|
Rob
De Legende van het Solse Gat Ergens in de Veluwse bossen ligt het Solse Gat, een grote kuil tussen de heuvels. Ooit heeft daar een groot klooster gestaan, omgeven door grachten. Dit was echter geen goed klooster, want de monniken leefden in overdaad en rijkdom en waren aan de Duivel overgegeven. De monniken hielden van feestvieren; dan werd er wijn gedronken, gedanst en gezongen, gevloekt en getierd, tot de zon weer opkwam. De hele nacht door waren de vensters verlicht, totdat in een stormachtige Kerstnacht het hele klooster verzonken is. De aarde had zich over zoveel boosheid geopend en weer gesloten. Nu nog hoort men om middernacht bij stil weer de schorre gebarsten klokken luiden. En soms, in de donkere nacht, wandelen de geesten van de monniken daar rond het Solse Gat. Klagend in een lange sombere rij. Uit het water stijgt dan een blauwe wasem op, omdat ze zweven boven dit water. Dat moeten ze elke nacht doen, tot het weer licht wordt. Zodra de zon begint te schijnen, lijkt het alsof er niets gebeurd is. Alles in dit mooie Veluwse landschap is dan zo rustig, dat men er bijna aan zou gaan twijfelen, dat even tevoren de schimmen verdwenen zijn in het water midden in de kuil van het Solse Gat. |