Gewoon jezelf zijn, hoe doe je dat?

Veranderende visies op het zelf en op zelfconceptverheldering in de loopbaanadvisering.

Inleiding jaarcongres NVS, sectie BVE, Amersfoort, 6 april 2000

Tom Luken

 

 

De vraag

Wat betekent 'jezelf zijn'?

Wat de meeste mensen bedoelen met 'jezelf zijn' is: een prettig, rustig gevoel van eenheid en spontaniteit. Innerlijk en uiterlijk komen met elkaar overeen. Of opgaan in je omgeving, jezelf verliezen. Zo ongeveer zoals kinderen vaak in spel zijn.

Zeggen wat je echt vindt, doen wat je echt wilt. Je draai gevonden hebben, zoals een shagreclame in beeld brengt: werk doen wat echt bij je persoonlijkheid past.

Een begerenswaardige staat!

En wat is 'niet jezelf zijn'?

Dat is bijv. als iemand zich niet toerekeningsvatbaar acht: "Ik was mezelf niet." Of als iemand iets tegen zijn zin doet, bijv. beleefd een gesprekje voeren met iemand aan wie je eigenlijk een hekel hebt. Het heeft te maken met 'doen alsof'.

In werk blijken er nogal wat mensen te zijn die een opleiding, beroep of baan kiezen, waarvan zij op enig moment daarna zeggen dat het niet bij ze past. "Ik kan mezelf niet zijn in mijn werk" of "Ik kan mezelf niet kwijt", zeggen zij dan. Dan heeft het zelf wel iets van te krappe schoenen. Hoe meer je het zelf voelt, des te minder je jezelf bent.

Grosso modo één op de drie keuzes in het onderwijs werkt niet goed uit. In de BVE kunnen jullie daarover meepraten. Twintig procent van het beruchte arbeidsongeschiktheidsvolume (200.000 mensen) zo blijkt uit onderzoek van het LISV (Kooreman, 1999), kan direct tot verkeerde loopbaankeuzes worden herleid.

Als je jezelf niet bent (m.a.w. als je leven en werk niet echt bij past bij wat je wilt, kunt en belangrijk vindt) brengt dit kennelijk hoge kosten met zich mee, niet alleen in termen van geld, maar ook in termen van verloren tijd, energie, plezier, productiviteit, gezondheid….

Jezelf zijn is dus een noodzaak, en niet alleen om zelf een goed leven te hebben. Ook voor de maatschappij is het belangrijk dat haar leden zichzelf kunnen zijn.

Het probleem

Om keuzes in leven en loopbaan in onze maatschappij in deze tijd goed te kunnen maken is (al dan niet expliciete) zelfkennis nodig. Probleem is, dat het niet eenvoudig is om deze te verwerven. Het is een uitermate tricky onderwerp. De meest eminente wetenschappers en filosofen hebben al veel moeite om iets zinnigs over zichzelf te kunnen zeggen (zie bijv. op zondagavond de VPRO serie 'Van de Schoonheid en de Troost'. Bijv. de briljante geheugenexpert Elisabeth Loftus, die erg veel moeite heeft met haar eigen herinneringen.)

Veel van mijn cliënten - en niet alleen jongeren! - vragen zichzelf af: "Wat wil ik nu eigenlijk echt zelf? Het ene moment denk ik heel anders over dingen dan het andere moment. Waarom doe ik eigenlijk de dingen die ik doe?"

Het is voor velen moeilijk om wens, vrees en realiteit van elkaar te onderscheiden. Het verschil tussen gewoonte en eigenschap te zien…

De psycholoog Kenneth Gergen publiceerde, nog in de tijd dat de fax in opmars was en e-mail nog nauwelijks bestond (1991), een boek over 'The Saturated Self' (te vertalen als 'het platgegooide zelf'): de hele dag word je bestookt met een sociaal bombardement met telefoontjes, faxen, e-mails, reclameboodschappen, berichten, mensen die een appèl op je doen.… er zijn zo weinig momenten om tot jezelf te komen, dat het er soms op lijkt dat er geen zelf is. Voor veel mensen is de tijd die zij tussen huis en werk in de auto besteden, het enige moment dat zij met zichzelf alleen kunnen zijn. Misschien vandaar dat het fileprobleem steeds maar niet opgelost wordt!

Voor adolescenten is het extra moeilijk. Bijv. Wouter, een jongeman die zich - zoals hij zich achteraf realiseerde - in zijn schooltijd al aangetrokken voelde tot administratief werk, maar dit niet uitte tegenover zijn familie en klasgenoten. Hij werd net als zijn beide ouders tandarts, maar na zijn studie werd het hem duidelijk dat hij dit werk eigenlijk niet wilde en ook nooit gewild had. Hij (her)ontdekte zijn administratieve belangstelling, ging naar een avond MEAO en startte tot zijn volle tevredenheid een loopbaan bij een bank. De indruk blijft achter dat de tijd en kosten voor de tandartsstudie verspild zijn geweest.

De doorsnee adolescent - er zijn talloze uitzonderingen - is in wezen een conformist, die eigenlijk niet goed onderscheid kan maken tussen zichzelf en de groep waarvan hij/zij deel uitmaakt (Luken, 1999). Vandaar de kritiekloze acceptatie van alles van de eigen stijlgroep en de bijbehorende idolen. Vandaar ook de vaak radicale afwijzing van alles wat daarbuiten valt. Adolescenten zijn doorgaans heel sterk verbonden met hun (momentane) sociale omgeving. Je kunt daarin makkelijk de illusie hebben dat je jezelf bent (dat lekkere, rustige gevoel), maar in feite ben je in zekere zin de groep. Dat wordt soms pijnlijk merkbaar in een andere sociale omgeving. Denk aan de agressieve vandaal die in een individueel gesprek heel aardig (b)lijkt.

In theorie is de adolescentie de tijd waarin een identiteit tot stand komt, maar in de praktijk, zo blijkt uit onderzoek, lukt dit slechts zelden. Sterker nog: dikwijls is zelfs nog geen sprake van enige serieuze exploratie. Wat het moeilijk maakt is dat men hiervoor oude loyaliteiten op moet geven en de confrontaties met andere (sub)culturen moet aandurven.

Vandaar dat ook bij volwassenen vaak nog geen sprake is van een ontwikkelde eigen identiteit. Volgens onderzoek (zie Luken, 1999) blijken velen zich min of meer klakkeloos te conformeren aan de geldende normen van hun bedrijf en maatschappij en is slechts bij een deel (ongeveer één derde) sprake van 'autonomie', van eigen keuzen en standpunten.

Dus zo gewoon is jezelf zijn niet….

 

Het aanbod

Hoe komen mensen in dit kader van de (studie)loopbaanontwikkeling aan zelfkennis en hoe kan men hierbij helpen?

De volgende drie uit de wetenschap aangereikte benaderingen, elk voortkomend uit een bepaald wereld- en mensbeeld, zijn tot op heden gangbaar. (Gebaseerd op de vier basismetaforen van Sarbin; zie bijv. Hermans en Hermans-Jansen, 1995).

  1. Meten. Uitgangspunt bij deze benadering is dat de mens beschouwd kan worden als een verzameling eigenschappen. Deze kun je meten (met wetenschappelijk onderbouwde tests) en de resultaten vervolgens koppelen ('matchen') aan wat bekend is over beroepen of functies. Probleem bij deze benadering is, dat er nogal veel mis gaat bij het meten. En ook als het meten wel goed gaat: mensen en functies blijken nogal veranderlijk. En hoe turbulenter de maatschappelijke, economische en technologische ontwikkelingen, des te veranderlijker lijken mensen en functies te worden. Koppelingen op grond van meetresultaten verliezen daarmee hun geldigheid.
  2. Denken, een rationeel model opbouwen van hoe je in elkaar zit. De wetenschappelijke methode toepassen op jezelf: waarnemingen doen, logisch redeneren en hypothesen opstellen en toetsen. Probleem hierbij is dat mensen niet logisch in elkaar zitten. Het zijn vaten vol tegenstrijdigheden. Rationeel denken kan dan makkelijk tot foute conclusies leiden, in de trant van: ik pas in mijn jas, mijn jas past in mijn tas, dus ik pas in mijn tas.
  3. Groeien. Deze benadering gaat er van uit dat mensen vanzelf wel (beroepskeuze)rijp worden. Als begeleider heb je daar niet zo veel invloed op. De leerling is als een plant die je af en toe water (in dit geval informatie) moet geven. Als de leerling voldoende en goede informatie krijgt, dan verwerkt hij dat zelf wel en komt de keuze wel tot stand. Leerlingen die het nog niet weten, geeft je gewoon wat extra informatie (bijv. een folder of brochure) of stuur je naar een extra voorlichtingsdag.

Als we de drie genoemde benaderingen toepassen, behandelen we de leerling of student achtereenvolgens als een meetbare vorm (of verzameling van eigenschappen), als machine en als plant.

In alledrie de benaderingen zit natuurlijk een stevige kern van waarheid en alledrie hebben hun nut bewezen en doen dat nog steeds. Maar alledrie leiden ze ook wel eens tot lege handen of verkeerde antwoorden. Denk aan de één op de drie die verkeerd kiezen.

Een vierde, meer recent opgekomen mensbeeld begint geleidelijk het veld te domineren:

de mens als verhaal, de 'narratieve benadering'. Hierin is het individu de hoofdpersoon in een verhaal waarvan hij of zij zelf de auteur is. Dus tegelijk auteur en hoofdpersoon zijn van je eigen levensverhaal. Wie je bent en hoe je bent verzin je in dit mensbeeld voor een deel zelf. In die zin heb je invloed op je eigen leven en op je (sociale) omgeving; mensen maken samen de werkelijkheid.

Voor een ander deel ben je echter door de setting, je context bepaald. Je speelt namelijk ook een rol in de verhalen van andere mensen. Als iedereen je een sul vindt, is het niet zo makkelijk om de rol van een held te spelen. En je eigen verhaal moet wel geloofwaardig zijn voor anderen. Ik kan wel verzinnen dat ik een goede systeemontwerper ben, maar als geen werkgever dat gelooft, schiet ik daar niet veel mee op. De kunst is goed gebruik te maken van de speelruimte die je hebt.

Die speelruimte bestaat op twee manieren:

Deze vierde benadering treedt de leerling als betekenisgevend wezen tegemoet. Voordelen van deze benadering zijn, dat de eigen verantwoordelijkheid en de (weliswaar betrekkelijke) vrijheden en ontwikkelingsmogelijkheden van de persoon worden benadrukt, tegelijk met de verbondenheid aan zijn of haar verleden en context.

Wat helpt in deze benadering:

Samenvattend: voor jonge kinderen is jezelf zijn nog gewoon. Vanaf een jaar of tien, twaalf verandert dat. De meeste jongeren identificeren zich dan sterk met anderen of met de groep. Je hebt dan de illusie dat je jezelf bent, maar je bent het niet. Veel mensen komen hier bij het ouder worden vanzelf achter, doorgaans echter pas na, voor zowel de persoon zelf als voor de omgeving, pijnlijke mislukkingen, voortkomend uit keuzes gebaseerd op een verkeerd beeld van zichzelf.

Jezelf zijn is alleen gewoon voor mensen die zichzelf kennen. Goede begeleiding, d.w.z. persoonlijke begeleiding die objectieve gegevens en feedback aandraagt, die zowel het verstand als het gevoel inschakelt en die de exploratie van zowel buiten- als binnenwereld stimuleert, kan de leerling of student helpen zichzelf te leren kennen. De kans op verkeerde keuzes wordt hiermee verminderd en dat is zowel voor de betrokkene als voor de maatschappij zeer de moeite waard!

 

 

Literatuur

Gergen, K.J. The Saturated Self: Dilemmas of Identity in Contemporary Life. Basic Books, 1991.

Hermans, H.J.M. en Hermans-Jansen, E. The Dialogical Self: The Construction of Meaning in Psychotherapy. Guilford Press, New York/London, 1995.

Kooreman, A. Oorzaak: Psychisch. Uitwerking aanbeveling REA2000. LISV, Amsterdam, 9 juni 1999.

Luken, T. Gaat leren leren de leerling boven de pet? Over de (on)mogelijkheid van creatief-sociaal leren in het onderwijs. Comenius, jg. 19 (1999), nr. 4, p. 342-361.

 

Sheet 1

  1. vorm à eigenschappen meten
  2. machine à model maken
  3. plant à laten groeien
  4. verhaal à

Sheet 2

- objectieve gegevens

- vragen en reacties

- 'focussen' op eigen gevoel

- overzicht ontwikkelen

- verleden, heden en toekomst

- contexten en rollen

- 'kanten van jezelf'

- exploreren , doen