Een
fragment uit 'Het huis van mijn vader':
Ik geef
mijn moeder de vijf gulden terug die ik van haar had gekregen.
Ze reageert verontwaardigd. 'Heb je meneer Santos niets aangeboden?'
'We zijn steeds op het water geweest,' zeg ik, 'en
we hebben even in de zon gelegen op een soort eilandje. Maar daar was
geen terras.'
'Hebben jullie dan niks gebruikt?'
'Ik had toch van alles mee? Meneer Santos ook. Hij zei precies
hetzelfde als u: dat ik genoeg bij me had voor een heel legioen. Ik
mag hem trouwens Olivier noemen en gewoon jij zeggen.'
'Heb jij dat voorgesteld?'
'Nee, natuurlijk niet.'
'O, gelukkig, want dat hoort niet hoor, denk erom. Het moet altijd
van de oudste uitgaan. Hoe oud is hij eigenlijk?'
'Zevenentwintig.'
'Dan ziet hij er jonger uit. Ik dacht dat hij van Chris'
leeftijd zou zijn. Chris wordt…?'
'Vierentwintig.'
'Ja, vierentwintig. Een heel ander type natuurlijk. Is meneer
Santos getrouwd, of verloofd?'
'Ik geloof het niet. Mag ik in bad?'
'Moet je niet eerst nog wat eten?'
'Nee, ik ben moe. Daarna ga ik meteen door naar bed, goed?'
Ik geef mijn moeder een zoen. 'Welterusten,' zeg ik.
'Nacht,' zegt zij. 'Je zult wel goed slapen na zo'n
hele dag buiten.'
Ik loop de trap op, opgelucht: ze heeft niets aan me gemerkt, niets
aan me gezien, niets aan me geroken.
Als ik in bad lig, voel ik me vreemd alleen. Wat zou Olivier nu aan
het doen zijn? Zou hij ook in bad liggen en net als ik aan vanmiddag
denken?
Nu zijn alle sporen uitgewist. Zegt hij niets en ik ook niet, dan zal
niemand er ooit van weten.
Als ik wakker schiet, voor de zoveelste keer, heb ik hoofdpijn. Ik sta
op, sluip naar de wastafel op zolder en laat de kraan zo lang lopen,
tot het water echt koud is. Ik houd mijn washandje eronder en leg dat,
terug in bed, dubbelgevouwen op mijn voorhoofd.
'Homo,' hamert het alsmaar in mijn hoofd, 'homo.'
Op school, in de derde of de vierde klas van het gymnasium, zit een
jongen die Robert heet, maar iedereen noemt hem besmuikt Roberta. Van
hem wordt beweerd dat hij homo is. 'Van de klets,' zeggen
de jongens uit mijn klas, of 'van de verkeerde kant', en
ze slaan daarbij met hun ene hand op de bovenkant van de andere. Is
Olivier ook homo, door vanmiddag? Maar Olivier is heel anders dan Robert.
Robert loopt en beweegt en praat een beetje als een vrouw, Olivier helemaal
niet. Aan hem zie je niks. Maar stel dat hij het wel is, ben ik het
dan ook? Olivier was begonnen, alleen heb ik niet gezegd dat hij moest
stoppen. Hij heeft het me zelfs nog gevraagd. Maar ik vond het fijn,
zijn handen die me overal aanraakten, en zijn mond. Vond hij dat niet
vies?
Het is al laat als ik de volgende ochtend beneden kom. Het huis lijkt
uitgestorven, er is ook niemand in de kamer. Homo. Nu wil ik het precies
weten. Gehaast en met trillende vingers zoek ik het op in het woordenboek.
'(Lat.), m., mens', staat erachter. Dat zijn we allemaal.
'- homo sapiens… - homo novus… - homo sum,
ik ben een mens (en niets menselijks is mij vreemd).' Dat zal
het ook niet zijn. '- homo homini lupus, de mens belaagt
zijn medemens als een wolf.' Ik moet denken aan Olivier, hoe hij
mij af en toe beet. Maar dat was zo zachtjes, dat het eerder kriebelde
dan dat het pijn deed. Dus ook dat kan het niet zijn. Ik zoek verder,
bij 'homophiel', dat heb ik mensen ook wel eens horen zeggen.
'Homophoon' bestaat wel, 'homophiel' niet, ook
niet met een f. 'Homosexualiteit, geslachtslust tot personen van
hetzelfde geslacht.' Geslachtslust? Daar hoef ik niet zo ver voor
terug te bladeren. 'Geslachtskenmerk' zie ik staan, '…leven',
'…lijst', en dan 'geslachtsnaam'. Geen
'geslachtslust'. Wel, een stukje naar beneden, 'geslachtsomgang:
vleselijke gemeenschap tussen individuen van verschillend geslacht.'
Ik word er niet veel wijzer van. Gelukkig komt Arbout gauw thuis. Maar
wat moet ik dan vragen? En hoe kan ik het zo vragen dat hij míj
geen vragen gaat stellen? Verbeeld je dat hij kwaad wordt op Olivier?
Of op mij, omdat ik het heb laten gebeuren?
Ik hoor de trap. Mijn moeder komt beneden. 'Ben je hier?'
vraagt ze als ze me ziet. Ik sla het woordenboek dicht. Het is een van
de dikste boeken die we in huis hebben – 'van Dale'
staat er in gouden krulletters op de groenige kaft, en daaronder een
monogram waaromheen in de rondte 'Alles komt teregt' is
geschreven.
'Laat je 'm niet vallen?' vraagt ze, terwijl ik ermee
naar de boekenkast loop, 'want dan ligt hij uit de band.'
Voorzichtig schuif ik het boek terug op de plank, het is een heel gewicht.
'Ik wil je iets vertellen,' zegt mijn moeder. Ze gaat aan
tafel zitten.
Ik kijk naar haar gezicht, wat zou er zijn? Het moment waarop Willemijn
en ik op de ochtend na mijn vaders dood bij mijn moeder in bed mochten
kruipen, schiet door me heen. Toen zei ze ook zoiets - 'Ik wil
jullie iets vertellen.' Of misschien zei ze toen wel 'moet'
in plaats van 'wil'. Er zit een lading in die me onrustig
maakt. Het waren maar een paar woorden - 'Papa is in de hemel':
vijf woorden - en het zou nooit meer zo worden als het was.
Ik ga tegenover haar zitten. Ik zie dat ze zenuwachtig is, haar vingers
volgen het patroon in het smyrnatapijt dat over de tafel is uitgerold.
'Ik heb Babs gesproken,' zegt ze aarzelend, en pas nu slaat
ze haar ogen op: 'Babs krijgt een baby.'
Ik voel het bloed uit mijn hoofd wegtrekken. Ik begin vreselijk te huilen.
Het komt van heel diep.
Mijn moeder schrikt. 'Ben je niet blij?' vraagt ze.
'Ja,' zeg ik, 'verschrikkelijk blij.'
'Wat is er dan?'
Mijn hele lichaam schokt. 'Ik weet het niet,' zeg ik, 'ik
weet het niet. Het is zo veel allemaal.'
Mijn moeder kijkt me hulpeloos aan.
vorige
© Alex Verburg