Inleiding Gregoriaans OTTAVIANO PETRVCCI
Image2.gif (125078 bytes)  

Inleiding op de pagina Gregoriaans in modern notenschrift

Home

Inleiding Renaissance bladmuziek

Renaissance bladmuziek

Middentoonstemming

Gregoriaans in modern notenschrift

Bicinia van Obrecht tot Mozart

Post Petrucci

Links

Nieuw

Verantwoording

Contact

De twee belangrijkste onderdelen van de katholieke liturgie zijn de H. Mis of Eucharistieviering en de getijden, officie of het koorgebed.

De gezangen die ik op deze webpagina weergeef behoren alle tot de eerste groep, opgenomen in het Graduale Romanum.

De mis is ingedeeld als volgt:

* Introitus, met psalmvers, opening

+ Kyrie

+ Gloria

1-ste lezing

* Graduale

2-de lezing

* Alleluia, in de vastentijd: * Tractus

Lezing van het Evangelie

+ Credo

* Offertorium, tijdens de aanbieding van brood en wijn als offergave

- Praefatie, inleiding op het canongebed

+ Sanctus en Benedictus

Canongebed en consecratie

- Pater noster

+ Agnus dei

Communie-uitreiking

* Communio met - psalm

Wegzending en zegen.

De gezangen met alleen + zijn de vaste gezangen die elke dag op dezelfde manier gezongen kunnen worden. Hiervan werden vanaf ca 1300 veelvuldig polyfone zettingen gecomponeerd. De gezangen met - worden gereciteerd, evenals de psalmen bij de introitus en de communio. Die met * zijn de proprium-gezangen, die eigen zijn aan een bepaalde dag of feest in het kerkelijk jaar.

De proprium-gezangen van het Graduale Romanum en Graduale Triplex zijn het onderwerp van de webpagina Gregoriaans in modern notenschrift .

Terug naar begin van de pagina

 

1. Ontstaan

2. Hervorming rond 1600

3. Reconstructie

 

1. Ontstaan

Het Gregoriaans ontleent zijn naam aan Gregorius de Grote (paus 590-604) aan wie het ontstaan ervan sinds de achtste eeuw is gekoppeld. Uit zijn eigen geschriften blijkt daarvan echter niets, en Isidorus van Sevilla (schrijvend in 638) meldt er ook niets over. Liturgische maatregelen worden wel bij andere pausen en abten genoemd, waaronder Bonifacius II (530-532: een jaarlijkse zangcyclus, cantilena anni circoli). Een schola met een prior cantorum (voorzanger) wordt pas een halve eeuw na Gregorius voor het eerst vermeld. Voor de proprium gezangen is een dergelijk instituut een voorwaarde.  Andere christelijke liturgische zang is sinds de vierde eeuw bekend, o.m. de hymnen van de Milanese bisschop en kerkvader Ambrosius.

Er is geen enkele concrete aanwijzing dat het Gregoriaans ook maar iets aan hetzij de antieke Griekse of Romeinse hetzij de Joodse muziek heeft ontleend.

In de verschillende landen van West Europa ontstonden vanaf die vroege tijd uiteenlopende stijlen en repertoires. De belangrijkste zijn de Beneventaanse (in Zuid-Italië), de oud-Romeinse, de Mozarabische (in Spanje), de Gallicaanse (in Frankrijk) en de Ambrosiaanse (in Noord-Italië). De Ambrosiaanse bestaat nog steeds, deze is in gebruik in het bisdom Milaan.

Voornamelijk ten tijde van Karel de Grote vonden twee verschillende ontwikkelingen plaats.

De eerste was de introductie van de Byzantijnse muziektheorie in West-Europa.  Over de muziektheorie wordt verder gesproken onder Modi.

De tweede ontwikkeling is het streven van Pepijn de Korte (751-768) en zijn zoon keizer Karel de Grote (768-814) om in hun gehele rijk, van Noord-Italië en Noord- Spanje tot en met het pas veroverde Duitsland dezelfde liturgie en kerkmuziek in te voeren als in Rome. Daartoe kwamen enkele Romeinse geestelijken naar Frankrijk en gingen Franken naar Rome.  Tegelijk daarmee ontstonden vele nieuwe gezangen. Eén van de effecten van deze uitbreiding was dat de behoefte ontstond de muziek te noteren, en dat werd rond 900 het zogenaamde neumenschrift. Neuma (Grieks) betekent hand- of hoofdbeweging. Dit beperkte zich in hoofdzaak tot de notatie van het ritme, met alleen een relatieve weergave van toonhoogten (hoog, laag, op dezelfde toon etc.).

Deze neumen werden zowel voor de eenvoudige hymnen, vaste gezangen (Kyrie etc.) en de psalmodie als voor de ingewikkelde proprium-gezangen gehanteerd. Deze laatste werden vrijwel zeker door solisten gezongen en niet door koren.

Pas geleidelijk aan werd een systeem ontwikkeld om de toonhoogte te noteren op één, later meer horizontale lijnen, en tegelijk daarmee vervlakte de ritmische notatie. Geleidelijk aan kregen vrijwel alle noten hetzelfde uiterlijk (zwarte vierkante noten) en dezelfde tijdsduur. Een van de kenmerken van het Gregoriaans, de uitgesponnen melodieënreeksen op één lettergreep verloor daarmee zijn bestaansgrond, hoewel deze nog eeuwen lang werden uitgevoerd.

 

2. Hervorming rond 1600

Pas het Concilie van Trente (1545-1563) leidde tot het besluit om de bestaande kerkmuziek te versoberen. Dat had betrekking op een deel van de sinds circa 1300 ontstane meerstemmige vaste gezangen, maar ook op de Gregoriaanse melodieën van het proprium. De opdracht ertoe werd oorspronkelijk in 1577 verleend aan Giovanni Pierluigi da Palestrina, maar pas onder zijn opvolgers uitgevoerd. Zij publiceerden de Editio Medicea in 1614 en 1615. In de handboeken wordt dit algemeen beschouwd als een betreurenswaardige ontwikkeling.

Deze versimpelde melodieën harmoniëren echter bijzonder goed met een uitvoering in samenhang met de polyfone missen van Josquin, Palestrina, Mozart of Bruckner, die nog steeds worden uitgevoerd. De vereenvoudiging  is naar mijn mening ook op een buitengewoon logische en muzikale manier uitgevoerd. De hierna te schetsen 20-ste eeuwse reconstructie van het 8-ste tot 10-de eeuwse Grgoriaans leent zich in het geheel niet voor uitvoering in combinatie met de westerse polyfonie.

In de zeventiende eeuw is er op de eenvoudige manier ook nieuwe Gregoriaanse muziek gecomponeerd, zoals het bekende Credo III en een gezang als het Rorate caeli, dat in de Adventstijd wordt gezongen. En ook tegenwoordig worden er nieuwe composities volgens het gregoriaanse model gemaakt, zie bijvoorbeeld op de pagina Post Petrucci mijn compositie Quod chorus vatum, een hymne op tekst van Hrabanus Maurus (ca 800) voor de vesper van Maria Lichtmis.

 

3. Reconstructie

In de negentiende eeuw zijn Benedictijner monniken van Solesmes begonen met de reconstructie van het vroeg middeleeuwse Gregoriaans. Deze staat op naam van André Mocquereau. Hij maakte een classificatie van de twee belangrijkste handschriftenfamilies uit de 9de en 10-de eeuw, waarin neumen voorkwamen. De belangrijkste handschriften van beide groepen zijn  een handschrift bewaard in de abdij van Sankt Gallen (Zwitserland), eind negende eeuw, en een handschrift in de gemeentebibliotheek van Laon (Frankrijk), daterende van na 930. Bovendien kon hij gebruik maken van een 11-de eeuws handschrift waarin zowel neumen als een letter-notatie voor de toonhoogte zijn opgenomen, een handschrift dat in de bibliotheek van de Medische faculteit van Montpellier wordt bewaard. Dit handschrift diende dus als een soort steen van Rosette. De handschriften van Sankt-Gallen (de nrs. 359, 339, 376 en 390/391), Laon (239, 12 226b en 240) en van Montpellier (H 159) zijn op internet te raadplegen, zie ook de pagina Links

De meest bekende resultaten van dit werk zijn: (a) het Graduale Romanum, met de liturgische gezangen voor de H. Missen door het kerkelijk jaar, (b) het Antiphonale monasticum, met de getijden en (c) een combinatie van beide dat de naam Liber Usualis ("gebruiksboek") kreeg. Deze zijn in het begin van de twintigste eeuw voor kerkelijk gebruik ingevoerd, na een tientallen jaren durende strijd tussen  de voorstanders van de herstelde middeleeuwse zangwijze en sceptici en conservatieven, onder wie gerespecteerde musicologen, gesteund door de belanghebbende heruitgever van de Editio Medicea. Hier vindt u het gehele Liber Usualis in kwadraatnotatie en het Liber Usualis in modern notenschrift.

De sceptici en conservatieven hadden in zoverre gelijk dat het nieuwe Graduale veel fouten in de transcriptie bevatte, en dat de interpretatie van de ritmische tekens verre van zeker en gedeeltelijk ook onjuist was. Niettemin is het met zijn fouten en onjuiste interpretaties  vrijwel de gehele twintigste eeuw in gebruik gebleven.

Door het systematisch vergelijken van de middeleeuwse handschriften is een andere Benedictijn, Eugène Cardine, erin geslaagd wel een bruikbaar uitgangspunt te vinden voor de reconstructie van de ritmiek, volgens de zogenaamde semiologische methode. Zijn publicatie Sémiologie Grégorienne dateert uit 1970, (Nederlandse vertaling Gerard Sars, St. Odiliënberg 1991).

Voor liturgisch gebruik werd daarna op basis van de druk van het Graduale Romanum het Graduale Triplex ("drievoudig graduale") uitgegeven in 1979, waarin de tekens van de twee belangrijkste groepen handschriften in verschillende kleuren boven en onder de bestaande druk werden toegevoegd. Helaas zijn daarbij de fouten in de weergave van het notenbeeld niet hersteld. Bovendien heeft men zich beperkt tot de propriumgezangen en zijn de vaste gezangen dus niet opnieuw geanalyseerd en gereconstrueerd. Overigens zijn slechts weinig handschriften overgeleverd, waarin de vaste gezangen voorzien zijn van neumen.

De fouten in het proprium zijn wel hersteld door de Nederlander Chris Hakkenes, in zijn Graduale Lagal (Den Haag 1984). Deze voegde in een afwijkend notenschrift de ritmische interpretatie volgens deze zelfde semiologische methode toe.

Een bijna volledige verbeterde editie is ook te vinden op de website van de Choralschola Freiburg (D), Gregor und Taube. Deze geeft echter niet alle ritmische verschillen consequent weer. Boven de verbeterde notatie in kwadraatnoten zijn meestal wel de neumen volgens de Sankt-Gallen- handschriften toegevoegd. Deze editie, gebaseerd op het project Graduale restitutum, gepubliceerd in het tijdschrift Beiträge zur Gregorianik, wordt geleidelijk voltooid.

Sinds circa 1990 gaan steeds meer Gregoriaanse koren geheel of gedeeltelijk over op deze semiologische interpretatie.

Een uitvoerige geschiedenis van het Gregoriaans is: David Hiley, Western Plainchant, Oxford 1993. Zie ook de pagina Links .

Terug naar het begin van de Korte geschiedenis

Terug naar begin van de pagina

 

Het Gregoriaans kent 8 toongeslachten of modi (enkelvoud modus), in tegenstelling tot de klassieke muziek die er slechts drie kent (grote terts, kleine terts harmonisch en kleine terts melodisch), die sinds de gelijkzwevende stemming elk op een willekeurige toonhoogte kunnen beginnen. De gregoriaanse modi gebruiken in niet-getransponeerde vorm uitsluitend de witte toetsen van het klavier, waarbij ook de verlaagde si/ b of sa/bes als witte toets gold. De gregoriaanse modi zijn in de negende eeuw overgenomen uit de Byzantijnse muziektheorie, waar dit systeem de Octoëchos heette (=achttal).

Bij ieder gezang wordt de modus met een nummer vóór de eerste notenbalk aangegeven. De oneven nummers zijn authentiek (=oorspronkelijk), de even nummers plagaal (=afgeleid). 1 en 2 hebben de grondtoon en beginnen op re, 3 en 4 op mi, 5 en 6 op fa en 7 en 8 op sol. Zoals hierboven uiteengezet hebben de modi geen vaste toonhoogte, maar werd per gezang de juiste toonhoogte gekozen.

Ze zijn oorspronkelijk genummerd met Griekse rangtelwoorden, nl. proterus, deuterus, tritus en tetrardus, elk resp. authenticus en plagalis. Tetrardus plagalis = 8-ste modus.

Bij de vier authentieke toonsoorten omvat de melodie de gehele toonladder boven de grondtoon, bij de vier plagale worden de hogere tonen minder gebruikt. Dat komt doordat de dominant bij de vier authentieke modi de kwint is, en bij de plagale de terts. (Dit wijkt af van de sinds de 16-de eeuw gangbare twaalf kerktoonsoorten). Bovendien wordt de si bij voorkeur niet als dominant gebruikt, maar heeft deze de neiging om naar de do een halve toon hoger te verschuiven. Dat is goed te zien aan de stukken in resp. 3-de toon (authentiek, grondtoon mi), de introïtus Si iniquitates, en de 8-ste toon (plagaal, grondtoon sol) de tractus Qui confidunt, opgenomen op de pagina Gregoriaans in modern notenschrift .

Verder heeft ook het Gregoriaans de neiging om de vierde trap van de 5-de modus, eveneens dus de si, te verlagen tot sa. Daardoor ontstaat in feite de Westerse grote-terts toonladder. In de graduale Christus factus est (5-de modus) komt de si alleen voor in combinatie met de do er vlak boven en is hij zelfs dan nog meestal verlaagd tot sa. Men neemt wel aan dat het Gregoriaans oorspronkelijk wel een toonladder op do heeft gekend, dus overeenkomend met onze grote-terts toonladder, maar dat men zich door het  prestigieuze Byzantijnse muzieksysteem over te nemen met een aangepaste 5-de modus heeft beholpen.

Terug naar begin van de pagina

 

Als consequentie van de semiologische interpretatie van de neumen is er een andere  opvatting opgekomen, nl. de mensuralistische. De term vindt men voor het eerst in 1927, maar dan gebruikt tegenover egalitair, dus met alle noten in principe dezelfde waarde.

In de huidige mensuralistische theorie worden de notengroepen van ogenschijnlijk wisselende lengte eerst semiologisch geïnterpreteerd en vervolgens herleid tot notengroepen met een tijdsduur van één vaste tijdseenheid of tel (tempus of chronos) en veelvouden daarvan.

Dit idee is onder meer ontstaan door de oorspronkelijke neumen te vergelijken met Byzantijnse en aanverwante muziekschriften. De Byzantijnse muziek uit de middeleeuwen wordt overigens niet meer gebruikt in de Oosterse kerken, de huidige Byzantijnse liturgische zang is achttiende-eeuws.

Een recente samenvatting van deze mensuralistische interpretatie is te vinden in de artikelen van Jan van Biezen en Geert Maessen in het Tijdschrift voor Gregoriaans (jaargang 30, 2005).

Geert Maessen voert enkele Gregoriaanse gezangen uit, geïllustreerd met neumen volgens Sankt-Gallen op youtube.

Ook op deze theorie is hier en daar vast wel wat af te dingen, maar als geheel lijkt deze een consistente en uitvoerbare interpretatie mogelijk te maken. Bovendien is deze gemakkelijker voor  niet-semiologen toegankelijk te maken.

De transcripties op deze site heb ik dan ook volgens deze methode gemaakt.

Het bezwaar bij uitstek tegen de semiologische uitvoeringspraktijk is het volgende. Cardine heeft zich veel moeite getroost om de betekenis van de neumen in hun onderlinge relaties te definiëren. De neumen betekenen niet in alle posities en alle combinaties exact hetzelfde. Hij heeft vastgesteld dat bepaalde tekens één tempus duren, en dat er van de meeste andere tekens twee in één tempus gaan.

Zo mag men volgens de semiologen echter niet zingen, want dat zou mensuralisme zijn: men mag slechts in nuances verschillen laten horen tussen lange en korte noten. Een tweede bezwaar tegen deze uitvoeringspraktijk is dat er tenminste drie typen korte noten zijn, die qua betekenis door de semiologen niet of nauwelijks worden onderscheiden.

Zwak is ook dat het mensuralisme niet inhoudelijk wordt bestreden.

Hakkenes (zie onder Korte  geschiedenis) geeft wel consequent de verschillen in tijdsduur weer tussen korte en lange noten en gaat daarbij in de richting van de mensuralisten. Hij maakt echter evenmin onderscheid tussen de verschillende typen korte noten. Sommige (oriscus, strophae) schrijft hij wel met aparte tekens, maar hij wist er geen interpretatie voor.

Dat laatste is de mensuralisten wel gelukt. Het gaat grotendeels om verschillende vormen van versiering: trillers en voorslagen.

Noten van dubbele lengte, onmiskenbaar in de Sankt-Gallen- handschriften aanwezig, geeft Hakkenes meestal niet weer.

Het bezwaar dat tegen de mensuralistische methode wordt aangevoerd is dat niet alle korte noten herleidbaar zijn tot veelvouden van twee. De mensuralisten ondervangen dit door de niet passende noten eveneens als voorslagen te interpreteren. Zij vinden daarvoor steun in muziektheorie vanaf de negende eeuw, en in vergelijking met andere neumensystemen, met name Byzantijnse. Als alternatief geven zij het gebruik van triolen. In gevallen dat een voorslag minder goed mogelijk leek heb ik die mogelijkheid ook toegepast.

Voor mijn transcripties ben ik uitgegaan van de handschriftengroep van Sankt Gallen. Deze wijkt in talrijke details af van die van Laon. Het notenbeeld van het Graduale heb ik gecorrigeerd volgens Hakkenes.

Mijn werkwijze bij de transcripties is uiteengezet in mijn notitie Transcriptie van neumen van de handschriftenfamilie Sankt-Gallen naar modern notenschrift.

Terug naar begin van de pagina

 

De gemiddelde koorzanger kan behalve de voorslagen geen versieringen uitvoeren. Alleen daaruit blijkt al dat de proprium-gezangen voor solisten waren bedoeld. Er zijn echter slechts weinig geschoolde zangers die zich in dit repertoire verdiepen.

Het is natuurlijk buitengewoon jammer dat niemand deze muziek adequaat uitvoert op het moment dat wij minstens twee manieren denken te kennen waarop het zou moeten.

Wel zijn er veel bespelers van een melodie-instrument die behoefte hebben aan voor gevorderde amateurs speelbaar soloreperoire. Moderne componisten hebben er kennelijk geen zin in om voor deze omvangrijke groep muziekbeoefenaars aantrekkelijke stukken te schrijven in een toegankelijk notenschrift.

Als altblokfluitspeler heb ik geprobeerd of transcripties uit de Gregoriaanse muziek "werken". Dat doen zij. Uiteraard is het Gregoriaans vocaal gedacht. De aanblaastechniek van de altblokfluit komt echter meer overeen met de ademtechniek van de zangtechniek dan die van welk ander instrument dan ook.

De stukken klinken het beste op altblokfluit, maar sommige stukken zoals Christus factus est zullen ook goed klinken op de tenorblokfluit.

De blokfluit dateert evenmin als het clavecimbel of de viool  uit de negende eeuw. Men moet dus niet de pretentie hebben iets authentieks voort te brengen. De blokfluit (en ook een vroege vorm van het clavecimbel) dateert uit het laatste kwart van de 14-de eeuw. Zie hiervoor Anthony Rowland-Jones, Iconography in the history of the recorder up to ca 1430, part I, in Early Music 33 (2005) p. 557-574, en de website van Nicholas Lander. Waarschijnlijk de oudste afbeelding is hier te vinden, op een schilderij uit ca 1385 van de Catalaan Per Serra.

De blokfluit wordt in de iconografie bij uitstek afgebeeld als instrument van engelen en herders, met name bij afbeeldingen van het kerstverhaal.

Dat vindt men niet alleen in de 14-de en 15-de eeuw, maar ook nog in het gebruik van de blokfluit in de barok opera en de cantates van Johann Sebastian Bach.

De eerstvolgende stukken op deze pagina zullen dus uit het proprium van  kerstmis tot driekoningen afkomstig zijn. Bovendien wil ik de Gregoriaanse versie geven van de vier responsories uit de getijden van kerstmis die als Quatre motets de Noël door Francis Poulenc zijn gecomponeerd. Echter, de introitus van St Agatha, die ook voor diverse andere feesten is aangepast, wordt door engelen gezongen.

Verder neem ik enkele andere hoogtepunten op, zoals de Requiem-mis, en een enkel echt lang stuk, zoals de tractus van palmzondag.

Free counter and web stats Terug naar begin van de pagina