18 november, 2006; Thulakharkka / Sarangkot
Dit is een beschrijving van de zeventiende dag van onze klimexpeditie in het Annapurna / Sanctuary gebied, zoals aangekondigd in onze samenvattende post op 20 november. De laatst beschreven dag komt steeds boven aan te staan. Als je het hele verhaal van begin tot eind wil lezen, moet je dus bij de post van 2 november beginnen.
Om half zeven staan we op, maar we zijn al even wakker van@het kattengejank dat ons vannacht ook een aantal keren mochten aanhoren. Buiten is men al druk in de weer om het tentenkamp van de Japanners af te breken. Vol verwachting kijken we naar buiten want het uitzicht op de hele Annapurna Range is hier als panorama te zien. Maar helaas, de dag breekt voor de eerste keer sinds we de Sanctuary lopen bewolkt en mistig aan. We pakken teleurgesteld de rugzakken in en Hans brengt ze langs het metalen trapje voorzichtig naar beneden. Het trapje dat ik vannacht een aantal keren van dichtbij beschenen heb met mijn hoofdlampje om zeker te weten dat ik mijn weg naar het toilet zonder schrammen en roetsj-taferelen kon volbrengen.
We gaan in de mist en kou aan de banktafel op het grasveld zitten, bij Som die al met glimoogjes naar de noeste arbeid van de Japanners zit te kijken. Het geluid van rommelende potten en pannen die zijn gebruikt voor het ontbijt worden door de dragers van de Japanners bij het buitenkraantje met koud water schoongeschrobt. Natte, koude tenten worden zonder pardon beetgepakt en met blote handen in tentzakken gestouwd. Metalen opvouwtafel en stoelen worden met sjorbanden bij elkaar gebonden tot draagbare pakketten. Terwijl wij onze omeletjes met toast eten, kijken we toe hoe het hele kamp in een ogenschijnlijke chaos toch heel georganiseerd in de draagmanden terecht komt. Iedere drager heeft zijn taak en volbrengt deze zingend en lachend met zijn collega’s. Voor Som een tafereel waarvan hij vaak deel heeft uitgemaakt en nu mag hij toekijken. Maar de glim in zijn ogen verraadt dat hij deze sfeer hem nog steeds verwarmt van binnen. Eén voor één verlaten de dragers het terrein en ook de gids met zijn Japanse cliënten vertrekken uiteindelijk in het midden van de hele sliert. Hij wenst me beterschap met de tenen en een goed einde van de trek. Nu komen we elkaar echt niet meer tegen, lacht hij me toe. Som legt ons uit dat de hele groep nu naar de ‘Highway’ loopt en daar een rechtstreekse bus naar Kathmandu heeft klaarstaan. Ook wij moeten vandaag deze grote weg oversteken, maar lopen aan de andere kant verder naar Sarangkot. Dit is een uitzichtspunt op een heuvel boven Pokhara (ook het leger zit er) van waaruit je ook de hele Annapurna Range kunt zien liggen. Hopelijk hebben we dan wel weer een helder begin van de dag om de teleurstelling van vanochtend te compenseren.
Voor het eerst sinds Sinuwa wordt het weer een lange wandeldag dus ik hoop dat het goed gaat met mijn rechtervoet. Hij is weer netjes verpakt in een vers, helderwit gaasje. Met de Teva’s aan en de bamboestok in de rechterhand, neem ik afscheid van het jonge gezin. We zijn memorabel want nog nooit dronken toeristen hier zo zoveel raksi. Dat geloof ik graag wat echt heel lekker is dit spul nu ook weer niet. Maar allee, je wordt er heel vrolijk van en het kost je geen kater. We zullen ons de kaartmiddag in de zon ook zeker nog lang herinneren.
We pakken het pad tussen de heuphoge muurtjes weer op en begeven ons tussen steeds meer lokale mensen naarmate we verder afdalen. De afdaling is niet zo lekker voor me: sommige stukken zijn erg steil en sommige stukken erg drassig van de waterstroompjes. We zijn Tashi snel uit het oog verloren....zijn tempo ligt veel hoger. Maar ondanks mijn gevoelsmatige slakkegangetje, horen we op het pad onder ons hoog en zenuwachtig gelach dat we herkennen van de Japanners. Ze zijn langzamer en lachen omdat ze aan de kant moeten voor een kudde buffels. Som vindt het wel komisch dat ik ze met mijn blessure inhaal. Ook de gids van de Japanners kan er wel om lachen en zegt dat hij deze keer geen afscheid meer durft te nemen. Voor je het weet, duiken we weer op. We lopen verder en slingeren langs trappen naar beneden totdat we een heleboel stemmen horen. Bij een grasplateau met stenen rustbanken staan Tashi en de dragers van de Japanners te rusten en sigaretjes te delen met elkaar. Ze zijn verbaasd dat niet de Japanners, maar wij als eerste aankomen. Tja, de dames in het gezelschap van de rijzende zon gaan gewoon niet zo vlot. Wij laten de pauzeplaats rechts liggen en vervolgen het pad naar beneden. Op sommige plaatsen lijkt het alsof het pad drie meter diep de grond is ingesleten, omgeven door muren van aarde. Het woord ‘namaste’ klinkt steeds vaker uit mijn mond, het pad wordt steeds drukker met lokale mensen en het aantal huizen neemt toe. Ook horen we het geraas van de autoweg en het getoeter van de Tata-bussen die daarmee hun helfhaftige inhaalmanoevres aankondigen. De bewoonde wereld ligt aan onze voeten... en ik weet gewoon niet of dit me blij maakt of juist verdrietig. Beide gevoelens zijn aanwezig.
Om negen uur lopen we op het paadje tussen huizen door omhoog naar de weg en staan we voor een verzameling houten winkelkraampjes die naast de weg zijn neergeplant in de hoop iets te kunnen verkopen aan de mensen die in- en uit de bussen en taxi’s stappen. Som zet ons in één van de kraampjes neer en regelt een kopje thee voor ons. Hij en Tashi gaan hier proberen een taxi te regelen naar Naudanda, een plaatsje zo’n 5 kilometer verderop langs de weg. Daar kunnen we aan de andere kant van de weg een doorgaand pad cq. landweg richting Sarangkot oppakken. Taxi’s hebben het liefst lange ritten en bussen zitten stampvol. Het kost dus wel even tijd en net als Som de hoop opgeeft en voorstelt om te gaan lopen, stopt er een taxi achter hem die mensen laat uitstappen. De taxichauffeur reageert met Pavlov-reactie op ons toeristische uiterlijk en vraagt meteen of we gebruik willen maken van zijn diensten. Som draait om en regelt het snel af in het Nepalees. Mooi, denk ik. Maar hoe gaan we in godsnaam met vier passagiers, een vol bepakte draagmand en twee grote rugzakken in deze Suzuki passen? En terwijl ik nog zit te peinzen hoe we deze oregami-opdracht het beste kunnen uitvoeren, staan de mannen de match-box auto al vol te laden. Mandje bovenop, rugzakjes achterin en op schoot, mensjes erbij, bamboestokje schuin uit het raam en gassen maar! Langzaam schuift de Suzuki de weg op. Hij doet het! En nog leuker, hij haalt zelfs nog anderen in ook. Geweldig, ik houd meteen van deze vlotte taxichauffeur. Toeterend scheurt hij de Tata-bussen in de bocht voorbij, als een kind zo blij in in de botsauto’s op de kermis. Dit is beter dan een achtbaan en gordels zijn niet nodig, want iedereen zit klem.
Na een kwartiertje pret stappen we uit in Naundana. Het is een drukke, vuile plaats langs de weg. Er wordt ons meteen een lunch aangeboden, nou bedankt maar weer, maar niet om half 11 ’s ochtends. Altijd hetzelfde, eerst een praatje en vragen waar je vandaag komt. En dan genadeloos toeslaan met de verkoop. We wimpelen deze vriendelijke rat snel af en steken over naar de landweg die we de rest van de middag langs kleine dorpjes zullen volgen. Het is een breed zandpad, stoffig met puin en keien, met kuilen en af en toe kun je de riolering in het midden als een ruggegraat zien liggen. Er is lintbebouwing en in plaats van natuur kijken we hier eigenlijk steeds naar de verschillende huisjes langs de weg. De hitte is hier, op deze wegen en op deze hoogte veel beter voelbaar. De sfeer is anders. Sinds de oversteek, worden we bijna doorlopend aangesproken en gevolgd door kleurrijke kinderen. Ik realiseer me dat het zaterdag is, de ‘zondag’ in Nepal, en ze zijn allemaal mooi aangekleed. Ze vragen lief om schoolpennen, geld en snoep. Maar er zitten snotneusjes tussen die soms echt heftig brutaal, zelfs bijna agressief zijn. Som zegt dat we het moeten laten gaan en helpt ons soms in het Nepalees de kinderen weg te sturen.
De weg is lang en eigenlijk verveelt ‘ie me al vrij snel. De bron van verveling is echter meer het lang lopen op een ‘vlakke’ ondergrond (wat mij en mijn rechtervoet niet zo goed bevalt) dan de nieuwe omgeving. Want ik vind het heerlijk om te kijken naar de huisjes met de bloementuintjes, plateautjes waar kinderen en dieren samen spelen, open stalletjes aan de zijkant waar de huisbuffel staat te grazen en de akkertjes die trapsgewijs achter de huizen de helling volgen. Regelmatig is er een klein ‘offermonument’ tussen de huizen te vinden waar de boedhistische goden door de lokale mensen worden aanbeden met bloemen in rood en oranje. Er steken geitjes over, rennen honden mee en stuiven kippen weg. Vrouwen vegen hun straatje schoon met een bundel graanstengels. Mannen zie ik nergens, die zullen wel op de akkers bezig zijn.
Som loopt al her en der te informeren waar we hier onderweg ergens kunnen lunchen. In het dorpje Deurali (daar heb je er weer een) schijnt een lodge annex restaurantje te zitten. Als we via de weg het dorpje inlopen, worden we vriendelijk begroet in het engels door een Nepalees die op een muurtje zit. Hij ziet er fris uit en ik vermoed dat hij op de bus zit te wachten. Iets verderop vinden we de eetgelegenheid, een gepensioneerde lodge links en een overdekt betonnen terrasje rechts. Overduidelijk vergane glorie. We worden ontvangen door vrouwen die elkaar in generaties opvolgen, de rest van het dorp lijkt verlaten. Als de middelste Nepalese dame komt vragen wat we willen eten, vragen we dus maar wat de pot schaft. We krijgen een soepje en rijst met groentecurry. De Nepalees die ons eerder hartelijk in Deurali ontving, is ook deze kant opgekomen en schuift aan op het terras terwijl we wachten op de lunch. Af en toe kijkt hij de straat op, dus ik denk nog steeds dat hij in de lokale Tata wil stappen. We kletsen verder over wat we van Nepal vinden, of we ooit nog terugkomen en uiteindelijk komt de aap uit de mouw. Of beter: de koopwaar uit zijn rugzak. We zijn er dus weer ingestonken! We zitten hartstikke vast op dit kleine terras en alles wordt in mijn handen gedrukt. Kettingen, armbanden, broches, een unieke theepot van olifantenhoorn. De zoveelste plastic prul. Hoeze uniek? Hoezo olifantenhoorn? Hij ratelt maar door en begint langzaam wanhopig over te komen. Voordat hij de rugzak opendeed had ik al aangegeven dat hij zich de moeite kon besparen en ik blijf stug volhouden niets nodig, dus ook niets te kopen. Het lukt me deze keer goed om mijn buitenkant niet te laten beinvloeden door mijn binnenkant. Want daar vliegen de gevoelens van medelijden en begrip als een op hol geslagen zwerm bijen door mijn maag, op zoek naar de kleinste opening om naar buiten te breken. Gelukkig, Hans grijpt in. Met een handgebaar wuift hij de kettingen van tafel en zegt met stevige stem dat we niets kopen, het is genoeg. Mijn man maakt indruk! OK, zegt de Nepalees en pakt gedwee zijn spulletjes weer in. De zwerm bijen ben ik kwijt, want mijn mond staat open van verbazing. Mannen luisteren hier dus alleen naar mannen, dat moeten we onthouden. En op dat moment komt goed getimed ook de lunch, dus ik kan me nu op mijn bord richten, rust! De koffie is van slootwaterkwaliteit, er drijven vetdruppels en rare dingen in alsof het zwarte, waterige soep is. Echt goor. En dat zeg ik niet snel van iets wat anderen me voorschotelen. Voor het eerst in mijn leven gooi ik mijn kopje leeg in de planten omdat ik het echt niet wegkrijg. En terwijl Som en Tashi binnen hun Dal Bat eten, genieten Hans en ik op het terrasje van het uitzicht over de vallei met akkers vol graan en rijst. Onder ons sjokken yaks op een terrasakkertje ritmisch een graancirkel plat. Ze worden aangemoedigd door een groep, in rode lappen geklede,vrouwen. En weer vraag ik me af waar al de mannen dan zijn? Misschien met graan of ander voedsel voor de verkoop naar de markt in Pokhara? Na anderhalf uur maken we ons op voor vertrek uit dit verlaten, Western-achtige dorp. En toch heb ik steeds het idee dat er vanuit de huizen ogen op me gericht zijn.
Als we net aan het lopen zijn, horen we achter ons een enorme groep mensen aankomen. Het zijn zo'n 20 Britse toeristen van middelbare leeftijd, met een behoorlijke pas erin. Misschien waren het hun ogen die ik in mijn rug voelde? Ze halen ons best snel in, maar 100 meter voor ons moeten vaart minderen omdat ze in een mensenketting van Nepalese kinderen komen. Ze staan van links naar rechts over de weg, met de benen gespreid en ze houden elkaars handen vast. Dit is weer zo'n trucje om aandacht van toeristen te krijgen en ze iets afhandig te maken. Wij zien het van een afstandje al gebeuren en zonder verder overleg loop ik achter Tashi (en zijn draagmand) naar de linkergeul van de weg en Hans achter Som naar de rechtergeul. We sneaken in alle drukte en aandacht voor de 20 Britten mooi achter onze Nepalese begeleiders langs de zijkanten van deze ketting. En zo passeren we de Britten weer, iets wat deze middag op de weg naar Sarangkot nog veel vaker zal gebeuren. Ik baal daar behoorlijk van ... ik, met mijn sportieve en ambitieuze karakter moet genadeloos plaatsmaken voor middelbaren die me na elke fotostop bij een lokale 'trekpleister' weer ontspannen inhalen. Hoezo, jezelf leren kennen? Waarom vind ik dit niet leuk? Waarom wil ik altijd in de voorhoede paraat zijn? Hmm, daar moet ik nog maar eens over nadenken. Als één van de Britten een gesprekje begint en mijn tempo volgt, kan ik het voor dit moment in ieder geval loslaten. Zijn dochter studeerde een jaar in Groningen en waarom 'for God's sake' op sandalen wandel, op zo'n stoffige en ruige weg? Hij keek nieuwsgierig schuin naar beneden, waar mijn verbandje zijn oorspronkelijke wit heeft verruild voor een mosterdbruine teint. Tja, nu moeten we het sprookje van Frosty maar weer introduceren. De Brit stelt veel vragen en wenst me uiteindelijk veel beterschap voordat hij door zijn medewandelaars aan de zijkant wordt gesommeerd voor uitleg van hun gids bij de lokale wasplaats van het dorp. En jawel, even later halen ze ons natuurlijk weer in. Zo moeten de Japanners zich dus steeds gevoeld hebben als wij er steeds overheen denderden... Deze keer wordt er meest gefluisterd en zacht gesproken in de Britse groep, het verhaal van mijn teen gonst door de groep. Kijk daar, dat is dat meisje... Boeiend, ik ga liever om positievere redenen over de tong en onbewust versnel ik mijn pas om letterlijk en figuurlijk afstand te nemen van deze situatie. Matig succes. Dus ik houd maar in en zie opgelucht de Britten van ons aflopen. Rust in mijn hoofd.
We nemen bij een splitsing het bovenste pad, nu iets minder breed en wat meer omhoog. We kunnen de uitkijktoren van Sarangkot al zien staan en de provisorische bordjes voor lodges verschijnen in de rechter bermkant. Ik zie dat de Britten een enorm betegeld tuinterras van een groot hotel aan de linkerkant oplopen. Daar houdt hun trek vandaag op. Wij gaan nog even verder en naderen de top van de heuvel. We passeren een groot grasveld met muziek: er zit een familie uit Kathmandu met een transistor-radio om het weekend te vieren. De heuvel bij Sarangkot schijnt een populair weekenduitje te zijn. En we komen daarna inderdaad steeds meer mooi geklede Nepalezen in alle leeftijden tegen, meestal in groepen. Boven op de heuvel kunnen we kiezen of we nu al de uitkijktoren opgaan of wachten tot morgenochtend vroeg en nu eerst een lodge gaan zoeken. Het is bewolkt en mijn blaas schreeuwt om een toilet. Dus ik roep meteen 'lodge!' en schrik van mijn eigen prompte reactie. Normaal houd ik me bij groepsbeslissingen altijd even op de vlakte om anderen de ruimte te geven en mezelf de tijd mijn eigen mening te vormen. Wow, ik kan impulsief zijn en iedereen sluit zich aan. Een kleine situatie, een grote persoonlijke ervaring.
We lopen eensgezind de stenen trap af naar beneden om onze slaap- en eetplek van vanavond te vinden. En eigenlijk hebben we allemaal een goed gevoel bij de eerste, kleine lodge die we tegenkomen aan de rechterkant. Een jonge vrouw beheert deze lodge, ze komt buiten adem de stenen trap omhoog lopen want ze zat verderop beneden te kletsen met andere dames uit het dorp. Ze is dolblij met gasten, want normaal gesproken gaat de toeristenmassa haar lodge alleen maar voorbij: op weg naar het uitzicht en weer terug naar de bus, taxi of auto die beneden staan te wachten. De lodge is met onze komst ook meteen volgeboekt, want ze beschikt maar over twee kamers met ieder twee bedden. Deze zitten aan de valleikant en komen uit op een klein terrastuintje, voordat de heuvel naar beneden valt en uitzicht geeft op Pokhara en het prachtige Phewa Lake. In dit tuintje spelen drie jonge dochtertjes vrolijk met elkaar op het gras. Speelgoed is er nauwelijks. Er blijkt ook nog een vierde dochtertje te zijn, een babietje nog maar die is hier niet. Haar man werkt op de markt in Pokhara en zij probeert met dit 'boeltje' ook wat inkomsten te genereren. We nemen wat te drinken en ploffen naar op de tuinstoelen. Grappend valt het woord raksi alweer, maar daarvoor moet eerst gekaart worden natuurlijk. Hans graait de kaarten uit het topvak van zijn rugzak. Deze 'hollandse' kaarten (er staan molens op de achterzijde) hebben hun waarde tijdens deze trek toch meer dan eens bewezen. Maar eerst moet de dorst gelest. We bieden de heren op deze laatste trekkingsdag een biertje aan en daar wordt gretig op gereageerd. Ik neem een Fanta en merk dat het een vermoeiende dag is geweest. Ik vraag een kommetje warm water om mijn voet van de mosterdbruine laag te verlossen en het verband te wisselen. Het topvel van mijn teen is, inclusief de opliggende nagel, nu helemaal los en echt als een vingerhoedje te gebruiken... Ik was mijn voet, verbind de teen opnieuw en ben opgelucht dat ik morgen in Pokhara een dokters' advies kan krijgen. Vanaf het terras vergapen we ons aan het nevelige uitzicht, de paragliders en roofvogels die daar veel mooier tussendoor vliegen. We worden ineens opgeschrikt door een brommig geluid. Het is afkomstig van klein, plastic motorvliegtuigje van Russische makelij. Toeristen in heel Pokhara worden warm gemaakt om zo'n ding te huren voor $ 200,- per uur en een vluchtje te maken. En er zijn er veel die zo gek zijn om in zo'n lawaaimaker te gaan zitten. De trance van het biertje en fanta zijn verstoord, tijd om te gaan kaarten. Tashi en Som zitten gelijk weer op het puntje van hun stoel. Sterker nog, Som informeert alvast of de dame raksi in huis heeft. Er volgt een gesprek in het Nepalees en instemmend geknik. Ze heeft het zelf niet, maar gaat het uiteraard regelen. Wij gaan kaarten en de drie dochters komen afwisselend eens meekijken om zich vervolgens weer te verliezen in het spelen met elkaar. Drie verschillende karakters maar alledrie echt schatjes! De stemming zit er bij de eerste kaart al meteen in. Tashi schrikt zelfs als hij Hans in zijn ongeremdheid uitmaakt voor Bin Laden vanwege zijn baard die bijna drie weken lang is. Som kiert het uit om het gezicht van zijn neefje en lacht zich bijna van de stoel. Wat kunnen Nepalezen ECHT lachen zeg. Net als gisteren gaat Tashi vrij slecht, hij staat alweer op een score drie flessen raksi te betalen. Ik ga vandaag echter onverwacht goed. Som heeft gewoon veel lol en smijt de koningen steeds weg onder een luid 'Bye bye, ceremony king!' Een verwijzing naar de huidige Nepalese koning die veel macht over Nepal had, maar onder druk van volksopstand, de uitslag van verkiezingen en internationale invloed uiteindelijk de ruimte heeft gegeven voor een nieuwe, democratische regering die nieuwe wetgeving zal maken voor de besturing van Nepal. Veel Nepalezen verafschuwen deze koning (die de hele koninklijke familie in 2003 (liet) vermoorden) en zien graag dat hij alle macht inlevert en een ceremonieel bestaan gaat leiden. En tijdens het lopen van deze trek wordt er gezegd dat in Kathmandu de onderhandelingen om een regering te vormen tussen 7 partijen, waaronder de Maoisten, succesvol zijn afgerond. Een goed moment om te proosten en met een perfecte timing komt de eigenaresse met een kom verwarmde (zo hoort het) raksi aanlopen die ze onder in het dorp van iemand heeft kunnen overkopen.
De drie dochters worden om 16:00 uur alvast weggestuurd met kommen en flessen om verderop in Sarangkot water te gaan halen voor het avondeten. En bij ons worden de kaarten nog steeds geschud. Om 17:00 uur schuift de menukaart tussen de kaarten op tafel en vinden we het wel mooi geweest met de boerenjacht. De menukaart is nauwelijks te lezen, het plakpastic golft er rimpelend overheen. De lodge en haar keuken zijn klein en er zijn al een hele tijd geen gasten meer geweest. Aangezien de eigenaresse er alleen voor staat en ook nog drie dochters van eten moet voorzien vanavond, stellen we voor om gewoon met de pot mee te eten en we schuiven de menukaart aan de kant. De eigenaresse heeft teveel trots om ons Dal Bat voor te schotelen en stelt voor om een groentesoepje en mixed fried noodles te maken. Dat vinden we prima. Zij verplaatst zich naar haar keuken en wij naar een houten tafel met stoelen die voor het lodgewinkeltje staan, want binnen zitten is er hierniet bij. Het is donker en de trap is rustig, alleen Sarangkotters komen af en toe voorbij. De tafel staat onder een rond, rieten dakje dat wordt gesteund door dikke bamboestokken zoals bij een paraplu. De lamp in de punt gaat aan en er daalt een huiselijk licht op ons neer. Het rieten dak rust op vier nog dikkere bamboepalen die in de grond zijn geslagen, een mooi prieeltje. Het is nu de gezelligste plek en we hopen hier wat warmte mee te pikken uit het kleine winkeltje en de keuken die daarachter ligt. Eigenlijk een prima plek om de laatste avond samen met Som en Tashi door te brengen. En de tweede fles raksi is inmiddels ook alweer open. We praten over het verschil in het beklimmen van bergen tussen Europa en de Himalaya. In het gesprek komt Som weer met tal van voorbeelden uit zijn klimverleden. Hij blijkt zelfs geklommen te hebben met Anatoli Boukreev op de Lhotse in 1997 vlak nadat Anatoli de Everest weer (zoals in 1996) had bedwongen. Nu pas, wordt me duidelijk hoe indrukwekkend de klimervaring van onze bescheiden Som is. Hij heeft ook de nodige klimmers op de berg achtergelaten. Hij vertelt het met een diepe, weemoedige blik in zijn ogen. Alsof hij achter zijn ogen de filmpjes van de verschrikkelijke situatie weer aan zich voorbij ziet gaan. Volgens hem zijn veel ongelukken in de Himalaya toe te schrijven aan verkeerde inschattingen van klimmers die vanuit de hele wereld de magie van het dak van de wereld opzoeken. Helaas tevaak, wordt de magie zwart omdat de onvoorspelbare omstandigheden in deze ruige, ijswitte wereld worden onderschat. De beste rotsklimmers die grote wanden in de hoogste moeilijkheidgraden triomferen, komen van een koude kermis thuis als blijkt dat de enige manier om hier rotspassages door te klimmen betekent dat er drie paar handschoenen nodig zijn om de vingers warm genoeg te houden. En dat oefen je 'thuis' niet. We hangen aan zijn lippen en eten ondertussen de soep en noodles op. Hans vraagt behoorlijk door en Som is vanavond erg vrij om te spreken over zijn ervaringen (raksi???). Hij is ook van mening dat we te weinig hebben gegeten en bestelt onder protest van ons toch eigenwijs nog wat Dal Bat voor ons erbij. En even later zitten we gezellig met z'n vieren van de Dal Bat en laatste raksi te genieten. Met Tashi krijg ik een gesprek over de veiligheid voor dragers. Het Annapurna-gebied heeft een aantal plaatsen die er om bekend staan dat er van toeristen gestolen wordt. Hij vertelt dat dragers altijd alert zijn. Het gebeurt dat ook dragers overvallen worden om ze met interessante spullen van toeristen op hun rug lopen. Ze lopen in rustige stukken door het bos nooit alleen of houden elkaar goed in de gaten. Struikrovers in het oerwoud komen vaker voor dan je zou denken. Nu pas, wordt me duidelijk waarom Som er af en toe op gebrand was om bij Tashi in de buurt te blijven of op hem te wachten. En, vertelt hij verder, in tentenkampen houden dragers om de beurt de wacht. Mijn mond valt open, ook bij ons? En hij knikt. Nu pas, wordt me duidelijk wat de kleine, bewegende lichtjes waren die ik 's nachts zag als ik weer eens naar het 'toilet' moest. Ai, dan ben ik wellicht een aantal keren compromitterend gespot.... Tashi heeft gelukkig nog geen erstige dingen meegemaakt, maar vond de keer dat er in Tengboche 17 paar bergschoenen werden gestolen die voor de lodge stonden te drogen, wel memorabel.
De eigenaresse van de lodge en haar drie dochtertjes hebben binnen op de grond inmiddels ook gegeten en nu achter ons, buiten, een gezellig houtvuurtje aangemaakt. De drie meisjes zitten van jong naar oud, ieder op een trede van de lange dorpstrap. Zo kan ieder zijn voetjes bij de vloer krijgen. Het ziet er aandoenlijk uit, maar deze drie kleintjes zijn erg zelfredzaam. Vanmiddag werd er water gehaald en nu houden ze om de beurt het vuur professioneel aan met een blaaspijp die ook dienst doet als pook, papiertjes en stukjes hout. Tashi en ik gaan er bij zitten, hij voor een sigaretje en ik om eindeloos in het vuur te kunnen staren. Dat vind ik heerlijk. De moeder komt er na de afwas ook bijzitten en vraagt me verlegen of dit mijn eerste bezoek is aan Nepal, wat voor werk ik doe, wat mijn leeftijd is, of ik getrouwd ben, kinderen heb. We constateren dat we allebei 33 zijn, maar zij heeft vier dochters en ik nog geen. Nog niet eerder voelde ik zo diep van binnen het verschil in welvaart en cultuur tussen Nederland en Nepal. Maar toch voel ik me ook erg met haar verbonden, de vlammen van het vuur lijken als armen om ons heen te slaan. Iedereen voelt zich thuis in de vredige, stille warmte daarna. Som en Hans zijn aan tafel ook uitgepraat en iedereen dut een beetje in. Hans is de eerste die de stilte verbreekt en vragend informeert bij mij of ik me van het vuur kan afscheuren. Het is zo heerlijk, blij kijk ik Hans aan en probeer langzaam op te staan. Dan roept Som dat we de avond moeten afsluiten met een laatste borrel op deze mooie expeditie. Dat vindt Hans wel een leuk idee en ik ook, want nu kan ik nog iets langer meegloeien met het vuur. De eigenaresse haalt wat kleine flesjes uit de vitrine en bespreekt met Som en Hans welke het zal worden. Ik bedenk me dat ik de drie meisjes een souvenirtje wil geven, we hebben in Delft sleutelhangertjes met klompjes gekocht. Ik ga ze uit de rugzak halen en als ik terugkom ben ik net op tijd. De meisjes staan met een tandenborsteltje in de hand en maken zich klaar voor bed. Ik ga naast het haardvuur op de knieen zitten en vraag of ze bij me willen komen. Ineens worden ze verlegen en achterdochtig, maar de moeder moedigt ze aan. En ze stralen als de klompjes in hun handje valt. De oudste wil het morgen in haar haar, de middelste hangt het aan de broek en de jongste weet het even niet. Ze lopen huppelend naar binnen en ik schuif bij Hans, Som en Tashi aan tafel. We slaan de laatste alcoholico van deze trek achterover en kort daarna gaan we slapen. Deze avond was een goede afronding van onze expeditie, ik hoop dat we het morgenochtend het kunnen 'aftoppen' met een helder uitzicht op de hele Annapurna-Range vanuit de uitkijktoren van Sarangkot.
Labels: Reisverslag mini-expeditie

0 Comments:
Een reactie plaatsen
<< Home