Klik op het plaatje om terug te keren naar het voorblad ""Vergeten Eters/

DE KLEPBLOEM

Lord Turnipp (1843-1907) wedijverde met zijn buurman van overeenkomstig sociaal niveau, Lord Cleighton, in het kweken van uitheemse vleesetende planten. Beide heren hielden er verwarmde kassen op na en trachtten daarin allerlei groene, tropische vleeseters in leven te houden, hetgeen met de beperkte mogelijkheden het midden van de 19-e eeuw zeker niet meeviel. Turnipp, die tevens een succesvol industriŽel ondernemer was,.financierde een vijftal botanische expedities, die degelijk genoeg werden opgezet om met een grote plantenoogst, dood (gedroogd of op sterk water, d.w.z. alcohol) of levend (in potjes en mandjes), thuis te kunnen komen. Door met inzet van veel fianciŽel geweld een legertje van verzamelaars op de been te brengen zag Turnipp kans de concurrentie met Cleighton het hoofd te bieden. Cleighton immers, een reder, niet onvermogend, maar niet zo'n monetair geweldenaar als Turnipp, loofde onder zijn zeelieden premies uit en wist aldus een grote verzameling van bekerplanten op te bouwen en heeft in deze tak van de carnivore botanie door de jaren heen een voorsprong op Turnipp weten te behouden.

Turnipp heeft in eigen persoon aan de derde en vierde door hem opgezette expeditie deel genomen. Bij de vijfde is hem de lust vergaan, wat niet verwonderlijk is als men het verslag leest van zijn in de letterlijke zin van het woord ingrijpende en aangrijpende lotgevallen tijdens die vierde tocht.

De vierd expeditie naar de Maleise archipel bracht Turnipp en zijn metgezellen in het hart van Borneo. Op zekere avond drong een scherpe, maar niet onaangename geur van een nachtbloeier door in het bivak. Turnipp ging onmiddellijk in gezelschap van een Dajakse gids op onderzoek uit, d.w.z. zijn neus achterna. Het reukspoor leidde naar een bloem, die maar vaag zichtbaar was in het zwakke schijnsel van de lantaarn. Nieuwsgierig stak Turnipp zijn neus in de geurige bloem. Dat had hij beter kunnen nalaten. Een blik op de afbeelding hierboven doet ons al de toedracht vermoeden van wat zich afspeelde. De klepbloem is een buitengewoon agressieve vleeseter. Als een dierlijke prooi, een vlieg of vlinder of zo, aan de druppel ruikt aan het uiteinde van de stamper en deze daarbij, al is nog zo zachtjes, beroert, dan wordt hij meteen gevangen tussen de twee met kracht tegen elkaar klappende grijpers. Turnipp heeft zijn neus moeten losscheuren. De expeditiedokter is uren bezig geweest stekels te verwijderen. Helaas is de neus ernstig gaan ontsteken en Turnipp heeft ijlings zijn deelneming aan de tocht moeten afbreken. Zijn neus is wel geheeld en de infectie is verdwenen, zij het met achterlating van littekens en een paarse verkleuring. De slechte ervaring heeft Turnipp er niet van weerhouden de klepbloem te laten uitgraven en als trofee mee te voeren naar het vaderland. De klepbloem werd keer op keer een hoogtepunt op de jaarlijkse botanische tentoonstellingen en trok menig binnen- en buitenlands bezoeker. Enige afgunst was Cleighton vast niet vreemd, toen hij zag hoeveel aandacht Turnipps spectaculaire vondst kreeg. Het is dan ook vrijwel zeker Cleighton geweest, die de onheuse geruchten verspreidde, dat alcoholgebruik eerder dan de onfortuinlijke ervaring met de klepbloem oorzaak was van de verkleuring van Turnipps neus. Turnipp heeft zich de rest van zijn leven kranig tegen de toch wel zeer hardnekkige fluistercampagne teweergesteld door te blijven argumenteren, dat de kolossale hoeveelheden alcohol, die op Turnipp Castle gebruikt werden, nodig waren voor het conserveren van zijn plantencollectie, maar het publiek bleef sceptisch.

De klepbloem heeft nog jaren gebloeid in de kassen op het terrein van het kasteel. De zaden, die Turnipp eveneens verzameld had, wilden helaas niet ontkiemen. Het gebied, waar Turnipp destijds de klepbloem vond, is allang cultuurland geworden. De klepbloem vindt men er niet meer.