AUTOTOUR DOOR DE BERGPASSEN VAN KYRGYZSTAN.
In de zomer van 2002 kregen we de gelegenheid om een kleine autotour te maken door enkele gebieden in Kyrgyzstan. Bij de keuze
voor de route moesten we onszelf beperken. We moesten uitgaan van de bescheiden
mogelijkheden van onze oude Lada: de wegen in Kirgizie zijn, op z’n zachtst gezegd, niet berekend op personenvervoer. Dit geldt
vooral voor de dunbevolkte berggebieden.
Allereerst moet ik wat kwijt over ons vervoermiddel, omdat ons oudje bijzondere aandacht verdient.
In haar zware leven kreeg zij drie voorhoofdstoten te verduren en twee niet geplande reparaties aan haar
arme motor. Nog
afgezien daarvan ondervond
zij allerlei kleine onplezierigheden als gemene klappen op de rug, dronken aanvaringen op kruispunten, ontelbare botbreuken en
chronische ‘Zhiguli1-ziekten’.
De auto moest een grondige beurt krijgen en voorzien worden van alle mogelijke
reserve-onderdelen die onderweg van pas zouden kunnen komen. De achterbak en het imperiaal stouwden we vol met
jerricans, reservebanden, slaapzakken en matjes. In de salon stampten we warme kleren en dekens, foto-
en video-apparatuur en allerlei traktaties voor de plaatselijke
bevolking.
Zodra we onszelf bij de bagage geperst hadden,
leek het alsof we met ons Zesje waren ontsnapt
uit een rampgebied en op het laatste moment al onze have
en goed in de auto hadden gepropt. We waren met z’n vieren:
Tsjoro (dat ben ik) - stuurman, chauffeur (tevens monteur) en fotocorrespondent
Kirsten - cameravrouw en sponsor van onze expeditie
Erdzjan - chef kok en hoofd huishouding
Askar - boordmecanicien en assistent-cameraman
EERSTE DEEL: ACHTER TERSKEJ.
Het begin.
De reis van Bishkek naar Rybache aan de oostkant van het Issyk-Kul meer ging vrij vlot. Eigenlijk is die stad allang hernoemd en heet ze
nu Balykchy. Maar wij noemen haar zoals we van vroeger gewend zijn Rybache. De geografische ligging van de stad is zodanig, dat ze als
het ware een poortfunctie heeft voor de hele provincie Issyk-Kul. En niet alleen iedereen die naar het Meer reist, maar ook de reiziger
naar de provincie Naryn of verder naar China via de Torugartpas, moet of hij nu wil of niet deze stad passeren.
Nadat we op de eerste dag van onze reis in Rybache aangekomen waren, overnachtten we daar bij mijn tante. Wat fijn is het om gastvrije
familieleden te hebben! De volgende ochtend trokken we verder, snel voorbijtrekkend aan het waterreservoir van Orto-Tokoi en Kochkor,
om aan te komen in een dorp met de naam Sary-Bulak, wat Gele Bron betekent. Ervaren chauffeurs hadden me gewaarschuwd dat de weg na Sary-Bulak door een
dunbevolkt gebied voert waar geen enkel benzinepompstation is. Daarom lieten we in dit dorp onze tank tot aan de keel volgieten en vulden
we de jerricans met nog eens 55 liter. Benzinepomp is een eufemisme voor de plek waar we onze brandstof kochten. In werkelijkheid is
het een losjes in de grond ingegraven reservoir. Ernaast staat een geheel in zwarte olie doordrenkt meisje van een jaar of tien dat de benzine uit een
glazen pot in je tank giet. In ons geval moest er een serieuzer hulpmiddel aan te pas komen, namelijk een emmer. Behoorlijk besmeurd met
benzine van onbekende oorsprong gingen we op weg naar de vallei Kara-Kudjur.
De vallei Kara-Kudjur.
Ik zal proberen de geografische namen naar het Nederlands te vertalen, ze spreken tot de verbeelding. De vallei Kara-Kudjur betekent
bijvoorbeeld de vallei van de Woede. Als in een sprookje…
De weg die naar de vallei leidt, is tot onze verbazing met asfalt bedekt. Maar niet lang daarna wordt het asfalt steeds minder zichtbaar en
verdwijnt uiteindelijk zomaar in het niets. Hier begon voor ons het gehobbel over de onverharde zandweg. Als er een tegenligger langsreed,
was de weg gedurende enkele seconden zelfs helemaal niet meer te zien door de stofwolk die deze naliet. We sloten dan vlug alle ramen,
maar desondanks werd de salon bedekt met een dun laagje fijn zand dat de kans had gezien binnen te stuiven.
De omgeving is woestijnachtig. Geen enkel teken van landbouwwerkzaamheden. De uitgestrekte vallei is slechts begroeid met wild gras. De
zeldzame plaatsen zijn kleine dorpjes die soms letterlijk bestaan uit enkele huisjes. Later zouden de plaatselijke bewoners ons vertellen dat
het hier onmogelijk is om wat dan ook te verbouwen. De mensen zijn veehouders. Van het pluimvee houden ze alleen
kalkoenen. De winter is in dit gebied zo koud, dat de pootjes van kippen af zouden vriezen. Yaks gedijen hier juist bijzonder goed. Deze dieren
verdragen de kou, de wind en de ijle lucht gemakkelijk. Een niet onbelangrijke
bijkomstigheid is dat yaks weerstand kunnen bieden aan de wolven die hier in
grote getalen rondzwerven. In Kirgizie is het aantal wolven de laatste jaren
sterk toegenomen. Dit vormt een groot probleem voor de plaatselijke bevolking
in gebieden waar de schapenteelt van levensbelang is. Er zijn zelfs mensen in
de dorpen door wolven aangevallen.
Enkele jaren geleden hoorde ik een verhaal dat zich afspeelt in dit gebied.
De wolvenpopulatie groeide toen zo snel dat ze de plaatselijke herders tot
grote last werd: de roofdieren aten het vee op en veroorzaakten meer van dat soort
ongemak. Het kwam zelfs zover, dat wolven de slechte gewoonte kregen niet
alleen aan te wippen bij herders in de weiden, maar ook de dorpen van de
vallei te bezoeken en de inwoners met hun komst de stuipen op het lijf te jagen.
Tijdens zo'n bezoek joegen de dorpelingen de nachtelijke gast een schuur in
en sloegen de grijze met stokken. Om wat variatie te brengen in hun
zware en eenzijdige leven, besloten de dorpsbewoners om een grapje uit te halen.
Ze braadden een wolf en aten hem op. Later bleek dat er in de regio een epidemie van
hondsdolheid onder de wolvenpopulatie had geheerst. Met spoed werd er een
legertje artsen naar de vallei gestuurd. Alle wolveneters werden ingeent
en kregen de opdracht zich gedurende drie maanden te onthouden van
alcohol om onherstelbare schade aan de gezondheid, mogelijk met dodelijke
afloop, te voorkomen. Zo luidt het verhaal.
Een paar keer zijn we onderweg gestopt om te proberen bij dorpelingen wat koemys te kopen, we wilden deze gefermenteerde merriemelk uit
de bergen zo graag proeven. Maar wat was er aan de hand? Bijna naast elke joerta graasden paarden, maar niemand had koemys! Bij een van de
huizen werd ik na de zoveelste weigering verontwaardigd: het kon toch niet zo zijn dat er hier zelfs geen liter koemys te vinden was?! Totdat bleek
dat men ons voor opkopers had aangezien die grote hoeveelheden inslaan om vervolgens door te verkopen. Toen de bewoners begrepen dat we gewoon wat wilden drinken, schonken
ze onze fles blij vol en trakteerden ons op plat rond witbrood, gebakken in een kleioven. Ze nodigden ons uit voor thee, maar we wilden dezelfde dag nog zo diep mogelijk
de vallei binnengaan en besloten niet te lang te blijven plakken. Bij het afscheid probeerden we hen geld in de handen te drukken voor de koemys,
maar ze weigerden categorisch. Deze mensen houden de oude traditie in ere dat elke voorbijganger je gast is.
Natuurlijk kan zo’n gewoonte alleen in stand blijven in dunbevolkte gebieden. We reden verder. De benaming van het dorp Ak-Tash (Witte Steen)
kwam ons logisch voor: overal lagen langs de weg hoopjes kalksteen. Verroeste bulldozers dienden als speelgoedtanks voor de
plaatselijke jeugd.
De bergpas Djalpak-Bel.
Bijna direct achter het dorp Ak-Tash begint de klim naar de bergpas die op de kaart aangeduid wordt als Djalpak-Bel - Platte Bergrug. Maar de
plaatselijke bevolking noemt hem Djalak-Bel - iets in de trant van Gelikte Bergrug. Beide betekenissen komen volkomen overeen met het
karakter van de bergrug. Ten eerste kent de beklimming van de bergpas geen steile hellingen en je zou de pas werkelijk ‘plat’ willen noemen.
En ten tweede bestaat het hele bergmassief uit een kleiachtig gesteente en heeft het ‘gladgelikte’ vormen. De pas is gelegen aan de oostzijde
van de bergrug Kara-Djorgo (Zwarte Telganger), op 3300 meter boven de zeespiegel.
Voor de bergpas namen we een lifter mee. Hij vertelde ons dat hij een plaatselijke automobilist was en die ochtend een lekke band had
gekregen op de bergpas. Omdat hij geen reserveband bij zich had, was hij genoodzaakt te voet terug te keren naar het dorp en aan een buurman
een binnenband te vragen. Het was krap in onze auto, maar we konden een chauffeur in nood geen hulp weigeren. De bergpas bleek langgerekt, maar
niet moeilijk te beklimmen. Nadat we de lifter bij zijn auto hadden achtergelaten, daalden we af naar een wijde, moerassige vallei waar we besloten om te lunchen
op het grasveldje. Hoewel we onze spullen in de achterbak op tijd hadden verpakt in landbouwplastic, was het stof tot in alle hoeken en gaten
doorgedrongen, het zag er grijs van. We spreidden het tafellaken uit en maakten het ons gemakkelijk in het groene weitje. Toen bleek het
veldje alleen maar op het oog knus, want van alle kanten kwamen hele eskaders horzels onze rust verstoren - en die insekten kunnen behoorlijk
pijnlijk steken. Bovendien hadden we niet verwacht dat het in de felle zon zo koud kon zijn. Een ijzige wind woei dwars door ons heen en we wilden
eigenlijk niets liever dan de lunch zo snel mogelijk beeindigen en terug in de auto kruipen. Dat deden we dan ook.
Het dorp Archaly.
Na een tijdje stonden we op een splitsing voor de keuze of we in de richting van bergpas Ton zouden rijden, of naar het dorp Archaly. Op
de kaart stond Archaly als het grootste (ja, zelfs het enige) plaatsje in de wijde omgeving. Over een brug van gewapend beton - duidelijk
berekend op vrachtwagens - staken we de rivier over en reden in de richting van het dorp. Wat zou dat Archaly voor plaatsje zijn?
Al snel werd duidelijk dat hier in de Sovjettijd een belangrijk industrieel object had gestaan, waarschijnlijk een of andere mijn. Daarvan getuigden
de halfvervallen cottages, de ingestorte scholen en sportvelden, een fragment van een bouwwerk. Nu is dit verleden veranderd in een museum
van een verdwenen beschaving. Het is opmerkelijk dat het dorp toch is blijven voortbestaan. Op straat zwierf een totaal aan zichzelf
overgeleverde peuter, zwart als een schoorsteenveger. Een kalf schurkte zich aan een betonnen paal, terwijl hij op z’n gemak z’n kauwgompje
kauwde. Op deze woestijnachtige bodem groeit niets behalve onkruid. Volgens sommige bronnen kan het kwik hier in een koude winter vijftig
graden beneden nul zakken. Waarmee houden de dorpsbewoners zich bezig? In dit gat is geen bos, noch kolen, hoe leven de bewoners? En
waar zijn ze eigenlijk?
Toen we het einde van het dorpje bereikten, waren we getuige we een afschuwelijk schouwspel: boven de omheining van een binnenplaats
torende het lichaam van een beer van een vent uit die met een bebloede bijl zwaaide en duidelijk van zins was iemand een kopje kleiner te
maken. Bij het hek lagen zojuist afgehakte yakkenkoppen en groepen vrouwen wasten vrolijk de darmen in teiltjes water. Kennelijk waren
we net op het moment van de yakslacht langsgekomen.
De yak is een gevaarlijk, ongewoon dier. In tegenstelling tot schapen of koeien bieden yaks heftig weerstand als hun leven wordt bedreigd.
Een razende yak kan met gemak een herder doodstoten met zijn hoorns of vertrappen met zijn hoeven. Hij kan een joerta in puin doen
veranderen. Daarom kun je hem niet zonder de nodige voorzorgsmaatregelen doden. Men heeft mij bijvoorbeeld eens verteld, dat sommige
herders een yak eerst met een geweer van klein kaliber in het hoofd schieten. Maar dat wordt slechts gedaan om ervoor te zorgen dat de yak
tijdelijk bewusteloos is! De kogel boort zich in zijn voorhoofd en de yak is knock-out. In de tussentijd snijden de slagers hem snel de kop af
voordat hij bijkomt en laat zien wie er de baas is.
In dit geval kunnen de vechtersbazen het zonder deze truc af. Als ik dichterbij kom, zie ik dat deze jongens geen vuurwapens nodig hebben:
ze zijn een soort barbaren uit grimmige sprookjes. Ze jagen ons de stuipen op het lijf met hun verschijning. Ik begroet hen en mijn
(toch niet zo kleine) hand verdwijnt tot de elleboog in hun kolenschoppen. Hun handpalmen zijn bedekt met centimeters in
bloed gedrenkt eelt en de enorme bijl lijkt in hun handen een speeltje. Gelukkig blijken de jongens vriendelijk en staan me toe hen ‘aan
de werkbank’ te filmen. Juist op dat moment is een groep bodybuilders in gevecht met een jonge yak, die ze aan alle kanten met touwen
vast aan het binden zijn. De yak levert een gevecht op leven en dood, uit zijn neusvleugels blaast hij dikke rookpluimen en vanonder zijn hoeven lichten
vlammen op. Met bloeddoorlopen ogen lijkt hij te zeggen: ‘Hou je vast, jongens!’ Als de yak een ruk aan de touwen geeft, vliegt de hele groep
potige kerels nog net niet door de lucht. Een van hen rent rond met een opgeheven bijl en wacht zijn kans af. Hoewel de yak de bijl al enkele malen
tussen zijn hoorns heeft gekregen, blijft hij heldhaftig op de been en gooit zelfs grillig zijn beulen omver. Het is een verschrikkelijke aanblik,
maar om de een of andere reden probeer ik het geheel vast te leggen op video. Op een gegeven ogenblik komt er een man in colbert en met
rubber laarzen op me af lopen. Hij gebiedt me het filmen onmiddellijk te staken. Blijkbaar is dit een of andere plaatselijke chef. Ik probeer
me er met een grapje vanaf te maken, maar hij wordt kwaad en maakt zelfs aanstalten om het statief in te klappen. Alle mij omringende
vleeshouwers leggen hun werk neer en kijken me plotseling veel minder vriendelijk aan. Ik besluit voor de lieve vrede mijn eigen weg te
gaan en dit toch al nerveuze baasje en zijn kornuiten niet verder uit te dagen. Mijn ploeggenoten zijn het roerend met me eens en we
rijden snel terug.
Te gast bij Oermat.
Teruggekomen bij de splitsing, sloegen we rechtsaf, dus in de richting van de bergpas Ton. De herder die ons op koemys trakteerde, verblijdde
ons door te zeggen dat de weg goed genoeg was voor onze auto en dat de bergpas bijna binnen handbereik lag. Al snel bleek dat de weg weliswaar goed was,
maar dat je er met een jeep overheen zou moeten rijden. We reden uiterst langzaam om alle kuilen en hobbels te omzeilen. Na een tijdje kwam
ons een jeep met een buitenlandse en een Kirgizische vrouw (duidelijk een tolk) tegemoet rijden. Wat bracht hen in dit achterland?
Links van de weg waren heuvels waar hele kolonnes marmotten hobbelden. Ze gingen op hun achterste pootjes zitten en bevroren tot
standbeeldjes. Ik probeerde ze verscheidene malen te fotograferen, maar zodra de auto stopte, renden ze onder luid gepiep naar hun
burchten, met vetlappen trillend aan hun zijde. Rechts van de weg een onstuimig riviertje dat hier en daar de weg bijna raakt. Op een bepaald punt
loopt de weg zo laag, dat je als je uit het raam kijkt het gevoel hebt dat je in een bootje zit. Typisch, om de honderd meter poseert er een adelaar op
een steen. Als je geen aandacht aan hem besteedt en je zonder vaart te minderen langs hem rijdt, vliegt hij op het laatste moment op en soms
doet hij niet eens die moeite. Maar hij laat zich niet fotograferen. Zodra hij merkt dat hij de aandacht trekt, is hij weg.
Tegen de avond vroegen we een herder toestemming om ons kamp bij zijn joerta op te slaan. Zoals een echte Kirgies betaamt, nodigde hij ons
uit voor een maaltijd bij hem thuis. Oermat, zoals de herder heette, maakte met zijn gastvrijheid een zeer vriendelijke indruk op ons. Hij liet ons
schieten met zijn jachtgeweer, stelde voor ons de volgende ochtend naar het bergmeer Teshik-Kul (Gaten-Meer) te brengen en ons zijn paarden
te lenen. Van de paarden zagen we af, omdat we de eigenaar niet nodeloos wilden belasten.
De volgende ochtend besloten we om wat te wandelen in de omgeving. We wilden graag de berg beklimmen aan de voet waarvan onze tent
stond, om van bovenaf met de camera mooie panorama’s te kunnen schieten. Eerst klommen we over een flauwe helling. Alles ging goed, totdat we over een
steilere helling moesten zien te komen, die er van veraf heel onschuldig uit had gezien. Het zou nog niet zo’n probleem hebben opgeleverd, als Kirsten geen last van haar voet had gehad. Ik vergat helemaal te vertellen, dat Kirsten
een ontstoken teennagel had. We verbonden telkens opnieuw haar grote teen, het leek wel militaire chirurgie te velde. En dan de bergen in met
kompressen vol Visjnevski-zalf - ik begrijp nog steeds waarom we daaraan begonnen zijn. Kortom, met gedeelde smart leidden
we haar eerst naar het vlakkere gedeelte en Erdzjan en Askar brachten haar vervolgens naar ons veldhospitaal.
Ik besluit toch nog even naar het topje van de berg te rennen om wat foto’s te maken. Praktisch zonder problemen klim ik naar boven. Het
uitzicht vanaf de berg is echt betoverend, alleen al daarom is het de moeite waard om er heen te gaan. Prachtig, gewoon prachtig, maar helaas
zullen foto’s het effect niet weergeven. Eigenwijs schiet ik toch een paar plaatjes en wil dan afdalen. Zal ik twee uur lang dezelfde route
volgen die ik heen gelopen heb of recht naar beneden afdalen? Het laatste is duidelijk een keer of drie dichterbij. Daar vlak beneden ligt ons
kamp, je kunt er regelrecht op af. Na veertig minuten begrijp ik dat ik het mis heb. Het is een fout die elke onervaren bergwandelaar maakt. In
de bergen is de kortste weg niet altijd meest rechtstreekse. De helling blijkt rotsachtig en eenvoudigweg niet berekend op wandelingetjes. Voor
berggeiten (hun sporen en, sorry voor het detail, keutels liggen verspreid over de rotskegels) zijn dergelijke hellingen hetzelfde als voor ons het
trottoir. Ik moet een uur lang door het labyrint van rotsen ronddwalen en enkele kritieke momenten overwinnen. Die rotsformaties leken me
vanuit ons kamp nauwelijks zichtbare grijze vlekjes op de heuvel, het was niet in m’n hoofd opgekomen om ze serieus te nemen. Het
schemert al en het begint te regenen als ik eindelijk bekaf de tent bereik. Ik ben vast van plan om aan mijn rugzak een aanpassing te maken
waardoor ik het statief gemakkelijk mee kan nemen. Die driepoot heeft me bij de afdaling zowat genekt. Wat is het prettig om terug te keren in
het kamp als je vrienden je in de tent opwachten met een warme maaltijd.
Te gast bij Soelajman.
De volgende ochtend namen we afscheid van Oermat en fotografeerden we het gezin voor zijn familiealbum. Daarna gingen we op weg. De
plaatselijke bevolking had ons verteld dat Zhiguli’s op de bergpas Ton niets te zoeken hebben. Maar we vonden het interessant om te proberen
hoever we zouden kunnen komen. In de aanloop tot de bergpas is een plekje dat Djylu-Su (Warm Water) heet en waar ook echt een bron is.
We reden tot die plaats en besloten daar om te keren: de weg werd heel slecht, hier en daar lagen er stenen overheen. ’s Nachts had de regen
blijkbaar steenslag veroorzaakt.
We reden de hele dag terug. Adelaars en marmotten bleven stug volharden in hun wens niet gefotografeerd te willen worden. Toen we weer bij
de bergpas Djalpak-Bel kwamen, ditmaal van de andere kant, hadden we in vele uren schudden heel wat stof geslikt. Het weer verslechterde
duidelijk, het begon te stormen. Zwarte donderwolken stortten heel hun gewicht uit boven de top van het Kara-Djorgo massief. In de wijde
vallei strekte de weg zich uit als een glibberig lint, omhoog slingerend tot in de donkere wolken, waar donderkanonnades klonken en de
bliksem kronkelde als een slang. We wilden zo snel mogelijk de bergpas over en jakkerden het donkere wolkenmonster tegemoet zoals
Don Quichot de molenwieken. In de weg zaten hier en daar enorme kuilen, maar vanwege de hoge snelheid waarmee ik reed, kon ik niet op
tijd remmen. Remmen was bovendien gevaarlijk op de gladde weg. Nadat ik de ophanging van de auto danig had beproefd, besloot ik wat
rustiger te rijden. De greppel in vliegen of met een gebroken fuseerkogel midden in de steppe achterblijven paste niet bij onze plannen.
Het beklimmen van de bergpas bleek helemaal niet moeilijk, ik had het onterecht zo gedramatiseerd. Tegen alle verwachting was de weg op de
bergrug goed. Het regende dat het goot, maar dat bezorgde ons alleen maar een onbeschrijfelijk genoegen. Schilderachtige bliksemflitsen trakteerden
ons op een portie adrenaline. We hadden maar een probleem: een lekkend klapraampje. Terwijl we de bergpas afdaalden, toonde de hemel zich
genadevol en felle zonnestralen
feliciteerden ons met onze terugkeer in de vallei Kara-Kudjur.
Ergens in deze omgeving moet een aksakal5, genaamd Soelajman, wonen. In Bishkek hadden we kennis gemaakt met zijn familieleden, die ons
voor hem wat aardigheidjes meegegeven hadden. De eerste voorbijganger aan wie we de weg vroegen, legde ons uit hoe we het huis van Soelajman konden
vinden. We reden van de hoofdweg af en volgden de aanwijzing dat we een plek moesten zoeken die Uuch-Emchek heette. Letterlijk betekent
dat: drie tietjes, pardon. Je moet er maar op komen! De plaats kreeg zo’n vreemde naam vanwege het relief: de heuvels doen denken aan
vrouwelijke vormen. We slingerden met gemak het kronkelweggetje over totdat we stuitten op een met riet omgeven moeras. In de verte
stond een eenzaam huisje, maar hoe konden we het benaderen? De avond viel al en we wilden niet bij nacht en ontij in de modder stranden.
We besloten te voet op het huis af te gaan en de bewoners de weg te vragen. Maar de bewoners hadden ons direct opgemerkt en iemand kwam ons te paard
tegemoet rijden. Het bleek de jongste zoon van Soelajman te zijn. Hij zei ons voorzichtig op te trekken en recht achter hem
aan te rijden, zodat we niet vast zouden raken in de drassige ondergrond. De motor gromde beestachtig en klodders klei spatten vanonder de
wielen op. De auto zwenkte van de ene naar de andere kant, een paar keer vermeden we net op het nippertje diepe plassen. De laatste hindernis
was een kleine, maar spiegelgladde helling vlak voor de poort van het huis. Bij de tweede poging schoten we het erf van Soelajman op. In koor
slaakten we een zucht van verlichting.
Het gebrul van de motor en het janken van de honden hadden de aandacht getrokken van alle bewoners van het kleine huis. Een deel van hen
verdrong zich bij de halfvervallen houten ingang, een ander deel hing uit de ramen of zat als paddestoelen na de regen op een boomstronk. Ze
waren met z’n tienen. Zouden ze echt allemaal in dat houten hutje wonen? De heer des huizes bleek een goedmoedige en levenslustige
oude man. Nadat we thee hadden gedronken en even met de bewoners hadden gesproken, wilden we onze tent op het erf neerzetten. Maar men
wist ons ervan te overtuigen dat er binnen plaats was voor iedereen. Tot onze opperste verbazing hadden ze nog gelijk ook. Men liet ons ook
geen gebruik maken van onze slaapzakken, maar gaf ons in plaats daarvan lakens en lange jassen van schapenvacht. De nachten zijn hier koud.
De volgende dag bracht de herderszoon ons naar de heuvels om te wandelen. Het waren hemelse plekken. We zouden er wat langer willen
blijven en de bewoners van het kleine huis probeerden ons daar ook toe over te halen. Dat lukte niet. Aan het Song-Kul meer zou een festival
beginnen waar we graag getuige van zouden zijn. We lunchten en namen afscheid van het gezin van Soelajman. Al snel bereikten we het ons
reeds bekende Sary-Bulak.
Voetnoten:
1. Het merk Zhiguli (ook wel: Lada) is genoemd naar de Russische stad Zhigulovsk waar deze auto
gefabriceerd wordt. Onze WAZ-2106 is een oud model Lada, kortweg ‘zesje’.terug
2. Aksakal (Kirgizisch) betekent letterlijk ‘witte baard’.
Met deze term worden oude mannen respectvol aangeduid.terug