Geschiedenis van het orgel

Vóór 1820
1820 J. Binvignat
1824 "Het kerk-Uhr in oblicht gefallen"
1835 - 1849 Max en Anton Schauten
1849 - 1851 Ombouw Müller
1851 - 1974 Reparaties
1974 Restauratie Vermeulen

Vóór 1820

Frontlijst rechterveld
Frontlijst onder het rechterveld met oude versieringen. De versieringen zijn oorspronkelijk verticaal bedoeld geweest en zijn een kwartslag verdraaid opgehangen. Waarschijnlijk oorspronkelijk versiering van de frontstijlen.

Over de voorgangers van het orgel in de kerk van Mechelen is nagenoeg niets bekend. Het enige wat we weten, is dat vanaf 1808 een koster-organist betaald wordt, dus er was een instrument aanwezig vóór de kerk in 1810 werd opgeleverd. Op 1 juli 1809 begint hij officieel als organist. Het ligt daarom voor de hand, dat er net een orgel werd aangeschaft en de koster eerst met lessen moest beginnen.
Het kerkgebouw was in de 18e eeuw bouwvallig en werd tijdelijk gesloten. Het is dan ook onwaarschijnlijk, dat er wel een orgel geweest is.
In 1815 werd de orgelkast vernieuwd en van verguldsel voorzien.

[boven]

1820 J. Binvignat

In 1820 wordt er een nieuw orgel geleverd door "Herrn Bebbelsack". Het betreft hier de Maastrichtse orgelmaker Joseph Binvignat. Hij leverde een éénklaviers orgel, waarbij hij vermoedelijk gebruik maakte van delen van een ouder orgel. Van dit oudere orgel zijn nog fragmenten bewaard in het huidige. De kas werd geleverd door de schrijnwerker Joseph Van Houtem. De oorspronkelijke dispositie werd teruggevonden op de oude registerlat, die tot 1974 onder in het orgel lag. Tegenwoordig heeft deze een plaats gekregen tegen een paneel in de achterwand van het onderpositief.

[boven]

1824 "Het kerk-Uhr in oblicht gefallen"

Een kleine catastrofe vindt plaats in 1824. Het wordt omschreven als "... het kerk-Uhr in oblicht gefallen ...". Waarschijnlijk is een deel van het torenuurwerk naar beneden gekomen. Van Houtem ontvangt "arbeidsloon dienende tot bevrijing der Blasbalken orgel en de zangbank". Vervolgens begint men aan de herbouw van de toren, die in 1849 voltooid wordt.

Heugem, Max en Anton Schauten, 1844.
Heugem, St. Michael
M. en A. Schauten, 1843
(foto T. Reijnaerdts)
St. Geertruid, , St. Gertrudis - Max en Anton Schauten, 1844.
St. Geertruid, St. Gertrudis
M. en A. Schauten, 1844
[boven]

1835 - 1849 Max en Anton Schauten

In 1835 wordt een overeenkomst gesloten met Max Schauten uit Jüchen om de komende 25 jaar het orgel te onderhouden. In de daarop volgende jaren wordt het orgel nagenoeg elk jaar gestemd door Max of Anton Schauten.

[boven]

1849 - 1851 Ombouw Müller

In 1849 is de toren gereed en worden twee kolommen onder het orgel besteld in Luik. Anton Schauten verblijft enkele dagen in Mechelen voor "afnemen opzetten en stemmen der Orgel". De nieuwe kerktoren wordt feestelijk in gebruik genomen. Schauten heeft hier slechts een paar dagen werk aan; te kort om de orgelkas te vernieuwen.
Kort daarna wordt het orgel weer onderhanden genomen. Van 1849 tot 1851 zien we geen namen van de orgelmakers meer in de archieven, maar er is wel een constante stroom van rekeningen voor materialen en werk aan het orgel. In juni 1851 komen we voor het eerst de plaatsnaam "Reiferscheit" tegen, waar de Gebroeders Müller hun werkplaats hebben. Zij worden in september met naam genoemd. Het werk dat Schauten begonnen was, is blijkbaar zonder dat de reden het vermelden waard is, overgenomen door de Gebroeders Müller.

Het huidige front moet echter nog door Schauten in 1849 samengesteld zijn. Het is een fronttype, dat bij de Müllers helemaal niet voorkomt. Het lijkt wel op de fronten van de Schautenorgels te Maastricht-Heugem (1843) en St. Geertruid (1844).
De verbouwing van het orgel was omvangrijk. Er werd feitelijk een nieuw orgel geleverd met gebruikmaking van ouder materiaal. Nagenoeg het complete bestand aan Binvignatpijpen werd herbruikt. Daarnaast werd de oude kast uitgebreid en deels vernieuwd. De windladen werden vernieuwd en er werd een Positief in de onderkas geplaatst. De dispositie werd geheel in de huisstijl van Müller vernieuwd.
In 1855 wordt de laatste termijn van het orgel voldaan. Het orgel wordt regelmatig door de Gebroeders Müller onderhouden.

[boven]
Mechelen, Max en Anton Schauten, 1849.
Mechelen, H. Johannes de Doper
Max en Anton Schauten, 1849

1851 - 1974

Het orgel wordt in 1882 door Müller naar achter geplaatst, om meer banken voor het orgel te kunnen plaatsen en deze te verpachten. Vermoedelijk heeft het orgel tot dit jaar nog in de balustrade gestaan. Tevens wordt er rode stof achter de openingen in de onderkast gehangen. Ook wordt de orgelkast in eikenimitatie geschilderd, "daar ze maar in grondkleur was". Tenslotte wordt de balustrade verhoogd tegen het overhangen door de mensen op het oxaal.

In 1891 wordt door Müller een vrij pedaal van drie stemmen toegevoegd. Tussen het hoofdwerk en de torenmuur werd een mechanische kegellade geplaatst, met twee zinken en een houten register. In de windlade is de plaatsnaam Kevelaar teruggevonden, wat kan wijzen op toelevering door Rütter.

Het onderhoud gaat in 1901 over naar de fa. Franssen te Roermond. Zij voert direct een grote reparatie uit.
In 1908 blijft Franssen overnachten, wat ook op een grotere reparatie wijst. Tijdens de oorlogsjaren en de crisistijd wordt het onderhoud aan het orgel geregeld overgeslagen.
In 1929 neemt de fa. Pereboom & Zn. het onderhoud over. Zij brengt nog hetzelfde jaar een electrische windmotor aan en de orgeltrapper krijgt een pensioen.
In 1935 wordt de kerk vergroot naar ontwerp van de architect Jos. Cuypers. Tevens wordt de kerk voorzien van hete-luchtverwarming.

[boven]
Het orgel vóór de restauratie van 1974
Het orgel vóór de restauratie van 1974 in de eikenimitatie uit 1882.

1974 Restauratie Vermeulen

Eind jaren '60 wordt overwogen het orgel grondig te laten herstellen. H. van der Harst wordt als adviseur aangesteld en stelt een kort rapport op. Hij gaat ervan uit met een verbouwd 18e eeuws orgel uit de school van König te doen te hebben. De fa. Gebr. Vermeulen uit Weert krijgt hierop de opdracht het orgel te herstellen. Naast het afregelen van de tractuur en het schoonmaken van het pijpwerk, wordt op het pedaal het zinken pijpwerk vervangen door een houten Bourdon 16' en een houten Flaut 8'. De discant van de Clairon 4' ontbreekt, maar rooster en stokken zijn wel voorgeboord. Het hoogste octaaf was hierbij bedoeld als labiaal uit te voeren. Dit register is ingevuld, echter met een naar 8' repeterend hoogste octaaf. Bij de Mixtuur ontbrak het vierde koor. De stokken waren zelfs niet doorgeboord, wat erop wijst, dat dit register tijdens de verbouwing van 1851 al als driekorige mixtuur werd uitgevoerd. Echter in 1974 werd een nieuw hoogste koor toegevoegd. De registerknoppen worden naar het oude voorbeeld vernieuwd. De kast van het orgel werd wit geschilderd met een marmerimitatie. Bij de balustrade werd de tandlijst verwijderd.

[boven]