Interview met Pierre van Duijl
Personalia
geboren op 4 okt 1958
wonend in Rotterdam
heeft 2 dochters (Lola en Doris)en 1 zoon (Mose)
Wanneer ontdekte je muziek?
"Ik ben altijd gek geweest op muziek. Van kindsbeen af
aan. Liedjes zingen en vooral luisteren. Mijn vader zat op de
grote vaart. Hij was een muziekgek. Hij bracht overal vandaan
platen mee: Afrika, Egypte, Amerika, Engeland. Als hij thuis was
werden er platen gedraaid. Ik ben zodoende opgegroeid met
allerlei soorten muziek. Ik was een jaar of zes toen mijn vader
Brels 'Ne me quitte pas' draaide. Ik was tot tranen geroerd. Het
was Frans, ik verstond er niets van. Maar het had op de een of
andere manier zo'n power! De woorden vielen weg. Ze deden er niet
toe. Het was de zeggingskracht. De tranen stroomden over mijn
wangen. Later dook ik erin, en ontdekte ik waar het lied over
ging. Het was voor mij de eerste emotionele aanraking met
muziek."
Hoe leerde je muziek maken?
"Ik droomde ervan om liedjes te kunnen spelen op een
gitaar. Ik was gefixeerd op de TV als iemand wat stond te spelen.
Verder ging ik wel eens naar concerten. Dan keek ik goed af bij
de gitaristen wat ze deden. Dan liep ik na het optreden met twee
akkoorden in mijn handen naar huis toe. En dan keek ik thuis in
een lesboek van Ted Oberg, de vroegere gitarist van Living Blues,
wat voor akkoord het was, een C-akkoord of een G-akkoord. Zo heb
ik het geleerd. De eerste keer dat ik een liedje kon spelen dat
ik mooi vond, vond ik zo te gek. Ik was toen 14 of 15. Het
leukste is dat je een liedje kan spelen dat je zelf mooi vind en
dat je daarmee kan doen wat je wil."
Hoe ging je schoolloopbaan?
"Ik wilde graag naar de Mavo. Dat klonk interessant. Maar
mijn prestaties op de lagere school waren niet toereikend. Ik ben
altijd heel snel afgeleid. Zeker bij dingen die ik niet leuk
vind. Bij aardrijkskunde hadden we bijvoorbeeld topografie over
Afrika, maar ik was gefascineerd van de natuurfilms over Afrika
en dan was ik dus met mijn gedachten daarbij.
Het werd de timmermansopleiding op de LTS. Mijn eindexamenstuk
heb ik door mijn buurman laten maken. Want ik stond naast de
beste van de klas aan een werkbank. Door nog een aantal streken
ben ik met de hakken over de sloot gekomen. Aansluitend ging ik
een jaar naar de meubelmakersschool. Maar na zes maanden zat ik
thuis. Ik had er geen zin in. Omdat ik nog leerplichtig was,
moest ik als alternatief naar de vormingsschool.
Maar ik heb twee linkerhanden. Ik kan helemaal niks."
En daarna?
"Ik had in die tijd een aantal los-vast baantjes. Vaak
via uitzendbureaus. Ik ben altijd te laat. Dan hielden ze een
half uur van mijn loon af. Ik kon het redden op die manier. Ik
wilde niet vervallen in het werkproces. Dat stootte me zo af! Ik
heb altijd geweten dat een vaste baan niets voor mij was. Zelfs
toen ik 's ochtends nog naar school ging nam ik elke ochtend een
andere tram, omdat ik niet elke ochtend dezelfde mensen wilde
zien. Ik vond het benauwend.
Ik was toen al af en toe bezig met muziek. Ik speelde in een
bandje. Totdat ik er meer van kon leven. Ik heb wel nog een paar
jaar een uitkering gehad. Ik doe het nu gewoon lekker zelf. Dat
heeft me mijn hele leven al aangesproken. Ik heb altijd mijn
eigen weg gekozen."
In welke bands speel je naast De Dopegezinde Gemeente?
"Ik speel ook in 'Trio 2000'. Dat is eigenlijk ontstaan
toen mensen de Dopegezinde Gemeente wilden boeken, maar ons
eigenlijk niet konden betalen. De bezetting is dan: contrabas,
een solo-instrument en ik speel gitaar, accordeon en zing.
Grotendeels is het repertoire hetzelfde. Maar omdat het maar met
z'n drieën is, is het een heel ander geluid. Wat intiemer.
Verder speel ik ad hoc in 'De eigen wijze', een zesmans-band die
blues, calypso en jazzy speelt. Het is ook een party-band, maar
met meer power. Wat meer recht toe recht aan. Ik zing daarin
samen met een gitarist-zanger Frenk van Meteren. En af en toe doe
ik een duo, op afroep. Met Loes Luca speel ik in 'Nenette et les
Zezettes'. Af en toe speel ik in 'Zomerkoninkjes'. Dat is een
deel uit 'De eigen wijze'."
Je speelt af en toe in theaters met De Dopegezinde Gemeente. Is dat anders?
"In het theater is de concentratie hoger. Daar had ik de
eerste keer een beetje moeite mee. Het is gestileerder, een
andere discipline. Je moet je voorbereiden op ieder nummer. Die
nummers staan vast, want we volgen een verhaallijn. De pauzes
mogen niet te lang of te kort zijn. In het theater ga ik wat meer
in op de nummers. Ik zing dan bijvoorbeeld twee zware nummers
achter elkaar: La mama en Amsterdam huilt. Achteraf ben ik dan
helemaal kapot. Ik neem die nummers nou eenmaal serieus. dan ga
ik er helemaal op in. Met alle dingen van dien. Dan ben ik
geëmotioneerd. Het is heel erg inspannend ook. Maar het blijkt
wel te werken.
Wij hebben een zekere bekendheid in Nederland in de marge. Maar
in het theatercircuit kent bijna niemand ons. Ik vind het te gek
als er dan toch tussen de 40 en de 80 mensen komen. Die geven
toch gemiddeld 40, 45 gulden uit.
Maar wat leuk is dat we bijna allemaal een aparte kleedkamer
hebben. Je kan je lekker concentreren. Ik stal altijd mijn drank
en mijn sigaretten uit. Je kan een nieuwe snaar opzetten. Je
praat eens over wat je kan veranderen. Dat is anders werken. Met
z'n allen in één kleedkamer is ook leuk, maar je kan nu eens
samen gaan repeteren met iemand."
Waarom schrijf je zelf geen teksten?
"Ik schreef vroeger wel eens nummers. Maar ik ben zelf
nogal lang van stof. Als ik één ding vertel, denk ik gelijk aan
duizend andere dingen. Teksten kan ik heel moeilijk wegstrepen.
Nummers die ik vroeger schreef hadden zes coupletten. Het waren
hele epistels in een couplet. Het zat te ingewikkeld in
elkaar."
Welke nummers kies je om te spelen?
"Ik kies die nummers die ik zelf geschreven zou kunnen
hebben. Soms hoor ik een nummer, waarbij ik denk: dit is precies
wat ik wil zeggen. Ik kan ze zelf niet schrijven, maar ik kan ze
wel zingen vanuit mijn hart. Ze noemen me een chanteur. Vroeger
was een chanteur een vak, daar werd tegenop gekeken. Tegenwoordig
zeggen ze denigrerend 'Cover-artiest, jij zingt nummers na van
anderen!' Ik wil mezelf er niet mee vergelijken, maar Frank
Sinatra heeft ook maar één nummer zelf geschreven en Billy
Holiday maar vier. Dat zijn natuurlijk de groten, maar ik benader
het wel op die manier. Het worden nummers van mij. Ik draai ze
helemaal naar mezelf toe. De nummers veranderen daar door
uiteindelijk ook.
Ik ben goed in het vertolken. Zonder aanhalingstekens, want ik
weet dat ik het goed kan. Omdat het uit mezelf komt. Dat is de
enige reden."
Wat raakt je in muziek?
"Muziek is niet te sturen. Een liedje grijpt je of niet.
Sommige dingen grijpen me meteen bij mijn strot. Zo komt het er
dan ook uit. Ik zag eens een heel leuk programma op TV over wat
muziek mensen doet. Bij een hoop mensen komt het erop neer dat ze
niet weten waarom een muziekstuk hen ontroerd. Ze proberen het
uit te leggen. Maar het blijkt dan iets vaags te zijn. De
ex-directeur van de IKON luisterde naar een stuk, een prachtige
psalm. Hij was helemaal ontroerd. Aart Staartjes ook. Die huilde
tranen met tuiten bij Janis Joplin. Schitterend om te zien. Je
zag alleen dat gezicht met muziek erachter. Muziek draagt je mee,
weet je wel. Het voert je weg. Daar heb je niets over te
vertellen, uiteindelijk. Het grijpt je gewoon. Wonderlijk hoor.
Ik vind dat muziek troost brengt. Troost, of weet ik veel wat.
Mensen gaan altijd zingen als ze in de moeilijkheden zitten.
Negro-spirituals. Als mensen in benarde situaties zitten,
doodsnood, dan gaan ze met elkaar zingen. Interessant is dat,
he?"
Dus je hebt het wel gevonden in het leven?
"Ja. Ik kan er een hoop in kwijt. Zeker weten. De één
slaat iemand op zijn muil. Ik maak gewoon muziek. Daar kan ik al
mijn agressie in kwijt en al mijn vreugde'. Ja! En je verdriet.
Dan hoef ik niet naar de psychiater toe. Het scheelt een hoop
geld en ik krijg er nog poen voor ook."
(Interview gehouden op 1 augustus 1997 door Jim Terlingen)