frans sudiro

the Cemani site

sudiro.TIF (807491 bytes)

(below is a text by Kooy, published in Avicultura in 1995, discussing this book (in Dutch))

AYAM CEMANI

Ada orang yang berkeyakinan, bahwa ayam cemani asli merupakan ayam yang bertuah; mempunyai khasiat untuk hal-hal tertentu yang sulít dijabarkan secara ilmiah.

Namun ayam cemani asli boleh dikatakan sudah punah. Andaikan suatu saat ditemukan keberadaannya, pasti harganya bisa selangit. Bagaimanapun juga ayam cemani asli termasuk langka sekali. Untuk mendapatkannya, orang sanggup metakukan apa saja, termasuk hal-hal yang tidak masuk di akal.

Pengalaman yang tidak bisa terlupakan oleh penulis adalah peristiwa sekitar tahun 1954. Pada suatu hari datang beberapa orang tamu dari Kalimantan Timur. Tamu tersebut membujuk dengan paksa agar penulis mau melepas induk betina ayam hitam dengan penukar mobil yang sedang dipakainya. Apa boleh buat.

The indonesian "standard"; I'm still working on a correct translation:

Ciri-ciri ayam Cemaní,

a. Pejantan:

· Beratnya rata-rata 1, 8 kg .

· Kepala kecil, berbentuk oval memanjang, mirip buah pinang.

· Jengger bilah berukuran sedang, tipis, bergerigi 7 buah kecil-kecil dan berwarna hitam legam.

· Pial sepasang berukuran sedang dan cuping telinga ukurannya kecil saja, warnanya juga hitam legam.

· Paruh kecil dan panjang, sedikit melengkung ujungnya, berwarna hitam mengkilap.

· Lidah, langit-langit dan tenggorokan berwarna hitam sedikit abu-abu.

· Mata bulat besar, berkesan tajam garang, berwarna hitam dan berbinar-bínar.

· Kulit, daging dan urat nadi warnanya juga hitam.

· Bahkan tulang-tulangnya pun berwama hitam mengkilap.

· Darahnya berwarna merah kehitam-hitaman.

· Pada seluruh bulu tidak ada warna lain kecuali hitam mengkilap.

· Bulu hias pada leher, punggung dan pinggang kecil-kecil panjang, warnanya hitam mengkilap.

· Sayap menempel ketat pada badan dan ujungnya agak menurun.

· Bentuk badan ramping dan tegap, membentuk sudut 60° bila berdiri tegak.

· Bulu ekor pokok (lancur: Jw.) hampir lurus, panjang sekali hingga menyentuh tanah.

· Paha dan kakinya ramping padat dan panjang, membulat, sisik- sisiknya kecil teratur rapat, berwarna hitam mengkilap.

· Jari-jari kakinya berukuran sedang, agak panjang dan kuat sekali, warnanya juga hitam legam.

· Telapak kakinya halus dan pada setiap ruas terdapat benjolan bundar berkulit jangat wamanya hitam kusam.

· Kuku-kukunya kecil dan panjang, melengkung, berujung runcing, wamanya hitam legam.

. Tajinya berwama hitam legam, berukuran kecil, panjang, sedikit melengkung dan runcing sekali.

· Suara kokoknya keras sekali dan cukup panjang.

b.Betina:

· Berat rata-rata 1 kg.

· Sedikit perbedaan dengan pejantan terletak pada posisi badan bila berdiri tegak memberi kesan hampir mendatar, postur tubuh lebih kecil dan lebih pendek.

· Jengger bilah, berukuran kecil, tipis dan bergerigi 7 buah kecil-kecil warnanya hitam legam.

· Pial dan cuping telinga berukuran kecil, warnanya hita legam

· Paruh agak kecil, cukup panjang, kokoh sekali, warnanya hitam mengkilap.

· Lidah, langit-langit dan tenggorokannya.berwarna hitam dengan sedikit abu-abu.

· Matanya bundar besar, berwarna hitam.

· Kulit, kloaka, nadi dan daging berwama hitam

· Tulang-tulangnya berwarna hitam mengkilap.

· Darahnya berwarna merah kehitam-hitaman.

· Pada seluruh bulunya tidak ada warna lain kecuali hitam legam dan mengkilap seperti berminyak.

· Bulu ekor cukup lebat dan menyempit pada ujungnya.

· Paha dan kaki termasuk panjang, padat berisi, bentuknya membulat, bersisik kecil-kecil teratur rapat, warnanya hitam legam.

· Jari-jari kakinya kecil, kuku-kukunya kecil, melengkung, panjang dan kuat sekali, warnanya hitam legam.

· Telapak kakinya halus dan pada setiap ruas terdapat benjolan kulit jangat kecil bundar, warnanya hitam kusam.

· Bertelur paling banyak 12 butir per periode.

c. Telur:

· Berbentuk oval dengan ujung runcing, berukuran kecil, warnanya putih opaque.

· Setelah dierami oleh induknya selama 21 hari akan menetas dengar bulu kapas berwama hitam.

· Sejak menetas sudah mempunyai ciri-ciri seperti induknya dan tidak akan berubah hingga dewasa.

· Persentase menetas hanya 1/2 dari jumlah telur yang dierami.

 

 

Indonesische hoenderrassen

De Nederlanders hadden nooit veel belangstelling voor de inheemse hoenderrassen uit hun grootste kolonie, het toenmalige Nederlands Indié. Over die rassen is dan ook in de Nederlandse vak- en hobbyliteratuur nauwelijks iets te vinden dat tot inzicht bijdraagt. Daarom heeft `Aneka ayam hias dan piaraan', het in 1991 te Yogyakarta van de hand van Frans Sudiro verschenen boek over hoenders en hoenderachtige en hoe hen te houden, de in de specifiek Indonesische hoenders geïnteresseerden heel wat te bieden. Hoogstwaarschijnlijk is de auteur in een land, waar de pluimveehobby bij lange na niet het ontwikkelingsniveau van dat in West-Europa, Japan of de Verenigde Staten heeft bereikt, de eerste die een 16-tal inheemse rassen naast en tegenover elkaar plaatst in standaardmatige beschrijvingen en duidelijke kleurenfoto's. Iets van de uitvoerige informatie, die Sudiro over de eigen Indonesische rassen biedt, wordt hierna weergegeven.

De auteur gaat dan allereerst in op de Ayam Pelung, de uit Cianjur (West-Java) stammende en daar nog veel gefokte langkraaier. Ofschoon in diverse kleuren voorkomend is dit ras veelal patrijskleurig, waarbij dan de benen, zoals bij onze Drentse hoenders, blauw gekleurd zijn. De belangstelling voor de Ayam Pelung vloeit vooral voort uit het heel bijzondere kraaien van de haan. Deze heeft een geheel eigen, zwaar en golvend stemgeluid en richt bij zijn kraaien de hals eerst hoog op, waarna hij deze geleidelijk aan buigt en uiteindelijk met kop en hals vrijwel de grond raakt.Is de wijze van kraaien het meest raseigene, de extreme grootkammigheid en uitzonderlijk omvangrijke kinlellen maken de +/- 3,5 kilo zware haan tot een heel bijzondere verschijning.

De zeldzame Ayam Tertawa behoort eveneens tot de kraaiers. Het geluid dat de mannelijke exemplaren van dit ras voortbrengen lijkt op het lachen van de mens en daaraan is ook de naam van dit hoen ontleend (Tertawa = lachen). Het uiterlijk sterk met de Ayam Pelung overeenkomende Lachhoen wordt, evenals dat, mede gehouden om zijn sierwaarde.

Vermoedelijk is recentelijk uitgestorven de Ayam Cemani, een klein enkelkammig ras met een nog zwaardere pigmentering dan van de in Amerika en Europa door sportfokkers gehouden Sumatra.

De West-Sumatraanse Ayam Yungkilok, waarvan zích een opgezet exemplaar in het Biologisch Museum van de Schotse hoofdstad moet bevinden, is tot dusverre in stand gebleven, dankzij vooral één enkele liefhebber. Vooral kenmerkend is het hikkende kraaien van de haan. Type en bevedering komen sterk overeen met die van onze Sumatra, maar het ras mist diens pigmentering (de in het boek afgebeelde haan is patrijskleurig).

Ook West-Sumatraans is de Ayam Ratiah. Dit uit Ranah Minang afkomstige kleine ras (gewicht haan 1,6 kg, gewicht hen 0,8 kg) wordt ondermeer gekenmerkt door het zingende kraaien van de haan. De Ayam Batu vormt de kruiperuitvoering van de Ayam Yungkilok. Het ras zou al in de 18e eeuw naar Europa zijn uitgevoerd.

De Ayam Bali is de enige naakthalsvechter uit Indonesië. In het verleden werd het ras al als messenvechter geroemd. Tegenwoordig wordt het voornamelijk als sierhoen gehouden. Zoals vele Oosterse vechters heeft de zeer gespierde, middelgrote Ayam Bali een relatief kleine, drierijige kam.

De uit Java stammende Ayam Kedu Cemani is waarschijnlijk een kruising tussen de hiervoor genoemde Cemani en de zwarte Kedu. Dit enkelkammige ras is meer gewild dan de hierna nog nader ter sprake komende gewone Kedu en wel wegens de zeer zware pigmentering. Het ras dat Sudiro aanduidt als Ayam Sumatra is een vechtras met weliswaar rijke staartbevedering, maar het heeft qua type, stelling, alsook veer- en pootkleur met onze Sumatra niets gemeen.

De Ayam Banten, ontstaan in het meest westelijke gedeelte van Java, vond reeds in een ver verleden verbreiding onder de Boeginezen van Zuid-Celebes en de bewoners van Malakka. Dit vrij kleine vechthoen (gewicht haan 2 kg, gewicht hen 1,2 kg) deinst voor niets en geeft het tijdens het gevecht nooit op. Het is echter moeilijk geworden om zuivere dieren te vinden als gevolg van de kruisingen, die sinds de jaren zestig met geïmporteerde vechters hebben plaatsgehad.

De Ayam Ciparage zou van de vechters, die in de 17e eeuw door een WestJavaanse vorst werden gehouden, afstammen. De vechtcapaciteiten van het ras, dat wel iets op de Ayam Banten lijkt en daarmee ook in gewicht overeenkomt, werden lang geapprecieerd.

De Ayam Wareng of Ayam Jawa is dé kampongkip van Java. In vergelijking met de meeste andere Indonesische rassen is dit in grote aantallen op het hoofdeiland en daarbuiten voorkomende, hoogbenige en enkelkammige dier klein (gewicht haan 1,5 kg, gewicht hen 1 kg). Door de pluimveeliefhebbers weinig gewaardeerd heeft het ras intussen voortreffelijke nuteigenschappen. Het gebraad is heerlijk en de eieren, hoewel klein, zijn zeer smakelijk. Het zo wijd verbreide nutras vertoont overigens een blijvende schuwheid jegens de mens, zoals die ook van rassen uit het Middellandse zeegebied bekend is.

De Ayam Kedu, een lokaal ras van bezuiden Semarang op Midden-Java, wordt als nutras wegens zijn ziekteresistentie, zijn snelle groei, zijn hoge eierproduktie, de smakelijkheid van zijn vlees en zijn gemakkelijke aanpassing aan een nieuwe omgeving hoog geschat. Het is vermoedelijk het enige Indonesische ras dat wetenschappelijk intensief is onderzocht. Al ín 1937 was het ras object van studie van het onderzoekersduo Merkens/Mohede. Eerder in vier kleurslagen voorkomend is dit enkelkammige, rijk bevederde ras er nu slechts in de kleur zwart.

De Ayam Bangkalan is een oud vechtras, waarvan de oorsprong wellicht op West-Madoera is te zoeken, want daar is de plaats Bangkalan gelegen. In het gevecht delven de tegenstanders van de haan van dit ras dikwijls het onderspit vanwege zijn lange, gebogen spoor. Altijd slaat de Bangkalan, volgens Sudiro, met zijn poten in de richting van de ogen van de tegenstander, waardoor deze het zicht wordt benomen. Deze op tal van plaatsen aan te treffen vechter heeft een opgerichte houding, maar de flink ontwikkelde staart wordt iets boven horizontaal gedragen. De kam is drierijig en de kinlellen van de haan zijn weinig ontwikkeld.

Nog een andere vechter is de Ayam Tolaki, een rank klein ras van Zuid-Celebcs, dat met behulp van het wilde bankivahoen zou zijn gecreëerd.

Tenslotte gaat Sudiro op de Ayam Nunukan, een lokaal nutras van het eiland Tarakan ten oosten van Celebes, in. Dit zware ras, de volwassen haan weegt 4 kg, wordt zowel om zijn slachtwaarde als om zijn legproductiviteit gehouden. Het altijd buffkleurige dier is zeer grootkammig.

De opsomming leert dus, dat onder de inheemse hoenderrassen in Indonesië verschillende kraaiers, diverse vechters, maar ook uiteenlopende nutdieren zijn aan te treffen. Onder het vroegere koloniale regime zijn op niet onbelangrijke schaal Europese en Amerikaanse nutrassen geïmporteerd, waarmee ook werd voortgekweekt, hetzíj in teeltzuiverheid, hetzij door kruising met de inheemse hoenders. Daarnaast verschenen in het land sierhoenders uit OostAzië en uit het westen bij een beperkt aantal liefhebbers,

In de jaren zestig maakte voorts onder de liefhebber van het (inmiddels verboden) hanengevecht de Ayam Bangkok zijn entree. Deze blijkbaar vanuit Thailand aangevoerde vechter is geen andere dan het dier, dat wij hier als Shamo aanduíden. Vermoedelijk omdat de Ayam Bangkok aanmerkelijk zwaarder en forser is dan de Indonesische vechters werd het ras snel populair. Deels werd het in zijn zuivere vorm voortgefokt, deels werd het met de inheemse vechters gekruist.

Hebben de Nederlanders betrekkelijk veel invloed uitgeoefend op de hoenderteelt in Indonesië, de inheemse Indonesische hoenderrassen hebben nauwelijks hun weg naar Nederland gevonden. Invoer van Indonesisch fokmateriaal voor de nutteelt hier te lande heeft nooit plaatsgevonden. Wel zijn incidenteel kleine aantallen broedeieren ingevoerd, waarmee slechts bij uitzondering succes werd behaald. Als de broederij al niet mislukte, dan bleken de verkregen kuikens voor de rasfok van geen enkele waarde. De Sumatra, die hier af en toe in de tentoonstellingskooien verschijnt, is weliswaar van puur Indonesische afstamming, maar het ras heeft Nederland pas bereikt nadat het tijden lang n Amerika en elders in Europa was gehouden. Naast dit zo fraaie in Indonesië zelf al lang uitgestorven ras is nog slechts één ander Indonesísch hoen door de NHDB erkend: het Soendanese Vechthoen. Degene die het in de vroege jaren tachtig erkend wist te krijgen heeft het gecreëerd uit eieren, die in 1969 en een aantal keren nadien uit Bandung en omgeving werd geïmporteerd door een zeer goede relatie. Is dit ras identiek met een der inheemse vechters uit Indonesië? Of is het eigenlijk een nieuw ras, zoals de Maleier die in Europa wordt gefokt ook is? Het valt níet met zekerheid te zeggen, maar vermoedelijk is de bloedvoering in hoge mate gelijk aan die van de Ayam Bangkalan uit het informatieve boek van Sudiro.

 

© The Cemani site; by Jan Steverink