DE INTERACTIEVE STRIPSITE
Deel 3

Zoek uw trefwoord en druk dan op "Enter"
Ga ook naar de mooie Kick Wilstra site...

De 50er JAREN: ZWARE TIJDEN EN DE GROTE BLOEIPERIODE

Vlak na de oorlog kenden het beeldverhaal eerst zwarte tijden maar toe dat eenmaal overwonnen was, begon het gouden tijdperk van het Nederlandse beeldverhaal, die tot ongeveer het eind van de vijftiger jaren zal duren.

De beeldromannen waren eind veertiger jaren erg in trek. Deze kleine boekjes (niet groter dan een pakje sigaretten) met meestal één plaatje ging meestal over criminaliteits- bestrijding. De voordelen van deze boekjes waren het handzame formaat en de prijs (25 of 30 cent). Veel kleine bedrijfjes gingen zich toeleggen op het vervaardigen van deze kleine boekjes. Voorbeelden van deze bedrijfjes de BELL STUDIO (de Lex Brand serie) in Lunteren en ATH in Rotterdam (Arnoldus Teeuwen Handelsdrukkerij). De boekjes waren niet te koop bij de gevestigde boekhandels, maar wel bij de lectuurverkooppunten als de krantenkiosk, de sigarenhandelaar en de stationsboekhandel. Deze, in broek- of jaszak mee te nemen, boekjes zorgden wel voor veel ophef.

Door het vaak zeer krachtdadig optreden van beeldroman helden Lex Brandt, De Kat, De Moker, Spot Morton en Bob Crack en de na-oorlogse voortzetting van de zeer populaire Dick Bos verhalen zorgde ervoor dat DE OVERHEID op 25 oktober 1948 via een advertentie in alle dagbladen een oproep deed aan de rijksscholen, gemeentebesturen en schoolbesturen de verspreiding van deze kleine boekjes tegen te gaan. Het zou de misdadigheid bevorderen, het zou leesluiheid veroorzaken en wie weet wat nog meer. Er verschenen artikelen in de pers waarin het mogelijke verband tussen strips en het misdadige gedrag van een steeds groter deel van de jeugd werd weergegeven. In die perioden werden bij de openbare bibliotheken ook geen strips meer uitgeleend. Kinderen kregen van hun ouders en van pedagogen het verbod om nog beeldverhalen te lezen. Behalve de kritiek op de beelroman was in deze periode ook een negatieve houding te ontdekken m.b.t. de jeugblaadjes. Het blad DONALD DUCK was veelal mikpunt van kritiek. De strip werd gezien als jeugdbedervende lectuur.

In Amerika leidde dit in 1948 tot het aannemen van een wet waarin het afbeelden van geweldscenes verboden werd. In Amerika werd onder aanvoering van DR. FREDRIC WERTHAM (zijn boek The Seduction of the Innocent) werd een ware hetze gevoerd tegen het beeldverhaal. Er vonden openbare boekverbrandingen plaats en uitgevers van beeldverhalen werden onderworpen aan langdurige hoorzittingen.

In Nederland ging het gelukkig er minder aan toe. Eén beeldverhaal werd in die tijd zelfs bijzonder populair, namelijk de dagelijkse krantenstrip. Iedere krant heeft wel één of twee krantenstrips. Er verschenen talrijke tekenaars op het toneel, die over het algemeen werk van goed niveau leverden. De krantenstrip zorgde ervoor dat de ingeslagen weg weer voortgezet werd en de beeldverhalen werd in het begin van de vijftiger steeds populairder. Een bekend verschijnsel in deze jaren was de uitgave van krantenstrips in de bekende oblong-boekjes. De boekjes werden uitgegeven door de kranten waarin ze verschenen. Enkele voorbeelden: Eric de Noorman (zie afbeelding) van HANS GEORGE KRESSE. Deze strip verhaalt over de omzwervingen van de jonge koning der Noren en zijn strijd tegen het kwade. Van Eric de Noorman gingen in de begin jaren vijftig gemiddeld zo'n 300.000 exemplaren per jaar over de toonbank. Maar ook de boeken over Kapitein Rob van PIETER KUHN (deze boekjes verhaalden hoe Kapitein Rob de strijd aanbond met Peer de Schuymer) waren zeer populair. En zeker niet te vergeten de beroemde wondermidvoor Kick Wilstra van HENK SPRENGER. De Tom Poes boekjes werden ook bijzonder goed verkocht. De grote populariteit van de hoofdpersonen en de lage prijs (12 cent) van de langwerpige boekjes zorgden voor enorme oplagen. De oblong-boekjes (langwerpige boekjes) bestonden vrijwel altijd uit strips met een tekst onder de afbeelding. Deze strips worden tekststrips genoemd. Deze wat ouderwetse vorm van strip maken werd in zwart-wit uitgevoerd en wordt gezien als een uiterlijk kenmerk van het klassieke Nederlandse beeldverhaal. De boeken over Kick Wilstra kenden wel tekstballonnen (binnen de omlijning van de tekening).

De tekenaars waren vrijwel allemaal van Nederlandse bodem en omdat de strips gemeenschappelijke kenmerken hadden (o.a. geen kleurgebruik en tekst onder de plaatjes) sprak men wel van de 'HOLLANDSE SCHOOL'. Deze stripstijl week af van het buitenland waar de balloonstrip voornamelijk de boventoon voerde. Een ander opvallend kenmerk van de Nederlandse strip in die tijd was dat de hoofdpersoon de traditionele familieverhoudingen in ere hield: ze waren vaak getrouwd en hadden kinderen. Voorbeelden van de krantenstrips zijn: Appie Kim, Jochem Jofel, Ketelbinkie, Eric de Noorman (één kind), Tekko Taks, Jimmy Brown, Kapitein Rob (twee kinderen), Kick Wilstra (twee kinderen ) en Smidje Verholen.

Door de grote belangstelling voor strips ontstonden er SYNDICATES, firma's die de strips direct van de tekenaar betrokkenen aan talloze kranten doorverkochten, zowel in binnen als in buitenland. In de 50er jaren werd door de heer DE ZWAAN, voorheen de zakelijke leider van de Toonderstudio's, een Nederlands stripsyndicaat opgericht. Dit syndicaat, genaamd het SWAN FEATURES SYNDICATE , behartigde de belangen van vele bekende tekenaars, zoals: KRESSE, WIJN, SPRENGER en VAN DER BORN (van de strip Professor Pi). De tekenaars die Marten Toonder trouw bleven, hielden zich voornamelijk bezig met de reeds bekende Toonderstrips. De SYNDICATES stelden vaak strenge regels aan hun personeel. De hoofdpersonen van de strips mochten bijvoorbeeld niet drinken en roken en politiek en sex waren verbonden. SEX beperkte zich in strips tot onderdrukte verlangens en steelse blikken naar de buurvrouw.

Uitgeverij VAN DITMAR bracht de zogenaamde LILLIPUT-BOEKJES op de markt. Dit waren stripboekjes met een klein formaat van 7,5 bij 17 cm en bestonden uit stripverhalen van Italiaanse, Duitse en Amerikaanse oorsprong. De hoofdpersonen van deze boekjes werden helden. Voorbeelden hiervan zijn AKIM, TARZAN, FULGOR en RAKA. Deze boekjes werden erg populair en er onstond een enorme ruilhandel van deze boekjes onder de jeugd.

Maar de algemene belangstelling voor de strip was in een dieptepunt beland. Dit kwam mede door de import van buitenlandse stripverhalen (met name de amerikaanse) en het ontbreken van een Nederlands striptijdschrift. Voor jonge tekenaars was de markt van het beeldverhaal niet meer aantrekkelijk en zij gingen hun heil zoeken in de reclame of de reclamefilm. Eigenlijk was er ook geen ruimte meer voor nieuwe series. Een serie kon pas rendabel zijn als deze in een groot aantal kranten tegelijk verscheen. Echter, mede door fusies van kranten, was dit niet meer mogelijk.

Aan het eind van de jaren vijftig nam de belangstelling voor het Nederlands beeldverhaal weer verder af. Vele series werden stopgezet. Aan de gouden tijd van de krantenstrip kwam een eind en de succesvolle krantenstrips werden niet meer gedrukt in de kleine langwerpige boekjes (oblong). Een uitzondering was de strip Rechter Tie van F. KLOEZEMAN EN R. VAN GULIK genoot nog wel enige populariteit. Deze strip speelde zich af in het oude China.

De krantenstrip is duidelijk zijn dieptepunt aan het eind van de jaren vijftig niet meer te boven gekomen.

DE ZESTIGER JAREN

In het begin van de jaren zestig (na een tentoonstelling in het Stedelijk Museum-1962-) ontdekte men, mede door het jeugdsentiment, dat tussen de striplectuur juweeltjes van teken- en vertelkunsten zaten. De oude oblong-boekjes werden weer populair. Ook de kunstvorm POP-ART (ROY LICHTENSTEIN EN RAUSCHENBERG) gaf een extra impuls aan het Nederlands beeldverhaal en dan met name aan de grafische mogelijkheden. De POP ART heeft vreemd genoeg als stijl geen invloed gehad op de tekenaars. Wel heeft ze bijgedragen aan de hernieuwde belangstelling en herwaardering voor het beeldverhaal.

En mede door het waanzinnige succes van Asterix en Obelix raakte het medium weer in. Het aanbod van stripalbums en stripweekbladen werd enorm. In 1962 werd door de Geïllustreerde Pers het stripblad PEP, EEN BLAD MET MICKEY EN KUIFJE' uitgegeven. Dit nieuwe blad had hetzelfde concept als de Belgische bladen Robbedoes en Kuifje en bestond uit Amerikaanse en Belgisch/Franse strips. Enkele jaren later bestond PEP voornamelijk uit Nederlandse strips van een nieuwe generatie goede Nederlandse striptekenaars, zoals MARTIN LODEWIJK met Agent 007, PETER DE SMET met De Generaal en DICK MATENA met De Argonautjes en Ridder Roodhart. De oplage van SJORS en van PEP bereikten in 1967 een hoogtepunt. In dat jaar verscheen ook het meisjesblad TINA. TINA ging voornamelijk over problemen van meisjes in hun tienerjaren, wanhopige liefdes, weeskinderen en lichamelijke handicaps die overwonnen worden. Aanvankelijk bestond TINA uit Engelse en Spaanse strips. Later kregen de Nederlandse striptekenaars ( BERT BUS, PIET WIJN EN THÉ TJONG KHING) een kans. Het weekblad TINA was zo'n succes dat naast TINA een soortgelijk blad op de markt verschijnt, namelijk de TINA-CLUB. De CLUB was een maandblad voor wat oudere meisjes tot ongeveer 17, 18 jaar en was een soort tussenstation tusse TINA en VIVA of MARGRIET.

Enkele kleine en niet zo bekende stripweekbladen zagen ook het licht, zoals AREND, OLIDIN en FIX en FOXI. In dit laatste blad verscheen de strip Paulus de Boskabouter, die al vanaf 1946 in het Vrije Volk werd gepubliceerd.

Op 1 november 1965 werd in Amsterdam de Stichting Jeugdsentiment 'DE JAREN VIJFTIG' opgericht. In de eerste tentoonstelling stond met name de strips uit de jaren vijftig centraal. De strip werd een verzamelobject. Het beeldverhaal veroverde duidelijk een plaats in het aanbod van de lektuur. Dit leidde in 1967 tot de oprichting van de vereniging: HET STRIPSCHAP, een Nederlands centrum voor belangstellenden in strips. In hetzelfde jaar verscheen van deze vereniging ook het tijdschrift (STRIPSCHRIFT). Dit tijdschrift bestaat nog steeds.

Het beeldverhaal kwam in de belangstelling van een groter publiek. De media besteedde veel aandacht het beeldverhaal. De herwaardering van het beeldverhaal raakte in een stroomversnelling: stripantiquariaten schieten uit de grond, ruilbeurzen en veilingen werden georganiseerd, het blad STRIPSCHRIFT kon zich verheugen in een groot en enthousiast abonnementenbestand. Om aan de vraag te voldoen werden veel buitenlandse strips geïmporteerd en veel uitgevers brachten herdrukken van populaire Nederlandse stripboeken als Tom Poes, Eric de Noorman, Kapitein Rob en Kick Wilstra. Het Algemeen Dagblad kwam met een heruitgave van Bruintje Beer.

In de schappen van de boekwinkels kreeg het stripverhaal een herkenbare en een duidelijke plaats. Het Nederlandse beeldverhaal kreeg nu zijn grote kans en vele tekenaars en tekstschrijvers verlieten weer het reclamewereldje om zich weer te wijden aan het scheppen van nieuwe stripverhalen. De stijl (tekst in blok onder de plaatjes, zwart-wit i.v.m. de krant) werd ook anders, namelijk verhalen met balloonstrips en in kleur vanwege de stripweekbladen. In Amsterdam opende het eerste Nederlandse stripantiquariaat 'LAMBIEK' zijn deuren.

Een bekende en veel producerende schrijver/tekenaar in de jaren zestig (en daarna) was DICK MATENA. Hij tekende in allerlei stijlen en schreef de meest onmogelijke verhalen. Van science-fiction (Virl, Sterrenschip, alias Ego) tot parodieën (Amen), van klassieke avonturen verhalen (Argonautjes, Ridder Roodhart, en Grote Pyr). Hij maakte zowel lieve strips voor Kinderen (Kruimeltje, Dik Trom, Pietje Bell) als hevige strips voor volwassenen (De Prediker en Mythen). Ook schreef hij eigenzinnige biografieën (De Laatste Dagen van Edgar Allan Poe, Satre en Hemingway, Gaugain en Van Gogh, Mozart en Casanova). In 1961 maakte hij zijn debuur bij de Toonderstudio en kan nu wel gezien worden als één van de boeiendste stripauteur van Nederland van de laatste 30 jaar.

DE ZEVENTIGER JAREN EN DAARNA

In de zeventiger jaren werden de strips steeds volwassener en men ging zich ook steeds meer richten op de oudere jeugd. Kenmerkend voor deze stijl zijn wel de detective- en de westernstrips. Ook deze strips onderging een totaal nieuwe stijl, namelijk een tekenstijl met ruwe en ietwat realistische trekken. Ook de inhoud kreeg een levensecht karakter. Vroeger schoot namelijk de held de pistolen uit de handen van zijn belagers en werd nooit iemand gedood. Lucky Luke was een formidabele schutter maar hij schoot nooit iemand neer. Hij schakelde zijn belagers uit door hun pistool kapot te schieten of ten hoogste hun vinger waarmee ze de trekker wilden overhalen. Asterix en Obelix worstelden wat af met de ROMEINEN en gooiden hen over grote afstanden weg, maar de Romeinen bleven altijd ongedeerd, hoogstens een wat verfomfaaid uiterlijk. Vanaf de jaren zeventig was er gewoon sprake van koelbloedige moordpartijen en slachtpartijen. Hoofdpersonen schoten hun pistolen geheel leeg op hun tegenstanders. Voorbeelden hiervan zijn Red Dust en de strip Comanche en Blueberry.

Een korte maar krachtige en vruchtbare underground-beweging in de beginjaren zeventig leverde knappe tekenaars op in de bladen HITWEEK,TANTE LENY PRESENTEERT(1970) van EVERT GERADTS, MODERN PAPIER(1970) van JOOST SWARTE. De UNDERGROUD STRIP kwam in de rest van Europa pas veel later tot ontwikkeling.

Het STRIPDOCUMENTATIECENTRUM NEDERLAND in de universiteitsbibliotheek van Amsterdam opent ook haar deuren. Dit centrum houdt zich bezig met het conserveren en rubriceren van strips.

In de jaren zeventig verschenen ook paperback herdrukken van de avonturen van KICK WILSTRA van Henk Sprenger, Kapitein Rob, Tom Poes, Dick Bos en Sjors van de Rebellenclub. De krantenstrip had het toen moeilijk in Nederland, maar het aantal stripalbums reikte naar ongekende hoogte. Er is sprake van een striprage.

In oktober 1975 ontstond uit een fusie -vanwege teruglopende oplages- van PEP en SJORS het stripweek blad EPPO. De vaste kernstriphelden bestond o.a. uit Roel Dijkstra van JAN STEENMAN en ANDRIES BRANDT , Franka van HENK KUIJPERS, F.C. Knudde van TOON en Sjors en Sjimmie van ROBERT VAN DE KROFT, PATTY KLEIN, WILBERT PLIJNAAR en JAN VAN DIE. Ook in dat jaar verscheen het weekblad de VRIJE BALLOEN (1975)

Eind jaren zeventig startte een periode waarin het beeldverhaal zich kenmerkte door een kritische kijk op de maatschappij met humor, drugs, geweld en sex. Veel jonge tekenaars maakte zich los van het eenzijdige en verstikkende studiowerk en langzaam en zeker ontwikkelde zij een geheel nieuwe en eigen stijl. Opmerkelijk is dat deze jonge garde afkomstig was uit de Toonder-studio's. De studio's waren een goede leerschool, echter hadden als nadeel dat veel goede tekenaars geheel anononiem bleven. De nieuwe stroming was mede ontstaan mede onder invloed van de Belgische strip. Bekende tekenaars uit deze periode waren EVERT GERARDS, AART CLERCKX, PETER PONTIAC EN THEO VAN DE BOORGAARD.

JOOST SWARTE speelde in die tijd een belangrijke rol, Hij werd gezien als één van de boegbeelden en stijlvernieuwers van het Nederlands beeldverhaal. Dit geldt ook voor PETER VAN STRAATEN met zijn levenscartoons en erotische tekeningen. Zijn beeldverhaal Vader en Zoon was erg populair.

In 1984 verscheen het blad TITANIC. Dit blad probeerde tegen de neergang van het beeldverhaal in te roeien met strips voor volwassenen. Helaas de Titanic als WORD VERVOLGD (1980) redde het niet. Ook de krantenstrips konden zich niet meer verheugen in een enorme populariteit. Behalve dan de Bommel/Tom Poes-strip en Appie Happie van DICK BRUYNESTEIN.

In de huidige Nederlandse strips komen de zogenaamde taboes zonder schuldgevoel open en bloot aan de orde. De tekenaars van de nieuwe generatie weigeren de maatschappij met zachte handen aan ta pakken. Ze zijn cynisch, houden van bizarre humor en schuwen de confrontatie niet. Voorbeelden hiervan zijn: Familie Doorzon van GERRIT DE JAGER, Jan, Jans en de kinderen van JAN KRUIS en Sjef van Oekel van THEO VAN DEN BOOGAARD. Maar ook de strips van ERIC SCHREURS met Joop Klepzeiker, HEID DE KORT met Eikels en TOON VAN DRIEL horen bij deze huidige trend.

De enige strips die tegenwoordig bestaansrecht hebben zijn harde en veelal ook erotisch getinte strips. De huidige striplezers willen spannende verhalen met drugs, erotiek en smerigheid. Het striptijdperk van b.v. Eric de Noorman en Tom Poes is allang voorbij. Strips met een verouderde sfeer vinden weinig aftrek in de toch al weinig winstgevende stripmarkt. De helft van de strips in de winkels bestaat uit Amerikaanse comics en wekelijks komen daar nieuwe bij. De productiestroom van onder meer Spiderman, X-men en Batman neemt gigantische vormen aan.

Strips uitgeven is nu namelijk een hachelijke ondermening geworden. Uitgevers beginnen niet meer zo snel met een hele reeks albums te produceren. Eerst wordt bekeken of er wel vraag naar is of het eerste album aanslaat of juist flopt. Vaak blijft het bij 'one-shots', een solo album.

Om succesvol te zijn of te blijven in de stripwereld moet de tekenaar meegaan met de tijd waarin de maatschappij en de humor veranderen.

Duidelijk is dat het beeldverhaal zijn diepte- en hoogtepunten heeft gekend en waarschijnlijk in populariteit ook altijd wel zal kennen, maar het beeldverhaal is nu algemeen aanvaard en heeft een duidelijke plaats verworven in de tekenwereld en in de literatuur.