Van der Aa’s Aardrijkskundig Woordenboek 1849
[pagina 410]
WIJK–AAN-ZEE, op de andere zeedorpen Wijk en over het algemeen WIJK-OP-ZEE genoemd, dorp in het baljuwschap van Blois, provincie Noord-Holland, arrondissement en 3 uur Noord-Noordwestelijk van Haarlem, kanton en 1 uur Westelijk ten Noorden van Beverwijk, gemeente WIJK-AAN-ZEE – en – WIJK-AAN-DUIN.
Dit dorp schijnt zijn naam
gekregen te hebben van het naburige Beverwijk, om dat dit ook in de wandeling
doorgaans de Wijk genoemd wordt, en is zijnen oorsprong verschuldigd aan
de visschers, die van de omliggende plaatsen hier kwamen om in de Noordzee te
visschen, en er eerst eenige hutten hebben gebouwd, om er zich gedurende den
besten tijd van het visschen te onthouden, welke hutten met der tijd in bekwame
woningen, veranderd en vermeerderd zijn.
[pagina 411]
Het moet
reeds in het begin der vijftiende eeuw enigszins in aanzien geweest zijn en
handel gedreven hebben op de Oostzee, daar men het vermeld vindt, onder de
plaatsen, welke in 1437 deel namen n de toerusting, om over de vijandelijkheden
der Oosterlingen wraak te nemen.
Men telt er, met de daartoe behoorende boerderij T u s s c h e n w i j k , 60 huizen en 500 inwoners, die meest in den landbouw en schulpnering hun bestaan vinden. Vroeger was de visscherij de eenige handel of nering, de visch werd veel te Amsterdam en elders ter markt gebracht, of ook voornamelijk in de den zomer aan de omliggende buitenplaatsen, bleekerijen, Zaanlandsche en naast gelegene dorpen vertierd. In 1820 is het laatst nog eens eene reederij van visschuiten opgerigt met drie pinken, doch sedert 1833 is die weder geheel te niet. Toen de visscherij hier nog in bloei was, was het dorp ook zeer welvarend, hebbende toen tot het vervoer van den visch alleen drie veerschippers van Beverwijk op Amsterdam noodig. Ook had men er destijds vele Commandeurs ter Groenlandvaart. - Als een blijk van vroegere bloei van dit dorp kan gelden, dat men hier in 1732 nog 164 huizen telde.
Het dorp ligt voor de zee beveiligd in eene kom, achter een groep der hoogste duinen van de geheele kust, en heeft gemeenschap met het strand langs eene beek, d e R e l genaamd, welke in zee uitvloeit (zie dat woord) , en met B e v e r w ij k door eenen schulpweg, die in het jaar 1845 aangelegd is, welke de gemeenschap tusschen die beide plaatsen zeer veel bevordert, want daar men vroeger ’s winters, om den slechten modderigen weg en des zomers om den gullen zandweg, er blijkens niet kon doorkomen, kan men nu van eenen zeer goeden weg gebruik maken.
De Hervormden, die er 60 in getal zijn, behooren tot de gemeente van Wijk-aan-Zee-en Wijk-aan-Duin, welke hier eene kerk heeft, die zeer oud is, doch niet meer zoo groot als vroeger, daar het koor en een derde gedeelte der kerk, reeds voor een geruim tijdsverloop verwoest, of door verval ingestort zijn. Zij heeft een vierkant opgemetselden toren, met stompen spits of pannendak ter hoogte van 37 Nederlandsen ellen, waaruit eene ijzeren spil rijst, op welke de weerhaan draait. Tot vóór eenige jaren stond nog het grootste gedeelte van het oude muurwerk der vervallen kerk en koor, doch dit is toen gesloopt, om de afkomende steenen te gelde te maken tot herstel der kerk. De oude grondslagen, die er nu nog liggen, kunnen, door hunnen omvang en hechtheid, getuigen van de vroegere bevolking en welvaart van dit dorp.
De kerk van Wijk-aan-Zee was reeds vóór de Reformatie eene parochiekerk, welke de naam van den H. Belijder Odulphus ingewijd was. Het regt, om de pastorij te begeven, kwam den Graaf van Egmond toe; de voorstelling werd door den Abt van Egmond gedaan. Naderhand is dit regt den Graaf van Egmond ontzegd en heeft de Abt het geëigend. Doch volgens een ongedrukt register van het jaar 1514, stond de begeving aan de graven van Holland, en werd de bevestiging door den Aartsdiaken van Utrecht gedaan. De Pastoor had geen vaste inkomsten, en als hij er niet woonde , had hij niet meer dan 20 Rijnlandsche guldens (28 guld.), en kon er ternauwernood de kost en kleeding krijgen. Het kosterschap werd insgelijks door den Graaf van Holland begeven; doch, om dat het geen vast inkomen had, huurden de ingezetenen eenen Koster, die zij 14 of 15 Rijnsche gulden (19 guld, 60 cents of 21 gulden) toelegden.
De Roomsch-Katholieken, van welke men er 240 telt, onder welke 150 Communicanten, maken, een statie uit, welke tot het aartspr. van
[pagina 412]
Holland–en–Zeeland, dekenaat van Kennemerland, behoort en door eene Pastoor bediend wordt. De kerk, aan den H. Odulphus toegewijd, is een net en wel ingerigt gebouw, zonder toren. Er is daarin een altaar, versierd met een niet onaardig schilderstuk, voorstellende de Bespotting des Heilands aan het Kruis. Vroeger had deze kerk ook zijn eigen Pastoor, doch door het verval der gemeente en der pastorij ten gevolge van den inval van het Engels-Russisch leger in 1799, is zij onder Beverwijk getrokken, en toen werd er de dienst door den Kapellaan van die statie waargenomen. In 1844 heeft men echter middelen aangewend, om te Wijk-aan-Zee weder een eigen Pastoor te bekomen en dit werd toegestaan, mits de gemeente zich eerst van eene pastorij voorzag; deze nu in dat jaar in bestek gebragt zijnde, is, na de voltooiing daarvan, in het jaar 1846, tot eersten Pastoor alhier benoemd, Johannes Petrus Vossen, die in Mei 1848 vertrok naar de Weere.
Men heeft er een G a s t
h u i s, eigenlijk een O u d e m a n n e n – e n
V r o u w e n h u i s , ter verzorging van eenige oude lieden, geboren
Wijk-aan-Zeeërs zijnde of aldaar meer dan vijftien jaren hun eigen brood
gewonnen hebbende. Thans worden daarin nog drie of vier oude lieden verzorgd,
latende de tegenwoordige inkomsten geen meerdere opnamen toe. Het huis moet,
voor zoo veel men kan opsporen, gesticht zij door zekere AGNIET van AKERSLOOT;
het jaar wanneer is echter niet te vinden. Het is ingerigt voor tien of twaalf
personen, waartoe in eenen vleugel, op eene dubbele rij, even zoo veel
afzonderlijke kamertjes of celletjes bestaan, waar ieder zijn eigene
huisvesting heeft, terwijl de oude lieden gezamenlijk maaltijden. Voor een
dergelijk getal waren dan ook, vóór de tiercering, de fondsen toereikende en
had men daar goede sier, daar, volgens een bestaan hebbend reglement, bij het
verkiezen van nieuwe Gasthuisvaders, op Goeden Vrijdag, voor ieder der oude en
nieuwe Gasthuisvaders, voor de leden van het plaatselijk bestuur en voor de
oude lieden, door de dienstmeid, zes oliebollen moesten worden gebakken,
terwijl op St. Agniet een maaltijd moest worden gehouden, volgens
uitdrukkelijken last van de stichteres, voor de Gasthuisvaders en moeders en de
oude lieden, welke maaltijd echter niet meer mogt kosten dan 23 of 30 gulden;
dit alles wordt echter thans nagelaten, om, door bezuiniging, de fondsen van
het huis, zoo veel mogelijk, bijeen te houden. Bij het bestaan der visscherij
had dit huis het regt van waag en het is nog in het bezit van de gereedschappen
daarvan, welke echter nu slechts gebezigd worden, om diegenen der bezoekers van
het dorp en het huis, welk zulks verkiezen, te wegen, voor een drinkpennigje of
tabaks- en koffijcentje voor de oude lieden.
De dorpschool wordt gemiddeld door ruim 70 leerlingen bezocht. Zij was tot het jaar 1848 achter de onderwijzerswoning, doch, reeds sedert lang te bekrompen zijnde, is er in genoemd jaar, door subsidiën uit de rijks- en provinciale fondsen, een nieuw schoollokaal gebouwd, en met de oude school de onderwijzerswoning vergroot. De nieuwe school is den 12 October plegtig ingewijd.
Sedert de oprigting van de Noord- en Zuidhollandsche Reddingsmaatschappij is hier ook eene R e d d i n g b o o t gestationeerd, van den noodigen toestel voorzien; terwijl tot de bediening daarvan eenige vaste bootsgezellen zijn aangewezen, en met de boot en verderen toestel, van tijd tot tijd, proeven worden genomen of wordt geëxerceerd. Alsmede bestaat er een B a d h u i s , waardoor men gelegenheid vindt, zoo om zich binnenshuis, als per badkoets in zee te baden, zijnde er te
[pagina 413]
dien einde, in het jaar 1839, aan het logement, dat daartoe zeer geschikt is, drie badkamertjes en eenige boven-logeerkamers aangebouwd, met den noodigen toestel tot verwarming der baden. Deze inrigting is hoofdzakelijk daargesteld voor lieden van den burgerstand, welke die geneeswijze noodig hebben, zijnde daarom de baden niet te hoog in prijs gebragt en het logement en de bediening er goed, maar zeer billijk, zoodat deze klasse daar beter teregt kan komen dan aan de prachtvolle etablissementen te Scheveningen, te Katwijk of te Zandvoort; alhoewel de aanzienlijken van de naburige buitenplaatsen er des zomers ook veel gebruik van maken.
Wijk-aan-Zee mag zich beroemen op de
geboorte van den K u n s t –
s c h i l d e r Rijkert Aartz,
bijgenaamd Rijk met de Stelt,
† in Mei 1577.
In 1491 werd dit dorp door den Hoekschen onder Jan van Naaldwijk overvallen, terwijl de dorpelingen nog te bed lagen; velen die de wapenen aangrepen van het leven beroofden en eenige huizen in brand staken en plunderden. Het schijnt dat de Hoekschen tot deze geweldenarijen vervoerd werden, omdat de dorpelingen zich te weer stelden; hetwelk nogthans dezen, die van hun oogmerk onkundig waren, niet kwalijk te nemen was.
Door den hevigen orkaan van 29 november 1836 zijn hier zes woningen geheel vernield; terwijl het grootste gedeelte van de daken beschadigd was. Men is daarin echter door de publieke weldadigheid ruimschoots te gemoet gekomen, daar, op de uitnoodiging van eene zich daartoe gevormd hebbende commissie, ruim 1700 gulden tot herstel werd ingevorderd.
Er zijn hier nog al
dikwijls walvisschen gestrand of aangespoeld, zoo leest men van eenen in het
jaar 1531 ruim 23,50 ellen lang, terwijl zijn bek opengespart zijnde 3,76 ellen
wijd en de staart ruim 5 ellen breed was; van enen in het jaar 1601 lang
ongeveer 19 ellen, dik 11,30 ellen, hoog 4,39 ellen zijnde de bek 3,76 ellen
wijd; en men weet nog van eenen in het jaar 1791, lang 15 ellen, welke is
verkocht voor 245 gulden; van eenen in het jaar 1826, lang 12 ellen, verkocht
voor 495 gulden, aan het Museum van Natuurlijke Historie te Leyden; terwijl
laatstelijk nog in het jaar 1835, hier aanspoelde, die lang was 17 ellen, voor
1000 gulden is aangekocht voor een partikulier kabinet van Natuurlijke Historie
te Amsterdam, waar hij thans te zien is in ge de verzameling van d het
genootschap: Natura Artis Magistra; voorts in het jaar 1841, nog eene
groote dolphijn, lang 6 ellen die verkocht is voor 140 gulden.
WIJK-AAN-ZEE-en –WIJK-AAN-DUIN, gemeente in het baljuwschap van Blois, provincie Noord-Holland, arrondissement Haarlem, kanton Beverwijk (8 k.d., 7 m.k., 3 s.d.), palende Noordelijk aan de gemeente Heemskerk, Oostelijk aan Assendelft, het Wijkermeer, en de gemeente Beverwijk, Zuidelijk aan de gemeenten Beverwijk en Velsen, Westelijk aan de Noordzee.
Vóór de inlijving van ons vaderland in het Fransche keizerrijk, maakten Wijk-aan-Zee en Wijk-aan-Duin ieder eene gemeente of banne uit en stonden onder afzonderlijke bestuur, zich uitstrekkende de eerste tusschen de Noordzee en tot de bebouwde landen, doch toen zijn beide gemeenten met B e v e r w ij k vereenigd geworden, tot in 1817, als wanneer, bij de nieuwe plattelandsverdeling, Wijk-aan-Zee-en–Wijk-aan-Duin als eene vereenigde gemeente, onder een eigen bestuur zijn gesteld. Omtrent de zaken der Nationale Militie zijn zij echter nog met Beverwijk vereenigd.
De gemeente Wijk-aan-Zee-en–Wijk-aan-Duin bevat dus het dorp W ij k – a a n – Z e e en het voormalige ambt W ij k – a a n – D u i n; beslaat, volgens
[pagina 414]
het kadaster, eene oppervlate van 1319 bunder 77 v.r. 32 v. ellen waaronder 1289 bunder 63 v.r. 84 v. ellen belastbaar land, waarvan omstreeks 400 bunder duingronden; telt 132 huizen, bewoond door 150 huisgezinnen, uitmakende eene bevolking van 750 inwoners, die meest in den landbouw hun bestaan vinden.
De Hervormden, die er 230 in getal zijn, onder welke ruim 50 Ledematen, maken eene gemeente uit, welke tot de klasse en ring
van Haarlem behoort. Na de Reformatie maakte Wijk-aan-Zee eene afzonderlijke gemeente uit, welke in den
beginne bij leening bediend werd; zoo als dan in het jaar 1587 Arnoldus Nicolai, Leeraar te Castrikum,
er somwijles in de week predikte, daarna in het jaar 1593 Samuel Bartholdus, zoon van Bartholdus Wilhelmi, Predikant te
Beverwijk, alhier bij voorraad de dienst verrigte, tot dat eindelijk, in het
jaar 1601, tot vasten Leeraar beroepen werd Abraham
de Haze, die in 1605 overleed. Na het vertrek van den Predikant Dirk Groeneveld Kuypers, die in 1806
werd afgezet, is de gemeente van Wijk-aan-Zee,
aangezien zij, door gestadige verarming der gemeente en verval der pastorij, de
kosten niet meer konde goed maken, eenigen tijd herderloos geweest, tot dat later
daarin werd voorzien door de Predikanten van Beverwijk en Velsen, welke ieder
om beurten, elke drie weken eene preekbeurt vervuldden. Aangezien na de
vereeniging met
W ij k-a a n-D u i n, het getal
der Hervormden in de gecombineerde gemeente langzamerhand aanwies, en eindelijk
tot over de 200 geklommen was, dacht men het onderhoud van kerk en pastorij wel
te kunnen bekostigen en heeft men pogingen aangewend, om weder eenen eigen
Predikant te bekomen, hetwelk dan na veel moeite is gelukt, al hoewel men eerst
moest zorgen, dat de gemeente van eene betamelijke pastorij voorzien, en de
kerk in eene goeden staat gebragt was. Daartoe, door de geldelijke medewerking
van den Ambachtsheer, onderscheidene aanzienlijken uit de omstreken en de leden
der gemeente, voor zover die tot eenige bijdragen vermogend waren, in staat
gesteld zinde, werd, in de maand September 1842 voor het eerst beroepen Hendrik Pieter Schuuring, die den 23
October daaraanvolgende zijn dienstwerk aanvaardde, en in het jaar 1847 naar
Ruurlo vertrok. Bij vacature wordt door den kerkeraad eene nominatie gemaakt,
terwijl het regt van approbatie wordt uitgeoefend door den Ambachtsheer.
De Evangelische Lutheranen, van welke er 15 zijn, en de 2 Doopsgezinden die er wonen, behooren kerkelijk tot Beverwijk. - De R.K. die men er 510 aantreft, maken gedeeltelijk de statie van Wijk-aan-Zee uit, terwijl de overigen of te Heemskerk of te Beverwijk parochiëren.
Men heeft in deze gemeente ééne school te Wijk-aan-Zee.
Deze gemeente is eene heerlijkheid, welke den 14 november 1730 van ’s lands staten werd aangekocht door François van Harencarspel, Oud-Schepen van Amsterdam, wiens weduwe Suzanna Jacoba van Harencarspel haar in 1773 nog bezat. Daar de heerlijkheid voor dien tijd door het domeinbestuur werd geadministreerd, zal zij ongetwijfeld tot in 1730 aan het domein, en nog vroeger aan het grafelijkheid toegbehoord hebben. Thans is zij het eigendom van den Heer Mr. Jacob Maarten Deutz van Assendelft, woonachtig te Amsterdam.
In het jaar 1800 is in deze gemeente een retranchement of eigenlijk eene linie van fortificatiewerken aangelegd, ten getale van dertig redoutes en flêches, onder directie van den toenmaligen Luitenat Kolonel Directeur Cornelis Rudolphus Theodorus Kraijenhoff, welke uit de Wijkerbroek bij Oosterwijk, van daar in een westelijke rigting loopt tot aan de Noordzee, om vijandelijke troepen, bij eene onverhoopte landing in Noord-Holland, den verderen doortogt te betwisten; kunnende alleen die streek niet onder water gezet worden. Men heeft om den aanleg en het doel van dit belangrijk werk, hetwelk 159,552 guldens 6 stuivers heeft gekost, aan de vergetelheid te ontrukken, in eene dier batterijen (de eerste in de wildernis) een vierkant arduinstenen monument geplaatst, zijnde eene stompe piramide ter hoogte van 5,20 ellen, waarin op de voorzijde een groote ronde wit marmeren steen, met de woorden
Si vis Pacem
Para Bellum
1800
(d.i. Zoo gij den vrede wilt, wapen u ten oorlog).
Het wapen dezer gemeente bestaat uit een gedeeld schild, het eerste deel van keel, met drie leliën van goud; het tweede doorsneden, waarvan het bovenstee een zee en het onderste van zilver.