maandag 26 april 2010

De digitale schandpaal

De invloed van internet op het verloop van affaires en schandalen

VOORPUBLICATIE

“De geschiedenis van het schandaal is dus een onderdeel van de geschiedenis van de openbaarheid.” (De Swaan, 1996: 28).

In 17 januari 1998 maakt Matt Drudge op zijn weblog Drudge Report bekend dat Newsweek op het laatste moment heeft afgezien van publicatie van een onthulling over president Clinton, die een verhouding zou hebben met een stagiaire in het Witte Huis. Newsweek wil eerst nog meer feiten verifiëren, maar voor Drudge is dat geen reden om niet meteen te publiceren (Bosscher, 2007: 104). Als het verhaal eenmaal op straat ligt, kunnen de andere media niet achterblijven en binnen de kortste keren is het Lewinsky schandaal een feit (Kovachs & Rosenstiel, 1999: 13). Met één klap wordt duidelijk dat internet de spelregels heeft veranderd en dat ook een relatief onbekende eenmanssite met roddel- en shownieuws in staat is een schandaal te lanceren.

Een kleine tien jaar later, eind november 2007 raakt de Nijmeegse wethouder Paul Depla in opspraak na onthullingen op weblog Geenstijl.nl dat beveiligingscamera’s zouden hebben vastgelegd dat hij zich in de fietsenkelder van het gemeentehuis oraal zou hebben laten bevredigen door VVD-gemeenteraadslid Jolanda van Veluw. Na aanhoudende geruchten heeft Burgemeester De Graaf in het voorjaar al onderzoek laten doen en vastgesteld dat er geen sprake was geweest van “strafbare feiten, seksuele intimidatie of misbruik van een machtspositie.” De Graaf heeft samen met de andere fractievoorzitters besloten om de zaak niet in de openbaarheid te brengen, ook omdat nog steeds niet zeker was of het gerucht waar is. De regionale krant De Gelderlander is van dit alles op de hoogte, maar publiceert er niet over omdat de hoofdredactie vindt dat ook een wethouder recht heeft op een privéleven. Een dag na Geenstijl.nl brengt De Telegraaf het verhaal op de voorpagina (“Seksrel in Nijmeegs stadhuis”) en begint het verhaal rond te zingen op internet. de Volkskrant negeert de affaire aanvankelijk, net als de meeste andere nieuwsmedia, maar dat verandert op het moment dat er sprake is van een “politiek feit”, namelijk het besluit van het VVD-raadslid enkele dagen later om op te stappen. Voor de gemeenteraad geldt juist dat “de recente golf van publicaties (...) een politiek feit heeft gecreëerd dat om een politiek oordeel vraagt,” reden voor een raadsdebat een week later over de affaire. Intussen komt Geenstijl met nieuwe onthullingen over een andere minnares die ook door andere media worden overgenomen.

De site neemt ook heel duidelijk stelling in deze affaire: “Wat nou privézaak? Maar wat is er privé wanneer je als wethouder je functie misbruikt om hoogst persoonlijk een woning te regelen voor je minnares?” Talloze internetgebruikers zetten deze discussie vervolgens nog weken voort op allerlei uiteenlopende platforms, variërend van hun eigen weblog tot en met discussiefora of sites zoals www.nujij.nl. Bij de gemeenteraadsvergadering op 28 november wemelt het van de pers en de cameraploegen - de affaire Depla is definitief landelijk nieuws - maar hij overleeft de crisis, omdat de burgemeester en de coalitie hem blijven steunen in zijn opvatting dat het hier gaat om een privékwestie.

Hoewel de Nijmeegse fietsenkelderzaak van een andere orde is dan het Lewinsky schandaal dat bijna tot het afzetten van president Clinton leidde, zijn de overeenkomsten interessant. In beide gevallen besluit een website te publiceren terwijl de gevestigde journalistieke media dat (nog) niet doen op basis van ethische en professionele overwegingen. Bij allebei zorgt de onthulling op internet ervoor dat er alsnog een affaire op gang komt en dat de andere media daarin meegaan. Het Lewinsky schandaal heeft volgens Williams en Delli Carpini (2004) bijgedragen aan het uithollen van de klassieke poortwachtersfunctie van de journalistiek. Sindsdien heeft het internet zich enorm ontwikkeld: niet alleen zijn er miljoenen websites bijgekomen, het zijn vooral de gebruikers die actief zijn geworden op hun eigen weblogs en op allerlei nieuwe interactieve platforms.

Dat betekent dat het publicitaire speelveld waarbinnen affaires en schandalen zich afspelen nog steeds aan het veranderen is. Was het schandaal vroeger het domein van de professionele journalistiek en de massamedia, tegenwoordig zijn er tal van nieuwe spelers bijgekomen die dankzij internet in staat zijn om onthullingen te doen, mensen aan te klagen of de publieke verontwaardiging een stem te geven. De digitale schandpaal is in opkomst, getuige de onthullingen op Geenstijl en de vele verontwaardigde reacties van de bezoekers. In dit artikel zullen we gevolgen van deze ontwikkelingen verkennen: welke invloed hebben internetpublicaties op het ontstaan en het verloop van affaires en schandalen? Welke soorten websites zijn daarbij van belang, welke rol spelen de internetgebruikers en hoe ziet de interactie eruit tussen de professionele media en het web?

Om deze vragen te beantwoorden is een beschrijvende en een kwantitatieve analyse van vier actuele Nederlandse cases gemaakt. Gekozen is voor twee voorbeelden waarbij meteen opvalt dat internet een belangrijke rol heeft gespeeld, namelijk de affaire rond de (reeds genoemde) Nijmeegse wethouder Paul Depla, aangevuld door de zaak Demmink, de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie, die op internet al jaren wordt beschuldigd van pedoseks. Daarnaast komen twee cases aan bod waarbij de rol van internet op het eerste gezicht veel minder evident is: namelijk de ophef over de huurvergoeding van Evelien Herfkens (VN-coördinator Millenniumdoelen) en de verontwaardiging over het actieverleden van (toen GroenLinks Kamerlid) Wijnand Duyvendak, allebei in 2008.

HET VOLLEDIGE ARTIKEL VERSCHIJNT IN HET JUNINUMMER VAN HET TIJDSCHRIFT VOOR COMMUNICATIEWETENSCHAP.

Labels:

maandag 1 februari 2010

Jan Blokkers antwoord op de crisis in de journalistiek

Recensie van Jan Blokker, Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek. Gepubliceerd in NRC Handelsblad en nrc.next op 29 januari 2010.


De dagbladjournalistiek heeft het de afgelopen jaren zwaar voor de kiezen gekregen: structureel dalende oplages, een ingestorte advertentiemarkt, de concurrentie van gratis kranten en de opmars van internet met nog veel meer gratis nieuws. Ter beschikking gesteld door diezelfde dagbladen, daartoe geïnspireerd door internetprofeten die voorspelden dat de media anders de boot van de internetrevolutie helemaal zouden missen. Bovendien kwam de journalistiek in het afgelopen decennium ook inhoudelijk zwaar onder vuur te liggen: het contact met wat er werkelijke speelde in de samenleving zou in de ivoren torens verloren zijn gegaan en toen Pim Fortuyn daar op wees, werd hij eerst gedemoniseerd door de media en vervolgens vermoord voor een dierenactivist.

Volgens de digitale voorhoede was de economische crisis waar de journalistiek in was beland een direct gevolg van een gebrek aan inhoudelijke vernieuwing: objectiviteit bestond niet meer en nieuws moest voortaan in dialoog met de burger tot stand komen, want die kon, gewapend met zijn mobieltje, zijn bevindingen meteen uploaden naar YouTube. Bovendien had de postmoderne nieuwsconsument ook meer behoefte aan ‘ervaringen’ dan aan zogenaamde maatschappelijk relevant ‘nieuws’ dat ook nog pretendeerde gebaseerd te zijn op zoiets als waarheidsvinding.

In zijn boek ‘Journalisten houden niet van journalistiek’ analyseert next-columnist en NRC recensent Jan Blokker deze crisis vanuit een breder pershistorisch perspectief. De centrale stelling in zijn boek is dat het gaat niet om een dagbladcrisis maar om een journalistencrisis. De reactie van de Nederlandse journalistiek is net als bij eerdere uitdagingen in de persgeschiedenis “eerder bang dan strijdbaar, eerder tot capitulatie geneigd dan tot competitie, eerder nederig dan hooghartig.” Dat was zo bij het begin van de bezetting, bij de doorbraak van de televisie, bij de komst van de commerciële zenders en nu weer bij de overrompelende opmars van internet. Met dit verschil dat journalisten zich nu voor het eerst gingen afvragen of ze niet eigenlijk een heel ander vak moesten gaan leren.

In alle onzekerheid, verwarring en paniek viel de journalistiek ten prooi aan de digitale nieuwlichters die het einde van de journalistiek voorspelden in een gedemocratiseerd speelveld. Steen des aanstoots voor Blokker is de houding van het Genootschap van hoofdredacteuren, meer specifiek de man die acht jaar lang voorzitter was, Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Broertjes. In plaats van op te komen voor ‘zijn’ mensen zette hij ieder jaar weer een stapje verder in de richting van de critici die vonden dat de klassieke journalistieke principes van een onbevooroordeelde en onafhankelijke waarheidsvinding wel op de helling konden. Blokker komt op voor het vak dat op die principes gebaseerd is en dat niet bedreigd wordt door internet: “er is niets fataals aan internet.”

Het boek is een mengeling van kritische beschouwingen, persoonlijke memoires en pershistorische hoofdstukken (deels eerder gepubliceerd) met als leidraad de vraag waar die neiging tot capitulatie toch vandaan komt. Een van de verklaringen is dat in Nederland meningen altijd veel belangrijker werden gevonden dan de feiten. Decennialang verkeerde de journalistiek in de greep van de zuilen die de dagbladen (en later de omroep) inschakelden om de leer te verkondigen en de kudde bij elkaar te houden. De journalistiek als herdershond voor de achterban in plaats van waakhond van de democratie. Met enig dedain werd er neergekeken, ook binnen de beroepsgroep, op de gewone inktkoelies en persmuskieten die op nieuws uitwaren, het ging om macht, om invloed, om een voet tussen de deur van de Tweede Kamer. Dat was het ideaalbeeld voor de Nederlandse journalistiek.

Door die ‘opvattingencultuur’ heeft de journalistiek op cruciale momenten kansen gemist om zich te bevrijden: na de afschaffing van het zogenaamd dagbladzegel in 1869, tijdens de doorbraakperiode na de oorlog (met als uitzondering Het Parool) en tegen het eind van de jaren zestig toen de zuilen desintegreerden. Altijd ging het de kranten en dus ook de journalisten “meer om een gewenste, nastrevenswaardige, dan om een bestaande werkelijkheid.” Dat blijkt ook uit de huidige plaag van opiniestukken en columnisten waar de krant aan ten onder gaat omdat die meningen de feiten overwoekeren.

Het is een tikkeltje ironisch dat uitgerekend Jan Blokker, de man van de meningen, bijna een halve eeuw columnist en een belangrijke opinieleider in de journalistiek (eindredacteur tijdens de roerige jaren zeventig bij de VPRO televisie, adjunct-hoofdredacteur in de linkse jaren tachtig bij de Volkskrant en later nog hoogleraar Persgeschiedenis in Rotterdam) een lans breekt voor de eenvoudige verslaggever die erop uittrekt om de feiten te verzamelen of, zoals Blokker dat formuleert, ze te veroveren op een vijand die ze niet af wil staan. Zijn antwoord op de internetprofeten, hoofdredacteuren en andere meelopers die geen vertrouwen meer hebben in die journalistiek is scherp en doeltreffend, maar de onderbouwing van de centrale these dat de Nederlandse journalistiek altijd al snel de hand in de ring gooide is niet sterk. De journalistiek heeft zich wel degelijk op allerlei momenten in de historie geëmancipeerd en zich losgemaakt van knellende keurslijven, zoals dat bijvoorbeeld gebeurde na de ontzuiling.

Het is jammer dat Blokker geen memoires besteed aan zijn periode bij de VPRO toen de dominees met lede ogen moesten aanzien hoe journalisten en documentairemakers onder zijn leiding de macht overnamen. Ook ziet hij de sterke opkomst van de onderzoeksjournalistiek – geen meningen maar onthullingen– in de afgelopen tien jaar volledig over het hoofd. De Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ) telt meer dan 500 leden, organiseert bijeenkomsten over onderzoeksmethoden en publiceert jaarboeken met selecties van het beste speur- en graafwerk. Precies het soort werk dat Blokker graag zou zien. Het eerste decennium van de 21e eeuw is dus niet helemaal, zoals hij in de slotalinea’s schrijft, verloren gegaan aan angst en vrees en er zijn nog wel degelijk gemotiveerde journalisten die liefde voor het vak hebben. Het wordt wel tijd dat zij meer van zich afbijten als er weer eens valse profeten langskomen op de redacties. Dit aangenaam geschreven, persoonlijke boek laat zich lezen als één grote oproep daartoe.

Labels:

zaterdag 23 januari 2010

Integratie, de media, de beeldvorming en de beeldvormers

De blik van blanke, hoogopgeleide mannen

De Groene Amsterdammer, 20 januari 2010
Door Margreet Fogteloo

De journalistiek kreeg eerst het verwijt dat ze de problemen van immigratie onder de tafel had geveegd. Nu zitten media in het beklaagdenbankje omdat ze de multiculturele samenleving te negatief 'framen'. Te positief, te negatief - het wordt tijd voor mainstreaming. lees verder in De Groene

Labels:

maandag 11 januari 2010

AVRO Radio De praktijk over de Mexicaanse griep

Mexicaanse griep: de evaluatie.

Een loze pandemie en een van de grootste medische schandalen van deze eeuw. Met die harde woorden eiste de voorzitter van het Europese parlement deze week een onderzoek naar het omgaan met de Mexicaanse griep in 2009. En nu we 2009 hebben afgesloten, kwam ook een einde aan het jaar van de pandemie, het jaar van de nieuwe influenza A H1N1, oftewel de Mexicaanse griep. Met de eerste griepepidemie achter de rug in Nederland en grote delen van de wereld, kunnen we gaan evalueren: wat zijn de lessen van de pandemie?

Het hele uur staat in het teken van de griep, met de volgende gasten:

- Ab Osterhaus – hoogleraar Virologie Erasmus MC
- Ruud Coolen van Brakel – directeur Instituut Verantwoord Medicijngebruik
- Peter Vasterman – mediasocioloog en universitair docent mediastudies UvA
- Ida Spelt - huisarts te Wassenaar

Beluister de uitzending in twee delen terug of luister via Radio 1

Labels:

maandag 4 januari 2010

Prikken in gezag

Door Simon Knepper

AMC Magazine januari 2010

De onrust rond de griepvaccinatie leek de overheid nogal te overrompelen. Allemaal de schuld van internet, oordeelde minister Ab Klink (VWS) nog voordat de stofwolken waren neergedwarreld. Maar volgens mediasocioloog Peter Vasterman is dat slechts de helft van het verhaal. De andere helft wordt gevormd door chronisch wantrouwen, gebrekkige tv-journalistiek en het groeiende onvermogen om deugdelijke en ondeugdelijke informatie te onderscheiden. Lees verder.

Labels:

Free counter and web stats