Start Omhoog Zoek in onze side De Porfyrie Pagina Inhoud

Klinische enzymologie

Klinische enzymologie 

Dr J. Kortleven

Enzymen en enzyme-eenheden

Enzymen zijn katalysatoren: zij katalyseren de omvorming van een substantie (het substraat) in een andere (het product).
De concentraties van enzymen in het serum zijn te klein om bepaald te kunnen worden, en we moeten ons dan ook tevreden stellen met het meten van de activiteit van het enzyme, bepaald uit de snelheid van het verdwijnen van het substraat of het verschijnen van het produkt. We meten dus enzyme-activiteit. Enzyme-activiteit wordt uitgedrukt in internationale eenheden (I.U. = International Unit). 1 IU is de enzyme-activiteit waardoor 1 micromol substraat per minuut wordt omgezet.
De hoeveelheid omgezet substraat hangt af van de temperatuur, de pH, het type en de concentratie van het substraat. Normale waarden verschillen dan ook van labo tot labo.
Er is een zekere tendens om alle gemeten grootheden uit te drukken in SI-eenheden (SystŤme Internationale). Dan worden er geen mU/ml meer gebruikt maar katal/liter.

Verhoogde enzyme-activiteit

Enzyme-activiteit is in het algemeen hoog in cellen, laag in serum. Normale serum enzyme-activiteit is het gevolg van een voortdurend "uitzweten" van enzymen uit cellen en van een natuurlijke afbraak van cellen. (Enkele enzymen komen vooral of uitsluitend in serum of plasma voor (pseudocholinesterase, enzymen van de bloedstolling), of worden door exocriene klieren uitgescheiden (amylase, lipase)).

In de cellen komen de enzymen vrij voor, of gebonden aan intracellulaire organellen (microsomen, mitochondriŽn). De instandhouding van de cel vraagt een voortdurende metabole inspanning. Wanneer een cel beschadigd wordt of aan zuurstofgebrek lijdt breekt de celmembraan, en lekken intracellulaire bestanddelen het serum in. Ernstige letsels, die tot celdood leiden beschadigen ook de mitochondriŽn, en veroorzaken een vrijkomen van de mitochondriale enzymen.

Het stijgen van de serumenzymen kan ook voorkomen zonder celbeschadiging: gestegen aanmaak in de cel zal ook een stijging van het uitlekken uit de cel veroorzaken. Dit is het geval bij alcoholgebruik, cholestase, sommige anticonvulsiva. Hierbij ziet men de alkalische fosfatasen en de gamma-glutamyltransferase stijgen, zowel in de levercellen als in het serum.

Enzymen die vrijkomen in het bloed worden zeer vlug geÔnactiveerd en opgenomen in het reticuloŽndotheliaal stelsel.

Halfwaardetijd van enkele enzymen

GOT

17 Ī 5 uren

GPT

47 Ī 10 uren

LDH1 (HBDH)

113 Ī 60 uren

LDH5

10 Ī 2 uren

CPK

Ī 15 uren

ALP

3 tot 7 dagen

GGT

3 tot 4 dagen

CHE

Ī 10 uren

Amylase

3 tot 6 uren

Lipase

 

Staalname

Enzymen kunnen bepaald worden in serum, plasma, of andere lichaamsvochten. De meeste anticoagulantia inhiberen in meerdere of mindere mate sommige enzymen, en men verkiest dan ook meestal de dosering uit te voeren op serum.

Enzymen zijn in hoge concentratie aanwezig in de cellen, ook in de rode bloedcellen, en het is dus uiterst belangrijk hemolyse te vermijden. Vooral LDH stijgt sterk bij hemolyse.

Over het algemeen zijn enzymen stabiel in serum (afgescheiden van RBC) gedurende 24 uur op kamertemperatuur, vijf dagen in de koelkast, 2 tot 3 maanden in de diepvriezer.

Natuurlijk bestaan er uitzonderingen op deze regel: zure fosfatasen verminderen zeer sterk tenzij men het serum aanzuurt of in contact laat met de bloedklonter.

Stalen voor LDH-isoŽnzymen moeten op kamertemperatuur bewaard worden: LDH5 wordt gedenatureerd bij koelkast of diepvries temperatuur.

PatiŽnten-variabelen

leeftijd en geslacht: zijn belangrijk bij de bepaling van alkalische fosfatasen: de waarden zijn verhoogd zolang er actieve beenaanmaak gebeurt. Na de leeftijd van 60 jaar stijgen de waarden, mťťr bij vrouwen dan bij mannen.
inspanning: spierinspanningen, vooral bij ongeoefende personen veroorzaken een stijging van LDH en GOT en hebben een massieve stijging van CPK-waarden tot gevolg. Zelfs lichte spieroefening of intramusculaire inspuitingen lokken verhoogde CPK-waarden uit.
medicatie: anticonvulsiva en alcoholgebruik verhogen de GGT en ALP-waarden. Ook andere waarden kunnen interfereren. Er bestaan lijsten met mogelijke interferenties.
voedselinname: in principe wordt bloed voor enzyme-bepalingen nuchter afgenomen. Dit is niet steeds mogelijk. Alkalische fosfatasen kunnen na voedselinname verhoogd zijn bij sommige patiŽnten.

Enzyme-testen als hulpmiddel bij diagnose

De concentratie van enzymen in cellen is veel hoger dan in serum, en het is dan ook begrijpelijk dat enzymtesten zeer gevoelige indicatoren zijn voor celletsels. Men mag rekenen dat enzymtesten een gevoeligheid hebben van mťťr dan 90%: dit betekent dat er zeer weinig vals-negatieve uitslagen zijn (een negatieve uitslag sluit ziekte uit).
Enzymtesten missen echter specificiteit: abnormale resultaten zijn dikwijls vals-positief, vooral als de prevalentie van de ziekte laag is.
De specificiteit kan verhoogd worden door het bepalen van isoŽnzymen: bij verschillende enzymen is de totale activiteit de som van de activiteit van meerdere fracties, die verschillen in fysico-chemische eigenschappen. Zeer dikwijls is een bepaalde fractie orgaan-specifiek. Het bepalen van de isoŽnzym-activiteit van LDH, CPK en ALP is klinisch zinvol.

Relatieve concentratie van enzymen intra- en extra-cellulair

 

Serum

RBC

Lever

Hart

Spier

ASAT (SGOT)

1

x 15

x 7.000

x 8.000

x 5.000

ALAT (SGPT)

1

x 7

x 3.000

x 400

x 300

LDH

1

x 300

x 1.500

x 1.000

x 700

CPK

1

x 0,1

x 0,01

x10.000

x 50.000

Bespreking van enkele serumenzymen

1. Transaminasen (GOT of ASAT : glutamaat oxaalacetaat transaminase of aspartaat aminotransferase en GPT of ALAT : alanine amino-transferase of glutamaat pyruvaattransferase).

GOT komt vooral voor in hart en lever, minder in de gestreepte spieren, nieren en pancreas. Het bevindt zich zowel in het cytoplasma als in de mitochondriŽn.

GPT komt vooral in de lever voor, minder in de nieren en de skelet-spieren. Het bevindt zich vooral in het cytoplasma.

De lever bevat ongeveer driemaal zoveel GOT als GPT. Bij lichte leverbeschadiging zal vooral GPT vrijkomen en de waarden van GPT liggen dan hoger dan die voor GOT. Bij ernstige leverbeschadiging (met celnecrose) zal ook mitochondriaal GOT vrijkomen, en zal de GOT-waarde de GPT-waarde overtreffen. De verhouding tussen deze twee enzymen (De Ritis quotiŽnt = GOT/GPT) is dus een maat voor de ernst van de celbeschadiging.

Klinisch nut:

myocardinfarct: na myocardinfarct (6 tot 10 uur na necrose) komen grote hoeveelheden GOT in het serum vrij, met een maximum na 24 tot 48 uur. Indien er geen leverlijden is duidt een nieuwe piek op bijkomende necrose. Zware arythmieŽn en ernstige angina pectoris kunnen evenwel ook GOT-stijging veroorzaken. Ongecompliceerde hartdecompensatie of longinfarcten veroorzaken weinig verandering van de GOT-spiegels. GPT stijgt weinig of niet na infarct.
leverziekte: leverbeschadiging (infectieuze of toxische hepatitis, congestie, galwegenobstructie, actieve cirrose) veroorzaken een stijging van de GOT en de GPT activiteit. Bij hepatitis treedt deze stijging zeer vroeg op, gewoonlijk voor het verschijnen van de icterus. De enzyme spiegels dalen ook weer vlug en worden terug normaal nog voor totale genezing van de parenchymletsels. De GPT daalt trager dan de GOT. Obstructieve icterus, metastasen, chronische actieve cirrose veroorzaken matige stijging. Ook pancreatitis en mononucleosis infectiosa geven een matige stijging van de transaminasen. Bij cholecystitis zonder icterus blijven de transaminasen in principe normaal.
sommige spierziekten (progressieve musculaire dystrofie) (ook dermatomyositis) geven een matige stijging van de GOT, weinig of geen stijging van de GPT.

2. Lactaat dehydrogenase (LDH)

LDH komt voor in skeletspieren, lever, hart, nieren, rode bloedcellen, hersenen, tumorcellen, atypische lymfocieten. Het is dus een weinig specifiek enzyme. Zijn stijging kan wijzen op een brede waaier van aandoeningen: hemolyse, lever- of hartziekten, ook andere aandoeningen. Zijn specificiteit wordt vergroot door het scheiden van de isoŽnzymen:

LDH-isoenzymen

LDH heeft vijf isoŽnzymen: genummerd van 1 tot 5 volgens de mobiliteit in een elektrisch veld (elektroforese): de snelst bewegende fractie is LDH1: LDH1 komt vooral voor in het hart en in de rode bloedcellen (LDH1 = HBDH = Hydroxy boterzuur dehydrogenase).
Het traagste isoŽnzyme is LDH5: LDH5 komt vooral voor in de lever en de skeletspieren.
Wanneer de totale LDH-activiteit gestegen is kan men een viertal patronen herkennen: stijging van LDH1, zodat LDH1 hoger wordt dan LDH2 ("flipped") is het hart en hemolyse patroon. Stijging van LDH5 duidt op letsels van de lever of van de skeletspieren. Stijging van LDH2, LDH3 en LDH4 ("Midzone increase") wordt voornamelijk gezien bij aantasting van de bloedplaatjes of van het lymfatisch systeem. Het niet specifieke patroon (isomorf patroon) komt overeen met de normale verdeling en laat geen specifieke diagnose toe.

Klinisch nut:

Hartziekten
LDH en LDH-isoŽnzymen worden meestal gevraagd om de diagnose van hartinfarct te kunnen stellen of te bevestigen.
LDH stijgt relatief langzaam: de stijging begint 24 tot 72 uur na het infarct, en de hoge waarden blijven 10 tot 14 dagen bestaan.
De verhouding van de verschillende isoŽnzymen verandert vůůr de stijging van de totale LDH- activiteit begint: men kan na 24 uur reeds een "flipped" patroon opmerken, bij normale totale LDH. Dit omkeren van het LDH-isoŽnzyme patroon is uiterst waardevol bij het stellen van de differentiŽle diagnose tussen myocardinfarct en angina pectoris.
Longziekten hebben geen invloed op de verhouding LDH1/LDH2. Indien er bij hartziekte levercongestie optreedt worden ook een aantal levercellen beschadigd en zal ook LDH stijgen.
Ontstekingen van de hartspier verhogen ook LDH1: myocarditis bijvoorbeeld produceert een "flippend" isoŽnzyme patroon, maar de totale LDH stijgt weinig. Ook hartoperaties veroorzaken een tijdelijke (enkele dagen) omgekeerde LDH1/LDH2 verhouding.
Leverziekten:
LDH5 is het lever-isoŽnzyme. Acute hepatitis veroorzaakt een enorme LDH-stijging die volkomen voor rekening van LDH5 komt. Deze stijging begint voor het verschijnen van de icterus. LDH5 daalt vrij vlug, eerder dan bijvoorbeeld GPT.
Ook toxische hepatitis (na geneesmiddelen) veroorzaakt een stijging van LDH5. Bij mononucleosis infectiosa stijgt de totale LDH soms zeer hoog, LDH5 stijgt slechts matig. Cholangitis en obstructieve icterus hebben slechts weinig invloed op LDH.
Bij levermetastasen is de verhouding LDH4/LDH5 meestal groter dan 1,05. Een verhouding LDH4/LDH5 kleiner dan 1,05 wijst eerder naar primair hepatoma (hepatocellulair carcinoma).
bloedziekten:
Het is zeer moeilijk een onderscheid te maken tussen de verschillende hematologische aandoeningen aan de hand van LDH-isoŽnzymen: in het algemeen is LDH1 afkomstig van de rode bloedcellen, LDH2 van de granulocieten, LDH3, 4, 5, van beschadigde lymfocieten. Lymfomen geven evenwel een stijging van LDH2.
andere ziekten
Longweefsel
is rijk aan LDH3, en bij destructie van longweefsel zal men dan ook een stijging van LDH3 zien. Interpretatie is dikwijls echter moeilijk: bij longinfarct bijvoorbeeld worden er ook een groot aantal rode bloedcellen gehemolyseerd, met stijging van, naast LDH3, ook LDH1: dan wordt de differentiŽle diagnose met hartinfarct eerder moeilijk.
Skeletspieren bevatten vooral LDH5, met een weinig LDH4 en LDH3. Na zware spierinspanning kan het totale LDH stijgen, maar de verhouding LDH1/LDH2 blijft gelijk.

3. Creatinine kinase (CK of CPK : creatinine phospho-kinase)

Creatine fosfokinase komt voor in de gestreepte spieren, de hartspier, de darm en de hersenen. Na beschadiging van een gestreepte spiercel komt het CK zeer snel vrij in het serum, na hersenbeschadiging stijgt CK langzaam. Het enzyme wordt zeer vlug uit het bloed verwijderd.
CK is waarschijnlijk een van de beste indicatoren van hartinfarct: het stijgt zeer vlug en het komt zeer weinig in andere weefsels voor.
Het feit dat minimale traumata van de skeletspieren ook CK stijging kunnen veroorzaken maakt deze gevoelige indicator echter weinig specifiek: spierarbeid, een val, een intramusculaire injectie zijn voldoende om de CK-spiegels omhoog te jagen.

CK heeft drie isoŽnzymen: MM, MB, BB. Ze kunnen met verschillende technieken gescheiden worden. MM (M voor muscle) komt voor in spier- en hartweefsel. BB (B voor brain) komt voor in de hersenen. MB komt uitsluitend voor in de hartspier.
In normaal serum vindt men MM en een spoortje MB. MB komt in grote hoeveelheden in het serum na myocardinfarct. BB wordt soms gevonden na acuut hersenletsel, maagcarcinoma, prostaat carcinoma, en bij patiŽnten die chronische dialyse of coronaire bypasschirurgie ondergaan.

Wij gebruiken voor het bepalen van CK-MB een immunologische techniek waarbij alle M-componenten geÔnactiveerd worden (MM en het M-deel van MB). Daarna wordt de overblijvende activiteit gemeten, die dus (meestal) een maat is voor de activiteit van CK-MB.

Klinisch nut:

Spierziekten
acute en voortschrijdende spiernecrose veroorzaakt een astronomische stijging van CK: deze stijging is een gevolg van de beschadiging van actieve spiervezels, en is dan ook het hoogst in het begin van de ziekte. Naarmate de spiermassa vermindert, vermindert ook de hoeveelheid circulerend CK en de enzyme activiteit heeft weinig prognostische of diagnostische waarde bij gevorderde spieraandoeningen.
CK-activiteit is hoger dan normaal bij de meeste vrouwelijke carriers van musculaire dystrofie (Duchenne - X-chromosoom gebonden), zonder evenwel diagnostisch te zijn.
Ook polymyositis, dermatomyositis, zware hypothyreoÔdie met spierafwijkingen geven verhoogde CK-waarden.
hartziekten
de aanwezigheid van CK-MB is de meest gevoelige "marker" van myocardinfarct. CK-MB verschijnt vroeg (binnen de 24 uur na een infarct). Het stijgt niet na longembolen, hartdecompensatie, angina pectoris (men heeft evenwel ook stijging van CK-MB beschreven na spiertrauma, langdurige tachy-arythmieŽn, zeer zware angina).
Het is waarschijnlijk niet mogelijk uit de stijging van CK-MB conclusies te trekken betreffende de omvang van het infarct: de stijging van de enzyme-activiteit in het serum hangt niet alleen af van de uitgebreidheid van de celnecrose maar ook van de relatieve concentratie CK-MB in de aangetaste vezels en van de bevloeiing van het geÔnfarcteerde deel.
Het is belangrijk bij de diagnose van een hartinfarct een vrij strikte timing aan te houden: CK-MB is het eerste enzyme dat in meetbare hoeveelheden in het serum vrijkomt na een infarct: het kan soms aangetoond worden binnen de 3 tot 6 uur na het begin van de pijn, vůůr de stijging van het totale CK. Het maximum wordt gewoonlijk bereikt na 12 tot 24 uur, en men vindt opnieuw normale waarden na 24 tot 48 uur. Het is dan ook belangrijk een serumstaal te nemen bij opname, en controles te doen na 24 en 48 uur. Sommigen raden zelfs een bloedname om de 12 uur aan om een (eventueel kleine) stijging van CK-MB niet te missen.

4. Gamma Glutamyl Transferase (GGT of Gamma Glutamyl Transpeptidase,GGTP)

Gamma glutamyl transferase is een enzyme dat in hoge concentratie voorkomt in de lever en in mindere mate in de nieren. Het heeft een grote, zij het niet volledige, lever- en galwegenspecificiteit, en de bepaling is in de eerste plaats te beschouwen als een levertest.
Eigenaardig genoeg dalen de GGT-concentraties bij zwangerschap of inname van orale contraceptiva, en een patiŽnte met leverpathologie kan dus in deze omstandigheden normale GGT-waarden hebben.

Klinisch nut:

Leverziekten
GGT is gestegen bij 75 tot 90 % van de patiŽnten met bewezen lever-of galwegenpathologie. De hoogste waarden komen voor waar cholestase aanwezig is: cholestatische hepatitis, extrahepatische galwegenafsluiting, levermetastasen. Bij acute hepatitis stijgt GGT trager dan de andere enzymen, tenzij er een cholestatische component aanwezig is. De activiteit blijft ook het langst verhoogd. Bij actieve cirrose (vooral bij primaire biliaire cirrose en alcoholische cirrose) en bij chronische hepatitis worden zeer hoge waarden gevonden.
GGT is zeer gevoelig aan alcoholgebruik, en kan dus nuttig zijn bij de diagnose van chronische alcohol abusus, of het houden van een onthoudingskuur (alcohol stimuleert de produktie van GGT, en veroorzaakt bovendien cholestatische leverletsels).
Andere aandoeningen
Acute pancreatitis en acute opstoten van chronische pancreatitis doen GGT stijgen.
Sommige nierziekten (zwaar nefrotisch syndroom, rejecties bij niertransplanten, sommige maligne niertumoren) veroorzaken verhoogde GGT waarden.
Hierbij enkele tabellen uit een artikel van J. Fevery (cfr. referenties) over GGT.

"Klinisch nut" van serum GGTP

Als geÔsoleerde parameter

1 Indien normaal, kan een klinisch beduidend leverlijden worden uitgesloten tenzij bij zwangerschap en contraceptiva. Normaliseert laattijdig na acute hepatitis (cfr. thymol)

2 Hoogste waarden bij alcoholisch leverlijden, cholestase (extrahepatisch ≥ intrahepatisch), levermetastasering.

3 In screening en follow-up van alcoholisme en abstinentie (t/2 = 5 - 27 dagen).

In vergelijking met andere biochemische parameters

1. GGTP

Alk. fosfatase

Bilirubine

 

zeer hoog

nl. of licht verhoogd

 

= alcohol

normaal

verhoogd

 

= skeletpathologie placentair, zwangerschap

normaal

verhoogd

verhoogd

= kan toxische cholestase zijn door oestrogenen of verwante steroÔden

verhoogd

normaal

laag normaal

= enzyme inductie

verhoogd

nl of licht verhoogd

normaal

= kan wijzen op levermeta's

minder hoog

hoog

zeer hoog

= bij sterke cholestase

2. GGTP

SGPT

kan wijzen op:

minder of gelijk gestegen dan

SGPT

acute hepatitis

iets meer gestegen dan

SGPT

chronische hepatitis

laag tot normaal

nog hoge SGPT

slechte evolutie (fulminante hepatitis)

3. Bij cirrose

 

GGTP/SGPT 30 ( 14)

verwijst naar alcohol (of p. biliaire) als etiologie

GGTP/SGPT 4,5

post hepatitis

5. Fosfatasen

Alkalische fosfatasen

Alkalische fosfatasen komen voor in lever, beenderen, darm, placenta. De normale serumactiviteit van ALP is afkomstig van de lever en de beenderen. Bij kinderen en adolescenten predomineert vooral de beender-ALP. Intestinaal ALP komt soms in het serum na een maaltijd en placentair ALP tijdens het derde trimester van de zwangerschap. Verhoogde ALP-waarden bij nuchtere, niet zwangere volwassenen zijn meestal terug te voeren tot lever- of beenderletsels.

Klinisch nut:

beenderziekten: allerhande beenderziekten zoals ziekte van Paget, hyperparathyroidie, beenmetastasen, osteomalacie, osteo-sarcomen, hyperphosphatemie, veroorzaken stijging van ALP.
leverziekten: vooral leverziekten gekenmerkt door cholestase veroorzaken stijging van ALP (cfr. GGT): obstructie van de ductus communis (stenen, striktuur, tumoren); biliaire cirrose; "drug-induced" cholestatisch icterus; virale hepatitis met cholestase; infiltratie van de lever bij metastasen, sarcoidosis, lymfomen, etc. Bij chronische actieve hepatitis of levercongestie ziet men slechts zelden een stijging van ALP.
andere ziekten: Pancreatitis en niertumoren kunnen soms verhoogde ALP-waarden veroorzaken.

Bepaling van iso-enzymen van alkalische fosfatasen is mogelijk, maar heeft eerder beperkte indicaties.

Zure fosfatasen (ACP of Acid phosphatase)

Komt voornamelijk voor in de prostaat, in zeer geringe mate in rode bloedcellen, bloedplaatjes, etc.

Duidelijk verhoogde waarden duiden praktisch altijd op prostaatcarcinoom. Prostaathypertrofie en prostatitis veroorzaken geen verandering van de enzym-spiegels.

Na prostaatmassage, of zelfs na onderzoek van de prostaat, kan de ACP-waarde binnen enkele uren stijgen. Men raadt dan ook aan bloed voor ACP af te nemen vůůr onderzoek van de prostaat, of minstens 24 uur na het onderzoek. Prostaatinfarct, transurethrale resectie van de prostaat veroorzaken ook ACP-stijging.

Bij 19 % van patiŽnten met beendermetastasen, 2 % met levermetastasen, 6 % met tumoren zonder lever- of beenderinvasie, 10 % met primaire beenderkankers is de ACP-activiteit verhoogd. Ook bij ziekte van Paget (21 %), bij hyperparathyroidie (3/9) en sommige andere beenderziekten ziet men de ACP-waarde stijgen.

De bepaling van totale zure fosfatasen wordt niet meer uitgevoerd. Dit onderzoek is vervangen door de bepaling van tartraat-zure fosfaten en van PSA (Prostaat Specifiek Antigeen)

Meer uitleg over der verschillende testen en een verduidelijking van de nomenclatuur vindt men in "Laboratoriumonderzoeken bij prostaatkanker).

6. Amylase

Amylase is een enzyme dat afgescheiden wordt door sommige exocriene klieren: pancreas en speekselklieren. Veel lagere activiteit komt voor in de ovaria, de dikke en de dunne darm, spierweefsel.

Bij celbeschadiging komt niet-gesecreteerd enzyme in de bloedbaan en bij opstoppen van de afvoerwegen zal enzyme doorsijpelen naar het serum. De hoeveelheid enzyme die bij celbeschadiging vrijkomt hangt af van het trauma, en van de functionele toestand van de cellen.

Amylase wordt snel uit het serum verwijderd door de nieren.

Klinisch nut:

Pancreasziekten:
stijging van serumamylasen wijst meestal op pancreaslijden. Bij acute pancreatitis stijgen de waarden binnen enkele uren.
Amylase is een zeer kleine molecule, en het wordt zeer vlug door de nieren uit het bloed geklaard. De verhoogde waarden dalen dan ook zeer vlug: binnen 48 tot 72 uur kan de serumspiegel terug normaal zijn, terwijl de acute ontsteking doorgaat. In dit geval kan het aantonen van grote hoeveelheden amylase in de urine belangrijk zijn.
Dalen van de amylase-spiegels kan dus wijzen op:
vermindering van de ontsteking.
uitscheiding van het enzyme door de nieren (verhoogde amylasurie).
functionele ineenstorting van de pancreas (er zijn geen kliercellen meer over om het enzyme aan te maken!).

Ook zonder pancreatitis kan spasme van de sfinkter van Oddi (morfine!, radioŲpake substanties!) sterke stijging van de amylase-concentraties veroorzaken.

Andere ziekten: bij chemische irritatie van de pancreas kunnen de waarden van amylase stijgen: geperforeerde maagzweer, galblaas empyeem, darmobstructie, geruptureerde extra-uteriene zwangerschap, peritonitis.
De stijging van de amylasemie is hier waarschijnlijk te wijten aan pancreasirritatie of voorbijgaande pancreasontsteking, met resorptie van de enzymen door de gedilateerde bloedvaatjes.
Chronische pancreatitis veroorzaakt weinig stijging, carcinoma van de pancreas veroorzaakt in principe gťťn stijging van het enzyme.
Bij nierinsufficiŽntie wordt het enzyme niet uitgescheiden en vindt men verhoogde waarden, zonder pancreaslijden. De serumwaarden kunnnen stijgen tot 3 x de normale waarden. Hogere stijging moet doen denken aan pancreatitis. Bij kunstnierpatiŽnten is een stijging van de waarden dan ook belangrijker dan ťťn enkele verhoogde waarde.
Bij parotitis vinden we verhoogde amylase-waarden.

Er bestaat een abnormale vorm van het enzyme (macro-amylasemie), waarbij amylasen gebonden zijn aan een serumeiwit. Dit complex kan niet uitgescheiden worden door de nieren. De bloedspiegels van amylasen zijn dan ook verhoogd, de amylasurie is laag of normaal.

Het scheiden van amylase in verschillende isoŽnzymen is mogelijk, maar wordt zelden of nooit uitgevoerd: de differentiŽle diagnose tussen pancreas- en speekselklierlijden is gewoonlijk niet moeilijk, en bij twijfel kan het bepalen van de lipase activiteit hulp bieden.

7. Lipase

Lipase is een ander enzyme dat door de pancreas afgescheiden wordt in het duodenum. Het komt in het bloed na letsels van de pancreas (het enige orgaan dat lipase bevat). Lipasen worden niet uitgescheiden door de nieren, en de waarden blijven dan ook langer verhoogd.

Acute pancreatitis is de voornaamste oorzaak van verhoogde lipasemie. De waarden lopen parallel met de amylase activiteit in het begin van de ziekte, maar ze blijven langer verhoogd. Lipase kan dus helpen bij laattijdige diagnose van pancreatitis. Het is van weinig nut bij chronische pancreatitis, bij chronische galwegen aandoeningen, bij carcinoma van de pancreas. Ziekten van de speekselklieren hebben geen invloed op de waarden van de lipase.

Bij chronische nierinsufficiŽntie is de lipase-activiteit in het serum verhoogd. Deze waarde stijgt tijdens dialyse, waarschijnlijk door vetafbraak, geinduceerd door heparine. Ook hier (zoals bij amylase) is een stijging van de gevonden waarden een belangrijke aanduiding voor pancreatitis, meer dan ťťn enkele verhoogde waarde.

8. Cholinesterase(CHE)

Twee soorten cholinesterase zijn gekend: "echte" cholinesterase of acetyl-cholinesterase en"pseudo"cholinesterase.
Acetylcholinesterase komt voor in alle weefsels, maar vooral in de grijze hersenstof. Pseudocholinesterase wordt gevormd in de lever en komt in alle weefsels voor. Zijn juiste betekenis is niet gekend. Wij bepalen in ons laboratorium pseudocholinesterase.

De bepaling van cholinesterase in serum is aangewezen als test van de leverfunctie, als indicator van vergiftiging door insekticiden en voor het opsporen van patiŽnten met atypische vormen van dit enzyme. Normale waarden gaan in ons laboratorium van 4,65 tot 10,65 U/ml, en deze waarden zijn bij ťťn persoon vrij constant. Bij de geboorte zijn de waarden laag, maar ze lopen snel op en bereiken de volwassen waarde rond de tweede levensmaand.

Bepalen van cholinesterase is een gevoelige leverfunctietest. Een daling van 10% bij een bepaalde persoon wijst (in afwezigheid van inhibitoren) op verminderde synthese in de lever. Bij acute of langdurige chronische hepatitis ziet men 30 tot 50 % daling van de activiteit. Gevorderde cirrose of levermetastasen veroorzaken een daling van 50 tot 70 % van de normale activiteit. Bij milde vormen van chronische hepatitis, bij lichte cirrose (zonder zware aantasting van de leverfunctie) vindt men praktisch normale waarden. Ook bij obstructieve icterus blijven de waarden normaal.

Vele organische insekticiden (Parathionį enz.) inhiberen de cholinesterase activiteit. Vooral land- en tuinbouwers zijn blootgesteld aan contact met deze giften. Een asymptomatische vergiftiging (door contact met de huid, de slijmvliezen of door inhalatie) kan reeds een verlaging van 40 % van de enzymeactiviteit meebrengen. Bij een daling van 80 % ziet men ernstige neuromusculaire tekens. Bij zware vergiftigingen vindt men geen enzymeactiviteit.

Succinylcholine (Suxamethoniumį, Myoplegineį) lijkt erg op acetylcholine, en het wordt ook gehydroliseerd door cholinesterase. PatiŽnten met een lage enzymeactiviteit, of patiŽnten met atypische vormen van het enzyme, breken dit medicament niet snel genoeg af, en dit kan aanleiding geven tot verlengde apnee. Men raadt daarom aan de cholinesterase activiteit te bepalen bij patiŽnten die succinylcholine zullen toegediend krijgen. Verlaagde waarden (verworven of aangeboren) vormen een tegenindicatie voor de toediening van succinylcholine. Atypische varianten van cholinesterase (aangeboren) kunnen hiermee niŤt uitgesloten worden: hiervoor is de bepaling van de enzymeactiviteit na inhibitie met dibucaine of fluoride nodig. Deze bepaling kan voorlopig nog niet uitgevoerd worden in ons laboratorium.

Verlaagde waarde van cholinesterase kan ook gevonden worden bij acute infecties, longembolen, spierdystrofie, myocard infarct, chronische nierinsufficiŽntie en zwangerschap. Ook na heelkundige ingrepen kan er een tijdelijke onderdrukking van de cholinesterase activiteit zijn.

9. Aldolase (ALD)

Komt in alle cellen in mindere mate voor, maar toch hoofdzakelijk in skelet en hartspier. Ook de lever bevat matige hoeveelheden aldolase.
Stijging komt voor bij spieraandoeningen, leverziekten, hartinfarct. Het biedt evenwel weinig bijkomende informatie in de meeste gevallen.

Dit onderzoek wordt NIET meer uitgevoerd.

10. Leucine Amino Peptidase (LAP)

LAP komt voor in pancreas, lever en duodenum. Zijn bepaling kan soms nuttig zijn: het is zeer specifiek voor hepato-biliaire aandoeningen.

Referenties.

Enzymdiagnostiek, E. en F.W. Schmidt, Boehringer Pharma, Oorlogskruisenlaan 90, 1120 Brussel.

Clinical interpretation of laboratory tests, F.K. Widmann, F.A. Davis Co, Philadelphia, 8į ed., 1979.

Clinical enzymology: 1. enzymes and isoenzymes: sample and patient variables, M.D. Burke, Postgraduate Medicine, 64/1 (1978) 165-170.

Gamma-Glutamyltranspeptidase. Enkele kritische beschouwingen, J. Fevery, C.A. Busacki, Tijdschrift voor Geneeskunde, 33/22 (1977) 1261-1266.

Creatine phosphokinase isoenzymes and the diagnosis of myocardial infarction, D.J. Bauman, Postgraduate Medicine, 67/1 (1980) 103-116.

Reasenableness of use of the serum insoenzymes creatine kinase and lactate dehydrogenase for the diagnosis of myocardial infarction at a medical center, M.F. Beeler, e. al.,American Journal of Clinical Pathology, 74 (1980) 202-204.

Afwijkingen in het LDH-iso-enzympatroon van serum en hun klinische betekenis J. Biewenga, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskun-de, 119 (1975) 1217-1222.

Acid phosphatase: new developments N.A. Romas, e.al., Human Pathology, 10 (1979) 501-512.

Effects of drugs on clinical laboratory tests, D.S. Young, e.al., Clinical Chemistry, 21 (1975) 1D-432D.

Drug-induced modifications of laboratory test values reprinted from the article Drug-induced modifications of laboratory tests values - revised 1973 N.V. Constantino ŗ al;, Am. J. Hosp. Pharm., 30 (1973) 24-71 Ed. by Roche Diagnostica.

Enzymes, D.W. Moss, e.al in Textbook of Clinical Chemistry, N.W. Tietz, W.B. Saunders, Philadelphia, 1986.

Serum lactate dehydrogenase isoenzyme 4/5 ratio discriminates between hepatocarcinoma and secondary liver metaplasia G. Castaldo, e.al., Clinical Chemistry, 37/8 (1991) 1419-1423.

Pancreatic enzymes in patients with end-stage renal disease maintained on hemodialys N.D. Vaziri, e.al., Am. J. Gastroent., 83/4 (1988) 410-412.

Pancreatic enzymes in chronic renal failure V. L. Royse, e.al., Archiv. Intern. Med, 147 (1987) 537-539.

Serum enzyme determinations in the diagnosis of acute myocardial infarction: an update. Lott, J.A. Hosp.Pract. 15:706716, 1984. Ref ID #3314

The diagnostic value of LDH isoenzymes in clinical medicine. Wilkinson, J.H. Clin. Profile 1:1968. Ref ID #4083

Klinisch Laboratorium VJZ Hasselt -1980 - 1990 - 1994 - bewerkt voor WEB - 6 januari-1996

 

Start Zoek in onze side De Porfyrie Pagina Inhoud