Paula van Isabel Allende (30-33)
Voor altijd... Wat is dat, Paula? Ik ben het besef van tijd
kwijtgeraakt in dit witte gebouw, waar het overal galmt en het nooit
nacht wordt. De grenzen van de werkelijkheid zijn vervaagd, het
leven is een labyrint van tegenover elkaar geplaatste spiegels en van
verdraaide beelden. Een maand geleden, op datzelfde uur, was ik
een andere vrouw. Er is een foto van mij van toen, ik ben op een
feestje ter gelegenheid van de presentatie van mijn nieuwste roman
in Spanje, gekleed in een gedecolleteerde aubergine jurk, met een
ketting en armbanden van zilver om, met lange nagels en een
zelfverzekerde glimlach, een eeuw jonger dan ik nu ben. Ik herken
die vrouw niet, in een tijd van vier weken heeft het verdriet me
volledig veranderd. Terwijl ik voor een microfoon vertelde over de
omstandigheden die me ertoe hadden gebracht Het oneindige plan
te schrijven, baande mijn agente zich een weg door de
mensenmenigte om me in het oor te fluisteren dat je was opgenomen
in het ziekenhuis. Ik kreeg het vreselijke voorgevoel dat een
onomkeerbare ramp onze Levens van elkaar losgescheurd had.
Toen ik twee dagen daarvoor in Madrid was aangekomen, voelde
je je al erg beroerd. Ik vond het vreemd dat je me niet was komen
afhalen van het vliegveld, zoals je altijd deed, ik bracht mijn koffers
naar het hotel en ging, doodop van de vermoeiende reis uit
Californië, door naar jouw huis waar ik je brakend en gloeiend van
de koorts aantrof. Je was net terug van een spirituele retraite met de
nonnen van de school waar je veertig uur per week werkte als
vrijwilligster en kinderen uit arme gezinnen hielp, je vertelde dat het
een intense en droevige ervaring was geweest, je werd overstelpt
door twijfels, je geloof was zwak.
'Ik ben op zoek naar God, mama, maar hij ontsnapt me steeds...'
Gods geduld is eindeloos, en op dit ogenblik is het noodzakelijker
op zoek naar een dokter te gaan. Wat mankeert je, kind?'
'Porfyrie,' antwoordde je zonder aarzelen.
Sinds een paar jaar, toen je erachter kwam dat je die erfelijke ziekte
bij je droeg, paste je goed op jezelf en liet je je regelmatig nakijken
door een van de weinige specialisten in Spanje. Toen je man zag dat
je aan het einde van je krachten was, ging hij met je naar een
eerstehulppost, waar ze griep vaststelden en je weer naar huis
stuurden. Die avond vertelde Ernesto me dat je al weken, nee
maanden zelfs, gespannen en vermoeid was. Terwijl wij spraken
over het vermoeden van een depressie, leed jij pijn achter de
gesloten deur van je slaapkamer; de porfyrie was bezig je in korte
tijd te vergiftigen en geen van ons had de scherpzinnigheid om aan
die moeilijkheid te denken. Ik weet niet hoe ik mijn werk heb
kunnen doen, ik was er absoluut niet bij met mijn hoofd en tussen
twee interviews met de pers door rende ik naar een telefoon om je
te bellen. Zodra ik het bericht kreeg dat het slechter met je ging,
zegde ik de rest van mijn verplichtingen af en vloog ik naar het
ziekenhuis om je te zien, ik stormde naar boven en vond de zaal
waar je lag op de zesde verdieping van dat monsterlijke gebouw. Ik
trof je liggend in bed aan, bleek, met een verdwaasde blik, en in een
oogwenk begreep ik hoe ernstig je toestand was.
'Waarom huil je?' vroeg je met een onherkenbare stem.
'Omdat ik bang ben. Ik hou van je, Paula.'
'Ik hou ook van jou, mama...'
Dat was het laatste dat je zei, kind. Even later begon je te ijlen,
somde je met je ogen strak op het plafond gericht getallen op. De
hele nacht bleven Ernesto en ik verslagen bij je waken, om beurten
gebruik makend van de enige stoel die beschikbaar was, terwijl in
de andere bedden van de zaal een oude vrouw op sterven lag, een
demente bejaarde schreeuwde en een ondervoede en bont en blauw
geslagen zigeunerin probeerde te slapen. Toen het licht begon te
worden haalde ik je man over om wat te gaan rusten, hij had al een
paar nachten niet geslapen en was uitgeput. Hij nam afscheid van je
met een kus op je mond. Een uur later barstte het gruwelijke
schouwspel los, een huiveringwekkende bloedspuwing gevolgd
door stuiptrekkingen; je gespannen lichaam boog zich naar achteren,
ten prooi aan hevige krampen die je optilden van het bed, je armen
beefden en je handen waren verstijfd alsof je je ergens aan vast
probeerde te klampen, in je ogen stond ontzetting, en over je rood
aangelopen gezicht liep kwijl. Ik wierp me boven op je om je vast te
houden, ik gilde en gilde om hulp, de zaal liep vol met in het wit
geklede mensen en ik werd met geweld weggevoerd. Ik herinner me
dat ik geknield op de grond lag, daarna een klap in mijn gezicht
kreeg. Kalm, mevrouw, als u niet ophoudt met gillen, moet ik u
verwijderen! Het gaat al beter met uw dochter, u mag naar binnen
en bij haar blijven, zei een ziekenbroeder terwijl hij me door elkaar
schudde. Ik probeerde op te staan, maar mijn knieën knikten; ik
werd ondersteund naar je bed gebracht, daarna ging iedereen weg
en bleef ik alleen met jou en de patiënten in de andere bedden, die
zwijgend toekeken, een ieder verzonken in zijn eigen ellende. Je had
de asgrauwe kleur van een spook, met een omhooggeslagen blik en
een sliertje geronnen bloed bij je mond, je was koud. Ik hoopte je
terug te kunnen roepen met de namen die ik je gaf toen je klein was
maar je dreef weg naar een andere wereld; ik wilde je water laten
drinken, ik schudde je heen en weer, je staarde me aan met grote,
glazige ogen maar keek dwars door me heen naar een andere
horizon en opeens bewoog je niet meer, werd je lijkbleek, hield je
op te ademen. Het lukte me gillend om hulp te roepen en
onmiddellijk daarna probeerde ik mond-op-mondbeademing, maar
de angst blokkeerde me, ik deed alles verkeerd, ik beademde je
aan één stuk door, zonder tussenpozen, vijf of zes keer, en toen
merkte ik dat ook je hart niet meer klopte en begon ik met mijn
vuisten op je borst te slaan. Even later kwam er hulp en het laatste
dat ik zag was hoe je bed in ijltempo door de gang naar de lift werd
gereden. Vanaf dat moment stond het leven stil voor jou en ook
voor mij, zijn we beiden een geheimzinnige drempel overgestapt en
een zeer duister gebied binnengetreden.
©1998 - Wereldbibliotheek, Amsterdam
Paula
bij BoekNet
Zul je me herkennen als je moeder wanneer je wakker wordt, Paula? Je familie en
vrienden laten je niet in de steek, ’s avonds komt er zoveel bezoek dat het
wel lijkt of we tot een indianenstam behoren; sommigen
komen van heel ver, blijven hier een paar dagen en keren daarna weer tot hun
gewone leven terug, zelfs je vader, die in Chili bezig is met een gebouw dat nog
in de steigers staat en daarvoor terug moest. Deze weken dat we in de wachtkamer
samen het verdriet deelden, moest ik weer denken aan de goede momenten uit onze
jonge jaren, de kleine ergernissen zijn mettertijd uitgewist en ik ben Michael
gaan waarderen als een oude trouwe vriend, ik voel voor hem een stille achting,
het kost me moeite te bedenken dat we ooit de liefde hebben bedreven of dat ik
hem aan het einde van onze relatie zelfs ben gaan haten.
Een paar vriendinnen en mijn broer Juan kwamen over uit de Verenigde Staten, oom
Ramón uit Chili en Ernesto's vader rechtstreeks uit de jungle van het
Amazonegebied. Nicolás kan het land niet uit, met zijn visum mag hij niet
opnieuw de Verenigde Staten in en ook wil hij Celia en hun kindje niet alleen
laten, het is maar beter zo, ik heb liever niet dat je broer je in deze toestand
ziet. En ook Willie is gekomen, elke twee of drie weken vliegt hij de halve
wereld over om een zondag bij me te zijn en me te beminnen alsof het de laatste
keer is.
Ik haal hem af van het vliegveld om geen minuut van zijn gezelschap te missen;
ik zie hem het wagentje met zijn koffers achter zich aan slepend de aankomsthal
binnenkomen, hij steekt een kop boven de andere mensen uit, zijn blauwe ogen
zoeken me hunkerend in de menigte, zijn stralende glimlach als hij me beneden
ontdekt, we hollen elkaar tegemoet en ik voel zijn stevige armen om me heen die
me van de grond tillen, de geur van zijn leren jack, zijn stekelige baard van
twintig uur reizen en zijn lippen die de mijne fijndrukken, daarna de taxirit,
me klein makend onder zijn arm, zijn handen met lange vingers betasten me en
zijn stem fluistert Engelse woordjes in mijn oor, mijn god, wat heb ik je
gemist, wat ben je mager geworden, wat zijn dat voor botten, en opeens herinnert
hij zich waarom we gescheiden zijn en vraagt hij me met een andere stem naar
jou, Paula. We zijn nu langer dan vier jaar bij elkaar en nog steeds voel ik
dezelfde ondefinieerbare betovering als op de eerste dag, een sterke
aantrekkingskracht waarbij zich in de loop van de tijd andere gevoelens hebben
gevoegd maar die desondanks de basis van onze relatie is gebleven.
Waaruit die aantrekking bestaat, weet ik niet en ik zou haar niet kunnen
definiëren, want zij is niet uitsluitend seksueel getint, hoewel ik dat
aanvankelijk wel dacht; hij beweert dat we twee vechters zijn die door dezelfde
soort energie worden gedreven, samen hebben we de kracht van een trein in volle
vaart, kunnen we elk doel bereiken, met elkaar zijn we onoverwinnelijk, zegt
hij. We gaan ervan uit dat de een de ander ruggesteunt, niet
bedriegt, overeind houdt op zwakke momenten, helpt het roer recht te krijgen als
een van tweeën uit de koers raakt. Ook geloof ik dat er een geestelijke
component is, als ik in reïncarnatie geloofde zou ik denken dat ons karma erin
bestaat elkaar in elk leven weer tegen te komen en lief te hebben, maar ook daar
zal ik het nog niet over hebben, Paula, want dat maakt het alleen maar
verwarrend voor je. Tijdens die kortstondige ontmoetingen
vermengen verlangen en droefheid zich met elkaar, klamp ik me vast aan zijn
lichaam op zoek naar genot en troost, twee dingen die deze beproefde man weet te
geven, maar jouw beeld, kind, weggezakt in een dodelijke slaap, snijdt ons door
de ziel en doet de kussen op onze lippen bevriezen.
'Paula zal lange tijd niet bij haar man kunnen zijn, misschien wel nooit meer.
Ernesto is nog geen dertig en zijn vrouw heeft kans voor de rest van haar dagen
invalide te blijven…
Waarom moest haar dat overkomen en niet mij, ik heb immers al meer dan genoeg
geleefd en bemind?'
'Daar moet je niet aan denken. je kunt op veel manieren liefhebben,' zegt Willie.
En dat is waar, de liefde heeft onverwachte wegen. De weinige minuten dat jullie
samen kunnen zijn, kust en omhelst Ernesto je, ondanks de wirwar van slangen om
je heen. Word wakker, Paula, ik wacht op je, ik mis je, ik moet je stem horen,
ik zit zo vol liefde dat ik ervan uit elkaar barst, kom terug alsjeblieft, ik
smeek het je. Ik zie voor me hoe hij ’s avonds zijn
lege huis binnengaat en in het bed kruipt waar hij met jou sliep en waarin nog
de indruk van je schouders en heupen te zien is. Hij moet jou naast zich voelen,
je frisse glimlach, je huid als hij je streelde, de in harmonie gedeelde stilte,
de gefluisterde geheimpjes tussen verliefden. Hij herinnert zich de keren dat
jullie gingen dansen tot jullie dronken waren van de muziek, de passen zo op
elkaar afgestemd dat jullie één lichaam leken. Hij ziet je bewegen als een
riethalm, je lange losse haar omhult jullie tweeën op het ritme van de muziek,
je slanke armen om zijn hals, je mond tegen zijn oor. Ah, jouw bekoorlijkheid
Paula! Je zachte voorkomen, je onvoorspelbare intensiteit, je strenge
intellectuele discipline, je gulheid, je onbesuisde tederheid. Hij mist je
grapjes, je lach, je dwaze snikken onder de film en je ernstige tranen als je
werd aangegrepen door andermans lijden.
Hij herinnert zich die keer dat je je verstopte in Alkmaar en hij als een
bezetene over de kaasmarkt holde, luidkeels je naam roepend tot stomme
verbijstering van de Hollandse verkopers.
Nat van het zweet wordt hij wakker, gaat in het donker rechtop in bed zitten,
probeert te bidden, zich concentrerend op zijn ademhaling om weer kalm te
worden, zoals hij op aikido heeft geleerd. Misschien gaat hij het balkon op om
naar de sterren aan de hemel boven Madrid te kijken, bij zichzelf herhalend dat
hij niet de hoop mag verliezen, alles zal goed komen, binnenkort zul je weer aan
zijn zijde zijn. Hij voelt zijn slapen kloppen, het bloed door zijn aders
kolken, hij krijgt het benauwd, hij stikt, dan doet hij een broek aan en gaat
door de verlaten straten joggen, maar niets is in staat de onrust van zijn
gedwarsboomde verlangen tot bedaren te brengen. De liefde tussen jullie bestaat
nog maar net, de eerste bladzijde van een onbeschreven schrift. Ernesto heeft
een oude ziel, mama zei je eens, maar zijn onschuld is hij nog niet kwijt, hij
kan spelen, zich verbazen, me liefhebben en aanvaarden, zonder vooroordelen,
zoals kinderen liefhebben; sinds we samen zijn, is er iets in me opengebloeid,
ben ik veranderd, zie ik de wereld anders en ben ik meer van mezelf gaan houden
omdat ik me door zijn ogen zie. Van zijn kant heeft Ernesto me op de angstigste
momenten bekend dat hij niet had kunnen denken ooit de intense verrukking te
ervaren die hij voelt als hij je omhelst, je bent zijn volmaakte wederhelft, hij
houdt van je en verlangt naar je tot aan de pijngrens toe, hij betreurt elk uur
dat jullie niet bij elkaar waren. Hoe kon ik nu weten dat we zo weinig tijd
hadden? zei hij me trillend. Ik droom van haar, Isabel, ik droom aan één stuk
door dat ik weer naast haar lig en dat we de liefde bedrijven tot we er
bewusteloos van raken, ik kan je de beelden die me overvallen niet
uitleggen, alleen zij en ik kennen die, haar afwezigheid is een vuur dat me
verschroeit, ik denk elke seconde aan haar, de herinnering aan haar laat me niet
los, Paula is de enige vrouw voor mij, de levensgezellin van wie ik droomde en
die ik vond. Wat vreemd is het leven toch, kind! Tot voor kort was ik voor
Ernesto een verre en wat gereserveerde schoonmoeder, nu zijn we elkaars
confidenten, intieme vrienden.
Het ziekenhuis is een reusachtig gebouw doorkruist door gangen waar het nooit
nacht wordt en de temperatuur altijd gelijk blijft, de lampen hebben het
daglicht vervangen en de verwarming de zomer. De routinehandelingen herhalen
zich met een stompzinnige precisie; het is het rijk van de pijn, hier komt men
om te lijden, zo ziet iedereen dat. De ellende van de ziekte maakt ons aan
elkaar gelijk, het onderscheid tussen arm en rijk valt weg, bij het
overschrijden van deze drempel vervliegen de privileges en worden we nederig.
Mijn vriend Ildemaro kwam met de eerste vlucht die hij na een eindeloze staking
van piloten in Caracas kon krijgen en bleef een week bij me. Langer dan tien
jaar is die beschaafde en lieve man een broer voor me geweest, iemand die me met
wijze raad bijstond en me in de tijd dat ik me als een ballinge beschouwde,
vergezelde op mijn omzwervingen. Toen ik hem omhelsde, voelde ik een absurde
zekerheid, ik kreeg het idee dat je in zijn aanwezigheid zou reageren, dat je
bij het horen van zijn stem wakker zou worden. Hij maakte gebruik van het feit
dat hij arts is om de specialisten vragen te stellen, de medische rapporten in
te zien, onderzoeksresultaten en röntgenfoto's te bestuderen, hij heeft je van
top tot teen onderzocht met zijn typerende zorgvuldigheid en met de
bijzondere genegenheid die hij voor je voelt. Toen hij wegging, nam hij me aan
mijn hand mee om te gaan wandelen in de omgeving van het ziekenhuis. Het was erg
koud.
'Hoe zie jij Paula's geval?'
'Erg zorgwekkend...'
'Zo is het nu eenmaal met porfyrie. Er is me verzekerd dat ze er helemaal
bovenop zal komen.'
'Ik houd te veel van je om tegen je te liegen, Isabel.'
'Zeg me dan wat je denkt. Denk je dat ze dood zal gaan?'
'Ja,' antwoordde hij na een lange pauze.
'Kan ze nog lang in coma blijven?'
'Hopelijk niet, maar het is mogelijk.'
'En als ze niet meer bijkomt, Ildemaro ... ?'
We zwegen verder terwijl de regen neerdaalde.