WEERPRAATJE

 

Er wordt in ons landje nergens zoveel over gesproken als over het weer. Maar slechts weinig mensen realiseren zich hoe complex de "simpele vraag" is:  "Wat is het morgen voor weer? "

 

Wat je dan eigenlijk wilt weten is:

·         Wordt het helder of bewolkt?

·         Zal het regenen, sneeuwen of hagelen?

·         Wordt het warm of koud? En zo ja; hoe warm of hoe koud.

·         Wat wordt de luchtvochtigheid?

·         Zal het waaien en zo ja uit welke richting en hoe krachtig?

 

Al die vragen worden dan samengevat als "Lekker weertje", of "het is geen weer"

 

Waarvan is het weer afhankelijk:

·         De drukking van de lucht, te meten met een barometer

·         De temperatuur van de lucht, te meten met een thermometer

·         De luchtvochtigheid, te meten met een hygrometer

·         De windsterkte, te meten met een anemometer

 

Vochtigheid kan zich vormen tot neerslag. Enkele termen die bij neerslag horen zijn:

·         Nevel: waterdamp die dicht bij de aarde condenseert. Namelijk boven sloten en plassen.

·         Wolken: nevelvorming in hogere luchtlagen.

·         Mist: een wolk aan de oppervlakte van de aarde.

·         Regen: als de waterdruppeltjes in de nevel zich verenigen tot grote druppels. Daardoor worden ze te zwaar om te zweven en vallen omlaag.

·         Sneeuw: verzadigde, of bijna verzadigde, waterdamp beneden 0 °C.

·         Dauw: lucht die dicht bij de aarde afkoelt en daar condenseert.

·         Rijp (rijm): bevroren dauw

·         IJzel:

·         a: onderkoelde regendruppels botsen op elkaar en bevriezen. Dit is ijsregen.

·         B: niet onderkoelde regendruppels of een warme vochtige luchtstroom komt met de nog zeer koude grond in aanraking.

·         Stofhagel: sneeuwkristallen die door bevroren waterdruppels aan elkaar worden gekit.

·         Hagel: bevroren waterdruppels

 

Tussen 1914 en 1918 ontdekte men dat de luchtlaag om de aardbol uit een aantal luchtsoorten bestaat. Namelijk  grote blokken van een paar honderd kilometer lengte en breedte met een hoogte van 1 tot 20 km. In zo’n luchtblok zijn temperatuur en watergehalte vrijwel constant. De grenslaag tussen twee luchtblokken heet: front, te onderscheiden in warmte- en koudefronten.

Als de luchtblokken zich verplaatsen, verplaatsen zich ook de weerfronten.

 

Veel gebruikte termen in de weerkunde zijn:

·         Maximum: een gebied met hoge luchtdruk. Dit noemt men ook wel een hoog of een pressie.

·         Minimum: een gebied met lage luchtdruk. Een laag of een depressie.


 

·         Isobaren: zijn denkbeeldige lijnen die plaatsen met een gelijke luchtdruk verbinden.

·         Isothermen: zijn denkbeeldige lijnen die plaatsen met een gelijke temperatuur verbinden.

·         Windkracht: De windkracht wordt meestal opgegeven in sterkte graden van de schaal van Beaufort. Men kan de windsterkte vaststellen door de windsnelheid te meten met een windmeter (anemometer), of zoals vroeger door de uitwerking van de wind op de zee na te gaan. In bijgevoegd schema zijn zowel de effecten op zee als die op het land zijn omschreven. Admiraal Francis Beaufort heeft deze schaal in 1805 ontwikkeld. Oorspronkelijk was de schaal van Beaufort bedoeld om op zee te gebruiken, wat ook sinds 1806 is gedaan. Maar ze werd tevens aangepast voor gebruik op het land.


 

windkracht / schaal van beaufort

 

wind-kracht

 

windsnelheid

meter/sec         km/uur_

omschrijving

effect op zee

(hoogte en zeegang)

effect op land

0

0,0 – 0,2

0 –1

stilte

spiegelglad

0 meter

rook gaat recht omhoog

1

0,3 – 1,5

1 – 5

flauw - stil

lichte rimpels

0 meter

windwijzer blijft stilstaan

rook drijft zwak aan

(toont de windrichting)

2

1,6 – 3,3

6 –11

flauwe koelte

kleine korte golven

toppen breken niet

0,2 meter

merkbaar voor het gevoel

bladeren ritselen

3

3,4 – 5,4

12 – 19

lichte koelte

korte golven en golftoppen

beginnen te breken

0,5 meter

beweegt of strekt een wimpel

bladeren en twijgen bewegen voortdurend

4

5,5 – 7,9

20 – 28

matige koelte

veel witte schuimkoppen

1,5 meter

beweegt kleine takken

stof en papier waaien op

5

8,0 – 10,7

29 –38

frisse bries

matige golven

overal schuimkoppen

2,5 meter

kleine bomen zwaaien heen en weer

kleine golfjes op binnenwater

6

10,8 – 13,8

39 - 49

stijve bries

grote golven

overal grote schuimplekken

4 meter

grote takken bewegen

hoogspanningsleidingen fluiten

7

13,9 – 17,1

50 – 61

harde wind

het schuim gaat in strepen in de richting van de wind

5,5 meter

hele bomen zwiepen heen en weer; moeilijk om tegen de wind in te lopen

8

17,2 – 20,7

62 – 74

stormachtig

vrij hoge golven, de toppen  waaien eraf

7,5 meter

takjes breken af

moeilijk om te lopen

9

20,8 – 24,4

75 – 88

storm

hoge golven, zware schuim

strepen, rollers gaan lopen

10 meter

grote takken breken af

dakpannen waaien af

antennes breken

10

24,5 – 28,4

89 – 102

zware storm

zeer hoge golven, lange overstortende kammen, zware rollers

12,5 meter

ontwortelde bomen

aanzienlijke tot zware schade aan gebouwen

11

28,5 – 32,6

103 – 117

zeer zware storm

buitengewoon hoge golven.

randen van de golfkammen verwaaien

16 meter

uitgebreide schade aan gebouwen en technische werken

verwoestingen

12

>32,6

>118

orkaan

de lucht is met schuim en verwaait zeewater gevuld

> 16 meter

algemene zware verwoestingen

auto’s waaien van de weg

 

Van hogere snelheden is geen nauwkeurige beschrijving gemaakt

 

Voor meer info over het weer:  KNMI

Of zoek onder KNMI via google