Het Klein Woordenboek der Vlaamse Taal

Hebt u er geen goesting meer in en...

- wilt u terug naar de inkom ---------------------------------------------------> klik dan op home.html

- wilt u terug naar de toegangspoort van Computoon's Taaltuin -----> klik dan op taaltuin.html

- wilt u terug naar de "Vlaamse" inhoudsopgavepagina----------------> klik dan op vlataal.html

Computoon had in het bijwerken van deze pagina geen goesting meer na 06-07-2000


Van kalot tot nijveraar

kalot (v.), pruik, vals haarstuk.

kampernoelie (v.), champignon, eetbare paddestoel.

kapelleke (v.), kroeg, herberg; kapellekes doen, kroeglopen

kapoen (m. en v.), liefkozende naam voor kinderen.

kapper (v.), glas op voet waarin een kwart liter drank gaat.

karot (v.), [<Fr.: carotte], wortel, peen.

karottentrekker (m.), lijntrekker.

kassei (m. en v.), kei, keisteen, kinderhoofdje.

kassement (o.), kozijn, (houten) raamwerk waarin een raam of een deur wordt gehangen.

kassierster (v.), caissière.

kastrol (v.), [<Fr.: casserole], braadpan, stoofpan

kazakdraaier (m.), verrader, overloper, draaikont.

keikop (m.), koppig persoon, stijfkop.

kerkfabriek (v.), kerkbetuur, college belast met het beheer van het kerkelijk vermogen.

keskeschiet, waardeloos; een organisatie van keskeschiet, een onderneming van lik m'n vestje

kiekenvlees (o.), 1. kippenvlees, 2. kippenvel, verschijnsel waarbij door kou en schrik kleine bobbeltjes op de huid komen.

kilometriek (m.), [<Fr.: kilométrique], kilometerteller, snelheidsmeter (in auto).

kinderkoets (v.), kinderwagen.

kinderkopke (o.), kassei.

kinderkribbe (v.), crèche, kinderdagverblijf.

(kinder)park (o.), [<Fr.: parc à bébé], (baby)box, speelhek voor kinderen.

kinema (m.), bioscoop.

kinesistherapeut (m.), [<Fr.], fysiotherapeut, masseur, ook: kinesist.

kipkap (m.), gehakt (vlees).

klak (v.), [<Fr.: claque], pet, hoofddeksel bij mannen; er met de klak naar slaan, er met de pet naar gooien.

klandizie (v.), [<Fr.: chalandise], klanten; bijv.: die kroeg heeft veel klandizie.

klapekster (v.), kletskous.

klappen, praten, kletsen, babbelen; een klapke maken, een praatje maken.

kleed (o.), japon, jurk.

klets (v.), klap, kinderen kletsen geven, kinderen slaan.

kliënteel (v. en o.), [<Fr.: clientèle], klanten.

kliniek (v.), [<Fr.: clinique], ziekenhuis.

klissen, gevangen nemen, aanhouden, arresteren.

knoesel (m.), enkel, gewricht tussen voet en onderbeen.

koekenbak (m.), pannenkoek, het is weer koekenbak, er is weer ruzie.

koeltoog, koelvitrine.

koer (v.), [<Fr.], 1. binnenplaats; 2. speelplaats bij school, schoolplein; 3. plaats waar de toiletten zijn in een openbare gelegenheid.

koerier (m.), [<Fr.: courrier], post, correspondentie.

koers (v.), [<Fr.: course], wielerwedstrijd.

koffieklatsch (v.), koffiepraatje, gezellige babbel omstreeks koffietijd.

kogelpen (v.), balpen, soort vulpen met een beweegbaar kogeltje in het uiteinde.

koleirig, heetgebakerd, licht ontvlambaar.

komaf (m.), einde, komaf maken, ergens een einde aan maken.

kookpot (m.), pan.

kookvuur (o.), elektrisch of gasfornuis.

koppel (o.), stel; een schoon koppel, een leuk stel.

koppijn, hoofdpijn.

kot (o.), huis, deel van een huis, studentenkamer: op kot gaan, op kamers gaan.

koteren, poken, koterhaak (m.), pook.

koterij (v.), verzameling van (meestal) lelijke bijgebouwtjes aan een huis.

kousenbroek (v.), maillot.

kozijn (m.), [<Fr.: cousin], neef, zoon van iemands oom of tante.

kraakamandel (v.), gedroogde kapucijner.

kramiek (m.), krentenbrood.

kretsen, krassen.

krocht (v.), kroeg, café.

kromming (v.), (flauwe) bocht.

kruidnoot (v.), nootmuskaat (als specerij).

kuisen, poetsen, reinigen, schoonmaken.

kuisvrouw (v.), schoonmaakster, werkster, syn.: kuisster.

kwak (m.), glaasje jenever, een borrel.

kwartier (o.), gemeubileerde kamer.

kwetsuur (v.), blessure, lichamelijk letsel.

kwijtspelen, verliezen, kwijtraken.

labeuren, ploeteren, zwoegen, zwaar werk verrichten.

labo (o.), laboratorium.

lafaard (m.), alcoholvrij biertje.

lait russe (m.), [<Fr.], koffie verkeerd.

lampetten, zuipen, veel drinken.

lavabo (m.), [<Fr.], vaste wastafel, ook: fonteintje op toilet.

leefkamer (v.), [<Eng.: living room], woonkamer, huiskamer.

leeggoed (o.), lege flessen, ook: statiegeld.

leurhandel (m.), colportage, verkoop van artikelen langs huizen.

levensduurte (v.), [<Fr.: coût de la vie], kosten van levensonderhoud.

lidgeld (o.), contributie, bijdrage die men betaalt aan een vereniging om lid te kunnen zijn.

lijfje (o.), onderhemd.

lintmeter (m.), meetlint van naaisters en kleermakers.

loezenzak (v.), bh, bustehouder.

look (m. en o.), knoflook (als kruiderij).

lookworst (v.), salami.

losvijzen (<Fr.: dévisser], (iets) losdraaien, opendraaien, losschroeven.

loteren, 1. loszitten; 2. loswrikken; zijn tand loterde, zijn tand zat los.

luik (o.), gedeelte (van een overeenkomst), onderdeel, strook (van een formulier).

luster (m.), [<Fr.: lustre], kroonluchter.

lutten, drinken, zuipen.

maaltand (m.), kies.

madame (v.), [<Fr.], mevrouw, aanspreekvorm voor een getrouwde vrouw; vaak: madammeke.

magazijn (o.), [<Fr.], grootwinkelbedrijf, warenhuis.

malchance (v.), [<Fr.], tegenslag, pech.

mali (o.), [<Italiaans], nadelig saldo, tekort.

marbol (m.), knikker.

mastentop (m.), dennenappel.

matant (v.), tante.

matrak (m.), [<Fr.: matraque), wapenstok, gummiknuppel.

mazout (m.), [<Fr.], stookolie; ook: mazoet.

mazoutstoof, oliekachel.

meelsuiker (m.), poedersuiker.

meet (v.), finish, eindstreep, aankomst.

menonkel (m.), oom.

metsen, metselen.

metser (m.), metselaar, iemand die in de bouw werkt.

meubelen, inrichten van een huis, meubileren.

mieke (v.), prostituee; naar de mieken gaan, naar de hoeren gaan.

mikro (m.), microfoon.

minuterie (v.), [<Fr.], 1. kookwekker; 2. tijdschakelaar voor verlichting in een gang.

mise-en-plis (v.), [<Fr.], watergolf (kapsel).

misklappen, zich verkletsen, zich vergissen bij het spreken.

mismeesteren, medisch verkeerd behandelen.

mistevreden, ontevreden.

misval (o.), miskraam.

moederhuis (o.), kraamafdeling (van een ziekenhuis).

mokke (v.), meisje, griet, meid; bijv. een lief mokke.

mondmuziekje (o.), mondharmonica.

motseklet (v.), [<Fr.: motocyclette], motorfiets.

mottig, 1. onwel: ik voel me mottig, ik voel mij niet lekker; 2. lelijk: een mottige teef, een vreselijk lelijke vrouw.

mouwomslag (m.), manchet.

mutualiteit (v.), verzekering voor geneeskundige hulp.

naamtekenen, signeren, ondertekenen, een handtekening zetten.

nadienst (m.), service, ook: naverkoopdienst.

naft (m.), benzine, brandstof (voor een auto).

naftbak (m.), benzinetank.

naftstatie (v.), benzinestation, tankstation.

nagel (m.), spijker.

navetteur (m.), forens, iemand die dagelijks heen en weer reist tussen zijn woonplaats en de plaats waar hij werkt.

negotie (v.), zaak, winkel.

nestel (m.), schoenveter, rijgsnoer; zwarte nestel, dropveter.

netzak (m.), boodschappentas.

neusdoek (m.), zakdoek.

nevenjob (m.), bijbaan.

nieuwjaarsavond (m.), oudejaarsavond.

nieverans, nergens.

nijveraar (m.), ondernemer, fabrikant