Het ontstaan van de Markerrondbouw

De laatste ontwikkeling in de stamboom der zeilende bedrijfsvaartuigen.

In de dertiger jaren van de twintigste eeuw was het zeilende bedrijfsvaartuig al lang op zijn retour. De meeste vrachtschippers hadden de zeilen al vervangen door motoren, of maakten gebruik van opduwers. Op de Zuiderzee echter werd nog onder zeil gevist door een vloot van vele vaak houten vissersschepen. Er waren geen nieuwe typen zeilende bedrijfsvaartuigen meer ontstaan, en er was ook geen noodzaak voor iets nieuws. Toch ontstond er nog een laatste loot aan de stamboom van Nederlandse beroepszeilschepen ; de Markerrondbouw. Hoe kwam het dat er behoefte was aan een nieuw type zeilend visserschip? Om deze vraag te beantwoorden moeten we de omstandigheden uit die tijd eens nader bekijken.

Van Zuiderzee tot IJsselmeer

plan LelyIn het begin van de twintigste eeuw was de Zuiderzee een binnenzee met zout water. Er werd door de regering al jaren over gedacht om deze grote zee in te polderen. Toen in januari 1916 door een zware storm diverse overstromingen ontstonden, besloot de regering om door te zetten. Het plan van de waterstaatkundig ingenieur Cornelis Lely moest uitgevoerd worden.

Na een paar proefinpolderingen (bij Medemblik en later de Wieringermeerpolder) was het zaak om de zee af te sluiten. De twaalfde provincie van Nederland moest verrijzen uit de Zuiderzeeklei. In 1932 was de afsluitdijk gereed en de zee getemd.

Het is begrijpelijk dat de vissers van de Zuiderzee hierdoor hun wereld zagen instorten. De vele protesten van hun kant hadden niet geholpen. De verwachting was dat het wel snel grotendeels afgelopen zou zijn met de visserij. Ook de regering verwachtte dit en had de "Zuiderzee steunwet" aangenomen om de brodeloos wordende vissers tegemoet te komen. De wet hield in dat de regering de vissers schadeloos zou stellen, of voor vervangend werk zou zorgen.

Crisis jaren

vissers in een fabriek Inmiddels was de wereld echter beland in een diepe economische crisis, waardoor werkgelegenheid en geld voor steun schaarse artikelen waren. De vangsten op het IJsselmeer liepen gestadig terug. Steeds meer vissers stopten met vissen, de schepen werden opgelegd, verkocht of gewoon aan hun lot overgelaten.

Gelukkig gebeurde er iets waar de meesten niet op hadden gerekend, in het IJsselmeer verschenen geleidelijk aan steeds meer andere soorten vis. Snoekbaars uit de rivieren en paling voelden zich uitstekend thuis in het nieuwe zoete water. Bovendien werd het IJsselmeer nog niet direct totaal ingepolderd. Dit was een meevaller voor de vissers, die zich absoluut niet prettig voelden in de fabriekjes en bedrijven, waar ze moesten werken. Als je het vrije leven op zee gewend bent valt het niet mee van 8 tot 5 in de fabriek.

schouwDe regering speelde op de nieuwe situatie in door met behulp van de Zuiderzee steunwet de mogelijkheid te bieden om toch als visser je brood te kunnen verdienen. Ook vissers die opnieuw werkeloos waren geworden omdat het slecht ging met het bedrijf waar ze te werk waren gesteld, konden hierdoor een nieuwe start maken in de visserij. Het was mogelijk om krediet te krijgen en zodoende een schouw te laten bouwen. De bedoelde schouw (ook wel spekbak genoemd) was een zeilend stalen vissersschip dat was ontstaan uit een scheepje dat voor sloten en kleine meertjes werd gebruikt. Het werd wat groter gebouwd (van 7 tot 10 meter) zodat het geschikt was voor de Zuiderzee. De schouw werd onder andere gebruikt door de vissers in Hoorn.

Maar het meest gebruikte schip op de Zuiderzee was de botter. Deze was groter (12 tot 14 meter) en geheel van hout. De meeste botters waren echter toen al oud en vergden veel onderhoud. De bouw en het onderhoud was arbeidsintensief en daarom duur. Zeker op het zoet geworden water hadden ze heel wat aandacht nodig. De schouw was goedkoop en snel te bouwen, en de Rijksdienst ter Uitvoering van de Zuiderzeesteunwet dacht dat hiermee de botter wel vervangen zou kunnen worden.

In Volendam, waar ooit vele botters hun thuishaven hadden, wilde men graag weer aan de slag. De vissers gingen akkoord met de keuze van de Rijksdienst, maar kwamen daar een jaar of twee later weer op terug. De schouw was inderdaad goedkoper in aanschaf en onderhoud, en een groter schip was ook niet nodig, maar de botter was toch meer schip. Bovendien hadden zij inmiddels kennis gemaakt met een nieuw type schip. Een schip dat ook van staal was, maar dat wat meer eigenschappen had van een botter.

De eerste Markerrondbouw

de droom van een Marker

Tijdens de afsluiting van de Zuiderzee, in 1932, woonde op Marken de drie gebroeders Botsman, die gezamenlijk met een kleine schouw visten. Vanuit de haven van Oude Zeug gingen ze meestal richting afsluitdijk om op bot te vissen, die zich steeds verder richting waddenzee terugtrok. Voor dit ruime gedeelte van het nieuwe IJsselmeer was hun houten spekbak eigenlijk te klein. Ze wilden een ander, groter schip. Geen botter maar een schip van staal dat niet te veel onderhoud vergde. Het moest een ruim scheepje zijn, geschikt voor de visserij met staande netten.

Over de vorm waren ze het nog niet eens, iets met een mooie klippersteven leek ze wel wat. Maar na hierover verder doorgedacht te hebben moest het schip toch een wat vollere kop hebben. Op het IJsselmeer konden nogal eens behoorlijke golven voorkomen, en dan was het natuurlijk niet de bedoeling dat het nieuw te bouwen schip daar haar kop diep in zou steken. Het moest een zeilschip zijn, omdat de marker vissers gewend waren aan hun vismethodes, die op het zeil uitgevoerd werden. Al eeuwenlang waren de technieken om vis te vangen afgestemd en aangepast op het zeilen. Ook bij een schip dat speciaal bedoeld was voor het vissen met staande netten, stonden goede zeileigenschappen bovenaan op het verlanglijstje. Het was tenslotte zo dat je onder alle omstandigheden met je schip veilig en snel thuis moest kunnen komen, en de motoren uit die tijd waren nog niet zo betrouwbaar.

originele tekeniningIn overleg met de scheepsbouwer van Goor in Monnikendam werden de ideeŽn voor de een nieuw schip verder uitgewerkt. Het aldus ontstane schip lijkt wel wat op de door de vissers geliefde botter, is wat kleiner, van staal en had toch veel ruimte om te werken doordat het een platte spiegel heeft. De naam Markerrondbouw ontstond omdat het schip geen platte bodem heeft, zoals de botter, maar onder water rond is zoals de Lemmeraak.

In 1934 werd bij de scheepswerf van Goor de eerste Marker Rondbouw te water gelaten. Het had 1800 gulden gekost en kreeg als nummer MK 75. Deze Rondbouw was een compleet zeilschip zonder motor en was gebouwd zonder krediet van de Zuiderzee steunwet.

Het succes

naast en LemmeraakHet schip beviel uitstekend. Er volgden al snel een paar marker vissers die de voordelen van het nieuwe schip zagen. Zo werden de MK 5 en de MK 48 naar het model van de MK 75 gebouwd. Het duurde echter niet lang voordat Volendammers ook zo'n "Rondbouw naar Marker model" wilden. Degenen die eerst genoegen hadden genomen met een schouw van de steunwet kregen al snel spijt van hun beslissing. Ze gingen opnieuw naar de directeur van de Zuiderzee steunwet en wisten hem te overtuigen dat met zo'n scheepje, dat speciaal aan de nieuwe omstandigheden was aangepast, veel meer gevangen kon worden dan met een schouw. Zodoende kregen zij een aanvullend krediet voor een Markerrondbouw, compleet met zeilen, vistuig en een kleine hulpmotor.
Volendamse haven vol MarkerrondbouwenAl snel melden zich steeds meer vissers bij de Rijksdienst met het verzoek om een krediet voor dit nieuwe schip. Zelfs vissers die nog een goede botter of een kwak (een grote botter) hadden, verkochten hun schip en gingen over tot de aanschaf van dit handige scheepje. In korte tijd kreeg de scheepsbouwer van Goor zoveel aanvragen voor een "Rondbouw naar Marker model" dat dit de capaciteit van de werf te boven ging. De ongeduldig geworden vissers werden gedwongen uit te wijken naar andere werven. Diverse scheepsbouwers rondom het IJsselmeer kregen verzoeken van Volendammers om een Markerrondbouw te bouwen. Opdrachten gingen naar Wed. de Groot in Edam, Amels in Makkum en van der Werff in Bolsward, om enkele te noemen. Zij namen het model over en profiteerden zodoende mee van de groeiende vraag naar dit schip.

Later volgden vissers uit Enkhuizen, Bunschoten, Makkum en Urk het voorbeeld van de Markers en Volendammers. In de jaren voor en vlak na de tweede wereldoorlog werden ongeveer 33 Markerondbouwen op zeven werven rond het IJsselmeer gebouwd.

De laatste zeilende vissersschepen

tot motorschip verbouwdGeleidelijk werden de motoren voor de schepen steeds betrouwbaarder en krachtiger, en ging men over op volledig gemotoriseerde vistechnieken, de zeilen werden steeds minder gebruikt. Aan het eind van de veertiger jaren kregen de nieuw te bouwen schepen een scherpe steven, terwijl ze aanvankelijk verder nog op de Markerrondbouw leken. De zeilen werden echter hulpzeilen. Ook de originele Markerrondbouwen ontkwamen niet aan de invloed van de voortschrijdende techniek. Voor het gebruik van sleepnetten werden steeds zwaardere motoren in gebouwd om de concurrentie de baas te blijven. Zo steeg het motorvermogen van aanvankelijk 10 pk tot soms wel 120 pk of meer.
een nieuw levenToch duurde het nog tot de zeventiger jaren voordat de laatste Markerrondbouw de zeilen streek en volledig gemotoriseerd verder ging. Op het IJsselmeer liepen de vangsten echter opnieuw terug. Hierdoor kwamen veel schepen werkeloos aan de kade te liggen. De eerste Markerrondbouwen werden al in de vijftiger jaren verkocht om als pleziervaartuig een nieuw leven te beginnen. Als vissersschip zijn bijna alle originele Markerrondbouwen nu uit de vaart. Op een enkel schip na bestaan alle Markerrondbouwen nog. De meeste als pleziervaartuig, zowel zeilend als omgebouwd tot motorboot, maar er zijn ook nog enkele in bijna originele staat als visserman.

Indertijd zijn vrijwel alle Markerrondbouwen gebouwd met een hulpmotor. Maar ze werden echter allemaal geleverd als compleet getuigd zeilschip, en er werd beroepsmatig mee gezeild. Hierdoor kan gesteld worden dat dit type schip de laatste loot was aan de grote Nederlandse stamboom van zeilende bedrijfsvaartuigen.

mail to : markerrondbouw@planet.nl

terug

Bronvermelding:

Peter Dorleijn, Van gaand en staand want deel 2. Amsterdam 1982.