10 november, 2006; Tharpu & Singu Chuli Highcamp / Tharpu Chuli (5.695 mt)
Hier is tie dan! De beschrijving van de negende dag, de TOP-dag van onze klimexpeditie in het Annapurna / Sanctuary gebied, zoals aangekondigd in onze samenvattende post op 20 november. De laatst beschreven dag komt steeds boven aan te staan. Als je het hele verhaal van begin tot eind wil lezen, moet je dus bij de post van 2 november beginnen.
Als ik dit schrijf, heb ik een ernstig dubbel gevoel. Het is nu 11 november en ik blik terug op gisteren; blij met de top van de Tharpu, maar de slopende omstandigheden hebben bij mijn hun tol geëist. Ik zit nu in mijn slaapzak met 4 gevoelloze vingertoppen, een linkervoet met slapende tenen en blauwe nagels en als klapper een rechtervoet met frostbite-verschijnselen. De teen naast mijn grote teen is er het ergst aan toe, deze is aan de voorkant zwart/blauw en heeft blaren. Toen ik gisteren na een half uur in mijn slaapzak nog steeds gevoelloze voeten had, begon het tot me door te dringen dat er misschien iets mis was. De uren daarna warmden mijn voeten op maar begon ook de pijn. En nu zit ik hier. Vanochtend besloten om niet mee te gaan met Hans en Som, die nu Rakshi Peak (zo’n 5.300 mtr) beklimmen als afsluiting en voor uitzichtfoto’s. Ze zijn net weg en ik schrijf nu verder over gisteren.
Om 3:50 uur roept Nima ons zachtjes wakker en serveert ons thee en koffe. Onze slaapzakken houden we even om als warm coconnetje want het is behoorlijk koud. De rugzakken hebben we al kaar staan, dus we hoeven alleen de warme kleding en onze grote klimschoenen nog aan. Om 5:10 uur staan we buiten en krijgen we nog een warme noodlesoep als ontbijt en een lunchpakketje voor onderweg in de handen gedrukt. Het is te donker om te zien wat er in het zakje zit, maar dat wordt dan gewoon een verrassing voor onderweg! Met de hoofdlampjes op en de pickel in de aanslag vertrekken we, onder veel succeswensen van de achterbijvers. Het is half 5 en echt verrekte koud. In het Japanse kamp vertrekt ook een team, we zien hun lampjes een half uur later onder de rots/puinhelling vertrekken als wij er bovenop staan. Het is flink opletten en ik kan niet zeggen dat ik heel wakker ben. Maar ik heb er wel veel zin in. Klimmen vandaag! Langzaam lopen we de gletsjer op. Deze is in het begin mooi met haar seracs, maar het is nog veel te schemerig voor foto’s. En ik heb ook niet zo veel zin om mijn handen uit de hanschoenen te halen en op een klein metalen knopje te drukken. Som spoort het eerste stuk de gletsjer op en zoals hij gisteren al zei: ‘sobby snow’. Wij zouden het driftsneeuw of zwemsneeuw noemen. Een laagje sneeuwkorst en daaronder zachte, tempex-achtige sneeuw. Al snel neemt Kailash het over en stampt een steil stuk omhoog. Ik loop als laatste, maar zelfs dan zak ik nog regelmatig door de voettreden van mijn drie mannelijke voorgangers. Hans neemt het even later over van Kailash en spoort totdat we boven op een vlakker stuk van de gletsjer komen met goed uitzicht op de route. Her en der zitten dichtgesneeuwde spleten, dus we besluiten nu aan touw te gaan. Som pakt het touw van Kailash aan en verdeelt het op een heel andere wijze dan dat wij gewend zijn. Ieder krijgt 4 slagen extra touw om de schouders, dat wordt afgebonden met een bolino-achtige steek naar de gordel toe. Som maakt daarbij macrame-achtige bewegingen met het touw en een en ander neemt behoorlijk wat tijd in beslag. De tijd die we staan te wachten in de kniehoge sneeuw en vrieskou, want de zon is voorlopig nog lang niet over de bergtoppen heen. We besluiten beleefd onze klimervaring even in de kast te laten (te beleefd?) en hem zijn gang te laten gaan, hij voelt zich verantwoordelijk. Ondertussen besteden we warmkloppen van de handen, het wegstoppen van hoofdlampjes, het warmstampen van de voeten en de zonnebrillen worden alvast tevoorschijn gehaald. Eenmaal aangebonden, gaat Kailash voorop gevolgd door Hans, mijzelf en Som. Het sporen is echt kniehoog en ontzettend zwaar, Kailash blijkt inderdaad de sterke kerel zoals door Som aangekondigd. We kruisen voorzichtig drie gletsjerspleten en de sneeuw houdt het goed. De gletsjer is enorm groot en wordt ingesloten door de graatwand tussen de Tharpu en Singu Chuli. Deze wand en de Tharpu Chuli zelf zorgen er wel voor dat de zon ons niet bereikt en maakt een diepvries van de gletsjerkom waar wij in lopen. Bij elke pauze om bij te komen van het sporen, informeren Hans en ik bij elkaar hoe het er mee staat. Hans heeft het nog nooit zo koud gehad en had graag de dikke fleecebroek onder zijn goretexbroek aangehad, maar die ligt nog in de tent. Ik geef Hans gelijk met een knik en een hmm, mijn lippen zijn zo koud dat de woorden er niet overheen lijken te rollen. Sinds het wachten bij het aanbinden van het touw lijk ik niet meer op te warmen en ik ben het gevoel in mijn voeten kwijt. Ook de vingers om mijn pickel heen voelen ijskoud aan, zelfs met twee paar handschoenen. Halverwege de gletserkom begint mijn linkerhand eindelijk te tintelen en op te waren. Trainingseffect van het TNO-experiment?? Of komt mijn rechterhand later omdat ik daar mijn metalen pickel in vasthoudt? Wellicht een interessante onderzoeksvraag, maar voorlopig ben ik blij dat mijn handjes warm worden. Zo koud hebben we het op de Ama Dablam niet gehad zeg... Maar goed, we zitten inmiddels ook een maand later in het jaar. Achter ons in de gletsjerkom is ons spoor in de ochtendzon gekomen. De Japanners zijn dan wel langzaam, maar ze lopen wel mooi met de warmte mee. De graat van de Tharpu Chuli legt een scherpe schaduwgrens tussen hen en ons in op de sneeuw. Ik kijk maar weer vooruit, naar de imposante wand met ‘sneeuwvallen’ omlaag, die wij straks moeten beklimmen om op de graat naar de top te komen. Het is net een groot wit gordijn met allerlei plooien van boven naar beneden, wapperend in de wind. Sneeuwplooien komt als nieuw woord in mij op. Volgens de beschrijving het moeilijkste stuk van de route en zo ziet het er eerlijk gezegd ook wel uit. Als we de wand naderen probeer ik te ontdekken welke route, of sneeuwplooi, we het best kunnen nemen. Om dat te bepalen is het belangrijkste te bepalen op welke plek we de randspleet het beste kunnen overbruggen. Dan komen er een tweetal sneeuwplooien in aanmerking. Ik overleg met Som en hij wijst op één van de twee als zijn keuze. Daar is in het voorjaar ook geklommen en is mogelijk nog een oud vast touw te vinden onder de sneeuw. Dat kan behoorlijk wat tijd schelen, maar ook veiligheid inboeten (want wat is er met het touw in het afgelopen half jaar gebeurd?). De plek waar we naar de graat gaan klimmen is in ieder geval duidelijk. We stampen een stuk onder de randspleet een plateau in de sneeuw (dat een halve meter dieper eindelijk een stevige vloer oplevert) en binden ons uit. Som pakt twee pickels en gaat richting randspleet omhoog op zoek naar het oude, vaste touw. Daarmee wordt meteen duidelijk hoe slecht de sneeuwcondities op de wand zijn. Een halve meter sneeuw kan zo met worden weggeveegd voordat er een beetje een harde onderlaag verschijnt. Som veegt en balanceert richting de randspleet maar het touw wordt na een 10 minuten zoeken niet gevonden. Dus besluiten we een nieuw touw te gaan fixen. Er komt een rol van 200 meter static (blauw/wit, herkenbaar voor de Ama Dablammers) touw uit de rugzak van Kailash. Allemachtig, hij daar heeft hij dus ook mee lopen sporen. Hij is geen sterke, maar een ijzersterke kerel. En er zitten ook nog een zestal snowstakes bij... (wat komt er na ijzersterk?).
Som neemt meteen initiatief, want hij is nog steeds vastberaden het oude touw onderweg te vinden (ik hoop van niet). Kailash zekert Som over zijn lichaam en wij helpen om het static touw af te rollen. Som moet eerst de randspleet over, maar dat gaat best vlot omdat hij alle sneeuw al aan de kant had geduwd en goed te zien is waar de spleet loopt. Daarboven wordt het al snel tricky, want Som ‘zwemt’ echt door de sneeuw om houvast te vinden. Maar hij heeft een bepaald ritme dat het klimmen succesvol maakt. Halverwege de wand (zo’n 180 hoog, 70º) kijkt hij omlaag en roept in het Nepalees naar Kailash dat het allemaal niet ongevaarlijk is, hij kan nergens goede zekeringen leggen. Ondertussen is de bevriende gids van Som vooruit gesneld over de gletsjer en ook bij ons diepvriesplateautje gearriveerd. De Japanners (die zonder touw de gletseroversteek maken...!?) heeft hij achtergelaten met zijn ‘assistent’ want hij dacht hier beter tot zijn recht te kunnen komen. Hij stelt voor om achter Som aan te gaan en samen fixed points voor het touw te maken. Som roept naar beneden dat dat akkoord is.....dit ging uiteraard ook allemaal in het Nepalees dus wij krijgen daarna pas uitleg van Kailash in het engels. Ai, we hadden zo graag wat gedaan...want we staan hier nu sinds een uurtje of half 8 in de ijzige schaduw en wind te wachten. Maar mijn beleefdheid is nog steeds groter dan mijn klimego, mijn Nepalees nog steeds te slecht om het te verstaan. En de kou verstomt mijn actiegerichtheid, er heerst gelatenheid in mij. Hans spoort me aan mezelf warm te houden maar stampvoeten en handschoenen klappen, het helpt niet om mijn uiterste ledematen aan tintelen te laten beginnen. We proberen elkaar een beetje op te beuren met voorspellingen hoe snel de zon op dit plateautje komt. De streep op de gletsjer komt echter tergend langzaam onze kant op. Volhouden, de Engelsen hebben het veel mooiere woord ‘endurance’ voor het volbrengen van opgaves zoals deze. Ook Kailash staat inmiddels te smachten naar warmte en stampvoet met zijn paarse plastic schoenen op de sneeuw.
Som en de andere gids hebben inmiddels halverwege de wand een eerste fixed point uitgegraven in de sneeuw. Dat kostte behoorlijk wat tijd, maar hij zit. Achter elkaar klimmen (of zwemmen...) ze nog zo’n 60 meter verder en graven onder grote rotspunten de sneeuw weg op zoek naar een tweede vast punt in de rotsen. Het lijken wel bouwvakkers daarboven, en hun graafwerk veroorzaakt balletjes sneeuw de ritmisch naar beneden stuiteren over de sneeuw. Eentje rolt zelfs helemaal tot op de gletsjer uit ons zicht, een mooie stippellijn achterlatend. Wij zijn inmiddels dolgelukkig, want de zon heeft ons bereikt. Hans is meteen op zijn rugzak geploft, en heeft zijn grote D-schoenen uitgetrokken om zichzelf een verwarmende voetmassage te geven. Het lijkt mij alsnog te koud, dus ik stampvoet mezelf maar warm in de zon. Als het tweede punt zit, klimt de gids van de Japanners door naar de graat, gezekerd door Som en wij krijgen het teken dat we kunnen beginnen aan de klim. We stonden natuurlijk al gretig klaar, de stijgijzers al onder de schoenen gebonden. Met de jumar in de ene en de pickel in de andere hand gaan Hans en ik allebei naar boven. Ik durf niet 100% op het touw te vertrouwen omdat ik de vaste punten zelf niet heb gezien en het veel tijd kostte om ze aan te leggen, of misschien is dat juist een goed teken? Hoe dan ook, ik vertrouw voorlopig vooral op mijn eigen klimbenen en pickeltje. Het is loodzwaar, niet alleen de hoogte speelt me parten, maar ook de kou en het steeds wegbreken van de zachte sneeuw vreet mijn energie met grote happen op. Touw gebruiken, touw niet gebruiken? Het rolt steeds door mijn hoofd. Het eerste fixed point zit diep weggestopt onder de sneeuw, en het touw loopt er stevig. Dus als ik in de route op en stuk onmogelijke sneeuw de Lunapark-trap uit mijn kindertijd weer herbeleef, gebruik ik toch maar het touw. Het gaat natuurlijk goed. We komen allebei aan bij het tweede fixpoint onder de twee grote rotspunten als Som ons vanaf de graat toeroept dat we nog even moeten wachten. Het fixed point op de graat zit nog niet. Ok, heel even wachten dan want ik begon het net weer lekker warm te krijgen. Als ik naar beneden kijk, beginnen nu ook de Japanners, twee dames van middelbare leeftijd en de jongere ‘assistent’, ook aan de klim. Ze worden bijgestaan door onze Kailash. Als tegenprestatie voor de hulp die de Nepalese gids van de Japanners aan Som gaf. En de conclusie is wederom: wij staan te wachten (nu eindelijk wel in de zon) en de Japanners kunnen gestaag door in ‘ons spoor’. Dan komt het rode petje van Som boven de rand uitsteken met een duim omhoog, we mogen weer! Als wij de laatste 30 meter naar boven stampen, gaat de gids van de Japanners weer naar beneden om zijn eigen klanten te helpen. We hebben al gezien dat het beneden niet echt vlot gaat. Som is trots op ons tempo als we boven komen en wij zijn trots op zijn krachtige vlinderslag naar boven. Op de brede sneeuwgraat hebben we een wonderlijk uitzicht op alle eerder genoemde grote bergtoppen van de Sanctuary. Het is nu bijna half 10 en de eerste woken bouwen helaas al op. Aangezien we wachten op Kailash, die door de gids van de Japanners wordt afgelost, hebben we tijd voor mooie uitzichtfoto’s (nu kan het nog), een slok warme thee en wat te eten. We kijken wat er in ons lunchzakje zit, een waar feest: een gekookt ei (als ik dat had geweten, had ik de inhoud van mijn rugzak niet zo aangeduwd, nu is het een plat ei), 2 tibetaanse broodjes, een halve appel, een half rolletje koekjes en een plakje kaas...schattig verpakt in toiletpapier. We nemen een broodje met thee en het is heerlijk. Ondertussen legt Som ons uit hoe het derde vastepunt waar we nu bijstaan, is gefixed. Er is een meter diep gegraven, vervolgens met een pickel een gat gestoken voor de snowstake, daar is het touw aan bevestigd, in het gat geplaatst, daar weer sneeuw op vastgestampt en de rest van het touw als rol eromheen geleegd, nog meer sneeuw vastgestampt en dat alles hebben ze vast laten vriezen door middel van een Nepalese sanitaire stop en een plasje gemberthee. We hebben deze truc al eerder vernomen. Het kost even tijd, maar het houdt als een huis. Voor de vorm stampen we het nog wat aan, al was het maar om mijn nog steeds gevoelloze voeten warmer te krijgen. Ik stamp alleen dwars door de sneeuw en veroorzaak gaten in het plateau. Dus geef ik het maar op, als we verder klimmen worden ze vast wel weer warm. Dan komt Kailash over de rand koekeloeren en ik maak een foto terwijl hij zijn pickel in de lucht steekt. Misschien omdat ‘ie van de Japanners is verlost of omdat ‘ie ook eindeijk uit de wachtstand mocht vertrekken? Hoe dan ook, na zijn snelle lunch, vertrekken we want er staat ons nog een indrukwekkende graat inclusief 200 meter stijgen naar de top te wachten. En het is al 10 uur geweest. We gaan verder aan klimtouw zoals op de gletsjer, want iets verderop moeten we weer een grote gletsjerbreuk over, voordat een steile sneeuwflank omhoog gaat naar de top. Som vertelt dat deze breuk steeds breder wordt, elke keer als hij komt. In het midden zit 1 sneeuwbrug en het wordt dus steeds spannender of doorgang naar de top mogelijk is. Kailash spoort er weer kniehoog heen en ik vraag me af of de sneeuw op de smalle topgraat ook zo is. Voorlopig stamp ik met mijn ijsklompen door en probeer af en toe een glimps van mijn omgeving mee te pikken. Aangekomen bij de breuk blijkt deze best wel groot. Hij doet me een beetje denken aan de gletsjerspleet onder de Allalinhorn. De flank erboven is gelukkig niet zo steil als de wand die we vancohtend gefixed hebben. Er is even overleg over hoe we verder gaan: alpien of weer fixen? Aangezien fixen in dit pure sneeuwveld, eigenlijk geen optie is - er is geen rotspuntje te bekennen en de sneeuw is te los – en omdat het opnieuw veel tijd zou kosten terwijl de wand minder steil is, besluiten we om alpien verder te gaan. Ook omdat de tijd dringt, Som wijst op de wolken de nu ook uit het dal al naar boven komen. Verdorie, wacht nou even met de wolken.
Kailash neemt de vier extra slagen touw en steekt voorzichtig, met zijn pickel in de sneeuw stekend, de sneeuwbrug over. Het gaat goed en aan de overkant graaft hij zijn pickel in. Dat blijkt in deze sneeuw echt geen zin te hebben. Dus zet hij zchzelf goed schrap met zjn stijgijzers en ‘zekert’ Hans over de sneeuwbrug. Ik en Som houden het touw achter Hans ook strak en bewegen langzaam mee. Ook dit gaat goed. Dan mag ik, best spannend, ik zet mijn voeten in de voetsporen van Kailash en Hans en vergeet even hoe koud ze eigenlijk zijn. De laatste stappen de sneeuwflank op gaan toch even wat sneller. Uiteindeijk houdt de brug het goed en ook Som steekt porbleemloos over. Dan heeft Kailash het touw alweer om de schouders en is weer bezig met het omhoogsporen. Hij lijkt hier wat minder diep weg te zakken in de sneeuw, maar het blijft ploeteren. Hans roept (altijd alert op het weer) dat het nu wel erg snel bewolkt wordt en het uitzicht dat toch al verstoord was, wordt langzaam een grijze massa. Dat is vette pech zeg. Her en der zitten er ook dreigende stukjes wolk bij, ik hoop dat we het nog droog houden. Maar we zijn er nu bijna, doorploeteren maar... Ik probeer me te concentreren door mijn voetstappen te tellen en een ritme te vinden. En ondanks het feit dat de wand niet zo steil is, maakt de vermoeidheid toch dat ik mijn balans soms te danken heb aan mijn pickeltje. En dan komen we boven met nog een klein stukje over de sneeuwgraat te gaan. Een mooi rijtje geconcentreerde mensen achter elkaar in een witte, wolkige wereld. Het waait hier harder. Wow, bijna daar....bijna, nog even door de ijzige kou heenbijten. Of sneeuwvlokken? Shit, er vallen sneeuwvlokken naar beneden. Het zal toch niet waarwezen?@*#! Dat zou voor de terugweg ook wel eens vervelend kunnen uitpakken. Som laat zich nu ook uit over het weer en stelt voor zo snel mogelijk weer naar naar beneden te gaan. Uitzicht hebben we helaas niet. We hebben het ijskoud. En we hebben sneeuw. Wat wil een bergbeklimmer nog meer? De top natuurlijk! Dus we stampen zachtjes door naar dat ene belangrijke plekje op de berg. Kailash is er, Hans is er, joehoe, ik ben er en ook Som sluit aan. We draaien een beetje om om geen touwspaghetti te krijgen (kennelijk wil Kailash weer eerst naar beneden). Jeetje, we zijn er. Ik voel me zo dubbel op de Tharpu-top, mijn gevoel wil blijven maar mijn verstand vindt dat ik met deze omstandigheden snel naar beneden moet. Kailash stapt al weer in het spoor terug. Ho, wacht...wel en topfoto natuurlijk. Ik vraag Som om Hansabel te fotograferen. Hij snapt het wel, maar had zijn gedachten ook al in de afdaalmodus. En ga dan maar eens uitleggen hoe een digitale camera werkt, waarvan ook nog het beeldscherm uitstaat om de batterij te sparen want we moeten het nu met 1 cameraatje doen.... Som laat de camera op zo’n halve armlengte voor zijn gezicht dansen en na twee keer uitleg van ons, schiet hij een soort van lukraak een foto. Ik denk niet dat ik nog een keer een lach op mijn rode, bevroren wangen kan toveren en het touw naar Kailash staat al strak. Ik wil naar mijn warme slaapzak toe en daar behaaglijk nagenieten van deze beklimming, dus gaan met de banaan. Ik prop de camera in de zak van mijn softshell en hobbel met de rest mee. Het tempo ligt nu wel wat hoger en ik balanceer in de schuivende sneeuw. En heel snel staan we weer voor de sneeuwbrug over de gletsjerspleet. De sneeuwvlokken nemen nu in aantal en grootte toe. Waarschijnlijk omdat iedereen door wil en we de brug al ‘getest’ hebben, steken we zonder verder overleg stilzwijgend met strak touw achter elkaar over. Het gaat weer goed, nu naar de afdaling aan het fixed touw. Zo’n drie uur geleden stonden we hier verdorie nog in de zon uit ons lunchzakje te bikken en nu moet de Goretex aan. We binden ons uit van het touw en dalen 1 voor 1 zo snel mogelijk aan het vaste touw naar beneden. Som danst voor me uit door de losse sneeuw. Ik doe het rustig en spaar mijn krachten voor het laatste stuk. Als we allemaal weer veilig over de randspeet zijn en op de gletsjer staan, gaan de stijgijzers uit. Hans gooit bij Som een (sneeuw-)balletje op over het realiteitsgehalte van de beklimming van de Singu Chuli bij deze condities. Het klinkt als een retorische vraag. Som schudt zijn hoofd, haalt zijn schouders op. Hj wil het eigenlijk niet direct zeggen, maar hij vindt het best risicovol. Hij heeft de route tijdens de lunch eerder op de dag aangewezen en ik bespeurde toen al argwaan in zijn woordkeuze. Teruglopend over de gletsjer stemmen Hans en ik vrij snel af dat we bij terugkomst in Highcamp serieus met Som moeten bespreken of we de Singu definitief laten zitten. We twijfelen zelf ook. Vandaag was een intense, maar ook bizar koude ervaring. En de zwemsneeuw is gewoonweg niet fijn. De beklimming van de Tharpu is volgens de beschrijving in het boek met Trekking Peaks uit 1989 gewaardeerd met PD (Peu Difficile, ofwel een beetje moeilijk). Som moet lachen als we het hem uitleggen. De omstandigheden boden nu naar zijn mening een serieuze alpiene situatie, dus ik stel voor dat we hem wel PD laten, maar het vertalen als Pretty Difficult. Met instemmend gelach beginnen we onze gletsjeroversteek, nu zonder touw. Tot onze stomme verbazing halen we de Japanners weer in. De dames in het gezelschap hebben hun top op onze lunchplek bereikt en ze zijn angstaanjagend vermoeid. Som en de bevriende gids van de Japanners wisselen snel wat woorden uit en Som lacht, hij klinkt tevreden. Hij blijft bij hen plakken. Wij en Kailash dalen snel verder af en komen langs de afslag naar Rakshi Peak, een ‘onbeduidend rotspuntje’. We besluiten deze morgenochtend te doen, uitzichtfoto’s te maken en de rest van de dag te rusten. Al snel bereiken we de puin- en rotshelling waar ons Highcamp onder ligt. Terwijl we afdalen joelt Kailash al in het Nepalees naar beneden en Nima joelt terug, hij is als een kind zo blij dat we de top hebben gehaald. In de mist zie ik zijn oranje lichtgevende petje. Mooi, weet ik precies de kortste route. We worden warm onthaald met thee en terwijl ik mijn kop vasthoud, haalt Nima mijn rugzak van mijn rug en maakt mijn klimgordel los. Datzelfde doet hij ook bij Hans en Som. We wisselen snel en door elkaar de ervaringen uit. Engels en Nepalees door elkaar. We besuiten de top nog even ‘af te maken’ met een teamfoto van Som, Kailash en Hansabel samen. In de mist rond Highcamp zet Nima, die gelukkig wel weet hoe een digitale camera werkt (leeftijd?) ons op de foto. En dan snel de tent en de warme slaapzak in. We krijgen er een lekker warm groentesoepje bij. Als ik deze op heb, besluit ik mijn voeten eens van dichtbij te bekijken. Ze zijn nog steeds koud. Als ik mijn sokken uitttrek, zie ik meteen blauwe teennagels. OK, dat hebben we eerder gehad. Ik moet meteen aan de sneeuwschoenvakantie van januari dit jaar in Oostenrijk denken. Misschien valt het mee. Maar als ik een tijdje met donssloffen aan in mijn slaapzak lig, gaat eerst mijn linkervot en daarna mijn rechtervoet enorm tintelen en pijn doen. Links warmt op en blijft een gevoel houden alsof mijn tenen slapen. Rechts is vel erger, er ontstaat stuwing en de tenen zelf worden ook blauw. Niet goed, gaat er door mijn hoofd, dit is niet goed. Tevens ontdek ik vier slaperige vingertoppen. Ai, dit had ik allemaal niet gehoopt. Hans zoekt in ons zakboekje over ‘geneeskunde op hoogte’ de verschijnselen van bevriezingsverschijnselen er nog eens bij en we concluderen frostbite. Nu afwachten of er nog blaren opkomen, maar het zou in eder geval op redelijke termijn goed moeten komen. Nu voelt het ongelooflijk K en het enige wat ik wil is slapen en morgenochtend wakker worden met gevoel in mijn voeten. Hans doet enorm zijn best, maar kan me niet opbeuren. Ik eet mijn bordje leeg en dommel na het eten meteen weg....
Labels: Reisverslag mini-expeditie




