bijna-doodervaringen

Wetenschappelijke verklaring?

Algemeen wordt aangenomen dat de beste wetenschappelijke theorie degene is, die zoveel mogelijk aspecten van een verschijnsel verklaart.
Bij bijna-doodervaringen (BDE) zijn 3 in het oog springende aspecten:
- Bewusteloos en met de ogen dicht ‘ziet’ en hoort men dingen.
- Men ontmoet alleen overledenen.
- bijna-doodervaringen gaan gepaard met een moreel oordeel.
De enige theorie die al deze aspecten verklaart, is de theorie die uitgaat van ‘leven’ in een andere dimensie.

Waarom wordt deze theorie in de wetenschap niet aangehangen?
Een goede verklaring hiervoor zie je niet vaak. De verklaring is:
De wetenschap heeft sinds enige eeuwen voor alles een materiële verklaring kunnen vinden. Daarom is een redelijke vooronderstelling, dat ook voor het verschijnsel bijna-doodervaringen, met al zijn aspecten, een materiële verklaring gevonden kan worden.
Een ‘immateriële’ theorie zal dus met doorslaggevende bewijzen moeten komen, wil deze geaccepteerd kunnen worden.

Wat wordt in de wetenschap geaccepteerd als bewijs?
Dat varieert, van bewijs dat in ‘laboratoriumsituaties’ wordt verkregen, tot toevallig verkregen ‘anekdotische’ informatie.
Voorbeeld van dit laatste is de archeologie. Ook in dit soort wetenschappen worden zaken bewezen geacht, hoewel men bijvoorbeeld bij vele aspecten niet met dubbelblind-onderzoeken etc. kan werken.

Waar hangt het in de wetenschap van af of een theorie bewezen wordt geacht?
Het gaat er om, om in de gegeven situatie zoveel mogelijk bewijs te verzamelen. Waar mogelijk, bewijs uit ‘laboratoriumsituaties’.
De theorie met de meeste en beste bewijzen wordt als de juiste omarmd.
Waarbij men in het achterhoofd houdt, dat er altijd een beter bewijsbare andere theorie ontwikkeld kan worden.

Hoe staan de bijna-doodervaringen hierin?
Als gezegd is de enig mogelijke theorie (op dit moment) een immateriële.
Waarbij slechts gevaren kan worden op de koers van toevallig verkregen, maar erg veel, ‘anekdotisch’ bewijs.
In laboratoriumsituaties komt men tot nu toe niet verder dan het opwekken van een ‘gevoel’ van uittreding, hetgeen slechts 1 aspect, en dan nog zeer beperkt, kan verklaren. (Vreemd genoeg wordt dit vrijwel nooit erkend.)
Als men afziet van de bovengenoemde vooronderstelling (‘er zal best nog wel eens een materiële oplossing worden gevonden’), is de immateriële theorie degene die voor geldig gehouden moet worden.
Als men niet afziet van genoemde vooronderstelling, zal men moeten blijven zoeken naar een materiële theorie. Maar dan wel een sluitende!

terug