Het Klein Woordenboek der Vlaamse Taal

Hebt u er geen goesting meer in en...

- wilt u terug naar de inkom ---------------------------------------------------> klik dan op home.html

- wilt u terug naar de toegangspoort van Computoon's Taaltuin -----> klik dan op taaltuin.html

- wilt u terug naar de "Vlaamse" inhoudsopgavepagina----------------> klik dan op vlataal.html

Computoon had in het bijwerken van deze pagina geen goesting meer na 03-07-2000


Van compassie tot frigo

compassie (v.), [<Fr.: compassion], medelijden; compassie met iemand hebben, medelijden met iemand hebben.

comptabiliteit (v.), [<Fr.], boekhouding (van een bedrijf).

confituur (m. en v.), jam.

congé (m.), [<Fr.], vrije dag, snipperdag, verlof, vakantie; op congé zijn, op vakantie zijn.

contentement (o.), [<Fr.], blijdschap, tevredenheid; hij straalt van contentement.

convoyeur (m.), [<Fr.], bijrijder.

coördinaten, persoonsgegevens.

cornichon (m.), [<Fr.], augurk; ook: kleine komkommer.

cravate (v.), [<Fr.], stropdas.

crèmeglace, een ijsje.

crèmerie (v.), [<Fr.], ijssalon.

croque-madame (v.), [<Fr.], tosti met ham, kaas en een gebakken ei.

croque-monsieur (m.), [<Fr.], tosti, sandwich van geroosterde boterhammen, waarbij het beleg (een plak kaas en een plak ham) is meegeroosterd.

cumulard (m.), [<Fr.], iemand die meerdere banen (jobs) heeft.

cumuleren, verschillende functies hebben, vooral in de politiek.

curieus, nieuwsgierig.

cynieker (m.), cynicus.

dactylo (m. en v.), [<Fr.], tyiste, persoon die met een schrijfmachine werkt.

dagbladronde (m. en v.), krantenwijk.

dagdagelijks, dagelijks, vaak voorkomend, bijiv. dagdagelijkse kost.

dagklapper (m. en v.), agenda [<Lat.: meervoud van agendum, dat wat gedaan moet worden].

daimvest (o.), suède jas.

dalle (m.), [<Fr.], vloertegel, plavuis, trottoirdalle, stoeptegel.

dampkap (v.), afzuigkap, wasemkap, afzuiginstallatie boven een gas- of elektrisch fornuis.

de duimen leggen, zich gewonnen geven, verliezen.

dedju, verdomme.

deemstering (v.), duisternis, schemering.

deftig, net: gevraagd deftige kuisvrouw, gevraagd nette werkster.

degustatie (v.), [<Fr. dégustation], proeverij (met name van wijnen).

degusteren [<Fr.], met smaak eten, proeven.

dekken, een bed opmaken.

deksel (o.), deken (op een bed).

demonstreerder (m.), demonstrateur.

dichtdraaien, vastschroeven, vastdraaien (van bijvoorbeeld een schroef of een lamp).

dichtkurken, een fles met een kurk afsluiten.

dienstdoend, waarnemend; de dienstdoende burgemeester, de loco-burgemeester.

dikkop (m.), opschepper, ijdeltuit; syn. dikke nek.

dikoor (m.), bof (virusziekte).

doddelen, stotteren.

doelwachter (m.), (sportterm), keeper, doelverdediger.

dokker (m.), havenarbeider, dokwerker.

dompelaar (m.) 1. stakker, sul, stumper, sukkel; 2. staafmixer (huishoudelijk apparaat).

dooddoen, (iemand) vermoorden.

doodsbrief (m.), rouwkaart.

doorgangsbewijs (o.), entreekaart.

doorgroeimogelijkheid (v.), promotiekans.

doorjager (m.), vreetzak.

doorspraak (v.), vergadering, bespreking, het bespreken of besproken worden.

dopgeld (o.), ww-uitkering.

doppen, stempelen, ww-trekken.

dopper (m.), werkloze.

draagberrie (v.), brancard.

dresseren, temmen, tam maken; ook figuurlijk: ik zal hem wel gedresseerd kriijgen, ik krijg hem wel klein.

dretsen, spatten: door de dretsende regen lopen; het regent dat het dretst, het regent dat het giet.

driepikkel (m.), driepoot.

dries (m.), dorpsplein, met gras en bomen.

dringendheid (v.), urgentie.

drinkgeld (o.), fooi.

droogkas (m.), wasdroger.

droogkuis (m.), [<Fr.: nettoyage à sec], stomerij, bedrijf waar kleding chemisch gereinigd, gestoomd wordt; syn. droogwas, droogwasserij.

droogzwierder (m.), centrifuge, apparaat waarbij van de middelpuntvliedende kracht gebruik gemaakt wordt om de was te drogen.

drukkingsgroep (v.), pressiegroep, belangengroep.

drukkookpan (v.), snelkookpan.

druksel (o.), drukwerk.

drubbelaar (m.), zittenblijver.

duffel-coat (m.), houtje-touwtje-jas, duffelse jas (naar het plaatsje Duffel bij Antwerpen).

duiding (v.), uitleg.

duimspijker (m.), punaise.

duitenkliever (m.), vrek, gierigaard.

dwarsen, oversteken (van een straat).

 

echappement (o.), [<Fr.], uitlaat (van een auto).

editoriaal (o.), hoofdartikel (in een krant).

eenzaat (m.), 1. solist, individualist, eenling; 2. kluizenaar, wereldvreemd persoon.

effenaan, regelmatig, geleidelijk.

effenaf, helemaal; effenaf mijn goesting, helemaal naar mijn zin.

effenop, zonder uitzondering.

effort (m.), [<Fr.], extra moeite, (krachts)inspanning, in de spreektaal vaak efforke

eindejaar (o.), periode rond kerst en oud-en-nieuw.

eindereeks (v.), [<Fr.: fin de série], winkelrestanten die tegen een lagere prijs worden verkocht.

eindschot, (sportterm), eindsprint.

elektriek, elektriciteit.

elektrieker (m.), elektriciën.

emballeren, inpakken.

eng, smal, nauw, strak.

entrepreneur (m.), aannemer (in de bouw).

ernstig, serieus.

etalagist (m.), [<Fr.], etalleur.

expliqueren, uitleggen.

expo (v.), tentoonstelling.

expresso, espresso (koffie op z'n Italiaans).

ezelsstamp (m.), ontslag, de ezelsstamp krijgen, ontslagen worden.

fabrie (m.), [<Fr.: favoris], bakkebaard.

fabrikeren, [<Fr. fabriquer], (iets) in elkaar zetten, vervaardigen.

facteur (m.), postbode, iemand die brieven bestelt, rondbrengt; syn. briefdrager, postman.

faling (v.), faillissement [<Fr.: faillir, failliet gaan], staat van onvermogen om aan zijn of haar geldelijke verplichtingen te voldoen, waarna bij rechterlijk vonnis beslag gelegd wordt op de bezittingen ten gunste van de schuldeisers; in faling verklaren, failliet verklaren.

feitenmateriaal (o.), bewijslast.

fermette (v.), [<Fr.], boerderij (als woning voor mensen die geen boer zijn); ook: een huis in boerderijstijl.

fezelen, fluisteren.

fier, trots: fier gaan op iemand, trots op iemand zijn.

fijn, slim, sluw, listig; hij is een fijne, hij is een sluwe vos, een slimmerik.

fijnkost (v.), [<Duits], delicatessen; ook: fijnigheden.

flikflakken, plagend duwen; (bij geliefden) stoeien; (bij kinderen) ravotten.

filet d'Anvers (m.), rookvlees.

filet pur (m.), biefstuk van de haas.

fleps, flauw (van smaak, reuk of kleur).

flerecijn (o.), jicht.

flik (m.), politieagent.

fondant (m.), [<Fr.], pure chocolade.

fonoplaat (v.), grammofoonplaat.

foor (m. en v.), kermis, jaarlijks plaatselijk volksfeest en jaarmarkt met attracties zoals bijv. draaimolens, schiettenten en spookhuizen; oorspronkelijk ter gelegenheid van het feest der kerkwijding (kerk + mis), bijv. Sinksenfoor in Antwerpen (grote kermis omstreeks Pinksteren).

frak (m.), [<Fr.: frac], jas.

frank (m.), Belgische munteenheid; zijn frank valt (niet), hij heeft het (niet) begrepen.

freezer (m.), [<Eng.], diepvriezer.

frein (m.), [<Fr.], rem (van een fiets, auto etc.).

freinen, remmen.

fricassee (v.), [<Fr.], vleesragout.

frigo (m.), [<Fr.], koelkast.