Het geestelijk en cultureel leven in Horst

 

Het geestelijk en cultureel leven in Horst in de 18e eeuw wordt uitgebreid door W. J. Moorman in Horster Historiën deel 2 beschreven. Hij schrijft dat omstreeks 1700 een offensief wordt gevoerd tegen het ontspannings­leven en de ontheiliging van zon- en feestdagen. Met name, Cecilia Catharina van Bocholtz, markiezin van Horst, de moeder van Maria Adriana Alexandri­na Theresia van Wittenhorst, vervaardigde een reeks verordeningen uit over het openbare leven in Horst.

(…) Op zon- en feestdagen waren de gelovigen verplicht het werk te onderbreken en de mis bij te wonen. Gedurende de zeventiende en achttiende eeuw schijnt het bijwonen van de mis zeer algemeen te zijn geweest. Ook het ontspanningsleven was streng gereglementeerd. Het katholicisme is tenslotte een godsdienst die de mens wil omkeren tot in hart en nieren en daarom de behoefte voelt ook het zedelijk leven streng en gedetailleerd te normeren. De Kerk wilde de gelovigen vooral afhouden van drankmisbruik, van overmatig herbergbezoek en van gemengde ontspanning, die kon leiden tot seksualiteit buiten het huwelijk. Behalve de Kerk zag ook de wereldlijke overheid strak toe op het ontspanningsleven. Voor het burgerlijk gezag stond voorop dat de openbare orde en rust gehandhaafd bleven. Door uitspattingen op zon- en feestdagen zou die orde en rust gevaar kunnen lopen. Overheid en Kerk werkten daarom nauw samen: steeds wanneer een verslapping van de toepassing van de voorschriften optrad, werd er door de kerkelijke autoriteiten bij de wereldlijke collega’s op aangedrongen dat de wettelijke voorschriften aan de belanghebbenden in herinnering werden gebracht. Zowel overheid als Kerk zagen het ontspanningsleven als iets negatiefs, iets dat geweerd moest worden. Men zag slechts de mogelijk zedelijke gevaren die er aan verbonden waren en hield onvoldoende rekening met de noodzaak van ontspanning voor mensen met een zwaar arbeidsleven. Er werd veel verboden zonder daar iets anders voor in de plaats te stellen. Overheid en Kerk zijn er daarom nooit in geslaagd de misbruiken geheel uit te bannen, hoewel er periodes waren waarin wel degelijk een vermindering optrad.

Het plaatselijk bestuur van de heerlijkheid Horst werd gevormd door de heer, de scholtis als zijn vertegenwoordiger, door de schepenen[1], de gezworenen[2] en de geërfden[3]. Het plaatselijk bestuur behartigde de belangen van de gemeenschap, waaronder ook de handhaving van de openbare orde. Vanaf april 1674 was Johan Willem van Wittenhorst, toen nog geen zes maanden oud, heer van de heerlijkheid Horst als opvolger van zijn vader Willem Vincent van Wittenhorst. Johan Willem was in naam heer van de heerlijkheid, in feite echter bepaalde zijn moeder Cecilia Catharina van Bocholtz de gang van zaken van 1674 tot 1715. Laatstgenoemde deed toen afstand van haar rechten op de heerlijkheid ten gunste van haar enige dochter Maria Adriana Alexandrina van Wittenhorst. Johan Willem maakte na 1692 snel carričre in het leger van de Staten-Generaal en vertoonde zich slechts zelden in Horst. Hij leefde lange tijd in onmin met zijn moeder die in 1685 hertrouwd was met markies Arnold van Hoensbroek (in 1694 overleden). Johan Willem overleed in 1714 in ‘s-Hertogen­bosch. Zijn moeder Cecilia Catharina was een dominerende persoonlijkheid die niet alleen met Johan Willem in onmin leefde, maar ook voortdurend in conflict was met de inwoners van Horst en het gemeentebestuur. Met het ontspanningsleven en de heiliging van zon- en feestdagen bemoeide de markiezin (de titel had ze overgehouden aan haar huwelijk met Arnold van Hoensbroek) zich intensief. Zij deed dat door middel van een aantal verordeningen die ze ofwel zelf uitvaardigde of door de scholtis, Reinier van Eindt, liet uitvaardigen. De oudst bekende ordonnantie werd op 4 april 1697 gepubliceerd door de scholtis. Ze was vooral gericht tegen misdragingen van de jeugd. Dagelijks waren er kinderen die in de kerk speelden bij het “hooghen choor”. Het ging zelfs zo ver dat ze op zon- en heiligendagen onder de mis “groote insolentie ende welmoedigheyt” bedreven. Vermaningen van de schoolmeester baatten niet, integendeel: de kinderen bespotten de schoolmeester, scholden hem uit en bedreigden hem zelfs. Daarom werd alle inwoners opgedragen er voor te zorgen dat de kinderen zich voortaan zedig en stichtelijk zouden gedragen. Als ze dan toch door de schoolmeester vermaand of gestraft werden, moesten ze zich daarbij neerleggen. Deden ze dat niet en bespotten ze de schoolmeester, scholden hem uit of liepen ze voor hem weg, dan zouden de ouders van de betreffende kinderen een boete van een gulden moeten betalen. Verder werd iedereen en met name de “ongereguleerde jonckheyt” gewaarschuwd om niet in kerkbanken te gaan zitten die niet voor hen bestemd waren, hetgeen dus blijkbaar dikwijls gebeurde. Wie dit toch deed en bovendien de kerkbanken vuil maakte, zou voor het oog van de hele kerk naar buiten worden gebracht. Ook een volgende ordonnantie van de scholtis van 5 januari 1699 had voornamelijk betrekking op kinderen. Markiezin Cecilia Catharina van Hoensbroek had namelijk vernomen dat jongens en meisjes zich vooral op zon- en heiligendagen misdroegen op het kerkhof, op de markt en op openbare wegen. Dit alles had tot gevolg dat ze niet naar de mis gingen en bovendien dat de goede naam van Horst bij de naburige dorpen werd aangetast. Daarom werd bepaald dat kinderen en ook de iets oudere dienstboden zich op die dagen niet meer op het kerkhof, de markt of openbare wegen mochten bevinden om te spelen of “andere dertelheijt te bedrijven”. Gebeurde dat toch dan zou een boete van een gulden betaald moeten worden. Overigens kwam men de kinderen toch enigszins tegemoet: na afloop van de vesper zouden ze op afgelegen openbare wegen mogen spelen. In een verordening van 31 januari 1701 beperkte Cecilia Catharina zich niet tot kinderen en dienstboden. Naar aanleiding van misdragingen, vechtpartijen en andere strafbare feiten, bij nacht en ontij bedreven, nam zij maatregelen. Niemand mocht herbergen bezoeken op zon- en feestdagen tijdens de mis. Gebeurde dit toch dan kreeg men een straf zoals vastgelegd in het Gelders Landrecht. Dit bepaalde dat iemand die zich ten tijde van de mis in een herberg bevond een boete van een gulden moest betalen. De waard of waardin die dit toegelaten had zou een zelfde bedrag moeten betalen. Voorts bepaalde de markiezin dat niemand zich nog na negen uur in een herberg mocht bevinden. Voor de bestraffing van dit feit werd verwezen naar het koninklijk plakkaat van 29 januari 1689 dat bepaalde dat mannen tot negen uur in de herberg mochten blijven en dat vrouwen voor zonsondergang moesten vertrekken. Gebeurde dit niet dan moest de man of vrouw drie gulden betalen, de waard of de waardin het dubbele. Tenslotte bepaalde de markiezin dat niemand en “principaelijck (...) de jonckmans ende jonghens” niet ‘s avonds na tien uur langs straten en huizen zouden mogen gaan “swieren”. Dit zou gestraft worden met maar liefst tien gulden boete. De scholtis, de bode en de onderbode werden aangemaand al het mogelijke te doen om de “moetwilligers te attrapperen ende te ontdecken”. Een ordonnantie van Cecilia Catharina van Bocholtz, markiezin van Horst, gedateerd 16 september 1709, behandelde weer een ander onderdeel van het ontspanningsleven: het dansen van jongens en meisjes. De markiezin wees daarbij op vroegere ordonnanties waarbij ze het dansen van “ongelijcke persoonen” al had verboden. Nu gelastte zij nogmaals alle “jonghmans ende jonge dochters” niet met elkaar te dansen, onder welk voorwendsel of bij welke gelegenheid dan ook. Degenen die betrapt werden, dienden ieder een boete van drie gulden te voldoen. Uitdrukkelijk werd opgemerkt dat deze zelfde straf ook gold tijdens jaarmarkten binnen de heerlijkheid Horst. Daarnaast werd herbergiers en ook particulieren verboden om muzikanten toe te laten. Degenen die toestonden dat muzikanten speelden bij samenkomsten van jongens en meisjes en ook de muzikanten zelf, kregen een boete van drie gulden. De laatste door Moorman besproken verordening is een opdracht van Cecilia Catharina aan scholtis Reinier van Eindt om voortaan beter op te letten dat er op zon- en feestdagen niet werd gewerkt. Het stuk dateert van 22 juni 1715. Van Eindt zou verschillende keren permissie hebben gegeven om op die dagen turf te steken in de Peel. Aangezien dit een ontheiliging was, beval de markiezin de scholtis om voortaan eerst toestemming aan haar te vragen . Degenen die zich hier niet aan hielden zouden gestraft worden. De inwoners werd voorts opgedragen om, indien zij toch op deze dagen meenden te moeten werken, dit aan de markiezin zelf voor te leggen. (…)

(…) De verordeningen van Cecilia Catharina van Bocholtz en van de scholtis geven een beeld van de maatregelen die door het plaatselijk bestuur werden genomen om uitwassen in het ontspannings­leven te voorkomen. Maar hoe was de werkelijk­heid? Welke ongeregeldheden vonden er plaats? Kwamen ze vaak voor? Werden de boosdoeners bestraft? Op deze en andere vragen kunnen de vele archieven van de schepenbank Horst antwoord geven alsmede bronnen van kerkelijke zijde, namelijk de dekenale visitatieverslagen over Horst en de dossiers van processen gevoerd voor het officialaat (bisschoppelijke rechtbank) van Roermond waarbij Horstenaren waren betrokken. De schepenbank was onder andere competent voor het berechten van overtredingen en misdrijven. Ze werd voorgezeten door de scholtis, die werd aangesteld door de heer. Ook kon de scholtis optreden als openbare aanklager door de heer (zie, bijvoorbeeld, de rechtszaak tegen Jenneke Baeten) en was hij in geval van criminele rechtspraak uitvoerder. De schepenbank bestond uit maximaal zeven schepe­nen, die recht spraken. Zij werden eveneens aangesteld door de heer of vrouwe van de heerlijkheid. Andere functionarissen van de schepenbank waren de gerechtsbode en de secretaris of gerichtsschrijver. (…)



[1]          Soort wethouder.

 

[2]          Soort jurylid.

 

[3]          (Groot)grondbezitter.