John Nash - Confucius op een Go-bord


Door Laurens Verhagen

“Hoeveel waarheid kan iemand in zijn geest verdragen, aan hoeveel waarheid waagt hij zich?” (Nietzsche, Ecce Homo)

“Zwischen dem Genie und dem Wahnsinnigen ist die Ähnlichkeit, daß sie in einer andern Welt leben als der für alle vorhandenen.” Arthur Schopenhauer

Als John Nash een gewone, gezonde Amerikaanse man was geweest, zonder enige aanleg voor paranoia, had – buiten zijn directe omgeving - niemand ooit van de beste man gehoord. Dan zou hij, verbonden aan het een of andere instituut, zijn economische of wiskundige werk hebben gedaan. Hij zou worden gewaardeerd door vrouw en collega’s. Dat is een mogelijkheid. Een andere mogelijkheid is dat als Nash niet zo’n labiele geest had gehad, hij zijn beloftes had kunnen waarmaken en veel meer baanbrekend werk had kunnen verrichten. In dat geval had hij wellicht veel meer prijzen gekregen dan de Nobelprijs voor de economie die hem uiteindelijk pas na 35 jaar ten deel viel.

Maar zo is het allemaal niet gegaan. Nash verkeerde decennia in een schemertoestand en dwaalde als een schim rond door de gebouwen van Princeton Univerity, daarbij enigmatische formules en spreuken op de schoolborden achterlatend. Nash, de briljante wiskundige die het allemaal net niet waarmaakte. Hij nam te veel hooi op zijn vork. Hij tartte het lot door als een moderne Ikarus te dicht bij de zon te komen. Hij dacht Einstein wel eens even de les te kunnen lezen, nam alleen genoegen met het oplossen van de ingewikkeldste problemen. Dat had hij beter niet kunnen doen.

Wie de veelgeprezen biografie ‘Een Schitterend Brein’ van Sylvia Nasar heeft gelezen, kent de anekdotes. Vanaf begin 1959 begint Nash zich – zelfs voor zijn doen – wel erg vreemd te gedragen. Hij beweert ten overstaan van collega-wiskundigen dat abstracte machten uit de ruimte via The New York Times met hem proberen te communiceren. Nash vindt het noodzakelijk dat de gecodeerde boodschappen, die uiteraard alleen voor hem waren bedoeld, grondig geanalyseerd worden. Op andere momenten houdt Nash zich bezig met de uitgifte van ‘intergalactische rijbewijzen’, de vorming van wereldbesturen en het onschadelijk maken van een groot complot van rode stropdassen die op de een of andere manier deel uitmaken van een crypto-communistische partij.

Zijn omgeving weet dan nog totaal niet wat ze met hem aanmoet. De term ‘paranoia’ valt al diverse keren, maar niet iedereen is ervan overtuigd dat Nash ziek is. Sommigen denken aan een grap, anderen willen het niet zien. In de maanden van zijn razendsnelle ineenstorting blijft Nash nog werken aan wiskundige problemen. Het lijkt niet echt te lukken en Nash legt het probleem buiten zichzelf. Collega’s snuffelen volgens hem in zijn prullenbak om er met zijn ideeën vandoor te gaan. Of het zijn buitenaardse wezens die zijn carrière hebben weten te dwarsbomen.

Hoe vreemd Nash zich ook gedraagt en wat voor rare brieven hij schrijft, in de eerste weken en maanden van zijn reis naar de onderwereld functioneert hij sociaal gezien nog enigszins, voor zover hij überhaupt ooit sociaal gefunctioneerd heeft. Er wordt nog gesproken over een promotie van Nash. Tegelijkertijd wil de Universiteit van Chicago hem een prestigieuze leerstoel aanbieden. Nash slaat het aanbod schriftelijk af omdat, zo meldt hij doodleuk, op het punt staat benoemd te worden tot keizer van Antartica.

Daarna geeft hij twee lezingen die rampzalig verlopen. De toestand van de dan 30-jarige Nash is bijzonder zorgelijk. Zo beweert hij luidkeels dat hij op de cover van Life staat. Anderen zien alleen een foto van Paul Johannes de 23e, maar Nash bezweert dat er met de foto is geknoeid. Eigenlijk is Nash het. Logisch, want 23 is het favoriete priemgetal van Nash.

Niet lang hierna wordt Nash voor de eerste keer opgenomen, zeer tegen zijn zin. Uiteraard vindt Nash zelf dat er niets met hem aan de hand is, de buitenwereld denkt daar duidelijk anders over. Maar ja, ook Nash ontkomt niet aan de democratische aard van ziekte en gezondheid. De meerderheid van de mensen bepaalt wat ziek is en wat niet. “Geestesziek is degene die vastgehecht zit aan een ander realiteitsniveau dan het niveau waar de meerderheid van de mensen aan vastgehecht zit”, in de woorden van LSD-gebruiker en vermaard psychoanalyticus Richard Alpert. Of, om met W.F. Hermans in zijn roman Conserve te spreken: “Krankzinnigheid is iets is wat alleen door zijn zeldzaamheid wordt bepaald. Als van honderd mensen er 95 krankzinnig zijn dan zijn niet die 95 krankzinnig, maar de vijf die het niet zijn.” Hiermee schiet Nash echter weinig op.

Op uitdrukkelijk verzoek van zijn vrouw Alicia wordt hij niet onderworpen aan elektroshock-therapie, maar dat is zo ongeveer het enige wat hem bespaard is gebleven. De bijna dertig jaar hierna kunnen worden omschreven als jaren van duisternis die slechts af en toe worden verlicht door een streepje licht. Nash wordt verschillende keren opgenomen, doorloopt diverse therapieën, maar valt evenveel keren weer terug in zijn oude gewoontes en wanen.

Uiteindelijk komt het echter allemaal goed en tekent zich eind jaren 80 een voorzichtig herstel af. Na het winnen van de Nobelprijs in 1994 stapt Nash definitief uit de schemering en begint een glamourachtige opmars. Vooral na het verschijnen van Nasars biografie kan het eigenlijk niet meer stuk. Het verhaal van de briljante jongeman (het woord ‘genie’ valt op bijna iedere bladzijde diverse keren) die het spoor volkomen kwijt raakt en met wie het allemaal uiteindelijk, op 66-jarige leeftijd toch nog goed komt. Het boek leest als een Amerikaans succesverhaal met als bekroning de toekenning van de Nobelprijs.

Het contrast is groot. Waar Nash in de jaren zeventig nog als een schim ronddwaalde, geniet hij nu de status van filmheld. De Man Die Ontwaakte Uit Zijn Paranoia. Nash is een veelgevraagd spreker, niet alleen als wiskundige maar vooral als de Ontwaakte. Zo sprak hij op 9 oktober 2001 in Washington tijdens over zijn ziekte op een symposium over psychiatrische problemen. Enkele jaren eerder (Madrid 1996 Tenth World Congress of Psychiatry) trad hij voor het eerst in de openbaarheid met zijn overwonnen problemen. En iedereen houdt van hem.

Vergeten is de man die bekend stond als nors, sociaal onaangepast, onbeschoft, kinderachtig, verwaand en zelfs agressief. De term ‘EQ’ bestond in de jaren ’50 gelukkig nog niet, maar als Nash destijds aan een test zou hebben meegedaan, zou hij ongetwijfeld in de onderste regionen terecht zijn gekomen. De stelling van Schopenhauer dat geestelijke superioriteit onvermijdelijk tot ongezelligheid leidt, lijkt op het lijf van Nash geschreven.

De hype rondom John Nash zal eind 2001 zijn hoogtepunt bereiken als de film van zijn leven uitkomt. Je leven verfilmd, wat wil je nog meer? Zijn leven speelt zich voortaan af in het verleden. Het eindigt in 1994 als hij de Nobelprijs krijgt uitgereikt. Zo wil iedereen hem herinneren. Als de Ontwaakte. Dat Nash in 2001 voor de tweede keer trouwde met Alicia Nash is hierbij niet meer dan een voetnoot.

De rol van Nash in de door Ron Howard geregisseerde film wordt gespeeld door steracteur Russell Crowe. Gliadiator speelt paranoïde weirdo. Het echte gezicht van Nash – op foto’s zien we een man met in het gunstigste geval intens droevige ogen, maar vaker met een totaal lege blik – zal in het collectieve geheugen gaandeweg plaatsmaken door dat van Hollywood-ster Crowe, die met zijn rol ongetwijfeld een Oscar wint, verzot als zowel jury’s als publiek zijn op films waarin geniale gekken figureren.

Crowe zegt grote bewondering voor Nash te hebben: “Het ongelofelijke van John Nash is dat hij zijn ziekte als het ware ‘weg dacht’. Hij had zo’n krachtige geest dat hij stopte met de inname van de medicijnen die hij kreeg voorgeschreven. Hij bedacht een manier om de werkelijkheid te begrijpen, de werkelijkheid die in contrast stond met zijn eigen gecreëerde werkelijkheid.”

In een autobiografisch artikel dat Nash schreef naar aanleiding van de uitreiking van de Nobelprijs suggereert Nash inderdaad dat hij puur op denkkracht zijn ziekte te boven is gekomen. De eerste fase, zo zegt Nash, vond eind jaren ’60 plaats. Weliswaar werd zijn denken toen nog gedomineerd door waanvoorstellingen, maar hij gedroeg zich redelijk normaal. Op die manier wist hij zich te onttrekken aan de verplichte opnames waarvoor hij altijd zo bang was geweest. In een volgend stadium pakte Nash naar eigen zeggen het denken zelf aan. De op hol geslagen ratio werd als het ware tot stilstand gebracht. “Toen begon ik geleidelijk op intellectuele kracht sommige van mijn door waanvoorstellingen geïnspireerde denkwijzen te verwerpen die tot dan toe karakteristiek voor mijn oriëntatie waren”, zo schrijft Nash. Veel van deze denkwijzen waren volgens Nash politiek van aard. Daarom moesten de politiekgeoriënteerde gedachtes het eerst vaarwel worden gezegd, omdat deze in de woorden van Nash ‘in essentie een hopeloze verspilling van intellectuele vermogens zijn’.

De eerder aangehaalde woorden van Crowe klinken mooi, heel mooi. Een echte held. Het is nochtans de vraag of het zo gegaan is. Het niet innemen van zijn medicijnen had ook een andere reden. Zo besloot Nash eind jaren ’60 te stoppen met zijn pillen. Niet omdat hij ervan overtuigd was dat hij op deze manier weer beter zou worden. Nee, omdat hij verslaafd was aan de stemmen in zijn hoofd. Als hij zijn medicijnen gebruikte, hoorde hij de stemmen niet meer. Dan maar liever strontziek.

Het lijkt er meer op dat het ‘definitieve’ herstel eind jaren ’80, begin jaren ‘90 bij toeval kwam. In een interview met The Daily Princeton zegt Nash dat hij zich als een asceet gedroeg, in de hoop dat hij dan even weinig zou lijden als een monnik, klaar voor onthechting en verzaking. Misschien is het feit dat je leven wordt verfilmd wel een milde vorm van onthechting. In ieder geval kwam het herstel er. In 2001 zegt Nash er overtuigd van te zijn dat hij niet meer zal terugkeren naar zijn oude staat van paranoïde schizofrenie. Hij brengt zijn tijd onder meer door met het werken aan wiskundige problemen (uiteraard: speltheorie) en het staren naar screensavers in het donker.

Bijzonder interessant is dat Nash zelf niet onverdeeld positief over zijn miraculeuze herstel is. “Tegenwoordig lijkt het erop dat ik weer rationeel denk in de stijl die karakteristiek is voor wetenschappers. Dit is echter niet alleen een kwestie van vreugde zoals bij iemand die terugkeert van fysieke problemen naar lichamelijke gezondheid. Een van de aspecten hiervan is dat rationaliteit grenzen stelt aan de relatie van iemand met de kosmos”, zo schrijft Nash in 1994. Nash geeft als voorbeeld Zarathustra. Nuchter gezien is Zarathustra volgens Nash een idioot die miljoenen volgers zover heeft gekregen dat ze rare rituele dingen gingen doen zoals het aanbidden van vuur. “Maar zonder zijn ‘gekte’ zou Zarathustra zonder twijfel een van de miljoenen of miljarden individuen zijn geweest die hun leven hebben geleefd en daarna vergeten zijn vergeten.” Het behoeft geen betoog dat dat voor Nash een weinig aantrekkelijk beeld is.

Ook in eerder periodes geeft Nash er blijk van dat hij het ‘normale’ denken ziet als een gedwongen terugkeer naar een eenvoudiger denkniveau. Een voorbeeld is de periode 1961-1963 waarin Nash tijdelijk in staat is weer wiskundige arbeid te verrichten, zonder te vervallen in zijn explosieve cocktail van getallentovenarij en politieke achtervolgingswaan. Het betekent echter ook dat zijn periodes van geëxalteerde manie, afgewisseld met diepe angsten, moeten plaatsmaken voor een nogal matte en duffe geestestoestand.

Deze periode zou niet lang duren. Al snel begint Nash zich weer agressief en energiek te gedragen, waarna de rare ansichtkaarten met getallensymboliek weer de wereld rondvliegen, samen met lange brieven met Joyce-achtige monologen vol droombeelden en de logica van een nachtmerrie. Hierin husselt Nash politiek, kabbala, wiskunde en godsdienst op een prachtige wijze door elkaar. Nash schept in deze periodes zijn eigen wetten. Hij is van zijn knellende banden bevrijd als een gevangene die een tijdje alleen tussen de bloemen mag wandelen. Volgens biografe Nasar haalde Nash ‘de prettige aspecten van deze bedrieglijke toestand’ later vaak aan, alhoewel de bewuste dromen vaak ook zeer onaangenaam waren.

Onaangenaam en schitterend tegelijk, ongeveer vergelijkbaar met wat de 18e eeuwse filosofen ‘het verhevene’ noemden. Hoeveel waarheid kan een mens verdragen? “Niet van de twijfel, maar van de zekerheid wordt een mens krankzinnig…”, om met de zo goed als krankzinnige Nietzsche (een van de grote helden van Nash) te spreken in Ecce Homo. Nash kende bijzonder weinig twijfel en wist veel zeker: dat hij een genie was bijvoorbeeld.

Een wetenschappelijk bewijs voor het verband tussen genialiteit en gekte is nog nooit gegeven, gevallen als Nash zorgen er in navolging van de klassieke Faust-mythe voor dat de neiging bestaat een dergelijke samenhang wel te zien. Ten onrechte of niet, als een echt genie naar voren stapt, kan je deze herkennen aan.g het feit dat alle idioten tegen hem samenzweren (vrij naar Jonathan Swift).

Nash is overigens bepaald niet de enige grote wiskundige die op zeker moment een klap van de molen heeft gehad. Andere voorbeelden zijn de Italiaan Ennio De Giorgi (die het bestaan van God wiskundig probeerde te bewijzen), Paul Erdös en Kurt Gödel. Ook onder schakers schijnen relatief vaak tragische gevallen voor te komen van briljante geesten die oververhit raken. Het bekendste voorbeeld hierbij is natuurlijk de paranoïde Bobby Fischer.

George Michael en Bach

Het is moeilijk te achterhalen waarom Nash op zijn 30e is ingestort. Bij de meeste mensen die aan paranoïde schizofrenie lijden, openbaren de symptomen zich al eerder. Biografe Nasar geeft in ‘Een Schitterend Brein’ een groot aantal factoren aan die van belang zouden zijn voor de ziekte van Nash: zijn vreemde, exotische manier van denken, angst voor dienstplicht, Joseph McCarthy, de dood van zijn vader, het feit dat zijn moeder relaties zou aangaan met andere mannen, het mislopen van een belangrijke wiskundeprijs of zijn arrestatie nadat hij zich in een George Michael-achtige scene op een openbaar toilet met de broek op de enkels heeft laten betrappen. Alleen het eerste punt (de manier waarop Nash dacht) is in dit kader van belang omdat zijn aanleg voor schizofrenie en zijn exotische, intuïtieve manier van denken in een eerder stadium waarschijnlijk gezien kunnen worden als twee kanten van dezelfde medaille. Sinds Schopenhauer weten we dat krankzinnigen en genieën in ieder geval één ding gemeen hebben: dat ze in een andere wereld verkeren dan de meerderheid van de mensheid, de ‘normalen’.

De rest is triviaal. We laten zijn homo- of biseksualiteit voor wat ze is en proberen een klein lichtje op de bizarre geest van Nash te laten schijnen.

In zijn studententijd is er nog niet zoveel aan de hand. De altijd Bach (Kunst der Fuge) fluitende Nash is weliswaar excentrieker en wereldvreemder dan zijn medestudenten, maar er is nog geen sprake van paranoia. De jonge student is – zelfs tussen andere wiskundigen - een buitenbeentje, zeer intelligent maar sociaal onaangepast en onhandig. En wat erger is: de mensen in zijn directe omgeving ruiken dat hij anders is. Ze vinden hem eng en vreemd. Het gevolg is dat hij wordt getreiterd. Later neemt dat af, omdat dan het respect voor zijn brille de overhand krijgt.

Wat betreft uiterlijke factoren is het eerste wat van belang is de verbondenheid van Nash begin jaren ’50 aan het RAND-instituut, een geheimzinnige koude oorlog-denktank. Nash mocht hier zijn inzichten in de speltheorie loslaten op politieke situaties. De sfeer op het instituut gedurende deze jaren kunnen het best getypeerd worden via kernwoorden als Russen, communisten, wapenwedloop, atoombommen en… paranoia. “Op een zuiver persoonlijk niveau werd Nash’ beeld van zichzelf en de wereld permanent en subtiel gekleurd door de RAND-tijdgeest – de aanbidding van het rationele leven en de kwantificatie, de geopolitieke obsessie en de vreemde, onweerstaanbare combinatie van superieure afstandelijkheid, paranoia en megalomanie”, zo schrijft Nasar.

Het is ook de tijd van senator Joseph McCarthy die dan net is gestart met zijn anti-communistische campagne. Niet alleen op het RAND-instituut, ook op de wiskundevakgroep van het MIT (Massachusetts Institute of Technology) heerst begin jaren ’50 een sfeer van achterdocht, agressie, onverdraagzaamheid en intimidatie. Opgezweept door een steeds paranoïdere McCarthy, die overal rode samenzweringen en subversieve krachten vermoedt, wordt het MIT steeds vaker lastiggevallen door FBI-agenten. Deze aarzelen niet prullenbakken te besnuffelen en iedereen te ondervragen. Op McCarthy’s beruchte lijst stonden veel academici, onder wie enkele naaste collega’s van Nash.

In het kielzog van dit alles begint Nash een absurde angst te ontwikkelen voor zijn dienstplicht in het kader van de Korea-oorlog. Zijn (ongegronde) angst voor een oproep zou uiteindelijk leiden tot waanideeën en vormde de motivatie van Nash’ latere pogingen om later van zijn Amerikaanse staatsburgerschap af te komen, zo weet Nasar zeker.

Hoe het ook zij, Nash gaat zich op het MIT steeds excentrieker gedragen, al dan niet aangeleerd. Iedereen begint respect voor hem te krijgen en Nash bemerkt dat als hij zich vreemd en onaangepast gedraagt, dit wordt gezien als een extra bewijs voor zijn genialiteit. De zelf opgetrokken muur van afstandelijkheid vertoont ondertussen geen barst. Emoties lijkt Nash niet te kennen.

Dat brengt ons op het meest interessante aspect van de geestesziekte van Nash: dat van de doorgedraaide rationaliteit. In zijn jonge jaren staat John Nash bekend als ‘dwangmatig rationeel’. Hij heeft een niet te ondermijnen geloof in de kracht van het discursieve denken. Dat gaat ver bij hem. Geobsedeerd als hij is door het zuivere denken, lijkt Nash er alles voor over te hebben om het ideaal van de ‘denkende machine’ te bereiken. Ook geestverruimende middelen zouden daarbij kunnen helpen, zo vermoedt hij. Onduidelijk is het overigens of Nash daadwerkelijk heeft geëxperimenteerd met de inname van psychedelica als LSD of opium die de sluizen van zijn brein hebben geopend. Wellicht geïnspireerd door het lezen van grote bergen science fiction laat het idee van het buitenaards ras bestaande uit hyperrationele wezens zonder emoties hem in ieder geval moeilijk los. Hij lijkt er alles aan gedaan te hebben om dit ideaal te bereiken.

Waar normale mensen hun geneigdheid tot waanzin volop in hun dromen botvieren, doet Nash dat in het openbaar.

Het punt is dat zijn ver doorgevoerde rationaliteit tussen zijn 25e en 30e levensjaar als het ware begint te vervormen en uiteindelijk tegen hem zal werken. De veranderingen zijn subtiel. In eerste instantie is er niets aan de hand, integendeel. De geest van Nash maakt eind jaren ’50 overuren. Hij is in topvorm, alles lijkt zin te hebben… er is een directe lijn met de muzen, Nash zit bij God op schoot. Zowel geest als omgeving zijn, zou je kunnen zeggen, geïntensiveerd. Slapen doet hij nauwelijks en hij verkeert in een permanente vorm van waakzaamheid en creativiteit. Hij schrijft enkele van zijn beste artikelen op het gebied van de speltheorie.

Kwaadaardige inversie

Maar dan gebeurt het onvermijdelijke. De rationaliteit begint een karikatuur van zichzelf te worden. Een kwaadaardige inversie. In een volledig rationeel wereldbeeld heeft alles een betekenis. Nash begint dat – ongewild – tot in het extreme door te voeren, iets wat kenmerkend is voor veel schizofrenie-patiënten. Als in een LSD-trip lijkt iedere gebeurtenis het verhaal te vertellen van iets veel groters dat op het punt staat onthuld te worden. Alles houdt met alles verband. Nash wordt zo mogelijk nog afstandelijker, nog koeler. Schizofrenie wordt niet voor niets ook wel een ziekte van het redeneren genoemd: er is sprake van een intensivering van het denken, ten koste van de emoties. Het brein heeft de objectieve buitenwereld niet meer nodig om op volle toeren te draaien. Het voedt als het ware zichzelf. Nash is daar het perfecte voorbeeld van. Met tussenpozen doet zijn verhitte brein decennialang verwoede en heroïsche pogingen om voor al het onverklaarbare een verklaring te vinden. Er is nog altijd sprake van een zekere logica, alleen is deze strikt persoonlijk van aard.

Deze verhoogde creativiteit gevolgd door een ‘doorgedraaide rationaliteit’ zijn niet de enige waarneembare aspecten van Nash’s paranoïde schizofrenie. Onder de term paranoia valt een groot aantal verschijnselen. Tot de mildere vorm behoort bijvoorbeeld het gevoel constant benadeeld te worden. Extremere lijders aan paranoia weten het verschil tussen fantasie en werkelijkheid niet meer. Nash lijkt zo’n beetje elk stadium te hebben doorlopen. Verder moet uiteraard ook een fenomeen als achtervolgingswaan genoemd worden.

Vooral aan het begin van het ziekte had Nash het gevoel dat hij benadeeld werd, later speelde dit element helemaal geen rol meer in de geheel eigen metafysica van Nash. Hij was in de jaren 60 eenvoudig te ver heen om nog het gevoel van het benadeeld zijn te kunnen hebben. Dat is ook moeilijk als je je bijzonder sterkt identificeert met Christus of Nietzsches Übermensch. Maar we lopen op de zaken vooruit. Rond zijn dertigste levensjaar ziet alles er objectief gezien goed uit voor Nash. Hij staat bekend als een van de grootste wiskundige talenten van zijn generatie en hij wordt door zowel collega-wiskundigen als de buitenwereld gewaardeerd.

In de zomer van 1958 – Nash’s roem bevond zich op een voorlopig hoogtepunt - zou de Fields Medal worden uitgereikt, de belangrijkste prijs voor een wiskundige. Nash had zwaar ingezet op deze prijs. Hij was de enige kandidaat, vond hij zelf. De jury besloot echter de prijs toe te kennen aan een andere wiskundige. Wat onder meer meespeelde was dat Nash enkele van zijn belangrijkste ideeën nog niet had gepubliceerd. Niemand wist op dat moment nog dat er bij een volgende gelegenheid – in 1962 – helemaal geen sprake meer was dat Nash de Fields Medal zou kunnen winnen. Eind 1958 zou Nash namelijk instorten. Het mislopen van de prestigieuze prijs kan als symptomatisch worden gezien voor het constante gevoel van Nash dat hij benadeeld werd. Was het niet door naaste collega’s, superieuren en jury’s, dan wel door abstracte machten.

Een ander belangrijk punt dat in ieder geval chronologisch gezien direct voorafgaat aan de invallende duisternis over Nash’s geest is zijn megalomanie. Deze hangt uiteraard sterk samen met de al eerder beschreven uitbarsting van koortsachtige creativiteit en rationaliteit. Nash nam geen genoegen meer met het oplossen van zomaar wiskundige problemen. Nee, het moesten problemen zijn waar iedereen zich al het hoofd over had gebroken. Voordat Nash zich ergens aan waagde, informeerde hij altijd bij collega’s of het probleem wel hoog genoeg stond aangeschreven.

Geregeld ondernam Nash zelfs uitstapjes buiten zijn eigen terrein, met name de natuurkunde. In de jaren ’90 zou Nash zelf toegeven dat zijn pogingen om bijvoorbeeld de kwantumtheorie te herzien van hybris getuigden en – achteraf bezien – nogal absurd waren voor een niet-natuurkundige. Aan het begin van zijn studententijd nodigde Nash zichzelf bij Albert Einstein uit omdat hij vond dat hij een briljant idee had waarnaar Einstein moest luisteren. Relativiteitstheorie, kwantummechanica, niets was Nash blijkbaar teveel in zijn dwangmatige ambitie alleen de steilste bergen te bedwingen om vervolgens gelijk Nietzsches Zarathustra van top naar top te springen. Deze zelfde blinde ambitie heeft echter volgens kenners – en ook volgens Nash zelf – zijn ondergang bespoedigd en hem langdurig in een diep dal gehouden.

Het laatste aspect dat vaak voorkomt bij paranoïde schizofrenie dat we willen noemen is het inbeelden dat je iemand of iets anders bent. Bij Nash geeft ook dit kenmerk veel te genieten voor de buitenstaander die het moet doen met normale denkpatronen. Enkele inbeeldingen kwamen hierboven al aan de orde: paus Johannes de 23e, Zarathustra, Christus of Keizer van Antartica. Duidelijk is dat de ingebeelde personen – met uitzondering wellicht van de niet bestaande Keizer van Antartica - niet de kleinsten zijn. Megalomanie is – zeker bij Nash – nooit ver weg. Hij aarzelt bijvoorbeeld niet om zichzelf als de Linkervoet van God te zijn. Hij was voorbestemd voor iets groots. Waar hij in eerste instantie nog genoegen nam met het idee de beste wiskundige van zijn tijd te zijn, was dat later overduidelijk niet meer voldoende. Nash was bezig met de mondiale politiek, het formeren van wereldregeringen en het in zijn eentje uitvechten van godsdiensttwisten.

Eind jaren ’60 was Nash wat dit betreft het verst heen. Nash woont ergens diep in de provincie en wandelt dagelijks een paar blokjes om. In zijn hoofd bereist hij echter alle uithoeken van de wereld. “In deze verre oorden woonde hij in vluchtelingenkampen, buitenlandse ambassades, gevangenissen en schuilkelders. Andere keren dacht hij in een inferno te leven, in een vagevuur of sterk vervuilde hemel (‘een vervallen huis van ontbinding dat wordt geteisterd door ratten, termieten en ander ongedierte’)”, zo weet biografe Nasar. Nash heeft het zwaar te pakken en blijft stapels brieven schrijven, waarbij – naast politiek, theologie en astronomie - het gegoochel met getallen nooit ver weg is. In deze brieven blijkt Nash zich telkens een andere identiteit aan te nemen. De ene keer is hij een Palestijnse vluchteling of een Japanse shogun, dan weer identificeert hij zichzelf met Ezau, Job of zelfs een muis. De meest radicale identificatie is die van een go-bord.

“Zwart 1 vernietigt wits tweede oog. Als wit met 2 blokkeert, speelt zwart 3 en als wit dan twee stenen verovert, offert hij opnieuw een steen op 3 om het oog vals te maken.” (uit ‘Go’ van Kaoru Iwamoto)

De witten stenen konden bijvoorbeeld de aanhangers van Confucius representeren, terwijl de zwarte voor die van Mohammed stonden. Tegelijkertijd werd er op een ander niveau – zo geloofde Nash – een ideologische strijd tussen Nash zelf en alle joden gestreden. Nash had overigens sowieso als ingebeeld lid van de PLO een obsessie voor het joodse gevaar en de macht van de Israëlische staat.

Nash weet in deze hoedanigheden alles met alles te verbinden: Saturnus met Ezau en Adam; de tweede maan van Saturnus met Jacob en de vijand van Boeddha, Iblis. Gaf de gedachte de Keizer van Antartica te zijn of de voet van God in eerste instantie nog een gelukzalig gevoel, later werden zijn innerlijke reizen gedomineerd door angst, hel en verdoemenis. Alsof hij Dante even dunnetjes wilde overdoen. Volgens Nasar verkeerde hij voortdurend in het gezelschap van samoerai, duivels, profeten, nazi’s, priesters en rechters terwijl hij werd bedreigd door bijvoorbeeld Napoleon, Satan of Iblis. De ultieme angst was voor hem het geregeld opduikende idee dat hij gekruisigd zou worden.

Alhoewel Nash om sommige momenten blijk geeft van een verbijsterend lucide inzicht in zijn eigen situatie, aarzelt hij op andere momenten niet om openlijk hulp te zoeken bij regeringsleiders, burgerrechtenorganisaties, kerken of machtige politieke figuren. Niet om hulp voor zijn ziekte, maar om hem te beschermen tegen zijn achtervolgers. Nash moet zo’n beetje een dagtaak hebben gehad aan het schrijven van brieven waarin zijn bizarre wereldbeeld naar voren komt. Ook wilde Nash bij de joden, Arabieren en de wiskundigen een officiële petitie indienen zodat zij in de gelegenheid zouden komen hun fouten te herstellen. Uiteraard mocht niet al te openlijk gebeuren, vond Nash.

Ondertussen verkeerde Nash ook nog eens in de – dit keer wel reële – angst dat hij verplicht zou worden opgesloten in de een of andere kliniek. Inderdaad gebeurde dat diverse keren. De behandelingen hadden meestal maar kortstondig effect. In de periodes dat hij min of meer normaal functioneerde en weer voorzichtig wiskundig werk deed, kon zijn geestestoestand aangemerkt worden als rustig, op het saaie af zelfs. De invloed van de anti-psychotica kan hierbij overigens moeilijk overschat worden.

Hierna kwam er steevast een terugval, waarbij het patroon iedere keer hetzelfde is. In eerste instantie gooide Nash zijn saaie jasje af en kreeg hyperactieve, onstuimige buiten, omzoomd door weinig slaap. Ook laaide zijn creativiteit weer op waardoor de bijzondere invallen ook weer kwamen. Helaas voor Nash kon hij geen evenwicht bewaren en sloeg de logica in zijn geest weer op hol. Dan kwamen de onvermijdelijke angsten en demonen weer om de hoek kijken en bracht Nash zijn tijd ledig met bijvoorbeeld het grondig bestuderen van telefoonboeken.

Dat het allemaal in laatste instantie toch nog goed kwam, mag een klein wonder heten. Slechts tien tot twintig procent van alle schizofreniepatiënten geneest namelijk. Nash kan uiteindelijk beter worden vergeleken met Orfeus dan met Ikarus. De grote wiskundige met de zo labiele geest daalde, aangevoerd door het verziekte politieke klimaat van zijn tijd en de in ieder geval voor hem ongezond competitieve sfeer van het wetenschappelijke milieu, af in de onderwereld. Dertig jaar lang. Hij vond daar niet zijn geliefde. Integendeel, in deze jaren raakte hij totaal verwijderd van zijn echtgenote Alicia, evenals van zijn collega’s. Echte vrienden heeft hij eigenlijk nooit gehad.

Wat hij wel vond was een bizarre wereld van historische figuren en getallenmystiek, bijeengehouden door een geheel eigen logica. Een ware creatieve eruptie van het menselijk brein. Het is voor Nash tragisch dat hij daar te weinig van heeft kunnen profiteren. Misschien had hij beter fictie kunnen schrijven, waar een geperverteerde logica nog wel een plek kan hebben. Maar ach, een Nobelprijs is natuurlijk ook niet gek, al is deze uitgekeerd op basis van Nash’ prestaties in het verre verleden.

Zoals Orfeus zijn grote geliefde Euridice moest achterlaten, heeft Nash dat met zijn creativiteit moeten doen. Geen stemmen meer in ruil voor een normaal bestaan temidden van bewonderaars en screensavers in het donker.