een tweede buitenplaats Overburg in Voorburg, gelegen aan de Broeksloot eveneens met boerenwoning

[47] Op een kaart uit de 19de eeuw (1839) komt de buitenplaats niet meer als zodanig voor. Zie ook het jaarboek Die Haghe 1903. Hierin wordt genoemd Overburg in de Binnen- of Veenpolder als thijsinge met . . .

[48] Afkomstig van Internet.

[49] Bataafse Republiek: Benaming van het staatslichaam dat sinds 1795 de voormalige Republiek der Zeven Verenigde Provinciën met hun Generaliteitslanden bestuurde.

Het herstel van het stadhouderschap in 1787 door Pruisische interventie leidde tot een schijnredding van het corrupte regentenregime. Vele patriotten vluchtten over de grens en beleefden in Frankrijk de revolutie van 1789. Deze geslaagde omverwerping van het oude bestel versterkte hun verlangen naar vernietiging van de regenten-dictatuur en vestiging van de volkssoevereiniteit. Aanvankelijk was de houding van de patriotten niet anti-Oranje. Steeds duidelijker bleek echter dat vernietiging van de regentenoligarchie en behoud van het stadhouderschap niet te combineren waren.

In 1792, enkele jaren na het uitbreken van de revolutie in Frankrijk, raakte dit land in oorlog met Oostenrijk en Pruisen. De Zuidelijke (Oostenrijkse) Nederlanden werden spoedig door Frankrijk onderworpen. Een anti-Franse bond, waarvan ook de Republiek deel uitmaakte, bracht de Franse troepen in Staats-Brabant. Het Oostenrijkse leger zag echter kans de indringers voorlopig naar eigen gebied terug te drijven. In 1794 veroverden de Franse troepen onder leiding van Pichegru in enige maanden opnieuw de Zuidelijke Nederlanden en stootten door tot aan de Waal, de langbegeerde ‘natuurlijke grens’. Gedwongen door voedselproblemen trok Pichegru verder: In januari 1795 werd Utrecht bezet, drie dagen later Amsterdam. Willem V was intussen naar Engeland gevlucht. In alle steden werden de zittende regenten vervangen door bestuurders met patriotse sympathieën. De machtswisseling vond plaats zonder bloedvergieten.

[50] Over de financiën van Holland zie de pagina hiervoor

[51] Hendrik Fagel is gedurende 46 jaar griffier bij de Raad van State. Voor hem vervulden zijn vader Francois en daarvoor zijn grootvader Hendrik deze functie. Deze grootvader Hendrik stond gedurende 54 jaar bekend als ”the wisest man from Europe”. Door de andere Europese mogendheden worden de thesaurier Generaal, de secretaris van de Raad van State en de griffier van de Raad van State als de ministers van de Republiek beschouwd

[52] Cornelis van Neck is tot 1739 Commies der financiën. Familie Cassa verkeert blijkbaar in de juiste welgestelde kringen in Den Haag

[53] Er werd op 4-11-1776 ontvangen voor het recht op begraven fl. 30,= voor het lijk van Frederik Abraham Cassa (bron: Waalse fiches CBG)

[54] Bron: Nederlandse Leeuw 1913 blz. 135

[55] de kortlevende kinderen worden 1e klasse begraven voor 30 gulden.

[56] In het "Beterhuis" konden zwakzinnigen, gekken alsmede 'dronkaards en jongelui die een losbandig leven leidden', op verzoek van hun familieleden of het gerecht op kosten van de verzoeker opgesloten worden om hun slechte gedrag te verbeteren.

[57] Bron: bevolkingsregister Den Haag periode 1850-1861

[58] Zie verklarende woordenlijst.

[59] Bron: Verslagen dichtgenootschap Kunstliefde GA Den Haag beh.nr 46 inv.nr.93

[60] Vrede van Aken; bestand gesloten in 1748 die de Oostenrijkse Successieoorlog beëindigde. De strijd tussen 1740-1748 die uitbrak toen het opvolgingsrecht van Maria Thersia van Oostenrijk door o.a. Frankrijk werd betwist en door de Republiek en Engeland werd erkend. De oorlog werd onder meer in de Zuidelijke Nederlanden uitgevochten. In 1748 komen de Zuidelijke Nederlanden opnieuw onder Oostenrijks bestuur en de Staten mogen opnieuw garnizoenen leggen in de ontmantelde barričresteden.

[61] Zie verklarende woordenlijst.

[62] ?????

[63] Zie verklarende woordenlijst in de bijlagen

[64] Stadhouder Willem V

[65] De naam betekent in het slovenisch: gotisch. Een naam van de familie Gütske die ook in Holland voorkomt zal hiervan afgeleid zijn. Onze familie komt uit Holstein (Noord Duitsland) en heeft hier echter niets mee te maken.

[66] Commandant van een fort, een koloniale handelspost aan de kust.

[67] Landen van Gale en Mature

[68] Ook wel Malacca of Melaca. Schiereiland in zuid-oost Azie. Malakka is rijk aan mineralen: tin, ijzer, steenkool, bauxiet, ilmeniet en goud. Bedekt met tropisch regenwoud met tijgers en panters en lippeberen.

[69] Een lading met een waarde van  1.376.066 gulden 7 stuivers en 7 cent.

[70] Kust van Coromandel: Europese benaming voor het kustgebied in Zuidoost-India tussen de mondingsgebieden van de Krishna en de Cauvery, ca. 675 km lang. De belangrijkste (kunstmatige) havens zijn in de 20ste eeuw Madras, Pondicherry, Cuddalore en Negapatam.

[71] Tegenwoordig Iran.

[72] In de tweede helft van de zeventiger jaren constateren de Heren XVII dat de “vereering niet altijt een en deselve voet is geobserveert”. Zij stellen daarom vast dat in het geval een commandant van een retourvloot deze in goede handen terugbrengt hem een “vereering” toekomt. Een Raden –ordinaris of extra-ordinaris ontvangt een gouden ketting met een penning en 600 gulden. Een commandeur geen Raden zijnde eenzelfde ketting en een bedrag van 500 gulden

[73] Looierij