Hebt
u er geen goesting meer in en...
- wilt u terug naar de inkom ---------------------------------------------------> klik dan op home.html
- wilt u terug naar de toegangspoort van Computoon's Taaltuin -----> klik dan op taaltuin.html
- wilt u terug naar de "Vlaamse" inhoudsopgavepagina----------------> klik dan op vlataal.html
Computoon had in het bijwerken van deze pagina geen goesting meer na 10-07-2000

Van nijverheidsgrond tot regenscherm

nijverheidsgrond (m.), industrieterrein.
noemen, heten; hij noemt Jan, hij heet Jan.
nondedju, [<Fr. nondedieu], verdomme.
nonkel (m.), oom.
notaboekje (o.), notitieboekje; nota's maken, notities maken.

okkasiewagen (v.), tweedehands auto, occasion, koopje.
omendom, rondom, overal (in het rond).
omhaling (v.), collecte, geldinzameling.
omklinken (zijn voet) verzwikken, verstuiken.
omleggen, 1. (een tuin) omspitten; 2. (het verkeer) omleiden.
omzeggens, bijna, zo goed als, vrijwel; bijv. omzeggens iedereen was op mijn feest.
omzendbrief (m.), circulaire, rondschrijven.
onderaards (o.), souterrain.
onderagent (m.), tussenpersoon.
onderduims, stiekem, geniepig, heimelijk, achterbaks; syn.: achterduims.
onderstand (m.), bijstand.
ondertas (v.), schoteltje (onderdeel van kop-en-schotel).
onkans (v.), pech, tegenvaller, tegenslag.
oorkussen (o.), hoofdkussen.
oormeester (m.), oorarts.
opdienster (v.), serveerster, meisje of vrouw die in een restaurant de klanten bedient.
opkleven, opplakken, met lijm bevestigen.
opkramen, ervandoor gaan, weggaan, opstappen, vertrekken; syn.: aangaan, afbollen, aftrappen, het gat uitgaan.
opladen, iemand in een voertuig laten plaatsnemen, ophalen, meenmen, een lift geven.
opleggen, inmaken (van groenten).
opneemvod (v.), dweil, doek om de vloer mee schoon te maken.
opplooien, opvouwen.
opsolferen, 1. iemand iets opdringen, aansmeren; 2. iemand iets wijsmaken.
orgelpunt (o.), hoogtepunt.
ouderling (m.), bejaarde.
oudmannekenshuis (o.), bejaardentehuis.
overkopen, overnemen.
overslapen, (zich) verslapen, langer slapen dan de bedoeling was.
oversnijden, doorsnijden.
overzetter (m.), veerpont, pont, boot die mensen van de ene naar de andere oever brengt.

paardenoog (o.), spiegelei, gebakken ei met heel gelaten dooier.
paasbloem (v.), (gele) narcis.
paddevergif (o.), uitdrukking voor koffie die bitter smaakt.
pakkeman (m.), boeman, politieagent.
palaberen [<Fr.], (langdurig) bespreken, overleggen, vergaderen, onderhandelen, kletsen.
palmares (m.), [<Fr.], (sportterm), lijst met behaalde overwinningen.
palmier (m.), [<Fr.], palmboom.
pan (v.), bak- of braadpan.
panaché (m.), [<Fr.], drank bestaande uit een mengsel van bier en limonade, in Nederland "Sneeuwwitje" genoemd.
panikeren, [<Fr.: paniquer], in paniek raken, paniekerig zijn of doen.
panne (v.), [<Fr.], autopech; de auto valt in panne, de auto doet het niet meer.
papierklem (v.), paperclip.
parketeur (m.), parketlegger.
parlementair (m.), parlementslid.
parlofoon (m.), deurtelefoon.
passe-partout (o.), [<Fr.], loper, sleutel die op alle sloten past.
pateeke (v.), gebakje.
patisserie (v.), [<Fr.], 1. gebakjes, taartjes, banketgebak; 2. banketbakkerij.
patroon (m.), werkgever, patronale bijdrage; werkgeversbijdrage.
peeke (v.), wortel; peekessoep, wortelsoep; een oud peeke, een oude man.
pelsefrak (v.), bontjas.
penaliseren, straffen.
pennezak (m.), etui om schoolspullen als pennen en potloden in op te bergen.
pens (v.), bloedworst.
perte totale (v.); [<Fr.], total loss (inzake auto's)
petank (petanque), [<Fr.], jeu de boules.
petat (m. en v.), 1. aardappel; 2. klap; iemand een petat geven, iemand een oorvijg geven.
petattenbloem (v.), aardappelmeel.
pietje, mannelijk geslachtsdeel; ik heb hem bij z'n pietje, ik heb hem erin geluisd; hij heeft mij bij m'n pietje, ik sta met m'n rug tegen de muur.
pietjesbak (m.), veelkantige dobbelbak met vilten bodem; bijv.: met de pietjesbaks spelen.
pijkenzot (m.), schoppenboer (in het kaartspel).
piket (o.), stakerspost; op piket staan, posten bij stakingen, op wacht staan.
pikuur (v.), [<Fr.], injectie, prik.
pil (v.), batterij.
pillicht (v.), zaklantaarn, zaklamp die werkt op pillen (batterijen).
piloot (m.), autocoureur, bestuurder van een racewagen.
pilootproject (m.), proefneming, experiment.
pint (v.), glas bier (pils); vaak: pintje.
pintelieren, een pintje pakken, bier drinken, syn: pinten.
pisseblom (v.), paardebloem.
pissijn (v.), [<Fr.: piscine], urinoir, waterplaats voor mannen.
piste (v.), [<Fr.], 1. rijbaan, weg; 2. spoor in een onderzoek.
pistier (m.), baan (wiel)renner.
pitteleer (m.), smoking.
plaatsingsbureau (o.), [<Fr.: bureau de placement], arbeidsbureau, overheidsinstelling die bemiddelt tussen werkgevers en werkzoekers.
pladijs (m.), [Lat.: platessa vulgaris], platte zeevis, schol.
plafonneur (m.), [<Fr.] stukadoor.
plakbrief (m.), affiche, aanplakbiljet, aangeplakte bekendmaking, vooral gebruikt voor het maken van reclame.
plakkot (o.), gezellig café, waar men bijna niet weg kan komen (blijft plakken).
plan, zijn plan trekken, er iets op vinden, een oplossing bedenken.
plastieken, gemaakt van plastic.
plastron (m.), stropdas.
plat, slap, flauw (van smaak); plat water, water zonder prik (bruis), Spa blauw, mineraalwater.
platbroek (m.), lafaard, angsthaas.
platendraaier (m.), platenspeler, pick-up.
plattekaas (m.), kwark; syn. wittekaas.
platvallen, een lekke band krijgen.
plaveier (m.), stratenmaker.
plezant, plezierig, leuk, vrolijk, aangenaam.
plooibaar, opvouwbaar.
plooien, opvouwen; de was plooien, de was opvouwen.
plooimeter (v.), maatlat, duimstok.
poefen, op de pof kopen.
poep (v.), [<Fr.: poupe], kont, achterwerk, achterste, billen; iemand op zijn poep geven, iemand een pak voor zijn billen geven.
poepeloerezat, zeer dronken.
poepen, geslachtsgemeenschap hebben.
pol(leke) (m. en v.), hand(je).
politieker (m.), politicus.
pompbak (m.), spoelbak, gootsteen, syn: pompsteen.
pompelmoes (v.), grapefruit, grootste soort van de citrusvruchten [<Lat.: citrus decumana, maxima].
pompen, zuipen, veel drinken.
pompier (m.), [<Fr.], brandweerman.
pompist (m.), [<Fr.], benzinepompbediende, benzinepomphouder.
pompsteen (m.), spoelbak, gootsteen; syn.: pompbak.
poos (v.), [<Fr.], pauze (bij een toneelstuk bijvoorbeeld).
por (v.), meisjesstudent.
porei (parei) (v.), prei (groente).
portrettentrekker (m.), fotograaf.
postkaart (v.), [<Eng.: post-card], briefkaart, ansichtkaart.
postman (m.), postbode; iemand die brieven bestelt, rondbrengt; syn.: briefdrager; facteur.
pottelap (v.), pannenlap.
poussette (m.), [<Fr.: pousser, duwen], kinderwagen.
praline (pralien) (v.), [<Fr.], bonbon.
pree (v.), [<Fr. prêt], 1. zakgeld; 2. salaris; hij trekt een vette pree, hij verdient goed.
prepensioen (o.), VUT, syn.: brugpensioen.
pries (prise) (v.), [<Fr.], stopcontact.
prijsbeest (o.), winnaar.
prijskamp (m.), proefwerk, wedstrijd.
prinske (m.), een lang smal glas gevuld met De Koninck-bier.
probatie (v.), [<Fr.: probation], (op) proef, proeftijd.
procureur des konings (m.), officier van justitie.
proeflezer (m.), corrector, iemand die drukproeven verbetert.
pronostiek (v.), [<Fr.: pronostic], voorspelling, prognose.
proper, netjes, schoon, goed verzorgd.
protonkaart (m. en v.) chipknip.
pruim, vrouwelijk geslachtsdeel, onder uw pruim, geen sprake van.
pull (m.), trui, afkorting van pullover.
punt aan de lijn [<Fr.: point à la ligne], punt uit, basta, zand erover.
puntspeler (m.), (sportterm), spits (van een voetbalelftal); in de punt spelen, in de spits spelen.

raadpleging (v.), spreekuur, tijdstip waarop men iemand spreken kan, met name een arts.
recupereren, op krachten komen, terugwinnen.
redplank (v.), redmiddel, reddingsboei.
refter (m.), [<Fr. reflectorium], eetzaal, kantine van een bedrijf.
regenscherm (o.), paraplu.