MIJN LEVEN

DAGBOEKAANTEKENINGEN

van

WILHELMUS JOHANNIS DERKSEN

(*26-9-1856 - †22-12-1926)

Voorwoord

Enige jaren geleden kreeg ik het dagboek van mijn overgrootvader in handen. Na enige tijd heb ik besloten er een transcriptie van te maken. Het beschrijft het leven van het gezin van Willem Derksen aan het einde van de vorige eeuw en in het begin van deze eeuw en geeft een beeld van het dagelijks leven en van de omstandigheden waarin de mensen leefden, werkten en woonden. Bovendien heeft het genealogische waarde. Het dagboek is overgenomen zonder een letter te wijzigen. Bij de transcriptie zijn de normale regels gevolgd. Het dagboek bevatte weinig of geen doorhalingen. De taal is de taal van die tijd. Met veel dubbele klinkers en "sch"-en. In het dagboek wordt de "n" aan het einde van een werkwoord soms niet geschreven. Bijvoorbeeld in de eerste persoon meervoud in: "Nijmegen was de plaats waar ik zoo gaarne heenging. Mijn Grootmoeder en Oom, een broeder van mijn Vader, hielden zeer veel van mij, doch konde er ook al niet veel aan doen; zij wisten trouwens ook niet dat het zoo bij mijn thuis gesteld was." En ook de dubbele medeklinker in de verleden tijd wordt niet altijd geschreven. Bijvoorbeeld in: "Mijn schoolonderwijs genoot ik van onzen dorpsonderwijzer, in den slechtsten zin van het woord. Een persoon, die onder schooltijd, meer tijd besteede om de Oprechte Haarlemmer Courant te lezen als de kinderen te onderwijzen." Ik heb dat maar ongewijzigd gelaten. Wellicht volgens de spelregels van die tijd. Willem Derksen geeft blijk een grote woordenschat te hebben.

Willem, alhoewel sociaal zeer bewogen, besteedt weinig aandacht aan het wereldgebeuren. Hij noemt de weliswaar de inhuldiging van Koningin Wilhelmina in 1898, de Wereldtentoonstelling in Brussel en de watersnoodramp in 1923. De eerste Wereldoorlog (1914-1918) wordt, bijvoorbeeld, helemaal niet genoemd. Nederland was weliswaar niet direct betrokken bij deze oorlog, maar het kan hem toch niet ontgaan zijn.

Aan het eind van het dagboek is een korte parenteel van vijf generaties familie Derksen toegevoegd. Het begint bij de grootvader van Willem, Gerardus Derksen, en eindigt bij de kleinkinderen van Willem en zijn zuster Cato Derksen.

Frits Derksen,

zoon van Adriaan

In de volgende bladzijden heb ik gemeend een en ander op schrift te brengen over mijn leven, werken en bijzondere omstandigheden in dit leven ondervonden. Waarom ik dit heb gedaan? Och niet omdat deze levensgeschiedenis zoo belangrijk is, veeleer al te alledaagsch doch meende ik dat het misschien voor mijne kinderen wel eens nuttig, en aangenaam kon zijn wanneer zij het leven van hun Vader eens nader leerden kennen. Ik zal er voor hen geen gevolgtrekking uit maken, dit mogen zij zelf doen. Het was veelal in de stille uren die ik met mijn vrouw `s avonds doorbracht, dat het leven met zijn herinneringen voor mijn oogen en door mijn gedachten heen gingen. Op een dezer avonden nam ik mij voor een en ander daarvan op schrift te stellen en zoo kwam ik er toe mijn eigen levensbeschrijving te geven. Het schrift is op vele plaatsen wel wat onduidelijk doch wel leesbaar.

Gij die het leest, leest het dan met aandacht en moge het je opwekken om nog dikwijls te denken aan den schrijver en hem ook vooral niet te vergeten in je gebeden.

maart 1921 W.J. Derksen

Mijn leven

Geboren op een onaanzienlijk dorp in Gelderland, uit zeer behoeftige, doch brave Ouders.

Mijn Vader, een dorpskleermaker, met weinig meer vakkennis als nodig was, om de gewone boerenarbeider van kleederen te voorzien. Werkende voor een loon zoo armzalig laag, dat hij niet in staat was om daarvan, ook maar op bescheiden wijze in de behoefte van zijn gezin te voorzien.

Mijne Moeder, een brave, eenvoudige vrouw, steeds zorgzaam voor haar gezin, zeer dikwijls bij haar huiselijk werk, nog werk verrichtend in het kleermakersvak, en teneinde eenige stuivers bovendien te verdienen, dikwijls bij de boeren ging werken op ‘t land, zoo als korenwieders, enz. enz.

Wij waren met ons drieë n kinderen. Een oudere en een jongere zuster! Ook wij moesten al zeer jong mede helpen om de schamele verdiensten onzer Ouders eenigszins aan te vullen.

Mijn schoolonderwijs genoot ik van onzen dorpsonderwijzer, in den slechtsten zin van het woord. Een persoon, die onder schooltijd, meer tijd besteede om de Oprechte Haarlemmer Courant te lezen als de kinderen te onderwijzen.

Het onderwijs was zoo gebrekkig dat als men het vergelijkt met het onderwijs van den tegenwoordigen tijd, men verbaasd staat hoe de leerlingen het a,b,c nog in hunne hoofden konden opnemen. Toch was ik altijd nog de eerste in de klasse. Er waren wel geen afzonderlijke klassen. Alleen maar die het verste kwam in "bekwaamheid" ging één bank vooruit. De geheele school bestond uit één lokaal. Om ‘t geringste vergrijp kwam "Meester" met zijn stokje en ranselde erop los, kon hij het niet meer met zijn stokje af dan nam hij zijn vuisten. Ik herinner me nog, dat hij mij eens zoo bewerkte met zijn vuisten dat ik bewustloos neer zeeg in de bank, en toen had ik maar enkel eenige woorden met mijn buurjongen gesproken.

Toen ik ruim tien jaar oud was, moest ik den meesten tijd reeds thuis uit school blijven om mijn Vader te helpen in de kleermakerij. Toen ik 8 jaar oud was had Vader al een naairing voor mij gekocht om de eerste steken te leeren leggen, zoodat ik voor mijn eerste H. Communie reeds zelf mijn broek kon maken.

Van schoolgaan kwam dus al niet veel meer, hetgeen wel bijzonder jammer was, want ik leerde zoo graag

Mijn grootste liefhebberij was leeren en lezen. Ik herinner mij nog, dat ik als kind van 8 jaar ziek was van de mazelen en ik dus niet naar school mocht, toch wist ik nog weg te sluipen om naar school te gaan omreden ik bang was ander mij voor zou komen.

Ik was al vroeg zeer eerzuchtig op mijn manier; straf beloopen vond ik niet zoo heel erg, als die straf maar niet bestond in slaan. Ik ging veel liever zonder eten naar bed (toentertijd een gewone straf) als dat men mij ook maar een enkele klap gaf; dit vond ik toen al reeds, volgens mijn kinderlijk begrip onteerend.

Leeren, vooral van buiten leeren kon ik zoo goed, dat ik op school en katechismus altijd de eerste was. Ik herinner mij nooit bijna mijn katechismus vragen na behoeven te zien. Op mijn 8e jaar had ik groote en kleine katechismusboek al met vragen en antwoorden vast in mijn hoofdje. En nu nog op mijn 62e jaar, kan ik nog meestal zonder mij te bedenken, de meeste dier vragen beantwoorden die ik toen geleerd heb.

Zondagsmiddags in de Vespers leerde ik stil de vesperpsalmen in het latijn mede zoodat ik deze geheel van buiten kende zoo de zaterdagsche litanie in het latijn.

Helaas! al die heerlijke eigenschappen hebben mij weinig mogen baten. Ik moest kleermaker worden en blijven.

Waren mijne ouders misschien niet zoo arm geweest of was ik door iemand geprotegeerd geworden wellicht had ik dan een andere loopbaan kunnen volgen, meer met mijn aanleg overeenkomende. Het heeft niet zoo mogen zijn.

Maar och! Wie weet of het zoo nog niet beter voor mij is geweest. Want wie weet ook wat voor mensch ik dan geworden was. Gods Voorzienigheid heeft mij misschien door dit eenvoudig leven bewaart voor andere gevaren.

Toch is het jammer dat ik zoo leergierig niet mocht of kon leeren. Niets had ik ter mijner beschikking om aan die leergierigheid te voldoen. Geen enkel boek waar ik wat uit leeren kan. O! wat heb ik dikwijls vurig verlangt en God gebeden om toch een andere levenstaak dan die van dat doode vak.

Vurig verlangde ik ook naar de studie die mij (Ik durf dit haast niet te schrijven) het Heilig ambt van Priester zou kunnen ten deel vallen. Novenen hield ik daarvoor. Maar och! Weg met die herinneringen.

Het dorp waar ik mijn kinderjaren doorbracht was, zoo als ik straks reeds aanhaalde een achterlijk boerendorp alwaar de bewoners niets wisten als maar te ploeteren in de aarde.

Geen enkel welontwikkeld man kan ik mij voor den geest halen met welke wij omgang hadden, zoodat het ook geen wonder mag heeten dat niemand mijne leergierigheid opmerkte. Daarbij kwam nog dat de bewoners van het dorp voor ‘t meerendeel bestonden uit stijve Calvinisten, echte puriteinen. Ik meende dat er niet meer dan 10 à 12 Katholieke huisgezinnen op het geheele dorp woonde. Ook dat was een der reden dat ik niemand had die mij steunde. De katholieken waren niet in tel en men bespotte ons dikwijls om ons Geloof.

Eén heel klein kerkje ½ uur gaans van ons dorp, moest dienen voor 4 flinke dorpen. Men kan dus nagaan hoe weinig Katholieken deze plaatsen telde.

Wij hadden een zeer ijverigen Pastoor en een flinke en leuke Kapelaan. Deze moesten echter ook nog enen andere Kerk bedienen 1 uur gaans verder.

De Kapelaan hield veel van mij, van hem kreeg ik nog wel eens boeken te lezen. Maar helaas! hij vertrok naar een andere Parochie toen ik mijn eerste H. Communie deed. Was hij gebleven misschien dat ik door hem nog verder had gekomen

Een bijzondere eigenschap van mij moet ik nog vermelden. Ik was zeer beschroomd van aard, ik durfde niet veel bijzonderes te doen. Vrij was ik allerminst. Dit is mijn geheele leven bijgebleven. Deze beschroomdheid heeft mij dikwijls parten gespeeld in mijn leven en toch kon ik daar niets in veranderen. Mijne kinderen hebben het ook bijna allen over zich.

Zoo even vermelde ik dat onze R.K. Kerk ½ uur gaans van ons dorp was, daar moest ik zoo wat elken morgen naar de H. Mis, en dan, ruim ½ jaar lang voor mijn eerste H. Communie, na de H. Mis de Katechismus. Onzen Pastoor was daaromtrent niet gemakkelijk. Maar ach! het waren voor ‘t meerendeel ook zulke domme kinderen uit die boerenplaatsen en al had ik die onderrichtingen zelf niet zoo streng noodig, ik moest toch die geheele beweging mede maken.

Eindelijk ik was ruim 14 jaar oud mocht ik mijn H. Communie doen. O! wat was ik gelukkig. Ja! ik was echt kinderlijk vroom. Dikwijls had ik mijn kindergebed opgezonden om hem te vragen dat ik mijn eerste H. Communie had gedaan. Vooral omdat in dat jaar tevoren veel kinderen op ons dorp waren gestorven.

Mijne Ouders waren ook recht gelukkig met dien dag. Ach! mijn Vader was toen reeds lijdende aan de vreeselijke ziekte van tuberculose waaraan hij 1 ½ jaar later reeds overleed.

Dat was een zeer moeilijke tijd van beproeving voor mijne Moeder en voor ons allen, dien tijd van mijn Vaders ziekte 1 ½ jaar lang, steeds wegterende en zware inwendige pijnen heeft die Man geduldig als een engel de grootste smart uitgestaan.

Niet alleen zijn eigen lichaamlijk lijden doch ook de smart dat hij zijn vrouw en kinderen in groote armoede en ontbering moest achterlaten. O! hoe dikwijls heb ik den goeden God gebeden in dien tijd met groote vurigheid voor zijn herstel. Helaas. God had het anders beschikt.

Toen mijn Vader stierf was ik 13 jaar oud en moest al het mijne er toe bijbrengen om eenige verdienste in te brengen. Veel was dit natuurlijk nog niet, doch wij waren niet veel gewoon. Ik verdiende toen bij een baas op ‘t dorp 30 cent daagsch, daarbij ging ik nu en dan reeds een paar dagen in de week bij menschen aan huis naaien zoo als dat op de boerendorpen in dien tijd gebruikelijk was, en verdiende dan daarmee ƒ ,30 à ƒ ,35 daagsch met kost

1½ jaar na mijn vaders dood hertrouwde mijne Moeder weer, ook weer met een kleermaker bij wie ik al eenige maanden te voren als knaap werkzaam was.

Ik bleef dus voorlopig bij mijn stiefvader aan het werk. Deze wist niet beter te doen dan van mij te halen wat hij kon. Er waren toen weken, dat ik als knaap van 14 jaar, dagen moest werken van 16 en 18 uren. Ja! ik herinner mij nog de eerst volgende Paasweek dat wij, mijn stiefvader en ik, elkaar ‘s nachts aflosde, hij een paar uur gaan slapen en ik doorwerken, en dan ik een paar uur slapen en hij doorwerken, doch van zijn doorwerken kwam niet veel, dewijl ik steeds mijn best deed te blijven werken. Een zeer zwaar en moeilijk jaar heb ik toen zoo bij hem doorgebracht, toen er eindelijk verlossing voor mij aanbrak, en ik bij een Oom van mij als knecht ging werken, waarover straks.

Een moeilijk jaar zeg ik hierboven. Buiten mij, zoo even gewraakte langen en afmattenden arbeid, had ik nog een leven bij hem, dat bijna ondraaglijk was. Hij gunde mij niet eens het karig eten. Als ik ‘s morgens vroeg een boterham (één sneetje brood) van Moeder ontving, dan heete het dat ik moest wachten tot het ontbijt. Hij at toch ook niet voor dien tijd zeide hij.

Men kan begrijpen, dat ik bij zoo’n behandeling ook niet voorkomend en vriendelijk gestemd was, wat dikwijls tot heftige scènes leide en ik hoe langer hoe meer verharde. Kleederen had ik bijna niet, terwijl hij nog niet eens genegen was om een oude jas van mijn Vader voor mij te veranderen. Ik herinner mij nog, dat hij een heel goedkoop lapje voor een broek voor mij gekocht had, omreden is zoo niet langer kon blijven loopen. Die broek mocht ik echter niet maken als op een zaterdagnacht, om hem zondagsmorgens te kunnen aandoen, deze was toen echter pas half klaar, omreden de tijd te kort was om hem geheel af te maken, dewijl ik hem toch zoo aantrok, want ik zou dien zondag naar Nijmegen gaan, naar mijn Grootmoeder en Oom. Ik had dus den geheelen nacht gewerkt en kon toen zondagmorgen, na eerst naar de H. Mis te zijn geweest, 4 uur loopen naar Nijmegen.

Nijmegen was de plaats waar ik zoo gaarne heenging. Mijn Grootmoeder en Oom, een broeder van mijn Vader, hielden zeer veel van mij, doch konde er ook al niet veel aan doen; zij wisten trouwens ook niet dat het zoo bij mijn thuis gesteld was. Vroeger, toen mijn Vader nog leefde, ging ik dikwijls met hem naar Nijmegen; ook in mijn schoolvacantie toen ik 7 à 8 jaar oud was bracht ik de vacantie altijd in Nijmegen door. Deze uitstapjes, als ik ze zoo noemen mag, want ik moet de reis altijd te voet doen, en dan 4 uur gaans, waren toch altijd een genot voor mij. Nog herinner ik mij de genoeglijke dagen als kind bij hen doorbracht doch altijd het meest als mijn Vader bij mij was. Ik was zoo gehecht aan mijne Ouders, dat ik mij in die kinderjaren het prettigst toch maar bevond thuis bij mijne lieve Ouders en de paar weken schoolvacantien in Nijmegen doorbracht, mij toch nog altijd naar huis deden verlangen. Hoe geheel anders was dat nu bij mijn Stiefvader.

Toen hij eindelijk inzag dat het toen met mij niet langer ging, omreden ik mij al meer en meer begon te verzetten werd er besloten, dat ik naar een Oom van mij, een halve broeder mijner Moeder zou gaan werken als knecht.

Gemakkelijk werd dat besluit echter niet genomen dewijl mijn stiefvader dan mijn hulp moest missen bij het werk. Enfin, het kwam er toch van en ik ging met Mei 1872, dus 15 jaar oud van huis.

Het treurigst echter was dat mijn Moeder in die jaren van haar 2e Huwelijk een treurig leven had, zij behoefde weliswaar niet meer te gaan werken, doch het leven thuis was alles behalve prettig. Steeds kort gehouden in haar huiselijke uitgaven; leven met een man die voor haar kinderen niets over had, en voor haar zelven ook niet vriendelijk was, daarbij kwam dat hij graag een glaasje dronk, en dan in een armoedige boerenomgeving, zonder ook maar de geringste variatie in haar leven. Dit alles heeft dan ook vroeg hare gezondheid geknakt en deed haar vroeger ten grave dalen, toch is zij, bij al die ontbering nog 60 jaar oud geworden. Zij had een leven achter zich vol zorg en ontbering en de laatste jaren veel verdriet.

Moge de goede God haar vergelden wat zij voor ons, haar kinderen heeft gedaan. Zij is als een brave geduldige en trouwe Moeder heengegaan.

Nu ik als knecht bij mijn Oom was gekomen, werd mijn bestaan wel iets beter doch nog verre van rooskleurig. Ik verdiende plus de kost ƒ 20,- per jaar (zegge ƒ 20,-) in een geheel jaar, daarvan moest ik mij geheel kleeden, onder en bovenkleeding, schoenen, enz. en dat terwijl ik bijna naakt bij hem kwam. Ik heb 3 jaren bij hem gewerkt als inwonend knecht en verdiende het eerste jaar ƒ 20,-; het tweede werd mij ƒ 35,- toegezegd als ik mijn best deed, anders maar ƒ 30,-; het derde jaar ƒ 55,-. Hoe dat "best" doen daar werd opgevat mag blijken uit het volgende.

Een werkdag in het drukke seizoen van ‘s morgen 5 à 6 uur tot ‘s avonds 10 à 11 uur dus ongeveer 16 à 18 uur dagelijks werken. Zondags het gemaakte werk weg brengen 1½ uur gaans van Doornenburg waar mijn Oom woonde naar ‘t Lobith dus 1½ uur ver, met een pak waar ik haast onder bezweek, en ontving daar extra voor ƒ ,25 waarvan nog 10 cent af moest voor veergeld.

Het eenigste wat ik had was dat ik genoeg eten en drinken had en tamelijk goed mijn vak leerde in zoo verre dit althans op een dorp geleerd kan worden.

Dat ik echter met zoo’n verdienste niet veel vooruit kwam kan een ieder zich voorstellen temeer daar ik toen 17 en 18 jaar oud zijnde ook al graag een sigaartje rookte of eens uitging dewijl op zoo’n dorp geen enkele gelegenheid was voor kosteloose ontspanning

Na deze 3 jaar vertrok ik uit Doornenburg naar Zevenaar, een klein stadje gelegen aan de Duitsche grenzen. Hier kreeg ik het iets beter; een meer geregelden werktijd en ook iets meer loon, ofschoon dit, toch ook nog maar ƒ 75 per jaar bedroeg. Veel te weinig voor hetgeen ik presteerde in mijn werk. Ik maakte toen reeds het beste werk geheel persoonlijk en was daarbij bijzonder vlug met het werk. Voor extra werk ontving ik meestal ook een extra douceurtje, wel niet veel maar ik was niet veel gewoon en was al aardig in mijn schik als ik zondags ƒ ,50 of ƒ ,75 extra ontving.

Vanzelf had ik echter ook veel meer noodig. Nog al graag het Heertje spelen had ik dus voor kleederen tamelijk wat noodig; ook graag eens uitgaan naar Café of danscursus, en al graag een meisje er op na houden, zoo als elke jongen op dien leeftijd kwam ik over ‘t algemeen geld te kort.

In Zevenaar verbleef ik 2 jaar bij denzelfde patroon. Ik was dus 20 jaar oud toen ik uit Zevenaar vertrok.

Van daar trok ik naar Nijmegen om te werken. Ik dacht al een heelen baas te zijn in mijn vak, toen ik in Nijmegen kwam en presenteerde mij bij een tamelijk fijne zaak als stukwerker doch O jé dat viel tegen. Al kan ik tamelijk goed werken, het was toch in hoofdzaak boerenwerk wat ik geleerd had, en niet bestand voor goed stadswerk, daarbij had ik geen naaimachine en geen geld om er een te koopen, dus moest ik geheel met de hand het zware werk verrichten, wat anders met de machine werd gedaan, en een zeer primitieve omgeving, geen tafel noch persgereedschap, men kan dus begrijpen dat ik op zulk een wijze niet voldoen kon aan de eischen aan goed werk vereischt.

Ik zag dus spoedig in dat dit niet gaan zou, en was zeer spoedig geheel vrij in mijn doen en laten, nogal graag eens uitgaan met meisjes, zooals elken jongen op dien leeftijd was ik spoedig zoo arm als Job en moest mijn Winterjas naar de bank van leening brengen om mijn kostgeld te kunnen voldoen.

Nu naar Arnhem, doch ook daar ging het niet veel beter. Eenigen tijd beproefde ik het nog als stukmaker doch spoedig moest ik weer als knecht bij een patroon per uur gaan werken. Kort daarop kwam het stil te staan en had ik geen werk meer.

Ik was in dien zomer wel eens thuis geweest voor plezier, bij welke gelegenheid mijn stiefvader mij had gezegd als ik wilde ik wel thuis bij hem kon werken, Hiertoe ging ik echter niet gaarne toe over, ofschoon mijn verhouding tot hem wel eenigzins beter was geworden. Hiertoe had in hoofde ook het volgende bijgedragen. Ik was, terwijl ik in Zevenaar werkte ernstig ziek geweest en toen had mijn stiefvader mij per rijtuig afgehaald, omreden ik in Zevenaar bij vreemden niet kon blijven. Ik was toen zes weken ziek thuis geweest, en moet, om eerlijk te zijn, zeggen dat hij mij in dien tijd goed behandeld heeft. Ik wil hem dus volgaarne die lof doen toekomen dat hij mij toen niet aan mijn lot heeft overgelaten, toch gehandeld heeft als elk goed Vader zou gedaan hebben, al was het misschien niet zo hartelijk.

Ik moet eerlijk bekennen dat de onaangename verhouding tuschen ons beiden ook voor een groot gedeelte aan mij zelf lag. Niet kunnende verdragen dat hij mij nu kon bevelen als Vader in plaats van mijn eigen zoo vroeg gestorven Vader, was ik hem geheel ongenegen en kan niet veel van hem verdragen. Van daar steeds een wederzijdsche terughoudendheid. Ik gaf hem niet graag den naam van Vader, die hem toch volgens mijn plicht toekwam.

Dit had vroeger ook meermalen tot scènes geleid. Het was met mij net zoo als het bij de meeste tweede huwelijken gaat van beide zijde wrevel en geen hartelijkheid, ofschoon ik mij zelf wel het meest beschuldigen moet dat weinig bijbracht om die verhouding dragelijker te maken.

Men kan zich denken dat ik dus niet gaarne meer terug naar huis ging, doch de nood dwong mij wel hiertoe, want de winter in Arnhem doorbrengen leek mij onmogelijk toe. Er was echter nog een andere reden, waarom ik over vele zwarigheden heen stapte en naar huis ging. Dit was het volgende: Ik had door mijn jongste zuster een meisje leeren kennen uit Wageningen welke later ook mijn vrouw is geworden. En nu was Wageningen dicht in de buurt van ons dorp Randwijk en verwachte wij aldus meermalen met elkander in aanraking te kunnen komen. Zoo vertrok ik dan November 1877 weer voor een korte tijd naar mijn oudershuis.

Het laat zich echter begrijpen dat deze verhuizing niet erg van harte ging. Op den leeftijd van 21 jaar mij weer te schikken naar de luimen van mijn, niet sympathieken Stiefvader ging mij niet best af. Ofschoon wij beiden in dien korten tijd dat ik thuis was tamelijk met elkander konde opschieten. Zoo spoedig mogelijk echter zocht ik een gelegenheid om weer weg te komen. Maar waar toe? Ik ging niet gaarne ver weg, doch bleef liefst zoo dicht mogelijk bij mijn aangebeden liefje, en dicht bij was niet iets voor mij te vinden.

Mijn verbeelding begon te werken en ik kreeg het in mijn hoofd om het eens te beproeven mij zelfstandig te vestigen als patroon (klein baasje) en wel op ‘t dorp Renkum. Een prachtig dorp bij Wageningen. Ik dacht wel vakkennis genoeg te hebben om de burgers en boeren van Renkum in het pak te steken. Doch hoe moest ik beginnen? Geld had ik niet en met niets kan ik toch ook niet beginnen.

De moeder van mijn aanstaande die ik mijne plannen bloot legde, verklaarde zich bereid mij voorloopig te helpen. Wel een onverstandig besluit in aanmerking nemende dat zij niet wist of kon voorzien dat er iets van terecht zou komen. Alleen de Moederliefde voor haar dochter en ook de groote sympathie die zij mij toedroeg, zag over alle bezwaren heen. Zeker ook wel omreden ik het haar nog al mooi voorspiegelde.

Voorloopig kon ik mij dan installeren op haar kosten. Ik zou van haar ontvangen de benoodigde huismeubelen zoo als: linnenkast, bed met toebehooren, stoelen, tafel, enz. en verder nog een som geld voor de noodige gereedschap. Ik kocht mij een nieuwe naaimachine op afbetaling natuurlijk. Ik zou voorloopig alleen gaan wonen en ‘s middags in Wageningen gaan eten. In de kost gaan zou te duur uit komen, zoo lang ik nog niet verzekerd was van werk.

Ik toog dan begin Maart 1878 naar Renkum; huurde een flinke kamer bij nette menschen en installeerde mij daar als Mr Kleermaker op z’n eentje en zat nu maar te wachten op werk. Ik had circulaires laten drukken en verspreiden en daar zat neef kool te wachten, wachten. Want ach werk zag ik niet veel komen, al vertoonde ik mij ook al als het zeer druk te hebben.

De Renkumsche lui echter schenen het zaakje niet te vertrouwen en terecht. Zoo’n kleermakertje op een eenzaam kamertje, dat had men toch niet veel verwachtingen van. Nu! de menschen hadden wel gelijk. Vakkennis bezat ik nog lang niet genoeg voor zelfstandig patroon. Van de coupe wist ik nog weinig af, en dan zoo primitief ingericht. Neen! daar moest men niets van hebben. Zij spotten veeleer met het "baasje" Wat voor domme streken kan men toch uithalen als men nog zoo jong is en geen goede raadgevers heeft. Het was de onzin in de hoogsten graad. De gedachte was toen al: eerst wat werk en dan maar spoedig trouwen. Het verwonderd mij nog dat ik de onzin niet zoo ver dreef om eerste maar te trouwen voor ik werk had. Als ik eenigzins hiertoe in staat was geweest, wie weet of ik die domheid niet had begaan.

Gelukkig echter kwam het niet zoo over. De Renkumsche burgers lieten het kleermakertje alleen zitten en vertrouwde hem niet hun edele lichamen door hem van kleederen te voorzien.

Weg dus deze illusie. 3 Maanden lang heb ik zitten wachten eer ik tot het bewustzijn kwam dat ik zoo spoedig mogelijk kwam op moest krassen Ik had in die 3 maanden geloof ik al zes klanten.

Weg! dus weg! Zoo gauw mogelijke doch waar naar toe? Daar zat nu Willem met zijn aangebedene weer in zak en asch. O! stommerik die ik was ....... Doch stil, dit alles is voorbij. De beste weg leek mij een advertentie te volgen die voorkwam in de courant Het Huisgezin van een patroon uit Hillegom bij Haarlem. Ik wou nu dan ook maar liever ver weg. Ik bezon mij niet lang en al koste het mijn liefje veel traantjes dat haar Willem nu zoo ver weg wou gaan, toch maar doorgezet.

Ik trok er dus op af. De meubeltjes gingen weer naar Wageningen zoo ook het wat vooreerst dan toch maar geen Huwelijksbed zou worden en Willem ging per spoortrein naar Holland. Eerst natuurlijk een aandoenlijk afscheid van lieve Meta en haar Moeder.

Mijn ouders vonden het al lang goed. Zij hadden niet zoo veel verwachting gehad van het Renkumsche kleermakertje

Ik moest reizen eerst naar Amsterdam, naar de groote stad waarvan ik wel veel van had gelezen en hooren spreken doch niets van had gezien

Ik herinner mij nog zoo goed dat ik met mijn bundeltje kleeren bij mij in Amsterdam aan kwam. Eerst maar gauw een Café opgezocht waar ik mijn bundeltje kon zoo lang in bewaring gaf opdat ik ongehinderd de stad kon bekijken.

Ver weg durfde ik echter niet te gaan omreden ik natuurlijk niet wist waar ik belanden zou en den weg naar het Café niet terug zou kunnen vinden. Ik moest ‘s middags weer verder reizen naar Hillegom.

Mijn indruk van de groote stad Amsterdam was overweldigend. Ik herinner mij nog zoo goed mijn wandeling door de straten en pleinen. Vooral ook langs het Damrak, wat toen nog zoo geheel anders was als thans, naar het IJ, om de groote 3 masterschepen te zien, waar ik van had gelezen. Verder door de drukke, toen reeds geasphalteerde Kalverstraat. Ik genoot volop van al het grootsche van onze Hoofdstad

‘s Middags 5 uur moest ik echter Amsterdam weer verlaten. Ik zocht mijn bundeltje weer op en klom op een Omnibus om naar het Hollandsche Spoorstation te rijden, toen nog buiten de Haarlemmerpoort. Mijn aankomst was geweest aan de Weesperpoort, toen nog de Rhijnspoor geheeten.

Aan het Hollandsche Spoorstation moest ik nog geruimen tijd wachten en keek nieuwsgierig naar al die drukte en beweging. Eindelijk kon ik instappen en reisde ik via Haarlem naar Hillegom en was binnen het uur op de plaats van bestemming of liever nog niet geheel dewijl er toen nog geen station te Hillegom was moest ik doorreizen naar Piet Gijzenbrug en toen nog ½ uur loopen voor ik in Hillegom was.

Ik werd in mijn nieuwe betrekking recht hartelijk welkom geheeten, door den patroon van de zaak. Een manufacturenwinkel annex kleermakerij. Des anderendaagsch al reeds aan het werk doch de kleermakerij was niet veel zaaks. Ik moest bijna alleen het werk doen, den patroon deed er niet veel aan en bijna geen andere hulp. Het was voor ‘t meerendeel reparatie, en dat beviel mij al heel slecht.

Ik was echter voorlopig weer onderdak en verdiende ƒ 4,50 per week plus kost en inwoning en dit was voor mij al heel aardig. Zooveel had ik zelf als patroon in Renkum nog niet verdiend, doch overhouden kon ik er niet van, en had het hard noodig. Ik moest ondergoed en schoenen koopen enz. en de rest werd besteed voor nu en dan een uitstapje naar Haarlem en omgeving. Daarbij kwam nog toen ik er een paar maanden was dat het Hillegommer Kermis was. Nu! kermis houden en een dansje maken viel juist in mijn smaak. Ik bekommerde mij nog maar niet veel om de toekomst. Ik had narigheid genoeg gehad van dat vroege zorgen.

Dit duurde echter niet lang. Ik was nog al brutaal tegenover mijn patroon, omreden het werk mij niet beviel en werd mij spoedig te verstaan gegeven dat ik maar naar wat anders moest omzien.

Op een goeden morgen zeide mijn patroon dat ik vertrekken kon en dus maar weer op marsch. Waar naar toe wist ik zelf niet. Ik liep in de richting Leiden, denkende hier of daar onderweg op een ander dorp wel werk bij een patroon te zullen vinden, doch dat lukte niet; ook niet in Leiden. Mijn persoon met het bundeltje kleeren bij mij, boezemde zeker niet genoeg vertrouwen in.

Toen maar weer verder in de richting Rotterdam, met de gedachte als ik onderweg niet slaag, in Rotterdam toch onderdak te vinden bij mijn familie. Daar woonden twee tantes van mij, zusters van mijn Vader; ook mijn oudste zuster Cato was in Rotterdam in betrekking. Ik behoefde echter zoo ver niet te gaan. In Leidschendam een dorp tuschen Leiden en den Haag kwam ik bij een patroon die mij terstond aannam en waar ik dus voorloopig kon blijven. Blijde dat ik tenminste weer onderdak was.

Den eersten avond werd ik reeds vergast op een bezoek en een preek van den Dominee en op een boterham met bedorven ham. Enfin! den volgende dag reeds ging ik aan het werk, zeer naar genoegen van den patroon. Mijn werk beviel hem uitstekend. Bovendien werd ik nog al eens vergast op een uiteenzetting van een of ander hoofdstuk uit den Bijbel. Hij was nl. een door en door fijn Calvinist. Toen ik hem daar eens op had geantwoord, en mijn Roomsche beginselen daar tegenover had gesteld, hield dit toch op.

Ik was daar echter lang niet op mijn gemak. Een stil doods dorp, en een fijne zedepreeker als patroon daar moest ik niets van hebben, toch bleef ik een poosje om uit te rusten van mijn zwerftochten. Zondags ging ik meestal naar den Haag. 1½ uur gaans van het dorp, den Haag en Scheveningen. Nu! dat was iets voor mij. Ik had voor dien tijd de Zee nog niet gezien, dus spoedig dit kijkje waargenomen en dus die drukte aan het Scheveningsche strand. Och! och! dat was wat anders dan die Geldersche boerendorpen.

Het vervelendste echter was voor mij dat ik altijd alleen was, dan begint zoo iets ook al spoedig te vervelen. Ik zon dan maar weer op middelen om naar een andere plaats te gaan.

Hier meende ik echter mijne beschrijving van mijn verdere lotgevallen even te moeten onderbreken om iets mede te deelen over mijne ideeën in die periode van reizen en trekken. Ik voelde in die dagen toch zoo sterk mijn antipathie tegen dat ellendige kleermakersvak. Ik was door lezen en studie, ofschoon er bijna geen tijd voor hebbende tamelijk op de hoogte van de verschillende maatschappelijke zaken en zou mij zoo graag hebben bezig gehouden met administratief werk. Iets waar ik meer met het hoofd als met de handen had moeten werken. Vooral het ambt van Onderwijzer trok mij zoo aan. Het was toen juist dat er eene nieuwe wet was aangenomen tot bevordering van het Onderwijs, en bijna overal werd gelegenheid gegeven tot het deelnemen van onderwijzerscursussen. Er werden nieuwe kweekscholen opgericht, met subsidie voor hen die dit onderricht niet konde betalen, enz. Maar ach! tot wien moest ik mij wenden. Geheel alleen aan mijzelf overgelaten; geen cent bezittende dan mijn karig loon waar ik ternauwernood van kon kleeden. Niemand aan wien ik mijn heimelijk verlangen kon openbaren. Al peinsde ik ook nog zoo, ik kwam daarmede geen stap verder. Niets geen vooruitzicht hebbende op een andere en betere positie besloot ik ten laatste om al die illusiën maar voorgoed vaarwel te zeggen, dewijl er toch geen keus was er ook maar ergens aan te kunnen voldoen.

Met mijn aanstaande hield ik getrouw briefwisseling en schreef haar nu eens opgewekte brieven, dan weer zwaarmoedige al naar gelang mijn gemoedstoestand. Wel schreef ik haar nooit over mijn verlangen naar een andere levenspositie wel wetende dat zij dit toch als zoodanig niet genoegzaam kon begrijpen. Zij was zeer eenvoudig en zou zich al heel gelukkig gevoeld hebben indien ik haar ten huwelijk kon geleiden zonder meerdere vooruitzichten als gewoon werkman. Als ik thans aan die tijden terugdenk begrijp ik nog niet dat ik mij niet met geweld er tegen in heb gezet om dat vak vaarwel te zeggen en mijn engagement met haar niet verbrak omreden er toch geen vooruitzicht was en er nog een geheele wereld voor mij open lag om vooruit te komen. Het heeft niet zoo moeten zijn. Ik bleef wat ik was, en bleef ook haar getrouw.

Tot zoo ver was ik dan toen ik mij voornam om dit ellendige dorp zoo spoedig mogelijk maar weer te verlaten.

Op een goeden morgen pakte ik mijn boeltje tezamen en vertrok zonder dat mijn patroon er iets van wist. Hij was mij echter al spoedig achterna gesneld om mij van mijn voornemen af te brengen, want hij kwam door mijn vertrek in verlegenheid met zijn werk. Ik gaf hem echter te kennen dat het mij bij hem niet beviel, doch om hem niet teleur te stellen beloofde ik terug te zullen komen.

Mijn plan was nu naar Rotterdam te reizen en daar werk te zoeken, en zoo ik daar niet in slaagde, dan naar een patroon te gaan, waarmede ik vroeger al eens mede had gecorrespondeerd om in betrekking te komen.

Eerste dus de reis naar den Haag daar liet ik mijn bundeltje achter omreden ik niet bij mijn familie wilde komen als een vluchteling. Vervolgens per trein naar Rotterdam. Mijn oudste zuster Cato was aldaar in betrekking en verder woonde er nog 2 zusters van mijn Vader aldaar. Dat was een ware vreugde voor mijn zuster dat Willem haar kwam bezoeken. Ook bij mijn Tantes en haar familie was ik zeer welkom, terwijl mijn oudste nichtje, een meisje van 19 jaar, mij al aanklampte om met haar uit te gaan.

Ik bleef echter niet langer dan een paar dagen in Rotterdam; werk kon ik ook daar niet bekomen, tenminste niet naar mijn genoegen, ik gevoelde mij ook niet sterk genoeg in mijn vak om in Rotterdam te gaan werken. Ik had nog de herinnering hoe het mij in Arnhem en Nijmegen gegaan was.

Zoo vertrok ik dan, na een 4 tal prettige dagen te Rotterdam te hebben doorgebracht weer naar den Haag om mijn bundeltje weer op te halen; vervolgens met den trein naar Leiden en daarvan per stoomboot naar Aalsmeer, de plaats waar den patroon woonde waar ik mede in correspondentie was geweest om bij hem te komen werken.

Toen ik aankwam stond de goede man mij al op te wachten, dewijl ik hem van mijn komst onderricht had, en vertrokken wij naar zijn huis, nog ½ uur gaans de Haarlemmermeer in. Dat was nog eens wat men noemt. Ik had al veel boerenvolk gezien en in boerenomgevingen gewoond, doch dit spande de kroon. Een boerenwoning met als naaste buurman naar het mij scheen ¼ uur verwijderd; wat varkens- en kippenhokken en in een groote huiskamer de kleermakerstafel.

Och! och! wat was dat een uitverkoren plekje grond voor mij om kleermaker te spelen.

Nadat ik aan de vrouw des huizes was voorgesteld, je kunt begrijpen hoe plechtig dat ging, mocht ik eerste de varkens en ander tuig eens zien; vervolgens werd het avond en zouden wij gaan slapen, doch eerst ons avondgebed gezamenlijk doen.

De boer-kleermaker begon eerst eene rozenkrans van 15 kantjes; toen nog eenige litaniën en ik weet niet goed wat meer nog omreden ik in slaap was gevallen. Ik was wel goed Roomsch, maar dit was mij toch te machtig. Men had mij ook al verzekerd dat de naastbijgelegen R Kath Kerk 1½ uur gaans was. Een mooi vooruitzicht inderdaad.

‘s Morgens werd ik reeds vroeg gewekt naar ik meen 5 à 6 uur. Mijn eerste werk was ons nog eens nader op onderzoek uit te gaan rondom de woning en dit beviel mij zoo, dat ik den patroon vroeg, als men op dit varkenshok stond, de stad Amsterdam kon zien. Hij verklaarde mij, dat zulks bij helder weer wel ging, doch dien morgen niet. Welnu antwoordde ik, dan wil ik eens zien of ik die stad niet vinden kan. Ik nam terstond mijn bundeltje weer op en verliet op staande voet, dit kostbaar oord, zonder zelf op het ontbijt te wachten.

Waar naar toe? Ja! naar de richting Amsterdam. Ik wist dat ik dan Amstelveen moest passeren, alwaar ik mij herinnerde dat een patroon woonde, alwaar mijn stiefvader vroeger werkzaam was geweest, waarvan hij mij dikwijls vertelde had. In Aalsmeer informeerde ik hoever ik nog van Amstelveen verwijderd was, 3 uur werd mij geantwoord. Dus maar op weg. Eerst wat brood gekocht in Aalsmeer en toen al etende er op los.

Na een vermoeiende tocht kwam ik na den middag in Amstelveen en vond al spoedig bedoelden patroon. Na mij bekend te hebben gemaakt werd ik op eens recht joviaal ontvangen, alwaar ik niet op gerekend had. Ik moest terstond wat eten en drinken en mij werd aangeboden om voorlopig maar eenige dagen bij hem te werken, dan zouden een der werklieden van hem, den volgende week met mij naar Amsterdam gaan om werk te zoeken.

Och! och! wat een gelukkige uitkomst. Brave menschen, die mij op eens uit de verlegenheid hielpen. Voorlopig dus alweer onderdak en goed ook. Nadat ik de overige dagen der week, heel genoeglijk, met de 3 andere knechts, die aldaar werkte had doorgebracht, zou ik ‘s maandags mijn reisje naar Amsterdam beginnen.

Zondag echter mocht ik al reeds een voorproefje nemen van de Amsterdamsche lucht! dien middag vroegen mij de jongelui of ik mede wou gaan naar de Stad, 1½ uur gaans om ons te gaan vermaken. Natuurlijk was ik van de partij. Het was in September en dus juist de tijd van de vroege Amsterdamsche kermis. Ofschoon de Kermis al een paar jaren was afgeschaft, wist men het aldaar toch wel zoo te plooien dat men Kermis kon vieren. Het was op een groot terrein aan de Overtoom "Prinses Mariapark" geheeten, dat men de kermisvermakelijkheden had ondergebracht. Voor zeer vele Amsterdammers van mijn leeftijd zeker nog wel bekend. Het was dus dit aantrekkingspunt van ons Amsterdamsche uitstapje. Hoe wij den avond hebben doorgebracht kan ik mij niet goed meer herinneren hetwelk ook minder vermeldingswaardig mag heeten.

Maandagmorgen togen wij weer opnieuw naar Amsterdam, doch ditmaal niet om feest te vieren, maar om te werken. De Neef van den patroon den Heer Fritschy en mijn persoontje. Spoediger dan ik dacht gelukte het mij werk te vinden, door aanbeveling van een der kennissen van mijn begeleider. Ik kon reeds dinsdagmorgen aan den slag komen en wel bij den grooten Confectioneur Oostmeijer op de Leidschestraat 39, alwaar thans is gevestigd de Winkel van ...

Zoo begon ik dan mijn bivak op te slaan in Amsterdam om er nooit meer voor goed uit te trekken

Spoedig was ik op ‘t atelier ingeburgerd. Er werkt 8 à 10 man, de meeste vreemdelingen, maar 2 uit Amsterdam. Nadat ik mijn bescheid had gegeven wat toen nog algemeen op een atelier bestond uit een ½ liter jenever was ik burger en werkte er lustig op los.

Een kosthuis had ik al reeds opgedaan door bemiddeling van den zoo even genoemde kennis. Dat wil zeggen enkel een gelegenheid voor slapen. Eten moest ik maar zoeken in restaurant of volksgaarkeuken en terwijl mijn beurs platzak was, was de laatstgenoemde gelegenheid mij uiterst welkom, daar kan ik voor weinig centen een goed warm middagmaal bekomen. Brood kocht ik zelf maar bij een bakker. Hoe verheugd was ik dat ik zaterdag mijn verdiende loon in ontvangst kon nemen. Het werd hoog tijd want ik had geloof ik geen cent meer. Spoedig mijn slaapgeld betaald en toen ... Ja! toen? Mijne medebewoners van het Logement verzochte mij met hen mede te gaan, dan zoude ze mij de stad Amsterdam eens laten zien. Ik vreesde wel een weinig dit te doen, doch dorst ook weer niet te weigeren om niet voor droogpruimer te worden aangezien. Wij togen er met ons zevenen op uit de stad in, waar naar toe wist ik natuurlijk niet. Dit kan ik wel zeggen dat dit de eerste keer, doch ook de laatste maal was dat ik met die Heertjes uitging. Bah! Gelukkig wist ik mij goed te houden, en ook niet te veel te verteeren, hetgeen zeker niet naar hun zin was. Ik was tenminste blijde dat dien avond om was en nam mij voor zoo spoedig mogelijk een andere slaapgelegenheid op te zoeken.

Spoedig was ik zoo ver in de stad bekend dat ik een kamer kon huren en mij als commensaal aldaar vestigde, dit beviel mij beter als in die omgeving waar ik was geweest. Eten deed ik toen in een Restaurant. Spoedig kreeg ik de slag om met mijn werk op Amsterdamsche manier op te schieten en begon al aardig geld te verdienen. Ook kon ik opperbest overweg met de werklieden van het atelier.

Zoo bracht ik de eerste weken in Amsterdam door, met al de eigenaardigheden goed op te nemen, die een groote stad aanbiedt voor een die altijd buiten is geweest.

Natuurlijk moest ik met mijn medewerklieden op ‘t atelier in vele opzichten mede doen om goed ingeburgerd te worden. Zoo mede ook met uitgaan en vertering. Dat koste mij aanvankelijk meer als het kon lijden. Vooral ook omdat ik zoo veel behoefte had aan boven- en onderkleederen, doch mijn verdiensten waren, voor dien tijd tenminste gerekend tamelijk.

Ik kon dan ook weer meer opgewekte brieven aan mijn aanstaande schrijven. Want bij al die narigheden had ik mijn liefje toch niet vergeten. Ik kon haar nu tevens beloven dat ik met Kerstmis een 8 dagen in Gelderland zou komen.

Die tijd brak spoedig aan. Het was tegen dien tijd stil met het werk en dus kon ik het er wel eens van nemen om naar Gelderland te gaan en mijn geliefde Meta eens te bezoeken.

Eenige geschenken moesten het hunne er toe bijbrengen om de pil van het lange wegblijven eenigzins te vergoeden. Voor haar verjaardag had ik haar reeds een mooie gouden ring beloofd, die moest dus mede worden gebracht, verder een geschenk voor haar Moeder en ook voor mijn Ouders en Zusters. Dat was wel een heele aderlating in mijn beurs, doch ik had in den laatsten tijd nogal zuinig geleefd en dus wat geld gespaard.

Dat weerzien was als vanzelf allerhartelijkst na eene afwezigheid van bijna 5 maanden.

Zij was in den tuschentijd naar Arnhem in betrekking gegaan, dus eerst zaterdags naar Wageningen naar haar Ouders, den volgenden morgen naar mijn Ouders te Randwijk en ‘s middags naar Arnhem.

Daar was dan dus de zwerveling weer thuis en bij zijn liefje. Wij namen het er dinsdag dan ook maar eens goed van, doch de volgende dagen was zij natuurlijk niet vrij. Ik deed toen tegelijk ook een uitstapje naar Nijmegen en bracht die week dus zeer prettig door. Met nieuwjaar nog weer eens naar Arnhem, en den volgende dag weer naar Amsterdam terug.

De eerstvolgende maanden leverde geen te vermelden nieuws op. Ik werkte geregeld, ging nog al eens uit en leefde zoo van de eene week in de andere. Wat het uitgaan betreft, eigenlijk wel meer als nodig was ofschoon altijd in behoorlijk gezelschap. In dien tuschentijd was ik ook al een paar maal veranderd van woning, waarbij ik wel eens belande in gezelschappen die beter waren geweest dat ik vermeden had, ten laatste kwam ik in een omgeving waar het mij wel aanstond, te weten in een vrolijk en jolig commensaalshuis. Er waren er 5, allen vrolijke jonge mannen. Zoodat het er dikwijls lustig naar toe ging, doch was de taal die gevoerd werd niet altijd zoo als het behoorde, hoewel ik toch niet op zoodanige wijze dat het te ver buiten de scheef ging.

Eenige van deze jongelui brachten dikwijls hun meisjes mede en dan was het veelal volop Kermis en wel eens te luidruchtig. Vooral de commensaalhouder zelf. Deze waren niet Katholiek en voor dezulke is dubbelzinnige taal dikwijls een genot. Een paar van mijn mede commensaals waren wel Katholiek doch het zat er niet dik op. Vandaar dat ik, om geen vreemde eend in de bijt willende zijn mij ook meer veroorloofde als wel betamelijk was, zoo als het gewoonlijk gaat op die leeftijd en dan in zulk een omgeving.

Met het voorjaar, tegen Mei zou mijn aanstaande eenige dagen naar Amsterdam komen om eens te zien hoe het met mij gesteld was en tevens Amsterdam eens te bezichtigen. Dat waren feestdagen, de drie dagen dat zij hier doorbracht. Natuurlijk lag mijn werk deze dagen stil en den geheelen dag met het meiske op stap. Alle bezienswaardigheden en ‘s avonds naar eenige vermakelijkheden. Zoodat deze dagen mij tamelijk rut maakte.

Het voornemen werd tevens gemaakt dat zij zoo spoedig mogelijk hier in Amsterdam in betrekking zou gaan hetgeen in Augustus d.a.v. gebeurde.

Van toen af werd het voor mij een meer geregeld leven wat uitgaan en vermaken betreft. Niet dat ik mij geen uitgaan meer veroorloofde zonder mijn meisje, hierin was ik al modern genoeg, doch zoo mogelijk was zij ook van de partij.

Ik was lid geworden van een liefhebberijtooneelvereeniging en had een vriend waar ik veel mede omging. Ook hij was, evenals ik liefhebber van netjes en fatsoenlijk uitgaan. Dit uitgaan bestond zeer dikwijls zondagsavonds naar een of andere tooneeluitvoering gevolgd door bal. Wij beiden waren echte liefhebbers van dansen. Verders in wandelingen, in en om Amsterdam

Op avonden dat mijn aanstaande vrij was, waren wij dikwijls ten huize van mijn pension. Het was daar, zoo als ik al eerder opmerkte, nu en dan een jolige boel, ofschoon de gesprekken, vooral van den Heer des huizes, niet altijd waren zoo als het behoorde. Tot mijn spijt, moet ik bekennen, dat ik dat toen niet zoo heel erg vond, en dat ik, in plaats van deze bijeenkomsten met mijn aanstaande te vermijden wij er dikwijls bij tegenwoordig waren. Ik was in die dagen meer Katholiek in naam dan inderdaad, ofschoon ik trouw altijd mijn zoogenaamde Kerkelijke plichten nakwam, gedroeg ik mij in die dagen niet zoo als het een Katholiek jongeling paste die voornemens was zich binnenkort in ‘t Huwelijk te begeven. Gelukkig echter dat ik mij nooit ophield op plaatsen die niet betamelijk waren, zoo als er toch zoo vele jongelingen op deze leeftijd doen.

Ons plan was binnenkort te gaan trouwen. Dit kwam wel niet zoo goed overeen met mijn zoo even geschetste levenswijze. Deze, laat ik zeggen, minder goede voorbereiding voor ons huwelijk heeft mij, mijn geheele leven zeer gehinderd en is misschien wel oorzaak geweest, van minder gelukkige dagen in mijn leven