
1.8 Uit: Het Bulletin 6-2002 (NVRT, P. v. Lommel), p. 32, bijna-doodervaringen :
"Tijdens mijn nachtdienst werd er een 44-jarige man binnengebracht.
Hij was in coma. Hij had een hartstilstand. Een uur eerder was hij door
voorbijgangers gevonden in een weiland, en met een ambulance naar ons
ziekenhuis gebracht. Hij werd kunstmatig beademd, kreeg hartmassage en
werd gereanimeerd. Tijdens zijn behandeling had ik het gebit uit zijn
mond genomen en in een bakje gelegd. Na een uur was het hartritme van
de patient voldoende hersteld om hem naar de intensive care afdeling te
brengen. Wel was hij nog steeds in coma.
Na een week ontmoette ik de man op de hartafdeling. Op het moment dat
hij mij zag, riep hij: 'Die zuster weet waar mijn gebit is. Op de avond
dat ik hier werd binnengebracht, heeft u mijn gebit in het karretje met
flesjes gezet. Er was een laatje in dat verrijdbare karretje, en daar
heeft u het opgeborgen.' Ik was hoogst verbaasd: Die man was op dat
moment in een diepe coma, dat had ikzelf gezien, ik was erbij geweest.
Toen ik doorvroeg bleek de man de kamer, waarin hij behandeld was, te
kunnen beschrijven, en ook de dokters en verpleegsters. Hij herinnerde
zich dat hij bang was geweest dat we zijn reanimatie zouden stoppen en
dat hij dood zou gaan. Hij had voortdurend maar tevergeefs, geprobeerd
ons duidelijk te maken dat hij nog leefde."