![]()
GEPUBLICEERD IN DE JOURNALIST 6 JULI 1995
Half juni 1995 werd Nederland opgeschrikt door flinke koppen op de voorpagina's: 'Zwakzinnigen vaak misbruikt. Ruim 1100 gevallen in twee jaar.' 'Duizenden verstandelijk gehandicapten misbruikt.' 'Verstandelijk gehandicapte vogelvrij.' Aanleiding voor deze verontrustende berichten is de publikatie van een onderzoek van het NISSO naar seksueel misbruik bij mensen met een verstandelijke handicap.
Het is opvallend dat alle verslaggevers er zonder meer aannemen dat het hier gaat om een betrouwbaar en vooral ook representatief onderzoek. Dagblad Tubantia: 'Onderzoek onder representatieve groep toont duizenden gevallen aan.' Voor de lezer is het echter onmogelijk om op grond van de mediaberichtgeving na te gaan hoe het staat met die representativiteit, hoe de steekproef eruit ziet en hoe dat misbruik is gedefinieerd. Er zijn blijkbaar geen journalisten geweest die de onderzoekster Willy van Berlo eens aan de tand hebben gevoeld over haar onderzoeksopzet.
Er duiken tal van percentages op in de berichtgeving - 1,2% van de
verstandelijk gehandicapten is misbruikt, bij 1,3% bestaat een
vermoeden, vormen van penetratie: 34% - maar hoe 'hard' zijn die
percentages eigenlijk? Valt een percentage van 10 procent te
vertrouwen als blijkt dat er maar 7 (zeven!) gevallen achter schuil
gaan?
Reden om eens kritisch te kijken naar de valkuilen bij een
dergelijk 'representatief' onderzoek.
Uiteraard is er niet gewerkt met een steekproef van verstandelijk
gehandicapten, maar van orthopedagogen, psychologen, groepshoofden en
hoofden van gezinsvervangende tehuizen. Dat onderscheid is in sommige
artikelen niet duidelijk.
Bij een non-response 40 procent concludeert Van Berlo dat de respons
gezien het onderwerp 'redelijk tot hoog' is. Dat mag wel zo zijn in
vergelijking met andere onderzoeken naar misbruik, het betekent nog
altijd dat je over die 40 procent geen enkele uitspraak kunt doen.
Met andere woorden er kan een behoorlijke vertekening zitten in de
steekproef: doen mensen niet mee omdat ze niks te melden hebben of
juist heel veel, die vraag blijft onbeantwoord.
Bij melden van gevallen van seksueel misbruik moesten de respondenten zich houden aan de definitie van de onderzoekster: 'seksuele contacten tussen normaalbegaafden en verstandelijk gehandicapten die plaatsvinden tegen de zin van de verstandelijk gehandicapte (...) of wanneer er sprake is van een professionele hulpverlener-cliënt relatie. (...) Of: seksuele contacten tussen twee verstandelijk gehandicapten die plaatsvinden tegen de zin van een van de twee.' Bij contact gaat het om alle daadwerkelijke seksuele aanrakingen. (p. 63 en 64)
In de berichtgeving zijn die definities nauwelijks terug te vinden, laat staan dat wordt gesignaleerd in welke mate deze definities tot zeer uiteenlopende interpretaties bij de respondenten kunnen leiden. Zo zegt 82 procent van de respondenten dat het leren masturberen van verstandelijk gehandicapten (door een begeleider) acceptabel is. Heeft die 18 procent die dat onacceptabel vindt dat als misbruik gerapporteerd? Dertig procent vindt het acceptabel om samen onder de douche te gaan, zijn er bij de tegenstanders (70 procent) dan mensen die dit als misbruik melden? Daar is moelijk achter te komen, want deze cijfers zijn in het onderzoek niet gerelateerd aan welke respondenten welke vormen van misbruik melden.
In het onderzoek is sprake van 308 duidelijke gevallen van
misbruik in de afgelopen twee jaar. Sommige kranten kiezen voor een
percentage, 1,2 procent, andere voor 320 gevallen (het verschil zit
in een aantal gevallen die langer dan twee jaar geleden hebben
plaatsgevonden, dan wel valse beschuldigingen bleken te zijn).
Waar die 308 gevallen nu precies uit bestaan, zegt het onderzoek
helaas niet.
De onderzoekster heeft ervoor gekozen daar weer een selectie uit te
maken en slechts 69 gevallen daadwerkelijk te beschrijven.
Argument van de onderzoekster: 'alle gevallen, dat was teveel werk. '
De respondenten moesten het meest recente geval beschrijven. Het is
zeer de vraag of hiermee een representatieve selectie wordt gemaakt,
maar ernstiger is het dat de absolute aantallen in de verschillende
categoriën (daders, vormen van misbruik) veel te klein worden om
nog te kunnen percenteren. Achter de in de media gemeldde percentages
als 'penetratie: 38 procent', 'met de hand moeten bevredigen: 28
procent' of 'hinderlijke seksuele aanrakingen: 16 procent' gaan
absolute aantallen schuil van respectievelijk: 26, 27 en 11. Bij
de soorten daders zijn er zelfs percentages berekend op basis van 1
(een!) geval.
Als je vervolgens dergelijke percentages in de kranten ziet staan ('eigen personeel: 16 procent van de daders'), moet je wel even slikken. Mochten er bij een vervolgonderzoek vijftig gevallen van penetratie gemeld worden, dan kan op de voorpagina: 'Verkrachtingen verstandelijk gehandicapten met 100 procent gestegen.' Kortom, het is zeer de vraag of je met dergelijke absolute aantallen mag projecteren op de totale populatie van ongeveer (ook dat is merkwaardig genoeg een onbekend cijfer) 100.000 geestelijk gehandicapten, hetgeen de basis is voor koppen als 'Duizenden misbruikt'. En dan laten we nog buiten beschouwing dat er geen garantie is dat sommige gevallen niet vaker zijn meegeteld. Evenmin zijn we er zeker van dat die 308 meldingen betrekking hedden op 308 afzonderlijke slachtoffers. En over de 341 vermoedens van misbruik waarbij 20 procent van de respondenten niet eens kon melden wat er gebeurd zou moeten zijn, zullen we maar zwijgen. De onderzoekster: 'We weten niet precies wat er gebeurd is, maar daar is het ook een vermoeden voor.'
Zoals in de alle kranten te lezen viel, hebben de cijfers (308 meldingen, 1,2 procent) betrekking op de afgelopen twee jaar. Voor normale mensen is echter niet ongebruikelijk om te denken in termen van één jaar: jaarlijks zijn 1300 verkeersdoden bijvoorbeeld. De kranten zouden ook kunnen schrijven: '2600 doden in de afgelopen twee jaar', maar gebruikelijk is dat niet. Naar aanleiding van het NISSO-onderzoek hadden de kranten net zo goed kunnen schrijven: 154 meldingen per jaar, ofwel: 'Waarschijnlijk is 0,58 procent van de verstandelijk gehandicapten slachtoffer slachtoffer van een vorm van seksueel misbruik.' Maar ja, zo'n cijfer noopt niet meteen tot een nationaal actieplan. De onderzoekster: 'Ja, 0,6 procent had ook gekund.'
Dat maar liefst 62,56 procent van de respondenten geen enkel
duidelijk geval van misbruik kan melden, krijgt in het onderzoek (het
percentage komt er als zodanig zelfs niet in voor) en dus in de media
geen enkele aandacht.
Evenmin is er aandacht voor het feit dat een kwart van de
respondenten gemiddeld drie gevallen rapporteert. Er valt op grond
van het onderzoek echter niet achter te komen of er ook respondenten
bij zijn die tientallen gevallen melden. Wel weten we dat mensen in
instellingen met een open beleid op het gebied van seksualiteit meer
gevallen melden, maar wat betekent dat? Dat als er meer wordt
geëxperimenteerd er ook meer incidenten van misbruik zullen
zijn? Of dat het bij de overige instellingen erger is, maar daar
komen we niet achter omdat die respondenten er het zwijgen toe doen?
Als het gaat om dergelijke taboe onderwerpen zijn zowel onderzoekers als journalisten geneigd om uit te gaan van een sterke onderrapportage: 'deze cijfers laten slechts het topje van de ijsberg zien!' Dat het bij seksueel misbruik gaat om incidenten die de daders liever verborgen houden, is echter nog geen reden om statistisch gebrekkige informatie zonder enige aarzeling enorm uit te vergroten en te projecteren op grote bevolkingsgroepen. Dan leidt het ijsbergsyndroom tot onvermijdelijk tot vertekening.
Willy van Berlo, Seksueel misbruik bij mensen met een verstandelijke handicap. Delft 1995.