De ideale werknemer
Komt hij te laat op zijn werk, dan geeft hij een slecht voorbeeld.
Komt hij te vroeg, dan is hij een rondneuzer, of blij thuis weg te zijn.
Blijft hij overwerken, dan is hij een uitslover.
Gaat hij op tijd weg, dan heeft hij geen hart voor de zaak.
Pleegt hij overleg, dan durft hij niet zelf te beslissen.
Doet hij het niet, dan is hij eigenwijs.
Neemt hij iemand apart, dan schept hij onderonsjes.
Doet hij het niet, dan is hij onpersoonlijk.
Is hij aardig, dan wil hij de getapte man spelen.
Houdt hij afstand, dan heeft hij verbeelding.
Komt hij met nieuwe ideeën, dan is hij een nieuwlichter.
Heeft hij ze niet, dan gaat er niets van hem uit.
Laat hij anderen iets voor hem doen, dan is hij een afschuiver.
Pakt hij het zelf aan, dan is hij eigengereid.
Als hij oud is, dan is hij een ouwe sok.
Is hij jong, dan weet hij er nog niets van.
Staat hij erop dat men zich aan de voorschriften houdt, dan is hij lastig.
Doet hij dat niet, dan is hij een slappe vent.
Als hij succes heeft, dan heeft hij geluk gehad.
En als het misloopt, dan krijgt hij de schuld.
En… als hij dood is, dan was hij zó’n kerel… !
(Bron: anoniem)