eerste vorige volgende

Ze gaf mij een teken om naderbij te komen (1).

We leven ons leven van alle dag met vreugde, verdriet en vooral de gewone alledaagse dingen. In dat leven van alle dag kan het ons gebeuren dat we het gevoel krijgen dat iets of iemand ons roept. Roept om naderbij te komen.

Vaak vinden we het moeilijk om onder woorden te brengen. De een zegt: “het trekt”, een ander: “ik weet dat er meer is”.

Het is fijn om uitgenodigd te worden. Je weet dan dat je welkom bent.

Op een dag besluit je dan naar Lourdes te gaan, of naar een andere heilige plaats. Maria geeft een teken om naderbij te komen. En ieder van ons ervaart dat teken op geheel eigen wijze. Toch weten we van elkaar: we zijn allemaal geroepen om te komen, en allemaal hebben we aan deze roep gehoor gegeven.

Hoe meer wijwater ik sprenkelde hoe meer ze glimlachte (2).

Naar Maria gaan lijkt veel op het gaan naar iemand naar wie je brieven hebt geschreven maar die je nog nooit in levende lijve hebt ontmoet. Aan de ene kant vertrouwd en bekend, en toch ook vreemd.

Na enkele dagen van reizen ben je dan aangekomen. Een beetje onwennig nog. Je weet niet goed wat je moet zeggen. Soms is bidden thuis veel makkelijker dan bidden in Lourdes.

Je sprenkelt wijwater zonder het te weten. Je bent gekomen met de beste bedoelingen en vol goede intenties. Maria weet als geen ander dat niemand van ons volmaakt is en dat we allemaal op onze tijd onbeholpen zijn.

Toch ziet zij onze goede intenties die als gewijd water uitstromen over de aarde. En Maria glimlacht want zij is blij met onze komst. Blij dat we samen met anderen naar Haar gekomen zijn. Naar Haar en naar haar Zoon.

Wilt u zo goed zijn naar hier te komen? (3)

Na een paar uur, een dag, of misschien pas na een paar dagen ga we opnieuw iets horen. Niet met onze oren maar met ons hart.

Maria vraagt ons om nog dichterbij te komen. Het is alsof je bij die oude vriend in de voordeur blijft staan, en die vriend of vriendin zegt: “blijf daar toch niet staan, kom toch binnen”.

We zijn misschien al naar de Mis geweest, hebben langs en in de grot gelopen, een kaars opgestoken, gebeden, langs de rivier gelopen of naar de mensen gekeken. Maar nu, nu vraagt Maria ons om dichterbij te komen. Of wij zo goed willen zijn. Dat is niet makkelijk. Door al je onrust heen stil worden en laten gebeuren. Door al je gedachten, gevoelens en verlangens heen iets te voelen van een roep, een stilte die daar nog voorbij ligt.

Ik was zielsgelukkig. (4)

Wie zo dicht bij Maria is gekomen kan niet anders dan zielsgelukkig zijn.

Het is alsof je gewonde ziel gebalsemd is door de glimlach van Maria.

Maria is de moeder van Jezus. Zo weten we dat uit het Evangelie.

Maar we weten dat zij ook nu met ons begaan is en voor ons bidt.

Het voor ons, mensen van de 21ste eeuw, niet altijd eenvoudig om devoot te zijn en te worden. Bernadette was zo dicht bij Maria dat zij zielsgelukkig was in de aanblik van Haar glimlach.

Iets van dit geluk kunnen we proberen te ervaren wanneer we bidden:

"Wees gegroet Maria,

Vol van genade..."

Genade is niet iets wat we zelf kunnen pakken of verdienen. Het overkomt je, ongevraagd en onverwacht. Toen ik in september 2004 naar Lourdes en La Salette ging had ik niet verwacht dat deze reis mij genade zou schenken.

Ook al ben je 51 jaar en een volwassen mens, dan nog hoef je niet alles alleen te doen, mag je niet alles alleen willen doen. Er is iets waar ik niet zelf bij kan. Dan kun je zielsgelukkig zijn als Maria je ziel opnieuw een gezonde bedding geeft. Genade, een mooi woord om in je hart te overwegen.

Ze keek mij aan zoals de ene mens naar de andere kijkt. (5)

Er zijn vele manieren om naar een mens te kijken. In het gewone leven zien we de ander nog vaak als vader, moeder, zoon, dochter, man, vrouw, vriend, vijand en veel minder vaak als eenmalig en uniek mens.

Bernadette bedoelt hier een speciale manier van kijken. Zo naar de ander kijken dat deze andere mens zich helemaal gezien en aanvaard weet.

Zó keek Maria naar Bernadette. Wie zo wordt gezien ervaart dit als een grondkracht in de ziel.

Bernadette werd gezien door Maria en voelde de genadestroom van het gezien worden tot in het diepst van haar ziel.

Soms, als je alleen bent en er komt een mens die je echt aankijkt dan kun je ervaren: “Ik kom thuis in het gelaat van de ander”.

De grot was mijn hemel. (6)

Je kunt verre reizen maken en je toch nergens thuis voelen. Je zoekt naar thuis maar vindt het niet.

Jezus zegt: “Het koninkrijk der hemelen is niet boven of beneden, het is binnen uw bereik”. Met andere woorden: als we de hemel niet in ons bereik, in onze eigen ziel vinden, dan zullen we hem nooit vinden.

Niet ver van huis, in de grot die in de rots van Massabielle is uitgehold, vondt Bernadette haar hemel. Hier werd zij gezien en wist dat hier alles was wat zij ooit nodig zou hebben.

Niet langer voelde zij de benauwde ruimte van het cachot of het ijskoude water van de Gave.

Hier met haar kaars in de hand en zo dicht bij Maria was de grot voor Bernadette de hemel geworden. De plaats waar een mens heel is en heel wordt gemaakt.

Of zoals Johannes van het Kruis zingt:

De wind, die zachtjes ademt,
Het zingen van de zoete nachtegalen,
Het woud in al zijn tover
Van nachtelijke vrede,
Daarbij die vlam, die wel brandt, maar geen pijn doet.

Het is goed hier te zijn (Lc 9,33). (7)

Te vaak hebben wij nog allerlei “nuttige” redenen nodig om ergens heen te gaan. Als we dan op die plaats aankomen gaan we vergelijken met andere plaatsen of vergelijken met onze verwachtingen. Dat valt vaak tegen.

We kunnen ook elk moment van de dag en op elke plek waar we zijn proberen om er “echt te zijn”.

Uiterlijk gezien deed Bernadette niet veel. Maar wat voor de wereld soms weinig lijkt, is voor God oneindig veel. Een onbevangen hart dat kan ontvangen wat uit een oneindige goedheid wordt geschonken.

Voor Bernadette was het goed daar, op die plek te zijn. Geen ingewikkelde vragen over hoe en waarom. Geknield en in overgave er zijn.

Het is goed om in overgave te knielen. Niet om daar iets mee te bereiken, maar om in dit knielen mens te zijn.

Is het niet teveel gevraagd de grond te kussen voor de zondaars? (8)

De mens van deze tijd is mondiger geworden. Dat is op zich een goede ontwikkeling. Het gevaar dreigt wel dat we te veel op ons zelf gericht raken en de ander vergeten.

Bernadette moest niet, zij werd gevraagd. Gevraagd om de grond te kussen voor de zondaars. En zijn wij niet allemaal op een bepaald moment afgezonderd van God en van onze medemens? Want een zondaar is iemand die is afgezonderd. Soms misschien uit onmacht.

Wie kan leven zonder de grond onder onze voeten. Misschien willen we liever ergens anders zijn, hebben we een hekel aan onze plek.

Wanneer Bernadette de grond kust omwille van de zondaars, doet zij ons voor: verbindt je opnieuw met de plaats en de grond die God jou heeft geschonken. Verzoen je met je omgeving.

Maria vraagt ons, via Bernadette, opnieuw vertrouwen te krijgen in de verbondenheid van alle mensen.

Wanneer ik iets doe met de intentie dat dit ten goede komt aan alle mensen, dan zal dit ook gebeuren. Misschien niet direkt en ook niet op een door mij verwachtte wijze. Maar mijn intenties zullen werkzaam zijn voor de mensheid.

Is het niet teveel gevraagd van het gras te eten voor de zondaars? (9)

Waarom zou Maria toch aan Bernadette hebben gevraagd om gras te eten. En nog wel voor de zondaars.

Het gras is het leven dat groeit uit de aarde. Leven op aarde, leven op de grond betekent ook: je portie dagelijks brood eten en verteren. Soms is dat brood droog en hard, moeilijk om te verteren.

"Geef ons heden ons dagelijks brood", zo bidden wij.

Niet elke gebeurtenis is even welkom. Soms denk je: waarom moet mij dit overkomen.

Bernadette bleef onbevangen en deed wat haar werd gevraagd. In vertrouwen dat dit goed was.

Soms is een droge harde korst precies wat je nodig hebt. Iets wat bitter smaakt, waardoor je wakker wordt.

In het eten van het gras beseffen we dat verbinding maken een keus is die je elke dag opnieuw moet maken.

Je kunt het gevoel hebben dat je geleeft wordt of dat het leven een sleur is. Als je dan de stem van Maria hoort: "Wil jij van het gras eten opdat de mensen weer verbonden worden" en gehoor geeft aan deze stem dan kun je ook zelf weer heel worden.

Ga naar de bron, drink ervan en wast u zich. (10)

Bernadette zag helemaal geen bron, tot haar blik bleef rusten op een vochtige plek achter in de grot.

Met haar handen begint zij te graven en het water begint zachtjes te wellen.

Dan kan zij ervan drinken en zich er mee wassen.

Het water smaakt bitter en het wassen gaat ook niet heel goed.

Als wij geloven in de bron dan kunnen we een begin maken. Maria nodigde Bernadette uit om een begin te maken. Daarna ging het water als vanzelf stromen.

Ook in ons is die bron aanwezig.

In het diepst van elke ziel is Christus te vinden als de bron van alle leven.

We kunnen in vertrouwen, net als Bernadette, op zoek gaan naar die bron.

Of zoals Johannes van het Kruis zingt in zijn Geestelijk Hooglied:

In d’innerlijkste kelder
Dronk ik van mijn beminde, en bij ’t heengaan,
Door gans die wijde vlakte,
Wist ik van alles niets meer
En liet mijn kudden lopen, die ‘k eerst hoedde.

Leidt ons naar de bron van dit water. (11)

In de Openbaring van Johannes (22.1-17) lezen we:

“Hij liet me een rivier zien met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het Lam.”

Toen je naar de bron ging en van deze bron hebt gedronken en je in de bron hebt gewassen, toen heb je mogen ervaren dat het water een bron had.

Je vraagt aan Maria: leidt ons naar de bron van dit water. Zij kent als geen ander de weg naar haar Zoon.

Onophoudend stromend uit de wonden van het Lam. (12)

Je nadert de bron en weet wat er nodig is geweest opdat de bron weer kon gaan stromen. Christus is voor ons gekruisigd, gestorven en begraven. Is opgestaan, is rondgegaan over de aarde en heeft woning genomen in de  diepte van onze ziel.

Ga zeggen aan de priesters hier een kapel te bouwen. (13)

We hoeven onze ervaringen niet weg te stoppen. Een kapel is een zichtbaar teken van toewijding. Een plek om naar toe te gaan.

Je mag deze ervaring niet zomaar voorbij laten gaan. Bouw in je ziel een kapel, een beschutte ruimte waar de ervaring behouden blijft.

...en dat men er in processie naar toe kome. (14)

Deel je ervaring met anderen. Beschut de ervaring maar deel hiervan met anderen. Maria vraagt ons om samen toe te komen. We zijn allemaal heel verschillend maar tegelijk ook allemaal kinderen van de ene vader. In het samen toekomen wordt iets van de afzondering opgeheven.

Bernadette, jij zult de hele wereld in beweging brengen. (15)

Denk niet dat jouw ervaring er niet toe doet. Beschut de bron die in jou welt, maar laat ook anderen ervan drinken. Dan kan er beweging komen en kan ook de ander geroepen worden.

Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis. (16)

Niet te bevatten voor het verstand, wel te weten voor het hart.

Soms belachelijk gemaakt, dan weer met vuur verdedigd.

Als we kunnen blijven geloven in de onschuld en de zuiverheid, soms tegen alle schijn in, dan blijft er hoop op communie.

In het licht van de verrijzenis. (17)

Wanneer Maria ons uitnodigt is dat niet omwille van haar zelf, maar om ons te helpen dichter bij haar Zoon te komen.

Op de ochtend van Pasen zag die andere Maria als eerste de opgestane Christus.

Maria, de moeder God’s, staat in het licht van de verrijzenis. Zij help ons dichterbij dit mysterie van de verrijzenis te komen.

Hoevelen van ons gaan niet gebukt onder de eisen van onze tijd. Hoevelen zijn niet vermoeid tot in het diepst van hun ziel.

Het is heerlijk om te mogen ervaren dat Maria voor ons altijd aanspreekbaar en bereikbaar blijft. Dat kan in een gebed maar zeker ook wanneer we rust vinden in het zien van de natuur, kunst of van een kind dat speelt in het zand.

Over de afsluiting heen: “Ze was mooier dan ooit tevoren.” (18)

De weg naar de grot was versperd. Bernadette kon de grot enkel over de afsluiting heen zien. Maria wist van de intenties van Bernadette, zoals zij ook onze intenties kent. Ook al zijn we op sommige dagen niet in staat om tot bij de “grot” te gaan, dan nog steekt zij haar hand naar ons uit.

En is dat waarop we niet meer hebben gerekend, maar ons toch ten deel valt niet vaak het mooist?

Bij het afscheid zien we vaak pas hoe mooi de ander is. Zo kon ook Bernadette van die laatste maal zeggen:

“Ze was mooier dan ooit tevoren”.