
4.9 Uit: Voorbije levens (Williston), p. 185, reincarnatie, hypnose, bijna-doodervaringen :
"Ik ben in bed. Ik kan maar een beetje ademen. Mijn longen zitten vol vocht. Ik heb hoge koorts ... Ik kan voelen dat ik het leven loslaat. Het is te veel moeite om vol te houden ... en te pijnlijk ... Ik ben gestorven ... Ik hield gewoon op met ademen en verliet mijn lichaam. Ik voelde me opeens heel licht en vrij, geen pijn meer. Ik kon nu ademen ... niet echt ademen natuurlijk, maar ik had het gevoel dat ik kon ademen. Ik was bijna vergeten hoe makkelijk ademen was. De hele kamer leek licht ... een zacht glanzend licht, maar ik weet niet waar het vandaan kwam ... Ik bleef boven mijn lichaam kijken. De hospita kwam de kamer weer in met een kom soep voor me. Ze wist niet dat ik dood was, dat ik zo dicht bij de dood was toen ze wegging om soep voor me te halen ... Ze schrok toen ze dicht bij het bed kwam. Ze zei mijn naam en schreeuwde toen 'Sacre bleu' en liet het blad met soep vallen. Toen rende ze gillend de kamer uit. Ik had medelijden met haar, omdat ik haar zoveel last bezorgde, maar ik lachte ook in mezelf omdat het zo mal was dat ze dacht dat ik dood was ... Ze haalde korte tijd later een dokter, maar zij bleef buiten de kamer en wrong in haar handen terwijl de dokter in mijn lichaam porde. Hij trok het laken over mijn gezicht en zei tegen mevrouw Jamiel dat ze mijn begrafenis moest regelen. Ze huilde toen ze de kamer uitliep. ('Was je je bewust van je begrafenis?') Oh, ja. Ik ben begraven in een armengraf met een naamplaatje van cement. ('Ben je in de buurt gebleven toen je dood was?') Nee, ik moest naar andere plaatsen. Ik had geen belangstelling meer voor die plaats."