
4.6 Uit: Vorige levens (Moody), p. 113, reincarnatie, hypnose, bijna-doodervaringen :
"Ik liep hoog in de bergen over een alpenweide. Ik was heel jong,
ongeveer tussen de drie en vijf jaar oud. Ik liep zachtjes, alsof ik
ergens onopgemerkt wilde komen. Er waren nog meer mensen om me heen en
ik verbaasde me over hun uiterlijk. Ze hadden grotere, bollere hoofden
dan de mensen tegenwoordig hebben. En hoewel deze prehistorische mensen
in een kouder klimaat leefden dan wij, hadden ze toch veel minder haar
dan ik had verwacht. Ik besefte dat ik in een heel vroege periode was
beland, ergens in het begin van de mensheid.
We liepen naar een hol van waaruit je een rivier kon zien. Het
landschap voor ons was over een grote afstand bezaaid met bloemen. Toen
kwam er een beeld waarin ik voor ons hol lag te luisteren naar het
getsjirp van de insekten. Ik bekeek het onderkomen wat beter. In de
grond had men palen ingegraven en op die palen lag afval, zoals takken
en dierehuiden.
Mijn leven ging verder en ik zag een enorm, langharig dier. Op dat
moment raakte ik volkomen in paniek. Ik wilde wegrennen, weg van dat
beest. Ik merkte hoe ik een heuvel afrende en toen maakte het beeld
plaats voor iets anders. We stonden om een fruitboom heen. We waren met
ongeveer tien personen en als ik die mensen nu moet beschrijven, zou ik
zeggen dat je ze nauwelijks mensen kon noemen. We stonden om die boom
heen en keken naar de vruchten boven ons hoofd. Ik wilde een vrucht
plukken, maar deed het niet. Ik denk dat ik wachtte tot iemand anders
het zou doen.
In een volgende scene voelde ik hoe ik een heuvel afrolde, terwijl er
losgeraakte stukken steen en aarde met me mee vielen. Er leek geen
einde aan mijn val te komen; ik rolde maar door. Toen ik onder aan de
heuvel was beland en bijkwam uit mijn verdoving, keek ik twee
misvormde, bijzonder lelijke schepsels recht in het gezicht. Ze waren
erg geschrokken van mijn val en maakten zich zichtbaar zorgen over mijn
verwondingen. Ze waren blij toen ze zagen dat ik opstond en me op eigen
kracht voortbewoog.
's Nachts waren we allemaal erg bang. Een keer liep onze leider steeds
naar de opening van het hol om gespannen naar buiten te turen. Wij
kropen dicht tegen elkaar aan, bang als we waren voor wat daarbuiten op
ons lag te wachten. Ik bedacht dat er vroeger eens een lid van de groep
's nachts de duisternis in was gegaan en dat hij daarna nooit meer was
teruggekomen. Sindsdien waren we er allemaal van overtuigd dat de
duisternis mensen opat.
De laatste dag van mijn leven liep ik doodziek rond. Ik had hoge koorts
en ik kon de groep, die op zoek was naar voedsel, niet bijhouden. Ten
slotte ging ik gewoon ergens liggen. Mijn stamgenoten haalden me op en
droegen me terug naar ons hol. Ze gaven me te eten en maakten het me
zoveel mogelijk naar de zin, maar het hielp allemaal miets. In de loop
van een paar dagen verzwakte ik steeds meer. De koorts nam toe en ook
mijn angst, want ik begreep niet wat er met me aan de hand was. Ten
slotte slaakte ik nog een diepe zucht en stierf toen. Het laatste wat
ik van dit leven zag, was hoe mijn stamgenoten stokken en bladeren op
mijn lichaam stapelden."