Het gebruik van uithangtekens en gevelstenen dateert van ver voor onze jaartelling:
de Romeinen kenden ze al.
Het bekendste Romeinse uithangteken is de krans wijnrankbladeren
waaraan wijnhuizen en taveernes te herkennen waren.
Zulke kransen komen we vele eeuwen later ook in ons land tegen.
Het spreekwoord: goede wijn behoeft geen krans is daaraan ontleend.

 

Bij de opgravingen in Pompeji kwamen verschillende reliëfs in terracotta
tevoorschijn die als gevelsteen dienst hebben gedaan:
een steen waarop een geit staat afgebeeld moet de gevel van een melkhandel hebben gesierd,
terwijl een ander reliëf met Bacchus die een tros druiven uitperst duidelijk maakte
waar een wijnhandelaar zijn domein had.
Jacob van Lennep en Jan ter Gouw gaven in 1868 hun standaardwerk "De Uithangteekens"
in verband met geschiedenis en volksleven uit.
Wat zij schreven geldt ook nu nog, zoals uit het volgende citaat mag blijken.
 

  










  
"Een stad vertoont en vertelt, ook in haar uithangteekens,
geschilderde borden en gehouwen stenen,
figuren aan luifels en ijzeren stangen,
opschriften en rijmen, haar geschiedenis.
Gij leest daarop, wat er al is omgegaan,
waardoor zijn bloeit en gebloeit heeft,
wat er gewerkt en gekweekt, zelfs wat er gedacht wordt.
Op die uithangteekens kunt ge, al wandelend langs de straten,
het maatschappelijk en huishoudelijk leven
der bewoners bespieden, hun bedrijf en hun welvaart,
ja zoo gij de gave der opmerking bezit,
leest ge er hun gedachten en gevoelens,
hun wenschen en begeerten, en kunt er hun ernst en ijdelheid,
hun hopen en vrezen, hun deugd en hun gebreken,
hun wijsheid en hun dwaasheid, hun gemoedelijke vroomheid
en hun ondeugende spotternijen gadeslaan."









Oorspronkelijk waren huizen, herbergen en werkplaatsen van hout.
Veel van die huizen waren voorzien van uithangborden,
die vertelden waar men een slokje kon drinken,
zijn paard kon laten beslaan,
een hoed kon laten maken of een brood kon kopen.

Uiteraard waren die houten huizen uiterst brandgevaarlijk
en dat is dan ook een van de redenen dat ze zo langzamerhand, vooral in de steden, vervangen werden door bakstenen panden.



 
      
      
Er was echter nog een reden: het verkeer.
In Amsterdam kregen de burgers in 1547 te horen
dat ze hun stoepen en luifels moesten inkorten, omdat deze het verkeer te veel belemmerden
en in 1669 werden in de hoofdstad houten gevels verboden.
Toen men meer en meer in steen ging bouwen was het gevolg dat de gevelstenen
geleidelijk de functie van de uithangborden overnamen.
De eerste, welgestelde eigenaren van gevelstenen kozen vaak voor een voorstelling,
waarop het familiewapen was afgebeeld.
De latere gevelstenen werden vaak een afspiegeling van de beroepen en namen van de middenstand:
de boekhandelaar koos b.v. een vergulde bijbel,
de kleermaker een schaar en de schoenmaker een laars.
Sint Jan, de patroon van de bontwerkers kon men aantreffen op de gevel van een bonthandel.
Bij herbergen hing vaak DE GEBRADEN HAAN uit of een zwaan,
terwijl ook DE BARMHARTIGE SAMARITAAN een gewild onderwerp was voor deze tak.
 












 






  

  
In de hoofdstedelijke Egelantiersstraat
in DE SCHRIJVENDE HAND woonde Theunis Wient,
een onderwijzer, die brieven schreef op bestelling.
Als de eigenaar verhuisde bleef de steen meestal zitten
en zat de volgende bewoner met een steen
die niet bij zijn bedrijf paste.
Zo is er een geval bekend van een Rotterdamse kleermaker,
die zich in een voormalig timmermanspand vestigde,
waarop een steen was afgebeeld met de heilige familie
op de vlucht naar Egypte.
Maria zit met het kind op een ezel, terwijl Jozef voor haar uitloopt
met een zaag op zijn schouder.
Hij was immers timmerman en als zodanig ook de schutspatroon
van het gilde der timmerlieden…
Gelukkig was de kleermaker inventief.
Hij voegde aan de afbeelding de volgende tekst toe:

"Jozef vluchtte met Maria op een ezel
Hier woont de meester-kleermaker Dirk van Wezel.”











Er zijn meer van deze creatieve oplossingen.
De vrouw die een drogisterij begon in een voormalige slagerij,
met en gevelsteen waarop een gildekalf was afgebeeld,
liet de volgende zin toevoegen:

‘’In het gildekalf, verkoop ik nu wondpleister en zalf.”


Wilde men zich onderscheiden van een collega
die een gevelsteen had met vrijwel dezelfde afbeelding
dan voegde men iets toe, een kroon b.v.
We spreken dan van een concurrerende gevelsteen.
Zo vinden we nu nog in het hele land gekroonde stenen
zoals DE GEKROONDE WATERHONT, ‘T GEKROOND KALF,
DE GEKROONDE LAARS en ga maar door.
Er zijn echter nog ander variaties mogelijk
op het begrip ‘’concurrerende gevelsteen’’.
Bij bakkers in dezelfde buurt kon je
b.v. DE GRAUWE OLIFANT, DE JONGE GRAUWE OLIFANT
en de WITTE VETTE OLIFANT tegenkomen.

Wie nog geen familienaam had en niet door zijn beroep of bijnaam werd aangeduid,
behielp zich met zijn uithangbord of gevelsteen.
Namen als Zwaan, De Bock, De Hond en Kool
vinden heel duidelijk hun oorsprong in de gevelsteen van hun woning.
Men kon ook zijn geboorteplaats of een stad waarmee men handeldreef laten uithouwen.
Wie nog geen familienaam had en niet door zijn beroep of bijnaam werd aangeduid,
behielp zich met zijn uithangbord of gevelsteen.
Mannen als Jan in de Bontemantel en Hendrik Paulsz in de Bosch ontleenden hun naam
aan de afbeelding op de gevelsteen van hun woning.
Maar ook de mensen die wel een familienaam hadden, werden vaak aangeduid met hun gevelstenen
b.v.: Hendrick van Marcken in de Romolen, Pieter van Neck in de Keyser.
Het kon ook andersom; bij een familienaam kon je een steen laten maken.
Zo zit in de buitenmuur van het Amsterdams Historisch Museum een steen
met als onderschrift DE RINCK IN ’ T DIEP
onder een afbeelding van een ring die boven een onstuimige zee uitsteekt.
De steen werd in de 17de eeuw gemaakt voor iemand die Dieprinck heette.

 
  

 

 

 


  
  

 

Zolang er geen huisnummers waren
was de belangrijkste functie van gevelstenen
natuurlijk die van adresaanduiding.
Men woonde in 'T RODE SCHAAP of in DE BLINDE EZEL,
naast de BRUINVISCH of tegenover de RODE HOED.
Toen bouwen in steen algemeen werd toegepast
waren de gevelstenen al uit de mode,
want in 1795 voerde Professor Jan Hendrik van Swinden,
in opdracht van Lodewijk Napoleon, de huisnummering in
en hoefde men dus niet langer meer te zoeken
naar de gevelsteen van de bewoners.
Oude transportakten van huizen vermelden de toevoeging:
waar de Keyser uithangt, daer de wildeman op de stock uitsteekt
of alwaer Sint Anne uithangt.








Wie omhoog kijkt langs de gevels van onze oude steden
en dorpen raakt niet uitgekeken.
De motievenrijkdom van de gevelstenen is onbegrensd:
bijbelse en mythologische voorstellingen,
evangelisten en heiligen, christelijke symbolen,
maar ook humoristische taferelen, Latijnse spreuken, postkoetsen
en schepen, historische figuren, plattegronden van steden,
familiewapens, stadsgezichten, vruchten, bomen, planten.
Teveel om op te noemen!
Je kunt zelfs hier en daar een rebus tegenkomen.
Het zou te ver voeren van alle onderwerpen
een voorbeeld te geven,
maar als u op zoek gaat komt u ze allemaal tegen.
 
Lange tijd nadien is de belangstelling voor gevelstenen slapende geweest,
maar die tijd is gelukkig voorbij.
Het is een verheugend verschijnsel dat er nog steeds gevelstenen gemaakt worden.
Zo hebben Hans ‘t Mannetje en zijn leerlingen: Jan Hilbers, Tobias Snoep, Wim Vermeer,
Sjuwke Brinkgreve -Kunst en ook de kunstenaars Arie Teeuwisse en Pieter Neuteboom
voor prachtige nieuwe stenen gezorgd.
Nieuwe stenen hebben echter alleen nog een decoratieve functie.
 
   Ook worden vele van deze prachtige
vaak eeuwenoude stukken antiek gerestaureerd
en afgebeeld op ansichtkaarten en miniatuursteentjes.
Als deze website ertoe mag bijdragen,
dat de kennis en belangstelling voor deze cultuurvorm
wijd verbreid en gestimuleerd wordt,
dan is de opzet geslaagd.

Herman Souer







 
      Terug naar Menu