Home
 
 

Achtergrond
 
 

Meer foto's
 
 

Jo&vrienden
 
 

Links
 
 

Route
 
 

Gastenboek
 
 

Email


Hieronder de vaak treurige levensloop van Beer Jo en zijn vrienden. De teksten zijn rechtstreeks overgenomen van de bij het kunstwerk geplaaste bordjes.
 

Beer JO, Bruine Beer (Ursus Arctos)

Beer Jo werd hier geboren op 4 januari 1968 samen met twee broertjes. Cor en Jacky genaamd. Door omstandigheden verhuizen 14 jaar later, in 1982 zijn vader en moeder, Max en Polla, naar de Zoo van Zwartberg, Belgie. In 1991 sterft Cor. in 1992 sterft Jacky. In augustus 1993 wordt, na bemiddeling van de Landelijke Inspectie Dierenbescherming, Jo overgeplaatst naar het berenbos van Ouwenhands Dierenpark te Rhenen. Hier moet hij nog een paar mooie jaren gehad hebben. in de vroege ochtend van 11 februari 1997 troffen de verzorgers van het park Jo levenloos aan.

In een droom verscheen Jo aan de man die hem met dit monument gedenken zou. De beer stelde voor, ook de anderen te gedenken en zijn vriend giraffe in zijn plaats te leggen, die naar zijn overtuiging een mooiere dood kon liggen. Jo vroeg met nadruk niet zelf te hoeven liggen, dit om persoonlijke redenen.

Lachuil (Sceloglaux Albifacies):

De lachuil voedde zich voornamelijk met een rat die rond 1900 met succes bestreden werd door inwoners van Nieuw Zeeland. Naar verluid zou de lachuil in 1905 nog liefhebber zijn geweest van de klank van een accordeon. Waar dit instrument bespeeld werd, hield de lachuil zich in de nabije omgeving op, net zolang totdat de muziek verstomd. Uitgestorven sinds 1914

Blaauwbok (Hippotragus Leucophaues):

De laatste kleine kuddes van deze paard-antiloppe verdwenen snel, als gevolg van het in cultuur brengen van hun leefgebied in de Kaapkolonie. De laatste werd doodgeschoten in 1799.

Miss Waldron's rode colobus (Colobus Waldroni):

Het gebied in de regenwouden van Ghana, waar deze aap in 1933 werd ontdekt, is in de daarop volgende jaren zodanig aan de menselijke behoeften aangepast dat dit dier in 1998 uitgestorven is verklaard.

Caribische monniksrob (Monachus Tropicalis):

Het inschikkelijke karakter van de monniksrob en de eenvoudige toegang tot zijn nestgebied maakte dat hij als pelsdier bij duizenden doodgeslagen werd. Met grote regelmaat werd dit dier aangetroffen in een vissersnet waar hij -als concurrent beschouwd- tot vermaak van de vissers diende en daarbij steevast de dood vond. De Caribische monniksrob werd het laatst gezien in 1952 nabij Serranilla Bank. Tot 1993 is nog veelvuldig maar vergeefs naar het dier gezocht. In 1996 werd deze soort uitgestorven verklaard.

Reuzenalk (Alca Impennis);

De reuzenalk die veel olie bevatte, liet zich gemakkelijk vangen. In enorme ketels werden ze gekookt op een vuur van brandende alken. Het laatste paartje werd op 17 mei 1844 in de late namiddag doodgeslagen op het eiland Eldey. Hun enige ei ging diezelfde middag eveneens verloren.

Palestinian painted frogg (Discolossus Nigriventer):

Een bioloog, op weg naar Beit Sjean, overreed ongewild met zijn Fiat 1400 een kikker in de zomer van 1956. Naar later zou blijken moet dit het laatste exemplaar van zijn soort zijn geweest.

Grote Ivoorsnavel (Campephilus Principalis Principalis)

Hoewel dit dier rond 1900 reeds zeldzaam was, zijn er meer dan 400 opgezette exemplaren in museumcollecties bekend. Tussen 1939 en 1947 verdwenen in hoog tempo de oude bossen van Louisiana, Florida en South Carolina. In 1948 werd nog eens 311 vierkant kilometer oud bos gerooid om plaats te maken voor sojaplantages, waardoor naar schattig laatste 24 exemplaren van deze reuzenspecht hun  leefgebied verloren. Sedert 1951 uigestorven.

Tasmaanse Buidelwolf (Thylacinus Cynocephalus)

Vanaf 1840 werd door van Diemands Land Company een geldsom uitgeloofd voor iedere buidelwolf. Sinds 1888 werd overheidswegen een hogere premie geboden en tot 1914 werden er 2286 premies uitgekeerd. De laatste maal, dat een in het wild levende buidelwolf werd doodgeschoten was in de nacht van 14 op 1 februari 1930 in Mawbanna. In 1933 werd het laatste levende exemplaar gevangen en ondergebracht in de dierentuin van Hobart waar het 3 jaar later, op 6 april 1936 om 7.30 pm stierf in een hondenrem.

Trekduif (Ectopistes Migratorius)

In 1830 was de trekduif de meest talrijke vogel ter wereld; 40% van het totale Amerikaans volgelbestand bestond uit trekduiven. Tegen 1850 werden ze als plaag beschouwd en met honderdduizenden verkocht op de vleesmarkten van New York. In een van de georganiseerde wedstrijden moest een sportjager meer dan 30.000 trekduiven doden met netten en geweren om in de prijzen te vallen. Het tempo waarmee deze duiven zich konden voortplanten woog niet op tegen de voortvarendheid van hun belagers. Rond 1890 was de trekduif zeldzaam geworden. De laatste in vrijheid levend trekduif werd op 24 maart 1900 door een jongen in Pike County, Ohio, doodgeschoten. Het laatste in gevangenschap gehouden dier van deze soort werd Martha genoemd. Zij stierf na een leven van 29 jaar in een kooi op 15 september 1914 om 1.00 PM in de dierentuin van Cincinatti.

Rozekop eend (Rhodonessa Caryophyllacea)

Ofschoon deze eend niet erg smakelijk geweest moet zijn, was hij rond 1900 regelmatig te koop op de markt in Calcutta. In toenemende mate zeldzamer, werd dit dier als gewild trofee voor het laatst afgeschoten in de namiddag van 3 september 1935 in noord Myanmar. Aan het begin van de tweede wereldoorlog stierf het laatste in gevangenschap gehouden dier van deze soort in een kooi in Engeland.

Quagga (Equus Quagga)

De Quagaa werd in de eerste helft van de negentiende eeuw in London nog gebruikt om karretjes te trekken. In diezelfde tijd dreven veehouders in Zuid-Afrika de laatste kuddes uit hun oorspronkelijke leefgebied. Het laatste dier van deze soort overleed op 12 augustus 1883 op 3.15 pm in dierentuin Artis te Amsterdam.

Olijfgroene Ibis (Lampribis Olivacea)

Deze ibis werd intensief bejaagd om het naar verluid vette en smakelijke vlees. De Afrikaans moerassen waarin deze dieren leefden werden drooggelegd. In de loop van de twintigste eeuw werd het dier zo schuw dat enkel nog de typische kraaiachtige roep af en toe op hun bestaan duidde. Ergens rond 1950 werd het voorgoed stil.