
4.5 Uit: Vorige levens (Moody), p. 107, reincarnatie, hypnose, bijna-doodervaringen :
"Het was duidelijk dat ik me in Europa bevond, zo'n twee- of
driehonderd jaar geleden, maar waar of wanneer weet ik niet precies. Ik
denk dat mijn leven zich in Engeland afspeelde. Ik was een kleine
jongen. Ik liep 's avonds door de straten en herinner me hoe ik
versteld stond van het feit dat er in zoveel gezinnen alcohol werd
gedronken. Terwijl ik over straat liep en bij de mensen naar binnen
keek, leek het wel of er in elke huiskamer iemand zat te drinken.
Ik herinner me dat ik me erg ongerust maakte. Mijn vader en moeder
waren ongeveer dertig jaar oud en toen ik bij onze bovenwoning aankwam,
zag ik hoe smerig het er was. We woonden in een kleine flat met grauwe
muren. Mijn moeder was bezeten van religie en aan alle muren hingen
platen van Jezus en de Maagd Maria. Mijn ouders waren voortdurend
dronken. Verschrikkelijk wanhopig voelde ik me toen ik naar binnen
ging. Ik keek naar buiten, maar ook de straten boden niets dan
treurigheid. Overal lagen dronken mensen. Sanitaire voorzieningen waren
er niet en men gebruikte de goten als openbaar toilet. Het was een
bende in de stad.
Wat indruk op me maakte in dit leven was het feit dat mensen zoveel
moeite hadden om met elkaar in contact te komen. Zonder
telefoonverbinding leek dat ongelooflijk moeilijk. Verscheidene malen
zag ik hoe anderen erop uitgestuurd werden om iemand te halen of om een
schriftelijke boodschap af te geven. Deze koeriers deden het werk van
een telefoon! Toen ik zag hoe iemand door een paard en wagen werd
overreden besefte ik hoe groot de communicatieproblemen waren. Een hele
menigte verzamelde zich om de man heen en iemand werd erop uitgestuurd
om een dokter te halen. Het leek eindeloos te duren voor die dokter
arriveerde.
Het was erg lawaaierig in de stad. Ook werden veel inwoners geplaagd
door de meest afschuwelijke ziekten, waar ze maar mee rond bleven lopen.
In de volgende scene bevond ik me in een kerk. Ik was ongeveer twaalf
jaar oud. Ik voelde me verschrikkelijk eenzaam en had het idee dat mijn
ouders waren overleden. Ik was de stad uit gegaan en vroeg de dominee
van deze kerk of hij mij op de een of andere manier kon helpen. De
dominee was mager en zag er ziekelijk bleek uit. Hij gaf me geen echte
steun, maar citeerde slechts een aantal gemeenplaatsen uit de bijbel.
Op dat moment had ik het gevoel dat gezagsdragers niets meer van het
leven wisten dan ikzelf.
Vervolgens ging ik een paar jaar verder in mijn leven. Ik werkte als
leerling-schoenmaker in een stadje. De winkel lag een paar treden onder
het niveau van de straat en het was er erg donker. Overal rook ik de
geur van leer. De schoenmaker voor wie ik werkte, was een gelukkig
mens. Hij had een zoon van twaalf, die het vak ook leerde en een
dochter, die zo af en toe op bezoek kwam. Zijn vrouw was aardig en ze
kookte graag voor ons.
Mijn leven ging weer verder. Ik was getrouwd met een vrouw die ik op
een carnavalsfeest had ontmoet. We verhuisden naar een andere stad en
begonnen onze eigen schoenwinkel. Het was er aangenaam wonen en ik
raakte er in aanzien.
Opnieuw ging mijn leven verder en ik zag hoe ik gefolterd werd door de
pijn. Ik zag mezelf op een afstand. Ik weet niet waarom ik zoveel pijn
had, maar wel zag ik dat mijn vrouw ongerust was en dat ze niet wist
wat te doen. Ze bracht me naar een dokter, maar die kon ons ook niet
vertellen waar de pijn vandaan kwam. Ik vond deze dokter lijken op de
dominee die ik als kind had ontmoet. Hij deed gewichtig, maar wist in
feite niet waarover hij het had.
Een paar dagen later drukte ik mijn handen tegen mijn buik en vertrok
mijn gezicht van de pijn. Zweetdruppels parelden duidelijk zichtbaar op
mijn hoofd. Kennelijk had ik meer pijn dan ik kon verdragen. Toen
adviseerde de dokter mij om me te laten opereren. Ik wist dat ik geen
andere keus had. Met mijn vrouw ging ik per rijtuig naar het
ziekenhuis. Ik was doodziek en heel ongerust en de aanblik van het
ziekenhuis bracht daar geen verbetering in. Het was een groot, somber
gebouw met smeedijzeren hekken ervoor.
Uiteindelijk bevond ik me in een operatiekamer, die er naar moderne
maatstaven ongelooflijk vies uitzag. Men had, leek het, geen poging
gedaan om de ruimte schoon te houden. Ik vond dat niet zo zorgwekkend,
want men had destijds een heel ander idee van hygiene dan nu. Wel
maakte ik me zorgen over mijn vrouw en wat er met haar zou gebeuren als
ik stierf.
Toen ik op de operatietafel lag, sloeg ik mijn ogen op en zag ik
bloedvlekken op de jas van de dokter. Er was geen anesthesist aanwezig.
Ik werd op de tafel vastgebonden en men gebood mij zo stil mogelijk te
blijven liggen. Toen begon de dokter me open te maken bij mijn maag. Ik
voelde hoe er met een bot instrument in me gesneden werd. Ik had een
verschrikkelijke pijn, maar daarna voelde ik helemaal niets meer. Ik
verliet mijn lichaam en ging naar mijn vrouw toe, die ook in de kamer
was. Ik kon niet met haar praten. Ik kon met niemand praten. Ten slotte
voelde ik hoe ik wegdwaalde, een wit licht tegemoet."