Anathema!

Ik stel me soms de hemel voor
als een groot bed, waarin ik lig te slapen
en als ik dan ontwaak, zie ik m'n katjes gapen
en gelukzalig slaap ik dan weer door.

Ik hoef geen harp, geen stralenkrans of engelenkoren
die zoetjes psalmen kwelen voor God's aangezicht.

Een katje, dat me zachtjes purrend likt in m’n gezicht:
in alle eeuwigheid kan niets me méér bekoren!

En beweren dan de boze theologen:
- dat God aan katten nooit een ziel gegeven heeft
 en dat zo'n dier dus niet in het hiernamaals leeft -
Dan weet ik God, en alles erom heen, gelogen!

Ik hoop alleen nog maar, dat Bashtet me vergeeft,
wanneer ik straks mijn laatste dromen heb beleefd.

                                                                                                                                    =.