UMTS, Risicopercepties
en mediahypes, een mijnenveld voor het openbaar bestuur.
If men define a situation as real they are
real in their consequences.
Peter Vasterman
Ter voorbereiding van deze
inleiding heb ik eens in de databank Lexis Nexis gekeken naar de berichtgeving
in de regionale en landelijke dagbladen over de UMTS-zendmasten. ZoÕn kleine
300 artikelen in het afgelopen jaar onder de trefwoorden UMTS en zendmasten. En
bijna allemaal gaan ze over wat journalisten noemen Òhet groeiend verzetÓ tegen
de zendmasten en de gezondheidsrisicoÕs. Tik je UMTS en kanker in over het
afgelopen jaar dan vind je bijna honderd artikelen (ÒStraling veroorzaakt
mogelijk kankerÓ). Dat is verontrustend, zeker als boven een ander artikel
staat: ÒStraling gaat door dikke muur.Ó Het woord ÔstralingÕ heeft natuurlijk een veel
angstaanjagender connotatie dan het onschuldige ÔradiogolvenÕ.
De artikelen schetsen de
bezorgdheid van de bewoners van wie sommigen al allerlei gezondheidsklachten
melden; juridische en gemeentelijke procedures komen ter sprake; evenals
verwijzingen naar buitenlandse onderzoeken (Isra‘l, Duitsland) die risicoÕs
aangetoond zouden hebben en tenslotte volgt er een reactie van een
overheidswoordvoerder die verwijst naar de conclusies van de Gezondheidsraad
dat de ÔstralingÕ van
mobiele telefoons en gsm-basisstations niet direct schadelijk is voor de gezondheid. Het advies van de Gezondheidsraad om meer onderzoek te doen
naar eventuele lange-termijn-effecten krijgt in zoÕn context waarschijnlijk een
andere speciale betekenis (waarom onderzoek als er niets aan de hand is?).
De verhalen in de pers volgen dus een bepaald schema: eerst het verzet, de verontrusting,
boosheid van bewoners, dan een stukje over de risicoÕs van straling (allerlei
claims worden op een hoop geveegd, van slapeloosheid tot kanker) en dan meestal
aan het eind een reactie vanuit de overheid. Het hele stuk is geschreven vanuit
ŽŽn referentiekader, namelijk dat van de bezorgde burger, die iets ongrijpbaars
overkomt, met wie de zodat de lezer zich goed kan identificeren.
Gedegen informatie over de feitelijke risicoÕs of vergelijkingen tussen
verschillende risicoÕs ontbreken doorgaans. De media concentreren zich vooral
op outrage en niet
op hazard zoals dat
in de Amerikaanse literatuur wordt genoemd, op verontwaardiging over een risico
en niet op het risico zelf. En dat is een totaal andere benadering dan die van
de risico-experts die zich niet met de sociale aspecten van risico bezighouden,
maar alleen met de aantoonbare gevolgen voor de gezondheid van de blootstelling
aan bepaalde stimuli.
diepe kloof
Het is opvallend dat er telkens
als zich een nieuw risico-issue aandient een diepe kloof blijkt te gapen tussen
de manier waarop de burgers (gesteund door de media) er tegen aankijken en de
percepties bij de overheid (gesteund door de wetenschap). Burgers defini‘ren de
risicoÕs vanuit een sociaal perspectief (onvrijwillig, onrechtvaardig,
onbetrouwbaar, etc.), terwijl experts alleen uitgaan van de wetenschappelijke
gegevens over risicoÕs. Daarbij gaat het om vragen als: bij welke dosis en
onder welke voorwaarden kan sprake zijn van mogelijke negatieve effecten voor
de gezondheid? En zijn die effecten significant? En; hoe verhouden zich deze
risicoÕs tot andere risicoÕs waar mensen vrijwillig of niet aan worden
blootgesteld? Het gaat altijd om waarschijnlijkheden niet om zekerheden.
De burger die betrokken is
geraakt bij een risico-issue kijkt daar totaal anders tegenaan:
risico-inschattingen krijgen in hun manier van denken een totaal andere
betekenis. Bijvoorbeeld: als wetenschappers zeggen dat er een link is tussen
blootstelling en gezondheid, maar dat de effecten verwaarloosbaar klein zijn,
dan voedt dat juist de verontrusting. Waarom? Omdat mensen uitgaan van andere
denkkaders, waarin bepaalde
psychologische patronen een grote rol spelen. Ze zullen zeggen Ôzie je
nu wel!Õ Ze geven het toe, er is een link, we hadden gelijk. Wie zegt dat er
toch niet voor sommige mensen wel grotere effecten zijn? Het zal je kind maar
wezen? Het is een schande, wie is hiervoor verantwoordelijk, dit moest een keer
gebeuren, wij waarschuwen hier al jaren voor.
psychologische patronen
Om te begrijpen hoe zoÕn
referentiekader tot stand komt moeten we even stil staan bij die psychologische
patronen die risicoperceptie bij mensen bepalen en die leiden tot overschatting
of onderschatting van risicoÕs. Uit onderzoek blijkt dat we vooral zeldzame,
onbekende, exotische gevaren sterk overschatten, terwijl de we bekende
alledaagse risicoÕs sterk onderschatten (bij de niet-natuurlijke doodsoorzaken
scoren ongelukken in en om het huis meer dan helft van alle gevallen).
Zeldzame, dramatische gebeurtenissen (vliegtuigongelukken) scoren daarom hoger
dan auto-ongelukken. Als we zelf achter het stuur zitten schatten we de risicoÕs
veel lager in: controle of juist het gebrek daaraan speelt een belangrijke rol.
Dat geldt ook voor vrijwilligheid en onvrijwilligheid: als we ongewild
blootgesteld worden aan een risico waarbij we ook nog geen enkele controle
hebben dan raken we snel in de stress, hoe klein dat risico feitelijk ook is in
vergelijking met andere risicoÕs. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom de
zendmasten wel en de mobiele telefoons geen verontrusting opleveren. Verder
zijn van belang: (on-)rechtvaardigheid (waarom overkomt mij dit?), de
schuldvraag (wie heeft het gedaan) en de motieven (Geld? Mijn gezondheid voor
geld?). Daarom hebben mensen minder problemen met natuurrampen dan met man-made disasters.
Tot slot speelt vertrouwen een belangrijke rol; als het gevoel bestaat dat
informatie word achtergehouden schatten mensen de risicoÕs veel hoger in.
Mensen zijn bereid om zelf
enorme risicoÕs te nemen in en om het huis of op vakantie, terwijl ze wel enorm
verontrust kunnen raken over een verwaarloosbaar klein risico waar men ongewild
aan is blootgesteld. Het is de paradox van de roker die zich druk maakt over
fijn stof in zijn buurt.
nieuwsselectie
Deze psychologische patronen
vinden we ook weer terug in de criteria voor nieuwsselectie die de media
hanteren. Alleen onbekende, opzienbarende risicoÕs of gevaren zijn
nieuwswaardig (niet de ongelukken in en om het huis, dat is een statistiekje).
Om die reden is de hoeveelheid aandacht voor een gevaar omgekeerd evenredig aan
de mortaliteitscijfers. Verder moet nieuws schokkend zijn: veel doden in een
keer zijn veel nieuwswaardiger dan veel meer doden een voor een (legionella
versus Volendam). Een acute crisis is veel nieuwswaardiger dan een cumulatief
patroon, vandaar de concentratie van het nieuws op dramatische, schokkende,
maar zeldzame gebeurtenissen zoals vliegtuigongelukken. Nieuws gaat dus meer
over incidentele gebeurtenissen dan over lange termijn processen. En vooral het
nieuws gaat meer over outrage
dan hazard, gaat meer over de
verontrusting en verontwaardiging van de burgers (al snel slachtoffers genoemd)
dan over de wetenschappelijke feiten over de risicoÕs. Bovendien komt vanuit de
waakhondfunctie van de media ook al snel de schuldvraag op: wie is hier
verantwoordelijk voor? Als blijkt dat een bewindspersoon al op de hoogte was
van een risico maar er niets aan heeft gedaan, dan is een schandaal in de maak
en dat is altijd nieuwswaardig.
Wat nieuwswaardig is en welk
referentiekader de media hanteren is belangrijk omdat de media weliswaar
verslaggevers zijn van gebeurtenissen, maar tegelijkertijd die gebeurtenissen
sterk kunnen be•nvloeden door hun manier van berichtgeving. De media hebben de
macht om een onderwerp uit te vergroten en een aanjagende rol te spelen in het
sociale proces van verontrusting rond bijvoorbeeld de UMTS zendmasten. Dan is
sprake van een mediahype, er is sprake van een zichzelf versterkend proces in
het nieuws. De media zorgen voor een uitvergroting van een risico, de
verontrusting die daarvan het gevolg is wordt ook weer nieuws, etc.. Een
belangrijk kenmerk van dergelijke mediahypes is ook een zichzelf versterkend
proces qua inhoud van het nieuws.
In de berichtgeving gaat al snel
een bepaalde definitie van de situatie of het probleem domineren en die
structureert de zoektocht naar nog meer ÔbevestigendÕ nieuws. De nieuwsdrempels
dalen sterk voor alle gebeurtenissen, uitspraken en meningen die een
bevestiging voor het centrale perspectief opleveren. De uitgebreide aandacht
voor dit nieuws zal vervolgens de juistheid van die visie bevestigen. Er is dus
sprake van een sterke selectieve perceptie
en selectieve verslaggeving. Een
voorbeeld: op het moment dat de media in enkele gevallen van meningokokken
besmettingen een cluster zien, zal ieder nieuw besmettingsgeval, waar dan ook
in Nederland, prominent gemeld worden: ÒAlweer een nieuw geval van....Ó Op die
manier cre‘ren de media een golf van incidenten in het nieuws waardoor de
indruk ontstaat dat er plots daadwerkelijk sprake is van een epidemie.
Het referentiekader van waaruit
de media berichten is dus van groot belang: in veel gevallen nemen de media dat
van de betrokken burgers over, ze gaan uitgebreid in op de angstgevoelens, de
verontrusting, de aangekondigde acties, en de reacties daar weer op van het
openbaar bestuur. Als de overheid vanuit het andere referentiekader (dat van de
experts) reageert, ontstaat er een explosieve situatie waarin de burger het
vertrouwen in de overheid kan verliezen. Men voelt zich in de kou staan, men
voelt zich miskend, niet serieus genomen, hetgeen mensen weer zal versterken in
hun opvatting dat er een serieus probleem is. Deze percepties en gevoelens
worden zowel uitvergroot als vervolgens aangewakkerd door de media. Zeker in
het huidige medialandschap waarin de concurrentie scherper is en de traditionele
journalistiek onder grote (commerci‘le) druk staat. In de berichtgeving over
dit soort risico-onderwerpen ligt de nadruk tegenwoordig op het verhaal van de
mensen zelf, hun persoonlijke ervaringen, de emoties en de afstandelijke
reacties van de ÔkilleÕ overheid.
interpretatieschemaÕs
Welke interpretatieschema duiken
telkens weer op in de berichtgeving en de manier waarop burgers tegen risicoÕs
aankijken? SchemaÕs die dus meer te maken hebben met wantrouwen, gevoelens van
onrechtvaardigheid en de schuldvraag dan met de feitelijke risico-inschatting.
Telkens gaan deze schemaÕs een stap verder.
Als er een vermoeden van een
risico bestaat luidt de argumentatie:
Als er een vermoeden is van
gezondheidsschade als gevolg van de blootstelling:
Als meer mensen klachten
rapporteren krijgt de ziekte een naam: elektrostress.
Als de ziekte bewezen wordt
geacht, wordt het schandaal een feit:
sociale epidemie
Als dit soort kaders sterk op de voorgrond
treden, kan er een sociale epidemie ontstaan waarbij steeds meer mensen (ook
via de media) elkaar besmetten met het idee dat hun algemene
gezondheidsklachten zijn toe te schrijven aan ŽŽn (fysiologische) oorzaak, in
dit geval de UMTS zendmasten. Er vindt een proces clustering en labeling van
klachten en symptomen plaats, meestal bestaande uit: concentratie- en
geheugenstoornissen, depressie,
vermoeidheid, huidproblemen, hoofdpijn, gewrichtspijnen, hartkloppingen en
paniekaanvallen. Op die manier ontstaan de zogenaamde functionele
somatische syndromen zoals chronische vermoeidheid, Bijlmersyndroom, whiplash, multipele
chemische sensitiviteit, sick-building syndrome enzovoorts. De
gezondheidsklachten zijn niet-specifiek, diffuus, ambigue en endemisch en komen
in dezelfde mate ook voor in normale gezonde populaties. Dat is ook de reden
waarom onderzoek naar een bepaalde oorzaak zo moeilijk uitvoerbaar is.
De syndromen houden zichzelf
lange tijd in stand door een zichzelf versterkende cyclus: de angst voor een
ziekte of de mogelijke gevolgen van besmetting of blootstelling zorgt voor een
verhoogde gevoeligheid voor reeds lang bestaande, onverklaarde symptomen. Angst
voedt de selectieve aandacht en de eenzijdige interpretatie van die symptomen
die allemaal onder ŽŽn noemer worden gebracht waardoor de situatie van de
pati‘nt steeds ernstiger lijkt te worden. Als het veronderstelde ziektebeeld
geen erkenning krijgt van het offici‘le medische circuit is dat voor de
slachtoffers juist een bewijs voor de waarheid van hun claims. En een reden om
naar het alternatieve circuit te stappen.
risicocommunicatie.
De vraag is hoe dit proces te
voorkomen? En ervoor te zorgen dat deze interpreatie- en argumentatieschemaÕs
niet gaan domineren in de berichtgeving en het publieke debat over de
zendmasten?
Aangezien er geen definitieve
uitspraak ligt over de (on-) schadelijkheid van de zendmasten gaat de aandacht
van de media vooral uit naar outrage;
de verontwaardiging en verontrusting van de mensen die zich onrechtvaardig
behandeld voelen omdat ze ongevraagd zijn blootgesteld aan onbekende risicoÕs.
In de berichtgeving zal daarom het beeld overheersen dat er bij de UMTS
zendmasten vermoedelijk wel sprake zal zijn van enig risico -hoe groot is
natuurlijk onbekend - maar wel
zodanig dat het voorzorgprincipe zou moeten gelden en de overheid zou de bouw
van de zendmasten zou moeten stoppen. Als de overheid vervolgens inderdaad die
uitrol van de zendmasten gaat stoppen of vertragen dan zal dat worden gezien
als een bevestiging van de schadelijkheid van de straling. Mensen zullen zich
gesterkt voelen in hun verontrusting en verontwaardiging en zullen vervolgens
ook de GSM masten en de hoogspanningsmasten gaan aanpakken. Niets doen
daarentegen zal de verontrusting alleen maar aanwakkeren. Dat is het dilemma:
geen rekening houden met percepties bij het publiek kan leiden tot een proces
van vervreemding, maar er wel rekening mee houden, levert weer een nieuw risico
op: namelijk beleid dat een speelbal dreigt te worden van maatschappelijke
emoties; de waan van de dag, aangejaagd door mediahypes en populisme.
onbekendheid,
onrechtvaardigheid, onvrijwilligheid.
De opdracht is dus om de
discrepanties in risicoperceptie van de verschillende actoren: wetenschap,
overheid, media, publiek en direct betrokkenen te overbruggen. Het is dus
belangrijk om aan te sluiten bij de risicopercepties, de achterliggende
psychologische patronen en de sociale dynamiek die kan ontstaan, maar zonder de
feitelijke risicoafweging buiten beschouwing te laten.
De reacties van mensen kunnen
vanuit risico-inschatting als volkomen irrationeel worden gezien of zelfs
belachelijk, vanuit psychologisch oogpunt gezien zijn die reacties van verontrusting
en verontwaardiging volkomen logisch: men wil zich geen zorgen hoeven te maken
(dat is psychologisch ongemakkelijk), men wil de zaak zelf onder controle
hebben en men wil niet onrechtvaardig behandeld worden. Alleen maar
communiceren over de feitelijke risicoÕs, wetenschappelijke
onderzoeksresultaten heeft dus niet veel zin, dat sluit niet aan bij deze
reacties.
Psychologisch gezien moet
aansluiting worden gezocht bij de volgende drie punten, zowel in de
communicatie als in het beleid m.b.t. de zendmasten:
tot slot
Dat betekent luisteren naar
mensen en proberen de gevoelens van onrechtvaardigheid en onvrijwilligheid te
verminderen. Dat betekent ook een einde maken aan situaties die deze gevoelens
kunnen aanwakkeren. Tot slot de media: het belangrijkste probleem is dat zij
alleen maar verslag doen van het proces, dat aanjagen door hun manier van
bericht geven, maar zich niet verantwoordelijk voelen voor de oplossing van het
probleem.
Daar zou de communicatie ook op
gericht moeten zijn: informeer de pers over risicopercepties, de psychologische
patronen, de afweging van risicoÕs en laat ze vooral de sociale dynamiek zien
die tot stand kan komen ongeacht het feitelijke risico en de rol die de media
er in kunnen spelen. Herinner ze aan vergelijkbare voorbeelden zoals het
Bijlmersyndroom. Kant en klare oplossingen zijn er niet, misschien dat deze
gedachten u wel kunnen helpen.