maandag 1 februari 2010

Jan Blokkers antwoord op de crisis in de journalistiek

Recensie van Jan Blokker, Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek. Gepubliceerd in NRC Handelsblad en nrc.next op 29 januari 2010.


De dagbladjournalistiek heeft het de afgelopen jaren zwaar voor de kiezen gekregen: structureel dalende oplages, een ingestorte advertentiemarkt, de concurrentie van gratis kranten en de opmars van internet met nog veel meer gratis nieuws. Ter beschikking gesteld door diezelfde dagbladen, daartoe geïnspireerd door internetprofeten die voorspelden dat de media anders de boot van de internetrevolutie helemaal zouden missen. Bovendien kwam de journalistiek in het afgelopen decennium ook inhoudelijk zwaar onder vuur te liggen: het contact met wat er werkelijke speelde in de samenleving zou in de ivoren torens verloren zijn gegaan en toen Pim Fortuyn daar op wees, werd hij eerst gedemoniseerd door de media en vervolgens vermoord voor een dierenactivist.

Volgens de digitale voorhoede was de economische crisis waar de journalistiek in was beland een direct gevolg van een gebrek aan inhoudelijke vernieuwing: objectiviteit bestond niet meer en nieuws moest voortaan in dialoog met de burger tot stand komen, want die kon, gewapend met zijn mobieltje, zijn bevindingen meteen uploaden naar YouTube. Bovendien had de postmoderne nieuwsconsument ook meer behoefte aan ‘ervaringen’ dan aan zogenaamde maatschappelijk relevant ‘nieuws’ dat ook nog pretendeerde gebaseerd te zijn op zoiets als waarheidsvinding.

In zijn boek ‘Journalisten houden niet van journalistiek’ analyseert next-columnist en NRC recensent Jan Blokker deze crisis vanuit een breder pershistorisch perspectief. De centrale stelling in zijn boek is dat het gaat niet om een dagbladcrisis maar om een journalistencrisis. De reactie van de Nederlandse journalistiek is net als bij eerdere uitdagingen in de persgeschiedenis “eerder bang dan strijdbaar, eerder tot capitulatie geneigd dan tot competitie, eerder nederig dan hooghartig.” Dat was zo bij het begin van de bezetting, bij de doorbraak van de televisie, bij de komst van de commerciële zenders en nu weer bij de overrompelende opmars van internet. Met dit verschil dat journalisten zich nu voor het eerst gingen afvragen of ze niet eigenlijk een heel ander vak moesten gaan leren.

In alle onzekerheid, verwarring en paniek viel de journalistiek ten prooi aan de digitale nieuwlichters die het einde van de journalistiek voorspelden in een gedemocratiseerd speelveld. Steen des aanstoots voor Blokker is de houding van het Genootschap van hoofdredacteuren, meer specifiek de man die acht jaar lang voorzitter was, Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Broertjes. In plaats van op te komen voor ‘zijn’ mensen zette hij ieder jaar weer een stapje verder in de richting van de critici die vonden dat de klassieke journalistieke principes van een onbevooroordeelde en onafhankelijke waarheidsvinding wel op de helling konden. Blokker komt op voor het vak dat op die principes gebaseerd is en dat niet bedreigd wordt door internet: “er is niets fataals aan internet.”

Het boek is een mengeling van kritische beschouwingen, persoonlijke memoires en pershistorische hoofdstukken (deels eerder gepubliceerd) met als leidraad de vraag waar die neiging tot capitulatie toch vandaan komt. Een van de verklaringen is dat in Nederland meningen altijd veel belangrijker werden gevonden dan de feiten. Decennialang verkeerde de journalistiek in de greep van de zuilen die de dagbladen (en later de omroep) inschakelden om de leer te verkondigen en de kudde bij elkaar te houden. De journalistiek als herdershond voor de achterban in plaats van waakhond van de democratie. Met enig dedain werd er neergekeken, ook binnen de beroepsgroep, op de gewone inktkoelies en persmuskieten die op nieuws uitwaren, het ging om macht, om invloed, om een voet tussen de deur van de Tweede Kamer. Dat was het ideaalbeeld voor de Nederlandse journalistiek.

Door die ‘opvattingencultuur’ heeft de journalistiek op cruciale momenten kansen gemist om zich te bevrijden: na de afschaffing van het zogenaamd dagbladzegel in 1869, tijdens de doorbraakperiode na de oorlog (met als uitzondering Het Parool) en tegen het eind van de jaren zestig toen de zuilen desintegreerden. Altijd ging het de kranten en dus ook de journalisten “meer om een gewenste, nastrevenswaardige, dan om een bestaande werkelijkheid.” Dat blijkt ook uit de huidige plaag van opiniestukken en columnisten waar de krant aan ten onder gaat omdat die meningen de feiten overwoekeren.

Het is een tikkeltje ironisch dat uitgerekend Jan Blokker, de man van de meningen, bijna een halve eeuw columnist en een belangrijke opinieleider in de journalistiek (eindredacteur tijdens de roerige jaren zeventig bij de VPRO televisie, adjunct-hoofdredacteur in de linkse jaren tachtig bij de Volkskrant en later nog hoogleraar Persgeschiedenis in Rotterdam) een lans breekt voor de eenvoudige verslaggever die erop uittrekt om de feiten te verzamelen of, zoals Blokker dat formuleert, ze te veroveren op een vijand die ze niet af wil staan. Zijn antwoord op de internetprofeten, hoofdredacteuren en andere meelopers die geen vertrouwen meer hebben in die journalistiek is scherp en doeltreffend, maar de onderbouwing van de centrale these dat de Nederlandse journalistiek altijd al snel de hand in de ring gooide is niet sterk. De journalistiek heeft zich wel degelijk op allerlei momenten in de historie geëmancipeerd en zich losgemaakt van knellende keurslijven, zoals dat bijvoorbeeld gebeurde na de ontzuiling.

Het is jammer dat Blokker geen memoires besteed aan zijn periode bij de VPRO toen de dominees met lede ogen moesten aanzien hoe journalisten en documentairemakers onder zijn leiding de macht overnamen. Ook ziet hij de sterke opkomst van de onderzoeksjournalistiek – geen meningen maar onthullingen– in de afgelopen tien jaar volledig over het hoofd. De Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ) telt meer dan 500 leden, organiseert bijeenkomsten over onderzoeksmethoden en publiceert jaarboeken met selecties van het beste speur- en graafwerk. Precies het soort werk dat Blokker graag zou zien. Het eerste decennium van de 21e eeuw is dus niet helemaal, zoals hij in de slotalinea’s schrijft, verloren gegaan aan angst en vrees en er zijn nog wel degelijk gemotiveerde journalisten die liefde voor het vak hebben. Het wordt wel tijd dat zij meer van zich afbijten als er weer eens valse profeten langskomen op de redacties. Dit aangenaam geschreven, persoonlijke boek laat zich lezen als één grote oproep daartoe.

Labels:

vrijdag 9 oktober 2009

De media en de Mexicaanse griep: tijd voor een zondebok

Gepubliceerd in Folia 63, 7, 9 oktober 2009

De afgelopen week is onze internationaal vermaarde viroloog Ab Osterhaus in opspraak geraakt vanwege vermeende belangenverstrengeling. Uit ‘onthullingen’ van het VPRO-radioprogramma Argos is gebleken dat de expert die maandenlang heeft gewaarschuwd voor de gevaren van de Mexicaanse griep samenwerkt met de farmaceutische industrie bij het ontwikkelen van vaccins tegen de griep.

Mij heeft die plotseling opduikende ‘affaire’ rond Osterhaus, die zelfs tot een spoeddebat in de Tweede Kamer heeft geleid, behoorlijk verbaasd. Er is namelijk helemaal geen sprake van ‘onthullingen’, alle informatie over zijn bedrijf ViroClinics en de contacten tussen Osterhaus en de vaccinindustrie was al lang en breed bekend. In een van de zeldzame kritische interviews (in de Volkskrant van 2 mei 2009) werd de kwestie al aan de orde gesteld: “De vaccinindustrie heeft baat bij uw doemdenken, u werkt voor de industrie. Is dat geen belangenverstrengeling?” Het antwoord van Osterhaus was duidelijk en hetzelfde als de afgelopen week: “Ik word er geen cent wijzer van. Ik adviseer bijna alle grote vaccinbedrijven. Dat maakt me onafhankelijk. (...) Adviezen lopen via een bedrijfje van het Erasmus MC. Geld dat binnenkomt, wordt teruggesluisd naar de universiteit voor onderzoek. (....) Geldstromen zijn transparant. Industriële contacten zijn op onze website terug te vinden. Iedereen kan zien wat ik doe.”

Het is dan ook de vraag waarom blijkbaar de tijd nu rijp was voor deze ‘nieuwe’ verdachtmakingen aan het adres van Nederlands bekendste viroloog. Ik denk dat er een psychologische verklaring voor is. Want, zoals de eindredacteur van Argos, Kees van den Bosch vorige week opmerkte in het journalistenpanel van de VPRO-radio vorige week: “We zijn allemaal een beetje boos op die Osterhaus.” Ik denk dat dit de verklaring is voor de affaire: maandenlang heeft Osterhaus in de media alle ruimte gekregen om te waarschuwen voor een dodelijke pandemie en nu het allemaal meevalt voelt men zich bedrogen. Dan slaat de stemming in de journalistiek om en moet er een zondebok komen. Ook als de bewijsvoering voor de belangenverstrengeling niet sterk is en het de media zelf zijn die Osterhaus voortdurend aan het woord hebben gelaten. Van den Bosch van Argos wond er zelf geen doekjes om in de uitzending Het Journaille: “Soms zijn er van die momenten in het nieuws, als het er niet is, dan trekken we het er als het ware uit, het moet er zijn, we hebben er allemaal zin in.” Om Osterhaus aan te pakken dus.

Als je terugkijkt op de berichtgeving over de Mexicaanse griep kom je tot de conclusie dat de media zelf ook hebben bijgedragen aan de creatie van een onheilspellend dreigingsbeeld en dat ze te weinig kritisch zijn geweest ten opzichte van deskundigen zoals Osterhaus en instanties als de WHO of het RIVM. Toen de dreiging van de catastrofale pandemie eenmaal was opgeroepen in april (“Miljoenen griepdoden. WHO-experts: Mexicaanse griep wordt pandemie”) bleef dat maandenlang bepalend voor de dagelijkse verslaggeving over de griep. Al het nieuws over aantallen besmettingen, aantallen doden, ‘getroffen’ landen tot en met de eerste griepdode in Nederland, het kreeg allemaal extra veel media-aandacht vanwege de verwachting van die pandemie.
Dat leidde niet alleen tot een enorme uitvergroting van de griep als gezondheidsprobleem maar ook tot een gebrek aan context: hoe groot zijn de gevaren van de pandemie in vergelijking met andere gezondheidsrisico’s? 1200 doden door de Mexicaanse griep lijkt natuurlijk als geïsoleerd gegeven heel wat, maar op wereldschaal en in vergelijking met andere risico’s stelt het niet veel voor. Dat sluit aan bij onderzoek waaruit blijkt dat de hoeveelheid media-aandacht bij risico’s omgekeerd evenredig is aan de mortaliteitscijfers Natuurlijk zijn er op de wetenschapspagina’s genuanceerde en kritische verhalen te vinden over de Mexicaanse griep, maar de dagelijkse verslaggeving zit helemaal op de lijn van de catastrofale epidemie, waardoor alles wat met de griep te maken heeft groot nieuws is.
In die berichtgeving speelde Osterhaus een belangrijke rol, niet alleen omdat hij internationaal vermaarde viroloog is, maar vooral omdat hij al jaren kind aan huis was bij de media. Eigenlijk was er maar één viroloog in Nederland en dat was Osterhaus. Kritische vragen waren er in de beginperiode van de Mexicaanse griep niet, de aandacht voor andere virologen was minimaal. En cruciaal: hun relativerende uitspraken in mei en juni al dat er ten onrechte paniek werd gezaaid, hadden geen invloed op de dagelijkse berichtenstroom. Dat wil zeggen tot de dag Osterhaus van zijn sokkel werd getrokken.

Labels:

maandag 10 augustus 2009

Epidemische behoefte aan controle

Philip Alcabes plaatst epidemieën in een bredere cultuurhistorische context

Recensie gepubliceerd in NRC Handelsblad en NRC Next op 7 augustus 2009.


Een paar nieuwsfeiten van de afgelopen week: op een totaal van 188.139 gevallen van Mexicaanse griep wereldwijd zijn 1265 doden gevallen. Nederland heeft inmiddels 34 miljoen griepvaccins besteld. De ene dag melden de media dat de militair die bij de Nijmeegse Vierdaagse wegens ziekte moest uitvallen toch niet de nieuwe griep heeft, de andere dag blijkt een Britse vrouwelijke soldaat die meeliep de ziekte wel te hebben. De meeste deelnemers aan de wandeltocht zeggen voor de camera’s dat ze zich geen zorgen maken, maar op voorpagina van een grote ochtendkrant staat de volgende dag wel een grote foto van een deelnemer met een mondkapje voor.

En zo worden we al maandenlang dag in dag uit op de hoogte gehouden van al het grote en kleine nieuws rond de nieuwe griepvariant die in april in de VS werd ontdekt. Die enorme media-aandacht en ook de uitgebreide maatregelen om de komende epidemie het hoofd te bieden, staan in schril contrast met de feitelijke risico’s van de griep tot nog toe. Ruim duizend doden maakt als geïsoleerd getal wel enige indruk, maar op wereldschaal en in vergelijking met andere ziektes als malaria stelt de Mexicaanse griep tot nog toe niet veel voor.

Dat er toch zoveel aandacht voor is en dat zoveel mensen over de hele wereld zich zoveel zorgen maken, heeft dan ook weinig te maken met een reële inschatting van de risico’s of met de huidige mortaliteitscijfers. Het heeft te maken met een diepgewortelde angst voor de epidemie; de angst voor een onbekend virus dat de hele samenleving zou kunnen ontwrichten of op termijn zelf de hele mensheid zou kunnen uitroeien. Die angst, die afschuw vormt het thema van het boek van de Amerikaanse epidemioloog Philip Alcabes, Dread. How fear and fantasy have fueled epidemics from the black death to avian flu, dat net voor de uitbraak van de Mexicaanse griep verscheen.

Alcabes zoekt de oorzaak van al die aandacht en verontrusting vooral in de culturele geschiedenis van de epidemie. Voor epidemiologen is sprake van een epidemie als er tegen de verwachting in plots veel meer gevallen van een ziekte opduiken. Dat betekent dat TBC met 9 miljoen nieuwe gevallen per jaar en 2 miljoen doden geen epidemie is, maar een nieuwe griepvariant wel. Voor de meeste mensen heeft het woord epidemie een heel andere betekenis: het is een huiveringwekkende ramp, een voorbode van de totale ontwrichting. Volges Alcabes kun je een epidemie op drie manieren bestuderen: als een medisch probleem, als een sociale crisis en als een verhaal, waarin de epidemie voor een samenleving betekenis krijgt. Als mensen worden geconfronteerd met een nieuwe epidemie worden onmiddellijk allerlei beelden, angsten en visioenen opgeroepen die in de loop der eeuwen zijn ingesleten in het collectieve bewustzijn. En vervolgens handelen ze daar ook naar, waardoor de angst voor de epidemie soms voor een grotere maatschappelijke ontwrichting zorgt dan de ziekte zelf. In de middeleeuwen leidde de pest, de ‘zwarte dood’, tot het uitroeien van vele joodse gemeenschappen in honderden Europese steden - joden zouden de ziekte namelijk opzettelijk verspreiden. Het hele verhaal over de pest was er een van zonde, straf en genade en ook dat idee van de epidemie als straf komt telkens weer terug, bijvoorbeeld toen AIDS werd ontdekt en gelabeld als ‘homoziekte’.

Alcabes geeft een interessante analyse van de culturele geschiedenis van de epidemie. Hij laat zien dat de wetenschap langzaam terrein wint maar dat tegelijkertijd iedere epidemie weer nieuwe bezweringsformules oplevert die telkens weer gericht kunnen zijn tegen andere ‘daders’ of verschoppelingen. Het waren vooral de armen, opeengepakt in smerige arbeiderswijken die in de 19e eeuw de ‘schuld’ kregen van de uitbraak van cholera. In de Verenigde Staten moesten vooral de katholieke Ierse immigranten het ontgelden die zich in de ogen van de protestantse Amerikanen aan god noch gebod hielden en natuurlijk iedere dag laveloos waren. Dit is een veelvoorkomend patroon in de cultuurgeschiedenis van de epidemie: het zijn altijd de vreemdelingen die de ziektes meenemen en daarom moeten ze worden tegengehouden of gedwongen geïsoleerd.

De ontwikkeling in de 19e eeuw van de microbiologie, de epidemiologie en de volksgezondheid als zorg van de staat zorgden voor een rationele aanpak, maar deze legde weer de basis voor theorieën die ‘raskenmerken’ koppelden aan de vatbaarheid voor bijvoorbeeld cholera. Een hoge besmettingsgraad was een bewijs voor raciale inferioriteit met als uiterste consequentie de eugenetica, zoals in praktijk gebracht door de Nazi’s met verplichte sterilisaties en het massaal uitroeien van mensen met ‘lebensunwerten lebens.’ Uit de geschiedenis blijkt dat epidemieën telkens weer maatschappelijke bewegingen oproepen die een conservatieve of progressieve agenda willen doorvoeren. En die de angst voor besmetting gebruiken om armoede te bestijden, leefomstandigheden te verbeteren, maar ook om groepen met een afwijkende levensstijl of een andere seksuele moraal weer in het gareel te krijgen.

In de cultuurgeschiedenis van de epidemie speelt de Spaanse griep uit 1918 nog steeds een belangrijke rol. Bij iedere nieuwe epidemie duikt onmiddellijk weer het schrikbeeld op van een griepvirus dat zichzelf ongrijpbaar maakt door mutatie en dat wereldwijd tientallen misschien wel honderden miljoenen slachtoffers kan maken. Volgens Alcabes, die de kans op herhaling zeer klein acht, wordt de Spaanse griep tegenwoordig voortdurend gebruikt mensen de stuipen op het lijf te jagen, ook bij virussen die zich moeilijk van mens tot mens verspreiden. Steeds vaker wordt het doemscenario van het ongrijpbare virus misbruikt om grootschalige maatregelen te treffen, grote hoeveelheden medicijnen in te slaan of enorme vaccinatieprogramma’s op te zetten. Daar zitten natuurlijk allerlei commerciële of politieke belangen achter, maar doorslaggevender is volgens Alcabes dat wij als samenleving telkens al onze angsten en onzekerheden kunnen projecteren op de volgende epidemie zodat we idee krijgen dat alles onder controle is.

Het krachtige epidemie verhaal heeft in het huidige, onzekere post-elf-september tijdperk nog een veel bredere werking gekregen met als gevolg dat we tegenwoordig we overal nieuwe epidemieën menen waar te nemen. Dat wil zeggen: als een bestaande conditie tot ziekte wordt gedefinieerd, zien we vervolgens overal gevallen opduiken en is de epidemie al snel een feit. Zo is er sprake van een ‘obesitas epidemie’ of van autisme ‘dat epidemische proporties’ begint aan te nemen. Daarmee activeren we het hele dreigingsverhaal met bijbehorende urgentie en bestaat de kans dat we de metafoor voor de werkelijkheid gaan aanzien.

Alcabes rekent autisme tot deze ‘imaginaire epidemieën’. Er is geen sprake van toename van autisme, maar van almaar breder worden definities van het ‘autistisch spectrum’, het steeds beter herkennen van mogelijke ‘signalen’ voor autisme en de veronderstelde ziektewinst (speciaal onderwijs en therapieën). De opmars van autisme maakt duidelijk hoe krachtig de epidemie als verhaal is en hoe weinig ‘ziekte’ er aan ten grondslag hoeft te liggen: soms is de retoriek voldoende om de dynamiek van een epidemie op gang te brengen. Maar ook bij de epidemieën die wel een traceerbare oorzaak hebben zoals een griepvirus overwoekert het grote doemscenario de feiten en de risico’s. Intussen accepteren we tal van andere ziektes die mondiaal miljoenen slachtoffers eisen als een gegeven, maar die vormen dan ook geen bedreiging (meer) voor de Westerse wereld. Door de angst voor de epidemie in een bredere cultuurhistorische context te plaatsen levert Dread een krachtig pleidooi voor relativering. En dat is hard nodig in tijden waarin de angst voor de epidemie epidemische vormen aanneemt.

Peter Vasterman

Philip Alcabes, Dread. How fear and fantasy have fueled epidemics from the black death to avian flu.
Uitgegeven door Public Affairs in New York. 312 pagina’s, $26,95.

Labels:

zondag 1 maart 2009

Tunnelvisies in het vrije veld. Journalistiek in het tijdperk van nieuwsmanagement en publiciteitszoekers


Dankzij één opiniepeiler werd de Deventer moordzaak een publicitaire zevenklapper in het steeds vrijere speelveld van de media. De hypes blijven elkaar opvolgen, maar hoe lang nog?
Lees verder in NRC Handelsblad van 27 februari 2009

Labels:

maandag 22 december 2008

Verontwaardiging is niet genoeg. Recensie van 'De communicatieoorlog'


Frits Bloemendaal. De communicatieoorlog. Hoe de politiek de pers in haar greep probeert te krijgen. Amsterdam Ambo 2008.


"Dit boek is geboren uit verontwaardiging”, schrijft GPD chef Frits Bloemendaal.
In november 2007 komt bij toeval aan het licht dat twee voormalige collega’s, dan werkzaam als woordvoerders bij Sociale Zaken, vele malen hebben rondgekeken in het interne netwerk van het persbureau op zoek naar artikelen over hun ministerie. Zij konden geen wijzigingen aanbrengen, maar wel eventueel anticiperen op wat er zou gaan verschijnen. Bloemendaal ziet dit gluren in het computersysteem als symptomatisch voor de manier waarop de overheid tegenwoordig omgaat met de pers. De politiek, of breder, de overheid probeert de pers in haar greep te krijgen door te controleren, te manipuleren, te verzwijgen, te omzeilen en zelfs door te intimideren met rechtzaken en gijzelingen.

Het boek probeert een beeld te schetsen van deze “communicatieoorlog”, afgezet tegen de maatschappelijke ontwikkelingen waardoor regeringen “steeds meer moeite hebben om hun beleid te realiseren, omdat de burgers zich niet meer zo makkelijk laten (be)sturen.” Bij de overheid zou sprake zijn van een “autoritaire bestuurscultuur” die “totalitaire trekjes vertoont” en die communicatie als wapen inzet om beleid te verkopen aan de burgers. Overheidscommunicatie is zo politieke marketing geworden, aldus Bloemendaal. Vroeger wat het spel tussen pers en politiek nog redelijk overzichtelijk en konden journalisten nog vrij makkelijk toegang krijgen tot politici. Bovendien waren de voorlichters toen vooral bezig met het toelichten van reeds aanvaard beleid. Tegenwoordig krijgt de journalist te maken met een hele batterij woordvoerders en voorlichters die alles doen om de berichtgeving in positieve zin te beïnvloeden om zo draagvlak te creëren voor nieuw beleid. Zij maken deel uit van een van een “oorlogsmachine”, die zich bezighoudt met beeldregie, woordregie, corporate communication, public branding, proactieve communicatie, rapid response, damage control, framing en nieuwsmanagement. En dat is volgens Bloemendaal een bedreiging voor de democratie en vooral voor het functioneren van de pers als waakhond.

Hoewel het boek een interessant beeld schetst van de ontwikkeling van de overheidsvoorlichting slaagt de auteur er niet in om de zware oorlogsmetaforen ook inderdaad geloofwaardig te maken. Daar is de bewijsvoering te zwak en te anekdotisch voor. Bovendien is er blijkbaar sprake van een tamelijk asymmetrische oorlog, want de pers wordt voortdurend voorgesteld als een onschuldig slachtoffer van het zwaar geschut van de overheid. Het is de pers die almaar gehinderd wordt door de overheid bij het volbrengen van haar verheven taak, namelijk waakhond spelen van de democratie.

Een gedegen analyse van het functioneren van de pers ontbreekt in het boek, en dat is jammer want het ‘antwoord’ van de overheid kan niet los worden gezien van de veranderingen in de journalistiek. Waarom zou er bij de overheid behoefte kunnen ontstaan aan het bijsturen van de berichtgeving? Zou dat niet te maken kunnen hebben met eenzijdige beeldvorming als gevolg van snel opduikende mediahypes? En als er sprake is van een beeldcultuur zoals de auteur stelt waarin drama en emotie een belangrijke rol spelen, kun je dan als overheid volstaan met alleen maar het neutraal toelichten van het beleid zoals vroeger? Op die vragen krijgt de lezer geen antwoord.

Bloemendaal besteedt wel aandacht aan kritiek op de media, maar maakt de critici meteen verdacht door te stellen dat die kritiek vooral afkomstig is van (oud)bestuurders (zoals Donner) “die de greep op de gebeurtenissen hebben verloren en krampachtig proberen de controle te herstellen.” Uit zijn bespreking van Medialogica (RMO) en het rapport van de Raad openbaar bestuur (Pers en politiek, pleidooi voor een Lat-relatie) blijkt duidelijk dat dit offensief volgens hem allemaal bedoeld is om de “pers een toontje lager te laten zingen.” Daarmee gaat hij voorbij aan de invalshoek van beide analyses, namelijk onderzoeken wat de gevolgen zijn van het feit dat de politiek geobsedeerd is door media-aandacht waardoor de politiek het initiatief vaak kwijt raakt. Dat gerenommeerde journalisten in het buitenland vergelijkbare analyses hebben gemaakt, zoals Financial Times journalist John Lloyd in het boek What the Media are Doing to Our Politics ontgaat de auteur blijkbaar (getuige de literatuurlijst).

Op dezelfde manier diskwalificeert hij critici die iets een hype noemen, want dat zijn “niet zelden degenen die er belang bij hebben om het onderwerp uit het nieuws te houden.” Het is duidelijk dat Bloemendaal mijn proefschrift Mediahype uit 2004 ook niet gelezen heeft want anders zou hij er niet zulke onzin over schrijven. Volgens Bloemendaal zou ik stellen dat “als één medium iets heeft gemeld, andere dat niet meer hoeven te doen, omdat het al bekend is.” Alsof ik in alle ernst zou beweren dat als De Telegraaf meldt dat Van Gogh is neergeschoten dat dan de rest dat niet meer hoeft te brengen. Mijn proefschrift komt niet voor in de literatuurlijst, maar zou hij het wel hebben gelezen, dan zouden de passages die hij besteedt aan de nasleep van de Bijlmerramp er wellicht ook anders hebben uitgezien. In tegenstelling tot wat Bloemendaal beweert was die affaire helemaal geen fraai staaltje onderzoeksjournalistiek maar een toonbeeld van de werking van de medialogica. Opgejaagd door alle spookverhalen in de pers over mannen in witte pakken en giftige ladingen en verarmd uranium liet het parlement zich overhalen tot een parlementaire enquête en een grootschalige medisch onderzoek waar niets uit kwam. “Schaamteloos was belangrijke informatie achtergehouden (‘onder de pet gehouden’), schrijft Bloemendaal verontwaardigd, maar hij ‘vergeet’ erbij te vermelden dat het ‘pet’ incident juist de grootste canard van de hele Bijlmeraffaire opleverde.

De bewijsvoering schiet ook op tal van andere fronten tekort: in verschillende passages wemelt het van de anonieme woordvoerders (‘een betrokkene’, ‘een woordvoerder’) tot en met onbekende ‘onderzoekers van de UvA’ die merkwaardige zaken over de pers zouden hebben beweerd. Het lijkt me toch niet moeilijk om zo’n bron te identificeren. In het hoofdstuk met de veelzeggende titel ‘Wie temt de media’ bespreekt Bloemendaal het initiatief voor de Nieuwsmonitor waar hij ten onrechte VU-hoogleraar Kleinneijnhuis projectleider van maakt. Gelukkig zijn er ook onderzoekers die niet zo somber zijn over de kwaliteit van de media en zij krijgen pagina’s lang ruim baan in het boek.
In plaats van ook kritisch naar de journalistiek te kijken hanteert Bloemendaal een tamelijk simpel verklaringsschema: de bange machteloze staat verliest haar greep op de samenleving en gooit alles op politieke marketing ten koste van de arme journalistiek en daarmee de persvrijheid. Als er dan inderdaad sprake zou zijn van een oorlog, analyseer dan ook wapens en strategieën aan beide kanten van de frontlinies.

Interessant is ook dat de auteur zijn eigen bewijsvoering voor de keiharde oorlog telkens ondergraaft door uitvoerig te vertellen dat er van al die mooie strategieën om berichtgeving en beeldvorming te managen vaak maar bitter weinig terecht komt. Zo gaan tijdens de 100 dagen campagne in 2007 veel ministeries hun eigen gang, “ondanks de strakke regie.” Achteraf blijkt dat ondanks de in de roadshow geïnvesteerde miljoenen het vertrouwen bij de burgers tot een absoluut dieptepunt is gedaald. Het kabinet moet met één mond spreken, maar in de praktijk komt daar weinig van terecht getuige de conflicten over bijvoorbeeld het ontslagrecht onder Balkenende IV. Enzovoorts.
Op papier lijkt nieuwsmanagement altijd indrukwekkend manipulatief, maar de praktijk is een stuk weerbarstiger met elkaar bestrijdende politieke groeperingen (ook bij dé overheid), een nog steeds kritische pers en vooral al die zeer assertieve burgers die tegenwoordig internet hebben. Verontwaardiging alleen is niet voldoende voor een gedegen boek over de veronderstelde communicatieoorlog.

Peter Vasterman

Labels:

vrijdag 25 januari 2008

Nieuwsmonitor beschrijft niet 'hoe het moet'

Gepubliceerd in NRC Handelsblad van 24 januari 2008

Schrijvend over ons onderzoek naar de berichtgeving over de affaire Mabel Wisse Smit, vraagt Maarten Huygen zich af waarom we geen ‘echte hype’ hebben gekozen, “want de feiten waar die monitor en het prinselijke paar achteraf overheen stappen, waren geen fictie. In een brief aan premier Balkenende heeft prins Friso toegegeven dat hij een ernstige fout heeft gemaakt door niet het hele verhaal te vertellen.”

In ons onderzoek zijn we allerminst over feiten heengestapt. We hebben de feiten zoals naar voren komend in de berichtgeving uitvoerig in kaart gebracht. Op grond daarvan stellen we vast dat de onderzochte media tijdens de affaire in zekere mate een aanjagende, aanklagende en veroordelende rol hebben gespeeld, waarbij we er met nadruk op wijzen dat deze termen in beschrijvende zin gebruikt worden en dus geen oordeel onzerzijds impliceren.

We zetten enkele kritische kanttekeningen zowel bij de rol van de journalistiek als bij de rol van de politiek. Sommige media en politici lijken meer geïnteresseerd in snelle oordelen over ‘feiten’ dan in de feiten zelf, het verhaal leunt zwaar op een bron die naar gangbare maatschappelijke maatstaven niet bij voorbaat als buitengewoon betrouwbaar kan gelden (Charlie da Silva in de uitzending van Peter R. de Vries), dagbladen nemen de door hem geuite beschuldigingen zonder meer over.

Volgens Huygen zijn wij van mening dat dagbladen de twee persconferenties van de minister-president ‘niet zomaar als belangrijk nieuws mochten beschouwen’ en dat ‘media zeker niet zomaar Kamerleden mochten interviewen’. We herkennen ons niet in deze beweringen. Als Kamerleden de vraag opwerpen of het niet beter is af te zien van een toestemmingswet, dan is dat relevant nieuws en mag van media verwacht worden dat zij burgers daarover informeren. Hetzelfde geldt voor de persconferenties van de minister-president. We signaleren echter wel het ‘haasje-over-spelen’ tussen media en politiek, een spel dat al voor de uitzending van Peter R. de Vries begint. En we signaleren het feit dat de dagbladen in commentaren en analyses niet of nauwelijks ingaan zijn op het verschil tussen enerzijds ‘een onvolledig beeld gegeven’ (prins Friso in zijn brief aan de minister-president) en anderzijds ‘onvolledige en onjuiste informatie verschaft’ (brief minister-president aan Tweede Kamer). Dat laatste is in de Haagse politiek toch echt iets anders dan het eerste. En dat geldt niet alleen ‘voor wie de nuance zoekt’.

Huygen maakt een karikatuur van ons onderzoek en doet het voorkomen alsof wij, als ‘Mediawatchinstituut’, elke vorm van kritische berichtgeving willen afschaffen. Het tegendeel is waar. Met het project De Nederlandse Nieuwsmonitor beogen we niet voor te schrijven ‘hoe het moet’, we beogen het uitvoeren van empirisch onderzoek dat binnen de beroepsgroep gebruikt kan worden voor reflectie en discussie over de kwaliteit van journalistiek werk. Het onderzoek naar de affaire Mabel Wisse Smit laat zien dat enkele professionele standaarden onder druk zijn komen te staan. Daarnaast blijkt dat de wisselwerking tussen politiek en media sterk heeft bijgedragen aan het verloop van de affaire. De lezer oordele zelf, het rapport is te downloaden op www.nieuwsmonitor.net.

Otto Scholten, Nel Ruigrok en Peter Vasterman, onderzoekers Nederlandse Nieuwsmonitor


Voor een analyse van het stuk van Maarten Huygen (dat helaas niet online staat) zie het stuk Huygen en de stroman van filosoof Ron Ritzen die drogredenen beschrijft die hij in de media tegenkomt.


Als we meer ruimte hadden gekregen in NRC zou ik dit nog aan bovenstaand stuk willen toevoegen:

Huygen volgt, net als veel andere journalisten, de redenering dat de media niks fout hebben gedaan, omdat ‘het’ waar bleek te zijn: Mabel Wisse Smit was in haar verklaringen ‘onjuist en onvolledig’ geweest. En dankzij de inspanningen van de media kwam die ‘waarheid’ boven water. Dat klopt, maar daar valt nog geen rechtvaardiging aan te ontlenen voor alles wat er in die dagen over de Mabel-affaire over de kijker en lezer is uitgestort. Het feit dat er sprake was van een misstap verschaft de media nog geen vrijbrief voor bijvoorbeeld het eindeloos herhalen van niet geverifieerde berichten (Mabel betrokken bij wapenhandel) of voor een totale aanval op de persoonlijke integriteit van de hoofdrolspeler (Mabel als foute, op macht beluste vrouw). Betekent die misstap soms dat de pers zich niet meer hoeft te houden aan de professionele journalistieke standaarden die in codes en stijlboeken zijn vastgelegd? Wij denken van niet en daarom is het zinvol om achteraf de balans op te maken met het doel materiaal aan te dragen voor een discussie over het functioneren van de media. Bij een volgende affaire zullen zich dezelfde dilemma’s aandienen: is dit nieuws wel publicabel als we het zelf niet kunnen controleren? Is het niet voorbarig om iemand al te veroordelen voor de feiten bekend zijn? Is het wel fair om uitgebreid te gaan speculeren over iemands karakter en hem of haar allerlei lage motieven toe te dichten? Is het wel professioneel om alles nog maar vanuit één referentiekader te benaderen en alle informatie die daar van afwijkt te negeren? En vooral: laten we ons niet teveel meeslepen door de waan van de dag?
“Als er volgens de normen van de monitor wordt gewerkt, leest niemand meer kranten,” schrijft Huygen. Blijkbaar is hem volledig ontgaan dat wij de journalistieke standaarden die in allerlei professionele codes zijn vastgelegd als uitgangpunt hebben gekozen voor ons onderzoek. Of denkt hij werkelijk dat er ruimte meer is voor betrouwbare, evenwichtige en onafhankelijke journalistiek?

Labels:

vrijdag 23 november 2007

Onderzoek UMTS heeft averechts effect

Gepubliceerd in NRC Handelsblad 3 juli 2007

Peter Vasterman

De 16,6 miljoen euro die het onderzoek van minister Cramer naar de gevaren van UMTS-straling gaat kosten, kan beter anders worden besteed, meent

Op het eerste gezicht lijkt het een goed idee van minister Cramer van Milieu om opnieuw onderzoek te laten doen naar de mogelijke gevaren van de elektromagnetische straling rond UMTS-zendmasten. In tientallen gemeenten maken buurtbewoners zich immers zorgen over de gevaren van de nieuwe UMTS-zendmasten die als onderdeel van een landelijk netwerk overal worden geïnstalleerd. Cramer wil met het nieuwe onderzoek die onrust onder de bevolking proberen weg te nemen en benadrukt dat "het instellen van een onderzoek niet betekent dat mensen zich ongerust hoeven te maken."

Daarmee geeft de minister al meteen een tegenstrijdig signaal af: er is blijkbaar reden voor een onderzoek, maar de mensen hoeven zich nergens zorgen over te maken. Dan is er ook geen reden voor nieuw onderzoek, zou je denken. En dat is in overeenstemming met de conclusies van het in maart gepubliceerde 'Jaarbericht van de Gezondheidsraad' dat er geen aanwijzingen zijn voor effecten op de gezondheid.

Als het aangekondigde onderzoek alleen maar tot doel heeft om de onrust weg te nemen, dan valt te voorspellen dat deze strategie averechtse effecten oplevert. Vermoedelijk is de redenering van de minister dat burgers zich definitief zullen laten overtuigen door de uitkomsten van dit nieuwe onderzoek. Maar die benadering houdt weinig rekening met hoe mensen omgaan met dergelijke risico's en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek.

In de eerste plaats geeft de overheid met de aankondiging van dit onderzoek het signaal af dat er misschien toch wel degelijk sprake zou kunnen zijn van een ernstig probleem, want anders zou zo'n onderzoek niet nodig zijn. De actiegroepen tegen UMTS en de mensen met gezondheidsklachten zullen dit als een erkenning van hun standpunt zien en zullen hun verzet juist intensiveren in plaats van rustig de resultaten af te wachten.

Als argument zal hier het 'voorzorgprincipe' worden gehanteerd: zolang de resultaten van dit onderzoek niet bekend zijn, kunnen we maar beter het zekere voor het onzekere nemen en de uitrol van het UMTS-netwerk voorlopig stopzetten.

Op de tweede plaats laten mensen zich bij dit soort risicokwesties niet overtuigen door rationele wetenschappelijke argumenten. Als dat zo zou zijn, dan hadden zij zich al neergelegd bij de resultaten van bijvoorbeeld het Zwitserse onderzoek uit 2006. De mensen die zich zorgen maken bekijken dit soort risico's vanuit een totaal ander perspectief dan de wetenschappers.

Voor de buurtbewoners is het idee onacceptabel dat zij onvrijwillig blootgesteld worden aan een risico, hoe klein (of misschien wel totaal non-existent) dat risico feitelijk ook is: 'je weet maar nooit.' Men heeft er niet voor gekozen en men wil zich er geen zorgen over hoeven maken. De perceptie van risico's wordt bepaald door dit soort psychologische patronen.

We onderschatten doorgaans de alledaagse risico's die we zelf in de hand denken te hebben, maar we overschatten de risico's in situaties waarin we geen controle hebben. Als we ongewild blootgesteld worden aan een risico waarbij we ook nog geen enkele controle hebben, dan raken we snel in de stress, hoe klein dat risico feitelijk ook is in vergelijking met andere risico's.

Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom de zendmasten wel en de mobiele telefoons geen verontrusting opleveren. Voor risicoperceptie zijn verder van belang: onrechtvaardigheid (waarom staat die mast op mijn dak en niet in die villawijk?), de schuldvraag (wie heeft ons dit aangedaan?) en de motieven van de dader (al die miljarden voor de UMTS-frequenties moeten terugverdiend worden, blijkbaar ten koste van onze gezondheid).

In plaats van aan te sluiten bij deze basispatronen die ten grondslag liggen aan het verzet tegen de UMTS-zendmasten, klampt de overheid zich vast aan wetenschappelijk onderzoek. Dat zal averechtse effecten opleveren: als er niks uitkomt zullen de actievoerders het onderzoek verdacht maken door te wijzen naar de opdrachtgever die miljarden heeft verdiend aan de UMTS-frequenties.

Als er wel iets uitkomt, hoe minimaal ook, dan zal dat worden gepresenteerd als het ultieme bewijs voor alle vermeende ziekmakende effecten van de straling. In beide gevallen zal de verontrusting worden aangejaagd en zal het 'stralingsissue' alleen maar steeds belangrijker worden.

Een ander effect van alle aandacht voor UMTS kan zijn dat steeds meer mensen gezondheidsklachten gaan toeschrijven aan de zendmasten en dat er een epidemie ontstaat van het geheimzinnige syndroom, genaamd 'elektrostress'. Dergelijke syndromen zijn gebaseerd op het onder één noemer brengen van allerlei vage klachten die in iedere normale populatie voorkomen en die doorgaans bestaan uit symptomen als concentratiestoornissen, vermoeidheid, huidproblemen, hoofdpijn, gewrichtspijnen, hartkloppingen en paniekaanvallen.

Als het vermeende ziektebeeld vervolgens geen erkenning krijgt van het officiële medische circuit is dat voor de 'UMTS-slachtoffers' juist een reden om zich nog veel sterker vast te bijten in de zendmast als ziekmakende factor.

Het is dan ook de vraag of die 16,6 miljoen euro niet beter besteed kan worden aan het onderzoeken en verminderen van risico's die aantoonbaar gezondheidsschade opleveren zoals fijnstof.


Peter Vasterman is mediasocioloog aan de UvA en doet o.m. onderzoek naar de berichtgeving over UMTS en fijnstof.

Links:
Informatie over het hier besproken onderzoek: Elektromagnetische Velden en Gezondheid
Stop UMTS angst!
Stop UMTS

Labels:

Free counter and web stats