Klik op de plaat om terug te keren naar het voorblad "Vergeten Eters"

 DE MIJNZWAM

Sommige oude kompels kennen hem nog, de mijnzwam. De mijnzwam is in feite een bewoner van grotten, waarin met het grondwater een beetje organisch materiaal naar binnen sijpelt. Hij leeft tegen de wanden van de grot en is, zoals te verwachten op zo'n armelijke bodem, een zeer trage groeier, die pas na vele tientallen jaren tot volle wasdom komt. De toch al trage groei neemt af, als de schaarse voorraad organisch materiaal in de naaste omgeving uitgeput raakt. De mijnzwam heeft een opmerkelijke methode om opnieuw aan voedingsstoffen te komen, vooral stikstofhoudende, die goed zijn voor een tweede groeispurt. Voordat de groei ernstig begint te stagneren, gaat hij actief op zoek naar voedsel. Dat gaat als volgt in zijn werk. En van de uitlopers ondergaat een verandering van vorm en functie en wordt een vangapparaat voor kleine beestjes. Men moet zich voorstellen, dat grotten bepaald niet onbewoond zijn. Op de grond kruipt er van allerlei klein gedierte rond, zij het in een klein aantal. De zwam begint nu een actief vanggedrag te vertonen door een soort werphengel in stelling te gaan brengen. In de vangspruit bevindt zich een lepelvormig orgaantje, dat op een verende steel staat. De veer wordt gespannen door een gezwollen blaasje aan de basis van de verende steel. Als het rijpe blaasje knapt, springt de lepel naar voren en daarbij wordt een bolletje weggeschoten, dat een kleverige draad achter zich aansleept. Dit bolletje begint een--althans voor kleine kruipertjes--aantrekkelijke geur te verspreiden. De diertjes in de buurt worden aangelokt en spoeden zich in de richting, waar de geur vandaan komt. Aagelokte beestjes raken vast in de kleverige draad, die na verloop van tijd binnengehaald wordt. De prooi wordt verteerd door zwamsappen en de voedingsstoffen worden opgezogen. De slijmzwam kan steeds drie hengelsnoeren tegelijk hebben uitstaan, waarvan er om de beurt n wordt binnengehaald. Op de plaats van het opgehaalde snoer is inmiddels een nieuw bolletje met kleefdraad gerijpt en klaar om weggeschoten te worden. Zo herhaalt zich de kringloop van het vangen. De voorraad cellen, die het blaasje vormt aan de voet van de verende steel is beperkt. Als die uitgeput is, komt er een eind aan de toevoer van voedsel en de zwam houdt op met groeien. Zijn einde is nabij. Hij gaat ontelbare heel kleine sporen vormen, die  in de grot verstuiven en zelfs in de zeer rustige lucht heel lang blijven zweven. Een enkele zal wellicht elders opnieuw tot leven komen. De zwam sterft af.

De mijnzwam, zoals gezegd oorspronkelijk een grotbewoner, heeft zich in de door de mensen gemaakte mijngangen kunnen vestigen. Ze hebben zich in alle rust tot grote aantallen kunnen ontwikkelen in verlaten mijnen, vooral daar waar nog veel intussen vermolmd hout van stutten, bron van organisch voedingsmateriaal voor de zwam, aanwezig is. Vroeger herkenden ervaren mijnwerkers meteen de specifieke, waarschuwende geur van de mijnzwam en wisten die te correleren met rotting en gebrekkig onderhoud. Mocht men ooit eens een bezoek brengen aan een grot of een verlaten mijn, een vreemde lucht ruiken en bovendien een kliederige slijmdraad in het gezicht voelen, dan moet men de lantaarn maar eens langs de wanden laten spelen. Allicht groeit er een mijnzwam.