www.flickr.com
This is a Flickr badge showing photos in a set called Chuli expeditie. Make your own badge here.
My Photo My Photo My Photo My Photo

vrijdag, december 29, 2006

We zijn weer thuis! Later, als we weer een beetje gewend zijn aan ons koude kikkerlandje, volgen foto's en meer verhalen...

zondag, december 17, 2006

Kathmandu Valley wordt Kathmandu wordt naar huis....

Het aftellen is nu echt begonnen, nog twee nachtjes slapen en dan pakt Hansabel het vliegtuig terug naar huis! Maar zoals beloofd geven we nog een sfeerbeeld van onze rondreis door de Kathmandu Valley. Op dinsdag de 12de verlieten we Kathmandu 's ochtends in een lokale bus vol Nepalezen naar Dhulikel. In dit kleine plaatsje, dat iets hoger ligt als Kathmandu, is er prachtig uitzicht op de Himalaya. In het authentieke dorpje zelf zijn er allerlei tempeltjes te vinden en je kunt er mooie dagwandelingen maken. Het reizen met de bus is een hele belevenis. Motto: zolang de bus nog rijdt, kunnen er altijd mensen bij... Gelukkig was Dhulikel het eindstation,want hoe we anders met onze grote rugzakken door de mensenmassa het deurtje voorin hadden moeten bereiken?? In Dhulikel werden we opgehaald door een mannetje van het Mountain Snow View Resort. Toen we in ons hotel in Thamel vertelden dat we naar Dhulikel gingen, bleek dat de eigenaar tot een jaar geleden in dit resort had gewerkt. En wij hadden nog geen slaapplaats op het oog, dus werd er meteen gebeld voor de beste kamer met korting. We beginnen aardig te begrijpen hoe het hier werkt in Nepal. En we waren meer dan welkom, want toeristen in Dhulikel zijn schaars. Vooral nu het hoogseizoen is afgelopen. Het resort is een schrijnend voorbeeld van vergane glorie; geen stromend water meer, geen electriciteit en de eigen terreinwagen was ingeleverd. Aangezien het wel vier kilometer lopen is vanuit Dhulikel, gingen we met een andere lokale bus naar het resort... Alleen zat die bus al helemaal vol: Hansabel moest het dak op! Aangezien ik dat altijd al een keer heb willen meemaken sinds ik in Nepal ben, zaten we in een mum van tijd bovenop. Lekker in de wind en de benen gestrekt (dat is in de bus geen optie). s' Middags hebben we rustig met de camera door Dhulikel gewandeld en Hans heeft zich, onder grote belangstelling, voor 20 cent (!) laten scheren. We hebben het afdingen maar laten zitten. De volgende ochtend hadden we, over een grote kom vol wolken, een mistig uitzicht op de bergen. Bij het kleine straalkacheltje aten we ons ontbijt in de kamer met glazen wand en vertrokken daarna weer met een lokale bus naar Dhulikel voor een wandeling naar een stupa en klooster op een heuvel: Namobuddha. Een prachtige wandeling door bos en langs lieve Nepalese huisjes. Soms met op de achtergrond uitzicht op de lichtgevende bergtoppen van de Himalaya. Namobuddha was een mooie, stille plek. We hebben met een kop thee van de rust genoten en zijn daarna heuvelafwaarts naar Panauti gelopen. Een verkeersvrij dorpje, met naar men aanneemt de oudste tempel van Nepal (na een aardbeving met hulp van Frankrijk weer gerestaureerd). Een prachtig plaatje! Met mooie tempels en verrassende kleine straatjes vol lieve 'huisbeestjes'. In Panauti hebben we de bus terug naar Dhulikel genomen, weer lekker proppen geblazen. Op donderdag zijn we van Dhulikel naar Bhaktapur gereisd, een stadje dat ooit het centrum van Nepal was en bekend staat om zijn fijne 'handicraft', de yoghurt en handgeschept papier. De bus die we voor het resort op straat aanhielden zat al helemaal vol, dus met rugzak en al zijn we weer op het dak gaan zitten. Helemaal ingepakt deze keer, want 's ochtends in de mist is het wel killetjes met de wind. In Bhaktapur waren we meteen helemaal weg van het (ook verkeersvrije) centrum met prachtige tempels (de grootste in Nepal, pagoda van 5 verdiepingen) en de sfeer op straat. Hier hebben we twee dagen heerlijk rondgezworven. Op vrijdag zijn we met de taxi teruggereisd naar Kathmandu, terug naar het Mustang Holiday Inn Hotel aan de rand van Thamel. Daar verblijven we nu nog. De mensen achter de balie zien ons alleen maar in en uit lopen, want we zijn continu op touw: souvenirtjes, viegtickets regelen, eten, cargo regelen, een dagje op pad met Som in Bodnath. Maar wel in een heerlijk rustig tempo zodat we ook nog kunnen genieten van de sfeer, de mensen en het leven in Kathmandu. Dit is dan ook de laatste post vanuit Nepal. We gaan lekker genieten van de laatste uren hier en de eerste uren thuis. Geen beloftes over wanneer er op hansabel.nl terugblikken en fotogallerijen verschijnen. Eerst maar eens afwachten hoe het acclimatiseren in dat kleine, koude kikkerland voor hansabel uitpakt.

vrijdag, december 15, 2006

Yoga en Kathmandu Valley

Voor de laatste keer zijn we, weer een ervaring rijker, teruggekomen in Kathmandu. De afgelopen dagen zijn we in de 'Kathmandu valley' al wandelend, met de bus en taxi op pad geweest om mooie stadjes te bekijken. De week ervoor zijn we ingedompeld in de wereld van de yoga. Dus even tijd voor een update van onze bezigheden de afgelopen weken. We beginnen met de yoga. In het Ananda Yoga Centrum, 10 km ten westen van Kathmandu vandaan, hebben we vijf dagen gelogeerd. Verbazend hoe rustig en primitief de mensen hier leven, slechts op een steenworp afstand van zo'n grote stad. Op maandagochtend werden we hartelijk ontvangen door Shiva Giri. We blijken samen met een engels meisje, Francesca, de enige drie cursisten van deze week te zijn. Volgens het programma dat Shiva ons per mail had toegestuurd, leek dit een drukke week te worden. En inderdaad, alle vormen van yoga hebben we ervaren, maar al met al toch op een ontspannen tempo. Om 6.00 uur startten we elke ochtend met een wandeling van een uur. Meteen een leuke verkenning van de omgeving en je kunt van dichtbij zien hoe het normale Nepalese leven er 's ochtends aan toe gaat. Want je bent echt niet de enige die om 6.00 uur opstaat, dat doen alle Nepalezen! Als de zon opkomt, begint iedereen meteen met de dagelijkse bezigheden. Water halen, takkenbossen verzamelen voor het vee, winkeltjes openen en dat soort zaken. Na deze ochtendwandeling was het elke ochtend tijd voor een Shatkarma, ofwel cleansing. Dit kan zowel geestelijk als lichamelijk 'schoonmaken' zijn. Zo hebben we één ochtend zout water door onze neusgaten laten lopen (met als doel de neusholten schoon te maken) en een andere keer zo snel mogelijk 3 maal twee glazen zout water gedronken, met yoga daarna oefeneningen daar tussendoor. Dit blijkt erg goed te zijn om je darmen een keer goed op te schonen. En dat hebben we geweten. Daarna (nog steeds voor het ochtendeten) was het tijd voor asana's, de lichamelijke yoga-oefeningen. Waarbij de zonnegroet elke ochtend terugkwam. En dan was het om 9 uur tijd voor een heerlijk ontbijt, klaargemaakt door de beste Nepalese kok die we tot nu toe hebben getroffen: Surye. In de leer bij Shiva om een yoga-leraar te worden en daaromheen is hij manus-van-alles op het yoga-centrum waar hij ook woont. In de zon konden we daarna elke ochtend tot kwart over 11 op het platform met uitzicht over de vallei, lekker uitbuiken, slapen, boekje lezen, wat je maar wilde... Het tweede deel van de ochtend bestond uit pranayama-oefeningen (ademhaling) en theorie + meditatie. Dit was elke dag een lange zit en vooral de eerste twee dagen zijn onze spieren in liezen, rug en de knieen behoorlijk getest op het lang in 'kleermakerszit' zitten. Na de overheerlijke lunch (Dal Bat, maar wel de beste ooit!) mochten we weer ruim een uur rusten, want yoga mag nooit met een volle maag namelijk. Later in de middag was het dan tijd voor yoga nidra (relaxatie-techniek, of anders: doen alsof je dood bent maar niet slapen!) en werd afgesloten met herhaling van asana's en meditatietechnieken. Als we de dan om half zes de oefenzaal uitkwamen was het donker en koud. Tijd voor een warme maaltijd in het 'schuurtje' naast de keuken. Daarna werd er gezamenlijk gezongen, vooral mantra's, onder begeleiding van traditionele instrumenten (kirtan) en op verzoek van Isabel met kaarslicht. Het was een leerzame week, met veel nieuwe ervaringen. Niet alles was langskwam, vonden we even aansprekend. Het doorlopend aanbidden van een eindeloos aantal boeddistische goden of afgeleiden daarvan, hoort niet bij ons. Maar het ritme, de rust en oefeningen in de yoga-levensstijl nemen we mee naar ons leventje in Den Haag.

19 november, 2006; Sarangkot / Pokhara

Dit is een beschrijving van de achttiende en tevens laatste dag van onze klimexpeditie in het Annapurna / Sanctuary gebied, zoals aangekondigd in onze samenvattende post op 20 november. De laatst beschreven dag komt steeds boven aan te staan. Als je het hele verhaal van begin tot eind wil lezen, moet je dus bij de post van 2 november beginnen. De wekker staat vroeg, want we hopen op een heldere zonsopgang met uitzicht op de Annapurna Range. Ik lig al ruim voor half zes wakker en voel de tijd langzaam wegkloppen in mijn voorvoet en teen. De lange tocht van gisteren was overduidelijk teveel belasting. Bah, ik ben er chagrijnig van. Hanst staat op om buiten te zien of het helder is geworden vannacht. Dat blijkt ook al niet zo te zijn. Hij treft Som om zijn slippers en die stelt voor nog een half uurtje terug in bed te kruipen en om zes uur te kijken hoe de wolken er dan bijhangen. Ik vind het allemaal prima en trek de beschermende sok van mijn voet, zodat hij de warmte kwijt kan. Dat is beter en ik dommel weg. Om zes uur blijkt het nog steeds erg bewolkt en ik besluit mijn voet niet met het stuk naar boven op en neer te confronteren. Hans en Som gaan samen en ik sta langzaam op, probeer het dal in mijn humeur uit te klimmen. Om zeven uur drinken we staand op het terras met z’n allen een kop dampende thee. De nog slaperige dochtertjes komen in pyama en kleurrijk plastic slippers voorzichtig één voor één nog even een kijkje nemen vanachter mama’s benen. Som heeft ons ingeseind dat we hier geen ontbijt nemen, maar dat we onderweg wel aanschuiven bij een grotere lodge. Ondanks alle goede bedoelingen zou het de eigenaresse hier heel veel moeite kosten en ons teveel tijd. We vertrekken om kwart over 7 en ik vind het best frisjes in de ochtendnevel. Op de trap naar beneden komen vooral mensen naar boven die - tegen beter weten in - willen genieten van het uitzicht boven. Het aantal Nepalezen onder hen is best groot, er blijken ook veel schoolklassen naar boven te gaan voor een cultuur of aardrijkskundelesje? De meisjes giechelen als ze opkijken naar Hans. Lesje biologie? Vanuit de kraampjes langs de trap komen regelmatig uitnodigingen in schokkerig engels om naar souvenirs te kijken. Zo vroeg op de nuchtere maag heb ik geen zin om iedereen met mijn slaapkop aan te kijken en te bedanken voor het aanbod. Zij staan ook nog wakker te worden in de kou. De afdaling met mijn voet gaat niet geweldig, Pokhara nadert. Onderaan de trap staan wat meer huizen met winkelvitrines en bij de laatste staan Som en Tashi al te onderhandelen als we aankomen. We blijken hier te ontbijten, maar ik zie verder geen keuken en geen zitgelegenheid. Maar zoals altijd zijn Nepalezen niet voor een gat te vangen. We worden hartelijk uitgenodigd door een Nepalese jongen om hem de trap naar boven op te volgen. Binnen stappen we over een slapende hond en lopen door een balkonkamer met een chaotisch tafereel van speelgoed, kleren een de resten van een verorberde avondmaaltijd. We belanden na twee etages via een gammel, metalen laddertje op de rooftop van het pand. De Nepalese jongen, in joggingpak en handschoentjes zonder vingers, komt even later via ditzelfde trapje met een houten salontafel en twee stoelen omhoog. Hij zet ze neer naast de satellietschotel en de grote watertank en nodigt ons met een lach uit plaats te nemen in zijn ‘dining room’. Tja... daar zitten we dan met zijn tweeën op het dak, in Nepal wordt alles mogelijk gemaakt. En we hebben eigenlijk best wel goed uitzicht over Pokhara, de vallei en Sarangkot op de heuvel. Af en toe komt er een vliegtuig over vanuit Jomson maar uitzicht op de bergen hebben we nog steeds niet. Na een half uurtje komen onze omeletjes, gurung bread en een pot koffie via datzelfde gammele trapje op een dienblad omhoog. Som heeft het geregeld, hij weet inmiddels hoe ons favoriete ontbijt in Nepal er uitziet. Even later komt hij zelf wel even checken of alles echt naar wens is. Hij zegt ook dat we verderop gaan proberen een taxi naar Pokhara te vinden. Hij wil mij het laatste stuk lopen langs de weg besparen en hemzelf ook de tijd. We ontbijten rustig af en dalen weer door het Nepalese familieleven af naar de straat. Terwijl Som het ontbijt afrekent en een laatste praatje maakt, staat Tashi al de straat af te loeren. Iets verderop is een soort ‘bermpleintje’ waar een wachtende taxi staat. We lopen er heen en ik ben benieuwd hoe Nepalezen onderling onderhandelen voor de prijs van taxiritten. Tot mijn verbazing komen ze er na twee minuten stevig praten, afgewisseld met stiltes waarin langs elkaar wordt heengestaart, gewoon niet uit. Som vindt de vraagprijs van 500 Rupies teveel, terecht vinden wij. En de chauffeur wil de motor niet starten voor minder. Dus... gaan we toch maar lopen. En daar loop ik dan, met mijn tikkende bamboestok op de slingerende weg naar beneden. Nog steeds in twijfel of de berm misschien zachter en beter loopt, denk ik na over het bizarre van deze situatie. Voor Nepalese begrippen is 500 Rupies echt teveel, maar het verschil met een reële prijs is omgerekend zon 2,50 Euro! Het bedrag dat ik tijdens het schoonmaken in huis achteloos op mijn nachtkastje neergooi en daar een jaar laat liggen. En voor dat luttele bedrag loop ik nu mijn onnodig te vermoeien. Gezondheid is ook kostbaar... Tijdens deze gedachten heb ik overigens ook definitief voor de berm gekozen. Reden: veiligheid! De tractors, karren, buffels en taxi’s gaan hier behoorlijk snel en vastberaden over de weg. Want als er asfalt ligt, is de weg van hen. Na 10 minuten bermwerk komt ons een taxi tegemoet rijden met een passagier. Hij mindert vaart, draait zijn raampje open en informeert of er een taxirit gewenst is. Waar toeristen lopen, ruiken Nepalezen inkomsten. Er wordt gepingpongd in het Nepalees en Som vervolgt al pratend met de chauffeur toch langzaam zijn stappen in de berm. Tactiek? De taxi gaat nu in zijn achteruit om Som te kunnen verstaan, weer gepingel en uiteindelijk stapt de jonge chauffeur zelfs uit. Met wijde armen creëert hij en deal met Som. Hij brengt zijn wachtende passagier (een Nepalees, dan mag dat) naar boven en komt terug om ons op te halen. Met gebaren maakt hij, achteruit terugrennend naar zijn taxi, duidelijk dat we in de berm op hem moeten wachten. En weg sjeest hij. We lopen nog een klein stukje door, want de berm is in de bocht wat breder. Tashi gebruikt de tijd om zijn draagmand te ontmantelen, die is nu niet meer nodig. Eenmaal leeg, wordt deze dan ook letterlijk en figuurlijk aan de kant gesmeten. Maar de draagband waar de mand inhangt en die over het hoofd loopt, wordt zorgvuldig opgeborgen. Die zijn namelijk erg persoonlijk. We zijn een bezienswaardigheid voor de weggebruikers en ik hoop dat de taxi snelt terugkomt. Na een kleine 10 minuten komt deze inderdaad aanrijden en opnieuw wordt alles en iedereen in de kleine, witte Suzuki Maruti gestouwd. Onder het genot van harde Nepalese muziek (Tashi draait driftig mee aan de radioknoppen) glijdt ons autootje de berg af en Pokhara in. We besluiten eerst naar de lodge te gaan, de spullen te droppen en samen met Som het ziekenhuis te bezoeken. Hans heeft dat aan Som gevraagd, zodat hij in het Nepalees aan de arts kan uitleggen wat er is gebeurd. Som hoefde geen moment na te denken, natuurlijk was hij bereid. Het leven langs de weg dat ik vanuit het autoraampje zie, is vertrouwd. Het is rustiger thuiskomen in Pokhara dan in Kathmandu. Liever overstekende buffels in een winkelstraat dan de taxi-chaos die alleen op het ritme van luid getoeter in beweging wil komen. Stilletjes wordt de omgeving bekender en al snel rijden we het eerste stuk van Lakeside op. De afslag naar het rotsige toegangsweggetje van de New Pokhara Lodge volgt snel en de taxi duwt zich tussen de huizen en muurtjes door. Op weg naar de rustige oase die er achter ligt. Als we aan komen rijden, komt Humras – de manus van alles hier – meteen naar buiten toe. Hij is verbaasd dat we een dag eerder zijn. Maar even hartelijk als altijd. Hij wordt door Som meteen ingelicht. En terwijl Humras, Hans en Tashi de spullen naar onze ‘oude’ kamer de tuintrap op dragen, bespreekt Som met de eigenaar welk privé-ziekenhuis in Pokhara het beste is om een Westerling heen te brengen. Ik pak snel mijn kleine tasje bij elkaar, inclusief papieren, en daar gaan we dan. Ik ben best een beetje zenuwachtig als we stilletjes met z’n drieen weer via het ingangsstraatje naar de hoofdweg lopen voor een taxi. Hans wuift een gloednieuwe taxi onze kant op en we rijden rustig (vanwege mijn voet of de nieuwe autolak?) naar het ziekenhuis. Ik probeer me in te beelden hoe het zometeen zal gaan: Wat zal ik zeggen? Zullen ze me al patient accepteren? Hoe ziet de gezondheidszorg er hier in Nepal (een privé-ziekenhuis?) er uit? Maar ik heb helemaal geen beeld dus ga er maar zonder verwachting heen. We lopen de ingang van de EHBO in, er is geen echte ontvangst- of receptieruimte. Ik zie wel veel wachtende Nepalezen met briefjes in de hand. Som gebaart me hem te volgen en hij vraagt wat om zich heen. Dan een kamertje in rechts, waar een oude, Nepalese man met ademhalingsproblemen door zijn familie wordt uitgekleed. En daar mag ik naast gaan zitten, op een gammele onderzoeksbank. De arts die komt, schudt mijn hand en spreekt goed engels. Som heeft hem al wel wat ingelicht en de arts wil er uiteraard naar kijken. Hij haalt mijn verbandje eraf en vindt daarin ook het hele losgekomen teentopje met nagel dat de afgelopen dagen als bescherming tegen infectie heeft gediend. Dat mag achterblijven, zegt hij lachend, want daar heb je niets meer aan. Hij stelt me gerust: alles komt wel goed zo te zien. Het weefsel is niet diep aangetast en de donkerste buitenkant is er nu af. Hij schat in dat het weefsel zo’n drie weken nodig heeft om te vernieuwen. Hij kan alleen niet voorspellen of het weefsel van het nagelbed te erg is aangetast om weer aan een nieuwe nagel te beginnen. Dat kan wel een jaartje duren. Hoe dan ook, vooral opluchting bij mij. De arts stelt voor de teen goed te desinfecteren. Terwijl Som ‘de administratie’ gaat regelen, bonk ik op mijn rechterhiel met de arts en Hans door de koude ziekenhuisgang mee naar een andere ruimte. In deze ruimte staan 5 Nepalese verpleegkundigen te wachten om de dokter te mogen assisteren. Ik plof op wederom een krakkemikkige ondezoeksbank en vraag me af of deze het gewicht van een gemiddelde Westerling nog wel kan hebben? De dokter leest mijn gedachten en laat weten dat ze in de gezondheidszorg helaas tevreden moeten zijn met simpele materialen. Er is een groot verschil met het Westen, ook in de relatie met patienten zegt hij met een glimlach. “Jullie vragen veel meer wat er aan de hand is, hoe het komt en wat ik er aan ga doen. Nepalezen zeggen niets en geven zich totaal over aan de dokter, die zal het wel weten”. Ik leg hem uit dat patientenvoorlichting zelfs wettelijk is geregeld in Nederland en daar kan hij wel om lachen. Ondertussen behandelt hij mijn teen met betadine en waterstofperoxide. Daarmee zou al het infectiegevaar nu geweken moeten zijn. Met een nieuw verbandje en een rekening van 200 Rupies op naam van Mrs. Bel (zo kent Som mij) neem ik opgelucht afsched van de arts. Om de twee dagen verversen met betadine en een nieuw verbandje, nou dat kan deze thuisdokter zelf prima voor haar rekening nemen. Som, ook zichtbaar opgelucht, regelt een taxi terug naar de New Pokhara Lodge. Voor de lodge staan Tashi en Humras te kletsen als we aan komen rijden. Ze vragen nieuwsgierig naar de uitkomst en ik zie ook dat Tashi blij is met de geruststellende prognose van de arts. De taxichauffeur blijft wachten, zodat hij Som en Tashi meteen door kan brengen naar het busstation voor een Tata terug naar Kathmandu. Een reis van zo’n zes uur, dus hoe eerder ze weg zijn des te redelijker hun aankomsttijd thuis. In de zon voor de ingang van de lodge komt het afscheid van deze twee mooie mensen dan ineens toch snel. Som moet de officiele instanties inlichten over het verloop van de expeditie en gaat voor ons ook een certificaat regelen van de beklimming. Omdat de permit officieel voor de Singu Chuli is geregeld, zal dat ook op ons certificaat staan....geestig, zo werkt dat hier in Nepal dus. We hechten niet zo aan dit papier, maar Som staat erop dit te regelen en elkaar in december nog te ontmoeten. Als we terug zijn in Kathmandu, moeten we hem meteen voor een afspraak bellen. Een ferme handdruk met wat extra fooi voor Som en Tashi is de bezegeling van dit snelle afscheid. Tashi’s woorden “I will never forget our adventure” raken me en drukken goed uit wat Hansabel voelt bij het terugblikken op deze trekking met deze bescheiden, charismatische en ervaren klimoom Som en zijn neefje sterke, stille en leergierige Tashi. Voordat ik het besef is de taxi de bocht om. Ik voel me even verlaten, ik zal ze echt missen. Maar dan zijn er de uitnodigende stem van Humras en de warme hand van Hans. We lopen door de ingang van de lodge en de mooie tuin waar de cactus en rozen er nog steeds frisjes bijstaan, dus die foto kan ik alsnog nemen. Via de wenteltrap zoeken we ons kamertje op. Als de deur achter ons dichtvalt, vallen wij meten samen op bed. We zinken vertrouwd weg in de matras, er lijkt geen einde aan te komen. Omarmd door Pokhara, rust voor een nieuw avontuur.

Labels:

maandag, december 11, 2006

18 november, 2006; Thulakharkka / Sarangkot

Dit is een beschrijving van de zeventiende dag van onze klimexpeditie in het Annapurna / Sanctuary gebied, zoals aangekondigd in onze samenvattende post op 20 november. De laatst beschreven dag komt steeds boven aan te staan. Als je het hele verhaal van begin tot eind wil lezen, moet je dus bij de post van 2 november beginnen. Om half zeven staan we op, maar we zijn al even wakker van@het kattengejank dat ons vannacht ook een aantal keren mochten aanhoren. Buiten is men al druk in de weer om het tentenkamp van de Japanners af te breken. Vol verwachting kijken we naar buiten want het uitzicht op de hele Annapurna Range is hier als panorama te zien. Maar helaas, de dag breekt voor de eerste keer sinds we de Sanctuary lopen bewolkt en mistig aan. We pakken teleurgesteld de rugzakken in en Hans brengt ze langs het metalen trapje voorzichtig naar beneden. Het trapje dat ik vannacht een aantal keren van dichtbij beschenen heb met mijn hoofdlampje om zeker te weten dat ik mijn weg naar het toilet zonder schrammen en roetsj-taferelen kon volbrengen. We gaan in de mist en kou aan de banktafel op het grasveld zitten, bij Som die al met glimoogjes naar de noeste arbeid van de Japanners zit te kijken. Het geluid van rommelende potten en pannen die zijn gebruikt voor het ontbijt worden door de dragers van de Japanners bij het buitenkraantje met koud water schoongeschrobt. Natte, koude tenten worden zonder pardon beetgepakt en met blote handen in tentzakken gestouwd. Metalen opvouwtafel en stoelen worden met sjorbanden bij elkaar gebonden tot draagbare pakketten. Terwijl wij onze omeletjes met toast eten, kijken we toe hoe het hele kamp in een ogenschijnlijke chaos toch heel georganiseerd in de draagmanden terecht komt. Iedere drager heeft zijn taak en volbrengt deze zingend en lachend met zijn collega’s. Voor Som een tafereel waarvan hij vaak deel heeft uitgemaakt en nu mag hij toekijken. Maar de glim in zijn ogen verraadt dat hij deze sfeer hem nog steeds verwarmt van binnen. Eén voor één verlaten de dragers het terrein en ook de gids met zijn Japanse cliënten vertrekken uiteindelijk in het midden van de hele sliert. Hij wenst me beterschap met de tenen en een goed einde van de trek. Nu komen we elkaar echt niet meer tegen, lacht hij me toe. Som legt ons uit dat de hele groep nu naar de ‘Highway’ loopt en daar een rechtstreekse bus naar Kathmandu heeft klaarstaan. Ook wij moeten vandaag deze grote weg oversteken, maar lopen aan de andere kant verder naar Sarangkot. Dit is een uitzichtspunt op een heuvel boven Pokhara (ook het leger zit er) van waaruit je ook de hele Annapurna Range kunt zien liggen. Hopelijk hebben we dan wel weer een helder begin van de dag om de teleurstelling van vanochtend te compenseren. Voor het eerst sinds Sinuwa wordt het weer een lange wandeldag dus ik hoop dat het goed gaat met mijn rechtervoet. Hij is weer netjes verpakt in een vers, helderwit gaasje. Met de Teva’s aan en de bamboestok in de rechterhand, neem ik afscheid van het jonge gezin. We zijn memorabel want nog nooit dronken toeristen hier zo zoveel raksi. Dat geloof ik graag wat echt heel lekker is dit spul nu ook weer niet. Maar allee, je wordt er heel vrolijk van en het kost je geen kater. We zullen ons de kaartmiddag in de zon ook zeker nog lang herinneren. We pakken het pad tussen de heuphoge muurtjes weer op en begeven ons tussen steeds meer lokale mensen naarmate we verder afdalen. De afdaling is niet zo lekker voor me: sommige stukken zijn erg steil en sommige stukken erg drassig van de waterstroompjes. We zijn Tashi snel uit het oog verloren....zijn tempo ligt veel hoger. Maar ondanks mijn gevoelsmatige slakkegangetje, horen we op het pad onder ons hoog en zenuwachtig gelach dat we herkennen van de Japanners. Ze zijn langzamer en lachen omdat ze aan de kant moeten voor een kudde buffels. Som vindt het wel komisch dat ik ze met mijn blessure inhaal. Ook de gids van de Japanners kan er wel om lachen en zegt dat hij deze keer geen afscheid meer durft te nemen. Voor je het weet, duiken we weer op. We lopen verder en slingeren langs trappen naar beneden totdat we een heleboel stemmen horen. Bij een grasplateau met stenen rustbanken staan Tashi en de dragers van de Japanners te rusten en sigaretjes te delen met elkaar. Ze zijn verbaasd dat niet de Japanners, maar wij als eerste aankomen. Tja, de dames in het gezelschap van de rijzende zon gaan gewoon niet zo vlot. Wij laten de pauzeplaats rechts liggen en vervolgen het pad naar beneden. Op sommige plaatsen lijkt het alsof het pad drie meter diep de grond is ingesleten, omgeven door muren van aarde. Het woord ‘namaste’ klinkt steeds vaker uit mijn mond, het pad wordt steeds drukker met lokale mensen en het aantal huizen neemt toe. Ook horen we het geraas van de autoweg en het getoeter van de Tata-bussen die daarmee hun helfhaftige inhaalmanoevres aankondigen. De bewoonde wereld ligt aan onze voeten... en ik weet gewoon niet of dit me blij maakt of juist verdrietig. Beide gevoelens zijn aanwezig. Om negen uur lopen we op het paadje tussen huizen door omhoog naar de weg en staan we voor een verzameling houten winkelkraampjes die naast de weg zijn neergeplant in de hoop iets te kunnen verkopen aan de mensen die in- en uit de bussen en taxi’s stappen. Som zet ons in één van de kraampjes neer en regelt een kopje thee voor ons. Hij en Tashi gaan hier proberen een taxi te regelen naar Naudanda, een plaatsje zo’n 5 kilometer verderop langs de weg. Daar kunnen we aan de andere kant van de weg een doorgaand pad cq. landweg richting Sarangkot oppakken. Taxi’s hebben het liefst lange ritten en bussen zitten stampvol. Het kost dus wel even tijd en net als Som de hoop opgeeft en voorstelt om te gaan lopen, stopt er een taxi achter hem die mensen laat uitstappen. De taxichauffeur reageert met Pavlov-reactie op ons toeristische uiterlijk en vraagt meteen of we gebruik willen maken van zijn diensten. Som draait om en regelt het snel af in het Nepalees. Mooi, denk ik. Maar hoe gaan we in godsnaam met vier passagiers, een vol bepakte draagmand en twee grote rugzakken in deze Suzuki passen? En terwijl ik nog zit te peinzen hoe we deze oregami-opdracht het beste kunnen uitvoeren, staan de mannen de match-box auto al vol te laden. Mandje bovenop, rugzakjes achterin en op schoot, mensjes erbij, bamboestokje schuin uit het raam en gassen maar! Langzaam schuift de Suzuki de weg op. Hij doet het! En nog leuker, hij haalt zelfs nog anderen in ook. Geweldig, ik houd meteen van deze vlotte taxichauffeur. Toeterend scheurt hij de Tata-bussen in de bocht voorbij, als een kind zo blij in in de botsauto’s op de kermis. Dit is beter dan een achtbaan en gordels zijn niet nodig, want iedereen zit klem. Na een kwartiertje pret stappen we uit in Naundana. Het is een drukke, vuile plaats langs de weg. Er wordt ons meteen een lunch aangeboden, nou bedankt maar weer, maar niet om half 11 ’s ochtends. Altijd hetzelfde, eerst een praatje en vragen waar je vandaag komt. En dan genadeloos toeslaan met de verkoop. We wimpelen deze vriendelijke rat snel af en steken over naar de landweg die we de rest van de middag langs kleine dorpjes zullen volgen. Het is een breed zandpad, stoffig met puin en keien, met kuilen en af en toe kun je de riolering in het midden als een ruggegraat zien liggen. Er is lintbebouwing en in plaats van natuur kijken we hier eigenlijk steeds naar de verschillende huisjes langs de weg. De hitte is hier, op deze wegen en op deze hoogte veel beter voelbaar. De sfeer is anders. Sinds de oversteek, worden we bijna doorlopend aangesproken en gevolgd door kleurrijke kinderen. Ik realiseer me dat het zaterdag is, de ‘zondag’ in Nepal, en ze zijn allemaal mooi aangekleed. Ze vragen lief om schoolpennen, geld en snoep. Maar er zitten snotneusjes tussen die soms echt heftig brutaal, zelfs bijna agressief zijn. Som zegt dat we het moeten laten gaan en helpt ons soms in het Nepalees de kinderen weg te sturen. De weg is lang en eigenlijk verveelt ‘ie me al vrij snel. De bron van verveling is echter meer het lang lopen op een ‘vlakke’ ondergrond (wat mij en mijn rechtervoet niet zo goed bevalt) dan de nieuwe omgeving. Want ik vind het heerlijk om te kijken naar de huisjes met de bloementuintjes, plateautjes waar kinderen en dieren samen spelen, open stalletjes aan de zijkant waar de huisbuffel staat te grazen en de akkertjes die trapsgewijs achter de huizen de helling volgen. Regelmatig is er een klein ‘offermonument’ tussen de huizen te vinden waar de boedhistische goden door de lokale mensen worden aanbeden met bloemen in rood en oranje. Er steken geitjes over, rennen honden mee en stuiven kippen weg. Vrouwen vegen hun straatje schoon met een bundel graanstengels. Mannen zie ik nergens, die zullen wel op de akkers bezig zijn. Som loopt al her en der te informeren waar we hier onderweg ergens kunnen lunchen. In het dorpje Deurali (daar heb je er weer een) schijnt een lodge annex restaurantje te zitten. Als we via de weg het dorpje inlopen, worden we vriendelijk begroet in het engels door een Nepalees die op een muurtje zit. Hij ziet er fris uit en ik vermoed dat hij op de bus zit te wachten. Iets verderop vinden we de eetgelegenheid, een gepensioneerde lodge links en een overdekt betonnen terrasje rechts. Overduidelijk vergane glorie. We worden ontvangen door vrouwen die elkaar in generaties opvolgen, de rest van het dorp lijkt verlaten. Als de middelste Nepalese dame komt vragen wat we willen eten, vragen we dus maar wat de pot schaft. We krijgen een soepje en rijst met groentecurry. De Nepalees die ons eerder hartelijk in Deurali ontving, is ook deze kant opgekomen en schuift aan op het terras terwijl we wachten op de lunch. Af en toe kijkt hij de straat op, dus ik denk nog steeds dat hij in de lokale Tata wil stappen. We kletsen verder over wat we van Nepal vinden, of we ooit nog terugkomen en uiteindelijk komt de aap uit de mouw. Of beter: de koopwaar uit zijn rugzak. We zijn er dus weer ingestonken! We zitten hartstikke vast op dit kleine terras en alles wordt in mijn handen gedrukt. Kettingen, armbanden, broches, een unieke theepot van olifantenhoorn. De zoveelste plastic prul. Hoeze uniek? Hoezo olifantenhoorn? Hij ratelt maar door en begint langzaam wanhopig over te komen. Voordat hij de rugzak opendeed had ik al aangegeven dat hij zich de moeite kon besparen en ik blijf stug volhouden niets nodig, dus ook niets te kopen. Het lukt me deze keer goed om mijn buitenkant niet te laten beinvloeden door mijn binnenkant. Want daar vliegen de gevoelens van medelijden en begrip als een op hol geslagen zwerm bijen door mijn maag, op zoek naar de kleinste opening om naar buiten te breken. Gelukkig, Hans grijpt in. Met een handgebaar wuift hij de kettingen van tafel en zegt met stevige stem dat we niets kopen, het is genoeg. Mijn man maakt indruk! OK, zegt de Nepalees en pakt gedwee zijn spulletjes weer in. De zwerm bijen ben ik kwijt, want mijn mond staat open van verbazing. Mannen luisteren hier dus alleen naar mannen, dat moeten we onthouden. En op dat moment komt goed getimed ook de lunch, dus ik kan me nu op mijn bord richten, rust! De koffie is van slootwaterkwaliteit, er drijven vetdruppels en rare dingen in alsof het zwarte, waterige soep is. Echt goor. En dat zeg ik niet snel van iets wat anderen me voorschotelen. Voor het eerst in mijn leven gooi ik mijn kopje leeg in de planten omdat ik het echt niet wegkrijg. En terwijl Som en Tashi binnen hun Dal Bat eten, genieten Hans en ik op het terrasje van het uitzicht over de vallei met akkers vol graan en rijst. Onder ons sjokken yaks op een terrasakkertje ritmisch een graancirkel plat. Ze worden aangemoedigd door een groep, in rode lappen geklede,vrouwen. En weer vraag ik me af waar al de mannen dan zijn? Misschien met graan of ander voedsel voor de verkoop naar de markt in Pokhara? Na anderhalf uur maken we ons op voor vertrek uit dit verlaten, Western-achtige dorp. En toch heb ik steeds het idee dat er vanuit de huizen ogen op me gericht zijn. Als we net aan het lopen zijn, horen we achter ons een enorme groep mensen aankomen. Het zijn zo'n 20 Britse toeristen van middelbare leeftijd, met een behoorlijke pas erin. Misschien waren het hun ogen die ik in mijn rug voelde? Ze halen ons best snel in, maar 100 meter voor ons moeten vaart minderen omdat ze in een mensenketting van Nepalese kinderen komen. Ze staan van links naar rechts over de weg, met de benen gespreid en ze houden elkaars handen vast. Dit is weer zo'n trucje om aandacht van toeristen te krijgen en ze iets afhandig te maken. Wij zien het van een afstandje al gebeuren en zonder verder overleg loop ik achter Tashi (en zijn draagmand) naar de linkergeul van de weg en Hans achter Som naar de rechtergeul. We sneaken in alle drukte en aandacht voor de 20 Britten mooi achter onze Nepalese begeleiders langs de zijkanten van deze ketting. En zo passeren we de Britten weer, iets wat deze middag op de weg naar Sarangkot nog veel vaker zal gebeuren. Ik baal daar behoorlijk van ... ik, met mijn sportieve en ambitieuze karakter moet genadeloos plaatsmaken voor middelbaren die me na elke fotostop bij een lokale 'trekpleister' weer ontspannen inhalen. Hoezo, jezelf leren kennen? Waarom vind ik dit niet leuk? Waarom wil ik altijd in de voorhoede paraat zijn? Hmm, daar moet ik nog maar eens over nadenken. Als één van de Britten een gesprekje begint en mijn tempo volgt, kan ik het voor dit moment in ieder geval loslaten. Zijn dochter studeerde een jaar in Groningen en waarom 'for God's sake' op sandalen wandel, op zo'n stoffige en ruige weg? Hij keek nieuwsgierig schuin naar beneden, waar mijn verbandje zijn oorspronkelijke wit heeft verruild voor een mosterdbruine teint. Tja, nu moeten we het sprookje van Frosty maar weer introduceren. De Brit stelt veel vragen en wenst me uiteindelijk veel beterschap voordat hij door zijn medewandelaars aan de zijkant wordt gesommeerd voor uitleg van hun gids bij de lokale wasplaats van het dorp. En jawel, even later halen ze ons natuurlijk weer in. Zo moeten de Japanners zich dus steeds gevoeld hebben als wij er steeds overheen denderden... Deze keer wordt er meest gefluisterd en zacht gesproken in de Britse groep, het verhaal van mijn teen gonst door de groep. Kijk daar, dat is dat meisje... Boeiend, ik ga liever om positievere redenen over de tong en onbewust versnel ik mijn pas om letterlijk en figuurlijk afstand te nemen van deze situatie. Matig succes. Dus ik houd maar in en zie opgelucht de Britten van ons aflopen. Rust in mijn hoofd. We nemen bij een splitsing het bovenste pad, nu iets minder breed en wat meer omhoog. We kunnen de uitkijktoren van Sarangkot al zien staan en de provisorische bordjes voor lodges verschijnen in de rechter bermkant. Ik zie dat de Britten een enorm betegeld tuinterras van een groot hotel aan de linkerkant oplopen. Daar houdt hun trek vandaag op. Wij gaan nog even verder en naderen de top van de heuvel. We passeren een groot grasveld met muziek: er zit een familie uit Kathmandu met een transistor-radio om het weekend te vieren. De heuvel bij Sarangkot schijnt een populair weekenduitje te zijn. En we komen daarna inderdaad steeds meer mooi geklede Nepalezen in alle leeftijden tegen, meestal in groepen. Boven op de heuvel kunnen we kiezen of we nu al de uitkijktoren opgaan of wachten tot morgenochtend vroeg en nu eerst een lodge gaan zoeken. Het is bewolkt en mijn blaas schreeuwt om een toilet. Dus ik roep meteen 'lodge!' en schrik van mijn eigen prompte reactie. Normaal houd ik me bij groepsbeslissingen altijd even op de vlakte om anderen de ruimte te geven en mezelf de tijd mijn eigen mening te vormen. Wow, ik kan impulsief zijn en iedereen sluit zich aan. Een kleine situatie, een grote persoonlijke ervaring. We lopen eensgezind de stenen trap af naar beneden om onze slaap- en eetplek van vanavond te vinden. En eigenlijk hebben we allemaal een goed gevoel bij de eerste, kleine lodge die we tegenkomen aan de rechterkant. Een jonge vrouw beheert deze lodge, ze komt buiten adem de stenen trap omhoog lopen want ze zat verderop beneden te kletsen met andere dames uit het dorp. Ze is dolblij met gasten, want normaal gesproken gaat de toeristenmassa haar lodge alleen maar voorbij: op weg naar het uitzicht en weer terug naar de bus, taxi of auto die beneden staan te wachten. De lodge is met onze komst ook meteen volgeboekt, want ze beschikt maar over twee kamers met ieder twee bedden. Deze zitten aan de valleikant en komen uit op een klein terrastuintje, voordat de heuvel naar beneden valt en uitzicht geeft op Pokhara en het prachtige Phewa Lake. In dit tuintje spelen drie jonge dochtertjes vrolijk met elkaar op het gras. Speelgoed is er nauwelijks. Er blijkt ook nog een vierde dochtertje te zijn, een babietje nog maar die is hier niet. Haar man werkt op de markt in Pokhara en zij probeert met dit 'boeltje' ook wat inkomsten te genereren. We nemen wat te drinken en ploffen naar op de tuinstoelen. Grappend valt het woord raksi alweer, maar daarvoor moet eerst gekaart worden natuurlijk. Hans graait de kaarten uit het topvak van zijn rugzak. Deze 'hollandse' kaarten (er staan molens op de achterzijde) hebben hun waarde tijdens deze trek toch meer dan eens bewezen. Maar eerst moet de dorst gelest. We bieden de heren op deze laatste trekkingsdag een biertje aan en daar wordt gretig op gereageerd. Ik neem een Fanta en merk dat het een vermoeiende dag is geweest. Ik vraag een kommetje warm water om mijn voet van de mosterdbruine laag te verlossen en het verband te wisselen. Het topvel van mijn teen is, inclusief de opliggende nagel, nu helemaal los en echt als een vingerhoedje te gebruiken... Ik was mijn voet, verbind de teen opnieuw en ben opgelucht dat ik morgen in Pokhara een dokters' advies kan krijgen. Vanaf het terras vergapen we ons aan het nevelige uitzicht, de paragliders en roofvogels die daar veel mooier tussendoor vliegen. We worden ineens opgeschrikt door een brommig geluid. Het is afkomstig van klein, plastic motorvliegtuigje van Russische makelij. Toeristen in heel Pokhara worden warm gemaakt om zo'n ding te huren voor $ 200,- per uur en een vluchtje te maken. En er zijn er veel die zo gek zijn om in zo'n lawaaimaker te gaan zitten. De trance van het biertje en fanta zijn verstoord, tijd om te gaan kaarten. Tashi en Som zitten gelijk weer op het puntje van hun stoel. Sterker nog, Som informeert alvast of de dame raksi in huis heeft. Er volgt een gesprek in het Nepalees en instemmend geknik. Ze heeft het zelf niet, maar gaat het uiteraard regelen. Wij gaan kaarten en de drie dochters komen afwisselend eens meekijken om zich vervolgens weer te verliezen in het spelen met elkaar. Drie verschillende karakters maar alledrie echt schatjes! De stemming zit er bij de eerste kaart al meteen in. Tashi schrikt zelfs als hij Hans in zijn ongeremdheid uitmaakt voor Bin Laden vanwege zijn baard die bijna drie weken lang is. Som kiert het uit om het gezicht van zijn neefje en lacht zich bijna van de stoel. Wat kunnen Nepalezen ECHT lachen zeg. Net als gisteren gaat Tashi vrij slecht, hij staat alweer op een score drie flessen raksi te betalen. Ik ga vandaag echter onverwacht goed. Som heeft gewoon veel lol en smijt de koningen steeds weg onder een luid 'Bye bye, ceremony king!' Een verwijzing naar de huidige Nepalese koning die veel macht over Nepal had, maar onder druk van volksopstand, de uitslag van verkiezingen en internationale invloed uiteindelijk de ruimte heeft gegeven voor een nieuwe, democratische regering die nieuwe wetgeving zal maken voor de besturing van Nepal. Veel Nepalezen verafschuwen deze koning (die de hele koninklijke familie in 2003 (liet) vermoorden) en zien graag dat hij alle macht inlevert en een ceremonieel bestaan gaat leiden. En tijdens het lopen van deze trek wordt er gezegd dat in Kathmandu de onderhandelingen om een regering te vormen tussen 7 partijen, waaronder de Maoisten, succesvol zijn afgerond. Een goed moment om te proosten en met een perfecte timing komt de eigenaresse met een kom verwarmde (zo hoort het) raksi aanlopen die ze onder in het dorp van iemand heeft kunnen overkopen. De drie dochters worden om 16:00 uur alvast weggestuurd met kommen en flessen om verderop in Sarangkot water te gaan halen voor het avondeten. En bij ons worden de kaarten nog steeds geschud. Om 17:00 uur schuift de menukaart tussen de kaarten op tafel en vinden we het wel mooi geweest met de boerenjacht. De menukaart is nauwelijks te lezen, het plakpastic golft er rimpelend overheen. De lodge en haar keuken zijn klein en er zijn al een hele tijd geen gasten meer geweest. Aangezien de eigenaresse er alleen voor staat en ook nog drie dochters van eten moet voorzien vanavond, stellen we voor om gewoon met de pot mee te eten en we schuiven de menukaart aan de kant. De eigenaresse heeft teveel trots om ons Dal Bat voor te schotelen en stelt voor om een groentesoepje en mixed fried noodles te maken. Dat vinden we prima. Zij verplaatst zich naar haar keuken en wij naar een houten tafel met stoelen die voor het lodgewinkeltje staan, want binnen zitten is er hierniet bij. Het is donker en de trap is rustig, alleen Sarangkotters komen af en toe voorbij. De tafel staat onder een rond, rieten dakje dat wordt gesteund door dikke bamboestokken zoals bij een paraplu. De lamp in de punt gaat aan en er daalt een huiselijk licht op ons neer. Het rieten dak rust op vier nog dikkere bamboepalen die in de grond zijn geslagen, een mooi prieeltje. Het is nu de gezelligste plek en we hopen hier wat warmte mee te pikken uit het kleine winkeltje en de keuken die daarachter ligt. Eigenlijk een prima plek om de laatste avond samen met Som en Tashi door te brengen. En de tweede fles raksi is inmiddels ook alweer open. We praten over het verschil in het beklimmen van bergen tussen Europa en de Himalaya. In het gesprek komt Som weer met tal van voorbeelden uit zijn klimverleden. Hij blijkt zelfs geklommen te hebben met Anatoli Boukreev op de Lhotse in 1997 vlak nadat Anatoli de Everest weer (zoals in 1996) had bedwongen. Nu pas, wordt me duidelijk hoe indrukwekkend de klimervaring van onze bescheiden Som is. Hij heeft ook de nodige klimmers op de berg achtergelaten. Hij vertelt het met een diepe, weemoedige blik in zijn ogen. Alsof hij achter zijn ogen de filmpjes van de verschrikkelijke situatie weer aan zich voorbij ziet gaan. Volgens hem zijn veel ongelukken in de Himalaya toe te schrijven aan verkeerde inschattingen van klimmers die vanuit de hele wereld de magie van het dak van de wereld opzoeken. Helaas tevaak, wordt de magie zwart omdat de onvoorspelbare omstandigheden in deze ruige, ijswitte wereld worden onderschat. De beste rotsklimmers die grote wanden in de hoogste moeilijkheidgraden triomferen, komen van een koude kermis thuis als blijkt dat de enige manier om hier rotspassages door te klimmen betekent dat er drie paar handschoenen nodig zijn om de vingers warm genoeg te houden. En dat oefen je 'thuis' niet. We hangen aan zijn lippen en eten ondertussen de soep en noodles op. Hans vraagt behoorlijk door en Som is vanavond erg vrij om te spreken over zijn ervaringen (raksi???). Hij is ook van mening dat we te weinig hebben gegeten en bestelt onder protest van ons toch eigenwijs nog wat Dal Bat voor ons erbij. En even later zitten we gezellig met z'n vieren van de Dal Bat en laatste raksi te genieten. Met Tashi krijg ik een gesprek over de veiligheid voor dragers. Het Annapurna-gebied heeft een aantal plaatsen die er om bekend staan dat er van toeristen gestolen wordt. Hij vertelt dat dragers altijd alert zijn. Het gebeurt dat ook dragers overvallen worden om ze met interessante spullen van toeristen op hun rug lopen. Ze lopen in rustige stukken door het bos nooit alleen of houden elkaar goed in de gaten. Struikrovers in het oerwoud komen vaker voor dan je zou denken. Nu pas, wordt me duidelijk waarom Som er af en toe op gebrand was om bij Tashi in de buurt te blijven of op hem te wachten. En, vertelt hij verder, in tentenkampen houden dragers om de beurt de wacht. Mijn mond valt open, ook bij ons? En hij knikt. Nu pas, wordt me duidelijk wat de kleine, bewegende lichtjes waren die ik 's nachts zag als ik weer eens naar het 'toilet' moest. Ai, dan ben ik wellicht een aantal keren compromitterend gespot.... Tashi heeft gelukkig nog geen erstige dingen meegemaakt, maar vond de keer dat er in Tengboche 17 paar bergschoenen werden gestolen die voor de lodge stonden te drogen, wel memorabel. De eigenaresse van de lodge en haar drie dochtertjes hebben binnen op de grond inmiddels ook gegeten en nu achter ons, buiten, een gezellig houtvuurtje aangemaakt. De drie meisjes zitten van jong naar oud, ieder op een trede van de lange dorpstrap. Zo kan ieder zijn voetjes bij de vloer krijgen. Het ziet er aandoenlijk uit, maar deze drie kleintjes zijn erg zelfredzaam. Vanmiddag werd er water gehaald en nu houden ze om de beurt het vuur professioneel aan met een blaaspijp die ook dienst doet als pook, papiertjes en stukjes hout. Tashi en ik gaan er bij zitten, hij voor een sigaretje en ik om eindeloos in het vuur te kunnen staren. Dat vind ik heerlijk. De moeder komt er na de afwas ook bijzitten en vraagt me verlegen of dit mijn eerste bezoek is aan Nepal, wat voor werk ik doe, wat mijn leeftijd is, of ik getrouwd ben, kinderen heb. We constateren dat we allebei 33 zijn, maar zij heeft vier dochters en ik nog geen. Nog niet eerder voelde ik zo diep van binnen het verschil in welvaart en cultuur tussen Nederland en Nepal. Maar toch voel ik me ook erg met haar verbonden, de vlammen van het vuur lijken als armen om ons heen te slaan. Iedereen voelt zich thuis in de vredige, stille warmte daarna. Som en Hans zijn aan tafel ook uitgepraat en iedereen dut een beetje in. Hans is de eerste die de stilte verbreekt en vragend informeert bij mij of ik me van het vuur kan afscheuren. Het is zo heerlijk, blij kijk ik Hans aan en probeer langzaam op te staan. Dan roept Som dat we de avond moeten afsluiten met een laatste borrel op deze mooie expeditie. Dat vindt Hans wel een leuk idee en ik ook, want nu kan ik nog iets langer meegloeien met het vuur. De eigenaresse haalt wat kleine flesjes uit de vitrine en bespreekt met Som en Hans welke het zal worden. Ik bedenk me dat ik de drie meisjes een souvenirtje wil geven, we hebben in Delft sleutelhangertjes met klompjes gekocht. Ik ga ze uit de rugzak halen en als ik terugkom ben ik net op tijd. De meisjes staan met een tandenborsteltje in de hand en maken zich klaar voor bed. Ik ga naast het haardvuur op de knieen zitten en vraag of ze bij me willen komen. Ineens worden ze verlegen en achterdochtig, maar de moeder moedigt ze aan. En ze stralen als de klompjes in hun handje valt. De oudste wil het morgen in haar haar, de middelste hangt het aan de broek en de jongste weet het even niet. Ze lopen huppelend naar binnen en ik schuif bij Hans, Som en Tashi aan tafel. We slaan de laatste alcoholico van deze trek achterover en kort daarna gaan we slapen. Deze avond was een goede afronding van onze expeditie, ik hoop dat we het morgenochtend het kunnen 'aftoppen' met een helder uitzicht op de hele Annapurna-Range vanuit de uitkijktoren van Sarangkot.

Labels:

zondag, december 10, 2006

17 november, 2006; Bherikharkka / Thulakharkka

Dit is een beschrijving van de zestiende dag van onze klimexpeditie in het Annapurna / Sanctuary gebied, zoals aangekondigd in onze samenvattende post op 20 november. De laatst beschreven dag komt steeds boven aan te staan. Als je het hele verhaal van begin tot eind wil lezen, moet je dus bij de post van 2 november beginnen. Het was best spannend vannacht, ik moest er weer drie keer uit voor een plas. In het donker over een houten, krakend en wiebelend trapje naar beneden. Het pad oversteken en de moestuin in. De geluiden in het junglebos beoordeel ik nu toch anders dan overdag. Zoals ook Black niet helemaal wist hoe hij mijn aanwezigheid op die nachtelijke tijdstippen moest beoordelen: een betalende gast of een rovende insluiper? Voor een insluiper had ik wel een raar hobbelloopje (vanwege mijn ingepakte teen), dus hij blafte twee keer en liep daarna wat om me heen. Bij het trapje naar boven liet hij me steeds weer alleen en kon ik weer heerlijk mijn warme, veilige slaapzak inkruipen. Om 7:00 uur zitten we in de keuken met Som en Tashi voor het ontbijt. We zien nu van dichtbij hoe ‘Gurung bread’ gemaakt wordt, deeg in een pizzavormpje wordt drie keer ingesneden en in de koekenpan met hete olie gebakken tot een knapperig, luchtig geheel. Als ze zijn uitgedropen van het vet, worden ze ons voorgeschoteld met een heerlijk omeletje en de eigen, verse honing. Het is weer smullen. Michael, de kat, loopt net als gisteren weer opdringerig op en om mij heen. En als hij het idee heeft dat ik even niet kijk, laat hij luid van zich horen met een aanstekelijke miauw. Hij blijkt Gurung bread ook lekker te vinden (of vooral de geur van vet!?), maar na de stukjes koek van gisteren besluit ik hem nu maar resoluut de grond te wijzen. Onze laatste kop thee drinken we gezamenlijk met pa en ma van de gastheer, die ook aan de keukentafel zijn aangeschoven. Som betaalt de jonge gastvrouw voor de overnachting, het drinken en eten. Nu zien we voor het eerst het bedrag dat daarvoor over tafel gaat: 1500 Rupies, zo’n 15 Euro voor vier personen. Tja.... daar krijg je als eenzame wandelaar met tent in Nederland net een overnachting op een eenvoudige camping mee voor elkaar. Tashi laadt mijn rugzak, bergschoenen en nog wat eigen spullen in zijn draagmand. Hans en Som pakken hun eigen rugzak, ik mijn bamboestok en onder protest van Black vertrekken we uit deze droomplek. Met gemengde gevoelens, ik had hier best eens een weekje op dit lodge-boerderijtje willen meedraaien, in het ritme van de natuur. Terwijl ik daar over loop te mijmeren, komen we al vrij snel bij de steile klim van 300 meter omhoog, naar de heuvelkom waar Deurali ligt. De zoveelste plaats met deze naam en desgevraagd legt Som uit dat het iets als ‘pasovergang, doorgang’ betekent. Het omhooglopen over de chaotische ‘traptreden’ gaat me vandaag goed af en kan genieten van de natuur om ons heen. Er groeien hier bloedrode ‘kerststerren’ in het wild, in hele grote en hoge struiken. Zo’n 150 meter klimmen verder, komen we bij een grasplateautje met een gezellig tuinterras en een lodge. Tashi rust hier even uit en steekt een sigaretje op. Som kletst even met de eigenaar. Het gaat onder andere over mijn teen, want met een wit verbandje (het is nog ochtend) en een voorzicht loopje is het vrij snel duidelijk dat er met dit meisje iets loos is. We zien in de verre noordwesten een grote witte top boven de groene heuvels uitsteken. We denken dat dit dan ons eerste kennismaking met de Dhaulagiri moet zijn en Som bevestigt dat. Tashi duwt zijn peukje uit op de terrastafel en we pakken de draad van het stijgen weer op.Het pad slingert door het bos omhoog en de kam van de heuvel komt door de bomen steeds dichterbij. Op de kam komen we voor het eerst vandaag in de zon en we worden meteen toegezongen door vogels. Prachtige riedels, ze zouden er ringtones voor natuurliefhebbers van moeten maken. Weer sneller dan Som ons deed voorkomen, staan we prompt in Deurali. De drukte van mensen hier hebben we sinds Chomrong niet meer gezien. Er staan zelfs her en der kraampjes met sieraden en andere toeristische koopwaar. Het feest van hartelijk ‘no, thank you’ zeggen is weer begonnen. In het hart van Deurali kijken we op het zelf geschilderde route cq. panoramabord. In elk dorpje wordt een eigen karakteristieke versie gemaakt en niet zelden worden namen van de grote bergtoppen in de regio in ieder dorp ook naar eigen inzicht ingeschilderd. Dus, eigenlijk hebben we de Ganggapurna, de Annapurna 1 en de Hiunchuli ook beklommen..... Achter de Deuralische versie van de regio, zien we oostwaarts in de verte en deels in de wolken ook de Manaslu. De grillige top is goed te zien. Som heeft er ooit bijna opgestaan, toen hij een Russisch expeditieteam begeleidde. Hij kwam tot 7700 meter toen een plotselinge windvlaag als donderslag bij heldere hemel een paar klimmers wegvaagde. Zo langzamerhand beginnen de indrukwekkende klimverhalen van Som zich wel op te stapelen... Na even dralen, lopen we verder tot teleurstelling van de Nepalese eigenaresse van het theeterras naast het panoramabord. Een half uurtje later wandelen we het volgende dorpje Pothana binnen. Tussen Deurali en Pothana is het wandelpad behoorlijk druk met lokale bevolking. We komen nu weer rond de 2.000 meter en naderen langzaam maar merkbaar de bewoonde wereld. Tussen de dorpen wordt steeds meer gehandeld, dragertjes lopen met van alles heen en weer. Aan het eind van Pothana, kiest Som het terras van een vrolijke, gezette Nepalese dame die op het trapje in de zon zit te wachten op deze momenten. Of eigenlijk dwingt ze deze momenten af, want Som kon haar hartelijkheid niet weigeren. We ploffen neer op de smurfblauw geschilderde houten banken en de kippen stuiven weg. We krijgen een glas thee en de dame blijft vrolijk ratelen tegen Som. Misschien zelfs wel een beetje flirten ook. Hans kijkt eens op de kaart en ziet dat we al bijna in Thulakharkka zijn. Hooguit een half uurtje à drie kwartier lopen, dus dan zijn we om half 11 op de eindbestemming van vandaag. We discussiëren even of we moeten voorstellen vandaag nog verder door te lopen. Ik zou het voor mijn tenen niet erg vinden om wat exra rust te nemen, maar dichter bij Pokhara zijn voor het geval het mis gaat met de teen, is ook een prettige gedachte. Tot nu toe weet Som de leuke plekjes op de route goed te vinden, dus ik stel voor het in Thulakharkka opnieuw te bezien. Hans mort en Som komt hierop met goede intuitie ook even op de kaart kijken om polshoogte te nemen. Hij kan de mor van Hans inmiddels wel plaatsen, want Som weet dat Hans niet echt vrolijk wordt van lang ‘nietsdoen’ (alles wat niet met lichamelijke inspanning te maken heeft); lange benen van triathleten lopen graag door. Die van mij zouden ook wel willen maar er is 1 heel klein lichaamsdeeltje dat dapper tegenstand biedt... Som stelt ook voor om eerst Thulakharkka te bekijken, rustig te lunchen en dan te beslissen hoe de rest van de dag eruit zal zien. Overeenstemming. Som betaalt de thee en we vertrekken. De eigenaresse zit nog steeds vrolijk doorpratend, met haar rimpelige gezicht in de zon. In haar handen een kommetje gebakken linzen om tussen de regels door op te knabbelen en af en toe een kip blij te maken. Na Pothana komt vrij snel de splitsing naar Thulakharkka. We laten het doorgaande hoofdpad naar Damphus waarover de Sanctuary Trek ‘officieel’ loopt, rechts liggen en volgen nu een klein rotspaadje omhoog. Het bos wordt nu steeds vaker afgewisseld met kleine grasweides vol met paarse bloemklokjes en ook de vogelgeluiden lijken nog meer toe te nemen in aantal en soort. Som probeert enthousiast zijn eigen vogelkennis hardop uit en bakt er allerlei uitleg omheen. Maar wij bakken er niets van, het is te warrig qua inhoud en engels om hem te kunnen volgen. Het blijkt inderdaad maar een kort wandelingetje. We lopen een vlak en open stuk op, de aarde wordt horizontaal en het uitzicht weids. Het pad wordt nu aan beide kanten omgeven door een meterhoog muurtje van gestapelde rotskeien. Daarachter grasland en her en der wat huisjes, kippen, grazende buffels en geiten. Dit is Thulakharkka, inderdaad die weidse vlakte waar ruimte is voor alle dieren zoals Som gisteren het verschil met de betekenis van ‘Bherikharkka’ heeft uitgelegd. Tashi stapt voor mij de drie, speciaal uitstekende, platte stenen in het muurtje op voor een oversteek naar het grasland daarachter. Ik volg hem via dit ‘trapje’ maar als ik aan de andere kant sta, zie ik dat twintig meter verderop gewoon een geplaveide opgang is met een mooi toegangshekje. Tja, ik ben en blijf een klimmer natuurlijk. We lopen schuin het grasveld over naar een lodge van twee verdiepingen, in een winkelhaak gebouwd. Een jonge Nepalese man met baby op de arm begrot ons hartelijk, hij is de eigenaar. Som schudt hij lachend de schouder, ze kennen elkaar nog van de jaren dat Som veel grote groepen in tenten-trekking of klimexpeditie begeleidde. Want het grasveld is een ideale, vlakke kampeerplaats. We ploffen op een houten banktafel voor de lodge neer en krijgen een kop thee en de menukaart. Hans gaat weer voor de mixed noodles en ik ga voor een gurung bread met kaasomelet. We zitten in volle zon, Som spoelt zijn sokken uit bij het waskraantje en hangt ze aan de waslijn. Ik krijg enorme zin om op het veld te gaan liggen. Net als opa, die de kleine dreumes van de arm van papa heeft overgenomen (want papa is de lunch aan het verzorgen) en nu met haar speelt in het gras. Ik fluister Hans toe dat ik dit wel een prima plekje vind om te blijven. Hij lijkt nog niet overtuigd. Ik stel Tashi voor om te gaan kaarten terwijl we op de lunch wachten. Zijn ogen glimmen, dat vindt hij wel een aantrekkelijk idee. We kijken even ongemakkelijk heen en weer als we een keuze moeten maken welk spelletje we dan gaan spelen. Hans en ik willen graag een Nepalees kaartspel leren dus we doen een beroep op de creativiteit van onze drager. Hij roept Som erbij zodat we het spel ‘boerenjacht’ kunnen spelen, waarvoor je met vier spelers moet zijn. Hoe gretig kan iemand de kaarten ter hand nemen? Som steekt zijn enthousiasme in ieder geval niet onder stoelen of banken. Daar houd ik van, mensen die vol overtuiging voor een spelletje gaan. Het is heel simpel: Iedereen gooit de paren die hij in het begin heeft of tijdens het spel verzamelt op tafel, om een paar te krijgen pak je steeds een kaart bij je voorganger. En degene die uiteindelijk met ‘the Jack’ of die ene boer die in het spel zit, blijft zitten, is de pineut. Som wil wel om raksi spelen, maar geeft toe dat het voor alcohol wel een beetje aan de vroeg kant is. Wij grappen met hem mee. Jeetje, deze kant van Som heb ik nog niet eerder gezien en ook Tashi komt helemaal los. Gezellige boel zo, in de middagzon. Die gezelligheid moet aan de kant als onze lunch dampend uit de keuken komt. Ik voel me hier inmiddels helemaal thuis en vertel Hans dat ik de middag wel wil gebruiken om mijn teen rust te geven en te laten drogen in de buitenlucht. Ik krijg nog geen antwoord, maar er wordt hard nagedacht. En even later hoor ik hem tegen Som zeggen dat we het prima vinden om hier te blijven. Som kijkt blij. Hij stelt voor om de middag te gebruiken ook wat van onze spullen te wassen en Hans zoekt meteen het waskraantje op mijn zijn sokken en onze T-shirts. Ik ben geinspireerd door de combinatie van de woorden ‘schoon’ en ‘wassen’ en vraag een emmer warm water om mezelf en vooral mijn voeten te wassen (want die worden vies als je op Teva’s loopt). En mijn haar mag ook wel weer eens aan de frisse shampoo ruiken. Na al dit gewas, zitten we om half twaalf weer aan de banktafel op het grasveld. Tja, nu moet er natuurlijk om raksi worden gekaart. Ik maak een blaadje om de score bij te houden en er wordt meteen door Tashi gedeeld. Op de achtergrond leggen papa en mama hun Nepalese baby-dochter in de van bamboe gevlochten wiegmand die aan lange touwen schommelt in de schaduw van de eerste verdieping van de lodge. Geheel tegen mijn verwachting in, blijkt Tashi veel te verliezen. Net als ik, maar dat is volgens verwachting. Samen halen we de raksi met grote halen binnen. Hans en Som staan lang droog. We vermaken ons opperbest en alhoewel de zon verdwijnt, zitten we tot 16:00 uur buiten te kaarten. Som laat er zelfs chips en zoutjes bijkomen, die uit de achterste hoeken van de lodge tevoorschijn worden getoverd. Ik twijfel aan de houdbaarheidsdatum, maar alles knappert fris in de mond dus dat zit wel goed. Op de achtergrond zijn er twee Nepalese begeleiders gearriveerd van een grote groep Japanners met tententrek. Na een geanimeerde woordenwisseling tussen hem en Som, blijkt het weer de groep Japanners te zijn van de Annapurna I Expeditie. En niet veel later komen inderdaad een paar voor ons bekende gezichten en een hele hoop dragers het terrein op. Na alle soorten raksi (wit, licht- en donkerbruin, met vetdruppels), is dit een goed moment om de kaartorgie te stoppen. Ik ga op jacht naar het toilet om een deel van de boel weer te lozen. Als ik terugkom is er een enorme cahos: het tentenkamp wordt opgebouwd en niemand heeft in de gaten dat alle loslopende kippen uit Thulakharkka zich op de houten banktafel hebben gestort om het laatste van onze zoutjes van ons af te ‘pikken’. Ik lach me rot. In de chaos bestellen we ons avondeten en ik klets in de opkomende mistwolken nog even met de gids van de Japanners, die we van de Tharpu-beklimming kennen. Hij deelt zijn kennis over frostbite met mij en kijkt mee in het verband. Infectie voorkomen en in Pokhara naar het ziekenhuis is ook zijn advies. In de mist en opkomende schemer is het erg koud geworden buiten en we gaan naar de dining room. De eigenaar steekt de houtkachel aan en die is in mum van tijd (g)loeiend heet. Tashi, Hans en ik gaan eromheen zitten en met een biertje en raksi wachten we de pizza van Hans en mijn portie Dal Bat af. Ook de dragers van de AP I Expeditie worden aangetrokken door de warmte van de kachel en schuiven hun stoelen aan in de kring. Er wordt gepraat over van alles: politiek in Nepal, klimervaringen en familierelaties. In het vuur van het gesprek neemt iedereen ook steeds meer afstand van de houtkachel die haar hitte steeds verder de ruimte induwt. We gloeien na het eten na met een sterke koffie en gaan dan naar ons kamertje op de eerste etage. Langs de metalen trap lopen we omhoog en ik bedenk dat ik hier vannacht moet uitkijken. Voor het slapen gaan doen we de inmiddels routine-inspectie van de matrassen; ze lijken redelijk, 10 centimeter schuim. We nestelen ons erop, merken dat het weer tegenvalt maar vallen toch uitgeteld om negen uur in slaap (raksi..!?).

Labels:

zondag, december 03, 2006

16 november, 2006; Jinhu / Bherikharkka

Dit is een beschrijving van de vijftiende dag van onze klimexpeditie in het Annapurna / Sanctuary gebied, zoals aangekondigd in onze samenvattende post op 20 november. De laatst beschreven dag komt steeds boven aan te staan. Als je het hele verhaal van begin tot eind wil lezen, moet je dus bij de post van 2 november beginnen.

Om half zes vanochtend roept mijn volle blaas me weer wakker voor de dag. De volgende gewaarwording is een heftig kloppende en pijnlijke voet. Maar goed, er moet eerst geplast worden. Daarna val ik niet meer in slaap, onzeker over het feit of ik me zorgen moet maken over mijn teen. Ruim na half zeven kust Hans me wakker, kennelijk ben ik toch nog ingedommeld. Tijdens het aankleden probeer ik mijn voet een beetje uit, het is niet beter en ook niet slechter. Om 7:00 zitten we volgens het strategisch plan van Som aan de ontbijttafel. Ik doe mijn lenzen in en verbind mijn voet met een vers gaasje en tape. Geheel tegen de verwachting in, komt het ontbijt best snel. We genieten van het vers gebakken gurung brood en de pannekoek. We vragen nog een extra potje koffie want een ‘small pot’ is hier niet eens hetzelfde als 2 kopjes koffie bij elkaar. Het blijft een eigenaardige keuken.

Om 8:00 uur vertrekken we naar beneden, naar New Bridge. Het gaat vanaf het begin af aan K. Ik baal omdat we nu vandaag een voor ons nieuwe route lopen, anders dan op de heenweg. En ik ben vooral gedwongen om naar beneden te kijken en niet van de onbekende omgeving en uitzichten te genieten. Opstandig besluit ik dat mijn teen niet het plezier en het hier zijn mag vergallen. En als Joosen iets in haar kop heeft... We passeren een boerderijtje in de zon waar een vrouw op het land bewust gilt en lokale dragers stenen gooien richting bomen lager op het land. Er blijkt een wilde aap te zitten, voor ons een leuke attractie, voor hen een voedselrover. Dit zet mijn humeur om naar een zonnigere stand.

New Bridge is een bloemige plaats met uitzicht door het dal op de Annapurna II. Voor de stijgers onder de trekkers nog een fotomoment, de dalers kunnen dit plaatje inmiddels dromen. We drinken een kopje thee op het eerste terras, vlak boven een klein moestuintje waar een oud Nepalees vrouwtje rode pepers te drogen legt. Even later pikken we Tashi op, dit op het onderste terras op ons stond te wachten, en lopen naar de hangbrug over de ruige Modi Khola. Die moet tijdens de Monsoon dus nog veel ruiger zijn! De hangbrug is best wel wiebelig, maar een mooie oversteek. Aan de andere kant lopen we redelijk vlak, soms vals plat een jungle-achtige omgeving in met veel meer water dan aan de andere kant van de vallei. We horen veel krekels en zien mooie natuur met veel stevig grote, groene bladeren. Ook de bloemenpracht is in november nog steeds fris en fleurig. Deze omgeving verandert met het stijgen langzaam in een overzicht van rijstveldjes, bananenbomen, kuddes geiten en tegemoetkomende buffels. Alles glinstert in de zon en ik volg de sprinkhaan die mijn pad kruist met mijn ogen de rijstvelden op.

Om 11:00 uur komen we met het pad nu tussen lage muurtjes aan in Langdrung. Het is een groot dorp en via trappen lopen we door naar het bovenste deel: daar staat Tashi op ons te wachten bij de Hungry Eyes Lodge. OP een terras overgoten met bloemen en zon, stelt Som voor rustig te pauzeren en lunchen. We nemen eerst een cola voor de verkoeling en bestellen daarna onze lunch: pompoensoep, uiensoep en groentecurry met rijst. Terwijl we wachten op het eten, komt de dochter van de lodge-eigenaar op het trapje naast ons tafeltje zitten. Met een reden, ze wil haar rugzakje vol Tibetaanse ‘handicrafts’ laten zien. Met een ijzersterke tactiek stalt ze alles één voor één op een dekentje naast mijn stoel uit, gaat even weg en komt dan weer terug om een paar specifieke sieraden aan te prijzen. We kopen ze liever hier dan in Kathmandu of Pokhara, want hier hebben de mensen het harder nodig dan in de stad. En ik zie er voor het eerst een ketting bij die me aanspreekt, in donker paarse steentjes. Ik vraag naar de prijs en dat blijkt 1100 rupies te zijn inclusief de bijbehorende armband. Dat vind ik dan wel weer meer dan verwacht. Ik voel me op het terras met Som aan tafel niet comfortabel om enorm te gaan afdingen, dus we komen uit op 800 rupies. In de tussentijd is Tashi een koude douche gaan nemen en zijn kleren aan het wassen. Die worden uitgestald op de zonwarme stenen van het terras. De lunch komt en die is echt heerlijk. We eten rustig en ik bewonder de wolken in de vallei die naar boven uitbouwen en dan als wimpels de bergkammen overwaaien. We kijken wat, we drinken wat en zo zitten we twee uur op dit terras. Om een uurtje of één stappen we op, we gaan naar het kleine plaatsje Bherikharkka.

Als we Langdrung bijna uit zijn, komt er een fancy geklede Nepalees op ons af en ik hoor Hans verzuchten; ‘Nee hè, daar heb je ze weer’. Hij heeft de rode vlag van de Maoisten al wel zien hangen. Ik zeg meteen dat we al betaald hebben en loop stug door. De Maoist vraagt naar het bewijs en Hans roept, naar achter wijzend, dat het ergens in de bagage zit. Ook hij loopt door. Som bevestigd ons verhaal en het bonnetje hoeft niet uit de bagage getoverd. Zonder verdere slag of stoot laat de Maoist ons gaan. Is erin moeilijker dan eruit? We zijn in ieder geval opgelucht dat we het bonnetje niet hoeven te laten zien want we hebben minder dagen betaald dan dat we in de vallei zijn geweest. Eindelijk is het wel een keer gelukt om ze zonder betaling te passeren. Misschien omdat ze nu ver zijn met de onderhandelingen om deel te nemen aan de nieuwe regering?

Het pad dat Langdrung uitloopt, blijft op ongeveer dezelfde hoogte en volgt de golven van de vallei. Een hond die ik toesprak in het dorp, sjokt nu al een hele tijd met ons mee. De huizen liggen achter ons en we lopen nu via een stuk met rijstvelden weer de groene jungle in. Hier nemen we afscheid van de blonde hond. Na een tijd lopen door deze groene pracht, stoppen we bij een dragersrustplaats voor een korte ‘Tashi-break’ zoals Som dat altijd zegt. Er komen plots twee buffels in galop voorbij, in de richting van Langdrung. Som legt uit dat ze zeker een eigenaar hebben, maar gewoon los in het junglewoud rondlopen. Tashi haalt ondertussen onder uit zijn draagmand een zakje sinaasappelpoeder dat we oplossen in ieders waterfles. Het smaakt heerlijk, het is een koude versie van de ‘tang’ die we kennen uit het Ama Dablam Basiskamp. We kletsen wat, Tashi rookt zijn sigaretje op en we beginnen aan het laatste stuk. We lopen langs een idyllisch watervalletje. We steken het kabbelende water via losse stenen over en via een trapje en een bocht staan we ineens tussen de twee huizen van Bherikharkka. Links van het stenen pad een lang gebouw dat gebruikt wordt als lodge, met een winkeltje onderin. Rechts een ‘terras’ met houten banken en daarnaast een klein, open huisje met één grote ruimte dat dienst doet als keuken en woonkamer. Hier woont het jonge echtpaar, dat alles hier beheert. We kijken zo op de rekken met potten en pannen, er hangt van alles aan het plafond en op het houtvuur staat een grote ketel te pruttelen. Het is een fantastisch boerderijtje met kalfjes, geitjes, loslopende kippen, een hond (Black) en twee poezen waarvan de brutaalste Michael heet. De dieren lopen ook regelmatig vrolijk deze woonkeuken binnen om een graantje mee te pikken. Genietend van een kop thee, ontdek ik op twee plekken oude boomstronken die dienst doen als bijenkorf. De bijen vliegen in en uit. En zo hebben ze hier hun eigen verse honing om de thee mee aan te zoeten. Om de gebouwtjes heen ligt een mooie moestuin. Ik voel me meteen thuis en maak foto’s voor pa en ma.

Aan het eind van de middag vraag ik wat warm water om mijn voeten te wassen. Het vel van de top is nu bijna helemaal afgescheurd, dus ik moet voorzichtig zijn dat het er niet afkomt want met deze extra laag is het makkelijker infectie te voorkomen. Ik pak alles weer zorgvuldig in, terwijl er één van de twee geitjes nieuwsgierig komt koekeloeren. Ze is losgelaten en nu zie ik pas dat ze kreupel is aan 1 voorpootje. Ze ‘loopt’ op haar knietje. Samen strompelen we terug naar de keuken. Daar is Tashi met de vrouw des huizes bezig om de net geslachte en geplukte kip om te toveren in verse kippensoep en chicken-curry. Tashi had de kip al uitgezocht op weg naar Bherikharkka. Een drager met een kooi vol kippen op de rug passeerde ons en na wat gemompel van Som en Tashi, werden er meteen zaken gedaan. De zon is weggezakt en het Bherikharkka wordt kil en snel donker. Met een glaasje huisgestookte raksi (alcoholisch graanbrouwsel) en pindakoeken worden we uitgenodigd in de donkere keuken. Naast het houtvuur zit een Indiër op de grond die vandaag met zijn handelswaar aan is komen lopen. Hij valt weg in het interieur en de donkere atmosfeer. Als we even later van onze verse kippensoep smullen, blaft Black. De ouders van onze gastheer komen door de donkere schemer aanlopen en hebben een voorraadje alcoholflesjes voor de verkoop meegebracht. Ze doen meteen mee in het rimte van Bherikharkka. De zoon is druk bezig om met een speciale lokroep de kudde buffels en geiten binnen te halen. Die er dus ook nog zijn... Het duurt en duurt maar en terwijl ik denk dat het mis is, blijft hij reuzekalm. En natuurlijk heeft hij gelijk, na een half uur komen de buffels aanlopen en brengt hij een kudde geiten thuis.

We eten vanavond gezellig met de pot mee en Som en Tashi en wij krijgen gelijkertijd de rijst, groentecurry, linzensaus en heerlijke kip. Afgeblust met raksi, dat eigenlijk vooral smaakt naar water, maar dan wel gezuiverd met een scheutje alcohol! Weer eens wat anders dan thee. Vader zit in kleermakerszit prominent aan het hoofd van de kleine tafel, moeder helpt de schoondochter bij het houtvuur. Maar volgens mij is ze daar vooral bezig om lekkernijen voor haar man te regelen. En als alle bloemen buiten ook water hebben gehad, schuift zoonlief eindelijk aan in de keuken. Ik vind het echt Bheri-gezellig en ben blij dat we onderdeel mogen zijn van dit huiselijke tafereel. Ze proberen ons echt bij het gesprek te betrekken en wij doen ons best er wat Nepalese woordenkennis tegenaan te gooien. Om 20:00 uur komt van nature een einde aan deze avond, want iedereen is moe. Het lukt me ook niet meer om mijn ogen in deze donkere ruimte open te houden. We zijn inmiddels helemaal gewend aan het leefritme; opstaan met de zon en naar bed als hij onder is. Na een sanitaire stop in het WC-huisje in de moestuin, stommelen we het houten trapje op naar de kamertjes. We kijken door gaten in de planken in de slaapkamer van Som en Tashi naast ons. Maar als de hoofdlampjes uit zijn, is het toch pikkedonker. Morgenochtend weer om half 8 ontbijt en daarna een korte route naar Thulakharkka; dit betekent een grote weide voor alle dieren samen. Bherikharkka betekent een kleine beestenstal, weinig plaats. Nu zijn we omringd door junglebos, benieuwd wat Thula ons morgen te bieden heeft....

Labels:

15 november, 2006; Sinuwa / Jinhu

Dit is een beschrijving van de veertiende dag van onze klimexpeditie in het Annapurna / Sanctuary gebied, zoals aangekondigd in onze samenvattende post op 20 november. De laatst beschreven dag komt steeds boven aan te staan. Als je het hele verhaal van begin tot eind wil lezen, moet je dus bij de post van 2 november beginnen.

Jeminee...vannacht ben ik maar liefst 4 keer naar de WC gerend. En ik maar denken dat het minder wordt als je afdaalt. No way. Na de vierde keer om 7:00 uur begint onze veertiende trekkingdag en mag ik mijn warme slaapzak niet meer induiken. Bij het inpakken ontdek ik dat een flesje shampoo in mijn toiletzak kapot is gegaan, alles zit lekker ondergesmeerd. Het goede nieuws is dat het heerlijk ruikt. Het slechte nieuws dat het mijn ochtendritueel enorm vertraagd. Na dit gepruts, schuiven we om 7:40 aan het ontbijt: appelpannekoek, chocopannekoek en gurung brood met jam. Het smaakt goed en tijdens het smikkelen zien we door het raam al groepen en dragers met ‘groentewinkels’ op hun rug gepakt, langs het raam van de lodge voorbijkomen. Ze lopen van Chomrong naar Deurali. Wij gaan in tegengestelde richting eerst terug naar Chomrong. Vandaar uit gaan we een voor ons nieuwe route lopen, omlaag naar Jinhu. Ik heb vandaag mijn bergschoenen verruild voor mijn Teva’s en bedek mijn teen met gaasjes en tape. Het vel is op een aantal plaatsen losgescheurd en de wond geeft veel vocht. Het wordt een elegant wit ‘voorsokje’ dat uit mijn rechter Teva steekt. Maar een infectie willen we ook niet. Ik merk al snel dat het lopen met een ‘vrije teen’ me beter afgaat. Onder een vriendelijk familiegewuif, lopen we Sinuwa uit. Mijn tempo ligt hoger dan gisteren en ik ben daar alleen al best wel happy mee. Het is nog steeds niet duidelijk hoe alles zal aflopen, maar dit is letterlijk een stap in de goede richting.

Het afdalen naar Chomrong gaat goed en de ochtendzon doet de stenen treden van de lange rotstrappen glinsteren als water. Beneden bij de rivier houden we even pauze om ons voor te bereiden op de klim omhoog, want die ligt in de brandende zon. Hans stopt zijn afgeritste broekspijpen weer eens in zijn sokken, tot grote hilariteit bij Tashi en Som. Kennnelijk zagen zij het nu voor het eerst. Onder wegstervend gelach pakken we allemaal een eigen tempo op en stijgen naar de ons bekende Lucky Lodge voor een theepauze. Op de lange trap omhoog wordt ik omringd, gepasseerd en besproken door schoolgaande kinderen. Allemaal netjes in kostuum, de meisjes het haar in vlechten of een staart en netjes afgemaakt met platte, rode strikken. Ze zijn vrolijk en verlegen beleefd. Als ik uiteindelijk aankom bij onze Lucky Lodge, zie ik Hans nergens. Of toch...? Hihi, hij is in een ritmische trance doorgelopen en nu een stuk boven mij op de trap. Lachend roep ik hem terug. Hij denkt aanvankelijk dat er een foto moet komen, maar realiseert zich dan dat hij te ver is doorgelopen en komt vertwijfeld over zijn actie, teruggebanjerd over de trap. Hij komt tegelijk het terras op met Som, die van beneden komt, en we worden hartelijk ontvangen door het echtpaar dat de lodge beheert. Ik herken ze meteen weer. Nima en de andere dragers hebben afgelopen nacht hier geslapen en zijn vanochtend heel vroeg, om 6:00 uur vertrokken.

Onder het genot van een kop thee en de zon, kijken we precies op het schoolplein, 100 meter schuin onder ons. Om 10:00 uur precies gaat de gong en volgt er een gezamenlijke bewegingsles op tromgeroffel om de schooldag te beginnen. Netjes in rijen zien we de kinderen gelijktijdig hun oefeningen doen, het ziet eruit als een dagelijks ingesleten ritueel. Het herinnert me aan het begin van de Japanse schooldag, die ik meerdere malen heb mogen meemaken toen ik in 1995 stage liep in Toda, Tokyo. Na 10 minuten zien we Tashi langs het schoolplein ook het terras van de Lucky Lodge naderen...hij heeft de trap weer bedwongen en kan zijn t-shirt uitwringen. Hans en ik neuzen na de thee even in de lokale Tibetaanse souvenirshop en we kijken naar een staaltje knikkeren van Ram, het zoontje van het lodge-echtpaar. Tashi daagt hem uit en schiet de knikker die in de vingers van de linkerhand verstopt zit, met zijn wijsvinger van de rechterhand veel harder weg dan Ram durft te dromen. Weer een kierend Nepalees kind dat blij is met weinig en de rest van de dag enthousiast door zal knikkeren.... Wij zetten koers op Jinhu en ik krijg al zin in de hot springs, want ik zweet me vandaag een ongeluk. We beginnen de steile afdaling en nemen definitief afscheid van Chomrong.

Tashi snelt vooruit, het is prettiger om met een zware draaglast een vlot tempo te nemen en ik vermoed dat hij wil compenseren voor de achterstand die hij op de trappen omhoog vanochtend had opgelopen. Hij glijdt over het pad naar beneden. Ik laat Hans ook langsgaan om zijn grote passen in volle vrijheid te kunnen zetten. Som blijft beleefd achter mij plakken en ik blijft goed opletten want ik wil mijn teen niet stoten op dit veel robustere pad dan de gelikte trappen van Chomrong. Het gaat goed en tegen 12 uur zijn we weer verenigd in Jinhu. Het zag er van bovenaf al gezellig uit: bloemen, parasolletjes, veel kleuren. We ploffen neer in Jinhu Guesthouse. Op het dakterras hebben we een schitterend uitzicht over de hele vallei. We bestellen onze lunch en als we wachten, besluiten we het vochtige en vieze verband van mijn voet te halen, zodat zijn teen een keer kan drogen in de zon en buitenlucht. Tot mijn grote verbazing zie ik een erg rood, vochtig en bloederige teentop. Als we wat beter kijken, zien we dat de losgeweekte buitenkant inclusief de nagel half van de teen zijn gescheurd. Op zich is dit wat er moest gebeuren, maar vanaf nu wordt het dus echt serieus uitkijken voor infectiegevaar. Dus ik duw de oude buitenkant er als een beschermhoesje (vinger- of eigenlijk beter ‘teen’hoedje) zo goed mogelijk terug overheen. De buitenlucht mag vanaf nu zijn werk doen.

De lunch laat behoorlijk op zich wachten, maar daaraan zijn wij in Nepal inmiddels al aan gewend geraakt. Bedenk maar gewoon dat het eten vers en met liefde wordt klaargemaakt. Ik besluit alvast wat kleren te gaan wassen, zodat ze kunnen drogen in de zon. Maar, ik raak op onze kamer het hangslot van de kamerdeur kwijt. En na een kwartier wezenloos zoeken, begin ik aan mezelf te twijfelen. Zonder hangslot laat ik de kamer me al onze spullen geen minuut alleen, dus ik moet het vinden. Som en Tashi (ze zijn altijd in de buurt, stel dat je ze nodig hebt..... toch handig) zien me zoeken en vragen wat er aan de hand is. Na mijn uitleg zoeken ze schaamteloos mee tussen al onze spullen. En daar hoort ook de stapel vuile was bij, inclusief onderbroeken, die ik net apart had gelegd. Tashi vindt het hangslot vrij snel, het ligt samen met het fototoestel in de Beverzak à la toilettas van Hans. Omdat er veel ramen in deze kamer zitten, had ik besloten het fototoestel uit het zicht te leggen. In de Beverzak dus en het hangslot was geniepig meegevallen. Vrolijkheid bij de Nepalezen, truttigheid bij mij. En nu moest het wassen ook uitgesteld, want de lunch was inmiddels wel klaar natuurlijk. We eten soep, Hans heeft patat en ik mixed momo’s. De kok verontschuldigt zich nog aan drie Fransen die langer zaten te wachten en al een keer ongeduldig naar hun eten hadden geïnformeerd. Normaal, in het hoogseizoen, als er veel trekkers en dragers langs komen durft de keuken wel een voorschot te nemen op alle bestellingen en de hoeveelheid Dal Bat. Nu is het toerisme mager, dus alles wordt op bestelling gemaakt. Helder verhaal.

Na de lunch doen we alsnog de was en hangen het op de plaatselijke waslijn in de zon. We pakken het topvak van Hans’ rugzak in voor ons tripje naar de hot springs, beneden bij de rivier. Er gaan in ieder geval 2 plastic zakjes en tape mee om mijn voet in te pakken, het fototoestel, een droge onderbroek en twee reishanddoekjes. Tashi gaat uiteraard mee om ons de weg te wijzen die overal met houten wegwijzers staat aangegeven. We dalen 15 minuten af door de jungle naar de rivier en komen uit bij drie mooie hotsprings, die naast een ruisende rivier liggen. In eentje zitten de 3 fransen, wij pakken de middelste die direct onder de bron ligt. Als mijn voet is ingeplastiekt, gaan we het heerlijke warme water in. Het is precies goed van temperatuur. Tashi maakt meteen foto’s van ons en omdat we graag wat langer willen badderen, zegt Hans dat Tashi zich niet verplicht moet voelen er de hele tijd bij te blijven. Want meebadderen doet hij niet tijdens het werk; je wordt er loom, lui van en licht in je hoofd. Tashi knikt opgelucht, steekt een sigaretje op, kletst nog wat met een andere Nepalees en vertrekt geruisloos. Wij genieten van het geluier en de geur van de natuur op deze plek. We liggen in heerlijk, lichaamstemperatuur-water en we kijken naar een kolkende massa ijswater dat hard langskomt, afkomstig van de gletsjers boven. Na een tijdje komt er een Brits echtpaar in onze hotspring bij en we besluiten langzaam op te stappen uit deze oase. Hans gaat eerst, helpt me uit de hotspring en gaat dan volleidg onverwacht en onbedoeld op mijn rechtervoet staan. Het duurt even voordat ik het doorheb, maar schreeuw de stilte van deze mooie plek in 1 seconde weg. Alle ogen van de hotsprings en de jungle zijn nu vermoedelijk op mij gericht. Shit. Hans is zorgzaam en ook erg geschrokken, hij laat me zitten op een steen. Na een minuutje gaat het weer, we lachen om elkaars dommigheid en willen hier nu wel snel weg. Er staat een soort bouwvallig huisje van tegen elkaar gebonden golfplaten, daarin kunnen we ons afdrogen en omkleden. We stoppen nog 50 Rupies in een donatiebox van een plaatselijke Nepalees die zijn dagen bij de hotsprings doorbrengt. Hij lacht dankbaar. Langzaam lopen we terug omhoog, heerlijk gescrubd en gewassen tot achter de oren, maar inderdaad wel loom en licht in het hoofd.

Terug bij de lodge besluiten we nog even door te baden in dit weelderige gevoel en we bestellen Pringles en prik. Na 10 minuten komt Som met zijn gebruikelijke middagthee en koekjes aanzetten. Hoeveel weelde kun je voelen?

Ik kijk weer naar mijn teen; Nu hangt alles er echt onder. Dus frut ik het maar weer terug en plak het om het op z’n plek te houden toch maar weer vast met een gaasje en tape. Met warmere kleren aan gaan we om 17:00 uur in de dining room zitten. De keuken blijkt gewoon altijd langzaam, want iedereen moet langer wachten dan dat net vol te houden is. Als wij onze soepies, macaroni & pizza op hebben, valt Tashi uitgehongerd aan onze tafel. Hij vloekt op de luie mensen in de keuken. Even later komen ze hem nog tot 2 x toe halen, kennelijk is bekend dat hij een goede kok is. We begrijpen het allemaal pas echt, als even later een verjaardagstaart wordt binnengebracht voor Mickey, een Israelische puber die met zijn vader op reis is en vandaag 18 is geworden. Tashi is ’s middags al gecharterd om een verjaarsdagscake te maken, want de huidige keukenstaf had geen idee hoe dit aan te pakken. Het is een heerlijke chocoladecake geworden, met eiwitgeklopte creme (een uurtje klopwerk) en jamletters. Dus als Mickey iedereen een stukje taart aanbiedt, zeggen we geen nee. Want alles wat Tashi maakt is verrukkelijk. Ook Tashi zelf pakt gretig een stukje van zijn eigen baksel aan, maar vooral omdat hij honger heeft en de keuken verwijt dat ze niet eens Dal Bat op tijd kunnen voorschotelen. Hij loopt nog een paar keer vermanend naar de keuken op en neer en krijgt eindelijk om half 9 zijn avondeten. Op aanraden van Som bestellen we het ontbijt maar om 7:00 uur, in de hoop dat we het om 8:00 uur geserveerd krijgen. Het teentje laten we vanavond maar even zo en we zoeken ons slaapkamertje op. Ik hang de was die nog niet droog is aan de bamboestok die ik voor de gelegenheid horizontaal in het rooster van het raam heb gestoken. Morgen steken we over naar de andere kant van de vallei, kunnen we het daar eens van dichtbij bekijken.

Labels:

Chitwan, Kathmandu

Na een weekje chillen in de jungle van Chitwan zijn we sinds vrijdag weer terug in Kathmandu. Nog steeds is het hier zeer goed uit te houden: elke dag blauwe lucht en een graadje of 20-22. We verlangen nog niet zo heel erg naar de regen in Nederland (al geloof ik dat het met de winter nog wel meevalt). In het zuiden van Nepal, bij het National Park Chitwan, zijn we vier dagen geweest. We zaten in een huisje (cottage) vlak bij de rivier die het begin van het reservaat markeert. Regelmatig hoorden we verhalen over neushoorns en olifanten die de rivier overstaken op zoek naar eten. Gelukkig zijn ze niet bij onze lodge langs geweest. Wat we wel in de rivier hebben gezien zijn vooral veel olifanten. Elke ochtend om elf uur werden een aantal olifanten uitgebreid geschrobd in het water. Daarbij ging het er bepaald niet zachtzinnig aan toe. Als borstel werd een kei uit het water gebruikt, maar de olifanten genoten er erg van (een olifantenhuid hè). Wij zaten ondertussen rustig aan de koffie op het terras, af en toe nat gespetterd door het water van een overenthousiaste olifant. De olifanten die lekker gingen badderen hadden er over het algemeen al een werkdag op zitten. Zowel 's ochtends als 's middags werden er een aantal toeristen opgezet (maximaal vier) voor een junglesafari. Dit hebben wij natuurlijk ook gedaan. Alhoewel een olifant niet echt comfortabel 'rijdt', was het een erg leuke belevenis. Onze olifant ging ook echt dwars door de jungle, op zoek naar wilde beesten. We zagen neushoorns, herten, krokodillen en veel vogels. Naast deze olifantensafari hebben we nog gefietst (en zo meer van het 'echte' Nepal gezien) en een nachtje doorgebracht in een uitkijktoren midden in het Nationaal park. Daarbij zijn we nog op tien meter van een tijger geweest. Toen we een stukje bij de toren vandaan liepen, hoorden we een gegrom en daarna geplons. Eén van onze twee gidsen maakte de andere gids duidelijk dat hij en Isabel snel terug moesten gaan, en zij en haar gids klommen in een boom. Hij ging op onderzoek uit, ik moest op mijn plaats blijven staan. Na een aantal minuten kwam hij heelhuids en onverrichter zake terug; de tijger was waarschijnlijk door het hoge gras weggeslopen. Het geluid kon van een tijger of neushoorn zijn, maar de gids was zeker dat het de tijger was. Als het een neushoorn was geweest, had het gras duidelijk moeten bewegen. Tja.... Inmiddels zijn we al weer vier dagen in Kathmandu. We hebben er dit keer voor gekozen om niet in het toeristencentrum Thamel te zitten, maar een beetje buiten de drukte bij Swayumbanath, een van de grote boeddhistische heiligdommen in Nepal. Deze tempel wordt ook wel Monkey Temple genoemd, omdat er veel apen verblijven. Hier hebben we meteen een ochtend ons nieuwe fototoestel uitgeprobeerd, dat we gisteren hebben gekocht ter vervanging van degene die in Pokhara gestolen was. In Nepal zijn deze dingen aanzienlijk goedkoper dan in Nederland. Onze nieuwe camera kan aanmerkelijk meer dan onze vorige camera's (we hebben voor het eerst een spiegelreflex gekocht), zodat we hopen dat dit ook mooiere plaatjes oplevert. Morgen gaan we Kathmandu voorlopig even verlaten. We gaan naar een yogacentrum, 10 km buiten Kathmandu, voor een cursus Hatha yoga. Tot nu toe heeft dit mij nooit iets geleken, maar met name de yogaleraar van Isabel in Pokhara (en Isabel zelf natuurlijk ook) heeft me duidelijk gemaakt dat dit helemaal niet zo zweverig hoeft te zijn als vaak gedacht, maar gewoon intensief met lichaam en geest bezig zijn. Toen ik een boekje bekeek met asana's(oefeningen) zag ik ook dat veel van deze 'postures' lijken op de rekoefeningen bij hardlopen. Ik ben benieuwd...

zaterdag, december 02, 2006

14 november, 2006; Machhapuchhre Basecamp / Sinuwa

Dit is een beschrijving van de dertiende dag van onze klimexpeditie in het Annapurna / Sanctuary gebied, zoals aangekondigd in onze samenvattende post op 20 november. De laatst beschreven dag komt steeds boven aan te staan. Als je het hele verhaal van begin tot eind wil lezen, moet je dus bij de post van 2 november beginnen.

Wat later dan aangekondigd krijgen we onze thee/koffie en porridge. Plus nog een lekker kaasomeletje, want je moet er toch niet aan denken dat we nog honger zouden hebben na die dikke brinta-brei. Daarna pakken we snel in om toch nog om 8:00 uur weg te kunnen zijn. Buiten is het koud en er ligt van gisteren nog een klein laagje sneeuw. Hans is lief en laat mij zoveel mogelijk in de slaapzak inpakken zodat mijn voeten warm kunnen blijven. Maar uiteindelijk moet ik toch een keer mijn koude bergschoenen in ... ook al stonden ze in de binnentent. Samen met Tashi breken we ons tentje af en alledrie blazen we op onze handen van de kou. Als de dragers alles bij elkaar binden, staan een aantal Nederlanders uit de lodge verbaasd te kijken dat ons tentje al weg is, zoals we ze horen zeggen. Hans loopt nog even naar het toilet en spreekt kort met een aantal van hen. Ze maken een avontuurlijke rondreis door Nepal en hebben raften, parapenting, deze Sanctuary trek naar ABC en een bezoek aan Chitwan op hun programma staan. Hans vertelt van onze twee expedities en ze vinden het bijzonder dat we deze Tharpu/Singu expeditie zelf hebben kunnen organiseren in Nepal. Zij gaan vandaag naar boven, wij naar beneden.

Om kwart voor 9 geeft Nima het sein om te vertrekken. Mijn rugzak is me afhandig gemaakt, die draagt Tashi want ik moet me vandaag concentreren op het lopen. Altijd lastig als anderen de regie van je overnemen. Maar de concentratie blijkt nodig, ik verzin van allerlei ‘bokkesprongen’ en deuzige pasjes om mijn rechtvoet te ontzien bij het afdalen. Het maakt me snel moe en ik kan me van vandaag vooral het kijken naar de grond herinneren. De keren dat ik mijn ogen kon opslaan waren tijdens een korte pauze in Deurali met thee, een korte zitpauze in Doban en een lunchpauze in Bamboo (weer die lekkere appelpannekoek, h­è Hans!) en daarna in 1 ruk door naar Sinuwa. Mijn tempo ligt laag, naast Som is iedereen me na Deurali, blij van de zon, neuriënd voorbij gelopen. Bij de lunch in Bamboo ontmoeten we Nima en de dragers nog even, zij hebben hun Dal Bat dan alweer op en wij moeten nog bestellen. Het moment van afscheid is daarmee aangebroken. De dragers willen in 2 dagen beneden zijn zodat ze weer zo snel mogelijk een nieuwe klus kunnen aannemen. Dat betekent dat zij niet met ons in Sinuwa overnachten, maar doorgaan naar Chomrong. We nemen afscheid van Nima, hij is een beetje verlegen en roept dralend; I wish you...whatever, something....everything! We moeten allemaal lachen en daar gaat hij, met zijn feloranje baseball pet. Ik hoop echt dat we dit kleine, hartelijke manneke in december in Kathmandu nog treffen.

Vanaf nu hebben we alleen gezelschap van Som en Tashi, zoals in het begin. We genieten opnieuw maximaal van onze lunch in Bamboo. Ook de ‘bassige’ poes springt weer op de tafel en krijgt aandacht van Hans. In de laatste zonnestralen verlaten we Bamboo en maak ik me op voor het laatste stuk afdalen. Voetjes staren dus. Vlak voor Sinuwa, ontdekken we aan het geluid een wilde aap in junglebos naast het pad. Iets later staat er een grote kudde schapen met lammetjes. Ik kijk weer meer omhoog, de introductie op Sinuwa is een goede.

Tashi is al vooruit gesneld en heeft een rustige lodge geregeld. Som houdt er niet van om de grootste lodges uit te zoeken die in gidsjes staan aangeprezen. Hij steunt liever de kwetsbare middenstand. We zijn de eerste gasten, maar met een bezoek van de lokale ‘vallei-gek’ en een kookdoopje van mijn tenen op het terras is het een vrolijke bedoeling. Gaandeweg de midag stromen er toch nog aardig wat gasten binnen en die stromen aan het eind van de dag allemaal samen in de dining room. De balans staat op 2 Russinnen, 1 Chinees, 1 Nieuw-zeelander, 1 Deense en wij. Niet slecht voor deze lodge. De branders in de keuken ernaast verwarmen ook onze ruimte, heerlijk. Ook de geur maakt het huiselijk.

Na het verorberen van de soepjes en de mixed fried noodles en rice, raken we aan de praat met de Nieuw-Zeelander en de Deense. Haar meen ik te herkennen uit de smerige lodge in Lobuche en aan haar reisverhaal te horen klopt dat. Vorig jaar heeft ze de Annapurna Circuit gelopen en Hans praat vragend met haar om wat wetenswaardigheden over deze trek te weten te komen. Ik trek me terug met Tashi in onze kamer voor een Frosty-treat. Niet zo smakelijk om in de dining room te gaan zitten als anderen nog genieten van hun avondmaal. Het vel rondom is nu echt goed los en we zijn tevreden. Misschien morgen nog 1 keertje? Hans komt niet veel later en we duiken maar weer de slaapzak in, die nu op een waardig matrasje ligt. We zitten 1500 meter lager dan de vorige nacht, dus de temperatuur is hier een stuk aangenamer. De slaapzak daarentegen voelt meteen weer lekker klef en ik voelde me al zo goor van het twee weken niet douchen. Maar...als we Som mogen geloven, kunnen we morgen uitgebreid genieten van ‘hot springs’ vlakbij Jinhu. Een klein dorpje onder Chomrong, de bestemming van morgen. Maar eerst oogjes toe.

Labels:

13 november, 2006; Machhapuchhre Basecamp, rustdag

Dit is een beschrijving van de twaalfde dag van onze klimexpeditie in het Annapurna / Sanctuary gebied, zoals aangekondigd in onze samenvattende post op 20 november. De laatst beschreven dag komt steeds boven aan te staan. Als je het hele verhaal van begin tot eind wil lezen, moet je dus bij de post van 2 november beginnen.

De nacht verloopt rustig, Nima en Tashi hadden ons nog gewaarschuwd voor diefstal en rare lui. Zij hadden onze twee tassen die normaal buiten staan, in het keukenschuurtje gezet om ze ‘met hun lijf te bewaken’. Dus ik besloot ook mijn bergschoenen maar in de binnentent te zetten. Ik word een paar keer wakker van geluid, maar dit is het geruststellende geritsel van ‘Lobbes’; een hele oude en bruine hond die op dit campingveldje woont. Hij heeft een hele dikke, plukkige vacht om tegen de kou te kunnen. Ik val weer zacht in slaap in de wetenschap dat Lobbes ons bewaakt. ’s Ochtends krijgen we pas laat ochtend thee, om kwart voor 8. Hans ligt voor het eerst nog echt te slapen als Nima ons wakker roept. Mijn voeten voelen niet veel beter en dat bepaalt heel erg mijn humeur. Hans blijft me tijdens het ontbijt op het hart drukken dat het goed komt, maar gewoon wat tijd kost. Ik probeer het van me af te zetten, maar elk wandelingetje naar het toilet zet de gedachtenmolen weer in gang. Hans besluit de wandeling met Som af te zeggen, lekker luieren bij de tent in de zon is eigenlijk ook best prima. Som vindt het natuurlijk OK. Als de zon er om kwart voor 10 dan eindelijk is, gaan we lekker voor de tent op de matjes liggen. Tashi komt meteen met het bekende kokende teiltje op me af en daar ga ik weer met mijn tanden op en mijn tenen uit elkaar. Tashi begeleidt opnieuw fantastisch, met zijn eigen vingers in het kokende water zonder een krimp te geven. Hij constateert ook dat er nog niet heel veel verschil is met gisteren. Geduld vind ik nu echt een moeilijk woord geworden...

In de zon, beginnen we onze tassen zo om te pakken, dat ze morgen meteen klaar staan voor de dragers die meteen doorlopen en -reizen naar Kathmandu. In onze eigen rugzakken stoppen we alleen de spullen die we tijdens de trek terug nog nodig hebben. Er is erg veel belangstelling voor onze klimuitrusting. Ook de jongens van de lodge komen erbij zitten en er ontstaat een gezellig gesprek. Ze vragen hoe we zo’n expeditie organiseren, financieren en voorbereiden. Ze zijn onder de indruk, het verschil in levensstandaard is te groot! Maar toch tonen ze zonder wroeging oprechte nieuwsgierigheid, klasse. Het blijkt dat wij de eerste Nederlandse klimmers zijn die de lodge-eigenaar hier ooit heeft gezien. Het zijn altijd trekkers, grote groepen trekkers. Ze vertellen ons dat er vanmiddag in hun lodge ook zo’n grote groep van maar liefst 18 Nederlanders arriveert. Oeps, denken wij bevooroordeeld...dat gaat geluid produceren. Ach, misschien valt het allemaal wel mee en wij slapen lekker hier op het veldje.

De lunch kan vandaag weer eens lekker buiten in de zon. Chiapati, kaas, tonijn en aardappeltjes. Als we ons bord bijna leeg hebben, komt de eerste Nederlandse de trap op naar de lodge. Ze is hoorbaar erg onder de indruk van de omgeving. Tja, wij zijn inmiddels al aardig gewend geraakt aan de luxe van deze mooie bergtoppen om ons heen. De rest van de groep druppelt daarna, soms onder luid applaus van de anderen, ook het terras op. De jongen van de lodge moet verteld hebben dat wij ook Nederlanders zijn, want het eerste meisje roept ons ‘smakelijk eten’ toe. We knikken terug met een dankjewel. Onze staf heeft ook binnen in de ‘keuken’ de Dal Bat verorberd en ze installeren zich in de laatste zonnestralen om te kaarten voor geld. Ze lachen, maar Som het allerhardst want hij is aan het winnen. Waarom verbaast mij dat niets? Hans maakt nog een loopje naar de rand van de gletsjer, maar die ligt ook hier 200 meter diep onder de voeten dus hij is snel terug. We lezen en schrijven verder op ons matje voor de tent. Maar het wordt met de langssjezende wolken nu wel weer frisjes...dus duiken we de tent maar weer in. De rest van de middag is voor mij vooral dutten in de slaapzak en Hans leest in ‘The snow Leopard’ van Mathiessen. Nima komt ons tussendoor weer verwennen met een dienblad thee en koekjes. Ook het moment om volgens hem de fooi te overhandigen, dus dat doen we meteen.

Om 16:00 uur, als het buiten inmiddels hagel sneeuwt, komt Tashi weer voor een behandeling van Frosty, mijn teen. Hij drukt me vooraf op het hart nu echt alles op alles te zetten er meteen zo lang mogelijk in te blijven. Hoe heter, hoe beter. Ik besluit me maar aan zijn advies over te geven, oh...ooh....de tranen vliegen uit mijn ogen en ik moet kreunen van de brand. Ik denk aan de stille, vertrouwde ogen van Tashi die me zojuist overtuigd hebben dit te doen. Als hij zijn vingers erin kan houden, dan moeten twee tenen van mij een koud kunstje zijn. Koud kunstje, koud kunstje....

Langzaam word ik wakker uit mijn slaap die meteen is ingevallen na de beste behandeling tot nu toe, volgens dr. Tashi. Het komt door het geluid van de rits, Nima komt het avondeten brengen: champignonsoep met popcorn en weer een bord vol met rijst, tonijnpasta en aardappelgroente curry. Als toetje krijgen we een glas met warme sinaasappelsap (!?). Die doet de koffie en thee daarna een stuk lekkerder smaken. We kletsen met Nima die weer blijft plakken voor een kletsje. Som schuift even later ook verlegen aan en we bespreken het programma van morgen. Ze stellen voor ons wakker te maken om 7:00 uur en ons ontbijt om half 8 te serveren. De bedoeling is dat we dan om een uurtje of 8 gezamenlijk kunnen vertrekken naar Sinuwa of Chomrong. Dat zal mede afhankelijk zijn van mijn voet, want het is best een lange wandeling. Dat kan ook betekenen dat we morgen afscheid van de dragers nemen en nu begrijpen we waarom Nima ons vanmiddag de fooi al heeft gevraagd. We vinden het voorgestelde programma, zoals altijd, natuurlijk prima.

Na de avondbehandeling van Frosty door Tashi, is hij ineens heel tevreden omdat de kleur zichtbaar terugkomt en het buitenste vel van de top nu helemaal los is van het onderweefsel. Ik heb de indruk dat ik wat meer kan bewegen. Morgen in het daglicht maar een serieuze beoordeling maken, want in het schijnsel van mijn hoofdlampje kun je me van alles wijsmaken. Toch ben ik opgelucht en speel nog een spelletje kaart met Hans in de tent. We eten er wat nootjes bij en ‘vieren’ ons afscheidsfeestje, het is de laatste nacht in dit mooie tentje.

Labels:

vrijdag, december 01, 2006

12 november, 2006; Tharpu Chuli Basecamp / Machhapuchhre Basecamp

Dit is een beschrijving van de elfde dag van onze klimexpeditie in het Annapurna / Sanctuary gebied, zoals aangekondigd in onze samenvattende post op 20 november. De laatst beschreven dag komt steeds boven aan te staan. Als je het hele verhaal van begin tot eind wil lezen, moet je dus bij de post van 2 november beginnen. Wat een heerlijke nacht, we hebben in één ruk doorgeslapen tot een uurtje of 6. Ik moest een plas, maar daarna draaiden we ons allebei nog een keertje om in de slaapzak. Ik hoor dat de keukentent al wakker is, de dragers hebben al water gehaald. Elke ochtend zijn ze zo vroeg op, ongelooflijk. We krijgen wake-up tea om kwart voor 8 van Nima. We zien dat Kailash zijn rugzak al klaar heeft voor vertrek. We zijn wakker geworden met dezelfde onbeslotenheid over de fooi, als gisteravond. We hebben vooral contact gehad met Som, Nima, Tashi en Kailash. Vanwege hun werkzaamheden die dicht bij ons lagen. En omdat ze engels kunnen spreken. Met hen voelen we dus iets meer verbondenheid, maar we waarderen iedereen van de Nepalese staf stuk voor stuk evenveel voor het zware werk dat is verzet... Om maar met de veelgebruikte uitspraak van Nima te spreken; ‘What to do ???’. Eigenlijk willen we de totale fooi in één keer aan Som of Nima geven, zodat zij het onderling verdelen. Zij weten namelijk beter dan wij hoe de onderlinge werkverdeling en de daaraan gekoppelde waarderingen liggen. Als Nima weer met het ontbijt onze voortent induikt, besluiten we het met hem te overleggen. Hij denkt dat het beter is als wij de fooi individueel geven, maar snapt ook ons dilemma. Ik bespeur ook een dilemma voor Nima. Want als Som, sirdar en dus leider van de Nepalese staf, de totale fooi krijgt, moet Nima moet afwachten wat hij krijgt. Aangezien Nima ons al van de Ama Dablam expeditie kent en veel met ons optrekt, verwacht hij waarschijnlijk bij een individuele fooi op een hoger bedrag uit te komen. Jeetje, ik wil hier eigenlijk helemaal niet over nadenken. Alle mannen hebben op hun eigen manier zo hun best gedaan. Nima stelt, na ook wat denkwerk aan zijn kant, voor om de fooi wel in één keer te geven ergens de komende dagen. Ze verdelen het onderling en zullen zorgen dat ook Kailash zijn deel krijgt. Hij zal het met Som ook nog bespreken en laat ons wel weten wat een gepast moment is om de fooi te overhandigen. OK, dat is in ieder geval een heldere afspraak. Maar het gevoel erbij blijft mistig. Na het ontbijt beginnen we weer met het inpakken van onze spullen en zien Kailash onze kant opkomen om afscheid te nemen. We bedanken hem hartelijk voor zijn gezelschap en de krachtige assistentie tijdens de beklimming. Hij vond het leuk om met ons te klimmen en in dit seizoen een succesvolle toppoging van de Tharpu te hebben gered. Hij hoopt dat hij op tijd terug is in Kathmandu, dan kan hij wellicht nog een groep een trekkingpeak in het Langtang-gebied op begeleiden. We wensen hem veel geluk en hij vertrekt naar Chomrong, zijn eindbestemming voor vandaag. Hij loopt samen met wat dragers van het AP1-expeditieteam, die vanochtend weer omhoog gekomen zijn voor een nieuwe vracht van de stapel. Om 9:15 uur beginnen wij ook aan onze afdaling. Ik maak me wel extra zorgen, want het schuiven in mijn rechterschoen bij deze steile afdaling naar de gletsjer zou wel eens pijnlijker kunnen zijn dan gisteren. En al snel ontdek ik dat mijn verwachting volledig uitkomt. Het doorglijden op morenegrit is normaal gesproken geen probleem (wel leuk zelfs, beetje skiën), maar nu.... Ik loop met muizenstapjes en schop steeds de had van mijn rechterschoen tegen een steen, zodat ik weer ruimte krijg voor in mijn schoen. Nima heeft door dat ik het liefst over grote blokken loop en zoekt een mooi ‘pad’ voor me uit. Dat gaat inderdaad wat beter. Hans komt probleemloos achter mij aangeschoven en gesprongen. Eenmaal op de gletsjer ben ik opgelucht dat de rest van de trek nu vooral vlak en omhoog loopt. Achter ons horen we ineens stenen schuiven in het brede couloir boven ons. Het is 1 van de AP1-dragers die met zijn lading onderuit is gegaan. Hans spreekt uit wat ik denk: dit is de eerste keer sinds ons verblijf in Nepal dat we een drager op zijn gat zien gaan, gelukkig, het bestaat dus wel. De drager zelf, puberleeftijd, staat snel op en lacht heel hard om zichzelf. Er worden wat grappen door andere dragers van boven naar zijn hoofd geslingerd. Hij antwoordt met diezelfde harde lach en vrolijk verder af op zijn gympen. De dragers die naar hem riepen, zien er overigens erg geestig uit met een wirwar van ladders op hun rug. Wij steken schuin de gletsjer over en zien op de hoge rand aan de overkant dat er best een rij mensen staan te kijken. Voor ons is het een soort poppenkast, voor hen een kijkdoos. Som en Nima bedenken dat een abseil naar de Annapurna-gletsjer best wel een goede en winstgevende attractie zou kunnen zijn. Dan blijken 2 poppetjes op de rand Som te herkennen, ze roepen van alles in het Nepalees en Som roept van alles terug. Voor ons niet te qua taal niet te verstaan maar wel hartstikke goed te horen, de gletsjerkom werkt als een soort geluidsvanger. Nima doet er voor de lol nog een schepje bovenop met zijn bekende hoge joelstem. Het blijken de 2 tweelingneefjes van Som, die net als Nima trekkinggids zijn voor groepen. Hoe groot is de familie van Som in de klim- en trekkingwereld wel niet? Ze helpen en houden elkaar natuurlijk aan het werk. Maar wat wil je ook in een land waar iedereen vooral voor zichzelf en eigen familie moet zorgen? Want dat doen de koning en politici ook, zoals Nima het ooit eens uitlegde. Langzaam naderen we de klim om de gletsjerkom te verlaten. Deze ligt op het noorden en is dus nog steeds besneeuwd. Inmiddels hebben zoveel dragers deze route op en neer gedaan, dat de voetstappen ijzig zijn geworden. Maar er zit ook veel rotsblok tussendoor, dus het klimmen omhoog gaat eigenlijk heel eenvoudiger dan ik vooraf had gedacht. Ik heb er zelfs lol in, ik kan weer klauteren. Als we het randje overkomen, staan we meteen in de volle zon. Alle dragers ploffen hier neer om uit te rusten. Een gezellige boel. Ik trek mijn schoenen meteen uit en we nemen met de hele club een pauze. Alhoewel, Nima en één van de mannen van de radio lopen een stukje terug naar ABC, want daar waren een aantal dagen geleden nog wat kerosine, kookspul en snowstakes achtergebleven om draaglast te besparen. En als we het nodig hadden gehad, dan heb je toch zo een drager over de gletsjer heen en weer gestuurd?! De tweelingneefjes van Som komen ook aanlopen en beginnen meteen met het geinen van Tashi, hun neef dus. Het wordt stiller als ze allemaal een sigaretje opsteken. Goh, wat wordt hier veel gerookt zeg. Roken is hier erg verbonden met het creëren van gezelschap. Som is de enige die ik geen enkel moment met tabak in aanraking heb gezien. Misschien heeft hij het niet nodig omdat hij van nature de gezellige aantrekkingskracht op anderen al heeft. Na een kwartiertje is de hele club weer compleet en lopen we het laatste stukje naar Machhapuchhre BC; vals plat naar beneden. Om kwart voor elf komen we er aan. Ondanks mijn pijnlijke voet, ligt ons tempo nog steeds hoger dan dat van de andere trekkers die we passeren (want we komen nu weer in de ‘bewoonde wereld’). Een schrale troost. Bij de Fishtail Lodge waar we vorige keer een kamertje hadden, blijkt ook een prachtig kampeerveldje te liggen. In de hoek van het veldje staat een huisje dat dienst kan doen als keuken. Handig, want dat scheelt het opzetten van de keukentent voor onze dragers. We zetten ons tentje al op, maar de zon schijnt heerlijk dus we blijven lekker buiten op onze matjes zitten. Ik trek mijn schoenen en sokken uit en bekijk samen met Hans mijn rechtervoet. Ook Som komt de boel eens van dichterbij aanschouwen en we zien dat de meest gehavende teen aan de voorkant wat zwart is. Som schrikt er toch ook wel een beetje van en ook hij constateert frostbite. Het Nepalese recept komt nu dus echt uit de kast. Nog geen 10 minuten later staan Som en Tashi voor me met een wasteiltje, een ton om op te zitten en kokend water met zout. Ik ga zitten en Som en Tashi steken mijn tenen voorzichtig in de hete massa. Jai! Dat is dus echt brandend heet. Maar Som moedigt me aan, ik moet er echt even doorheen. Ze proberen mijn drie ‘goede’ tenen met hun handen uit het kokende water te houden. Met mijn tanden op elkaar en kijken naar de (koude sneeuw op de) bergen lukt het me mijn voet uiteindelijk in het teiltje te houden. Na vijf minuten en een lach voor de foto als een clown die waterstraaljes uit zijn ogen spuit, mag ik eruit. Het lijkt iets meer bewegingsmogelijkheid voor mijn tenen te hebben opgeleverd; dat is mooi. Maar dit kokend tafereel moet dus twee a drie keer per dag gebeuren; dat is doorbijten. Positief puntje is dat mijn voeten nu ook weer zijn gewassen. Dat voelt zo goed, dat we Nima na de lunch vragen om een teiltje waswater voor de rest van ons vettige lichaam. En even later wassen we het ergste vuil weg en ik steek mijn kop met haar in een ondiep teiltje van 3 liter om mijn haar na een week weer eens op te fleuren. Een half uur later zit ik heerlijk na te frissen in mijn slaapzak en Hans ligt lekker op het matje voor de tent in de laatste zonnestralen een boekje te lezen. Dat moet ik met mijn natte haren maar niet doen. Om half 4 komt Tashi naar de tent met nog een teiltje, ‘medicine’ roept hij en wijst naar het kokende water met zout. Hij helpt me heel lief en vertelt dat hij ooit zelf op de Ama Dablam (nota bene...) ook serieuze frostbite aan zijn hele pink heeft opgelopen. En dat is met deze remedie ook weer helemaal goedgekomen. Triomfantelijk steekt hij zijn pink omhoog. Na de behandeling kan ik het blauwzwarte topje van mijn teen afzonderlijk buigen. Dat geeft mij weer wat moed erbij en Tashi en Hans reageren opgetogen. Ik maak een sanitaire stop, maar het lopen is nog niet wat het wezen moet. Geduld hebben, dat is van belang. Terug bij de tent is er koffie en thee en de rest van de middag lezen en schijven we in ons vertrouwde, gele huisje. Ook genieten we nog van de zondsondergang op de Machhapuchhre. Weer erg mooi. Hans constateert vrolijk dat we nu wel een paar van de mooiste bergen in een kort tijdsbestek hebben gezien: deze Fishtail dus, Ama Dablam, Mount Everest en de Annapurna’s. We zijn er gelukkig mee, heerlijk. Om half zes worden we weer verwend met papadum’s (met peperkorrels deze keer, dus Hans noemt ze pepperdum’s), kip/champignonsoep, rijst, aardappel/groente curry en tonijnpasta. Het is weer veel te veel, maar om te smullen. Bij de koffie komt Som weer even kletsen. Hij vraagt hoe het met de voet gaat en zegt dat hij in Highcamp misschien meteen had moeten kijken. Ik geef aan dat het al beter gaat en dat de frostbite aanvankelijk ook niet zo heel duidelijk te zien was. Toch laat hij merken dat hij zich schuldig voelt, hij had gedacht dat het wel mee zou vallen. Ik ben de rest van de avond onder de indruk dat een Nepalees zich zo uitspreekt over zijn gevoel. Morgen is een geplande rustdag en dat komt nu dus extra goed uit. Hans en Som spreken af samen een wandeling te gaan maken richting de gletsjer van de Machhapuchhre. Ik blijf hier, om mijn tenen in kokend water met zout te steken en een beetje van de zon te genieten. Even later komt Tashi nog een keertje met zijn ‘medicine’ en hij behandelt mijn teentjes weer met zorg. Ook Nima komt nog even kijken en we vinden allemaal dat de zwarte kleur wat minder is. Morgen om 9:00 uur heb ik mijn volgende afspraak met dr. Tashi...

Labels:

11 november, 2006; Tharpu & Singu Chuli Highcamp / Tharpu Chuli Basecamp

Dit is een beschrijving van de tiende dag van onze klimexpeditie in het Annapurna / Sanctuary gebied, zoals aangekondigd in onze samenvattende post op 20 november. De laatst beschreven dag komt steeds boven aan te staan. Als je het hele verhaal van begin tot eind wil lezen, moet je dus bij de post van 2 november beginnen. Vanochtend na een testwandeling rondom de tent in mijn D-schoenen heb ik definitief besloten niet mee te gaan naar Rakshi Peak. Hans legt Som uit dat mijn rechtervoet niet helemaal jofel door de nacht is gekomen, ik bijt mijn tranen weg. Voor mijn gevoel kies ik de makkelijke weg en eigenlijk wil ik mee omhoog. Maar als ik zie dat er blaren op mijn ‘wijsteen’ staan, de middelste donkerblauw is net zoals de nagel van mijn grote teen twijfel ik geen seconde meer. De ratio overwint de emotie en wilskracht. Daar heb ik altijd al moeite mee gehad. Nu maar hopen dat de afdaling terug naar Tharpu Chuli Basecamp niet teveel problemen oplevert. Om half 10 zijn Som en Hans weer terug, het was een peuleschilletje in vergelijking met gisteren. Bezorgd vraagt Hans hoe het met mij is, of eigenlijk met mijn tenen. Niet goed dus, het voelt rechts nu als 1 groot gekneusde voorvoet zonder gevoel in mijn tenen. Links heb ik nog steeds een slapend, tintelend gevoel in mijn tenen, maar wel het gevoel dat ze binnenkort weer wakker worden uit hun winterslaap. Ik trek mijn sok rechts uit en zie dat de blaren groter zijn geworden en de voorkant van mijn teen is donker van kleur. We besluiten samen om de blaar door te prikken, zodat de pijnlijke druk er af is. Dat betekent wel dat het infectiegevaar groter wordt, maar daarvoor hebben we gelukkig een voldoende uitgebreide EHBO-voorraad bij ons. In de zon, voor de tent, ga ik aan het dokteren en laat de blaar even drogen aan de buitenlucht. Kailash komt nieuwsgierig toch even de voet van dichtbij bekijken, tot nu toe hebben we de rest met woorden ingelicht. Hij vertelt dat Nepalezen bevroren tenen behandelen met kokend water en raksi (alcoholisch Nepalees huisbrouwsel) of zout. Maar voordat daar mee wordt begonnen, eerst nog maar even aanzien. Hans begint buiten (lopend) en ik binnen (zittend) met het uitzoeken van onze spullen. In dit puzzelwerk komt Nima om 11.00 uur met heerlijke pasta en spring rolls gevuld met groenten. Na deze lunch stoppen we de gesorteerde spullen in de rugzakken en breken de tent definitief af. De dragers en staf hebben de rest van het kamp ook in een handomdraai als handzame pakketten op de nek hangen en om kwart voor 12 verlaten we onze hoogste verblijfplaats tijdens deze mini-expeditie. Ik zet mijn eerste stappen in de afdaling met dat al eerder beschreven dubbele gevoel: Blij als ik achterom kijk en de Tharpu in de zon zie glinsteren, daar heb ik op de top mogen staan. Bedrukt bij iedere pijnlijke stap van mijn rechtervoet. Hoe gaat dit aflopen? Hans vraagt hoe het afdalen gaat, klote dus. Hij troost me en drukt me op het hart mijn eigen tempo te kiezen. De dragers sjezen, mede dankzij hun zware last, in een rap tempo naar beneden. Wij lopen samen in een sjoktempo achter de rest aan: 800 meter naar beneden, puf. Nima en Som lopen samen te kletsen en weten uiteraard van mijn voet. Lief minderen ze tempo zodat we weer kunnen aanhaken. Samen lopen we naar Tharpu BC, waar de dragers al bezig zijn met het opbouwen van eht tijdelijke basiskamp. Morgen dalen we af naar Machhapuchhre Basecamp en zullen daar twee dagen in de tent kamperen. Daarna zullen we rustig het dal weer uittrekken richting Phedi. Op de plek van ons basiskamp ligt ook een stapel expeditie-/kampeerspullen onder een blauw zeil opgeslagen Het blijken de laatste spullen van het Japanse Annpurna I-klimteam te zijn, die nog naar beneden moeten vandaag. Deze indrukwekkende stapel, inclusief ladders om door seraczones te komen en spleten te overbruggen, zullen samen met het ondersteunende Japanse team het dal worden uitgedragen. Dit Japanse team is vanochtend een paar uur eerder dan wij uit Tharpu Chuli Highcamp vertrokken en zal ook rustig het dal uitlopen. Op dit moment van hen in ieder geval geen enkel spoor. Hans en ik bouwen ons ‘Sierra-tentje’ weer op en ik duik er meteen in. Ik wil vooral mijn voeten rust en warmte geven. Buiten blijft de zon het vandaag vrij lang doen tussen de wolken door. Hans geniet er van voor onze tent. Daar hebben we een stapel strogras neergestrooid, omdat de ondergrond [nog steeds] bezaaid is met schapenkeutels. Vanaf hald 3 druppelen de dragers ons kamp binnen die vanmiddag nog met de AP1-expeditiespullen de oversteek naar ABC zullen maken. Maar voordat ze dat doen, kletsen ze nog anderhalf uur met onze dragers, hangend op de grond in de zon. Als deze warmtebron om half 4 verdwijnt, staan ze meteen op en pakken alle spullen in bouwpakketten op hun nek. Het zou een mooie reclamespot voor een bouwmarkt zijn (dat zeg ik, Gamma). De wolken waaien nu snel langs, mooi om te zien maar ook meteen fris. We ritsen de voortent dicht en die gtaat pas open als Nima met het avondeten komt, om half 6: popcorn, soepjes, aardappeltjes, rijst + linzensaus en ook nog momo’s!! Stukje opgewarmde ananas toe en uitbuiken maar... wat een hoeveelheid deze keer weer. Som komt met de koffie en vertelt dat Kailash morgen meteen door zal lopen naar Chomrong op zijn weg terug naar Kathmandu. Logisch, zijn (klim-)werk zit erop en het biedt hem de mogelijkheid om voordat het seizoen echt afgelopen is nog een klus aan te nemen. Bij de koffie denken we vervolgens hard na over hoe we omgaan met de fooi, nu Kailash eerder vertrekt. We komen er niet uit en vallen malend in slaap.

Labels:

Hans en Isabel
Hansabel is dolgelukkig met dochter Youla die op 10/09/08 is geboren. Naast dit geluk heeft Hansabel passie voor sporten, ruige natuur en bergen. Alpiene sport, klimmen maar ook hardlopen, fietsen en zwemmen (dus triathlon) zijn onze hobbies. Isabel leeft zich ook graag uit achter de piano. In de vrije tijd die over is klussen we af en toe in en om ons herenhuis (1898) in Den Haag. Om dat allemaal mogelijk te maken wordt er door Hansabel ook gewerkt. Hans bij Rabobank Nederland en Isabel bij gemeente Den Haag.
My Photo

Powered by Blogger